<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR613_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet kinderopvang 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zandvoortse courant, 15 juni 2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-05-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-01-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2 mei 2006, nr. 2006/5179</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappij en zorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt [Verordening Wet kinderopvang Gemeente Zandvoort vastgesteld bij raadsbesluit van 1 februari 2005].</al><al>Hoofdstuk 2 van deze verordening treedt pas in werking op het moment dat artikel 23 van de Wet kinderopvang in werking treedt [artikel 17, derde lid].</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule> De raad van de gemeente Zandvoort:</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2
                        mei 2006, nr. 2006/5179;</al><al>gelet op de overwegingen van de commissie Planning en Control van 17 mei
                        2006;</al><al>Overwegende dat het noodzakelijk is de verlening, de voorschotverlening en
                        de vaststelling van de tegemoetkoming van de gemeente in de kosten van
                        kinderopvang bij verordening te regelen;</al><al>gelet op artikel 25 van de Wet kinderopvang en 149 van de Gemeentewet;</al><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting vast te stellen:</al><al><vet>Verordening Wet kinderopvang 2006.</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>het college</vet>: college van burgemeester en wethouders
                                    van de Gemeente Zandvoort;</al></li><li nr="b."><al><vet>de raad</vet>: de gemeenteraad van Zandvoort;</al></li><li nr="c."><al><vet>de wet</vet>: de Wet kinderopvang.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>VASTSTELLING NOODZAAK VAN KINDEROPVANG OP GROND
                            VAN SOCIAAL-MEDISCHE INDICATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op
                                grond van een sociaal-medische indicatie als bedoeld in artikel 23
                                van de wet bevat in ieder geval de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam van de partner en, indien dit
                                        een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van
                                        de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                        aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al><al/><table><tgroup cols="2" char="" charoff="50" align="left"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>asd</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>asd</al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>asd</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>asd</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond
                            van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de geldigheidsduur van de indicatie;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt
                                    geacht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                            sociaal-medische indicatie vast te stellen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang ontvangt of kan ontvangen of,</al></li><li nr="b."><al>de ouder of de partner niet behoort tot de personen als bedoeld
                                    in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of l van de wet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de
                                aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner
                                        en, indien dit een ander adres is dan het adres van de
                                        ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de
                                        kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking
                                        heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                        gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in
                                        ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang
                                        per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de
                                        opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat
                                        de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in
                                        artikel 22 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de
                                tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen vier weken na ontvangst
                                va alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot
                            de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming met ingang van de datum
                                waarop de volledige aanvraag voor de tegemoetkoming door het college
                                in ontvangst is genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                tegemoetkoming door het college verleend met ingang van de datum
                                waarop de kinderopvang zal plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt
                                verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor de periode van een
                                tegemoetkomingsjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                                voor een andere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder
                                als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is
                                voor de combinatie van arbeid en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de
                                    ouder behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                    tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar
                                    de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor
                                    de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald
                                    en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de
                                tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                                termijnen door het college uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                bevoorschotting.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de
                                tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen <cursief>acht</cursief>
                                weken na ontvangst van het overzicht van de kosten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt door het college overeenkomstig de vaststelling
                            binnen <cursief>vier</cursief> weken betaald, onder verrekening van de
                            betaalde voorschotten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend
                                worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van
                                inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van
                                een lagere tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen
                                een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en
                                inlichtingen van hem en zijn partner die voor aanspraak op en de
                                hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De “Verordening Wet kinderopvang Gemeente Zandvoort” vastgesteld bij
                                raadsbesluit van 1 februari 2005 wordt ingetrokken met ingang van de
                                in het tweede lid genoemde datum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt per 1 juli 2006 in werking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid treedt hoofdstuk 2 van deze
                                verordening in werking op het moment dat artikel 23 van de Wet
                                kinderopvang in werking treedt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet kinderopvang
                                2006.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30 mei 2006.</al></slotformulering><ondertekening>De griffier</ondertekening><ondertekening>De voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE VERORDENING</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><al>In de Wet kinderopvang is vastgesteld dat doelgroepouders mogelijk in aanmerking
                    kunnen komen voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang van de
                    gemeente. In de Wet kinderopvang zijn de doelgroepouders, ouders die een
                    reïntegratietraject volgen en die vallen onder:</al><lijst><li nr="-"><al>Wet werk en bijstand (Wwb) inclusief tienermoeders;</al></li><li nr="-"><al>Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik);</al></li><li nr="-"><al>Algemene Nabestaanden Wet (ANW);</al></li><li nr="-"><al>Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers (IOAW);</al></li><li nr="-"><al>Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers (IOAZ).</al></li></lijst><al>En verder:</al><lijst><li nr="-"><al>herintreders (met verdiendende partner) met een trajectplan</al><al> (Niet uitkeringsgerechtigde (Nug-er));</al></li><li nr="-"><al>nieuwkomers die een inburgeringstraject volgen (WIN);</al></li><li nr="-"><al>huishoudens waar sprake is van een sociaal-medische indicatie;</al></li><li nr="-"><al>tienermoeders/studenten die een opleiding/studie volgen;</al></li><li nr="-"><al>oudkomers vanaf het moment dat er een wettelijke plicht is om een
                            inburgeringscursus te volgen.</al></li></lijst><al>In de Verordening Wet kinderopvang 2006 zijn regels opgenomen voor onder andere
                    het aanvragen van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang door
                    doelgroepouders en het verstrekken van de tegemoetkoming in de kosten van
                    kinderopvang aan doelgroepouders.</al><tussenkop>TOELICHTING PER ARTIKEL</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook van
                    toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet gedefinieerde
                    begrippen zijn aangevuld.</al><tussenkop>Artikel 2 Te verstrekken gegevens</tussenkop><al>Een aanvraag voor de toekenning van een sociaal-medische indicatie moet worden
                    ingediend bij het college. De aanvraag voor de toekenning van een
                    sociaal-medische indicatie moet vooraf aan de aanvraag voor een tegemoetkoming
                    worden ingediend. Het is echter ook mogelijk de aanvragen gelijktijdig in te
                    dienen. De besluiten over de toekenning van een sociaal-medische indicatie en de
                    verlening van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang kunnen in één
                    beschikking zijn opgenomen. </al><tussenkop>Artikel 3 Beslistermijn</tussenkop><al>Bij het bepalen van de beslistermijn is rekening gehouden met de tijd die
                    gemoeid is met het uitbrengen van het advies door een “onafhankelijke
                    organisatie die beschikt over adequate deskundigheid” (artikel 23, derde lid,
                    Wet kinderopvang). </al><al>Het betreft hier wettelijke termijnen: Algemene wet bestuursrecht 4:13 lid 1 en
                    2 en 4:14 lid 3.</al><tussenkop>Artikel 4 Inhoud van de beschikking</tussenkop><al>Tegen het besluit van het college kan bezwaar worden gemaakt (titel 4.1 van de
                    Algemene wet bestuursrecht). Als noodzaak van kinderopvang op grond van een
                    sociaal-medische indicatie wordt vastgesteld, wordt in de beschikking aangegeven
                    hoeveel uren kinderopvang noodzakelijk wordt geacht. Het besluit over de
                    noodzakelijke omvang van de kinderopvang vormt de grondslag voor de aanvraag
                    voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang van het college. Daarnaast
                    wordt in het besluit de geldigheidsduur van de indicatie vermeld (dit verplicht
                    volgens het vierde lid van artikel 23 Wet kinderopvang). Het kan gaan om een
                    geldigheidsduur voor een beperkte termijn, maar ook om een geldigheidsduur voor
                    onbepaalde tijd.</al><al>Het college neemt het besluit op basis van het uitgebrachte indicatieadvies. Dit
                    advies is niet bindend. Dit betekent dat het college van dat advies kan
                    afwijken. Als het college een beschikking geeft die afwijkt van het uitgebrachte
                    advies, zal het college de redenen voor de afwijking in de beschikking motiveren
                    (artikel 4:20 Algemene wet bestuursrecht). De motiveringsverplichting geldt
                    vooral voor het geval waarin een positief advies wordt gegeven en het college
                    een afwijzend besluit heeft genomen. </al><tussenkop>Artikel 5 Weigeringsgronden</tussenkop><al>Alleen ouders die niet op grond van een andere bepaling in de Wet kinderopvang
                    aanspraak kunnen doen op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang,
                    kunnen aanspraak doen op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang wegens
                    een sociaal-medische noodzaak.</al><tussenkop>Artikel 6 Te verstrekken gegevens bij de
                    aanvraag</tussenkop><al>De tegemoetkoming moet worden aangevraagd bij het college (artikel 26 Wet
                    kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente de ouder woont
                    (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet schriftelijk worden
                    ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al>Omdat een tegemoetkoming voor de huur van een tegemoetkomingsjaar wordt
                    verstrekt (artikel 4.4) moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Om de
                    lasten voor de aanvragers zo beperkt mogelijk te houden, wordt het
                    aanvraagformulier voor een vervolgaanvraag door het college aan de ouders
                    toestuurt, waarbij het formulier reeds is ingevuld met de gegevens die bij de
                    gemeente bekend zijn. De ouders hoeven dan alleen de mutaties op het
                    aanvraagformulier aan te geven.</al><al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het aantal
                    uren of dagdelen kinderopvang, moet worden aangevraagd. Een verlaging van de
                    tegemoetkoming in verband met een vermindering van de omvang van de kinderopvang
                    hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan wel onmiddellijk
                    mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid, Wet kinderopvang en
                    artikel 16, eerste lid).</al><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                    contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                    verzorgen bij de aanvraag moet worden bijgevoegd. Dit betekent dat de aanvraag
                    voor een tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder
                    over een offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract
                    kan de gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen.</al><al>Het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet
                    ingeschreven staan in een gemeentelijke register (artikel 5, eerste lid, Wet
                    kinderopvang).</al><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een
                    verwijzing naar gegevens moet worden gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort
                    tot een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder volstaan
                    met een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente reeds over de gegevens
                    beschikt:</al><lijst><li nr="-"><al>de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de Wwb,
                            IOAW/IOAZ of Anw en maakt gebruik van een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als werkzoekende
                            geregistreerd bij het CWI en maakt gebruik van een voorziening gericht
                            op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringprogramma volgt;</al></li><li nr="-"><al>het college heeft sociaal-medische indicatie vastgesteld.</al></li></lijst><al>In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten
                    verstrekken:</al><table frame="all"><tgroup cols="2" colsep="1" rowsep="1" char="" charoff="50" align="left"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row valign="top"><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0" valign="top"><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond van de
                                        Wet inkomensvoorziening kunstenaars</al><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt,
                                        volgt scholing of een opleiding en ontvangt algemene
                                        bijstand op grond van de WWB of kan zo’n uitkering
                                        ontvangen</al><al>De ouder of diens partner zijn ingeschreven bij een school
                                        of instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet
                                        tegemoetkoming onderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8 tot
                                        en met 2.11 van de Wet Studiefinanciering 2000</al><al>De ouder of diens partner ontvangt een WW-uitkering en maakt
                                        gebruik van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling</al><al>De ouder of diens partner is arbeidsgehandicapte en maakt
                                        gebruik van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0" valign="top"><al>Indien de uitkering wordt verkregen in een andere gemeente:
                                        naam van deze gemeente</al><al>Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut</al><al>Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut</al><al>Trajectplan van het UWV</al><al>Traject van het UWV</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft, deze
                    partner de aanvraag mede ondertekent. Deze verplichting is neergelegd in artikel
                    26, derde lid, Wet kinderopvang.</al><tussenkop>Artikel 7 Het besluit tot verlenen van de
                    tegemoetkoming</tussenkop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van
                    een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming. Deze
                    termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die
                    betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming en voor aanvragen
                    voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding van de omvang van de
                    kinderopvang. In de verordening is een beslistermijn van ten hoogste vier weken
                    vastgelegd die eventueel met vier weken kan worden verlengd.</al><al-groep><al>De beslistermijn van vier weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen
                        aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moet worden aangevraagd. Om
                        er zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden
                        voortgezet, zullen de ouders hun aanvraag minimaal vier weken vóór 1 januari
                        bij de gemeente moeten indienen.</al><al>Het feit dat het college een termijn van vier weken heeft om te beslissen
                        over een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard niet zeggen dat het
                        college deze termijn ook in alle gevallen moet benutten. De gemeente zal er
                        naar streven de behandelingstermijn van aanvragen zo kort mogelijk te houden
                        en met name aanvragen waar spoed mee geboden is direct af te handelen. </al></al-groep><al>Het betreft hier wettelijke termijnen. Algemene wet bestuursrecht 4:3 lid 1 en 2
                    en 4:14 lid 3.</al><tussenkop>Artikel 8 Weigeringsgrond</tussenkop><al-groep><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Algemene wet bestuursrecht
                        ook een aantal gronden om de subsidieverlenging te weigeren. Ook deze
                        weigeringsgronden zijn van toepassing. Artikel 4:35 bepaalt dat de
                        subsidieverlening kan worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om
                        aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de subsidie verbonden
                                verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                                verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de
                                daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de
                                vaststelling van de subsidie van belang zijn.</al></li></lijst></al-groep><al-groep><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlenging voorts in
                        ieder geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                                beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is
                                verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is
                                ingediend.</al></li></lijst></al-groep><tussenkop>Artikel 9 Ingangsdatum van de tegemoetkoming</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming.
                        Er zijn twee ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente
                                in ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder
                                op het moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang
                                hebben.</al></li><li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid
                                bepaalt dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er
                                kinderopvang plaats vindt.</al></li></lijst></al-groep><al-groep><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de
                        kosten van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een
                        tegemoetkoming bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de
                        gemeente in ontvangst genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van
                        artikel 4.1 en 4.1 Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat een
                        aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>schriftelijk moet worden ingediend;</al></li><li nr="-"><al>moet zijn ondertekend;</al></li><li nr="-"><al>de naam en het adres van de aanvrager dient te bevatten;</al></li><li nr="-"><al>een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt
                                gevraagd.</al></li></lijst></al-groep><al-groep><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop
                        de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de
                        tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot
                        verlening van de tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met
                        terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is
                        genomen.</al><al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing
                        op aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde
                        tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag daarvoor
                        door het college in ontvangst is genomen.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 10 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt
                    verleend</tussenkop><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend. Voor
                    aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de
                    tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit
                    betekent dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een aanvraag voor een
                    tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen.</al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht heeft op
                    de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reïntegratietraject (of een andere
                    vorm van arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de verstrekking van
                    de tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen eventueel ten
                    onrechte uitgekeerde bedragen terug te vorderen.</al><tussenkop>Artikel 11 Omvang van de kinderopvang</tussenkop><al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                    tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de omvang
                    van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft
                    tot een gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze recht op een gemeentelijke
                    tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang
                    waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in het systeem van de wet
                    waarin de ouder zelf bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in verband met
                    de combinatie van arbeid en zorg.</al><al>Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de kosten van
                    kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de inkomensafhankelijke eigen
                    bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het zogeheten “Koa-kopje”, zie artikel
                    24, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, Wet kinderopvang). </al><al-groep><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij de groep ouders die geen
                        eigen bijdrage betalen, per geval te beoordelen hoeveel kinderopvang de
                        ouder redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid die hij verricht te kunnen
                        combineren met zorgtaken.</al><al>Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig
                        is om arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden
                        met omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de ouder(s) of
                        een beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de goede en gezonde
                        ontwikkeling van het kind. In tegenstelling tot kinderopvang op grond van
                        sociaal-medische indicatie op grond van artikel 23 Wet kinderopvang, hoeft
                        voor deze beoordeling geen advies te worden aangevraagd.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 12 Inhoud van de beschikking</tussenkop><al-groep><al>Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het bedrag van
                        de tegemoetkoming wordt vastgesteld. In de beschikking wordt onder andere de
                        wijze van uitbetaling van de tegemoetkoming vermeld (onderdeel f). Artikel
                        13 bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt in de vorm van maandelijkse
                        voorschotten. Onderdeel g schrijft voor dat in de beschikking de
                        verplichtingen van de ouder worden opgenomen. Daarbij moet aan de volgende
                        verplichtingen worden gedacht:</al><lijst><li nr="-"><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                te verstrekken van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                                periode;</al></li><li nr="-"><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot en
                                met derde lid, Wet kinderopvang;</al></li></lijst></al-groep><tussenkop>Artikel 13 De bevoorschotting van de
                    tegemoetkoming</tussenkop><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse voorschotten.
                    Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming waarop de aanvrager
                    recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen (indien de aanvraag het
                    gehele tegemoetkomingsjaar betreft).</al><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan, al dan
                    niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente
                    machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of gastouderbureau
                    te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien niets aan de verhouding
                    tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening
                    van het kindercentrum of gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van
                    de tegemoetkoming van de gemeente aan de ouder.</al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                    stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo kan het
                    college bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op basis van een
                    factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Het college zou zo’n
                    voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan of een ouder
                    daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang.</al><tussenkop>Artikel 14 Het besluit tot vaststelling van de
                    tegemoetkoming</tussenkop><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Algemene wet bestuursrecht kan het
                    college een subsidie (dus ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen.
                    Ambtshalve vaststellen houdt in dat het college op eigen initiatief de
                    tegemoetkomingen vaststelt. De ouders hoeven geen aanvraag tot het vaststellen
                    van de tegemoetkoming bij het college in te dienen.</al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode
                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de
                    feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een
                    tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend, dient het overzicht van de
                    kosten uiterlijk vier weken na 31 december bij het college te worden ingediend.
                    Het overzicht van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het
                    kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van
                    maandoverzichten. Het college heeft vervolgens acht weken de tijd om de
                    tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek
                    doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te
                    controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindercentrum of
                    gastouderbureau op te vragen.</al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat
                    precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd
                    recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot verlening van de
                    tegemoetkoming geldt als uitgangspunt voor het vaststellen van de
                    tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis
                    van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking tot verlening van de
                    tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren. In de beschikking
                    tot vaststelling van de tegemoetkoming kan wel worden uitgegaan van een lager
                    aantal uren, maar niet van een hoger aantal.</al><al-groep><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de
                        tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook
                        betekenen op nul vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond
                        van artikel 4:46, tweede en derde lid, Algemene wet bestuursrecht. Op grond
                        van het tweede lid kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel
                                hebben plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden
                                verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                                een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlenging zou
                                hebben geleid, of</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger
                                dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst></al-groep><al-groep><al>Het derde lid van artikel 4:46 Algemene wet bestuursrecht luidt: “Voor zover
                        het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de
                        activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in
                        redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de
                        vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen”.</al><al>Het betreft hier wettelijke termijnen. Algemene wet bestuursrecht 4:37 lid f
                        en 4:13 lid 1 en 2.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 15 Verrekening met de voorschotten</tussenkop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel
                    van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                    uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                    bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wet kinderopvang
                    (zie ook de toelichting bij artikel 16).</al><al>Het betref hier wettelijke termijnen. Wet kinderopvang art. 38.</al><tussenkop>Artikel 16 Inlichtingenplicht</tussenkop><al-groep><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel
                        28, eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang. Volledigheidshalve wordt
                        deze verplichting hier herhaald.</al><al>Het vierde lid van artikel 28 bevat de inlichtingenplicht voor houders van
                        een kinderopvangcentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt: “De houder
                        verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders alle
                        gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de
                        tegemoetkoming van belang zijn”.</al></al-groep><al-groep><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                        onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>Het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>Er wordt wel gebruik gemaakt van kinderopvang, maar de ouder heeft
                                geen recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke
                                doelgroep).</al></li></lijst></al-groep><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten onrechte
                    een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het college de
                    beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de tegemoetkoming
                    intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag terugvorderen. Ook is
                    mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke boete aan de betreffende ouder
                    op te leggen. Hieronder wordt op de twee maatregelen nader ingegaan.</al><tussenkop>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                    tegemoetkoming</tussenkop><al-groep><al>In de Algemene wet bestuursrecht is geregeld op welke gronden een subsidie
                        (een tegemoetkoming in de terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden
                        ingetrokken en teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties worden
                        onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld;</al><al>en</al></li><li nr="b."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.</al></li></lijst><al>Ad. a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen van
                        de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikel 4:48 Algemene
                        wet bestuursrecht).</al><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de
                        beschikking tot verlenging van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van
                        de ontvanger van de tegemoetkoming wijzigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet
                                geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming
                                verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens
                                heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
                                tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de
                                tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de verlenging van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                                ontvanger dit wist of behoorde te wetten.</al></li></lijst></al-groep><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                    bepaald.</al><tussenkop>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56 Algemene
                    wet bestuursrecht)</tussenkop><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot dat het
                    besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd. Het
                    college kan al eerder besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te
                    schorten. Op grond van artikel 4:56 Algemene wet bestuursrecht kan het college
                    de verplichting tot betaling van een voorschot opschorten met ingang van de dag
                    waarop het college aan de ouder schriftelijk kennis geeft van het ernstige
                    vermoeden dat er grond bestaat om de beschikking tot verlening van de
                    tegemoetkoming in te trekken of te wijzigen. Deze opschorting duurt tot en met
                    de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt
                    of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken
                    zijn verstreken.</al><al>Ad. b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                    beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49 Algemene wet
                    bestuursrecht).</al><al-groep><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde
                        gevallen bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in
                        te trekken of ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen.
                        Het gaat om de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                                vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte
                                kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan
                                overeenkomstig de verlening van de tegemoetkoming zou zijn
                                vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger
                                van de tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                                tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                                verplichtingen.</al></li></lijst></al-groep><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de
                    ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag
                    waarop zij is bekend gemaakt.</al><tussenkop>Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang)</tussenkop><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de tegemoetkoming
                    is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan de gemeente het
                    reeds betaalde bedrag van de ouder terugvorderen. In artikel 38 Wet kinderopvang
                    worden de bepalingen in de Wet werk en bijstand over de terugvordering van
                    bijstand van overeenkomstige toepassing verklaard op het terugvorderen van een
                    tegemoetkoming. Dit betekent bijvoorbeeld dat het bedrag dat wordt
                    teruggevorderd kan worden verrekend met de tegemoetkoming. Dit betekent
                    bijvoorbeeld dat het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden verrekend met de
                    tegemoetkoming die aan de ouder wordt verstrekt. In het besluit tot
                    terugvordering moet de wijze waarop zal worden teruggevorderd worden vermeld
                    (artikel 60, eerste lid Wet werk en bijstand).</al><tussenkop>De bestuurlijke boete</tussenkop><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het college in
                    bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De bestuurlijke boete is
                    geregeld in hoofdstuk 5 van de Wet kinderopvang. Een bestuurlijke boete is een
                    bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling
                    van een geldsom, die gericht is op bestraffing van de overtreder (artikel 1,
                    eerste lid, onderdeel t, Wet kinderopvang). Het betreffende bedrag komt tot aan
                    de gemeente (artikel 72, vierde lid Wet kinderopvang).</al><al-groep><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn
                        inlichtingenplicht niet nakomt. Het gaat daarbij om het schenden van de
                        volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al>het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en
                                inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                                hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn
                                (artikel 28, eerste lid, Wet kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door het
                                college te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede lid, Wet
                                kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan het
                                college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                                vaststelling van een lagere tegemoetkoming (artikel 28, derde lid,
                                Wet kinderopvang).</al></li></lijst></al-groep><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2.269,- (artikel 72,
                    eerste lid, onderdeel c, Wet kinderopvang). Bij het vaststellen van de hoogte
                    van de bestuurlijke boete zal het college maatwerk moeten leveren. Artikel 72,
                    tweede lid, Wet kinderopvang bepaalt dat de hoogte van de boete wordt afgestemd
                    op de ernst van de overtreding, de mate waarin de overtreding de ouder verweten
                    kan worden en de omstandigheden waarin die persoon verkeert. Van het opleggen
                    van een bestuurlijke boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al-groep><al>In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen het college géén
                        bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in de volgende
                        situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>de overtreder is overleden;</al></li><li nr="-"><al>de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een
                                bestuurlijke boete opgelegd of er is hem een kennisgeving gedaan dat
                                een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. In deze gevallen kan het
                                college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie;</al></li><li nr="-"><al>er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                                plaatsgevonden.</al></li></lijst></al-groep><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in de
                    artikelen 77 tot en met 84 van de Wet kinderopvang.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>