<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR61674_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede de regels voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiele organisatie van de gemeente Loppersum</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening gemeente Loppersum</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet; artikel 212</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-07-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede de regels voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiele organisatie van de gemeente Loppersum</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Loppersum;</al><al/><al>gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;</al><al/><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen de: </al><al/><al><vet>”VERORDENING OP DE UITGANGSPUNTEN VOOR HET FINANCIEEL BELEID, ALSMEDE
                        DE REGELS VOOR HET FINANCIEEL BEHEER EN VOOR DE INRICHTING VAN DE
                        FINANCIËLE ORGANISATIE VAN DE GEMEENTE LOPPERSUM”. </vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>1.</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>afdeling: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke
                                organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het
                                college. </al></li><li nr="b."><al>administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en
                                verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het
                                functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie
                                van de gemeente Loppersum en ten behoeve van de verantwoording die
                                daarover moet worden afgelegd. </al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>2.</nr><titel>Begroting en verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Programma-indeling</titel></kop><al>1.De raad stelt bij aanvang van een nieuwe raadsperiode een
                        programma-indeling voor de komende raadsperiode vast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inrichting begroting en jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting wordt een overzicht gegeven van de productenraming
                            ingedeeld naar programma’s en bij het jaarverslag wordt een overzicht
                            gegeven van de productenrealisatie ingedeeld naar programma’s. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie van de begroting wordt
                            van de nieuwe investeringen per investering het benodigde
                            investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen
                            het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting
                            van het krediet in het lopende boekjaar weergegeven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de
                            geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale
                            uitgaven weergegeven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3a</nr><titel>Kaders begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt uiterlijk 1 juni van het begrotingsjaar een nota aan
                            over de kaders voor het volgende begrotingsjaar en de drie opvolgende
                            jaren. In deze nota worden de bevindingen betrokken uit de rapportage
                            van de begrotingsuitvoering bedoeld in artikel 5 en de jaarstukken.
                        </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt deze nota uiterlijk 1 juli vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Autorisatie begroting en investeringskredieten en
                            begrotingswijzigingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale
                            lasten en de totale baten per programma en het overzicht algemene
                            dekkingsmiddelen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe
                            investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor
                            autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe
                            investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen
                            van de financiële positie geautoriseerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college voorziet dat een geautoriseerd budget of
                            investeringskrediet dreigt te worden overschreden, wordt dit door het
                            college in de eerstvolgende raadsvergadering aan de raad gemeld. Het
                            college voegt hierbij een voorstel voor wijziging van het budget of het
                            investeringskrediet of een voorstel voor bijstelling van het beleid.
                        </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar die niet in de
                            begroting zijn opgenomen, legt het college vooraf aan het aangaan van
                            verplichtingen een investeringsvoorstel en een voorstel voor het
                            autoriseren van een investeringskrediet aan de raad voor. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college informeert de raad door middel van tussentijdse
                                rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over
                                de eerste vier en de eerste acht maanden van het begrotingsjaar. De
                                eerste tussentijdse rapportage wordt door het college voor 1 juni
                                aan de raad aangeboden. De tweede tussentijdse rapportage wordt door
                                het college voor 1 oktober aan de raad aangeboden. </al></li><li nr="2."><al>De tussenrapportage bevat een uiteenzetting over de uitvoering en de
                                bijstelling van het beleid en een overzicht met de bijgestelde
                                raming van: </al><lijst><li nr="a."><al>de baten en lasten per programma; </al></li><li nr="b."><al>het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen; </al></li><li nr="c."><al>het resultaat voor bestemming volgend uit de onderdelen a en
                                        b; </al></li><li nr="d."><al>de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per
                                        programma; </al></li><li nr="e."><al>het resultaat na bestemming, volgend uit de onderdelen c en
                                        d, alsmede een realisatie en raming van de
                                        productenrealisatie en de realisatie en raming van de
                                        uitputting van de investeringskredieten. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In de tussenrapportage worden afwijkingen op de oorspronkelijke
                                ramingen van de baten en lasten en investeringskredieten in de
                                begroting groter dan € 10.000,00 toegelicht. </al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>3.</nr><titel>Financieel beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Waardering en afschrijving vaste activa</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald
                            actief en het saldo van agio en disagio worden lineair in vier jaar
                            afgeschreven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van
                            de exploitatie gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De materiële vaste activa met economisch nut worden maximaal
                            afgeschreven volgens een separaat vast te stellen bijlage
                            Afschrijvingstermijnen.</al><al> Activa met economisch nut en een verkrijgingprijs van minder dan €
                            5.000,00 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen.
                            Deze laatst genoemden worden altijd geactiveerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aankoop en vervaardiging van activa met een meerjarig maatschappelijk
                            nut worden onder aftrek van bijdragen van derden ten laste van de
                            exploitatie gebracht. Indien hiervan bij raadsbesluit wordt afgeweken,
                            wordt het actief volgens de vast te stellen bijlage
                            Afschrijvingstermijnen lineair afgeschreven over de verwachte levensduur
                            van het actief of een kortere door de raad aan te geven tijdsduur. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a</nr><titel>Voorziening voor oninbare vorderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor openstaande vorderingen betreffende:</al><lijst><li nr="a."><al>onroerende zaakbelasting gebruikers;</al></li><li nr="b."><al>onroerende zaakbelasting eigenaren;</al></li><li nr="c."><al>precariobelasting;</al></li><li nr="d."><al>hondenbelasting;</al></li><li nr="e."><al>rioolrechten;</al></li><li nr="f."><al>reinigingsrechten;</al></li></lijst><al>wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het
                        historische percentage van oninbaarheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de overige vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid
                        gevormd op basis van een beoordeling op inbaarheid van de openstaande
                        vorderingen ouder dan drie maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6b</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt de raad eens in de vier jaar voor 1 juni een nota
                                reserves en voorzieningen aan. De raad stelt de nota vast. De nota
                                behandelt: </al><lijst><li nr="a."><al>de vorming en besteding van reserves; </al></li><li nr="b."><al>de vorming en besteding voorzieningen; </al></li><li nr="c."><al>de toerekening en verwerking van rente over de reserves en
                                        de voorzieningen. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor
                                een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>het specifieke doel van de reserve; </al></li><li nr="b."><al>de voeding van de reserve; </al></li><li nr="c."><al>de maximale hoogte van de reserve; </al></li><li nr="d."><al>en de maximale looptijd. </al></li></lijst></li></lijst><al>Indien een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de
                        aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de
                        bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve
                        toegevoegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van goederen, werken en
                            diensten wordt een systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de
                            kostentoerekening worden naast de directe kosten alleen die indirecte
                            kosten betrokken, die rechtstreeks samenhangen met de door de gemeente
                            verleende diensten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de indirecte kosten worden betrokken de bijdragen aan en
                            onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de
                            betrokken activa, de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa en
                            voor rioolrechten en afvalstoffenheffing de compensabele B.T.W. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De omslagrente voor de rentetoerekening aan de activa wordt bepaald door
                            het rentetotaal van de uitstaande leningen en de bij begroting
                            vastgestelde gecalculeerde rente over het eigen vermogen en de
                            voorzieningen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                            prijzen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet de raad jaarlijks tijdens de begroting een voorstel
                            over de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor belastingen,
                            rioolrechten en afvalstoffenheffing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van
                            prijzen worden ter kennisneming aan de raad aangeboden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Financieringsfunctie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zorgt bij het uitoefenen van de financieringsfunctie
                                voor: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantrekken van voldoende financiële middelen en het
                                        uitzetten van overtollige gelden om de programma’s binnen de
                                        door de raad vastgestelde kaders van de begroting uit te
                                        voeren; </al></li><li nr="b."><al>het beheersen van de risico’s verbonden aan de
                                        financieringsfunctie zoals renterisico’s, koersrisico’s en
                                        kredietrisico’s; </al></li><li nr="c."><al>het beperken van de kosten van leningen en het bereiken van
                                        een voldoende rendement op uitzettingen; </al></li><li nr="d."><al>het beperken van de interne verwerkingskosten en externe
                                        kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële
                                        posities. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college neemt bij het uitvoeren van de financieringsfunctie de
                                volgende richtlijnen in acht: </al><lijst><li nr="a."><al>het uitzetten van overtollige geldmiddelen gebeurt
                                        uitsluitend bij financiële instellingen met minimaal een AA
                                        rating afgegeven door tenminste één gezaghebbende rating
                                        agency, of bij instellingen voor wiens waardepapieren een
                                        solvabiliteitseis geldt van 0%; </al></li><li nr="b."><al>overtollige geldmiddelen worden uitsluitend uitgezet tegen
                                        vastrentende waarden, dan wel in producten waarbij de
                                        hoofdsom tenminste aan het eind van de looptijd in tact is;
                                    </al></li><li nr="c."><al>derivaten worden uitsluitend gebruikt voor het beperken van
                                        financiële risico’s; </al></li><li nr="d."><al>voor het aantrekken van financieringen met een looptijd
                                        langer dan één jaar worden tenminste twee prijsopgaven bij
                                        verschillende financiële instellingen gevraagd; </al></li><li nr="e."><al>overeenkomsten voor het aangaan van leningen, het uitzetten
                                        van middelen of het verlenen van garanties luiden in euro.
                                    </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en het
                                aangaan van financiële participaties uit hoofd van de publieke taak
                                bedingt het college indien mogelijk zekerheden. Het college
                                motiveert in zijn besluit het openbaar belang van dergelijke
                                uitzettingen van middelen, verstrekkingen van garanties en
                                financiële participaties. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>3a.</nr><titel>Paragrafen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a</nr><titel>Onderhoud kapitaalgoederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                            onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond van
                            het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder
                            geval op: </al><lijst><li nr="a."><al>de voortgang van het geplande onderhoud; </al></li><li nr="b."><al>de omvang van het achterstallig onderhoud;.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar voor 1 mei een
                            onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het plan geeft het kader weer voor
                            het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten
                            van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en
                            straatmeubilair. De raad stelt het plan vast. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar voor 1 mei een
                            rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde
                            onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de
                            riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen.
                            De raad stelt het plan vast. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar voor 1 mei een
                            onderhoudplan gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het te
                            plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke
                            gebouwen. De raad stelt het plan vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b</nr><titel>Verbonden partijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de paragraaf verbonden partijen bij de begroting en de jaarstukken
                            neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van het
                            Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder
                            geval van elke verbonden partij op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de naam en vestigingsplaats; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het financieel belang van de gemeente; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de zeggenschap van de gemeente; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het publiek belang dat wordt gediend met de deelname.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt tenminste eenmaal in de vier jaar vóór 1 mei een nota
                            verbonden partijen aan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van elk van de verbonden partijen wordt weergegeven het openbaar belang,
                            het eigen vermogen, de solvabiliteit, het financieel resultaat en het
                            financieel belang en de zeggenschap van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De nota bevat voorts de kaders voor het beleid aangaande (het aangaan
                            van nieuwe) participaties met name de condities waaronder het publiek
                            belang is gediend met behartiging door verbonden partijen, de taken,
                            verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de verbonden partijen en de
                            financiële voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de begroting en de jaarstukken wordt in de paragraaf verbonden
                            partijen in elk geval ingegaan op nieuwe verbonden partijen, het
                            beëindigen van bestaande verbonden partijen, het wijzigen van bestaande
                            verbonden partijen en eventuele problemen bij bestaande verbonden
                            partijen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9c</nr><titel>Grondbeleid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt
                                het college naast de verplichte onderdelen op grond van het Besluit
                                begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval
                                op: </al><lijst><li nr="a."><al>de huidige vastgoedpositie; </al></li><li nr="b."><al>de aan- en verkoop van gronden; </al></li><li nr="c."><al>de geraamde kosten en opbrengsten per in ontwikkeling
                                        genomen project;</al></li><li nr="d."><al>in erfpacht uitgegeven gronden;</al></li><li nr="e."><al>inkomsten erfpacht en bijstelling erfpachtvergoedingen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar voor 1 mei
                                een (bijgestelde) nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast.
                                In de nota wordt aandacht besteed aan: </al><lijst><li nr="a."><al>de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de
                                        gemeente; </al></li><li nr="b."><al>te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten; </al></li><li nr="c."><al>de verwerving en uitgifte van gronden; </al></li><li nr="d."><al>de uitgangspunten voor prijsstelling van de verkoop van
                                        gronden; </al></li><li nr="e."><al>de uitgifte van gronden in erfpacht en de bijstelling van
                                        erfpachtvergoedingen;</al></li><li nr="f."><al>de relaties met de programma’s van de begroting.</al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>4.</nr><titel>Financieel beheer en interne controle</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Administratie</titel></kop><al> De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij dienstbaar is
                        voor: </al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                gemeente als geheel en in de afdelingen; </al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van
                                activa met economisch nut, activa met maatschappelijk nut,
                                voorraden, vorderingen, schulden en contracten; </al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende
                                budgetten en investeringskredieten en voor het maken van
                                kostencalculaties; </al></li><li nr="d."><al>het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot
                                de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de
                                maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; </al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante
                                wet- en regelgeving; </al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de
                                daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de
                                rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                begroting en relevante wet- en regelgeving. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Interne controle</titel></kop><al> Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening en
                        de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties voor de
                        jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de
                        informatieverstrekking, en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij
                        afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Misbruik en oneigenlijk gebruik</titel></kop><al> Het college zorgt voor en legt vast de regels voor het voorkomen van
                        misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen. </al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>5.</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor en legt vast: </al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                    eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de
                                    afdelingen; </al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle
                                    wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie
                                    aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd; </al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten; </al></li><li nr="d."><al>de regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties
                                    en de bijbehorende informatievoorziening van de
                                    financieringsfunctie; </al></li><li nr="e."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de
                                    lasten en baten aan de producten van de productraming en de
                                    productrealisatie. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten genoemd onder letters a, b en d van het eerste lid worden
                            ter kennisneming aan de raad aangeboden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Inkoop en aanbesteding</titel></kop><al> Het college zorgt voor en legt vast de interne regels voor de inkoop en de
                        aanbesteding van goederen, werken en diensten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Subsidieverstrekking en steunverlening</titel></kop><al> Het college zorgt voor en legt vast de interne regels voor de
                        steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en
                        instellingen. </al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van het begrotingsjaar
                            2008. De stukken voor dit begrotingsjaar en latere begrotingsjaren
                            voldoen aan de bepalingen van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in de plaats van de “Financiële verordening
                            gemeente Loppersum” vastgesteld door de raad op 10 november 2003 en
                            gewijzigd door de raad op 18 december 2006. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al> Deze verordening wordt in de gemeentelijke stukken aangehaald onder de naam
                            <vet>‘Financiële verordening gemeente Loppersum’.</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad van de gemeente Loppersum</ondertekening><ondertekening>gehouden op 2 juli 2007, nr. 9.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>A.Rodenboog, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>drs. M.E. Greven, griffier.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting op de artikelen </tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Definities </tussenkop><al>Voor de gehanteerde begrippen in de verordening gelden de definities uit de
                    Gemeentewet, de Wet Fido, het Besluit begroting en verantwoording Provincies en
                    Gemeenten (BBV) en het Besluit accountantscontrole Provincies en Gemeenten.
                    Overige begrippen uit de verordening worden in artikel 1 van de verordening
                    gedefinieerd. </al><al/><tussenkop> Artikel 2. Programma-indeling</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de
                    jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere
                    raadsperiode door de raad vastgesteld. Het BBV bepaalt in aanvulling hierop dat
                    het college de producten aan de programma’s toewijst.</al><al>Op grond van artikel 189 Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad
                    neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten
                    op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op
                    grond van artikel 192 Gemeentewet besluiten nemen tot wijziging van de
                    begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor
                    op de begroting zijn gebracht (vierde lid artikel 189 Gemeentewet). </al><al>De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Hij kan er
                    voor kiezen een budget voor een samenstel van activiteiten beschikbaar te
                    stellen. Hierbij is deze keuze vertaald naar het beschikbaar stellen van
                    budgetten per programma. </al><al>De raad kan er ook voor kiezen de budgetten per activiteit vast te stellen.</al><al/><tussenkop> Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken </tussenkop><al>In dit artikel zijn in aanvulling op het BBV bepalingen opgenomen voor de
                    inrichting van de begroting. Zo wordt in het eerste lid het college opgedragen
                    de productenraming bij de begroting te voegen. En zo wordt ook bepaald de
                    productrealisatie bij het jaarverslag te voegen. Dit zijn geen standaard
                    verplichting in het BBV. Wel moet men opletten dat de productrealisatie
                    inderdaad bij het jaarverslag voegt en niet bij de jaarrekening. Anders gaat
                    deze onderdeel uitmaken van de accountantscontrole, hetgeen niet de bedoeling
                    van de wet is. </al><al>Hierin wordt de verplichting in het BBV om in de begroting aandacht te besteden
                    aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen dat er bij de
                    uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt
                    gegeven.</al><al>Indien een paragraaf aan de verplichte paragrafen wordt toegevoegd, is het wel
                    zaak dat aan het hoofdstuk paragrafen van deze verordening een aanvullend
                    artikel wordt opgenomen. In dat artikel kan de raad aangeven welke informatie
                    zij minimaal in deze paragraaf wenst. </al><al/><tussenkop>Artikel 3a. Kaders begroting</tussenkop><al>In dit artikel staan een aantal uitgangspunten die het college bij het opstellen
                    van deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de bepalingen van de
                    artikelen 189 en 193 Gemeentewet, het BBV en het achterliggende document bij het
                    BBV uitgangspunten gemodificeerd stelsel van baten en lasten provincies en
                    gemeenten (in dit document staan in aanvulling op het BBV de basisregels voor
                    het opstellen van de ontwerp-begroting en de meerjarenraming). </al><al>Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de gemeenteraad vooraf aan het
                    opstellen aan de begroting (voor de zomer) een nota vaststelt waarin de
                    hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn
                    vastgelegd. De kaders geven richting aan het college voor het opstellen van de
                    ontwerp-begroting en de meerjaren raming. Deze systematiek wordt in veel
                    gemeenten toegepast. </al><al/><al><vet>Artikel 4. Autorisatie begroting en investeringskredieten</vet></al><al/><al>Artikel 4 bevat nadere regels voor de autorisatie van de begroting en
                    investeringskredieten. In dit artikel vindt autorisatie van de baten en lasten
                    plaats op programmaniveau (lid 1). Voor begrotingswijzigingen doet het college
                    gedurende het jaar voorstellen aan de raad (lid 3).</al><al>Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen. Ook uitgaven voor
                    investeringen moeten worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze
                    investeringskredieten is in beide voorbeelden gekozen deze bij
                    begrotingsbehandeling mee te nemen (lid 2). </al><al>Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven welke
                    investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de
                    raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de
                    behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag
                    voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene
                    uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet
                    bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan. </al><al>Indien in de financiële verordening wordt opgenomen dat begrotingswijzigingen
                    worden geautoriseerd bij de behandeling van de tussenrapportages, is er minder
                    noodzaak voor aanvullende bepalingen in de financiële verordening over de
                    autorisatie van begrotingsoverschrijdingen.</al><al>Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op
                    tafel die bij het opstellen van de ontwerp-begroting nog niet waren voorzien.
                    Het laatste lid van het artikel regelt de autorisatie van de
                    investeringskredieten voor deze investeringen. </al><tussenkop>Artikel 5. Tussentijdse rapportage </tussenkop><al>Een belangrijk onderdeel van de planning en controlcyclus voor de raad zijn de
                    tussenrapportages. Op basis van tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd
                    over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de
                    uitvoering van het beleid. In dit artikel is gekozen voor twee tussenrapportages
                    en een eindrapportage in de vorm van een jaarrekening.</al><al>Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de rapportage. Het
                    derde lid bepaalt over welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het
                    college zich in de rapportage moet verantwoorden. </al><al/><al><vet>Artikel 6. Waardering en afschrijving vaste activa</vet></al><al>In het tweede lid van artikel 212 Gemeentewet is onder letter a de
                    uitdrukkelijke bepaling opgenomen dat de financiële verordening in elk geval de
                    regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. </al><al>De verordening heeft een alternatief voor de bepalingen over
                    afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de materiele vaste activa
                    met economisch nut. Aldaar wordt in de verordening verwezen naar een bijlage bij
                    de verordening. In de bijlage zijn naast de methodiek de exacte
                    afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën materiele vaste activa
                    met economisch nut opgenomen. Deze vorm sluit aan bij de voorheen gebruikelijke
                    werkwijze in sommige gemeenten om de afschrijvingstermijnen in een apart
                    document vast te leggen.</al><al>Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf
                    vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen.
                    Gemeenten moeten deze aanpassen aan de eigen gebruiken. Natuurlijk geldt hierbij
                    wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en
                    afschrijvingstermijn van een actief met economisch nut moeten afstemmen op de
                    verwachte economische levensduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe
                    beeld van de jaarrekening namelijk aangetast. </al><tussenkop>Artikel 6a. Voorziening voor oninbare vorderingen </tussenkop><al>Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen.
                    Bij het artikel is onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke aanslagen en
                    heffingen die het karakter hebben van bulkfacturen en overige vorderingen. Voor
                    de genoemde gemeentelijke aanslagen en heffingen wordt een voorziening getroffen
                    op basis van een het historisch percentage van oninbaarheid. Een individuele
                    beoordeling per aanslag of heffing is bij dit soort vorderingen namelijk zeer
                    bewerkelijk. Wel zal een accountant eisen dat de grote jongens onder deze
                    vorderingen toch individueel worden beoordeeld. Hiervoor is in het lid een
                    aanvullende bepaling opgenomen. De overige vorderingen worden eveneens
                    individueel beoordeeld op oninbaarheid.</al><al>Op zich zijn de bepalingen van artikel 6a niet noodzakelijk. De accountant
                    controleert bij zijn controle van het getrouwe beeld van de jaarrekening sowieso
                    de hoogte van deze voorziening. Hij zal indien over de waarderingsgrondslagen
                    geen afspraken bestaan, mogelijk aandringen op het hanteren van een methodiek
                    voor het onderbouwen van de hoogte van deze voorziening. </al><tussenkop>Artikel 6b. Reserves en voorzieningen </tussenkop><al> Lid 1 bepaalt dat het college eens in de vier jaar een nota over de reserves en
                    voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze nota stelt de
                    raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen. </al><al> Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een
                    deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de
                    balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht dat een toekomstige investering
                    een beslag op het eigen vermogen gaat leggen. In het tweede lid zijn de
                    voorwaarden voor een voorstel voor een dergelijke bestemmingsreserve opgenomen.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 7. Kostprijsberekening</vet></al><al>Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, letter b dat de verordening
                    in ieder geval bevat de grondslagen voor de berekening van de door het
                    gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten. De
                    grondslag voor de prijzen en tarieven vormt de samenstelling van de kostprijs
                    van de diensten waarvoor prijzen en heffingen in rekening worden gebracht. In
                    artikel 7 van de verordening staan de kaders voor de bepaling van de kostprijzen
                    van de gemeentelijke diensten. Lid 1 van het artikel bepaalt dat de kostprijs
                    bestaat uit de directe kosten en de indirecte kosten die direct met de dienst
                    samenhangen. </al><al>Het tweede lid bepaalt dat onder de indirecte kosten ook worden verstaan
                    bijdragen aan voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van betrokken activa
                    en de compensabele BTW. Hiermee wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid die
                    artikel 229b Gemeentewet biedt. </al><al>De kaders in het artikel vormen de basis waarbinnen het college haar systematiek
                    van kostentoerekening kan vormgeven en de kostenverdeelsleutels voor de
                    toerekening van indirecte kosten kan vaststellen. </al><tussenkop>Artikel 8. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen </tussenkop><al>Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een
                    bevoegdheid van de raad, die niet kan worden gedelegeerd (artikel 156
                    Gemeentewet). Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de raad de tarieven
                    voor de belastingen, rioolrechten en afvalstoffenheffing jaarlijks vaststelt.
                    Een gemeenteraad die voor meer rechten (en leges) de tarieven jaarlijks wenst
                    vast te stellen, kan het eerste lid met deze rechten (en leges) uitbreiden.</al><al>Het vaststellen van de prijs voor een gemeentelijke dienst of de levering van
                    goederen of werken (welke niet vallen onder artikel 229 Gemeentewet) is een
                    privaatrechtelijke besluit. Dergelijke besluiten zijn een bevoegdheid van het
                    college (eerste lid, letter e artikel 160 Gemeentewet). </al><al>Daar waar bij het vaststellen van de prijs voor een gemeentelijke dienst of de
                    levering van goederen of werken een publiek belang in het geding is en prijzen
                    lager dan marktconform worden vastgesteld, is het aan de raad om het publiek
                    belang te definiëren en het college kaders mee te geven voor het afwijken van
                    marktconforme prijzen. Het tweede lid bepaalt dat de besluiten voor het
                    vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen ter kennisneming aan
                    de raad worden aangeboden. </al><al/><al><vet>Artikel 9. Financieringsfunctie</vet></al><al>De financieringsfunctie (treasury) is een belangrijk onderdeel van het
                    middelbeheer. Gezien de kwetsbaarheid van deze functie bevat artikel 212
                    Gemeentewet de expliciete bepaling dat de financiële verordening hierover regels
                    voor het beleid en de organisatie bevat. In artikel 9 van de verordening wordt
                    invulling aan deze wettelijke plicht gegeven. Het eerste lid bevat richtlijnen
                    voor de uitvoering van de financieringsfunctie. In het tweede lid staan de
                    kaders voor het financieel beleid opgesomd, die bij de uitvoering in acht moeten
                    worden genomen. Een gemeente kan echter binnen de ruimte die de Wet Fido biedt,
                    ook kiezen voor strakkere of ruimere kaders. </al><al>Het verstrekken van leningen en garanties en het aangaan van financiële
                    participaties mogen gemeenten alleen uit hoofde van de publieke functie (artikel
                    2 Wet Fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 Gemeentewet dat een
                    besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen , maatschappen,
                    vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen
                    niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een ontwerp-besluit is toegezonden
                    en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen
                    brengen. Het derde lid stelt aanvullende eisen aan dergelijke besluiten. Het
                    publieke belang moet door het college worden gemotiveerd. Daarbij draagt de
                    verordening het college op bij het aangaan van dergelijke overeenkomsten zo
                    mogelijk zekerheden te bedingen. Dit laatste is zeker als het om grote bedragen
                    gaat, iets om op te letten. Als bij een gemeente wordt aangeklopt voor
                    bijvoorbeeld een lening of garantiestelling dan hebben banken in veel van die
                    gevallen er blijkbaar er niet al te veel vertrouwen meer in.</al><al/><tussenkop>Artikel 9a. Onderhoud kapitaalgoederen</tussenkop><al>In dit artikel wordt onder lid 1 geregeld dat bij de begroting en jaarstukken
                    een paragraaf onderhoud kapitaalgoederen wordt opgesteld. Hiernaast biedt het
                    college tenminste eens per vier jaar een onderhoudsplan openbare ruimte, een
                    rioleringsplan en een onderhoudsplan gebouwen aan. De inhoud van de nota’s wordt
                    grotendeels geregeld in dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 9b. Verbonden partijen</tussenkop><al>In dit artikel wordt onder lid 1 geregeld dat bij de begroting en jaarstukken
                    een paragraaf verbonden partijen wordt opgesteld. Hiernaast biedt het college
                    tenminste eens per vier jaar een nota verbonden partijen aan. De inhoud van de
                    nota wordt geregeld in dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 9c. Grondbeleid</tussenkop><al>In dit artikel wordt onder lid 1 geregeld dat bij de begroting en jaarstukken
                    een paragraaf grondbeleid wordt opgesteld. Hiernaast biedt het college tenminste
                    eens per vier jaar een nota grondbeleid aan. De inhoud van de nota wordt
                    geregeld in dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 10. Administratie</tussenkop><al>Onder artikel 10 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de
                    gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens
                    systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens moeten
                    voldoen. </al><tussenkop>Artikel 11. Interne controle </tussenkop><al>De accountant toetst jaarlijks van de gemeenterekening of deze een getrouw beeld
                    geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen
                    die eraan ten grondslag liggen rechtmatig zijn verlopen. Artikel 11 draagt het
                    college op maatregelen te treffen opdat gedurende het jaar of vooraf aan de
                    accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties
                    een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten
                    en lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig (zijn) verlopen. </al><al/><tussenkop> Artikel 12. Misbruik en oneigenlijk gebruik </tussenkop><al>Artikel 12 bepaalt dat in gemeentelijke regelingen en werkprocedures voldoende
                    maatregelen worden getroffen om misbruik en oneigenlijk gebruik van
                    gemeentelijke regelingen en eigendommen te beperken. Het gaat hierbij om
                    bijvoorbeeld het treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de
                    antecedenten van een aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies
                    wel daadwerkelijk worden verstrekt aan rechthebbenden. Het treffen van afdoende
                    beleid op het gebied van misbruik en oneigenlijk gebruik maakt deel uit van het
                    rechtmatigheidoordeel van de accountant. Overigens is het natuurlijk zo dat de
                    afweging om hiervoor in meer of mindere mate regels voor te stellen een politiek
                    besluit is dat bij de gemeenteraad en het college thuishoort. </al><tussenkop> Artikel 13. Financiële organisatie </tussenkop><al>Artikel 13 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie. Volgens het
                    eerste lid letter a van artikel 160 Gemeentewet is het college bevoegd regels
                    vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de gemeente. Het college
                    wordt onder letter a, b, c en d van het artikel uit de verordening opgedragen
                    bepaalde van deze regels die de financiële organisatie betreffen, vast te leggen
                    in besluiten. De regels bedoeld onder de letters a en b kan het college
                    gezamenlijk vastleggen in een organisatiebesluit. Hierin kunnen ook de regels
                    voor de inrichting van de organisatie van de financieringsfunctie worden
                    opgenomen, zoals wordt bedoeld onder letter d. Een andere mogelijkheid voor het
                    college is de regels voor de organisatie van de financieringsfunctie in een
                    apart treasurystatuut vast te leggen. De verordening laat deze mogelijkheid
                    open. </al><al>Onder letter f wordt het college opgedragen ook de kostenverdeelsleutels voor
                    het toerekenen van kosten aan de producten vast te leggen. </al><al>Dit artikel bevat onder lid 2 de aanvullende bepaling dat het organisatiebesluit
                    en het eventueel apart opgestelde treasurystatuut ter kennisgeving aan de raad
                    worden aangeboden. </al><tussenkop>Artikel 13a. Inkoop en aanbesteding</tussenkop><al>Artikel 13a draagt het college op een inkoopreglement op te stellen. Bij een
                    inkoopreglement kan men denken aan bijvoorbeeld het uitvaardigen van de regel
                    dat de afdelingen hun buro-artikelen moeten inkopen bij de leverancier bij wie
                    de gemeente een raamcontract heeft afgesloten. De regels in een dergelijk
                    inkoopreglement moeten natuurlijk wel Europa-proof zijn. Europese
                    aanbestedingsregels maar ook nationale aanbestedingsregels moeten worden
                    nageleefd en vormen het kader waarbinnen een dergelijk inkoopreglement moet
                    worden opgesteld. </al><tussenkop>Artikel 13b. Subsidieverstrekking en
                    steunverlening</tussenkop><al>Voor de steunverlening en subsidieverstrekking aan ondernemingen en instellingen
                    (die volgens het Europees mededingingsrecht als onderneming worden aangemerkt)
                    zijn de Europese staatssteunregels (artikel 87, 88 en 89 EG-verdrag), de
                    Europese regels voor diensten van algemeen economisch belang (artikel 86
                    EG-verdrag), de regels uit de Algemene Wet Bestuursrecht en de eigen
                    subsidieverordening van de gemeente van toepassing. Het artikel stelt dat het
                    college beheersmaatregelen neemt, die er voor zorgen dat deze regelgeving wordt
                    nageleefd. </al><tussenkop>Artikel 14. Inwerkingtreding </tussenkop><al>De verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van artikel 212
                    Gemeentewet ingestelde verordening. Het artikel bepaalt dat de verordening van
                    toepassing is op alle stukken van het genoemde begrotingsjaar en latere jaren.
                    De jaarstukken van het vorig begrotingsjaar moeten nog voldoen aan de bepalingen
                    uit de oude verordening. </al><tussenkop>Artikel 15. Citeertitel </tussenkop><al>Artikel 15 geeft de naam, waarmee in de gemeentelijke stukken naar deze
                    verordening moet worden verwezen. </al><al><vet>Vaststelling</vet> Uitgaande stukken van de raad moeten door de
                    burgemeester worden ondertekend (artikel 75, lid 1 Gemeentewet). De griffier
                    moet de uitgaande stukken van de raad medeondertekenen (artikel 107c
                    Gemeentewet). Binnen twee weken na vaststelling door de raad moet het college de
                    verordening aan gedeputeerde staten zenden (artikel 214 Gemeentewet).
                    Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het
                    beheer en de inrichting van de financiële organisatie en de verordening ex
                    artikel 212 Gemeentewet (artikel 215 Gemeentewet). </al><al>De financiële verordening heeft enkel interne werking en is dus niet een besluit
                    van algemene strekking in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht. De
                    verordening hoeft dan ook niet te worden gepubliceerd, voordat zij in werking
                    kan treden. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>