<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR60769_2</dcterms:identifier><dcterms:title>ERFGOEDVERORDENING ZOETERMEER 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zoetermeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-06-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zoetermeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Postiljon 01-06-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening Zoetermeer 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 15</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-06-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011-000393</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>economie, volkshuisvesting en milieu</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Monumentenverordening Zoetermeer, vastgesteld bij raadsbesluit van 19 februari 2001, nr. 000751 en nadien gewijzigd.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>ERFGOEDVERORDENING ZOETERMEER 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="·"><al>a. gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening
                                    als beschermd gemeentelijk monument aangewezen: </al><lijst><li nr="o"><al>1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn
                                            esthetische waarde, cultuurhistorische waarde, betekenis
                                            voor de wetenschap, situering of
                                            zeldzaamheidswaarde;</al></li><li nr="o"><al>2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>b. gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="·"><al>c. beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="·"><al>d. stadsbouwmeester bijgestaan door erfgoeddeskundigen: het op
                                    basis van artikel 15 Monumentenwet 1988 ingestelde adviesorgaan
                                    met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te
                                    adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en het
                                    erfgoedbeleid,</al><al>hierna verder aan te duiden als stadsbouwmeester;bijgestaan door
                                    erfgoeddeskundigen: het op basis van artikel 15 Monumentenwet
                                    1988 ingestelde adviesorgaan met als taak het college op verzoek
                                    of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                                    de verordening en het erfgoedbeleid, hierna verder aan te duiden
                                    als stadsbouwmeester;</al></li><li nr="·"><al>e. archeologisch monument: monument als bedoeld onder a, dat van
                                    algemeen belang is wegens zijn betekenis voor de wetenschap of
                                    wegens zijn cultuurhistorische waarde op grond van historische
                                    gegevens of archeologisch onderzoek of waarnemingen;</al></li><li nr="·"><al>f. gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische
                                    kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het
                                    grondgebied, waarop archeologische monumenten zijn
                                    aangegeven;</al></li><li nr="·"><al>g. plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="·"><al>h. programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></li><li nr="·"><al>i. gemeentelijk stadsgezicht: groepen van onroerende zaken die
                                    van algemeen belang zijn wegens hun esthetische waarde, hun
                                    onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun
                                    wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde die
                                    overeenkomstig de bepalingen in deze verordening zijn aangegeven
                                    als beschermd gemeentelijk stadsgezicht;</al></li><li nr="·"><al>j. gemeentelijke lijst van stadsgezichten: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening gemeentelijk
                                    beschermde stadsgezichten;</al></li><li nr="·"><al>k. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; </al></li><li nr="·"><al>l. het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                    de gemeente Zoetermeer;</al></li><li nr="·"><al>m. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
                                    2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="·"><al>n. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                het college advies aan de stadsbouwmeester.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Voordat het college een monument met een religieuze bestemming
                                dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de
                                uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst,
                                voert hij overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen
                                op grond van de monumentenverordening van de provincie
                                Zuid-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De stadsbouwmeester adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het
                                advies van de stadsbouwmeester, maar in ieder geval binnen twintig
                                weken na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en
                                een beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn
                                van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan artikel
                                4 van de monumentenverordening van de provincie Zuid-Holland.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: </al><lijst><li nr="o"><al>a. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                        onder a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen
                                        of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="o"><al>b. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                        onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten
                                        gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of
                                        in gevaar gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met
                                een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede
                                lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het
                                een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het college kan aan een vergunning voorschriften verbinden in het
                                belang van het monument, zoals het verrichten van bouwhistorisch of
                                ander onderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in viervoud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de stadsbouwmeester voor advies.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de stadsbouwmeester schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="·"><al>a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="·"><al>b. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Beschermde monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de stadsbouwmeester.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De stadsbouwmeester adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Aanwijzing en registratie</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college registreert op de gemeentelijke monumentenlijst
                                archeologische terreinen en kan daartoe uit eigener beweging of op
                                verzoek van belanghebbende terreinen aan toevoegen, afvoeren of
                                anderszins daarin wijzigingen aanbrengen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Artikel 3, lid 2 en 4, en artikel 4 tot en met 9 zijn van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in
                                artikel 1, onder a, sub 2 en e, de bodem dieper dan 50 cm onder de
                                oppervlakte te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien; </al><lijst><li nr="o"><al>a. in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="o"><al>b. sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,
                                        eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="o"><al>c. het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch monument als aangegeven op de
                                        gemeentelijke archeologische waardenkaart;</al></li><li nr="o"><al>d. een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde
                                        van het te verstoren terrein naar het oordeel van het
                                        bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
                                        blijkt dat: </al><lijst><li nr="§"><al>• het behoud van de archeologische waarden in
                                                voldoende mate kan worden geborgd; of</al></li><li nr="§"><al>• de archeologische waarden door de verstoring niet
                                                onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="§"><al>• in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                                zijn.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Indien binnen het grondgebied van de gemeente Zoetermeer
                                onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen
                                in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient,
                                onverminderd de overige bepalingen van deze wet: </al><lijst><li nr="o"><al>a. het college een programma van eisen vast te stellen als
                                        bedoeld in artikel 1 onder h, waarbij nadere regels worden
                                        gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="o"><al>b. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan
                                        van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder g van deze
                                        verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te
                                        overleggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. In de nadere regels neemt het college bepalingen op met
                                betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan
                                van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het
                                college in acht te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma
                                van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd
                                gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de
                                Archeologische monumentenzorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 17, tweede lid, onder d, en
                            artikel 18, eerste lid, onder b.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Beschermde gemeentelijke stadsgezichten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>De aanwijzing tot beschermd stadsgezicht</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college kan een stadsgezicht aanwijzen als beschermd
                                gemeentelijk stadsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                zij advies aan de stadsbouwmeester. In spoedeisende gevallen kan het
                                vragen van dit advies achterwege blijven.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De aanwijzing kan geen stadsgezicht betreffen dat is aangewezen
                                op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of dat is
                                aangewezen op grond van artikel 13 van de monumentenverordening van
                                de provincie Zuid-Holland. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De stadsbouwmeester adviseert schriftelijk binnen twaalf weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het
                                advies van de stadsbouwmeester, maar in ieder geval binnen
                                vierentwintig weken na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke lijst van stadsgezichten</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college registreert het beschermde gemeentelijke stadsgezicht
                                op de gemeentelijke lijst van stadsgezichten.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De gemeentelijke lijst van stadsgezichten bevat de plaatselijke
                                aanduiding, de datum van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing van het
                                beschermde stadsgezicht en een beschrijving in woord en beeld van de
                                daarin vervatte cultuurhistorische waarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college kan de aanwijzing al dan niet op verzoek van een
                                belanghebbende wijzigen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Artikel 20, tweede en derde lid en artikel 21, eerste en tweede
                                lid zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van
                                de artikelen 20 en 21 achterwege.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De inhoud en datum van de wijziging wordt op de gemeentelijke
                                lijst van beschermde stadsgezichten aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college kan de aanwijzing intrekken.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Artikel 20, tweede lid en artikel 21, eerste en tweede lid zijn
                                van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of aan
                                artikel 13 van de monumentenverordening van de provincie
                                Zuid-Holland.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De datum van intrekking wordt op de gemeentelijke lijst van
                                beschermde stadsgezichten aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Vaststelling bestemmingsplan en advies van de
                                stadsbouwmeester</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd
                                stadsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet
                                ruimtelijke ordening.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stadsgezicht
                                wordt door het college bepaald in hoeverre geldende
                                bestemmingsplannen als beschermend in de zin van het eerste lid
                                kunnen worden aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Alvorens het college de gemeenteraad ter zake een voorstel doet,
                                wordt de stadsbouwmeester om advies gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De stadsbouwmeester adviseert schriftelijk binnen twaalf weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="·"><al>a. de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld
                                    in artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="·"><al>b. de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="·"><al>c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="·"><al>d. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 16, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="·"><al>e. een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede
                                    volzin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en
                            artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e,
                            van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast: </al><lijst><li nr="o"><al>a. Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 1; de met opsporing c.q. toezicht
                                        belaste personen;</al></li><li nr="o"><al>b. Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 2; de met opsporing c.q. toezicht
                                        belaste personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                                of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college
                                dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening Zoetermeer, vastgesteld op 19 februari 2001,
                            gewijzigd op 25 april 2005 en op 8 december 2008, wordt ingetrokken per
                            datum inwerkingtreding Erfgoedverordening Zoetermeer 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De op grond van de onder artikel 29 ingetrokken
                                Monumentenverordening Zoetermeer 2001 aangewezen en geregistreerde
                                gemeentelijke monumenten, gemeentelijke stadsgezichten en
                                gemeentelijke archeologische monumenten worden geacht aangewezen en
                                geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de
                                inwerkingtreding van de Erfgoedverordening Zoetermeer 2010 worden
                                afgehandeld met inachtneming van de in artikel 29 ingetrokken
                                Monumentenverordening Zoetermeer 2001.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking twee weken na de bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening Zoetermeer
                            2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 november 2010,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>A. Algemene toelichting</tussenkop><al>De wijziging van de Monumentenverordening Zoetermeer 2001 houdt verband met de
                    inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de
                    Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wabo), het
                    Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Regeling omgevingsrecht (Mor).</al><al>Verder zijn de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de archeologische
                    monumentenzorg (Wamz, september 2007) opgenomen in deze verordening. Met de
                    inwerkingtreding van de Wamz zijn de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten
                    gewijzigd.</al><tussenkop>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</tussenkop><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>- de bouwvergunning;</al></li><li nr="·"><al>- de aanlegvergunning;</al></li><li nr="·"><al>- de sloopvergunning;</al></li><li nr="·"><al>- de monumentenvergunning;</al></li><li nr="·"><al>- de milieuvergunning;</al></li><li nr="·"><al>- de kapvergunning.</al></li></lijst><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager vanaf 1 oktoberi 2010 één omgevingsvergunning
                    hoeft aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft aan op welke
                    activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking heeft. De
                    omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                    doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming.</al><tussenkop>Bevoegd gezag</tussenkop><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                    minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als
                    het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van
                    de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag indien het gaat
                    om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I
                    van het Bor omschreven.</al><tussenkop>De Wabo en de Erfgoedverordening</tussenkop><al>De monumentenvergunning integreert volledig in de omgevingsvergunning, omdat het
                    om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo
                    bepaald dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een krachtens een
                    verordening aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in
                    enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op
                    een wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. </al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald.</al><al>De hoofdpunten die in de verordening worden geregeld zijn: de aanwijzing van
                    onroerende zaken en terreinen tot gemeentelijk (archeologisch) monument) en
                    gemeentelijk beschermde stadsgezichten; het vergunningenstelsel voor
                    gemeentelijke monumenten; het instandhoudingsregime voor archeologische
                    monumenten; de inschakeling van de Welstandscommissie als onafhankelijk
                    adviesorgaan die adviseert over de toepassing van de Monumentenwet 1988, deze
                    verordening en het gemeentelijk erfgoedbeleid.</al><al>B.Artikelsgewijze toelichting</al><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemeen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Sub a</al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. Het begrip esthetiek wil geen waardeoordeel geven over
                    wat mooi of lelijk is, maar heeft vooral betrekking op de
                    architectuurhistorische waarde van een monument. De cultuurhistorische waarde is
                    volgens de Memorie van Toelichting bij de Monumentenwet 1988 de aan een bouwwerk
                    of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het
                    gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat
                    gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime omschrijving dat het ook betrekking
                    kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige en/of bouwhistorische
                    waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument
                    te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, al op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                    vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard roerend
                    zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van
                    de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het
                    echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                    wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van aanvullende
                    regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en
                    handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al>Sub b</al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                    artikel 7.</al><al>Sub c</al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar de
                    Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend
                    monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld
                    register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit
                    de Wabo van toepassing.</al><al>Sub d</al><al>In artikel 15 van de Monumentenwet is bepaald dat de gemeente in een verordening
                    de inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het bevoegd
                    gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld
                    in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De wetgever geeft hier dus aan
                    dat het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het
                    instellen van een commissie. Het instellen van de monumentencommissie door het
                    college moet door middel van een apart collegebesluit. In Zoetermeer is de
                    monumentencommissie geïntegreerd in de welstandscommissie. De taken van de
                    welstandscommissie strekken zich derhalve uit over de Erfgoedverordening, de
                    Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de welstandscommissie in deze
                    begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de Wabo te
                    adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel
                    15 van de Monumentenwet 1988. Wel dient de welstandscommissie rekening te houden
                    met de gescheiden wettelijke taken (Woningwet, afdeling 3, De Welstand en de
                    Monumentenwet 1988).</al><al>Sub e</al><al>De term gemeentelijk archeologisch monument wordt apart gedefinieerd in verband
                    met de enigszins afwijkende positie die een archeologisch monument inneemt ten
                    aanzien van de vergunningverlening.</al><al>Sub h</al><al>Een programma van eisen is een document waar in het bijzonder de
                    wetenschappelijke vraagstelling is omschreven en waarmee duidelijk wordt gemaakt
                    welke vraagstelling beantwoord dient te worden met het beoogde archeologische
                    onderzoek.</al><al>Sub l</al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak
                    afspeelt het bevoegd gezag is. </al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 2. Aanwijzing gemeentelijke monumenten</tussenkop><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten.</al><tussenkop>Artikel 2. Het gebruik van een monument</tussenkop><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf
                    aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de
                    ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf.</al><tussenkop>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</tussenkop><al>Lid 1</al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                    aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede lid)
                    of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid) worden
                    gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij
                    wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Om deze,
                    weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing
                    in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet
                    van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en
                    voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging
                    kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen
                    tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de
                    achterkant en het interieur in dat geval geen omgevingsvergunning voor
                    monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning voor het
                    bouwen.</al><al>Lid 2</al><al>Het college moet het advies inwinnen van de welstandscommissie als bedoeld onder
                    artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    welstandscommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al>Lid 3</al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen.</al><al>Lid 4</al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op een
                    monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><tussenkop>Artikel 4. Voorbescherming</tussenkop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten,
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument niet mag
                    worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning
                    voor monumenten of anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik
                    van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht, aangezien
                    hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn verbonden.
                    Immers, gedurende de voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden
                    opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                    van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de welstandscommissie moet
                    adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. </al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de welstandscommissie niet
                    tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                    beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in
                    het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet
                    tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering.
                    Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                    administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><tussenkop>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</tussenkop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><al>Door de aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand, in en
                    uitwendig, onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich
                    op het kadastrale perceel van het beschermde monument bevinden, zoals
                    bijgebouwen, tuininrichting en bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen
                    zij onder de werking van de verordening vallen. Voor elke wijziging van het
                    beschermde monument is een vergunning nodig. Daarbij wordt getoetst of
                    monumentale warden in het geding zijn.</al><tussenkop>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</tussenkop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><tussenkop>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</tussenkop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    welstandscommissie nodig. Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan
                    de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig
                    teloor gegaan), worden door het college van de monumentenlijst gehaald.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale
                    zaken</tussenkop><tussenkop>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</tussenkop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde
                    monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het alleen over
                    gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor
                    gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                    elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier.</al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor
                    de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn
                    specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                    monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke
                    indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van
                    deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten
                    bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zo kan het
                    overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar.</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet
                    alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van
                    nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het
                    bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan
                    gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het
                    reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers
                    niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met betrekking tot
                    kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met
                    een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die
                    situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen.
                    Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere)
                    wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels
                    worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden
                    geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.
                    Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie
                    en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk
                    zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het
                    object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al>De bepaling in lid 4 betreft de religieuze monumenten. Is er sprake van een
                    vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen de eigenaar en de
                    vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke
                    belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat betekent
                    dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling dan ook
                    niet geldt.</al><al>Lid 5. Bouwhistorisch onderzoek geeft inzicht in de bouwgeschiedenis van een
                    gebouw. In de Monumentenwet 1988 is geen bepaling opgenomen over bouwhistorisch
                    onderzoek. Het laten verrichten van bouwhistorisch onderzoek behoort daarmee tot
                    de beleidsvrijheid van de gemeente. Historisch onderzoek is als onderbouwing
                    voor besluitvorming over de mogelijkheden en onmogelijkheden tot restauratie van
                    een pand van grote waarde gebleken. Dat geldt eveneens voor de
                    documentatiewaarde van dit type onderzoek. Op grond van de informatie uit
                    historisch onderzoek is het mogelijk een bewuste afweging te maken over
                    consequenties van ingrepen. </al><tussenkop>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</tussenkop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    Aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                    diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                    jaren in werking te laten treden.</al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><tussenkop>Artikel 12. Termijnen advies en vergunningverlening</tussenkop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Echter indien er meerdere activiteiten
                    voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten
                    de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolgd
                    moet worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                    oorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één
                    procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure geldt de
                    zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).</al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om
                    deze hieronder nader toe te lichten.</al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de
                    Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming.</al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel
                    4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging
                    van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat
                    het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd
                    gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de
                    beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd
                    vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven,
                    indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en
                    bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het
                    bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem
                    gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met
                    vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag, nieuws- of
                    huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op
                    grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen.
                    In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de
                    mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb).</al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                    Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de (gemeentelijke)
                    welstandscommissie.</al><al>Voor het uitbrengen van advies door de welstandscommissie is daarom in dit
                    artikel bepaald dat deze binnen vier weken advies uitbrengt (zie lid 2). Gegeven
                    een beslistermijn van acht weken heeft de commissie een redelijke adviestermijn
                    (vier weken) alsmede het bevoegd gezag (vier weken) om het advies van de
                    commissie te verwerken en een besluit voor te bereiden. Wordt het advies niet
                    binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure
                    vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van acht weken in acht te
                    nemen. De termijn van acht weken kan met ten hoogste zes weken worden verlengd.
                    Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van
                    de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van zes weken is voornamelijk
                    bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het uitbrengen van een
                    advies.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                    waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt
                    in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist.</al><tussenkop>Artikel 13. Weigeringsgronden</tussenkop><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg.</al><al>Het uitgangspunt van de gemeente Zoetermeer is dat het behoud van het monument,
                    en van alle bijbehorende onderdelen van dat monument, altijd de voorkeur heeft
                    boven vernieuwing. Bij vernieuwing gaat er onherroepelijk historisch materiaal
                    verloren. Wordt er toch iets gewijzigd, dan is het huidige beschermde monument –
                    de optelsom van ontwerp, hoofdvorm, materiaal uitvoering en details – het
                    uitgangspunt. Dat is immers het geheel dat om weloverwogen redenen op de
                    monumentenlijst is geplaatst. Bij wijzigingen draait het om het vinden van een
                    goede balans tussen de wensen van de gebruiker en de mogelijkheden die het
                    monument biedt. Elke ingreep dient te worden gemotiveerd met een zorgvuldige
                    afweging.</al><tussenkop>Artikel 14. Intrekken van de vergunning</tussenkop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 4. Beschermde monumenten</tussenkop><tussenkop>Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument</tussenkop><al>Lid 1</al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de
                    Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin
                    verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                    bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden.
                    Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                    voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten
                    plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide
                    omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de adviestermijn
                    voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de komst van de Wabo wordt
                    de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de termijn van terinzagelegging
                    kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen konden alleen belanghebbenden
                    zienswijzen indienen.</al><al>Vanaf 2009 is de adviesplicht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
                    beperkt. Alleen wanneer er sprake is van reconstructie, sloop en herbestemming
                    van een beschermd monument zal de adviesplicht van toepassing blijven. Indien
                    het beschermd monument buiten de bebouwde kom ligt, is het college verplicht om
                    een afschrift van de aanvraag aan Gedeputeerde Staten te zenden. GS kunnen de
                    adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot
                    advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. </al><al>Lid 2</al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie c.q.
                    welstandscommissie bij de aanvragen om een omgevingsvergunning voor beschermde
                    monumenten wordt ingeschakeld.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 5. Instandhouding van archeologische terreinen</tussenkop><tussenkop>Artikel 16. Aanwijzing en registratie</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Het college heeft de bevoegdheid om archeologische terreinen een gemeentelijk
                    beschermde status te geven.</al><al>Lid 2</al><al>Omwille van de uniformiteit is aansluiting gezocht bij de procedure, advisering
                    en registratie die ook geldt voor gemeentelijk gebouwde monumenten.</al><tussenkop>Artikel 17. Instandhoudingbepaling</tussenkop><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                    raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1
                    van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige
                    dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend
                    uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom
                    primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                    archeologische waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden
                    in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                    overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.</al><al>Lid 1</al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 17 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 17 biedt
                    bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 50 cm de bodem te verstoren. </al><al> Lid 2</al><al>In het tweede lid van artikel 17 wordt een viertal uitzonderingsmogelijkheden
                    gegeven op het eerste lid. </al><al>Onderdeel a ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als
                    bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische waardenkaart,
                    voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten
                    archeologische waarden.</al><al>In onderdeel b worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de Wet
                    ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het gaat hier
                    om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de oude tijdelijke
                    ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen de artikelen 3.10, 3.22
                    en 3.23 Wro) Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te
                    vervallen.</al><al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat bij
                    de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                    archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de aanvraag
                    kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin
                    de archeologische waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate is
                    vastgesteld.</al><al>Op grond van onderdeel c kan het college nadere regels stellen wat betreft de
                    eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een
                    archeologisch monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’
                    bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie
                    dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de
                    verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een
                    aanlegvergunning, waarin vereisten betreffende de bescherming van archeologische
                    waarden zijn opgenomen, een en ander conform de handreiking van de VNG ‘Verder
                    met Valletta’.</al><al>Onderdeel d ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel b. Het
                    gaat hier in de eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van
                    het realiseren van een fysiek project. Er is voor gekozen om deze bepaling dan
                    ook onder de Wabo te laten vallen. Op grond van artikel 18 zijn de bepalingen
                    uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van
                    het rapport door het bevoegd gezag.</al><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder c worden gevraagd en komt overeen
                    met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988 in geval van
                    een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta.</al><tussenkop>Artikel 18. Opgravingen en begeleiding</tussenkop><al>Hier wordt gekozen voor een regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen
                    het gemeentelijk grondgebied. Om deze regierol goed te kunnen uitoefenen dient
                    het college een programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden
                    gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1,
                    onder a). Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van
                    aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het
                    programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is sprake
                    van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van een fysiek
                    project. Net als bij onderdeel d, van het tweede lid van artikel 17 is ervoor
                    gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wabo te laten vallen. Op grond
                    van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met
                    betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de
                    beoordeling van het plan van aanpak.</al><tussenkop>Artikel 19. Procedure</tussenkop><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 17, tweede lid, onder d en
                    artikel 18, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel en de
                    uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van toepassing
                    verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11, 12, 13 en 14, welke zien op de
                    verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, kunnen
                    derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Voor de toelichting
                    wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij deze artikelen.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 6. Beschermde gemeentelijke stadsgezichten</tussenkop><tussenkop>Artikelen 20, 21 en 22.</tussenkop><al>Indien de cultuurhistorische waarde haar grond vindt in het totaal van een
                    gebied en veel minder in het individuele monument of complex en het gebied met
                    name een lokale betekenis heeft, kan het college overgaan tot het aanwijzen van
                    gemeentelijke beschermde stadsgezichten. De aanwijzing kan zo een goed
                    instrument zijn om de algehele cultuurhistorische waarde van dat gebied te
                    beschermen. </al><al>Wat de procedure betreft is aansluiting gezocht bij de aanwijzing en registratie
                    van beschermde monumenten. Gelet op de omvang van een stadsgezicht en de daaruit
                    voortvloeiende werkzaamheden, zijn de termijnen ruimer gesteld dan bij
                    bescherming van individuele monumenten.</al><tussenkop>Artikelen 23 en 24.</tussenkop><al>Ook bij de wijziging en intrekking van een beschermd gemeentelijk stadsgezicht
                    is aansluiting gezocht bij de procedure voor beschermde monumenten. Indien een
                    stadsgezicht wordt aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988
                    wordt de aanwijzing op grond van artikel 20 van deze verordening geacht te zijn
                    ingetrokken. Hiervoor is dus geen afzonderlijk besluit van het college
                    vereist.</al><tussenkop>Artikel 25.</tussenkop><al>Op grond van dit artikel is de gemeenteraad verplicht een bestemmingsplan vast
                    te stellen ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stadsgezicht. Dit
                    (gedetailleerde) bestemmingsplan moet de basis bieden voor het beschermen van de
                    structuurbepalende delen van het betreffende gebied.</al><al>Deze structuurbepalende delen worden benoemd in de beschrijving van het
                    beschermd stadsgezicht. Op basis hiervan kunnen bij (ver)bouwplannen nadere
                    eisen worden gesteld. Deze nadere eisen kunnen bijvoorbeeld worden ingevuld door
                    het welstandsbeleid of een beeldkwaliteitplan. </al><tussenkop>Hoofdstuk 7. Overige bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 26. Tegemoetkoming in schade</tussenkop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                    rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                    toepassing. Het veroorzaker-betaalt - principe, zoals dat in de memorie van
                    toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat
                    bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle
                    genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat
                    ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening is gekozen voor een
                    schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond
                    waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende
                    dient toe te kennen.</al><al>Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de tegemoetkoming. De
                    procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro kan worden
                    toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een inschatting te
                    maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze
                    procedure.</al><tussenkop>Artikel 27. Strafbepaling</tussenkop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid en artikel 16, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                    strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is
                    geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van
                    de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari 2008); in
                    de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om enige
                    preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                    regels voor de hand liggend.</al><tussenkop>Artikel 28. Toezichthouders</tussenkop><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Het aanwijzen van
                    toezichthouders ingevolge het tweede lid kan door het college geschieden. Deze
                    aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening en valt derhalve
                    buiten het bereik van de Wabo.</al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde
                    personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden
                    van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de
                    Erfgoedverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 8. Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 29. Intrekken oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude Monumentenverordening, zodat niet
                    twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                    uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten
                    met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld
                    door een latere regeling.</al><tussenkop>Artikel 30. Overgangsrecht</tussenkop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning verlening (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten, stadsgezichten en archeologische
                    monumenten geacht te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe
                    verordening. In het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het
                    van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude
                    verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee procedures
                    gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de Wabo is aangepast, terwijl deze
                    wet al wel in werking is getreden zet de Wabo de bepalingen uit de verordening
                    aan de kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere regelgeving. De bepalingen uit
                    de verordening zijn van rechtswege onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor
                    een vergunning gelden dan de bepalingen uit de Wabo.</al><tussenkop>Artikel 31. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                    Gemeentewet plaatsvinden tenminste twee weken voor inwerkingtreding.</al><tussenkop>Artikel 31. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>