<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR606196_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN 2018</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-232590">gmb-2017-232590</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2018</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=220a&amp;g=2017-07-01">artikel 220a van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=220b&amp;g=2017-07-01">artikel 220b van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=220c&amp;g=2017-07-01">artikel 220c van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=220d&amp;g=2017-07-01">artikel 220d van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=220e&amp;g=2017-07-01">artikel 220e van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=220f&amp;g=2017-07-01">artikel 220f van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=220h&amp;g=2017-07-01">artikel 220h van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-12-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Verordening onroerende-zaakbelastingen Gemeente Waalwijk 2018 </overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2018</overheidrg:onderwerp></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN 2018</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Waalwijk; </al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2017;</al><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al>”Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2018”</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 1 Belastingplicht</nr></kop><al> Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de     gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><al>a.       een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een      onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens      eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:      gebruikersbelasting; </al><al>b.       een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een      onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht,      verder te noemen: eigenarenbelasting.</al><al>2. Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><al>a.       gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is      gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft      gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting   als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al><al>b.       het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik      aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft      gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd   de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is      gesteld.</al><al>3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens     eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het     kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op  dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>  2 Belastingobject </nr><titel/></kop><al>1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III     van de Wet waardering onroerende zaken. </al><al>2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van     hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die     onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende    zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>  3 Maatstaf van heffing </nr><titel/></kop><al>1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering  onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar  bedoeld in artikel 1. </al><al>2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet     van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf     van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde    bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering      onroerende zaken. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>  4 Vrijstellingen </nr><titel/></kop><al>1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf     buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van     de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:</al><al>a.       ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,      daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van      glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van   gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; </al><al>b.       glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van      gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a      bedoelde grond;</al><al>c.       onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of      voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwe     lijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende    zaken die dienen als woning;</al><al>d.       één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de      Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden      genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al><al>e.       natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,      zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige      rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van    natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;</al><al>f.       openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en      ander met inbegrip van kunstwerken;</al><al>g.       waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen,      instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering      van de delen van zodanige werken die dienen als woning; </al><al>h.       werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die      worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke      rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als      woning;</al><al>i.        werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat      beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op      zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken. </al><al> j.  vervallen</al><al> k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet      zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het      publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals   lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken,      abri's, hekken en palen;</al><al> l.  plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of      waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht,      met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; </al><al> m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van       zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al><al>2. vervallen. </al><al>3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf     voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van     de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak     dienstbaar zijn aan woondoeleinden. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>  5 Belastingtarieven </nr><titel/></kop><al>1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het     percentage bedraagt voor: </al><al>a.       de gebruikersbelasting  0,1473  % (2017:0,1459%);</al><al>    b.  bij de eigenarenbelasting </al><al>        1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen  0,1228 %   (2017: 0,1252%);</al><al>        2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen  0,2307 %   (2017:0,2284%)</al><al>2. Indien de heffingsmaatstaf beneden € 2.500,-- blijft, wordt geen belasting geheven.</al><al>3. Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op     gehele euro's.</al><al>4. Belastingbedragen van minder dan € 5,-- worden niet geheven. Voor de toepassing     van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde     bedragen aangemerkt als één belastingbedrag. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>  6 Wijze van heffing </nr><titel/></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>  7 Termijnen van betaling </nr><titel/></kop><al>1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de     aanslagen worden betaald in één termijn die vervalt op de laatste dag van de maand     volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één     aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag     bevat, het bedrag daarvan meer is dan € 100,--, doch minder is dan € 2.000,-- dat     de aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke maandelijkse termijnen. De     eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en de     laatste termijn twee maanden later. </al><al>3. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één     aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het biljet maar één aanslag bevat, het     bedrag daarvan meer is dan € 100,--, doch minder dan € 2.000,-- en zolang de     verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de     betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de     aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke maandelijkse termijnen. De eerste     termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de     volgende termijnen telkens een maand later.</al><al>4. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de     Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een     Bestuurlijke boete, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>5. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel gestelde      termijnen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>  8 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders </nr><titel/></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>  9 Kwijtschelding </nr><titel/></kop><al>Bij de invordering van onroerende-zaakbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>  10 Inwerkingtreding en citeertitel </nr><titel/></kop><al>1. De 'Verordening onroerende-zaakbelastingen 2017' van 15 december 2016, wordt </al><al>ingetrokken met ingang van 1 januari 2018, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al><al>2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2018.</al><al>3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.</al><al>4. Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening onroerende-zaakbelastingen </al><al>    2018'.</al><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 december 2017.</al><al/><al>DE RAAD VAN DE GEMEENTE WAALWIJK,</al><al/><al>De griffier,                                                  De voorzitter,</al><al>G.H. Kocken,                                            drs. A.M.P. Kleijngeld</al><al/></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>