<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR6139_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJsselpost, 25-02-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-02-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>ingetrokken</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Verzameling 2009, nummer 3 / b</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Onbekend</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>1.Deze verordening vervangt de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand vastgesteld door de raad op 20 september 2004.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel;</al><lijst><li nr="·"><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders
                                van 9 december 2008; </al></li><li nr="·"><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en artikel 18 van de
                                Wet werk en bijstand; </al></li></lijst><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende verordening, vergezeld van de daarbij behorende
                        toelichting</al><al><vet>AFSTEMMINGSVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2009</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>- ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet<cursief>:</cursief> de Wet werk en bijstand (WWB);
                                    </al></li><li nr="b."><al>algemene bijstand<cursief>:</cursief> de bijstand bedoeld in
                                        artikel 5, onderdeel b, van de wet; </al></li><li nr="c."><al>bijzondere bijstand<cursief>:</cursief> de bijstand bedoeld
                                        in artikel 5, onderdeel d, van de wet; </al></li><li nr="d."><al>bijstand<cursief>:</cursief> algemene bijstand en bijzondere
                                        bijstand; </al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm<cursief>:</cursief> de bijstandsnorm bedoeld
                                        in artikel 5, onderdeel c, van de wet; </al></li><li nr="f."><al>netto bijstand<cursief>:</cursief> de bijstand zonder de
                                        verhoging op grond van artikel 19, vierde lid, of artikel
                                        35, vierde lid, van de wet; </al></li><li nr="g."><al>verlaging<cursief>:</cursief> het verlagen van de bijstand
                                        op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet; </al></li><li nr="h."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Capelle aan den IJssel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsbepalingen van de wet zijn op deze verordening van
                                toepassing, tenzij daarvan uitdrukkelijk wordt afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Verlaging van de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28,
                                tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                verordening een verlaging opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opleggen van een verlaging als bedoeld in het eerste lid,
                                wordt deze verordening in acht genomen, met dien verstande dat een
                                verlaging voor wat betreft de hoogte en de duur te allen tijde wordt
                                afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de
                                belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden
                                waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover het betreft de verlening van algemene bijstand, bedoeld
                                in hoofdstuk 3 van de wet aan personen van 65 jaar en ouder gelden
                                bij het opleggen van een verlaging, in afwijking van deze
                                Verordening, de ‘SVB Beleidsregels inzake het opleggen van een
                                maatregel ingevolge de WWB’ zoals vastgesteld bij besluit van 10 mei
                                2006 en gewijzigd bij besluit van 7 mei 2008.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>– Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet; of </al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand, daar aanleiding toe
                                        geeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Het besluit tot het opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, het bedrag waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardverlaging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Horen van de belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; </al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college, of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de
                                        wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        wet;</al></li><li nr="d."><al>het horen van de belanghebbende redelijkerwijs niet
                                        noodzakelijk is voor het vaststellen van de ernst van de
                                        gedraging, van de mate van verwijtbaarheid en van de
                                        persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, wordt met het
                                niet binnen de gestelde termijn verstrekken van inlichtingen
                                gelijkgesteld, het geen gevolg geven aan een oproep voor een
                                onderzoek dat in het kader van de wet noodzakelijk geacht kan
                                worden, waaronder begrepen de medewerking aan een huisbezoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Afzien van het opleggen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college legt geen verlaging op, indien elke vorm van
                                verwijtbaarheid ontbreekt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt geen verlaging op, indien de gedraging meer dan
                                drie jaar vóór constatering van die gedraging heeft plaatsgevonden.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging, indien
                                het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Ingangsdatum en tijdsvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval van een lopende uitkering wordt de verlaging opgelegd met
                                ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum
                                waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging aan de
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor
                                die maand geldende bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het recht op bijstand werd opgeschort in verband met nader
                                onderzoek wegens schending van de inlichtingenplicht zoals bedoeld
                                in hoofdstuk 3 van deze verordening, kan, bij voortzetting van de
                                uitkering, in afwijking van het eerste lid, de verlaging vanaf de
                                datum van opschorting worden opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien, als gevolg van het beëindigen van het recht op bijstand, er
                                geen besluit tot verlaging meer kan worden genomen, kan, als aan de
                                belanghebbende binnen drie jaar na de beëindiging opnieuw een
                                bijstandsuitkering wordt toegekend, dit besluit alsnog genomen
                                worden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het recht op bijstand eindigt, wordt, voor zover het tijdvak
                                waarover de verlaging is opgelegd nog niet is verstreken, het
                                resterende deel van de verlaging ten uitvoer gelegd als de
                                belanghebbende binnen drie jaar na de beëindiging opnieuw aanspraak
                                op bijstand maakt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een verlaging wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een verlaging die
                                voor een periode van meer dan driemaanden wordt opgelegd,
                                wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Eéndaadse en meerdaadse samenloop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende door één gedraging zich schuldig maakt aan
                                schending van meerdere verplichtingen die elk op zich tot een
                                verlaging op grond van deze verordening dienen te leiden, wordt voor
                                het bepalen van de hoogte en de duur van de op te leggen verlaging
                                uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste verlaging is
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                verschillende gedragingen die elk op zich tot het opleggen van een
                                verlaging dienen te leiden, wordt de hoogte en de duur van de op te
                                leggen verlaging bepaald met inachtneming van artikel 2, tweede lid
                                en artikel 7, vijfde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>- NIET OF ONVOLDOENDE NAKOMEN VAN VERPLICHTINGEN TOT
                            ARBEIDSINSCHAKELING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende vier categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al></li><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de
                                    Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten
                                    verlengen van de registratie;</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek door een derde naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="c."><al>het niet voldoen aan de verplichting om zich - op advies
                                            van een arts - te onderwerpen aan een noodzakelijke
                                            behandeling van medische aard;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al></li><li nr="a."><al>het niet dan wel onvoldoende nakomen van de verplichting(en)
                                    zoals opgenomen in een zorgtraject;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het
                                    college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling,
                                    waaronder begrepen sociale activering;</al></li><li nr="c."><al>gedragingen die een door het college aangeboden voorziening,
                                    gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale
                                    activering, belemmeren;</al></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al></li><li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het
                                    college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling,
                                    waardoor de belanghebbende concrete kansen op werk of concreet
                                    uitzicht op werk heeft verspeeld;</al></li><li nr="b."><al>gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren, als de
                                    belanghebbende door de betreffende gedraging concrete kansen op
                                    werk of concreet uitzicht op werk heeft verspeeld;</al></li><li nr="c."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid dan wel van werk als zelfstandige;</al></li><li nr="d."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>– De hoogte en de duur van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, bedraagt de
                                verlaging:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                gedraging van de eerste categorie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>vijfentwintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                gedragingen van de tweede categorie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                gedragingen van de derde categorie;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                gedragingen van de vierde categorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van het besluit waarbij de verlaging is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als genoemd in
                                artikel 9. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan het tweede lid,
                                wederom schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als genoemd in
                                artikel 9, wordt een verlaging opgelegd waarbij de hoogte en de duur
                                nader wordt bepaald met inachtneming van artikel 2, tweede lid en
                                artikel 7, vijfde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>- NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>– Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 17 van de wet niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende drie categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet binnen de door het college daartoe gestelde
                                            termijn verstrekken van informatie die van belang is
                                            voor de verlening van bijstand of de voortzetting
                                            daarvan;</al></li><li nr="b."><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                            inlichtingenplicht dat niet heeft geleid tot het ten
                                            onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                            bijstand;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al></li><li nr="c."><al>het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband
                                    met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te
                                    verschijnen;</al></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al></li><li nr="d."><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                    dat heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                    verlenen van bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>– De hoogte en de duur van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, bedragen de
                                verlagingen genoemd in artikel 11 als volgt:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een gedraging van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een gedraging van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>de hoogte van de verlaging bij een gedraging van de derde
                                        categorie wordt afgestemd op de hoogte van het
                                        benadelingsbedrag gerelateerd aan de netto-bijstand en op de
                                        volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="·"><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: 10% van de
                                                bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="·"><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot €
                                                2.000,-: 20% van de bijstandsnorm gedurende één
                                                maand;</al></li><li nr="·"><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot €
                                                4.000,-: 40% van de bijstandsnorm gedurende één
                                                maand;</al></li><li nr="·"><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- tot €
                                                6.000,-: 100% van de bijstandsnorm gedurende één
                                                maand;</al></li><li nr="·"><al>bij een benadelingsbedrag van € 6.000,- tot €
                                                8.000,-: 100% van de bijstandsnorm gedurende twee
                                                maanden;</al></li><li nr="·"><al>bij een benadelingsbedrag vanaf € 8.000,-: 100% van
                                                de bijstandsnorm gedurende twee maanden plus één
                                                maand voor elke € 2.000,- waarmee het
                                                benadelingsbedrag boven € 8.000,- uitstijgt.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van het besluit waarbij de verlaging wordt opgelegd
                                opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken
                                gedraging. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan het tweede lid,
                                wederom schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken
                                gedraging, wordt een verlaging opgelegd, waarbij de hoogte en de
                                duur nader wordt bepaald met inachtneming van artikel 2, tweede lid
                                en artikel 7, vijfde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het opleggen van de verlaging als bedoeld in het eerste lid
                                onderdeel a kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van
                                een schriftelijke waarschuwing, tenzij voor de betreffende
                                verwijtbare gedraging binnen een periode van twee jaar eerder een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>- Overige bepalingen schending inlichtingenplicht</titel></kop><al>De verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                            opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
                            ministerie en blijft definitief achterwege indien ter zake een
                            strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                            aanvang heeft genomen dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen
                            ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>- OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN VERLAGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>- Het zich jegens het college zeer ernstig misdragen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, wordt op grond van artikel
                            18, tweede lid van de wet en onverminderd het bepaalde in artikel 2,
                            tweede lid, een verlaging opgelegd van vijftig procent van de
                            bijstandsnorm gedurende één maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>- Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                zelfstandige voorziening in het bestaan in de periode voorafgaande
                                aan de aanvraag om bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende in de periode van maximaal één jaar
                                voorafgaande aan de aanvraag om bijstand tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt bij
                                de volgende gedragingen een verlaging van 100% van de bijstandsnorm
                                gedurende één maand opgelegd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de belanghebbende heeft door eigen schuld of toedoen geen algemeen
                                geaccepteerde arbeid of werk als zelfstandige behouden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de belanghebbende heeft door eigen schuld of toedoen geen recht
                                (meer) op een voorliggende voorziening voor de algemene
                                bijstand;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de belanghebbende heeft door eigen schuld of toedoen inkomsten
                                verloren;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende voorafgaande aan de aanvraag om bijstand
                                een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan heeft betoond, als bedoeld in artikel 18,
                                tweede lid, van de wet, wordt bij de volgende gedraging de op te
                                leggen verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag,
                                gerelateerd aan de netto-bijstand:</al><al>a.de belanghebbende heeft vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van
                                de wet onverantwoord besteed;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de
                                verlaging als bedoeld in het tweede lid op de volgende wijze
                                vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: 10% van de
                                        bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 20%
                                        van de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 40%
                                        van de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer: 100% van de
                                        bijstandsnorm gedurende één maand.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>- Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                zelfstandige voorziening in het bestaan tijdens de
                                bijstandsperiode</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende tijdens de bijstandsperiode
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                                in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid,
                                van de wet, wordt bij de volgende gedragingen een verlaging van 100%
                                van de bijstandsnorm gedurende één maand opgelegd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de belanghebbende heeft door eigen schuld of toedoen geen recht
                                (meer) op een voorliggende voorziening voor de algemene
                                bijstand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de belanghebbende heeft door eigen schuld of toedoen inkomsten
                                verloren;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende tijdens de bijstandsperiode een
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                                in het bestaan heeft betoond, als bedoeld in artikel 18, tweede lid,
                                van de wet, wordt bij de volgende gedraging de op te leggen
                                verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag,
                                gerelateerd aan de netto-bijstand:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de belanghebbende heeft vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de
                                wet onverantwoord besteed;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de
                                verlaging als bedoeld in het tweede lid op de volgende wijze
                                vastgesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: 10% van de bijstandsnorm
                                gedurende één maand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 20% van de
                                bijstandsnorm gedurende één maand;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 40% van de
                                bijstandsnorm gedurende één maand;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer: 100% van de
                                bijstandsnorm gedurende één maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>- Noodzakelijke betalingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende niet meewerkt aan de opgelegde verplichting
                            als bedoeld in artikel 57 van de wet tot het in zijn naam verrichten van
                            noodzakelijke betalingen uit de algemene bijstandsuitkering voor
                            levensonderhoud, wordt onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede
                            lid, een verlaging opgelegd van tien procent van de bijstandsnorm
                            gedurende één maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>- Niet nakomen van opgelegde verplichtingen ingevolge artikel
                                55</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende niet of in onvoldoende mate de opgelegde
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de wet nakomt, wordt
                                onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, een verlaging
                                opgelegd van twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één
                                maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid genoemde verplichtingen bestaan in het
                                trachten goedkopere woonruimte te verkrijgen en deze te aanvaarden
                                in geval van bijzondere bijstandsverlening in een woonkostentoeslag,
                                wordt de bijzondere bijstand als volgt verlaagd:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een eerste schending van de verplichtingen: verlaging
                                        van de woonkostentoeslag met 25% gedurende drie
                                        maanden;</al></li><li nr="b."><al>bij een tweede schending van de verplichtingen: verlaging
                                        van de woonkostentoeslag met 50% gedurende drie
                                        maanden;</al></li><li nr="c."><al>bij een derde schending van de verplichtingen: verlaging van
                                        de woonkostentoeslag met 100% gedurende een nader te bepalen
                                        periode.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>- Verplichting tot indienen verzoek ter verkrijging van
                                alimentatie voor kinderen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende niet of in onvoldoende mate de opgelegde
                            verplichting als bedoeld in artikel 56 van de wet nakomt om een verzoek
                            in te dienen ter verkrijging van kinderalimentatie, wordt onverminderd
                            het bepaalde in artikel 2, tweede lid, een verlaging opgelegd van
                            twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>- SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>– Overgangsbepaling</titel></kop><al>Op gedragingen die vóór inwerkingtreding van deze verordening hebben
                            plaatsgevonden, is de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van
                            toepassing, voor zover deze zou leiden tot een minder zware
                            verlaging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>– Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening Wet
                            werk en bijstand 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>– Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2009.</al></li><li nr="2."><al>Op de dag van inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                    Afstemmingsverordening Wet werk</al><al> en bijstand, zoals deze door de raad is vastgesteld bij besluit
                                    van 20 september 2004. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 9 februari 2009,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING AFSTEMMINGSVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2009</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><al>1.<vet>Inleiding</vet></al><al>Met de inwerkingtreding van de WWB per 1 januari 2004 is het systeem van boeten
                    en maatregelen van de Algemene bijstandswet, zoals destijds nader uitgewerkt in
                    het Maatregelenbesluit en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten, komen te
                    vervallen.</al><al>In plaats daarvan moesten de gemeenten zelf hun sanctiebeleid vormgeven. Dit
                    heeft de gemeente gedaan door op 20 september 2004 de Afstemmingsverordening Wet
                    werk en bijstand vast te stellen. Deze verordening wordt met de inwerkingtreding
                    van de nieuwe Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2009, ingetrokken</al><al>De WWB kent slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering. Het
                    opleggen van een boete als sanctie voor uitkeringsgerechtigden die hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden, is niet meer mogelijk. </al><al>Het Maatregelenbesluit en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten is overigens
                    nog wel van kracht voor de Ioaw en de Ioaz.</al><al>2.<vet>Wettelijk kader</vet></al><al>Artikel 8, eerste lid, onderdeel b,WWB bevat de opdracht aan gemeenten om het
                    verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid WWB, in een
                    verordening vast te leggen. Artikel 18 WWB luidt: </al><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af
                            op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                            belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                            voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen
                            28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur
                            uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                            niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                            college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de
                            verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand.
                            Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid
                            ontbreekt.</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
                            binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                            bedraagt.</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede
                            verstaan het gezin.</al></li></lijst><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij
                    recht gedaan wordt aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden
                    van uitkeringsgerechtigden.</al><al>In het tweede lid van artikel 18 wordt een directe koppeling gelegd tussen de
                    rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering
                    is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de
                    uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                    uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                    beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                    opgelegde verplichtingen worden nagekomen. </al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd.
                    Er is dus geen sprake van een bevoegdheid maar van een verplichting.</al><al>Opgemerkt wordt dat de in artikel 9, eerste lid, van de wet genoemde
                    arbeidsverplichtingen van rechtswege gelden vanaf de datum van melding bij het
                    CWI.</al><al>Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, moet het college van
                    zo’n verlaging afzien.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                    gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de Afstemmingsverordening Wet
                    werk en bijstand 2009.</al><al>3.<vet>Verplichting tot heroverweging</vet></al><al>Het derde lid van artikel 18 WWB houdt in dat, indien een verlaging wordt
                    opgelegd met een duur van meer dan 3 maanden, het college verplicht is om het
                    verlagingsbesluit uiterlijk binnen 3 maanden nadat dit is genomen, te
                    heroverwegen.</al><al>Bij deze verplichte heroverweging behoeft niet opnieuw een besluit te worden
                    genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht
                    worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: beoordeeld moet worden of
                    het redelijk is dat de toegepaste verlaging wordt voortgezet. Daarbij kan worden
                    gekeken naar de omstandigheden waarin de klant verkeert, maar bijvoorbeeld ook
                    naar het feit of hij nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al><al>4.<vet>Term “verlaging’’</vet></al><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de WWB aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate
                    waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip
                    afstemmen wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt dat rechten en plichten
                    één kant van dezelfde medaille vormen.</al><al>In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de WWB wordt steeds gesproken
                    over de Afstemmingsverordening.</al><al>In deze verordening wordt bij de wettelijke terminologie aangesloten en is
                    derhalve gekozen voor de benaming Afstemmingsverordening met de daarin genoemde
                    term ”verlaging’’ van de bijstand. </al><al>5.<vet>Verlaging en langdurigheidstoeslag</vet></al><al>Op grond van artikel 36, zesde lid WWB alsmede op grond van het voorgestelde
                    nieuwe artikel 36, vijfde lid WWB (opgenomen in het voorstel tot wijziging van
                    de WWB in verband met decentralisering van de langdurigheidstoeslag en op
                    bevordering van maatschappelijke participatie gerichte ondersteuning van
                    huishoudens met schoolgaande kinderen) kan ook de langdurigheidstoeslag worden
                    verlaagd. In de Afstemmingsverordening WWB, zoals die vóór 1 maart 2009 gold, is
                    geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Artikel 36, eerste lid sub c WWB
                    (wettekst vóór 1 januari 2009) regelt dat de langdurigheidstoeslag moet worden
                    geweigerd als de belanghebbende gedurende 60 maanden (vijf jaar) naar het
                    oordeel van het college onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid
                    te verkrijgen en te aanvaarden. Deze verplichting om de langdurigheidstoeslag te
                    weigeren verhoudt zich derhalve niet met een eventuele verplichting om deze
                    toeslag te verlagen.</al><al>Opgemerkt wordt dat in voornoemd wetsvoorstel in verband met decentralisering
                    van de langdurigheidstoeslag, dat per 1 januari 2009 moet ingaan, de zinsnede
                    “onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te
                    aanvaarden” is komen te vervallen. Door dit wetsvoorstel is er nog minder
                    aanleiding om gebruik te maken van de mogelijkheid om de langdurigheidstoeslag
                    te verlagen.</al><al>Een verlaging van de langdurigheidstoeslag wegens niet of onvoldoende nakomen
                    van de inlichtingenplicht is niet aan de orde. Immers, als de belanghebbende de
                    gegevens die zijn vereist voor de vaststelling van het recht op
                    langdurigheidstoeslag niet verstrekt, dient de toeslag te worden geweigerd. Deze
                    weigering dient dan te worden gebaseerd op de betreffende bepalingen van de
                    Algemene wet bestuursrecht. </al><al>6.<vet>Zwaarte en duur van de verlagingen</vet></al><al>Het centrale uitgangpunt van de WWB is dat de periode van
                    uitkeringsafhankelijkheid zo kort mogelijk is en dat de klant alle mogelijke
                    moeite doet om zo spoedig mogelijk uit te stromen naar reguliere arbeid.</al><al>In de Afstemmingsverordening WWB 2004 waren - ten aanzien van het nakomen van de
                    arbeidsverplichtingen - slechts 2 categorieën verwijtbare gedragingen opgenomen.
                    De standaardverlaging bij verwijtbare gedragingen van de eerste categorie was
                    10% gedurende 1 maand. De standaardverlaging bij verwijtbare gedragingen van de
                    tweede categorie was 100% gedurende 1 maand. Laatstgenoemde verlaging stond niet
                    altijd in een redelijke en evenwichtige verhouding tot de ernst van de bij deze
                    categorie omschreven verwijtbare gedragingen. Hierdoor was bij bepaalde
                    verwijtbare gedragingen sprake van een disproportionele verlaging. Een volledige
                    weigering van de bijstand dient dan ook beperkt te blijven tot ernstige
                    gevallen.</al><al>Herbeoordeling van de betreffende gedragingen op basis van de ernst hiervan is
                    gerechtvaardigd. Met het oog hierop is er aanleiding geweest om 4 categorieën
                    verwijtbare gedragingen te onderscheiden met een daaraan gekoppelde
                    standaardverlaging. Voorts is er aanleiding geweest om de formulering van enkele
                    verwijtbare gedragingen te herzien en enkele nieuwe verwijtbare gedragingen te
                    introduceren.</al><al>Met herindeling van de betreffende verwijtbare gedragingen wordt ook een betere
                    aansluiting bereikt op de doelstellingen van het Beleidsplan 2008-2010 “Werken
                    aan Activering”. </al><al>Bij de categorie-indeling is bepalend de ernst van de betreffende verwijtbare
                    gedragingen in relatie tot de gevolgen daarvan voor het niet verkrijgen van
                    algemeen geaccepteerde arbeid. </al><al>Bij de toepassing van de verlaging in verband met zeer ernstige misdragingen
                    (waarvoor in artikel 14 van de verordening een standaardverlaging is opgenomen
                    van 50% gedurende één maand), zal steeds rekening moeten worden gehouden met
                    onder meer de aard van de gedraging, de dreiging die daarvan uitgaat, de impact
                    daarvan op medewerkers en, in het bijzonder de mate waarin zij worden belemmerd
                    in een normaal functioneren. Bovendien heeft de Centrale Raad van Beroep
                    uitgesproken dat er een relatie moet zijn tussen het agressief gedrag en het
                    niet of onvoldoende nakomen van één of meer verplichtingen die aan het ontvangen
                    van een uitkering zijn verbonden.</al><al>De in de verordening opgenomen verlaging bij het niet (behoorlijk) nakomen van
                    de inlichtingenplicht is gekoppeld aan de hoogte van de financiële benadeling
                    van de gemeente. De duur van de standaardverlaging is bij een benadelingsbedrag
                    tot € 6.000,- (netto) bepaald op in beginsel één maand.</al><al>Bij recidive wordt, ten aanzien van het niet nakomen van de verplichting inzake
                    inschakeling in het arbeidsproces alsmede het niet nakomen van de
                    inlichtingenverplichting, de duur van de verlaging verdubbeld. Indien de
                    belanghebbende daarna wederom een dergelijke verwijtbare gedraging begaat, wordt
                    de hoogte van de verlaging individueel bepaald.</al><al>7.<vet>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al>Een verlaging kan niet alleen worden opgelegd als sprake is van een schending
                    van verplichtingen, maar ook als sprake is van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Die eigen
                    verantwoordelijkheid voor de zelfstandige bestaansvoorziening geldt al in de
                    periode vóór de aanvraag om bijstand. Dit betekent dat ook gedragingen
                    voorafgaande aan de aanvraag om bijstand tot het opleggen van een verlaging
                    kunnen leiden. Dit is bijvoorbeeld het geval als de klant door eigen schuld of
                    toedoen werkloos is geworden, geen beroep (meer) kan doen op een voorliggende
                    voorziening of vermogen onverantwoord heeft besteed. Om dergelijk verwijtbaar
                    gedrag niet te lang te laten doorwerken, is bepaald dat bepaalde verwijtbare
                    gedragingen in de periode van maximaal één jaar voorafgaande aan de aanvraag om
                    bijstand in ogenschouw worden genomen.</al><al>Uiteraard kunnen zich dergelijke verwijtbare gedragingen ook tijdens de
                    bijstandsperiode voordoen. Het verschil met verwijtbaar gedrag vóór de
                    bijstandsperiode is alleen dat verwijtbaar verlies van (parttime) werk tijdens
                    de bijstandsperiode tot een verlaging leidt op grond van de in artikel 9 bij de
                    vierde categorie opgenomen verwijtbare gedraging te weten het door eigen toedoen
                    niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid dan wel van werk als
                    zelfstandige. </al><al>8.<vet>Individualisering</vet></al><al>In deze verordening is expliciet bepaald dat bij een op te leggen verlaging
                    altijd dient te worden geïndividualiseerd c.q. maatwerk moet worden geleverd.
                    Dit betekent dat de op te leggen verlaging dient te worden afgestemd op de ernst
                    van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden
                    van de belanghebbende.</al><al>Bij elke op te leggen verlaging zal dan ook moeten worden nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van
                    de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is.
                    Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging
                    betekenen. </al><al>Het opleggen van een verlaging voor onbepaalde duur is echter niet
                    toegestaan.</al><al>Indien een verlaging voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd,
                    zal op grond van artikel 18, derde lid, WWB het besluit tot verlaging uiterlijk
                    binnen drie maanden nadat dit is genomen, moeten worden heroverwogen. </al><al>In artikel 18, lid 2 WWB is expliciet bepaald dat, wanneer de gedraging de
                    belanghebbende in het geheel niet kan worden verweten, er geen verlaging dient
                    te worden toegepast. In een dergelijke situatie komt men derhalve niet eens aan
                    individualisering toe. Hierbij moet met name aan duidelijke overmachtsituaties
                    worden gedacht. </al><al>9.<vet>Toelaatbaarheid van verlaging van 100%</vet></al><al>Het is mogelijk om een verlaging van 100% toe te passen en derhalve de bijstand
                    volledig te weigeren. Het volledig weigeren van de bijstand is echter een zeer
                    ingrijpende afstemming, zeker wanneer men bedenkt dat bijstand (veelal) de
                    laatste voorziening is waar iemand een beroep op kan doen. Om die reden mag een
                    besluit tot het volledig weigeren van bijstand dan ook niet al te lichtvaardig
                    worden genomen. Algehele weigering voor een onbepaalde periode is dan ook in
                    strijd met het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:4 lid 2 van
                    de Algemene wet bestuursrecht en is eveneens in strijd met de Grondwet en de in
                    de WWB zelf neergelegde rechtsplicht van de overheid.</al><al>10.<vet>Herleving van recht op bijstand na periode van verlaging van
                    100%</vet></al><al>Als de periode van weigering van bijstand is verstreken, herleeft het recht op
                    bijstand van rechtswege. Er zal op dat moment (via een eenvoudig onderzoek) ook
                    nagegaan moeten worden of er opnieuw aanleiding is om een verlaging toe te
                    passen.</al><al>11.Relatie met handhavingsbeleid</al><al>Vanaf eind 2003 is bij de afdeling Sociale Zaken het concept Hoogwaardig
                    Handhaven ingevoerd. Dit omvat een samenstel van activiteiten gericht op het
                    voorkomen en bestrijden van fraude en het verhogen van de bereidheid van klanten
                    om verplichtingen na te komen die aan het ontvangen van een uitkering ingevolge
                    de WWB zijn verbonden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van vier uitgangspunten:
                    vroegtijdig informeren, optimaliseren van de dienstverlening, controleren op
                    maat en daadwerkelijk sanctioneren. </al><al>Dit laatste uitgangspunt houdt het volgende in.</al><al>Als de klant - ondanks vroegtijdige voorlichting en optimale dienstverlening -
                    toch de regels en voorschriften overtreedt, wordt hierop “lik-op-stuk”
                    gereageerd met het toepassen van een sanctie evenals met een snelle terug- en
                    invordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkering. </al><al>Niet naleven mag niet lonen is een belangrijk uitgangspunt van het
                    handhavingsbeleid. Bij het niet nakomen van de informatieverplichting moet de
                    rechtmatige situatie worden hersteld. Daarnaast moet altijd een adequate sanctie
                    plaatsvinden en dient het ten onrechte verstrekte bedrag te worden
                    teruggevorderd. Deze acties zullen de nalevingsbereidheid door klanten
                    bevorderen. </al><al>Ook bij het niet nakomen van de verplichting(en) tot inschakeling in het
                    arbeidsproces zal consequent tot verlaging van de uitkering overeenkomstig de
                    bepalingen van de Afstemmingsverordening dienen te worden overgegaan.</al><tussenkop>12. Relatie met strafrechtelijke sanctie</tussenkop><al>Gemeenten moeten proces-verbaal opmaken en aangifte doen bij het Openbaar
                    Ministerie, indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan
                    € 10.000,- bruto. Dit is vastgelegd in de eind september 2008 gepubliceerde
                    nieuwe Aanwijzing sociale zekerheidsfraude. Deze nieuwe Aanwijzing zal zeer
                    waarschijnlijk per 1 januari 2009 in werking treden.</al><al>Een verlaging die verband houdt met schending van de informatieverplichting moet
                    als een punitieve</al><al>(= bestraffende) sanctie worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor een verlaging
                    vanwege 'zeer ernstige misdragingen' jegens het college of zijn ambtenaren. </al><al>Verlagingen in verband met schending van de arbeidsverplichtingen hebben een
                    reparatoir karakter. Daarbij staat namelijk het herstelkarakter voorop.</al><al>Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige
                    gedraging dan bij beslissing van een enkel overheidsorgaan) en het standpunt van
                    de Centrale Raad van Beroep op het punt van ‘dubbele bestraffing’, zijn
                    aanleiding geweest om in de verordening te bepalen dat, indien aangifte bij het
                    OM is gedaan, geen verlaging wordt toegepast, tenzij het OM de gemeente in een
                    later stadium schriftelijk laat weten dat zij om formele redenen geen aanleiding
                    ziet om de belanghebbende een transactie aan te bieden of tot strafvervolging
                    over te gaan. In dat geval zal de gemeente alsnog tot verlaging van de uitkering
                    overgaan.</al><tussenkop>13. Ingangsdatum en overgangsregeling</tussenkop><al>De Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand, zoals deze is vastgesteld op 20
                    september 2004, wordt per 1 maart 2009 ingetrokken. De nieuwe
                    Afstemmingsverordening kan zodoende per 1 maart 2009 ingaan en heeft per 1 maart
                    2009 onmiddellijke werking. </al><al>Het rechtszekerheidsbeginsel brengt met zich mee dat bij een wijziging van het
                    sanctieregime de voor de belanghebbende meest gunstige regeling dient te worden
                    toegepast. Daarom is in de verordening in een overgangsbepaling voorzien. Deze
                    houdt in dat op gedragingen die vóór inwerkingtreding van deze verordening
                    hebben plaatsgevonden, de oude Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van
                    toepassing is, voor zover deze zou leiden tot een minder zware verlaging.</al><al>In de nieuwe verordening zijn bijna alle standaardverlagingen gelijk of lichter
                    dan in de oude verordening. In de praktijk betekent dit derhalve dat niet of
                    nauwelijks toepassing behoeft te worden gegeven aan de overgangsbepaling.</al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>De begrippen in deze verordening hebben dezelfde betekenis als in de WWB. Voor
                    een goed begrip en de leesbaarheid van de verordening zijn de begrippen algemene
                    en bijzondere bijstand en bijstandsnorm in de begripsomschrijving
                    opgenomen.</al><al>De WWB kent het begrip netto bijstand niet. Dit begrip is gedefinieerd met het
                    oog op het opleggen van verlagingen in situaties waarin sprake is van financiële
                    benadeling. Vanwege de uitvoerbaarheid is in deze verordening geregeld dat de
                    hoogte van een verlaging wordt gerelateerd aan het bedrag dat ten onrechte als
                    netto bijstand is uitgekeerd. Dit is het bedrag aan bijstand zonder dat rekening
                    wordt gehouden met de daarover af te dragen loonbelasting, premies
                    volksverzekeringen en de vergoeding zoals bedoeld in artikel 46 van de
                    Zorgverzekeringswet.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering onder andere de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit
                            twee soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze te aanvaarden;
                                        <onderstreept>en</onderstreept></al></li><li nr="b."><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                </al></li></lijst></li></lijst><al>Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke
                    verplichtingen die zijn toegesneden op de individuele situatie en mogelijkheden
                    van de bijstandsgerechtigde. Maatwerk derhalve. De Re-integratieverordening
                    vormt de juridische basis voor het opleggen van deze specifieke verplichtingen.
                    Deze verplichtingen zullen in het besluit tot het verlenen van bijstand moeten
                    worden neergelegd.</al><al>3.De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een uitkeringsgerechtigde
                    rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
                    mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling
                    of het recht op bijstand.</al><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan een uitkeringsgerechtigde. Het
                    betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de
                    Centrale organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de
                    beslissing door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de verplichting
                    om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee
                    te delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand,
                    het geldend maken van het recht op bijstand of op de hoogte of de duur van de
                    bijstand.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In deze verordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een
                    verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van een
                    vaste (procentuele) verlaging van de bijstandsnorm. In dit artikellid is de
                    regel neergelegd dat bij een op te leggen verlaging altijd dient te worden
                    geïndividualiseerd c.q. maatwerk moet worden geleverd. Dit betekent dat de op te
                    leggen verlaging dient te worden afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                    van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>Bij elke op te leggen verlaging zal dan ook moeten worden nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van
                    de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is.
                    Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging
                    betekenen. </al><al>Het vorenstaande betekent dat bij het beoordelen of een verlaging moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moeten worden
                    doorlopen:</al><lijst><li nr="·"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="·"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="·"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                            uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd. </al><al>De duur en zwaarte van de gedraging, de omvang van de gevolgen en de mate van
                    opzet zouden aanleiding kunnen zijn voor het toepassen van een hogere of een
                    lagere verlaging. Toepassing van het evenredigheidsbeginsel houdt in dat er
                    evenredigheid dient te bestaan tussen de verlaging en de (ernst van) de
                    gedraging.</al><al>Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt gewezen op het
                    volgende:</al><al>De mate van verwijtbaarheid dient te allen tijde in de beoordeling te worden
                    meegenomen. Hierbij dient de vraag te worden gesteld of en in hoeverre de
                    belanghebbende op de hoogte was c.q. kon zijn van zijn verplichtingen. Ook de
                    psychische gesteldheid van de belanghebbende dient in ogenschouw te worden
                    genomen. </al><al>In artikel 18, lid 2 WWB is expliciet bepaald dat, wanneer de gedraging de
                    belanghebbende in het geheel niet kan worden verweten, er geen verlaging dient
                    te worden toegepast. In een dergelijke situatie komt men derhalve niet eens aan
                    individualisering toe. Hierbij moet met name aan duidelijke overmachtsituaties
                    worden gedacht. Ter zake wordt ook verwezen naar de toelichting bij artikel 6,
                    eerste lid.</al><al>Matiging van de opgelegde verlaging wegens persoonlijke omstandigheden: hiermee
                    worden bedoeld die persoonlijke omstandigheden die los staan van de gedraging,
                    maar die individualisering rechtvaardigen. </al><al>Door het in aanmerking nemen van de persoonlijke omstandigheden van
                    belanghebbende (en zijn gezin) wordt recht gedaan aan het
                    individualiseringsbeginsel van artikel 18, eerste lid, WWB. Het is overigens aan
                    de belanghebbende om deze verzachtende omstandigheden aannemelijk te maken.</al><al>Financiële omstandigheden spelen hierbij een grote rol.</al><al>In bijvoorbeeld de navolgende gevallen kan matiging wegens persoonlijke
                    omstandigheden aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                            is.</al></li><li nr="·"><al>deelname aan een schuldhulpverleningstraject dan wel aan het wettelijk
                            schuldsaneringstraject ingevolge de WSNP.</al></li></lijst><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Per 1 januari 2009 verleent de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan personen van
                    65 jaar en ouder (en hun jongere partner) met een onvolledige uitkering op grond
                    van de AOW aanvullende algemene bijstand voor levensonderhoud. Hierdoor krijgen
                    deze klanten van één instantie hun uitkering uitbetaald en behoeven zij ook aan
                    slechts één instantie wijzigingen door te geven.</al><al>Het aan de SVB verleende mandaat voor het verlenen van aanvullende algemene
                    bijstand heeft tot gevolg dat bij het niet of onvoldoende nakomen van de
                    verplichtingen in het kader van de WWB voor deze doelgroep het maatregelenbeleid
                    geldt dat is neergelegd in de “SVB Beleidsregels inzake het opleggen van een
                    maatregel ingevolge de WWB”, zoals vastgesteld bij besluit van 10 mei 2006 en
                    gewijzigd bij besluit van 7 mei 2008.</al><al>Sociale Zaken blijft wel verantwoordelijk voor de beoordeling van de
                    re-integratieverplichtingen en -inspanningen in het geval er sprake is van een
                    partner van jonger dan 65 jaar. Als hij zijn verplichtingen inzake de
                    arbeidsinschakeling niet nakomt en Sociale Zaken van mening is dat er een
                    verlaging dient te worden opgelegd, geeft Sociale Zaken aan de SVB opdracht om
                    een verlaging op te leggen en hierover een beschikking af te geven. Hiertoe doet
                    Sociale Zaken aan de SVB opgave van de hoogte en de duur van de verlaging op
                    basis van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat
                    een verlaging wordt opgelegd over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt
                    verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                    inclusief vakantiegeld.</al><al><cursief>Lid 2</cursief>Op grond van artikel 18, lid 2 WWB kan een
                    verlaging eveneens van toepassing zijn op bijzondere bijstand. 18 tot 21-jarigen
                    ontvangen een lage jongerennorm, die - indien noodzakelijk - wordt aangevuld
                    door middel van aanvullende bijzondere bijstand voor de kosten van
                    levensonderhoud. Indien een verlaging alleen op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van
                    bijstandsgerechtigden van 21 jaar en ouder.</al><al>Bij andere vormen van bijzondere bijstand zal het niet voldoen aan
                    verplichtingen in veel gevallen aanleiding zijn om de aanvraag af te wijzen of
                    de bijzondere bijstand in te trekken. Niettemin zijn er situaties denkbaar dat
                    een volledige afwijzing of intrekking een te zwaar middel is. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan het verstrekken van een woonkostentoeslag
                    waarbij de verplichting is opgelegd om goedkopere woonruimte te zoeken en te
                    aanvaarden.</al><al>Het verlagen van de bijzondere bijstand is in dergelijke situaties een logische
                    stap.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Artikel 4 schrijft voor wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld.
                    Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                    dan met name uit het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder
                    andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt
                    voorzien.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>In afdeling 4.1.2. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn bepalingen
                    opgenomen over het horen van belanghebbenden in het kader van de voorbereiding
                    van een besluit. Een van de uitgangspunten is dat een belanghebbende de
                    gelegenheid wordt geboden zijn zienswijze naar voren te brengen, voordat een
                    beschikking wordt gegeven die niet op aanvraag wordt genomen en waartegen een
                    belanghebbende naar verwachting bedenkingen zal hebben.</al><al>Op grond van artikel 4:12 Awb kan een bestuursorgaan ervan afzien om de
                    belanghebbende te horen onder meer als het gaat om een financiële verplichting
                    of aanspraak waartegen bezwaar kan worden aangetekend en de nadelige gevolgen in
                    bezwaar volledig ongedaan kunnen worden gemaakt. Dat is bij het opleggen van een
                    verlaging het geval. Dit betekent dat de klant formeel niet gehoord behoeft te
                    worden voordat een verlaging wordt opgelegd.</al><al>Niettemin is in deze verordening, die mede beoogt een zorgvuldige behandeling te
                    waarborgen, het horen van de klant als uitgangspunt genomen, hetgeen overeenkomt
                    met het bestaande, in het kader van de Abw ontwikkelde beleid. Daarbij speelt
                    ook een rol dat, in het bijzonder met het oog op de vaststelling van de
                    verwijtbaarheid, het vaak al noodzakelijk is de klant te horen. </al><al>In het tweede lid zijn de aan de Awb ontleende uitzonderingen op deze hoorplicht
                    opgesomd.</al><al>Hoewel de uitzonderingen ruim en in algemene termen zijn geformuleerd, betekent
                    dit geenszins dat het uitgangspunt dat de klant gehoord wordt voordat een
                    verlaging wordt opgelegd, wordt verlaten. In gevallen waarin daarvan wordt
                    afgezien, zal dat steeds op één of meer van de genoemde gronden gemotiveerd
                    moeten kunnen worden. Bovendien zal er ook uit bedrijfsmatige overwegingen een
                    terughoudend gebruik van gemaakt worden, omdat anders de kans groot is dat het
                    horen zich verplaatst naar de arbeidsintensieve bezwaarfase.</al><al>De in onderdeel a genoemde uitzonderingsgrond doet zich zelden voor, omdat bij
                    een ernstige schending van verplichtingen, in het bijzonder van de
                    inlichtingenplicht, het recht op bijstand volgens de bestaande beleidsregels
                    wordt opgeschort. Het opleggen van de verlaging kan dan direct worden betrokken
                    bij het noodzakelijk onderzoek voor het herstellen van de uitkering.</al><al>De in onderdeel b al dan niet in combinatie met onderdeel d genoemde
                    uitzondering kan bij een opschorting of een ingesteld rechtmatigheidsonderzoek
                    goede diensten bewijzen. Het is mogelijk dat in die situatie het voornemen om
                    een verlaging op te leggen niet expliciet aan de orde is geweest, terwijl wel
                    alle relevante aspecten voor het opleggen van een verlaging de revue zijn
                    gepasseerd. Het is dan niet noodzakelijk de klant nogmaals te horen voordat een
                    verlaging wordt opgelegd.</al><al>In onderdeel c is, conform artikel 4:8, tweede lid, Awb geregeld dat een klant
                    ook niet gehoord behoeft te worden als vaststaat dat hij zijn inlichtingenplicht
                    niet is nagekomen. Ook dan zal overigens vaak tot opschorting van het recht op
                    bijstand overgegaan worden.</al><al>De uitzonderingen, met name onderdeel d, laten ruimte voor nadere instructies
                    ter vergroting van de uitvoerbaarheid van het verlagingenbeleid. Zo kan bij een
                    relatief lichte verlaging volstaan worden met het horen van de klant aan de
                    balie, zonder dat daarvoor een afspraak met de casemanager nodig is. </al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief>Het afzien van het opleggen van een verlaging
                    ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18,
                    tweede lid, WWB. Hierbij moet met name worden gedacht aan situaties waarin de
                    klant door overmacht niet in staat is geweest om verplichtingen na te komen.
                    Overigens kan daarbij het tijdstip waarop de klant het college daarover
                    geïnformeerd heeft nog wel een rol spelen. Zo kan verlangd worden dat een klant
                    die vanwege ziekte niet in staat is om op een afspraak te komen, dat doorgeeft
                    of laat geven zodra dat redelijkerwijs mogelijk is.</al><al><cursief>Lid 2</cursief> Een andere reden om af te zien van het opleggen van een
                    verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring).
                    Met het oog op de effectiviteit van een verlaging, is het vereist dat deze zo
                    spoedig mogelijk nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd (‘lik op
                    stuk’). </al><al>Uit oogpunt van redelijkheid is dan ook in het tweede lid bepaald dat niet tot
                    het toepassen van een verlaging wordt overgegaan, indien de gedraging langer dan
                    drie jaar geleden heeft plaatsgevonden.</al><al><cursief>Lid 3</cursief>Hierin wordt bepaald dat het college kan
                    afzien van het opleggen van een verlaging, indien het daarvoor dringende redenen
                    aanwezig acht. </al><al>In artikel 14, lid 4, Abw, alsmede in artikel 14a lid 4 Abw was bepaald dat,
                    indien daarvoor dringende redenen aanwezig waren, het college kon besluiten af
                    te zien van het opleggen van een maatregel respectievelijk een boete. Ondanks
                    het feit dat de WWB een dergelijke bepaling niet kent, kan aangenomen worden -
                    gelet op de tekst van artikel 18, lid 1 WWB - dat een dergelijke bevoegdheid ook
                    onder de WWB bestaat.</al><al>Voor alle duidelijkheid dient te worden opgemerkt dat toetsing aan het criterium
                    ‘dringende redenen’’ eerst aan de orde kan zijn, nadat individualisering zoals
                    hierboven omschreven erin geresulteerd heeft dat tot het toepassen van een
                    verlaging zou moeten worden overgegaan.</al><al>Dringende redenen om van het toepassen van een verlaging af te zien, kunnen
                    worden gevonden in bijzondere omstandigheden van financiële of sociale aard. Het
                    moet dan gaan om zeer ernstige gevolgen voor de belanghebbende of diens gezin.
                    Dat een belanghebbende financieel zwaar getroffen wordt door een verlaging is op
                    zichzelf nog geen dringende reden, omdat dit voor elke bijstandsgerechtigde
                    geldt.</al><al><cursief>Lid 4</cursief>Indien wegens een dringende reden het
                    toepassen van een verlaging achterwege gelaten wordt, moet dit wel in een
                    beschikking aan de belanghebbende worden medegedeeld, opdat de betreffende
                    gedraging wel kan meetellen in het kader van recidive.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief>Op grond van het eerste lid wordt een
                    verlaging in beginsel alleen toegepast op toekomstige nog niet uitbetaalde
                    bijstandsuitkeringen. Hiermee wordt het bestaande beleid voortgezet. Dit houdt
                    in dat bij een lopende uitkering de verlaging wordt toegepast ingaande de eerste
                    van de maand volgend op die waarin de beschikking wordt verzonden. Indien bij
                    een nieuwe aanvraag om uitkering blijkt dat er aanleiding is om een verlaging op
                    te leggen vanwege verwijtbaar gedrag dat is begaan in de periode voorafgaande
                    aan de aanvraag, wordt de verlaging uiteraard direct vanaf de ingangsdatum van
                    de uitkering toegepast. </al><al><cursief>Lid 2</cursief>Dit lid voorziet in de mogelijkheid om een
                    verlaging met terugwerkende kracht op te leggen als het recht op bijstand is
                    opgeschort. In dat geval kan de verlaging, bij voortzetting van de uitkering,
                    direct worden toegepast.</al><al>Daarbij geldt wel dat een verlaging niet verder mag terugwerken dan vanaf het
                    moment waarop het recht op bijstand is opgeschort. Een en ander betekent
                    derhalve dat de verlaging van de uitkering in dat geval kan worden verrekend met
                    het bedrag dat nog aan de klant moet worden uitbetaald. Daarvoor is wel een
                    herzieningsbesluit vereist.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Een verlaging van de bijstand op grond van artikel 18, lid 2 WWB kan niet los
                    worden gezien van het recht op bijstand.</al><al>Dit heeft tot gevolg dat bij beëindiging van de uitkering niet tevens een
                    besluit tot verlaging kan worden genomen met de aankondiging dat deze ten
                    uitvoer wordt gelegd als cliënt in de toekomst weer recht op bijstand krijgt. Er
                    is namelijk geen sprake van een besluit als het beoogde rechtsgevolg, in dit
                    geval een verlaging van de uitkering, afhankelijk is van een onzekere in de
                    toekomst gelegen gebeurtenis. </al><al>Wel heeft het college de bevoegdheid om bij een eventuele nieuwe toekenning van
                    bijstand alsnog een besluit te nemen naar aanleiding van de eerdere
                    verlagingswaardige gedraging.</al><al>Met het oog hierop biedt artikel 7, lid 3 de mogelijkheid om, als belanghebbende
                    binnen drie jaar weer een uitkering wordt toegekend, alsnog een besluit tot
                    verlaging te nemen. In het betreffende beëindigingbesluit zal de klant hierover
                    dienen te worden geïnformeerd.</al><al><cursief>Lid 4</cursief>Voor het geval tot het toepassen van een
                    verlaging van langere duur is besloten en de uitkering van de klant wordt
                    beëindigd nog voordat de duur van de verlaging is verstreken, is bepaald dat de
                    resterende periode van de verlaging zal worden ten uitvoer gelegd, indien de
                    klant binnen drie jaar na de beëindiging van de uitkering opnieuw aanspraak op
                    bijstand maakt.</al><al><cursief>Lid 5</cursief>Dit lid regelt dat een verlaging voor bepaalde
                    tijd wordt opgelegd. Door een verlaging voor een bepaalde periode op te leggen,
                    weet de uitkeringsgerechtigde die met een verlaging wordt geconfronteerd waar
                    hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de verlaging
                    is getroffen, opnieuw een verlaging opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart
                    besluit nodig.</al><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld
                    in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>De herbeoordeling dient plaats te vinden uiterlijk binnen drie maanden nadat het
                    besluit genomen is. Bij zo’n herbeoordeling behoeft niet opnieuw een besluit te
                    worden genomen waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het
                    licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet
                    beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde verlaging wordt gecontinueerd.
                    Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin de belanghebbende
                    verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn
                    verplichtingen voldoet.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief>Dit lid ziet op de situatie dat de
                    belanghebbende door één gedraging zich schuldig heeft gemaakt aan schending van
                    meerdere verplichtingen die elk op zich tot een verlaging op grond van de
                    verordening dienen te leiden.</al><al>Bepaald is dat bij een dergelijke samenloop geen stapeling van verlagingen dient
                    plaats te vinden, maar dat voor het toepassen van de verlaging dient te worden
                    uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste verlaging is gesteld.</al><al><cursief>Lid 2</cursief>Dit artikellid heeft betrekking op de situatie
                    dat de bijstandsgerechtigde verschillende verwijtbare gedragingen begaat die
                    (min of meer) gelijktijdig plaatsvinden. Voor een dergelijke situatie is bepaald
                    dat de hoogte en de duur van op te leggen verlaging zal worden afgestemd op de
                    individuele situatie van de betreffende klant. </al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>De WWB stelt werk boven inkomen. Hoofddoelstelling van het activerend
                    arbeidsmarktbeleid van de gemeente Capelle aan den IJssel is dat
                    uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk weer via reguliere arbeid in hun eigen
                    bestaan kunnen voorzien. De gemeente Capelle aan den IJssel wil dit bereiken
                    door het voeren van een krachtig arbeidsmarktbeleid. Instroombeperking,
                    activering, uitstroombevordering en handhaving zijn dan ook de belangrijkste
                    pijlers van het Capelse beleid. Voor elke uitkeringsgerechtigde wordt vanuit een
                    sluitende keten van dienstverlening nagegaan wat het perspectief is op uitstroom
                    naar regulier werk en op welke wijze dit door middel van inzet van gemeentelijke
                    voorzieningen kan worden gerealiseerd.</al><al>De voorzieningen die de gemeente inzet ter ondersteuning van de inschakeling in
                    het arbeidsproces omvatten een scala van instrumenten. Ter zake wordt verwezen
                    naar de Re-integratieverordening. </al><al>De WWB stelt de eigen verantwoordelijkheid van de burger centraal om zelfstandig
                    te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.</al><al>Aan het recht op bijstand is dan ook onlosmakelijk de plicht tot werkaanvaarding
                    verbonden.</al><al>Voorts is de klant verplicht om actief medewerking te verlenen aan onderzoeken,
                    scholing en/of activiteiten die ertoe kunnen bijdragen dat de kansen op het
                    verkrijgen van betaald werk worden vergroot. Het niet nakomen van verplichtingen
                    dient zonder meer gevolgen te hebben voor de uitkering. </al><al>Opgemerkt wordt dat langer verblijf in het buitenland dan op grond van de wet is
                    toegestaan, op zich geen reden is om een verlaging op de uitkering toe te
                    passen. In een dergelijke situatie kan de uitkering alleen worden verlaagd als
                    de belanghebbende hierdoor zijn arbeidsinschakeling dan wel re-integratie heeft
                    belemmerd. </al><al>Het langer verblijf in het buitenland moet voor het opleggen van een verlaging
                    altijd in verband worden gebracht met het niet nakomen door de belanghebbende
                    van de arbeidsplicht of de re-integratieplicht.</al><al>Of sprake is van schending van deze verplichtingen moet blijken uit onderzoek
                    van de medewerker die het traject naar werk uitvoert. Dit kan bijvoorbeeld een
                    re-integratiebedrijf, een scholingsinstituut of de casemanager Werk &amp;
                    Inburgering van Sociale Zaken zelf zijn. </al><al>Het soort verplichting dat door het langer verblijf in het buitenland niet of
                    niet behoorlijk is nagekomen, zal derhalve bepalend zijn voor de zwaarte van de
                    op te leggen verlaging.</al><al>Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat over de periode dat de belanghebbende
                    langer in het buitenland verblijft dan op grond van de wet is toegestaan, geen
                    recht op bijstand bestaat.</al><al>In het onderhavige artikel zijn de verlagingen opgenomen die betrekking hebben
                    op het niet nakomen van verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling. Daarbij
                    worden vier categorieën onderscheiden. Bij deze indeling is er van uitgegaan dat
                    de ernst van het feit toeneemt naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft
                    voor het niet verkrijgen of het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. </al><al>Met de toe te passen verlaging bij de betreffende verwijtbare gedragingen wordt
                    beoogd om de belanghebbende alsnog tot het gewenste gedrag te bewegen. Met het
                    oog hierop zal enige tijd na het verlagingsbesluit een nieuw onderzoek dienen te
                    worden gehouden. Als dan blijkt dat de klant in zijn gedrag volhardt, dient
                    opnieuw een verlagingsbesluit te worden genomen waarbij de duur van de verlaging
                    op grond van recidive wordt verdubbeld. Dit overeenkomstig artikel 10, lid 2 van
                    de verordening.</al><al>Daarna dienen eventuele verdere individuele verlagingsbesluiten te worden
                    genomen onder toepassing van artikel 10, lid 3 van de verordening.</al><al>De <vet>eerste categorie</vet> omvat alleen de verplichting om zich als
                    werkzoekende in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te blijven. </al><al>In afwijking van de oude Afstemmingsverordening is het niet ondertekenen en/of
                    tijdig terugsturen van het trajectplan als verwijtbare gedraging geschrapt. De
                    reden hiervan is dat het ondertekenen en terugsturen van een voor de
                    belanghebbende opgesteld individueel trajectplan naar werk ten onrechte de
                    suggestie wekt dat de belanghebbende met de in het trajectplan opgenomen
                    verplichtingen of de daarin opgenomen voorziening zou moeten instemmen. Deze
                    instemming is echter niet vereist. Artikel 9, lid 1 van de wet bepaalt namelijk
                    dat de (in een trajectplan opgenomen) verplichtingen inzake inschakeling in het
                    arbeidsproces waaronder begrepen het gebruik maken van een aangeboden
                    voorziening van rechtswege gelden en wel vanaf de datum van melding bij het CWI.
                    Pas als de belanghebbende weigert de arbeidsverplichtingen na te komen of
                    weigert mee te werken aan de uitvoering van een ingezette voorziening voor
                    toeleiding naar werk, dient een verlaging op de uitkering worden toegepast.</al><al>Opgemerkt wordt dat de inhoud van een individueel trajectplan moet worden
                    aangemerkt als een onderdeel van de beschikking inzake het verlenen of
                    voortzetten van bijstand. Dit betekent dat hiertegen een bezwaarschrift kan
                    worden ingediend. </al><al>De <vet>tweede categorie</vet></al><al>In deze categorie is de verplichting tot het verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid opgenomen. Hiermee wordt alleen de sollicitatieverplichting
                    bedoeld. Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid valt onder
                    categorie vier. </al><al>Onder het niet nakomen van de sollicitatieverplichting valt ook het onvoldoende
                    of onvoldoende breed solliciteren alsmede het zich niet inschrijven bij
                    uitzendbureaus.</al><al>Ook de verplichting om mee te werken aan een onderzoek door een derde naar de
                    mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, valt onder deze categorie. Deze
                    verplichting heeft bijvoorbeeld betrekking op het niet meewerken aan een
                    onderzoek door een derde waaraan opdracht is gegeven een medisch advies over de
                    (mate van) arbeidsgeschiktheid van de belanghebbende uit te brengen.</al><al>De laatste verwijtbare gedraging in deze categorie spreekt voor zich. Deze
                    gedraging sluit overigens volledig aan bij het bepaalde in artikel 55 WWB.</al><al>De <vet>derde categorie</vet></al><al>Deze categorie omvat verwijtbaregedragingen die zijn toegesneden op het
                    niet (voldoende) nakomen van de re-integratieverplichting. Daarbij kan echter
                    (nog) niet worden gesteld dat de belanghebbende hierdoor concrete kansen op werk
                    of concreet uitzicht op werk heeft verspeeld. Hierbij gaat het met name om het
                    niet dan wel onvoldoende nakomen van afspraken die zijn opgenomen in een
                    zorgtraject. Daarnaast kan het gaan om gedragingen die het re-integratietraject
                    belemmeren.</al><al>Voorbeelden van verwijtbare gedragingen in de derde categorie zijn de
                    navolgende:</al><lijst><li nr="·"><al>aan de casemanager Werk &amp; Inburgering (dan wel aan de medewerker van
                            de instantie die Sociale Zaken hiertoe opdracht heeft gegeven) kenbaar
                            maken de betreffende (gesubsidieerde) werkervaringsplaats of het
                            trainings- of scholingsprogramma niet te accepteren.</al></li><li nr="·"><al>niet meer op de betreffende werkervaringsplaats verschijnen of het
                            trainings- of scholingsprogramma voortijdig beëindigen.</al></li><li nr="·"><al>door langer verblijf in het buitenland dan de maximaal toegestane
                            periode niet deelnemen aan het examen of de toets bij een bepaalde
                            opleiding </al></li></lijst><al>De <vet>vierde categorie</vet></al><al>In deze categorie gaat het om het niet aanvaarden of behouden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid of van werk als zelfstandige dan wel om gedragingen (al of
                    niet in het kader van een aangeboden voorziening) waardoor de belanghebbende
                    concrete kansen op werk of concreet uitzicht op werk heeft verspeeld. Het
                    betreft derhalve gedragingen waarbij - als de belanghebbende deze achterwege zou
                    hebben gelaten - hij niet (meer) afhankelijk van een bijstandsuitkering zou
                    zijn. </al><al>Voorbeelden van verwijtbare gedragingen in deze categorie zijn de
                    navolgende:</al><lijst><li nr="·"><al>weigeren om deel te nemen aan een specifiek project of een
                            werkervaringsplaats waarbij - bij normaal functioneren - een vaste baan
                            in het vooruitzicht wordt gesteld.</al></li><li nr="·"><al>zich bij een sollicitatiegesprek met een werkgever zich zodanig negatief
                            gedragen of onredelijk opstellen dat de betreffende werkgever hierdoor
                            afziet van het aangaan van een arbeidscontract.</al></li><li nr="·"><al>zich bij het gesprek met een werkgever die een werkervaringsplaats met
                            baangarantie aanbiedt, zodanig negatief opstellen dat deze het aanbod
                            intrekt.</al></li><li nr="·"><al>door langer verblijf in het buitenland dan de maximaal toegestane
                            periode niet aanwezig kunnen zijn bij het vóór vertrek afgesproken
                            sollicitatiegesprek waardoor de betreffende baan ondertussen aan een
                            ander is aangeboden.</al></li></lijst><al>In de WWB is het begrip “algemeen geaccepteerde arbeid” van toepassing. In
                    beginsel is iedereen verplicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen en te aanvaarden. Dit betekent dat er geen beperkende voorwaarden
                    worden gesteld aan de aard en de omvang van het werk en de aansluiting op
                    opleiding en ervaring. Alle arbeid (al dan niet in deeltijd) die maatschappelijk
                    aanvaard is, dient derhalve te worden geaccepteerd. </al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen
                    voor de vier categorieën van gedragingen, zoals opgenomen in artikel 9. Bij het
                    bepalen van de hoogte en de duur van de vier categorieën verlagingen zijn de in
                    de toelichting op artikel 9 genoemde uitgangspunten van de WWB leidend geweest. </al><al><cursief>Lid 2</cursief>Voor het bepalen van de aanvang van de termijn
                    van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is
                    opgelegd, bekend is gemaakt. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd,
                    wordt gelijkgesteld het besluit om hiervan af te zien op grond van artikel 6,
                    derde lid van deze verordening.</al><al>Dit lid kan slechts één keer worden toegepast. Indien de belanghebbende na een
                    tweede verwijtbare gedraging wederom verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte
                    en de duur van de op te leggen verlaging individueel moeten worden vastgesteld.
                    Daarvoor is een regeling getroffen in het derde lid. </al><al><cursief>Lid 3</cursief>Dit artikel heeft betrekking op de situatie
                    dat de belanghebbende binnen twaalf maanden na toepassing van de
                    recidivebepaling, zich wederom schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging. In
                    dergelijke gevallen dient een verlaging te worden opgelegd waarbij de hoogte en
                    de duur van de verlaging individueel wordt bepaald. Met betrekking tot de duur
                    van de op te leggen verlaging dient het bepaalde in artikel 7, vijfde lid in
                    acht te worden genomen.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief><cursief> Onder a. </cursief>Hierbij gaat het om het
                    geen (of niet op tijd) gevolg geven aan een uitnodiging van Sociale Zaken in
                    verband met een onderzoek waarvoor mondelinge dan wel schriftelijke informatie
                    van de belanghebbende noodzakelijk is. Het onderzoek kan zowel betrekking hebben
                    op (her)beoordeling van het recht op bijstand (of de hoogte daarvan) als op
                    zaken die van belang zijn voor de arbeidsinschakeling. Bij dit laatste kan het
                    voorbeeld gaan om gegevens over verrichte sollicitaties. Het onderhavige artikel
                    heeft voorts betrekking ophet niet vóór een bepaalde datum voldoen aan een
                    schriftelijk verzoek van Sociale Zaken om bepaalde (aanvullende of nog
                    ontbrekende) gegevens te overleggen.</al><al><cursief>Onder b.</cursief> Hierbij gaat het om zogeheten “nulfraude”. Hieronder
                    wordt verstaan het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder
                    dat deze gedraging gevolgen heeft voor het recht op c.q. de hoogte van de
                    bijstand. Voorbeelden hiervan zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel
                    onder de vermogensgrens, het niet doorgeven van het vertrek van een kind zonder
                    gevolgen voor de bijstandsnorm of het niet melden van vrijwilligerswerk. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het gaat hierbij om het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep van Sociale
                    Zaken voor een gesprek met het oog op een onderzoek naar de
                    arbeidsmogelijkheden. In dit gesprek dient de belanghebbende op grond van het
                    bepaalde in artikel 17, eerste en tweede lid van de WWB inlichtingen te
                    verstrekken. Juist met het oog op het nakomen van deze inlichtingenplicht wordt
                    deze verwijtbare gedraging <onderstreept>niet</onderstreept> aangemerkt als het
                    niet meewerken aan een aangeboden voorziening voor inschakeling in de arbeid. </al><al>Als de klant niet is verschenen, wordt de uitkering formeel opgeschort en
                    tegelijkertijd een officiële hersteltermijn gegeven in de vorm van een nieuwe
                    schriftelijke oproep. Bij het voldoen aan deze oproep wordt de uitkering
                    voortgezet en tegelijkertijd besloten om de voorgeschreven verlaging op de
                    uitkering toe te passen.</al><al>Indien de klant aan de nieuwe schriftelijke oproep geen gevolg geeft, wordt de
                    bijstand vanaf datum opschorting beëindigd.</al><al><cursief>Lid 3</cursief>Artikel 17, eerste lid WWB bepaalt dat de
                    belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling dient te
                    doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet
                    zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of op het recht
                    op bijstand.</al><al>Voorbeelden van deze informatieverplichting die zowel betrekking hebben op de
                    arbeidsinschakeling als het recht op bijstand zijn het op eigen initiatief gaan
                    volgen van een opleiding en tijdelijk verblijf in het buitenland. De
                    belanghebbende dient Sociale Zaken hiervan vooraf in kennis te stellen en
                    hiervoor ook toestemming te vragen. Vervolgens zal worden beoordeeld welke
                    consequenties dit heeft voor het recht op bijstand en voor het nakomen van de
                    aan de uitkering verbonden verplichtingen inzake de arbeidsinschakeling. Onder
                    laatstgenoemde verplichtingen valt ook de medewerking aan een aangeboden
                    voorziening met het oog op toeleiding naar werk (bijvoorbeeld een door een
                    re-integratiebedrijf verzorgde cursus en/of stage).</al><al>Op grond van de door het college van burgemeester en wethouders op 19 oktober
                    2004 vastgestelde beleidsregel moet onder “onverwijld” worden verstaan: ‘’binnen
                    één week nadat de klant het statusoverzicht (en de betaalspecificatie) heeft
                    ontvangen of binnen één week na het ontstaan van c.q. het bekend worden met de
                    voor de uitkering relevante wijziging”. De klant kan daarbij gebruik maken van
                    het toegezonden wijzigingformulier.</al><al>Het vorenstaande betekent derhalve dat, indien de klant heeft nagelaten om de
                    relevante informatie vóór de gestelde uiterste termijn(en) via het
                    wijzigingsformulier of op andere wijze aan Sociale Zaken door te geven, sprake
                    is van schending van de informatieplicht en derhalve uitkeringsfraude.</al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Dit artikel bevat de standaardverlagingen voor de drie categorieën van
                    gedragingen, zoals opgenomen in artikel 11. </al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Bij deze verwijtbare gedragingen wordt een verlaging van de bijstandsnorm met 5%
                    gedurende 1 maand vastgesteld.</al><al>Bij het voldoen aan de verplichting binnen de hersteltermijn, genoemd in
                    onderdeel a, wordt de uitkering voortgezet en tegelijkertijd besloten om de
                    voorgeschreven verlaging op de uitkering toe te passen.</al><al>Indien de klant de informatieplicht niet binnen de hersteltermijn nakomt, wordt
                    de bijstand vanaf datum opschorting beëindigd. </al><tussenkop>Onder b</tussenkop><al>Voor deze verwijtbare gedraging is een verlaging van de bijstandsnorm met 10%
                    gedurende 1 maand vastgesteld. </al><al>Het niet nakomen van de inlichtingenplicht met het oog op de toeleiding naar
                    regulier werk kan een snelle uitstroom belemmeren. Vanwege deze relatie is de
                    keuze gemaakt voor een verlaging die zwaarder is dan bij het niet (voldoende)
                    nakomen van de informatieverplichting over een ander onderwerp.</al><tussenkop>Onder c</tussenkop><al>Als de schending van de inlichtingenplicht tot gevolg heeft gehad dat de
                    bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt de hoogte van
                    de toe te passen verlaging vastgesteld aan de hand van het tariefstelsel,
                    gerelateerd aan het bedrag van de netto bijstand. Om de uitvoering te
                    vereenvoudigen, is er voor gekozen om de hoogte van de verlaging te relateren
                    aan de hoogte van de netto bijstand.</al><al>Opgemerkt wordt dat, als sprake is van uitkeringsfraude en het benadelingsbedrag
                    niet boven de aangiftegrens van de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude uitkomt
                    (deze bedraagt thans nog € 6.000,- bruto) het college verplicht is om zelf een
                    verlaging op de uitkering toe te passen. Bij fraudebedragen boven genoemd
                    bedrag, moet het college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie.</al><al>In de Staatscourant van 26 september 2008 (nummer 187) is een nieuwe Aanwijzing
                    sociale zekerheidsfraude gepubliceerd. De belangrijkste wijziging ten opzichte
                    van de vorige Aanwijzing uit 2004 is dat de aangiftegrens van € 6.000,- wordt
                    opgetrokken naar € 10.000,-. Omdat de minister van Sociale Zaken en
                    Werkgelegenheid nog niet heeft ingestemd met deze nieuwe Aanwijzing, is deze
                    publicatie gerectificeerd waarbij tevens de geldigheid van de bestaande
                    Aanwijzing sociale zekerheidsfraude is verlengd tot en met 31 december 2008
                    (publicatie in Staatscourant van 1 oktober 2008, nummer 190). Daarmee blijft de
                    aangiftegrens tot deze datum gehandhaafd op € 6.000,-.</al><al>In de inleiding van de nieuwe Aanwijzing wordt vermeld dat met de verhoging van
                    de aangiftegrens van</al><al>€ 6.000,- naar € 10.000,- wordt voldaan aan het verzoek van het ministerie van
                    Sociale Zaken en Werkgelegenheid om bij sociale zekerheidsfraudes meer
                    bestuursrechtelijke handhaving mogelijk te maken.</al><al>Voorts wordt In de nieuwe Aanwijzing bepaald dat bij bijstandsfraude beneden de
                    grens van € 10.000,- aangifte bij het Openbaar Ministerie kan worden gedaan als
                    de gemeente geen bestuursrechtelijke mogelijkheden heeft om een verlaging op
                    grond van de gemeentelijke Afstemmingsverordening op te leggen. Daarbij wordt
                    gedoeld op de situatie dat de bijstandsuitkering van de klant (als gevolg van
                    geconstateerde fraude) wordt beëindigd of dat zijn uitkering al eerder is
                    beëindigd. In dit verband wordt opgemerkt dat het toepassen van artikel 7, derde
                    lid, van de verordening niet als een verlagingsbesluit kan worden aangemerkt,
                    maar als een aankondiging van een te nemen verlagingsbesluit bij een eventueel
                    toekomstig recht op bijstand. Dit is een onwenselijke situatie omdat hierdoor de
                    kans bestaat dat bij uitkeringsfraude een sanctie wordt ontlopen, hetgeen in
                    strijd is met het beleidsuitgangspunt dat fraude niet mag lonen. </al><al>Dit betekent dan ook dat, zodra duidelijkheid bestaat over de datum van
                    inwerkingtreding van de nieuwe Aanwijzing, met het Openbaar Ministerie in
                    Rotterdam afspraken worden gemaakt over de wijze waarop in genoemde situaties
                    fraudegevallen met een benadelingsbedrag onder € 10.000,- adequaat kunnen worden
                    verwerkt. Hierbij wordt gedacht aan een transactievoorstel met de verdachte. </al><al>Volgens de nieuwe Aanwijzing sociale zekerheidsfraude kan ook bij lagere
                    fraudebedragen dan</al><al>€ 10.000,- strafvervolging plaatsvinden. Dit is aan de orde als de
                    uitkeringsfraude is gecombineerd met een of meer (andersoortige) strafbare
                    feiten, zoals handel in drugs. Voorts kan tot strafvervolging worden overgegaan,
                    als de betreffende persoon een voorbeeldfunctie heeft. Hierbij kan worden
                    gedacht aan een regionaal of landelijk maatschappelijk aansprekend persoon of
                    iemand die een openbaar ambt bekleedt.</al><al>In gevallen waarin er fraude is gepleegd met medewerking en/of medeweten van een
                    medewerk(st)er van Sociale Zaken kan altijd tot strafrechtelijke vervolging
                    worden overgegaan, ongeacht de hoogte van het fraudebedrag. Daarbij geldt wel
                    als voorwaarde om te kunnen afwijken van de aangiftegrens van € 10.000,-, dat
                    ook tegenover de betreffende medeplichtige medewerker sanctionerend wordt
                    opgetreden.</al><al>Omdat er vanuit gegaan kan worden dat de verhoging van de aangiftegrens naar €
                    10.000,- per 1 januari 2009 zal worden gerealiseerd is hierop in het
                    tariefstelsel dat in artikel 13, lid 2 is opgenomen, al vooruitgelopen. Ten
                    opzichte van het artikel in de oude Afstemmingsverordening is het tariefstelsel
                    uitgebreid met een verlaging bij een benadelingsgrens van € 6.000,- tot €
                    8.000,- (netto) en bij een benadelingsgrens vanaf € 8.000,- (eveneens netto).
                    Deze uitbreiding houdt in dat bij eerstgenoemde benadelingsgrens de duur van de
                    verlaging van 100% is bepaald op twee maanden en dat bij een benadelingsgrens
                    vanaf € 8.000,- de verlagingsduur wordt verlengd met één maand voor elke €
                    2.000,- waarmee het benadelingsbedrag boven € 8.000,- uitkomt.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Indien de uitkeringsgerechtigde binnen één jaar nadat een verlaging is opgelegd
                    met toepassing van het eerste lid, wederom een verwijtbare gedraging uit
                    dezelfde categorie begaat, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                    uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Ter zake
                    wordt verwezen naar de toelichting op artikel 10, lid 2 van deze
                    verordening.</al><al>In dit verband wordt opgemerkt dat in de huidige Aanwijzing sociale
                    zekerheidsfraude uit 2004 is bepaald dat bij recidive, dat wil zeggen bij fraude
                    binnen vijf jaar na eerdere oplegging van een bestuursrechtelijke sanctie dan
                    wel een transactie of veroordeling voor een soortgelijk feit
                        <onderstreept>en</onderstreept>, indien het financiële nadeel van de laatst
                    geconstateerde fraude tenminste € 3.000,- bedraagt, aangifte bij het Openbaar
                    Ministerie dient te worden gedaan en een proces-verbaal moet worden
                    opgemaakt.</al><al>Deze specifieke recidiveregeling in de huidige Aanwijzing sociale
                    zekerheidsfraude is derhalve een uitzondering op het uitgangspunt dat bij fraude
                    vanaf € 6.000,- (brutobedrag inclusief de af te dragen of afgedragen loonheffing
                    en premies) aangifte bij het Openbaar Ministerie dient te worden gedaan en
                    proces-verbaal moet worden opgemaakt.</al><al>In de nieuwe Aanwijzing sociale zekerheidsfraude die waarschijnlijk vanaf 1
                    januari 2009 in werking treedt, is bepaald dat, wanneer een bepaald persoon zich
                    binnen een periode van vijf jaar voor de tweede maal zich schuldig heeft gemaakt
                    aan sociale zekerheidsfraude, proces-verbaal opgemaakt en strafrechtelijk
                    vervolg kan worden. In deze gevallen is de datum van de eerste sanctionering
                    startpunt voor de termijn van vijf jaren en dienen de benadelingsbedragen
                    tezamen tenminste € 10.000,- te bedragen. </al><al><cursief>Lid 3</cursief>Dit artikel heeft betrekking op de situatie
                    dat de belanghebbende binnen twaalf maanden na toepassing van de
                    recidivebepaling (van lid 2), zich wederom schuldig maakt aan een verwijtbare
                    gedraging uit dezelfde categorie. In dergelijke gevallen dient een verlaging te
                    worden opgelegd waarbij de hoogte en de duur van de verlaging individueel wordt
                    bepaald. Met betrekking tot de duur van de op te leggen verlaging dient het
                    bepaalde in artikel 7, vijfde lid in acht te worden genomen. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Een schriftelijke waarschuwing geldt niet voor de verlagingen genoemd in het
                    eerste lid, onderdelen b en c. De ernst van de gedragingen, genoemd in artikel
                    11, tweede en derde lid, kan geen waarschuwing rechtvaardigen.</al><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>Op grond van de nieuwe Aanwijzing sociale zekerheidsfraude die waarschijnlijk
                    per 1 januari 2009 in werking treedt, dient bij fraude met een benadelingsbedrag
                    vanaf € 10.000,- (brutobedrag inclusief de af te dragen of afgedragen
                    loonheffing en premies) aangifte te worden gedaan bij het Openbaar Ministerie en
                    dient er een proces-verbaal te worden opgemaakt. In de overige gevallen waarin
                    aangifte aan de orde is, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 12.</al><al>Een verlaging die verband houdt met schending van de informatieverplichting moet
                    eveneens als een punitieve (= bestraffende) sanctie worden aangemerkt. </al><al>Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige
                    gedraging dan bij beslissing van een enkel overheidsorgaan) en het standpunt van
                    de Centrale Raad van Beroep op het punt van ‘dubbele bestraffing’, zijn
                    aanleiding geweest om in de verordening te bepalen dat, indien aangifte bij het
                    OM is gedaan, geen verlaging wordt toegepast, tenzij het OM de gemeente in een
                    later stadium schriftelijk laat weten dat zij om formele redenen geen aanleiding
                    ziet om de belanghebbende een transactie aan te bieden of tot strafvervolging
                    over te gaan. In dat geval zal de gemeente alsnog tot verlaging van de uitkering
                    overgaan.</al><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijk verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd.</al><al>Op grond van dit artikel kan er kan alleen een verlaging worden toegepast,
                    indien er een verband bestaat tussen de zeer ernstige misdraging en het niet of
                    niet voldoende nakomen van de uit de wet voortvloeiende verplichtingen. Deze
                    betreffen de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 9, eerste lid, de
                    inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, alsmede de in het tweede
                    lid en vierde lid van dat artikel en eventuele op grond van paragraaf 6.3
                    opgelegde verplichtingen. Het vorenstaande moet worden afgeleid uit de uitspraak
                    van de Centrale Raad van Beroep van 29 juli 2008.</al><al>In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich jegens het college
                    zeer ernstig misdragen’.</al><al>Dit betekent dat alleen zeer agressief gedrag tegenover leden van het college en
                    hun ambtenaren aanleiding is voor het toepassen van een verlaging. Er kan dus
                    geen verlaging worden toegepast, als een klant zich agressief heeft gedragen
                    tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de
                    uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een medewerker van het CWI of een
                    re-integratiebedrijf). </al><al>Indien de agressie tegenover een medewerker van een re-integratiebedrijf heeft
                    geleid tot beëindiging van de begeleiding, is het wel mogelijk om een verlaging
                    toe te passen wegens het niet gebruikmaken van een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling.</al><al>Het toepassen van een verlaging dient aan te sluiten bij het agressieprotocol
                    van de gemeente. Indien ook aan de in dit protocol gestelde vereisten wordt
                    voldaan, dient een verlaging op de bijstandsuitkering te worden toegepast van
                    50% gedurende één maand.</al><al>De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 31 december 2007
                    aangegeven dat een verlaging wegens ‘ zich zeer ernstig misdragen’ moet worden
                    aangemerkt als een punitieve (bestraffende) sanctie. In diezelfde uitspraak
                    heeft hij overwogen dat op het college de bewijslast rust om voldoende
                    aannemelijk te maken dat van agressie in de zin van artikel 18, tweede lid, van
                    de wet sprake is geweest. Als sprake is geweest van woord tegen woord en een
                    verslag van een gesprek waarin beledigende uitlatingen zijn gedaan pas na
                    ongeveer een week op schrift is gesteld, is in de regel niet aan de bewijslast
                    voldaan.</al><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief>Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat
                    een ieder in eerste instantie in zijn eigen bestaan dient te voorzien. Pas
                    wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op de bijstand. Hoofdregel
                    is dus dat iedereen alles zal moeten doen om een beroep op bijstand te
                    voorkomen.</al><al>Gebeurt dit niet of in onvoldoende mate, dan is er veelal sprake van een
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                    bestaan. </al><al>Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid ten aanzien van de
                    besteding van eigen middelen valt onder andere, het door eigen schuld of toedoen
                    geen algemeen geaccepteerde arbeid of werk als zelfstandige behouden,
                    verwijtbaar verlies van eigen inkomsten (bijvoorbeeld het afstand doen van het
                    recht op alimentatie) of het door eigen schuld of toedoen geen recht (meer)
                    hebben op een voorliggende voorziening (bijvoorbeeld een WW-uiktering).</al><al>De toe te passen verlaging bij onverantwoorde besteding van vermogen wordt
                    afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Onder benadelingsbedrag dient
                    dan te worden verstaan: de omvang van het vermogen of de voorziening waarmee de
                    belanghebbende kortere of langere tijd buiten de bijstand zou zijn gebleven. </al><al>De mogelijkheid van individualisering op grond van artikel 2, lid 2 staat
                    daarbij uiteraard open.</al><al>Het is redelijk om tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als gevolg van
                    verwijtbare werkloosheid, verwijtbaar verlies van een voorliggende voorziening
                    en van eigen inkomsten in de tijd te beperken tot maximaal één jaar voorafgaande
                    aan de aanvraag om bijstand.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In dit lid wordt het op onverantwoorde wijze besteden van vermogen geregeld.
                    Hieronder moet worden verstaan het onverantwoord (=te snel) interen van
                    vermogen, onderbedeling bij echtscheiding, vermogen wegschenken op een moment
                    dat redelijkerwijs was te voorzien dat binnenkort een beroep op bijstand zou
                    moeten worden gedaan en verkoop van de woning beneden de marktwaarde.</al><al><cursief>Lid 3</cursief>Bij betoond tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid moet een verlaging worden toegepast die wordt afgestemd op
                    de hoogte van het benadelingsbedrag, gerelateerd aan de netto bijstand. Onder
                    benadelingsbedrag dient te worden verstaan: de omvang van het vermogen of de
                    voorziening waarmee de belanghebbende kortere of langere tijd buiten de bijstand
                    zou zijn gebleven.</al><al>In het derde lid van artikel 15 worden de op de algemene bijstandsuitkering toe
                    te passen verlagingen aangegeven, die zijn gerelateerd aan de omvang van het
                    benadelingsbedrag. Dit, behoudens de mogelijkheid om via individualisering
                    hiervan af te wijken.</al><tussenkop>Artikel 16</tussenkop><al>Hetgeen in artikel 15 is geschreven, kan ook plaatsvinden tijdens de
                    bijstandsperiode. </al><al>In tegenstelling tot voornoemd artikel 15, geldt voor de verwijtbare gedraging
                    tijdens de bijstandsperiode uiteraard geen beperking in de tijd (maximale
                    periode van één jaar). </al><al>Als een belanghebbende tijdens de bijstandsperiode tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de zelfstandige voorziening in het bestaan betoont,
                    bestaande uit:</al><al>verwijtbaar verlies van een voorliggende voorziening of van eigen inkomsten dan
                    wel van onverantwoord (= te snel) interen van vermogen, onderbedeling bij
                    echtscheiding, vermogen wegschenken of verkoop van de woning beneden de
                    marktwaarde, is er aanleiding om een verlaging toe te passen.</al><al>De toe te passen verlaging bij onverantwoorde besteding van vermogen wordt
                    afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Onder benadelingsbedrag dient
                    dan te worden verstaan: de omvang van het vermogen of de voorziening waarmee de
                    belanghebbende kortere of langere tijd buiten de bijstand zou zijn
                    gebleven.</al><al>De mogelijkheid van individualisering op grond van artikel 2, lid 2 blijft
                    daarbij uiteraard bestaan</al><al>Opgemerkt wordt dat in dit artikel het door eigen schuld of toedoen geen
                    algemeen geaccepteerde arbeid of werk als zelfstandige behouden, niet is
                    opgenomen. Bij deze verwijtbare gedraging tijdens de bijstandsperiode dient een
                    verlaging te worden toegepast op grond van artikel 9 (verwijtbare gedraging in
                    de vierde categorie).</al><al>De overige gedragingen uit artikel 15 zijn wel van toepassing. Ter zake wordt
                    verwezen naar de toelichting op dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><al>Wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende zonder
                    hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn periodieke
                    uitkering voor levensonderhoud, kan hem - onder toepassing van artikel 57 WWB -
                    de verplichting worden opgelegd om mee te werken aan derdebetalingen,
                    budgetbeheer e.d.</al><al>Voor specifieke gevallen is het van belang dat Sociale Zaken dit dwanginstrument
                    zal kunnen inzetten.</al><al>Indien de belanghebbende geen medewerking verleent aan de opgelegde
                    verplichting, wordt een verlaging van 10% gedurende één maand toegepast.</al><tussenkop>Artikel 18</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief>Het betreft hier verplichtingen die verband
                    houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand of
                    verplichtingen die strekken tot vermindering dan wel beëindiging van de
                    bijstand.</al><al>In de uitvoeringspraktijk gaat het hierbij om een scala van situaties, waarbij
                    zowel algemene als bijzondere bijstand aan de orde is.</al><al>De meest voorkomende situatie is de verplichting om actie te ondernemen (via een
                    gerechtelijke procedure) om (alsnog) een reële aanspraak op middelen te gelde te
                    maken.</al><al>Bij het niet dan wel niet voldoende nakomen van deze categorie verplichtingen
                    dient een verlaging te worden toegepast van 20% van de bijstandsnorm gedurende
                    één maand. </al><al><cursief>Lid 2</cursief>Met betrekking tot het verlenen van periodieke
                    bijzondere bijstand heeft het college van burgemeester en wethouders per 1 juli
                    1997 een beleidsregel vastgesteld. Deze heeft betrekking op het niet voldoen aan
                    de standaardverplichtingen die worden verbonden aan het verlenen van bijzondere
                    bijstand in een woonkostentoeslag omdat een woning wordt bewoond met een huur
                    boven de maximale rekenhuur van de Wet op de Huurtoeslag.</al><al>In dit artikellid is genoemde beleidsregel overgenomen evenwel met dien
                    verstande dat expliciet de verlagingsperiode is aangegeven.</al><tussenkop>Artikel 19</tussenkop><al>Ingevolge het bepaalde in artikel 56 WWB kan aan de belanghebbende, indien
                    hij/zij daarop aanspraak heeft, de verplichting worden opgelegd om een verzoek
                    tot toekenning van alimentatie voor kinderen in te stellen bij het Landelijk
                    Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO).</al><al>Naar analogie van artikel 18 dient bij het niet of niet in voldoende mate
                    nakomen van de opgelegde verplichting een verlaging van 20% gedurende één maand
                    te worden toegepast.</al><tussenkop>Artikel 20</tussenkop><al>Het rechtszekerheidsbeginsel brengt met zich mee dat bij een wijziging van het
                    sanctieregime de voor de belanghebbende meest gunstige regeling dient te worden
                    toegepast. Daarom is in de verordening in een overgangsbepaling voorzien. Deze
                    houdt in dat op gedragingen die vóór inwerkingtreding van deze verordening
                    hebben plaatsgevonden, de oude Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van
                    toepassing is, voor zover deze zou leiden tot een minder zware verlaging.</al><al>In de nieuwe verordening zijn bijna alle standaardverlagingen gelijk of lichter
                    dan in de oude verordening. In de praktijk betekent dit derhalve dat niet of
                    nauwelijks toepassing behoeft te worden gegeven aan de overgangsbepaling.</al><tussenkop>Artikel 21</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 22</tussenkop><al>In het eerste lid wordt de inwerkingtreding van de verordening per 1 maart 2009
                    geregeld. </al><al>Het tweede lid regelt de intrekking van de huidige Afstemmingsverordening Wet
                    werk en bijstand. Zo wordt voorkomen dat er op enig moment twee verordeningen
                    van kracht zijn. Aangezien de nieuwe verordening op essentiële punten is
                    gewijzigd, is een geheel nieuwe verordening opgesteld waardoor de oude geheel
                    wordt vervangen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>