<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR61141_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente Wassenaar</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wassenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wassenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Wassenaarse Krant, 22 juni 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening gemeente Wassenaar</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, artt. 12, 13, 15 en 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artt. 2.1, 2.2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-14</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10041</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Monumenten</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening gemeente Wassenaar</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Wassenaar;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 18
                        mei 2010;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en op de artikelen 12, 14, 15, en 38
                        van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht;</al><al/><al><onderstreept>b e s l u i t :</onderstreept></al><al/><al>vast te stellen de Erfgoedverordening gemeente Wassenaar.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>monument:</cursief></al><al>1. onroerende zaak, die van algemeen belang is wegens
                                    zijn esthetiek, betekenis voor de wetenschap of
                                    cultuurhistorische waarde;</al><al>2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige
                                    zaak bedoeld onder 1.</al></li><li nr="b."><al><cursief>gemeentelijk monument:</cursief></al><al> onroerend zaak of terrein, die overeenkomstig de bepalingen van
                                    deze verordening, als beschermd gemeentelijk monument is
                                    aangewezen en als bedoeld in artikel 2.2 lid 1 onder b, van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).</al></li><li nr="c."><al><cursief>beschermd monument:</cursief></al><al>beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, lid 1,
                                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al><cursief>gemeentelijk dorpsgezicht:</cursief></al><al>groep onroerende zaken, onder andere bomen, wegen,
                                    straten, pleinen, bruggen, vaarten, sloten en andere wateren die
                                    van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge
                                    ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun
                                    wetenschappelijke of cultuurhistorische waarden en in welke
                                    groep zich één of meer monumenten bevinden, die overeenkomstig
                                    de bepalingen van deze verordening zijn aangewezen als beschermd
                                    gemeentelijk dorpsgezicht.</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al><cursief> beeldbepalende zaak:</cursief></al><al>zaak, geen monument zijnde, waarvan de hoofdvorm van
                                    algemeen belang is,</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>1. als kenmerkende uitdrukking van een bepaalde bouwwijze,
                                    architectuur, verkaveling of typologie;</al><al>2. als kenmerkend overblijfsel van de historische
                                    ontwikkeling;</al><al>3. en als zodanig overeenkomstig de bepalingen van deze
                                    verordening als beeldbepalend zaak is aangewezen.</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al><cursief>gemeentelijk groenmonument:</cursief></al><al>een boom of een groep van bomen, al dan niet een
                                    compositie vormend met de directe omgeving, welke door de
                                    cultuurhistorische context en verschijning, beeldbepalend en
                                    kenmerkend is voor het karakter van de gemeente Wassenaar, die
                                    overeenkomstig de bepalingen van deze verordening is aangewezen
                                    als beschermd gemeentelijk groenmonument.</al></li></lijst><lijst><li nr="g."><al><cursief> gemeentelijk kerkelijk
                                    monument:</cursief></al><al>monument dat eigendom is van een kerkgenootschap,
                                    kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling
                                    en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt
                                    voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of
                                    levensovertuiging, dat overeenkomstig de bepalingen van deze
                                    verordening is aangewezen als beschermd gemeentelijk
                                    kerkmonument.</al></li></lijst><lijst><li nr="h."><al><cursief> gemeentelijke monumentenlijst:</cursief></al><al>de lijst waarop de overeenkomstig deze verordening
                                    aangewezen gemeentelijke (groen-) monumenten, gemeentelijke
                                    dorpsgezichten en beeldbepalende zaken zijn geregistreerd.</al></li></lijst><lijst><li nr="i."><al><cursief> Commissie Welstand en Cultureel
                                        Erfgoed:</cursief></al><al>de op basis van artikel 15 Monumentenwet 1988 door de
                                    raad ingestelde commissie met als taak het college van
                                    burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging te
                                    adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, deze
                                    verordening en het gemeentelijk erfgoedbeleid.</al></li></lijst><lijst><li nr="j."><al><cursief> bouwhistorisch onderzoek:</cursief></al><al>een schriftelijke rapportage van het onderzoek naar de
                                    bouw en, indien van toepassing, bewoningsgeschiedenis van een
                                    monument.</al></li></lijst><lijst><li nr="k."><al><cursief> redengevende omschrijving:</cursief></al><al>een omschrijving, bedoeld voor (groen-)monumenten,
                                    beeldbepalende zaken en dorpsgezichten die bestaat uit algemene
                                    gegevens, een omschrijving van de bestaande toestand en een
                                    waardestelling.</al></li></lijst><lijst><li nr="l."><al><cursief> archeologisch monument:</cursief></al><al>monument als bedoeld onder <cursief>a, </cursief>sub
                                    2, dat van algemeen belang is wegens zijn betekenis voor de
                                    wetenschap of wegens zijn cultuurhistorische waarde op grond van
                                    historische gegevens of archeologisch onderzoek of
                                    waarnemingen,die overeenkomstig de bepalingen van deze
                                    verordening is aangewezen als beschermd gemeentelijk
                                    archeologisch monument.</al></li></lijst><lijst><li nr="m."><al><cursief>archeologisch onderzoek:</cursief></al><al>een in een schriftelijke rapportage
                                    vastgelegd inventariserend onderzoek naar de aard, omvang en
                                    kwaliteit van het bodemarchief.</al></li></lijst><lijst><li nr="n."><al><cursief> gemeentelijke archeologische waarden- en
                                        verwachtingenkaart:</cursief></al><al>een door het college vastgestelde topografische kaart
                                    van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied,
                                    waarop archeologisch waardevolle gebieden en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven.</al></li></lijst><lijst><li nr="o."><al><cursief>o</cursief><cursief> archeologisch waardevol
                                        gebied:</cursief></al><al>gebied, aangegeven op de gemeentelijk archeologische waarden- en
                                    verwachtingenkaart, waarvan is vastgesteld dat er archeologische
                                    vondsten of sporen aanwezig zijn.</al></li><li nr="p."><al><cursief> archeologisch verwachtingsgebied:</cursief></al><al>gebied, aangegeven op de gemeentelijk archeologische waarden- en
                                    verwachtingenkaart waarvan kan worden verwacht dat er
                                    archeologische vondsten of sporen aanwezig zijn.</al></li><li nr="q."><al><cursief> hoge verwachtingswaarde:</cursief></al><al> grote kans op archeologische vondsten of informatie.</al></li><li nr="r."><al><cursief> middelhoge
                                    verwachtingswaarde:</cursief></al><al> gemiddelde kans op archeologische vondsten of informatie.</al></li><li nr="s."><al><cursief> lage verwachtingswaarde:</cursief></al><al>kleine kans op archeologische vondsten of
                                    informatie.</al></li><li nr="t."><al><cursief> plan van aanpak:</cursief></al><al> plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen
                                    zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan
                                    beantwoorden.</al></li></lijst><lijst><li nr="u."><al><cursief> programma van eisen:</cursief></al><al> programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee
                                    kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van
                                    archeologisch onderzoek.</al></li><li nr="v."><al><cursief> het college:</cursief></al><al>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                    Wassenaar.</al></li><li nr="w."><al><cursief> bevoegd gezag:</cursief></al><al>bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="x."><al><cursief>vergunning:</cursief></al><al> een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                                    of artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></li><li nr="y."><al><cursief>Wabo:</cursief></al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>GEMEENTELIJK MONUMENT</titel></kop><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1</nr><titel>De aanwijzing als gemeentelijk monument en de registratie op de
                                gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt,
                                    vraagt zij advies aan de Commissie Welstand en Cultureel
                                    Erfgoed.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Voordat het college een monument met een religieuze
                                    bestemming, dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt
                                    voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument
                                    aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing van een
                                    onroerende zaak of terrein als gemeentelijk monument bepalen dat
                                    nader bouwhistorisch of archeologisch onderzoek wordt
                                    verricht.</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen beschermd monument
                                    betreffen dat is aangewezen op grond van de Monumentenwet
                                    1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum van verzending van de schriftelijke
                                kennisgeving over het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk
                                monument aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale
                                legger bekend staan tot het moment dat de aanwijzing en registratie
                                als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel dat onherroepelijk
                                vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de
                                artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>a</lidnr><al>De commissie Welstand en Cultureel Erfgoed adviseert
                                    schriftelijk aan het college binnen acht weken na de datum van
                                    ontvangst van het verzoek tot advisering van het college.</al></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al>Het college beslist omtrent de aanwijzing tot gemeentelijk
                                    monument binnen 12 weken na de datum van ontvangst van het
                                    advies van de Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed, maar in
                                    ieder geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, lid <cursief>a</cursief>,
                                wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de
                                kadastrale legger bekend staan, de ingeschreven hypothecaire
                                schuldeiser en, indien om de aanwijzing is verzocht, aan de
                                verzoeker.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>a</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                    gemeentelijke monumenten-lijst.</al></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat ten minste de
                                    plaatselijke en kadastrale aanduidingen, een redengevende
                                    omschrijving van het beschermde gemeentelijke monument, de
                                    motivering die tot de aanwijzing heeft geleid, de tenaamstelling
                                    en de datum van de aanwijzing.</al></lid><lid><lidnr>c</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst ligt ter gemeentesecretarie
                                    voor een ieder ter inzage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>a</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                                    belanghebbende wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al>Artikel 3, lid <cursief>b </cursief>tot en met
                                        <cursief>e,</cursief> alsmede artikel 4 tot en met 7 zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op de wijziging.</al></lid><lid><lidnr>c</lidnr><al>Indien de wijziging naar oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing,
                                    als bedoeld in lid <cursief>b</cursief>, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>d</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>a</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing intrekken. Artikel 3, lid
                                        <cursief>b</cursief> tot en met <cursief>d</cursief> en
                                    artikel 5 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing op
                                    het intrekkingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet
                                    1988.</al></lid><lid><lidnr>c</lidnr><al>De intrekking wordt onder vermelding van een reden van
                                    intrekking en de datum van ingang op de gemeentelijke
                                    monumentenlijst geregistreerd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2</nr><titel>Vergunning tot wijziging of sloop van een gemeentelijk
                                monument</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Het is verboden het voortbestaan van een
                                    gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, in
                                    gevaar te brengen en zonder vergunning van het bevoegd gezag of
                                    in strijd met bij zodanige vergunning gestelde
                                    voorschriften:</al><lijst><li nr="1."><al>een gemeentelijk monument te slopen of te
                                            verplaatsen;</al></li><li nr="2."><al>een gemeentelijk monument te verstoren of te
                                            wijzigen;</al></li><li nr="3."><al>een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of
                                            te laten gebruiken op een wijze, dat het wordt ontsierd
                                            of in gevaar gebracht;</al></li><li nr="4."><al>een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te
                                            vernielen.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Het verbod, bedoeld onder <cursief>a</cursief>, geldt
                                    niet indien het college in de vergunning nadere voorschriften
                                    stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te
                                    worden uitgevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag om vergunning en bijbehorende bescheiden dienen in
                                viervoud te worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Termijnen van advies</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van
                                    de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk
                                    monument aan de Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed voor
                                    advies.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Binnen vier weken na de datum van verzending van het
                                    afschrift brengt de commissie schriftelijk advies uit aan het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan in het belang van het behoud van
                                    monumentale en bouwhistorische waarden bepalen dat voorafgaand
                                    aan de besluitvorming bouwhistorisch onderzoek wordt
                                    verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                                monumentenzorg zich daartegen niet verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>De vergunning kan op grond van artikel 2.33 lid 2
                                    onder g van de Wabo, door het bevoegd gezag geheel of
                                    gedeeltelijk worden ingetrokken:</al><al> 1<cursief>.</cursief> indien blijkt dat de vergunning ten
                                    gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;</al><lijst><li nr="2."><al>indien blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften
                                            als bedoeld in artikel 10 niet naleeft;</al></li><li nr="3."><al>indien de omstandigheden van de zijde van de
                                            vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd, dat het belang
                                            van het gemeentelijk monument zwaarder moet wegen;</al></li><li nr="4."><al>indien de vergunninghouder schriftelijk een verzoek tot
                                            intrekking indient;</al></li><li nr="5."><al>indien de activiteiten waarvoor vergunning is verleend
                                            niet ten uitvoer worden gebracht.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden
                                    aan de Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>GEMEENTELIJK DORPSGEZICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Aanwijzing en registratie van een gemeentelijk
                                dorpsgezicht</titel></kop><lid><lidnr>a</lidnr><al>De gemeenteraad kan een dorpsgezicht aanwijzen als gemeentelijk
                                dorpsgezicht en registreert deze vervolgens op de gemeentelijke
                                monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al>Voordat de gemeenteraad over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                zij advies aan de Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed.</al></lid><lid><lidnr>c</lidnr><al>De aanwijzing vervalt van rechtswege indien een dorpsgezicht is
                                aangewezen op grond van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>d</lidnr><al>Artikel 3, lid <cursief>b </cursief>en lid <cursief>d</cursief>
                                alsmede de artikelen 4 tot en met 9 zijn van overeenkomstige
                                toepassing. In genoemde artikelen moet ‘het college’ echter gelezen
                                worden als ‘de gemeenteraad’. De termijn genoemd in artikel 5, lid
                                    <cursief>a</cursief> wordt verlengd naar 16 weken.</al><al> De termijnen in artikel 5, lid <cursief>b</cursief> wordt
                                respectievelijk verlengd naar 12 en 24 weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>Het is verboden bouwwerken die zijn gelegen in een gemeentelijk
                            dorpsgezicht zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag of in
                            strijd met de bij zodanige vergunning gestelde voorschriften geheel of
                            gedeeltelijk te slopen waardoor het gemeentelijk dorpsgezicht, wordt
                            ontsierd of in gevaar gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bestemmingsplan</titel></kop><lid><lidnr>a</lidnr><al>Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk dorpsgezicht
                                wordt door de raad bepaald in hoeverre geldende bestemmingsplannen
                                als beschermend plan voldoen.</al></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al>De gemeenteraad stelt een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet
                                ruimtelijke ordening waarin de bescherming van de waarden van het
                                gemeentelijk dorpsgezicht geregeld is.</al></lid><lid><lidnr>c</lidnr><al>Alvorens het college de gemeenteraad een voorstel doet tot
                                vaststelling van een bestemmingsplan als verwoord in lid b, wordt de
                                Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed gehoord.</al></lid><lid><lidnr>d</lidnr><al>De Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed adviseert schriftelijk
                                binnen 12 weken na de datum van ontvangst van het verzoek om advies
                                van het college.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>ARCHEOLOGISCH MONUMENT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Aanwijzing en registratie</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al> Het bevoegd registreert op de gemeentelijke monumentenlijst
                                archeologische monumenten en kan daartoe uit eigener beweging of op
                                verzoek van belanghebbende terreinen aan toevoegen, afvoeren of
                                anderszins daarin wijzigingen aanbrengen.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> Artikel 3, de leden <cursief>b</cursief>,
                                    <cursief>d</cursief> en <cursief>e</cursief> alsmede de
                                artikelen 4 tot en met 9 zijn van overeen-komstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Het is verboden om in een archeologisch monument of in een
                                archeologisch waardevol gebied dan wel een gebied met een hoge of
                                middelhoge archeologische verwachting, bedoeld in artikel 1, onder
                                    <cursief>o</cursief> en <cursief>p</cursief>, de bodem te
                                verstoren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing
                                indien:</al><lijst><li nr="1."><al> in een archeologisch waardevol gebied, aangeduid op de
                                        gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart
                                        met legenda-eenheid 2 of 9, de verstoring niet dieper reikt
                                        dan 30 cm;</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>in een archeologisch waardevol gebied, aangeduid op de
                                        gemeentelijke archeo-logische waarden- en verwachtingenkaart
                                        met legenda-eenheid 3, de verstoring niet dieper reikt dan
                                        30 centimeter <cursief>en</cursief> het te verstoren
                                        oppervlak kleiner is dan 10 m²;</al></li><li nr="3."><al>in een gebied met een hoge archeologische
                                        verwachtingswaarde, aangeduid op de gemeentelijke
                                        archeologische waarden- en verwachtingenkaart met
                                        legenda-eenheid 4, 5 of 7 de verstoring niet dieper reikt
                                        dan 30 centimeter <cursief>en</cursief> het te verstoren
                                        gebied kleiner is dan 30 m²;</al></li><li nr="4."><al>in een gebied met een lage archeologische
                                        verwachtingswaarde, aangeduid op de gemeentelijke
                                        archeologische waarden- en verwachtingenkaart met
                                        legenda-eenheid 6 of 8, de verstoring niet dieper reikt dan
                                        100 cm<cursief> en</cursief> het te verstoren oppervlak
                                        kleiner is dan 1000 m²;</al></li><li nr="5."><al>in het geldende bestemmingsplan voorschriften zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg en aan de maatregelen
                                        die genomen dienen te worden het erfgoed ‘in situ’ te
                                        bewaren, voldaan is;</al></li><li nr="6."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,
                                        eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="7."><al>het bevoegd gezag nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch monument, een archeologisch waardevol
                                        gebied of een archeologisch verwachtingsgebied als
                                        aangegeven op gemeentelijke archeologische beleidskaart,
                                        of</al></li><li nr="8."><al>een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde
                                        van het te verstoren terrein naar het oordeel van het
                                        college in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt
                                        dat:</al><al><cursief> a.</cursief> het behoud van de
                                        archeologische waarden in voldoende mate kan worden
                                        geborgd;</al><al>of</al><al><cursief> b.</cursief> de archeologische waarden
                                        door de verstoring niet onevenredig worden geschaad;</al><al> of </al><al><cursief> c.</cursief> in het geheel geen
                                        archeologische waarden aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al><cursief>a</cursief>Indien binnen het grondgebied van de
                                gemeente Wassenaar onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het
                                doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h van de
                                Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van
                                deze wet:</al><lijst><li nr="1."><al>het bevoegd gezag een programma van eisen vast te stellen
                                        als bedoeld in artikel 1 onder <cursief>u </cursief>waarbij
                                        nadere regels worden gesteld ten aanzien van het
                                        onderzoek;</al></li><li nr="2."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoel in artikel 1 onder <cursief>t</cursief>
                                        van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag
                                        te overleggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>In de nadere regels neemt het bevoegd gezag bepalingen op
                                met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het
                                plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het
                                bevoegd gezag in acht te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het
                                programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het
                                bevoegd gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de
                                Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>GROENMONUMENT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Aanwijzing groenmonument</titel></kop><lid><lidnr>a</lidnr><al>Het college kan een groenelement of structuur aanwijzen als
                                gemeentelijk groenmonument.</al></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al>Artikel 3, de leden <cursief>b</cursief>,<cursief> d
                                    </cursief>en<cursief> e</cursief> alsmede de artikelen 4 tot en
                                met 14 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>BEELDBEPALENDE ZAKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Aanwijzing tot beeldbepalende zaak</titel></kop><lid><lidnr>a</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op verzoek van belanghebbende,
                                besluiten een object, gebouw, groenelement of structuur aan te
                                wijzen als beeldbepalende zaak.</al></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al>Artikel 3, <cursief>b</cursief> tot en met <cursief>e</cursief>, en
                                artikelen 4 tot en met 14 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>BESCHERMDE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>a</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de commissie Welstand en Cultureel Erfgoed.</al></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al>De Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed adviseert schriftelijk
                                over de aanvraag binnen acht weken na de datum van ontvangst van het
                                afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade
                                lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
                                zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn
                                aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe,
                                indien de schade in relatie staat tot:</al><lijst><li nr="1."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als
                                        bedoeld in artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="2."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                        vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="3."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                        artikel 10, onder <cursief>b</cursief>;</al></li><li nr="4."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                        artikel 19, onder <cursief>b</cursief>, sub 7;</al></li><li nr="5."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 20, onder
                                            <cursief>b</cursief>, tweede volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen
                                van de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van
                                artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10, artikel
                            16 of artikel 19 met uitzondering van het bepaalde in het achtste lid,
                            van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Binnentreden</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Zo dikwijls de zorg voor de naleving van deze verordening dit
                                vereist, kan door het college machtiging worden verstrekt, al dan
                                niet besloten ruimten en plaatsen, met uitzondering van woningen,
                                desnoods tegen de wil van de rechthebbende, bewoner of gebruiker, te
                                betreden, aan (een) door het college aangewezen
                                toezichthouder(s).</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de
                                opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze
                                verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van
                                de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de
                                gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een
                                woning zonder toestemming van de bewoner.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Artikel 5.13 van de Wabo is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening Wassenaar 2004 wordt ingetrokken op het moment
                            dat deze verordening in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>De op grond van de Monumentenverordening Wassenaar 2004
                                aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, gemeentelijke
                                dorpsgezichten en beeldbepalende zaken worden geacht aangewezen en
                                geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de
                                inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met
                                inachtneming van de Monumentenverordening gemeente Wassenaar
                                2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening gemeente
                            Wassenaar.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Wassenaar, 14 juni 2010</al><al>De Raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>De griffier, De voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Erfgoedverordening gemeente Wassenaar</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De wijziging van de Monumentenverordening Wassenaar 2004 hangt vooral samen met
                    de bepalingen die voortkomen uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    (Wabo, 2010), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet
                    Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Regeling omgevingsrecht
                    (Mor).</al><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de ‘één-loket-gedachte’.
                    Dit houdt in dat er voor verschillende werkzaamheden maar één vergunning hoeft
                    te worden aangevraagd: de omgevingsvergunning. Ook de monumentenvergunning maakt
                    deel uit van de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning wordt vervolgens
                    door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. Derhalve is de
                    monumentenvergunning volledig geïntegreerd in de omgevingsvergunning</al><al>Verder zijn de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de archeologische
                    monumentenzorg (Wamz, september 2007) opgenomen in deze verordening. Met de
                    inwerkingtreding van de Wamz zijn de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten
                    gewijzigd.</al><al>De bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gehanteerde systematiek,
                    zoals die ook is toegepast in de modelverordening van de VNG (versie februari
                    2010) zijn eveneens als uitgangspunt genomen voor het opstellen van deze
                    verordening. Daarnaast is ook rekening gehouden met het specifieke Wassenaarse
                    beleid, zoals verwoord in de ‘Startnotitie Cultureel Erfgoed: naar een integraal
                    monumenten- en archeologiebeleid’ in de gemeente Wassenaar (2003), het
                    Aanwijzingsbeleid voor gemeentelijke monumenten (2008) en de archeologienota
                    ‘Het bodemarchief ontrafeld (2009)’.</al><al>In vervolg op de aandacht die al in de Monumentenverordening Wassenaar 2004 is
                    besteed aan archeologie, maar ook aan de historische ruimtelijke kwaliteiten en
                    aan het cultuurlandschap is het logisch dat deze nieuwe verordening als titel
                        <cursief>Erfgoedverordening Gemeente Wassenaar</cursief> krijgt.</al><al>De hoofdpunten die in de verordening worden geregeld zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>de aanwijzing van onroerende zaken, terreinen, bomen of gebieden tot
                            gemeentelijk monument (tevens inhoudende een archeologisch monument, een
                            groenmonument en een kerkelijk monument), beeldbepalende zaken en
                            gemeentelijk beschermd dorpsgezichten;</al></li><li nr="·"><al>het vergunningenstelsel voor gemeentelijke- en beschermde
                            monumenten;</al></li><li nr="·"><al>het instandhoudingsregime voor archeologische monumenten, archeologisch
                            waardevolle gebieden, dan wel gebieden met een hoge of middelhoge
                            archeologische verwachting, en </al></li><li nr="·"><al>de inschakeling van de Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed als
                            onafhankelijk advies orgaan dat adviseert over de toepassing van de
                            Monumentenwet 1988, deze verordening en het gemeentelijk
                            erfgoedbeleid.</al></li></lijst><al>Deze in het bijzonder op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en
                    aanverwante landelijke wet- en regelgeving aangepaste verordening treedt in
                    werking op het tijdstip waarop artikel 2.1 en/of artikel 2.2 van de Wabo in
                    werking treedt.</al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>Bij de omschrijving van het begrip “monument” is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving in de Monumentenwet 1988 met uitzondering van de vijftig-jaren
                    grens, die in het kader van de Modernisering Monumentenzorg (2009) uit de wet
                    zal worden gehaald. Hierop anticiperend biedt de gemeentelijke
                    monumentenverordening nu reeds de mogelijkheid om zaken die (nog) niet in
                    aanmerking komen voor rijksbescherming wel aan te wijzen als gemeentelijk
                    monument. Dit voorkomt een noodzakelijke aanpassing van deze verordening als de
                    wet op dit punt wordt aangepast.</al><al>Het begrip esthetiek wil geen waardeoordeel geven over wat mooi of lelijk is,
                    maar heeft vooral betrekking op de architectuurhistorische waarde van een
                    monument.</al><al>De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting bij de
                    Monumentenwet 1988 de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt
                    door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de
                    geschiedenis van dat object of dat gebied heeft gemaakt. Het begrip
                    cultuurhistorische waarde is daarmee ruim gedefinieerd zodat het ook betrekking
                    kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige, bouwhistorische,
                    stedenbouwkundige of cultuurlandschappelijke waarde. Daarnaast vallen ook
                    kleinere zaken zoals hekwerken, lantaarnpalen en straatmeubilair onder het
                    begrip cultuurhistorie. De onder artikel 1 sub a 1 en 2 bedoelde terreinen
                    kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en percelen met een of meer bomen zijn. Het
                    is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt teneinde
                    over een monument te kunnen spreken.</al><al>Onder het begrip ‘zaak’ worden alleen <cursief>onroerende</cursief> zaken
                    verstaan. Ook aard- of nagelvaste zaken als kerkorgels of schouwen vallen
                    daaronder. Roerende zaken vallen buiten de werking van de verordening, omdat het
                    effectueren van bescherming daarvan lastig is. Roerende zaken zijn immers
                    eenvoudig verplaatsbaar.</al><tussenkop>Sub c</tussenkop><al>Voor de begripsomschrijving is aangesloten bij de Wabo, die vervolgens verwijst
                    naar de Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een
                    onroerend monument, dat is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988
                    vastgesteld register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de
                    bepalingen uit de Wabo van toepassing </al><tussenkop>Sub d</tussenkop><al>Conform de monumentenwet 1988 artikel 1, lid <cursief>f </cursief> bestaat de
                    voorwaarde dat in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht, zich één of meer
                    monumenten bevinden.</al><tussenkop>Sub e</tussenkop><al>Een beeldbepalende zaak heeft een belangrijke toegevoegde waarde voor de
                    beeldkwaliteit van de openbare ruimte. De stedenbouwkundige,
                    cultuurlandschappelijke, dan wel ensemblewaarde spelen hier een overwegende rol.
                    Het gaat in dergelijke gevallen om het totaalbeeld van die zaak waarbij de
                    kwaliteit, omvang en de vormgeving van het exterieur leidende uitgangspunten
                    kunnen zijn.</al><tussenkop>Sub f</tussenkop><al>Onder gemeentelijk groenmonument wordt verstaan solitaire bomen of groepen van
                    bomen, die een duidelijke relatie hebben met de bebouwde omgeving of een
                    bepaalde cultuurlandschappelijke context en daarmee dus cultuurhistorische,
                    betekenis of functie hebben. Het kan dus gaan om elementen (bijvoorbeeld een
                    Wilhelminaboom) of structuren (zoals laanbomen, windsingels). Het is mogelijk
                    dat dergelijke groene elementen op particuliere terreinen staan. Het aanwijzen
                    van een gemeentelijk groenmonument behoort tot de beleidsvrijheid van de
                    gemeente.</al><tussenkop>Sub g</tussenkop><al>Ingeval van aanwijzing van een kerkelijke zaak tot beschermd gemeentelijk
                    monument is overleg tussen eigenaar en gemeente nodig (zie artikel 3, lid
                        <cursief>c</cursief>). De gemeentelijke monumentenverordening sluit in dit
                    geval aan bij de Monumentenwet 1988. Is sprake van een vergunning voor het
                    gemeentelijke of rijksbeschermde kerkelijke monument, dan is overeenstemming
                    tussen eigenaar en vergunningverlener nodig (zie artikel 10 lid
                        <cursief>c</cursief>). Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke
                    belangen van de godsdienstuitoefening in het kerkelijke monument. Voor
                    bijvoorbeeld een <cursief>pastorie</cursief>, een
                        <cursief>catechisatieruimte</cursief> of <cursief>verblijven van
                        kloosterlingen</cursief> geldt deze verbijzondering voor kerkelijke
                    monumenten in de regel dan ook niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor
                    de andere monumenten gelden.</al><tussenkop>Sub h</tussenkop><al>Het betreft de lijst waarop de gemeente in overeenstemming met de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het is een openbaar document (zie artikel 7
                        lid<cursief> c</cursief>). Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is de aanwijzing als gemeentelijke monument die
                    rechtsgevolg beoogt. De aanwijzing en plaatsing zijn daarom uit elkaar
                    getrokken. Zie artikel 3, lid a en artikel 7.</al><tussenkop>Sub i</tussenkop><al>Door de Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed (Commissie WCE) in deze
                    begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de Monumentenwet
                    1988 te adviseren aan het college van burgemeester en wethouders, is voldaan aan
                    het vereiste, genoemd in artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988.</al><al>De Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed kent een brede samenstelling en
                    bestaat uit onafhankelijk en deskundige leden. Voor een deskundige, integrale
                    advisering is het wenselijk dat in de Commissie leden zitting hebben die kennis
                    hebben op het gebied van <cursief>bouwhistorie/architectuurhistorie/
                        cultuurhistorie, landschap - en tuinarchitectuur</cursief>,
                        <cursief>restauratiearchitectuur</cursief>, <cursief>historische geografie/
                        historische stedenbouw</cursief>, <cursief>stedenbouwkunde en architectuur,
                        archeologie en plaatselijke deskundigheid bezitten</cursief>. Deze brede
                    samenstelling is nodig omdat welstand en het culturele erfgoed in de gemeente
                    Wassenaar een bundeling is van de hierboven genoemde disciplines.</al><al>Omdat de onderwerpen verschillende disciplines raken (architectuur,
                    bouwhistorie, archeologie, historische geografie en planologie) kan de Commissie
                    alleen die leden oproepen die voor de geagendeerde kwesties nodig zijn. Het
                    voordeel van een volledig geïntegreerde Commissie WCE is vooral dat meerdere
                    beleidsaspecten over één onderwerp gelijktijdig worden behandeld zodat in de
                    advisering daar rekening mee kan worden gehouden.</al><al>De Commissie WCE dient wel rekening te houden met de gescheiden wettelijke taken
                    (Woningwet, Afdeling 3 De Welstand en de Monumentenwet 1988). Met de invoering
                    van de nieuwe Woningwet wordt van de gemeente verlangd dat een
                    cultuurhistorische analyse deel uitmaakt van het gebiedsgerichte
                    Welstandsbeleid. Vooral de Welstandadvisering bij bouwplannen in een beschermd
                    dorpsgezicht kan door de geïntegreerde Commissie WCE ook van een
                    cultuurhistorische component voorzien worden. Alhoewel de adviezen gestoeld
                    dienen te zijn op gescheiden wetgeving en in het kader van de Monumentenwet het
                    oogpunt vanuit monumentenzorg leidend dient te zijn, kan dit wel resulteren in
                    een gezamenlijk dan wel geïntegreerd advies. Omdat er één Commissie WCE bestaat,
                    kunnen zo de noodzakelijke procedures efficiënter en effectiever worden
                    doorlopen.</al><tussenkop>Sub j</tussenkop><al>Het betreft hier landelijk vastgestelde richtlijnen voor bouwhistorisch
                    onderzoek (Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, april 2009, opgesteld onder
                    auspiciën van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Stichting Bouwhistorie
                    Nederland, Atelier Rijksbouwmeester en Rijksgebouwendienst). Een dergelijk
                    rapport bevat onder meer een beschrijving en analyse van de bouwhistorische
                    aspecten, een waardering met conclusies, een visie met aanbevelingen en
                    tekeningen en foto’s van de besproken aspecten.</al><tussenkop>Sub k</tussenkop><al>Een redengevende omschrijving is nodig om een zaak voor te kunnen dragen voor
                    gemeentelijke bescherming. De omschrijving geeft onder meer aan om wat voor
                    soort object (typologie) het gaat en welke bijzondere cultuurhistorische waarden
                    er zijn die een plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst rechtvaardigen. Er
                    wordt daarbij ook gemotiveerd waarom het object van belang is. In de toelichting
                    van artikel 3, sub a wordt aangegeven welke algemene criteria worden gehanteerd.
                    Een meer uitgebreide toelichting op de criteria wordt gegeven in het rapport
                    ‘Baden in Weelde’(april 2009).</al><tussenkop>Sub l</tussenkop><al>De term “archeologisch monument” wordt apart gedefinieerd in verband met de
                    enigszins afwijkende positie die een archeologisch monument inneemt ten aanzien
                    van de vergunningverlening.</al><al>Ten eerste is er verschil in behandeling tussen een rijks- en gemeentelijk
                    archeologisch monument bij een vergunningaanvraag. Het beslissen op een aanvraag
                    voor het verstoren of in enig opzicht wijzigen van een gemeentelijk monument is
                    een bevoegdheid van het college als bevoegd gezag. Als echter sprake is van een
                    beschermd archeologisch rijksmonument beslist de minister op de
                    vergunning-aanvraag. Ten tweede regelt de Monumentenwet 1988 dat het doen van
                    een opgraving alleen plaats mag vinden met vergunning van de minister.</al><tussenkop>Sub m</tussenkop><al>Archeologisch onderzoek is bedoeld om de archeologische waarden te kunnen
                    vaststellen. Niet in alle gevallen hoeft de bodem daarbij verstoord te worden.
                    Dit is het geval wanneer bureauonderzoek volstaat. Verder onderzoek bestaat
                    daarnaast uit het zetten van boringen, het plaatsen van proefsleuven en in het
                    uiterste geval het uitvoeren van een opgraving. Overeenkomstig de Monumentenwet
                    1988 dient uit te voeren archeologisch onderzoek te voldoen aan de in de
                    beroepsgroep geldende norm. Dit betreft de Kwaliteitsnorm Nederlandse
                    Archeologie (KNA).</al><tussenkop>Sub n</tussenkop><al>De gemeente Wassenaar heeft een gemeentelijke archeologische waarden- en
                    verwachtingenkaart vastgesteld. Deze is opgenomen in de gemeentelijke nota ‘Het
                    bodemarchief ontrafeld’ (2009).</al><tussenkop>Sub o t/m s</tussenkop><al>Het bodemarchief wordt op verschillende manieren aangeduid. Daar waar
                    archeologische sporen, al of niet door eerder uitgevoerd inventariserend
                    bodemonderzoek, daadwerkelijk zijn vastgesteld, spreekt men van archeologische
                    waarden. Waar dergelijke sporen niet zijn vastgesteld spreekt men van
                    archeologische verwachtingen. In gebieden met een hoge verwachting, is de kans
                    op het aantreffen van archeologische sporen het grootst, in gebieden met een
                    lage archeologische verwachting is die kans klein.</al><tussenkop>Sub u</tussenkop><al>Een Programma van Eisen (P.v.E) is een document waar in het bijzonder de
                    wetenschappelijke vraagstelling is omschreven en waarmee duidelijk wordt gemaakt
                    welke vraagstelling beantwoord dient te worden met het beoogde archeologisch
                    onderzoek.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming,
                    maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent; één en
                    ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand. Dit artikel is van
                    belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van monumenten en bij de
                    besluitvorming op een vergunningaanvraag.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>De aanvraag voor de aan te wijzen onroerende zaak of het terrein dient minimaal
                    de volgende gegevens te bevatten: adresgegevens, kadastrale gegevens,
                    eigenaargegevens. Deze gegevens worden ook opgenomen bij de registratie (zie
                    artikel 7, lid b). Het besluit dient gebaseerd te zijn op een redengevende
                    omschrijving (zie artikel 1, sub k). Bij de waardestelling worden de volgende
                    criteria gehanteerd: cultuurhistorische en wetenschappelijke waarde, de
                    architectuurhistorische en esthetische waarde, ensemble waarde, gaafheid,
                    herkenbaarheid, zeldzaamheid. Het aanwijzingsbeleid voor gemeentelijke
                    monumenten is in maart 2008 vastgesteld. Hierin zijn de kaders vastgesteld en
                    wordt ook de procedure kort geschetst. Een uitwerking hiervan is het rapport
                    ‘Baden in Weelde’(april 2009), waarin de criteria nader zijn toegelicht.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college van
                    burgemeester en wethouders. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot
                    aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten
                    opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd
                    in het besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht
                    op schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers niets aan het bestaande
                    gebruik van het monument.</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders moet het advies inwinnen van de
                    Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed. Voordat er een besluit wordt genomen,
                    worden op grond van de artikelen 4:8 en 4:9 van de Awb de aanvrager en andere
                    belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.</al><al>De verordening bindt het advies van de Commissie WCE niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. De aangewezen plaats daarvoor is het
                    reglement voor de Commissie WCE, die de taak en werkwijze van de Commissie WCE
                    regelt. Er wordt niet bepaald dat de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord voordat het college van burgemeester en wethouders over een aanwijzing
                    een besluit neemt, omdat dit is geregeld in de artikelen 4:8 en 4:9 van de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarmee belanghebbenden binnen zes weken na
                    bekendmaking van een aanwijzingsbesluit een bezwaarschrift kunnen indienen.</al><tussenkop>Sub c</tussenkop><al>Zie hier voor de toelichting art. 1 sub g.</al><tussenkop>Sub d</tussenkop><al>Bouwhistorisch onderzoek geeft meer inzicht in de bouwgeschiedenis van een
                    gebouw. In de Monumentenwet 1988 is geen bepaling over bouwhistorisch onderzoek
                    opgenomen. Het laten verrichten van bouwhistorisch onderzoek behoort daarmee tot
                    de beleidsvrijheid van de gemeente. Historisch onderzoek is als onderbouwing
                    voor besluitvorming over (on-) mogelijkheden tot restauratie van een pand van
                    grote waarde gebleken. Dat geldt eveneens voor de documentatiewaarde van dit
                    type onderzoek. Op grond van de informatie uit historisch onderzoek is het
                    mogelijk een bewuste afweging te maken over consequenties van ingrepen. Keuze
                    voor toepassing van dit instrument ligt daarmee voor de hand. Bouwhistorisch
                    onderzoek kan gevraagd worden bij de aanwijzing tot monument (zie artikel 3, lid
                    c) <cursief>en </cursief>bij de besluitvorming op een vergunningaanvraag (zie
                    artikel 12, lid c).</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor gemeentelijke monumenten, zoals die
                    ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van kennisgeving
                    van het voornemen van het college om aanwijzingsprocedure te starten tot het
                    daadwerkelijke aanwijzingsbesluit onherroepelijk is (dit kan ook een afwijzing
                    zijn), de artikelen 10 tot en met 14 van deze verordening van toepassing zijn.
                    Dat betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot
                    gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.)
                    zonder een omgevingsvergunning voor monumenten.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de Commissie Welstand en
                    Cultureel Erfgoed moet adviseren (lid a) en het college van burgemeester en
                    wethouders een beslissing moet nemen (lid b). Het bepaalde in lid b heeft tot
                    gevolg dat, wanneer de Commissie niet tijdig adviseert, het college de volgende
                    keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te
                    laat uitgebracht advies als bedoeld in lid a) toch in hun overwegingen te
                    betrekken.</al><al>Als het college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een
                    fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de
                    mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel
                    besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3:6).</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>De mededeling van de aanwijzing tot gemeentelijk beschermd monument van het
                    college van burgemeester en wethouders is voor de eigenaar en de anderszins
                    zakelijk gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat de
                    mededeling door de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de mededeling
                    bij <cursief>aangetekend</cursief><cursief>schrijven met bewijs van
                        ontvangst</cursief> uitgaan. In latere instantie kan de eigenaar of de
                    anderszins zakelijk gerechtigde zich dan niet beroepen op het feit dat men niet
                    is geïnformeerd over de aanwijzing.</al><al>Dit artikel regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en
                    de aanvrager, omdat de Awb zulks bepaalt (afdeling 3.6). Is artikel 4:8
                    toegepast (het horen van geadresseerde en van derde belanghebbenden) en is van
                    de daar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan dienen de betrokkenen op grond
                    van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand, in- en uitwendig,
                    onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich op het
                    kadastrale perceel van het gemeentelijk monument bevinden, zoals bijgebouwen,
                    tuininrichting en bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de
                    werking van de verordening vallen. Voor elke wijziging van het gemeentelijke
                    monument is een vergunning nodig. Er dient namelijk getoetst te worden of er
                    geen monumentale waarden verloren gaan. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in
                    verband met kadastrale vernummering, kan ook een plattegrond worden
                    aangehecht.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Door dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    te wijzigen (lid a), bijvoorbeeld als gevolg van nieuwe inzichten. Hiervoor
                    geldt dezelfde voorbereidingsprocedure (advies van de Commissie Welstand en
                    Cultureel Erfgoed of eventueel archeologische begeleidingscommissie of eigenaar
                    van een kerkelijk monument) als voor de aanwijzing (lid b), tenzij de wijziging
                    van ondergeschikte betekenis is (lid c), waarmee bedoeld wordt dat de wijziging
                    niet de monumentale waarde van het monument verandert. Wijzigingen in de
                    aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid d).</al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in
                    te trekken (lid a). Ook hiervoor geldt dat het advies van de Commissie Welstand
                    en Cultureel Erfgoed nodig is en dat het besluit nader gemotiveerd moet worden.
                    Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is
                    ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor zijn gegaan),
                    worden door het college van burgemeester en wethouders van de monumentenlijst
                    gehaald.</al><al>Lid b regelt dat monumenten die na aanwijzing als gemeentelijk monument worden
                    geregistreerd als beschermd monument, vanaf dat tijdstip geacht worden niet meer
                    te zijn aangewezen als gemeentelijk monument.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een object, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen, conform de
                    richtlijnen genoemd onder artikel 1, lid j. Enerzijds voor een goede afweging
                    van de aanvraag, anderzijds wordt daarmee het object voorafgaand aan een
                    eventuele wijziging of sloop goed gedocumenteerd.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>De op de instandhouding van het monument gerichte verbodsbepaling in het eerste
                    lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met artikel 2.1, van de Wabo waarbij het
                    gaat om van rijkswege beschermde monumenten. In dit artikel gaat het over
                    gemeentelijke monumenten en die vallen onder artikel 2.2. van de Wabo.</al><al>In artikel 10, lid b wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om nadere
                    regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod uit het
                    eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. Deze bepaling valt buiten
                    de Wabo. Het college is hiervoor het bevoegde gezag en kan hiervoor nadere
                    toetsingscriteria uitwerken. In algemene zin dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor een gemeentelijk monument is
                    in de Wabo bepaald dat de algemene indieningvereisten en de indieningvereisten
                    uit de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) van toepassing zijn. In het
                    kader van de Wabo dient de gemeente, via het Omgevingsloket Online (OLO), een
                    digitale aanvraag mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier.</al><al>Een burger heeft de keuze tussen het digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van
                    de omgevings-vergunning. Voor ondernemingen en personen met een zelfstandig
                    beroep geldt in beginsel geen keuzevrijheid, zij kunnen echter vanaf 1 januari
                    2012 uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen. Het bevoegd gezag mag
                    toestaan dat een aanvraag in zijn geheel schriftelijk wordt ingediend.</al><al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning inzake een monument is het
                    noodzakelijk de genoemde bescheiden aan te leveren om de bouwkundige situatie
                    van vóór de restauratiewerkzaamheden vast te leggen. De documentatiewaarde van
                    deze documenten is groot. De bescheiden zijn ook van belang om inzicht te geven
                    welke bouwkundige wijzigingen zullen plaatsvinden. Tevens dient te worden
                    aangegeven op welke wijze de voorgestelde ingrepen bijdragen aan de
                    instandhouding van het monument. Bouwhistorisch onderzoek kan een bijdrage
                    leveren aan de motivering op welke wijze de voorgestelde ingrepen bijdragen aan
                    de instandhouding van het monument. Aangezien de gemeente formeel de taak heeft
                    de restauratiewerkzaamheden te begeleiden, zijn de bescheiden ook van belang
                    voor de vaststelling of de restauratiewerkzaamheden volgens plan worden
                    uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                    opzichte van de vorige verordening. Op basis daarvan was op de voorbereiding van
                    deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure uit de
                    Awb van toepassing verklaard. Op grond van de Wabo is deze procedure niet meer
                    nodig geacht voor de vergunning betreffende de gemeentelijke monumenten. Echter,
                    indien er meerdere activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd en
                    voor één van de andere activiteiten de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg moet worden, dan wordt voor
                    het hele project de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd.
                    Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één procedure geldt. Indien er
                    sprake is van een samenloop van procedure geldt de zwaarste procedure (de
                    uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).</al><al>Het bevoegd gezag kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid, Wabo
                    ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te
                    brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de (gemeentelijke)
                    monumentencommissie.</al><al>Voor het uitbrengen van advies door de Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed
                    is daarom in dit artikel bepaald dat deze binnen 4 weken advies uitbrengt (zie
                    lid b). Gegeven een beslistermijn van 8 weken heeft de Commissie een redelijke
                    adviestermijn (4 weken) alsmede het bevoegd gezag (4 weken) om het advies van de
                    Commissie te verwerken en een besluit voor te bereiden.</al><al>In artikel 3.9. lid 3 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist.</al><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>In het kader van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van
                    monumenten in het geding is. Het algemene toetsingcriterium is dat het behoud
                    van het monument, en van alle bijbehorende onderdelen van dat monument, altijd
                    de voorkeur heeft boven vernieuwing. Bij vernieuwing gaat er onherroepelijk
                    historisch materiaal verloren. Wordt er toch iets gewijzigd, dan is het
                    bestaande monument – de optelsom van ontwerp, hoofdvorm, materiaal, uitvoering
                    en details – het uitgangspunt. Dat is immers het geheel dat om weloverwogen
                    redenen op de monumentenlijst is geplaatst. Bij wijzigingen draait het telkens
                    om het vinden van een goede balans tussen de wensen van de gebruiker en de
                    mogelijkheden die het monument in de relatie tot de instandhouding van de
                    monumentale waarden biedt. Elke ingreep dient te worden gemotiveerd met een
                    zorgvuldige afweging.</al><al>Eén van de pijlers in de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (2009) is dat
                    monumenten staan nooit op zichzelf, maar onlosmakelijk verbonden zijn met hun
                    omgeving. De ruimtelijke en maatschappelijke context zegt vaak iets over de
                    functie en het type monument. Het monument zelf kan als een groter geheel worden
                    bezien, maar ook worden ‘ontleed’ in aparte onderdelen: de gevels, de kap, de
                    draagconstructie, de indeling van de plattegrond, interieurafwerking etc., die
                    vaak een functionele relatie en betekenis met elkaar hebben.</al><al>De gemeenten Wassenaar beschouwt monumenten op drie verschillende schaalniveaus.
                    Het eerste schaalniveau is de inpassing van het monument in zijn
                    landschappelijke of stedenbouwkundige omgeving. Type monument,
                    verschijningsvorm, en bouwstijl bepalen het tweede schaalniveau. Het derde
                    schaalniveau tenslotte heeft betrekking op de toepassing van materialen en
                    kleuren, de uitwerking in details en authenticiteit. Deze schaalniveaus spelen
                    bij de wijziging aan het monument en de beoordeling daarvan door het bevoegd
                    gezag een essentiële rol en zijn voor de gemeente Wassenaar het kader waarbinnen
                    vergunningaanvragen worden beoordeeld en zijn tevens kaderstellend voor wat de
                    gemeente beschouwd als ‘het belang van de monumentenzorg’ waarover dit artikel
                    spreekt.</al><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke intrekkinggronden welke zijn geregeld in
                    artikel 2.33 van de Wabo. De bepalingen onder 3 en 4 hebben de volgende
                    achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het
                    monument wijzigen (noodzaak tot aanpassing van het monument vervalt,
                    bijvoorbeeld door verkoop van het monument), dan zou het zo kunnen zijn dat als
                    er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het
                    monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag als
                    vergunningverlener (het college van burgemeester en wethouders) de mogelijkheden
                    hebben om de vergunning in te trekken. Dit zal zich ook kunnen voordoen, wanneer
                    geen gebruik gemaakt wordt van de vergunning, binnen de door de Wabo gestelde
                    termijn van drie jaar.</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><al>Gelet op de taak van de Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed, ligt het voor
                    de hand dat een afschrift van de intrekking aan de Commissie wordt gezonden. Er
                    kunnen zich omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de
                    Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed om advies te vragen. De Commissie kan
                    ook ongevraagd adviseren.</al><al>De in kennisstelling van de vergunninghouder en het met redenen omkleed moeten
                    zijn van het besluit zijn weggelaten, omdat artikel 3:41 Awb dit regelt.</al><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><al>Indien de cultuurhistorische waarden worden toegeschreven aan een bepaald gebied
                    in plaats van aan individuele objecten, kan de gemeenteraad overgaan tot de
                    aanwijzing van een gemeentelijk dorpsgezicht. Er kan sprake zijn van
                    cultuurhistorische waarden door bijvoorbeeld een bijzondere stedenbouwkundige
                    opzet van een gebied, of een door mensenhanden tot stand gekomen
                    cultuurlandschap. Hierbij spelen de structuur en aanleg een belangrijke rol. De
                    individuele objecten in het gebied, die daarbij als element een rol spelen, maar
                    worden niet (noodzakelijkerwijs) afzonderlijk beschermd. Via het bestemmingsplan
                    dient aan de bescherming verdere invulling te worden gegeven (zie artikel
                    17).</al><tussenkop>Artikel 16</tussenkop><al>Overeenkomstig de artikelen 10 en 19 die dienen ter bescherming en
                    instandhouding van gemeentelijke monumenten en archeologische monumenten regelt
                    dit artikel de instandhouding van de elementen die gezamenlijk een gemeentelijk
                    dorpsgezicht vormen.</al><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><al>Essentieel in deze bepalingen is dat de te beschermen kwaliteiten in een
                    gemeentelijk dorpsgezicht in een bestemmingsplan moeten worden beschreven en
                    vastgelegd. De voorschriften die in het bestemmingsplan worden opgenomen vormen
                    vervolgens het kader waaraan alle voorstellen tot aanpassing en dergelijke
                    dienen te worden getoetst.</al><tussenkop>Artikel 18</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders heeft als bevoegd gezag de
                    mogelijkheid archeologische terreinen een gemeentelijk beschermde status te
                    geven.</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><tussenkop>In gevallen waar het niet duidelijk is waaruit de archeologische waarden
                    bestaan, zal nader archeologisch onderzoek moeten worden verricht. Omwille van
                    de uniformiteit is aansluiting gezocht bij de procedure, advisering en
                    registratie die ook geldt voor gebouwde gemeentelijke monumenten.</tussenkop><tussenkop>Artikel 19</tussenkop><al>Met dit artikel geeft de gemeente Wassenaar invulling aan haar archeologisch
                    ‘zorgplicht’ zoals deze is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. In aanvulling op
                    het ‘archeoproof’ maken van bestemmingsplannen is in dit artikel een
                    beschermingsregime opgesteld dat bescherming geeft aan het Wassenaarse
                    bodemarchief voor zover dat niet wordt beschermd in haar bestemmingsplannen. Met
                    de in dit artikel aangeduide gebieden van archeologische waarden en gebieden met
                    een archeologische verwachting en met de hiervoor opgenomen vrijstellingsgrenzen
                    (uitgedrukt in oppervlakte- en dieptematen) sluit dit artikel aan op het
                    archeologieregime zoals dat ook door de gemeente wordt gehanteerd in haar
                    bestemmingsplannen. De legenda-eenheden die in dit artikel worden genoemd zijn
                    afkomstig van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart in de
                    gemeentelijke beleidsnota ‘Het bodemarchief ontrafeld’ (januari 2009), zoals die
                    niet alleen door Wassenaar, maar ook door beide partners in het Pact van
                    Duivenvoorde, Voorschoten en Leidschendam-Voorburg, wordt gehanteerd.</al><tussenkop>Artikel 20</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat het college zich uitspreekt over de belangrijkste
                    beginstadia van een opgraving, namelijk een Plan van Aanpak (PvA) en een
                    Programma van Eisen (PvE). Deze documenten zijn richtinggevend voor de wijze
                    waarop een opgraving wordt uitgevoerd en wat de resultaten zullen zijn van een
                    opgraving. Hiermee geeft de gemeente sturing aan een opgraving en geeft zij ook
                    te kennen bekend te zijn met de wijze waarop een opgraving plaatsvindt. </al><al>In de beleidsnota ‘Het bodemarchief ontrafeld’ is bepaald dat , samen met de
                    gemeenten Voorschoten en Leidschendam-Voorburg, een regio-archeoloog aangesteld
                    wordt .Deze kan een dergelijk collegebesluit goed voorbereiden en het college
                    ter zake kundig adviseren (zie lid <cursief>b</cursief>), maar ook kan
                    onafhankelijk advies worden gevraagd aan de Commissie WCE.</al><tussenkop>Artikel 21</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>De aanwijzing van groen elementen of structuren tot gemeentelijk groenmonument
                    is een beleidsvrijheid van het college. Voor de definitie van dit begrip wordt
                    verwezen naar artikel1, sub f. Het voeren van dit groenbeleid sluit aan bij het
                    feit dat de belangrijkste ‘groene’ kernkwaliteiten van Wassenaar voor een groot
                    deel worden bepaald door de cultuurlandschappelijke ontwikkeling die het heeft
                    door gemaakt. Het open landelijke karakter hangt daarbij vooral samen met de
                    agrarische ontwikkeling, terwijl het lommerrijke karakter het resultaat is van
                    de ontwikkeling van de buitenplaatsen en villawijken. Hierbij kunnen zowel
                    solitaire als ensembles van bomen cultuurhistorisch van belang zijn, die een
                    bescherming ervan rechtvaardigt. Bomen kunnen daarbij zowel op particuliere
                    terreinen staan als in de openbare ruimte of een cultuurhistorische of
                    typologische meerwaarde hebben zoals bijvoorbeeld een herdenkingsboom
                    (Wilhelminaboom) of windsingels (bij boeren erven).</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><tussenkop>Omwille van de uniformiteit is aansluiting gezocht bij de procedure,
                    advisering en registratie die geldt bij gemeentelijke monumenten. Daar waar het
                    om termen als slopen of afbreken, gaat heeft het hier betrekking op kappen en/of
                    snoeien.</tussenkop><tussenkop>Artikel 22</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>De aanwijzing van beeldbepalende zaken is een beleidsvrijheid van het college.
                    Naar analogie van de aanwijzing en registratie van objecten en archeologische
                    terreinen op de gemeentelijke monumentenlijst kan het college na advies van de
                    Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed een lijst van beeldbepalende zaken
                    opstellen. Een beeldbepalende zaak wordt alleen beschermd vanwege de
                    beeldbepalende uitstraling van het exterieur. Het interieur blijft buiten
                    beschouwing bij de toetsing van wijzigingen. De term “beeldbepalend” geeft al
                    aan dat het uitsluitend om de (architectonische) uitstraling en de grootte van
                    het volume in de directe omgeving gaat. Het stedenbouwkundig aspect en de
                    ensemble waarde spelen hierbij een belangrijke rol.</al><al>Bij het beoordelen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een
                    beeldbepalend zaak, richt de Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed, indien van
                    toepassing, haar aandacht op het in stand houden van:</al><lijst><li nr="1."><al>de bouwmassa, naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen;</al></li><li nr="2."><al>de dakvorm, nokrichting en dakhelling;</al></li><li nr="3."><al>de gevelindeling door bijvoorbeeld vensters, deuren en erkers;</al></li><li nr="4."><al>de dakoverstekken, goot en daklijsten;</al></li><li nr="5."><al>de stoepen, plinten, pilasters, gevellijsten en ornamenten;</al></li><li nr="6."><al>het materiaalgebruik;</al></li><li nr="7."><al>de bouwtypologie;</al></li><li nr="8."><al>de uitstraling of beeldbepaling in de openbare ruimte.</al><al> Een vergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                            kan worden geweigerd, indien door de uitvoering van de aangevraagde
                            werkzaamheden, dan wel door de te verwachten directe of indirecte
                            gevolgen, blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan het uitwendige
                            karakter van de zaak en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of
                            onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.</al></li></lijst><tussenkop>Sub b</tussenkop><tussenkop>Omwille van de uniformiteit is aansluiting gezocht bij de procedure,
                    advisering en registratie die geldt bij gemeentelijke monumenten</tussenkop><tussenkop>Artikel 23</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de
                    Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin
                    verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                    bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden.
                    Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                    voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten
                    plaats. Door de komst van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot.
                    Gedurende de termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen.
                    Voorheen konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen.</al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en buiten de bebouwde kom ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (artikel 6.4 Bor) na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet binnen
                    26 weken na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Deze termijn kan eenmaal
                    worden verlengd met 6 weken. Op het definitieve besluit kan nog slechts door
                    belanghebbenden beroep worden ingesteld.</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat een monumentencommissie bij de aanvragen
                    om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld. In
                    Wassenaar is dit de Commissie voor Welstand en Cultureel Erfgoed.</al><tussenkop>Artikel 24</tussenkop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg (Wamz), wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. Het
                    veroorzaker-betaalt-principe, zoals dat in de memorie van toelichting van de
                    Wamz is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding
                    voorop en geldt voor alle genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf
                    per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze
                    verordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke
                    gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een
                    schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al><al>Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de tegemoetkoming. De
                    procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro (Wet en besluit
                    ruimtelijke ordening) kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten
                    is het zinvol een inschatting te maken van de schade ten opzichte van de kosten
                    en omvang van deze procedure.</al><tussenkop>Artikel 25</tussenkop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, lid b
                    en artikel 19, met uitzondering van lid b, onder 8. De strafbaarstelling van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet
                    economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of
                    in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch
                    delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van
                    de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om enige
                    preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                    regels voor de hand liggend.</al><tussenkop>Artikel 26</tussenkop><al>De artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering wijzen de ambtenaren
                    aan die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast. Artikel 141 noemt de
                    ambtenaren met een algemene opsporingsbevoegdheid, zoals politieagenten. Uit de
                    bewoordingen van artikel 142 blijkt dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is om
                    in zijn verordeningen buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen. Aangezien
                    de gemeente geen opsporingsambtenaar kent, kan het bevoegd gezag medewerkers van
                    de gemeente Wassenaar aanwijzen als toezichthouder.</al><tussenkop>Artikel 27</tussenkop><al>Artikel 5.13 van de Wabo is de grondslag voor het betreden van open ruimten en
                    het binnentreden van beschermde gemeentelijke monumenten die geen woning zijn,
                    tegen de wil van de rechthebbende, bewoner of gebruiker. Woningen zijn
                    uitgezonderd in de Wet op het binnentreden.</al><tussenkop>Artikel 28</tussenkop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de vorige verordening, zodat niet twee
                    verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk
                    intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten met een
                    beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door
                    een latere regeling.</al><tussenkop>Artikel 29</tussenkop><al>Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande rechten is in deze
                    verordening een overgangsbepaling opgenomen. De bestaande rechten betreffen in
                    dit geval de aanwijzing tot monument en de vergunningverlening.</al><al>In het eerste lid worden de, op grond van de oude verordening, op de
                    gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen
                    en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten,
                    die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden
                    afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode
                    zullen er dus twee procedures gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de
                    Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is getreden zet de Wabo de
                    bepalingen uit de verordening aan de kant.</al><al>De Wabo gaat namelijk voor op lagere regelgeving. De bepalingen uit de
                    verordening zijn van rechtswege onverbindend. In dat geval gelden bij een nieuwe
                    aanvraag voor een vergunning dan uitsluitend de bepalingen uit de Wabo.</al><al>Op grond van de Overgangsrechtelijke bepalingen in paragraaf 1.2 van de Wabo is
                    bepaald dat alle eerder verleende vergunningen en ontheffingen op grond van de
                    Monumentenwet, de APV, de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet, onder de
                    werkingssfeer van de Wabo vallen vanaf de dag van de inwerkingtreding van de
                    Wabo, en gelijkgesteld worden met een omgevingsvergunnning.</al><tussenkop>Artikel 30</tussenkop><al>De inwerkingtreding van deze verordening is gekoppeld aan de inwerkingtreding
                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).</al><tussenkop>Artikel 31</tussenkop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>