<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR61644_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-09-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-03-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-04-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Bouwverordening 2008
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>
              <vet>Inleidende bepalingen</vet>
            </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.1</nr>
              <titel>
                <vet>Begripsomschrijvingen</vet>
              </titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
              <al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van het</al>
              <al>Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al>
              <al>Besluit indieningsvereisten: het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning als</al>
              <al>bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet;</al>
              <al>Besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige</al>
              <al>bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van de</al>
              <al>Woningwet;</al>
              <al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet;</al>
              <al>bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100a, eerste lid van de Woningwet belast zijn</al>
              <al>met het bouw- en woningtoezicht;</al>
              <al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal,</al>
              <al>die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij</al>
              <al>direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al>
              <al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6,</al>
              <al>eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al>
              <al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit;</al>
              <al>hechtgebonden asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter e, van het</al>
              <al>Asbestverwijderingsbesluit;</al>
              <al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;</al>
              <al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;</al>
              <al>straatpeil:</al>
              <al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de</al>
              <al>weg ter plaatse van die hoofdtoegang;</al>
              <al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van</al>
              <al>het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al>
              <al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder</al>
              <al>begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende</al>
              <al>bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide</al>
              <al>parkeerterreinen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al>
              <al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al>
              <al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.2</nr>
              <titel>Termijnen</titel>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.3</nr>
              <titel>
                Indeling van het gebied van de gemeente</titel>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>
              <vet>De aanvraag bouwvergunning</vet>
            </titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Gegevens en bescheiden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>(vervallen)</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</label>
              </kop>
              <al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de</al>
              <al>Woningwet bestaat uit:</al>
              <al>de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht volgens NEN 5740, bijlage B,</al>
              <al>uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport</al>
              <al>daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde</al>
              <al>protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993);</al>
              <al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het Protocol Nader Onderzoek deel</al>
              <al>1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in het</al>
              <al>geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van</al>
              <al>bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een</al>
              <al>nader onderzoek, als bedoeld in het bovengenoemde Protocol of Richtlijn, onontkoombaar is;</al>
              <al>indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest,</al>
              <al>daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes on –stof, in de bodem aanwezig is, vindt</al>
              <al>het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al>
              <al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e,</al>
              <al>van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking</al>
              <al>heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in</al>
              <al>het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit</al>
              <al>bouwwerken.</al>
              <al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het</al>
              <al>indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de Bijlage bij</al>
              <al>het Besluit indieningsvereisten, indien voor de toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente</al>
              <al>reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het</al>
              <al>indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5, onder e van de Bijlage</al>
              <al>van het Besluit indieningsvereisten voor een bouwwerk met een beperkte</al>
              <al>instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Woningwet, indien uit het</al>
              <al>in NVN 5725, uitgave 1999, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de</al>
              <al>bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een</al>
              <al>volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet rechtvaardigen.</al>
              <al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt,</al>
              <al>dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt</al>
              <al>begonnen.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al> </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</label>
              </kop>
              <al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende bouwvergunning als</al>
              <al>bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt aangegeven:</al>
              <al>de naam van de aanvrager;</al>
              <al>de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk;</al>
              <al>de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd wordt;</al>
              <al>de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de Algemene wet bestuursrecht.</al>
              <al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al> </al>
              <al> </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</label>
              </kop>
              <al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de</al>
              <al>gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking</al>
              <al>heeft op een bouwwerk:</al>
              <al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;</al>
              <al>voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist; en</al>
              <al>1 dat de grond raakt, of</al>
              <al>2 waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</label>
              </kop>
              <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 4 van</al>
              <al>het Besluit indieningsvereisten en letter e van paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende</al>
              <al>bijlage, kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de</al>
              <al>bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit indieningsvereisten bedoelde</al>
              <al>onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van</al>
              <al>het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming</al>
              <al>goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn,</al>
              <al>dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden</al>
              <al>alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al>
              <al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en</al>
              <al>bereikbaarheidseisen.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</label>
              </kop>
              <al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking moet worden</al>
              <al>genomen mag niet nog eens bij de verlening van een bouwvergunning voor een ander</al>
              <al>bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</label>
              </kop>
              <al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan</al>
              <al>10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang</al>
              <al>en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s,</al>
              <al>ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer.</al>
              <al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor</al>
              <al>de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins</al>
              <al>voorschriften heeft vastgesteld:</al>
              <al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over een breedte van ten minste 3,25 m zijn</al>
              <al>verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van tenminste 4,2m;</al>
              <al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste</al>
              <al>14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al>
              <al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al>
              <al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw, als bedoeld in artikel</al>
              <al>2, onder b, van het Besluit bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd</al>
              <al>is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al>
              <al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, moeten zodanige</al>
              <al>opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen</al>
              <al>die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al>
              <al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg</al>
              <al>gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en</al>
              <al>het vierde lid, indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor</al>
              <al>lenen.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.3 Brandweeringang</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien een automatische doormelding van brand naar de alarmcentrale van de</al>
                <al>brandweer plaatsvindt, wordt, indien het gebouw over meerdere toegangen beschikt, in</al>
                <al>overleg met de brandweer ten minste één van de toegangen als brandweeringang</al>
                <al>aangewezen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een brandmelding of te</al>
                <al>openen zijn met behulp van een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Tussen de toegang van enerzijds:</al>
                <al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al>
                <al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in</al>
                <al>artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al>
                <al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of</al>
                <al>begaanbaar pad aanwezig zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al>
                <al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al>
                <al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al>
                <al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door</al>
                <al>middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het</al>
                <al>Bouwbesluit.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr/>
                <al>De voorgevelrooilijn is:</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>a.</lidnr>
                <al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de</al>
                <al>voorgevels van de bestaande bebouwing:</al>
                <al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de</al>
                <al>ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig</al>
                <al>beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>b.</lidnr>
                <al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en</al>
                <al>waarlangs mag worden gebouwd:</al>
                <al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de</al>
                <al>weg;</al>
                <al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwvergunningplichtig</al>
              <al>bouwwerk te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr/>
                <al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op:</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>a.</lidnr>
                <al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk</al>
                <al>realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van nietingrijpende</al>
                <al>aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>b.</lidnr>
                <al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk</al>
                <al>realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit</al>
                <al>bouwwerken, te weten:</al>
                <al>1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;</al>
                <al>2 stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet</al>
                <al>meer dan 0,3 m overschrijden.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen – met inachtneming van het bepaalde in het</al>
                <al>tweede lid – ontheffing verlenen van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de</al>
                <al>voorgevelrooilijn voor:</al>
                <al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de</al>
                <al>bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil;</al>
                <al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder i, en</al>
                <al>derde lid, van het Besluit bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op een voor de</al>
                <al>voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn;</al>
                <al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden;</al>
                <al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn</al>
                <al>met niet meer dan 1,50 m overschrijden;</al>
                <al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede</al>
                <al>andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen en</al>
                <al>draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al>
                <al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken.</al>
                <al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in</al>
                <al>de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk</al>
                <al>is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van</al>
                <al>de bestaande omgeving.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden verleend, indien niet</al>
                <al>lager gebouwd wordt dan:</al>
                <al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter</al>
                <al>weerszijden van die rijweg;</al>
                <al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al>
                <al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</label>
              </kop>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot bouwen met</al>
              <al>overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het bouwen op de weg van:</al>
              <al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het</al>
              <al>telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in</al>
              <al>artikel 3, eerste lid, onder h, van het Besluit bouwwerken;</al>
              <al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de</al>
              <al>energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan</al>
              <al>bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het Besluit bouwwerken;</al>
              <al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al>
              <al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al>
              <al>andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op de weg</al>
              <al>toelaatbaar zijn.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr/>
                <al>Afschuining van straathoeken</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn zijn</al>
                <al>geplaatst.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al>
                <al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de ontheffing genoemd in de artikelen</al>
                <al>2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al>
                <al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de ontheffing genoemd in artikel</al>
                <al>2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al>
                <al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van 90</al>
                <al>graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of</al>
                <al>zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden,</al>
                <al>moet de bebouwing op de hoeken – over een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer</al>
                <al>dan 4,2 meter boven straatpeil – worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de</al>
                <al>daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het</al>
                <al>eerste lid voor:</al>
                <al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al>
                <al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al>
                <al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al>
                <al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken bedoelde</al>
                <al>gebouwen;</al>
                <al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, en</al>
                <al>de daarbijbehorende woningen;</al>
                <al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al>
                <al>gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt zich:</al>
                <al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of regelmatig</al>
                <al>veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal</al>
                <al>van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van</al>
                <al>de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de</al>
                <al>voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste;</al>
                <al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan onder a</al>
                <al>genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder</al>
                <al>a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a</al>
                <al>genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het</al>
                <al>meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al>
                <al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze</al>
                <al>drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de</al>
                <al>voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te</al>
                <al>bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn</al>
                <al>dan 15 meter;</al>
                <al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te bebouwen</al>
                <al>rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk</al>
                <al>aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar</al>
                <al>bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere</al>
                <al>afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al>
                <al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt bepaald met</al>
                <al>inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op</al>
                <al>geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een scherpe</al>
                <al>hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing – in het belang van de toetreding</al>
                <al>van daglicht – over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt</al>
                <al>ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het</al>
                <al>tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de</al>
                <al>hoekbebouwing dit toelaten.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwvergunningplichtige</al>
              <al>bouwwerken te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing</al>
              <al>op:</al>
              <al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor</al>
              <al>doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al>
              <al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van</al>
              <al>bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de</al>
              <al>zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al>
              <al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren</al>
              <al>opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a,</al>
              <al>van het Besluit bouwwerken;</al>
              <al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren</al>
              <al>opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende</al>
              <al>aard, als bedoeld in de artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al>
              <al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk</al>
              <al>realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit</al>
              <al>bouwwerken, te weten:</al>
              <al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;</al>
              <al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al>
              <al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e en f, van het Besluit</al>
              <al>bouwwerken.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot bouwen met</al>
              <al>overschrijding van de achtergevelrooilijn voor:</al>
              <al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van</al>
              <al>bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de</al>
              <al>zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al>
              <al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al>
              <al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al>
              <al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan</al>
              <al>wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg</al>
              <al>en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al>
              <al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen</al>
              <al>2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al>
              <al>bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit</al>
              <al>bouwwerken;</al>
              <al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein</al>
              <al>omvattend;</al>
              <al>bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;</al>
              <al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de</al>
              <al>bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij</al>
              <al>voltooiing van de bouw;</al>
              <al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen, bedoeld in artikel 2, onder a, van het</al>
              <al>Besluit bouwwerken;</al>
              <al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en</al>
              <al>veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende</al>
              <al>schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al>
              <al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in</al>
              <al>de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk</al>
              <al>is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter</al>
              <al>van de bestaande omgeving.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook</al>
                <al>grond omvat die:</al>
                <al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en</al>
                <al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde</al>
                <al>van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de</al>
                <al>achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij</al>
                <al>moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s</al>
                <al>buiten beschouwing blijven.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in:</al>
                <al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen</al>
                <al>bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al>
                <al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:</al>
                <al>1. een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al>
                <al>2. het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden</al>
                <al>grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of</al>
                <al>aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag worden</al>
                <al>bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;</al>
                <al/>
                <al>3. bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en</al>
                <al>woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning is</al>
                <al>bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2</al>
                <al>meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte</al>
                <al>daarvan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het</al>
                <al>eerste lid:</al>
                <al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel vormen;</al>
                <al>indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het verbod tot overschrijding van de</al>
                <al>achtergevelrooilijn.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse</al>
                <al>grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende</al>
                <al>erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:</al>
                <al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn;</al>
                <al>niet toegankelijk zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het</al>
                <al>eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij</al>
                <al>te laten ruimte.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onder e, van het Besluit</al>
                <al>bouwwerken, zijn niet toegelaten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het</al>
                <al>eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde</al>
                <al>draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere</al>
                <al>bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken van de</al>
                <al>hoogspanningslijn.</al>
                <al>Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de</al>
                <al>draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een</al>
                <al>lijn met een nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse</al>
                <al>hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:</al>
                <al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de elektrische</al>
                <al>spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al>
                <al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien daartegen met</al>
                <al>het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een</al>
              <al>bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd</al>
              <al>met éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al>
              <al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan wegen, waarvan</al>
              <al>de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde van</al>
              <al>de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd</al>
              <al>over een lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de</al>
              <al>smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al>
              <al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de desbetreffende</al>
              <al>voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op</al>
              <al>de voorgevelrooilijn.</al>
              <al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt ter bepaling van de</al>
              <al>grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen</al>
              <al>tegenoverliggende rooilijn.</al>
              <al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die</al>
              <al>onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking</al>
              <al>voorkomende rooilijnen.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een</al>
                <al>bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter,</al>
                <al>vermeerderd met éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in</al>
                <al>hetzelfde bouwblok.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de achtergevelrooilijn</al>
                <al>ter plaatse van het bouwwerk.</al>
                <al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter</al>
                <al>breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen</al>
                <al>de achtergevelrooilijnen.</al>
                <al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de</al>
                <al>dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van een</al>
                <al>bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale</al>
                <al>hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde</al>
                <al>bouwblok.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt, moet de in het</al>
                <al>eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen</al>
                <al>het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij</al>
                <al>voltooiing van de bouw.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen aan</al>
                <al>de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien</al>
                <al>in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd het bepaalde in</al>
                <al>artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan</al>
                <al>laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de</al>
                <al>achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde</al>
                <al>wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de</al>
                <al>afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het</al>
                <al>eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwvergunningplichtig</al>
                <al>bouwwerk tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die</al>
                <al>de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de –</al>
                <al>krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 – maximale bouwhoogte en die met het horizontale</al>
                <al>vlak een hoek vormen van 45.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die gelegen is</al>
                <al>tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet</al>
                <al>hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de –</al>
                <al>krachtens artikel 2.5.22 – maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek</al>
                <al>vormt van 56 graden.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer bedragen dan</al>
                <al>15 meter.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op verschillende</al>
                <al>hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst gelegen weg.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel 2.5.14</al>
                <al>verleende ontheffing wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet</al>
                <al>meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte van</al>
                <al>genoemde maat – daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden</al>
                <al>toegelaten is.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het</al>
                <al>eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel</al>
                <al>vormen.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak van een</al>
                <al>bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden</al>
                <al>bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld</al>
                <al>in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten – voor zover zij de</al>
                <al>maximale hoogte overschrijden – buiten beschouwing worden gelaten.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr/>
                <al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22,</al>
                <al>eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op:</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>a.</lidnr>
                <al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk</al>
                <al>realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van nietingrijpende</al>
                <al>aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>b.</lidnr>
                <al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het</al>
                <al>aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid,</al>
                <al>onder k, van het Besluit bouwwerken;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>c.</lidnr>
                <al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de</al>
                <al>achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de</al>
                <al>breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de</al>
                <al>topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>d.</lidnr>
                <al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte</label>
              </kop>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 2.5.20,</al>
              <al>eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel</al>
              <al>2.5.24 ten behoeve van:</al>
              <al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen</al>
              <al>bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen;</al>
              <al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het</al>
              <al>verlenen van de ontheffing is gebaat;</al>
              <al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en industrieterrein;</al>
              <al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al>
              <al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in</al>
              <al>artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, en indien:</al>
              <al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de</al>
              <al>welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;</al>
              <al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen</al>
              <al>kleiner worden dan de bestaande;</al>
              <al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de</al>
              <al>energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, derde</al>
              <al>lid, van het Besluit bouwwerken;</al>
              <al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard;</al>
              <al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;</al>
              <al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter, de hoogte niet</al>
              <al>meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de</al>
              <al>erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor</al>
              <al>gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al>
              <al>draagconstructies voor een reclame;</al>
              <al>vrijstaande schoorstenen;</al>
              <al>bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de</al>
              <al>provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is</al>
              <al>om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van</al>
              <al>de bestaande omgeving.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijke beleid</label>
              </kop>
              <al/>
              <al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28 kunnen burgemeester</al>
              <al>en wethouders ontheffing verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding van de</al>
              <al>voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de</al>
              <al>maximale bouwhoogte.</al>
              <al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester en wethouders worden</al>
              <al>verleend indien:</al>
              <al>a. de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20 Bro;</al>
              <al>b. de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid van de provincie inzake artikel</al>
              <al>19, lid 2 WRO;</al>
              <al>het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig</al>
              <al>ruimtelijk beleid.</al>
              <al>Op de voorbereiding van het besluit omtrent de ontheffing, als bedoeld in het eerste lid, is de</al>
              <al>in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met</al>
              <al>dien verstande dat:</al>
              <al>a gedurende de termijn van terinzagelegging een ieder schriftelijk zijn zienswijzen</al>
              <al>omtrent de aanvraag kan inbrengen;</al>
              <al>b indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en wethouders de beslissing over</al>
              <al>de aanvraag om reguliere bouwvergunning met ten hoogste 6 weken kunnen verdagen.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien de omvang of de bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft, moet</al>
                <al>ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn</al>
                <al>aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij</al>
                <al>dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de</al>
                <al>bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele</al>
                <al>bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moeten afmetingen</al>
                <al>hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s.</al>
                <al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al>
                <al>a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en</al>
                <al>ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al>
                <al>b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte –</al>
                <al>voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij</al>
                <al>5,00 m bedragen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten</al>
                <al>behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in</al>
                <al>voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het</al>
                <al>onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het</al>
                <al>eerste, en het derde lid:</al>
                <al>a voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of</al>
                <al>losruimte wordt voorzien; of</al>
                <al>b indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op</al>
                <al>overwegende bezwaren stuit.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties envluchtrouteaanduidingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de ontdekking en</al>
                <al>melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk kan worden ontdekt en gemeld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al> Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze</al>
                <al>verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het</al>
                <al>eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het</al>
                <al>eerst en het tweede lid, indien de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe</al>
                <al>aanleiding geeft.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een gebruiksfunctie:</al>
                <al>waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is gelegen op een in tabel 2.6.1 van bijlage</al>
                <al>10 van deze verordening aangegeven waarde boven het meetniveau als bedoeld in het</al>
                <al>Bouwbesluit;</al>
                <al>waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10</al>
                <al>van deze verordening aangegeven grenswaarden;</al>
                <al>waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers meer bedraagt dan de in tabel</al>
                <al>2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven grenswaarde;</al>
                <al>die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer bouwlagen dan de in tabel 2.6.1 van</al>
                <al>bijlage 10 zijn aangegeven, is voorzien van een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN</al>
                <al>2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een woongebouw waar vanaf de</al>
                <al>toegang van een verblijfsruimte slechts in één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte</al>
                <al>waardoor dient te worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de betreffende</al>
                <al>vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd, voorzien te zijn van een</al>
                <al>brandmeldinstallatie met ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer van de</al>
                <al>volgende situaties:</al>
                <al>De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte en een punt vanwaar in meerdere</al>
                <al>richtingen kan worden gevlucht, bedraagt meer dan 10 meter;</al>
                <al>Het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte waardoor slechts in één richting kan</al>
                <al>worden gevlucht alsmede de op dit gedeelte aangewezen verblijfsruimten is groter dan 200</al>
                <al>m2;</al>
                <al>Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de betreffende ruimte bedraagt meer dan 2.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535,</al>
                <al>uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002, is uitgevoerd als:</al>
                <al>niet-automatische bewaking; of</al>
                <al>gedeeltelijke bewaking; of</al>
                <al>volledige bewaking; zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening, of</al>
                <al>ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende vluchtroutes en risicoruimten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al> Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1, a, b, c, in een bouwwerk aanwezige</al>
                <al>brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door naar de alarmcentrale van de brandweer, voor</al>
                <al>zover dit voor een gebruiksfuntie staat aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze</al>
                <al>verordening.is artikel 2.6.10 van overeenkomstige toepassing;</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie</al>
                <al>voldoet aan het gestelde in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie is</al>
                <al>ontworpen en aangelegd overeenkomstig een door of namens burgemeester en wethouders</al>
                <al>aanvaard programma van eisen als bedoeld in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1</al>
                <al>uitgave 2002.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie</al>
                <al>welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2, rechtstreeks is doorgemeld naar de alarmcentrale van</al>
                <al>de brandweer is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in de Regeling</al>
                <al>Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV)</al>
                <al>in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders</al>
                <al>erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring</al>
                <al>heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld</al>
                <al>in de vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor alarmering dat</al>
                <al>gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit het bouwwerk kunnen vluchten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van bijlage 11 van deze</al>
                <al>Verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het</al>
                <al>eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het</al>
                <al>eerste en tweede lid, indien de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe</al>
                <al>aanleiding geeft.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een</al>
                <al>brandmeldinstallatie, is voorzien van een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN</al>
                <al>2575, uitgave 2004.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2, tweede lid, van</al>
                <al>toepassing is, dienen de betreffende verblijfsruimten te zijn voorzien van een automatische</al>
                <al>ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige</al>
                <al>ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2575, uitgave 2004.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige</al>
                <al>ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een door of namens</al>
                <al>burgemeester en wethouders aanvaard programma van eisen, als bedoeld in NEN 2575,</al>
                <al>uitgave 2004.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van vluchtroutes dat gebruikers</al>
                <al>op veilige wijze uit het bouwwerk kunnen vluchten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze</al>
                <al>verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het</al>
                <al>eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze verordening, is</al>
                <al>voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als bedoeld in NEN 6088, uitgave 2002.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige vluchtrouteaanduiding</al>
                <al>voldoet aan het gestelde in NEN 6088, uitgave 2002.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende herkenbaar aangebracht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor wat betreft de</al>
                <al>zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave</al>
                <al>1999.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een gebruiksfunctie geen</al>
                <al>noodverlichting aanwezig is, is in geval van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3</al>
                <al>niet van toepassing.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als</al>
                <al>gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.4 van</al>
                <al>overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als</al>
                <al>gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.7 van</al>
                <al>overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als</al>
                <al>gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding aanwezig is, zijn de artikelen 2.6.9, tweede</al>
                <al>lid, en 2.6.10 van overeenkomstige toepassing.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</label>
              </kop>
              <al>Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het goed kunnen</al>
              <al>functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat bouwwerk</al>
              <al>noodzakelijk is, moet een voor het publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een</al>
              <al>installatie die mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners binnen en buiten dat</al>
              <al>bouwwerk mogelijk maakt.</al>
              <al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr/>
                <al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen</al>
                <al>voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de</al>
                <al>openbare waterleiding:</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>a.</lidnr>
                <al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van</al>
                <al>het distributienet is gelegen; of</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>b.</lidnr>
                <al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding</al>
                <al>van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende</al>
                <al>bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</label>
              </kop>
              <al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen</al>
              <al>elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor</al>
              <al>elektriciteit:</al>
              <al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat</al>
              <al>distributienet is gelegen; of</al>
              <al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het</al>
              <al>elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het</al>
              <al>desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen</al>
                <al>gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas:</al>
                <al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat</al>
                <al>distributienet is gelegen; of</al>
                <al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het</al>
                <al>aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het</al>
                <al>desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al>
                <al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen voor bejaarden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het</al>
                <al>eerste lid:</al>
                <al>a voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al>
                <al>b voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al>
                <al>c voor woningen met een aansluiting op met een aansluiting op een</al>
                <al>gemeenschappelijke of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van</al>
                <al>het Bouwbesluit (warmtedistributie).</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen</al>
                <al>voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het</al>
                <al>Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer</al>
                <al>van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool.</al>
                <al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid:</al>
                <al>a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;</al>
                <al>b. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Op aanwijzing van het gemeentelijk toezicht wordt bepaald:</al>
                <al>a op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor het maken</al>
                <al>van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw, dan wel de</al>
                <al>grens van het erf of terrein moet of moeten kruisen;</al>
                <al>b of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld</al>
                <al>ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater, faecaliën en hemelwater,</al>
                <al>ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer moet worden</al>
                <al>bepaald of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden</al>
                <al>tussen-geschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het</al>
                <al>openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het</al>
                <al>openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe</al>
                <al>aanleiding geeft.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het</al>
                <al>eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of</al>
                <al>lucht mogelijk is:</al>
                <al>a voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn</al>
                <al>gelegen;</al>
                <al>b voor agrarische bedrijven.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te</al>
                <al>brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41</al>
                <al>van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de</al>
                <al>afvoer van hemelwater niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende</al>
                <al>bepalingen:</al>
                <al>a leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten lozen op</al>
                <al>een rottingput met overstort;</al>
                <al>b leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen</al>
                <al>op een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput met overstort;</al>
                <al>c leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder</al>
                <al>faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen</al>
                <al>verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al>
                <al>d leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder</al>
                <al>faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het</al>
                <al>eerste lid, onder a en b, indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water,</al>
                <al>bodem en lucht mogelijk is.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige scheidingsconstructies</al>
                <al>van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten</al>
                <al>waterdicht zijn aangewerkt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van de</al>
                <al>buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij</al>
                <al>enige zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan een</al>
                <al>openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingputten voorkomen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen vernauwingen in</al>
                <al>de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende</al>
                <al>lucht- en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn.</al>
                <al>Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het</al>
                <al>bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de afvoer van</al>
                <al>afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een</al>
                <al>binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van leidingen van de</al>
                <al>buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend zijn.</al>
                <al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de</al>
                <al>NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label>
              </kop>
              <al/>
              <al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs</al>
              <al>de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het</al>
              <al>deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.</al>
              <al>Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één</al>
              <al>bouwwerk worden beschouwd.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>
              <vet>De Melding</vet>
            </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 3.1 De wijze van melden (vervallen)</label>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 3.2 Welstandscriteria (vervallen)</label>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>
              <vet>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij</vet>
              <vet>ingebruikneming van een bouwwerk</vet>
            </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</label>
            </kop>
            <al/>
            <al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel 59 van de</al>
            <al>Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:</al>
            <al>a binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin</al>
            <al>met de bouwwerkzaamheden is gemaakt;</al>
            <al>b tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze werkzaamheden</al>
            <al>langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</label>
            </kop>
            <al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig zijn en</al>
            <al>op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven:</al>
            <al>a de bouwvergunning;</al>
            <al>b andere vergunningen en ontheffingen;</al>
            <al>c het bouwveiligheidsplan;</al>
            <al>d een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van</al>
            <al>bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)</label>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</label>
            </kop>
            <al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag –</al>
            <al>onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde – niet worden</al>
            <al>begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders voor zover nodig:</al>
            <al>a het straatpeil is aangegeven;</al>
            <al>b de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het bouwtoezicht dient – voor zover het betreft bouwwerken waarvoor</al>
              <al>bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van de</al>
              <al>bouwvergunning – ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen</al>
              <al>onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld:</al>
              <al>a de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen;</al>
              <al>b de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen</al>
              <al>daaronder begrepen;</al>
              <al>c de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden gesteld</al>
              <al>van het storten van beton.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het</al>
              <al>bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</label>
            </kop>
            <al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen,</al>
            <al>opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de</al>
            <al>controle op de naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</label>
            </kop>
            <al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten</al>
            <al>behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem</al>
            <al>worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt,</al>
            <al>waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die</al>
            <al>de veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet</al>
              <al>geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn</al>
              <al>genomen ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en</al>
              <al>ten behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten, wanneer er</al>
              <al>niet wordt gewerkt – rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al>
              <al>a de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van het bouw- en</al>
              <al>grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik</al>
              <al>stellen van de installaties door anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer</al>
              <al>mogelijk is;</al>
              <al>b machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat deze</al>
              <al>dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de daartoe bevoegde</al>
              <al>personen in werking kunnen worden gesteld;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische</al>
              <al>verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven bemalingpompen, indien de</al>
              <al>omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende</al>
              <al>is gewaarborgd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of andere</al>
              <al>veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke</al>
              <al>werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de weg en</al>
              <al>van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te</al>
              <al>duchten is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat</al>
              <al>het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en</al>
              <al>andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de weg</al>
              <al>en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt</al>
              <al>gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en ander</al>
              <al>hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en</al>
              <al>veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een werktuig of een stof</al>
              <al>te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving optreedt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat schade of</al>
              <al>ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een werk te</al>
              <al>gebruiken krachtwerktuig:</al>
              <al>a uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al>
              <al>b de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al>
              <al>c het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden gebruikt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing indien en voor</al>
              <al>zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in</al>
              <al>deze wet genoemde milieuwet van toepassing is.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.11 Bouwafval</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de volgende</al>
              <al>fracties:</al>
              <al>a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst</al>
              <al>behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr.</al>
              <al>158, blz. 9);</al>
              <al>b steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al>
              <al>c glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al>
              <al>d overig afval.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties, bedoeld in</al>
              <al>het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject minder</al>
              <al>bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig</al>
              <al>bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Van het gereedkomen:het bouwtoezicht onmiddellijk na die voltooiing in kennis</al>
              <al>worden a. a. a. van putten en van grond- en huisaansluitingen van de riolering, alsmede van</al>
              <al>leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil;</al>
              <al>b. van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de thermische isolatie in</al>
              <al>andere besloten constructies</al>
              <al>moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b bedoelde</al>
              <al>werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen niet</al>
              <al>zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende twee</al>
              <al>dagen na het tijdstip van kennisgeving.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die onderdelen</al>
              <al>van het bouwwerk, waarvoor in de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarden een</al>
              <al>plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de</al>
              <al>bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het</al>
              <al>bouwtoezicht gemeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit</al>
              <al>verlangt, schriftelijk geschieden.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of</al>
              <al>buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee dagen vóór het</al>
              <al>begin van het desbetreffende werk in kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen</al>
              <al>ten behoeve van:</al>
              <al>a het niet verwerken van bevroren materialen;</al>
              <al>b het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al>
              <al>c de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen vorstschade,</al>
              <al>zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit</al>
              <al>verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming (vervallen)</label>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>
              <vet>Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties,</vet>
              <vet>aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren</vet>
              <vet>van schadelijk en hinderlijk gedierte</vet>
            </titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Staat van open erven en terreinen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming,</al>
                <al>voldoende staat van onderhoud bevinden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid,</al>
                <al>noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge</al>
                <al>van:</al>
                <al>a drassigheid;</al>
                <al>b stank;</al>
                <al>c verontreiniging;</al>
                <al>d aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al>
                <al>e aanwezigheid van begroeiing.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van een</al>
                <al>openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet</al>
                <al>aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s</al>
                <al>en het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het</al>
                <al>gebouw zulks niet vereisen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de</al>
                <al>gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of</al>
                <al>anderszins voorschriften heeft vastgesteld:</al>
                <al>a een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over een breedte van ten minste 3,25 m</al>
                <al>zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van tenminste 4,2 m;</al>
                <al>b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten</al>
                <al>minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al>
                <al>c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw, als bedoeld in</al>
                <al>artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken, voorzover dit niet voor bewoning is bestemd,</al>
                <al>maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig</al>
                <al>zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan</al>
                <al>worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden</al>
                <al>zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Tussen de toegang van enerzijds:</al>
                <al>a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al>
                <al>b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als</al>
                <al>bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al>
                <al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of</al>
                <al>begaanbaar pad aanwezig zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al>
                <al>a ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al>
                <al>b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al>
                <al>c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit plaatsvindt</al>
                <al>door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40</al>
                <al>van het Bouwbesluit.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label>
              </kop>
              <al/>
              <al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12 van overeenkomstige</al>
              <al>toepassing.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen, niet zijnd woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
              <al>vervallen</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label>
              </kop>
              <al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige</al>
              <al>voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de</al>
              <al>openbare waterleiding:</al>
              <al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van</al>
              <al>het distributienet is gelegen; of</al>
              <al>b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding</al>
              <al>van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende</al>
              <al>bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</label>
              </kop>
              <al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige</al>
              <al>elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor</al>
              <al>elektriciteit:</al>
              <al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding</al>
              <al>van dat distributienet is gelegen; of</al>
              <al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het</al>
              <al>elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het</al>
              <al>desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label>
              </kop>
              <al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening</al>
              <al>moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas:</al>
              <al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van</al>
              <al>dat distributienet is gelegen; of</al>
              <al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het</al>
              <al>aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het</al>
              <al>desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van</al>
              <al>40 m.</al>
              <al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al>
              <al>a woningen voor bejaarden;</al>
              <al>b woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al>
              <al>c woningen die niet worden verhuurd;</al>
              <al>d woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige</al>
                <al>voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan</al>
                <al>bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten,</al>
                <al>onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan</al>
                <al>een openbaar riool.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al>
                <al>a in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;</al>
                <al>b op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn</al>
                <al>gelegen;</al>
                <al>c voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al>
                <al>d op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt</al>
                <al>en een daartoe voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</label>
              </kop>
              <al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende</al>
              <al>bepalingen:</al>
              <al>a voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een</al>
              <al>doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,</al>
              <al>tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;</al>
              <al>b voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten</al>
              <al>een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende</al>
              <al>rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die</al>
              <al>toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen</al>
              <al>verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al>
              <al>c leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder</al>
              <al>faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen</al>
              <al>verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al>
              <al>d leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder</al>
              <al>faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</label>
              </kop>
              <al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label>
              </kop>
              <al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs</al>
              <al>de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het</al>
              <al>deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.</al>
              <al>Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één</al>
              <al>bouwwerk worden beschouwd.</al>
              <al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.4.1 Preventie</label>
              </kop>
              <al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk</al>
              <al>zich in zindelijke staat bevindt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>
              <vet>Brandveilig gebruik</vet>
            </titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Gebruiksvergunning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester</al>
                <al>en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin:</al>
                <al>a meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een één- of</al>
                <al>meergezinshuis;</al>
                <al>b aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf</al>
                <al>zal worden verschaft;</al>
                <al>c aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan tien lichamelijk</al>
                <al>en/of verstandelijk gehandicapten dagverblijf zal worden verschaft.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning slechts</al>
                <al>voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand,</al>
                <al>het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een</al>
                <al>verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten het</al>
                <al>bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en</al>
                <al>wethouders aan de vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en gestelde voorwaarden</al>
                <al>wijzigen of intrekken.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden overgelegd als</al>
                <al>genoemd in bijlage 2 van deze verordening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van de door of</al>
                <al>namens burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren. De bij deze aanvraag</al>
                <al>behorende gegevens en bescheiden moeten voldoen aan de eisen van de in het eerste lid</al>
                <al>genoemde bijlage.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in ..voud worden ingediend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn</al>
                <al>gesteld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking heeft op</al>
                <al>bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden moeten door de</al>
                <al>aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend dan wel worden gewaarmerkt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een bestaande situatie,</al>
                <al>moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe</al>
                <al>toestand duidelijk blijken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>8.</lidnr>
                <al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van</al>
                <al>ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</label>
              </kop>
              <al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 6.1.2 gestelde eisen, alsmede aan de eisen</al>
              <al>die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen</al>
              <al>burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om de door hen aan te geven</al>
              <al>ontbrekende gegevens over te leggen.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een</al>
                <al>gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste zes weken</al>
                <al>verdagen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden burgemeester en</al>
                <al>wethouders de beslissing aan indien:</al>
                <al>a voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en zij over die vergunning</al>
                <al>nog niet hebben beslist;</al>
                <al>b voor hetzelfde bouwwerk een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het</al>
                <al>opleggen van een last onder dwangsom dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de</al>
                <al>Woningwet is genomen wegens strijd met de voorschriften van het Bouwbesluit, als bedoeld</al>
                <al>in een der artikel 1b van de Woningwet, en deze binnen de in het eerste lid vermelde termijn</al>
                <al>is verzonden, doch aan dit besluit nog niet is voldaan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is beslist op een</al>
                <al>aanvraag om bouwvergunning als bedoeld onder letter a van het derde lid, dan wel nadat is</al>
                <al>voldaan aan het besluit als bedoeld onder letter b van het derde lid en burgemeester en</al>
                <al>wethouders hiervan in kennis zijn gesteld.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</label>
              </kop>
              <al>Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de volgende</al>
              <al>omstandigheden zich voordoet:</al>
              <al>a de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het bouwwerk kan in relatie tot de</al>
              <al>beoogde gebruiksfunctie niet geacht worden een brandveilig gebruik te zijn en door het</al>
              <al>stellen van voorwaarden kan geen voldoende brandveilig gebruik worden bereikt;</al>
              <al>b de bouwvergunning , een milieuvergunning dan wel de vrijstelling tot gebruikswijziging</al>
              <al>is geweigerd.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning intrekken indien:</al>
                <al>a blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens hebben</al>
                <al>verleend;</al>
                <al>b blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een voorwaarde van de</al>
                <al>vergunning;</al>
                <al>c van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het</al>
                <al>onherroepelijk worden van de vergunning;</al>
                <al>d van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is</al>
                <al>gemaakt;</al>
                <al>e wegens verandering van omstandigheden van de inrichting of het bouwwerk, sedert</al>
                <al>het toekennen van de bestemming dan wel sedert het verlenen van de bouwvergunning.</al>
                <al>f het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een</al>
                <al>verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten het</al>
                <al>bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het</al>
                <al>stellen of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te beschermen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat zij de houder</al>
                <al>van de vergunning hebben gehoord.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</label>
              </kop>
              <al>In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de gebruiksvergunning betrekking</al>
              <al>heeft moet deze vergunning aanwezig zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met</al>
              <al>de zorg voor de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per</al>
                <al>onderwerp vermeld in bijlage 3 bij deze verordening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een bouwwerk, met</al>
                <al>uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties te gebruiken in strijd</al>
                <al>met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 4 bij deze verordening.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>in, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen brandgevaarlijke stof</al>
                <al>aanwezig.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het eerste lid is niet van toepassing indien:</al>
                <al>a. de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende stoffen niet</al>
                <al>wordt overschreden, met dien verstande dat de totale toegestane hoeveelheid van de eerste</al>
                <al>zes rijen honderd kilogram of liter is,</al>
                <al>b. de betreffende stof zodanig is verpakt</al>
                <al>- dat de verpakking tegen normale behandeling bestand is, en</al>
                <al>- van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen, en</al>
                <al>c. de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking</al>
                <al>aangegeven gevaarsaanduiding (R- en S-zinnen).</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het in het eerste lid gestelde is voorts niet van toepassing op:</al>
                <al>a. de brandstof in het reservoir bij een verbandingsmotor;</al>
                <al>b. de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmteontwikkelend</al>
                <al>toestel;</al>
                <al>c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken, en</al>
                <al>d. het aanwezig hebben van een grotere dan de in bijlage 5 aangegeven</al>
                <al>maximum hoeveelheid van de betreffende stof voor zover dat bij of krachtens de Wet</al>
                <al>Milieubeheer is toegestaan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid onder a, worden</al>
                <al>volledig meegerekend de inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een</al>
                <al>vloeistof die in bijlage 5 als brandgevaarlijk is aangemerkt.</al>
                <al/>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</label>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</label>
              </kop>
              <al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen of te hebben dat</al>
              <al>daardoor het onmiddellijk gebruik of de zichtbaarheid ervan wordt belemmerd van:</al>
              <al>a middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding van brand;</al>
              <al>b middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen en dieren bij</al>
              <al>brand.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</label>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en met 6.3.2 is het</al>
              <al>verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te</al>
              <al>plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te</al>
              <al>gebruiken, waardoor:</al>
              <al>a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt</al>
              <al>verspreid;</al>
              <al>b. brandgevaar wordt veroorzaakt;</al>
              <al>c. het vluchten wordt belemmerd.</al>
              <al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft hinder, terzake</al>
              <al>waarvan de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>
              <vet>Overige gebruiksbepalingen</vet>
            </titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Overbevolking</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</label>
              </kop>
              <al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond</al>
              <al>door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</label>
              </kop>
              <al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te bewonen met of toe te</al>
              <al>staan dat een woonwagen, respectievelijk een woonkeet wordt bewoond door meer dan één</al>
              <al>persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Staken van het gebruik</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</label>
              </kop>
              <al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of terrein te gebruiken of te</al>
              <al>doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat</al>
              <al>zulks gevaarlijk is in verband met:</al>
              <al>a bouwvalligheid van het bouwwerk;</al>
              <al>b bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne</label>
              </kop>
              <al>Indien tengevolge van het niet functioneren – hieronder begrepen het afgesloten zijn – van</al>
              <al>de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van</al>
              <al>faecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over</al>
              <al>gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een</al>
              <al>onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kunnen burgemeester en</al>
              <al>wethouders gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</label>
              </kop>
              <al>Indien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is bepaald dat het gebruik</al>
              <al>van een gebouw op of behorende bij een standplaats moet worden gestaakt en</al>
              <al>dientengevolge essentiële voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen</al>
              <al>buiten gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van de</al>
              <al>woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde voorzieningen niet functioneren.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.3.1(vervallen)</label>
              </kop>
              <al>(vervallen)</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.3.2 Hinder</label>
              </kop>
              <al>Het is verboden in, op, of aan een bouwwerk, of op een open erf of terrein, voorwerpen of</al>
              <al>stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, of</al>
              <al>werktuigen te gebruiken, waardoor:</al>
              <al>a overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het</al>
              <al>open erf of terrein;</al>
              <al>b op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, rook, roet, walm, stof of</al>
              <al>vocht wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door: geluid en trilling, elektrische trilling</al>
              <al>daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging</al>
              <al>van het bouwwerk, open erf of terrein;</al>
              <al>c instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al>
              <al>Niet van toepassing is het vorenstaande indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen</al>
              <al>voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van</al>
              <al>toepassing is.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.4.1 Preventie</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het</al>
                <al>bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat</al>
                <al>schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Watergebruik</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</label>
              </kop>
              <al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en wethouders schriftelijk</al>
              <al>is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.</al>
              <al>Paragraaf 6 Installaties</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</label>
              </kop>
              <al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of de Bouwverordening de</al>
              <al>aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een</al>
              <al>onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Slopen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Sloopvergunning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te</al>
                <al>slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders</al>
                <al>(sloopvergunning).</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar redelijke schatting</al>
                <al>de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft</al>
                <al>het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een</al>
                <al>besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van</al>
                <al>bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Burgemeester en wethouders</al>
                <al>kunnen aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning slechts</al>
                <al>voorschriften over:</al>
                <al>a de veiligheid tijdens het slopen;</al>
                <al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al>
                <al>c het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, ten</al>
                <al>minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een</al>
                <al>fractie overig afval;</al>
                <al>d het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als</al>
                <al>bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn</al>
                <al>overgelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder letter c,</al>
                <al>kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de</al>
                <al>tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het</al>
                <al>sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester en wethouders verbinden aan de</al>
                <al>sloopvergunning met betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken</al>
                <al>daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet</al>
                <al>plaatsvinden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De vergunningsplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in een tijdelijke</al>
                <al>bouwvergunning voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het</al>
                <al>slopen van het tijdelijk bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel 45 van de</al>
                <al>Woningwet.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken van een door of</al>
                <al>vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De aanvraag moet inhouden:</al>
                <al>a correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;</al>
                <al>b indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en adres;</al>
                <al>c naam en adres van degene, die met het slopen zal worden belast;</al>
                <al>d de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich het te slopen bouwwerk</al>
                <al>bevindt en het huisnummer van het bouwwerk; indien de sloopwerkzaamheden bestaan uit</al>
                <al>asbestverwijdering van meer dan een bouwwerk in het kader van hetzelfde project, wordt</al>
                <al>een lijst met bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers van de desbetreffende</al>
                <al>bouwwerken bijgevoegd, welke lijst ingevolge het negende lid is gewaarmerkt;</al>
                <al>e een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk waarop de</al>
                <al>sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet het gehele bouwwerk wordt gesloopt;</al>
                <al>f het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk</al>
                <al>laatstelijk is gebezigd;</al>
                <al>g mededeling of een bouwvergunning is of zal worden aangevraagd voor een op het</al>
                <al>perceel van het te slopen bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk op te</al>
                <al>richten of te veranderen of uit te breiden bouwwerk;</al>
                <al>h een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal plaatsvinden;</al>
                <al>en voorts, indien van toepassing:</al>
                <al>i het sloopveiligheidsplan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen bouwwerk asbest</al>
                <al>bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te zijn indien bij de aanvraag een van de</al>
                <al>volgende gegevens wordt overgelegd:</al>
                <al>a een afschrift van het asbestinventarisatierapport, uitgevoerd door een deskundig</al>
                <al>asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk</al>
                <al>bevindt;</al>
                <al>b een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 11 juni 1998 dat voldoet aan de eisen in</al>
                <al>BRL 5052, uitgave 1998, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk</al>
                <al>bevindt; indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld vóór 1 juli 1993, dient</al>
                <al>tevens een schriftelijke verklaring van de aanvrager te worden overgelegd dat er geen</al>
                <al>veranderingen van het te slopen bouwwerk hebben plaatsgevonden, waarbij</al>
                <al>asbesthoudende materialen zijn toegepast;</al>
                <al>c een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk is gebouwd na 1 januari 1994;</al>
                <al>d bij woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot</al>
                <al>bewoning bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een schriftelijke verklaring van de bouwer</al>
                <al>van het te slopen bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft toegepast, alsmede een</al>
                <al>schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er sinds het tijdstip van de bouw geen</al>
                <al>veranderingen hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn toegepast;</al>
                <al>e bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke verklaring van de fabrikant of de</al>
                <al>leverancier dat het te slopen materiaal geen asbest bevat, alsmede een schriftelijke</al>
                <al>verklaring van de aanvrager dat het materiaal van deze fabrikant of leverancier afkomstig is;</al>
                <al>Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt overgelegd, wordt vermoed</al>
                <al>dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij de aanvrager in vergelijkbare situaties andere</al>
                <al>gegevens verstrekt die dit vermoeden naar het oordeel van burgemeester en wethouders</al>
                <al>voldoende weerleggen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat of de</al>
                <al>aanvrager weet of redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk asbest bevindt wordt</al>
                <al>met een asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf aangetoond of dit juist is, en</al>
                <al>zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien geen asbestinventarisatierapport van een</al>
                <al>deskundig bedrijf wordt overgelegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens worden</al>
                <al>overgelegd waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Aan</al>
                <al>deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien</al>
                <al>a. de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft op het verwijderen van</al>
                <al>asbest op in de aanvraag aangeduide plaatsen, of</al>
                <al>b. een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder b bij de aanvraag is</al>
                <al>gevoegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te slopen</al>
                <al>bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een bouwwerk is verontreinigd met de als</al>
                <al>gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende bij de</al>
                <al>Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient</al>
                <al>een onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het</al>
                <al>rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning worden</al>
                <al>gevoegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in 4-voud worden</al>
                <al>ingediend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn</al>
                <al>gesteld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>8.</lidnr>
                <al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking heeft op</al>
                <al>bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen dan wel indien</al>
                <al>zij betrekking heeft op asbestverwijdering van meer dan een bouwwerk in het kader van</al>
                <al>hetzelfde project.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>9.</lidnr>
                <al>De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden moeten door de</al>
                <al>aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan wel gewaarmerkt worden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>10.</lidnr>
                <al>Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk betreft, moeten uit de</al>
                <al>aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk</al>
                <al>blijken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>11.</lidnr>
                <al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van</al>
                <al>ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>12.</lidnr>
                <al>Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het voornemen tot</al>
                <al>slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op asbest.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>13.</lidnr>
                <al> Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen</al>
                <al>sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen betrekking heeft op asbest,</al>
                <al>aangemerkt als melding als bedoeld in artikel 8.2.1.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al> Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of krachtens artikel</al>
                <al>8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de</al>
                <al>Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de</al>
                <al>gelegenheid de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen binnen een</al>
                <al>door hen te stellen termijn.</al>
                <al>Zij doen dit eveneens indien de aanvraag geen gegevens bevat over het verwijderen van</al>
                <al>asbest en uit gegevens waarover de gemeente beschikt blijkt dat redelijkerwijs mag worden</al>
                <al>aangenomen dat zich in het te slopen bouwwerk asbest bevindt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al> Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2,</al>
                <al>tweede lid, letter c.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om sloopvergunning</al>
                <al>binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor</al>
                <al>ten hoogste zes weken verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging zenden zij zo</al>
                <al>spoedig mogelijk aan de aanvrager.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen burgemeester en wethouders</al>
                <al>over een aanvraag om sloopvergunning binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag</al>
                <al>om een sloopvergunning is ingediend, indien het slopen uitsluitend is bedoeld om asbest of</al>
                <al>asbesthoudende producten uit een bouwwerk te verwijderen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden burgemeester en</al>
                <al>wethouders de beslissing aan indien een vergunning krachtens artikel 11 of artikel 37 van de</al>
                <al>Monumentenwet 1988, een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening, een</al>
                <al>leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, of een</al>
                <al>aanlegvergunning voor het slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog niet is beslist.</al>
                <al>De aanhouding eindigt zes weken na bedoelde beslissing. Bij samenloop van vergunningen</al>
                <al>wordt uitgegaan van de datum van de laatst genomen beslissing.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het kader van het</al>
                <al>vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een bouwwerk waarvoor tevens een</al>
                <al>bouwvergunning is aangevraagd, kan bij de aanvraag om sloopvergunning – voor zover voor</al>
                <al>beide aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd – worden verwezen</al>
                <al>naar die bescheiden en gegevens die zijn ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en</al>
                <al>behoeven dezelfde bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de beslissing op de aanvraag om</al>
                <al>sloopvergunning de procedure van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het</al>
                <al>geval dat beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</label>
              </kop>
              <al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al>
              <al>a de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen</al>
              <al>van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al>
              <al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen</al>
              <al>onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende</al>
              <al>peil kan worden gewaarborgd;</al>
              <al>c een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een</al>
              <al>gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;</al>
              <al>d een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de</al>
              <al>stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend;</al>
              <al>e een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een</al>
              <al>voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken indien:</al>
                <al>a de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van</al>
                <al>gegevens;</al>
                <al>b binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning geen begin</al>
                <al>met de werkzaamheden is gemaakt;</al>
                <al>c tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden</al>
                <al>langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat zij de houder v</al>
                <al>Van de vergunning hebben gehoord.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen sloopvergunning vereist voor het</al>
                <al>anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van:</al>
                <al>a. geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn,</al>
                <al>niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw,</al>
                <al>voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of</al>
                <al>bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te</al>
                <al>verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal</al>
                <al>perceel bedraagt;</al>
                <al>b. asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking uit een</al>
                <al>woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het</al>
                <al>bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of</al>
                <al>bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen</al>
                <al>asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per</al>
                <al>kadastraal perceel bedraagt;</al>
                <al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders en door</al>
                <al>burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld is</al>
                <al>medegedeeld dat geen sloopvergunning is vereist.</al>
                <al>Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of logiesverblijf.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld met</al>
                <al>gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in 4-voud worden ingediend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn</al>
                <al>gesteld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het gebruik</al>
                <al>van het bouwwerk.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en</al>
                <al>wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van</al>
                <al>ontvangst is vermeld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling niet</al>
                <al>binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>8.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het eerste</al>
                <al>lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>9.</lidnr>
                <al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het zevende lid is</al>
                <al>verplicht de voorschriften bedoeld in het achtste lid alsmede de voorschriften die bij of</al>
                <al>krachtens de artikelen 7 en 8 van het asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te</al>
                <al>nemen.</al>
                <al>Voorts is de houder verplicht ter zake van de afvoer van asbest bevattende vloerbedekking</al>
                <al>alsmede van andere afvalstoffen waarop de mededeling betrekking heeft de in de gemeente</al>
                <al>geldende voorschriften in acht te nemen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>10.</lidnr>
                <al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop vrijkomt is niet</al>
                <al>toegestaan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>11.</lidnr>
                <al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met het vijfde lid</al>
                <al>van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de melding</al>
                <al>heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende</al>
                <al>gegevens over te leggen.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</label>
              </kop>
              <al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen sloopvergunning vereist, indien het</al>
              <al>slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van</al>
              <al>de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van:</al>
              <al>a. geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al>
              <al>b. verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen;</al>
              <al>c. rem- frictiematerialen;</al>
              <al>d. pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al>
              <al>e. pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een</al>
              <al>nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</label>
              </kop>
              <al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het</al>
              <al>slopen en het sloopterrein.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</label>
              </kop>
              <al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot toepassing van</al>
              <al>bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en</al>
              <al>op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft</al>
                <al>op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de vergunning ter hand</al>
                <al>stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De houder van de sloopvergunning stelt ten minste een week voorafgaande aan de</al>
                <al>aanvang van het slopen, burgemeester en wethouders schriftelijk op de hoogte van deze</al>
                <al>data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking op asbest, zal plaatsvinden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de uitvoering van de</al>
                <al>werkzaamheden burgemeester en wethouders een afschrift van de resultaten van de</al>
                <al>eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend voor het slopen</al>
                <al>van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan</al>
                <al>terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang van de</al>
                <al>sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de</al>
                <al>sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit</al>
                <al>verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk aanwezige</al>
                <al>asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken worden</al>
                <al>toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen.</al>
                <al>
                  <vet> </vet>
                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen (vervallen)</label>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Vrij slopen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning krachtens</al>
                <al>artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden</al>
                <al>gescheiden in de navolgende fracties:</al>
                <al>a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst</al>
                <al>behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr.</al>
                <al>158, blz. 9);</al>
                <al>b steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al>
                <al>c bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al>
                <al>d met PAKS verontreinigde materialen;</al>
                <al>e asfalt;</al>
                <al>f dakgrind;</al>
                <al>g overig afval.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de fracties, bedoeld in</al>
                <al>het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het sloopterrein gescheiden worden</al>
                <al>gehouden.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>
              <vet>Welstand</vet>
            </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan Hus &amp; Hiem,</al>
              <al>welstandsadvisering en monumentenzorg, hierna te noemen: de welstandscommissie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor</al>
              <al>regulier vergunningplichtige en licht-vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel</al>
              <al>44, eerste lid onder d respectievelijk artikel 44, derde lid juncto eerste lid onder d van de</al>
              <al>Woningwet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde</al>
              <al>welstandscriteria.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een voorzitter en</al>
              <al>een secretaris, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur,</al>
              <al>ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie leden</al>
              <al>aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op het</al>
              <al>gebied van welstand.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al> De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders als bedoeld</al>
              <al>in het eerste lid zitting hebben.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al> Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 (Reglement op</al>
              <al>de Commissie) bij deze verordening is vastgesteld, bevat binnen het gestelde in de</al>
              <al>voorgaande leden nadere informatie over de samenstelling van de commissie.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de welstandscommissie en hun</al>
              <al>plaatsvervangers worden op voorstel van de burgemeester en wethouders benoemd en</al>
              <al>ontslagen door de gemeenteraad.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie</al>
              <al>jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten</al>
              <al>hoogste drie jaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze</al>
              <al>verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande leden, nadere</al>
              <al>benoemingsprocedures.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</label>
            </kop>
            <al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de</al>
            <al>gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:</al>
            <al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota;</al>
            <al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al>
            <al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;</al>
            <al>de aard van de beoordeelde plannen;</al>
            <al>de bijzondere projecten.</al>
            <al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het</al>
            <al>gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de</al>
            <al>gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.5 Termijn van advisering</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een lichte</al>
              <al>bouwvergunning uit binnen twee weken nadat door of namens burgemeester en wethouders</al>
              <al>daarom is verzocht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere</al>
              <al>bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders</al>
              <al>daarom is verzocht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere</al>
              <al>bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat door of namens burgmeester en</al>
              <al>wethouders daarom is verzocht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de</al>
              <al>welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit</al>
              <al>artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door</al>
              <al>burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de</al>
              <al>aanvraag om</al>
              <al>a een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub a van de</al>
              <al>Woningwet bedoelde termijn van zes weken;</al>
              <al>b een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub van de</al>
              <al>Woningwet bedoelde termijn van twaalf weken;</al>
              <al>c een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub c van</al>
              <al>de Woningwet bedoelde termijn van zes weken.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De</al>
              <al>agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een</al>
              <al>van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op</al>
              <al>een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek</al>
              <al>van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen</al>
              <al>burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de</al>
              <al>Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor</al>
              <al>de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen van de aanvraag</al>
              <al>om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in</al>
              <al>staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld</al>
              <al>en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de</al>
              <al>bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie,</al>
              <al>waarin de aanvraag wordt behandeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde</al>
              <al>van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in</al>
              <al>een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende</al>
              <al>fase en de beraadslagingen.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies mandateren</al>
              <al>aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter en/of</al>
              <al>secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de</al>
              <al>welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog voor aan de</al>
              <al>welstandscommissie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester en</al>
              <al>wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare</al>
              <al>behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op</al>
              <al>grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en</al>
              <al>wethouders gevoegd bij de aanvraag om een bouwvergunning.</al>
              <al>
                <vet> </vet>
              </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft een</al>
              <al>gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van</al>
              <al>welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al>
              <al>a op het voornemen inspraak is verleend;</al>
              <al>b het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in de</al>
              <al>krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>
              <vet>Overige administratieve bepalingen</vet>
            </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</label>
            </kop>
            <al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet moeten</al>
            <al>worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en het doel waarvoor het laatstelijk is</al>
            <al>gebruikt.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimdeonbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen)</label>
            </kop>
            <al>(vervallen)</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</label>
            </kop>
            <al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de</al>
            <al>woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de gebruiksvergunning als</al>
            <al>bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag</al>
            <al>van degene op wiens naam de vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn</al>
            <al>rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de</al>
            <al>vergunning is gesteld.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)</label>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagensalsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (vervallen)</label>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</label>
            </kop>
            <al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de herziening en</al>
            <al>vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften</al>
            <al>waarnaar in deze verordening – of in de bij deze verordening behorende bijlagen – wordt</al>
            <al>verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het</al>
            <al>voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>
              <vet>Handhaving</vet>
            </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw (vervallen)</label>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming(vervallen)</label>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen (vervallen)</label>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</label>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>12</nr>
            <titel>
              <vet>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet>
            </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.1 Strafbare feiten (vervallen)</label>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</label>
            </kop>
            <al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in enig ander</al>
            <al>verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt</al>
            <al>dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek,</al>
            <al>tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve</al>
            <al>bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden gezien.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen</label>
            </kop>
            <al/>
            <al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet</al>
            <al>van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een bouwvergunning</al>
            <al>als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere</al>
            <al>vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat</al>
            <al>gebouw zijn gesteld.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in de brandbeveiligingsverordening vastgesteld</al>
              <al>bij raadsbesluit d.d. 11 maart 1993 geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een ontheffing, toestemming, voorschrift of beperking – hoe ook genaamd – verleend</al>
              <al>krachtens de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 11 maart 1993,</al>
              <al>blijft van kracht totdat de termijn waarvoor zij is verleend, is verstreken of totdat zij is</al>
              <al>ingetrokken.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen)</label>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.6 Slotbepaling</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is</al>
              <al>afgekondigd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Bouwverordening Gemeente</al>
              <al>Harlingen 2007.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Voor de toelichting op deze verordening is van toepassing de Toelichting</al>
              <al>Modelbouwverordening 1992 van de VNG, 12e serie wijzigingen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Bouwverordening gemeente Harlingen</al>
              <al>2008’.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling, gebruiksvergunning of</al>
              <al>toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening</al>
              <al>van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van</al>
              <al>de bouwverordening van toepassing, zoals deze luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij</al>
              <al>de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al>
              <al> </al>
              <al>Het bovenstaande is slechts van toepassing voorzover deze bepalingen in overeenstemming</al>
              <al>zijn met de Wet tot wijziging van de Woningwet en enkele andere wetten (verbetering</al>
              <al>handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving) (Wet van 21 december 2006, Stb.</al>
              <al>2007,270.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>