<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR615808_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN BERNHEZE 2019</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bernheze</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bernheze</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2019-81">gmb-2019-81</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerendezaakbelastingen </dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=220&amp;g=2018-09-19">artikel 220 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2018-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling </overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1293910/129687</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Onroerende zaakbelasting </overheidrg:onderwerp></cvdripm></meta><body><intitule> VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN BERNHEZE 2019 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label/><nr/><titel/></kop><al>De raad van de gemeente Bernheze besluit, op basis van het bijbehorende voorstel van</al><al>burgemeester en wethouders van 6 november 2018:</al><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al>VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN ONROERENDEZAAKBELASTINGEN</al><al>BERNHEZE 2019</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>1. Onder de naam “Onroerende-zaakbelastingen” worden terzake van binnen de</al><al>gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><al>a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een</al><al>onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens</al><al>eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:</al><al>gebruikersbelasting;</al><al>b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van</al><al>een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt</al><al>recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al><al>2. Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><al>a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is</al><al>gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft</al><al>gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting</al><al>als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al><al>b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik</al><al>aangemerkt als gebruik door de degene die de onroerende zaak ter</al><al>beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft</al><al>gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie de</al><al>zaak ter beschikking is gesteld.</al><al>3. Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of</al><al>beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in</al><al>de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen</al><al>genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III</al><al>van de Wet waardering onroerende zaken.</al><al>2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van</al><al>hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die</al><al>onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende</al><al>zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering</al><al>onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar</al><al>bedoeld in artikel 1.</al><al>2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet</al><al>van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf</al><al>van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde</al><al>bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering</al><al>onroerende zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten</al><al>aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat</al><al>artikel bedoelde waarde, de waarde van:</al><al>a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde</al><al>cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de</al><al>ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de</al><al>kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem</al><al>te gebruiken;</al><al>b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van</al><al>gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a</al><al>bedoelde grond;</al><al>c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of</al><al>voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van</al><al>levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van</al><al>zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al><al>d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op voet van de</al><al>Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1,</al><al>derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden met uitzondering van</al><al>de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al><al>e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,</al><al>zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met</al><al>volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het</al><al>behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;</al><al>f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een</al><al>en ander met inbegrip van kunstwerken;</al><al>g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door</al><al>organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met</al><al>uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al><al>h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die</al><al>worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke</al><al>rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die</al><al>dienen als woning;</al><al>i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder</al><al>dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die</al><al>niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al><al>j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de</al><al>publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige</al><al>onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van</al><al>onderwijs;</al><al>k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen –</al><al>niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het</al><al>publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals</al><al>lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,</al><al>banken, abri’s, hekken en palen;</al><al>l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of</al><al>waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt</al><al>recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen</al><al>als woning;</al><al>m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van</al><al>zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al><al>2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde</al><al>onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van</al><al>die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.</al><al>3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor</al><al>de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de</al><al>onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar</al><al>zijn aan woondoeleinden.</al><al>4. De belasting bedoeld in artikel 1 lid 1 onder a wordt niet geheven ten aanzien van</al><al>bouwterreinen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het</al><al>percentage bedraagt voor:</al><al>a. de gebruikersbelasting 0,2271%;</al><al>b. bij de eigenarenbelasting:</al><al>- voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1232%;</al><al>- voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen</al><al>0,2882%.</al><al>2. Voor belastingbedragen tot € 5,00 vindt geen invordering plaats.</al><al>3. voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid wordt het totaal van de op een</al><al>aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere</al><al>heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld</titel></kop><al>De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al>1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen</al><al>worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag</al><al>van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is</al><al>vermeld en de tweede twee maanden later.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid moeten, indien een machtiging voor automatische incasso</al><al>is afgegeven en zolang de verschuldigde bedragen via automatische incasso kunnen</al><al>worden afgeschreven, de aanslagen worden betaald in tien gelijke maandelijkse</al><al>termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die</al><al>van de dagtekening van het aanslagbiljet en de volgende termijnen telkens een maand</al><al>later.</al><al>3. In afwijking van het tweede lid is betaling via automatische incasso alleen mogelijk voor</al><al>zover het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen en</al><al>bestuurlijke boetes minder is dan € 5.000,00.</al><al>4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden</al><al>gestelde termijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Nadere regels door het Dagelijks Bestuur</titel></kop><al>Het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant kan nadere regels geven</al><al>met betrekking tot de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>Overgangsbepaling, inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>1. De Verordening Onroerende-zaakbelastingen Bernheze 2018 van 15 maart 2018 wordt</al><al>ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de</al><al>heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich</al><al>voor die datum hebben voorgedaan.</al><al>2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de</al><al>bekendmaking..</al><al>3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.</al><al>4. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening Onroerende-zaakbelastingen</al><al>Bernheze 2019’.</al><al>Vastgesteld door de raad van de gemeente Bernheze in zijn openbare vergadering van</al><al>13 december 2018.</al><al>Leandra Kilian                         Marieke Moorman</al><al>Plv. griffier           Voorzitter </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al/></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>