<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR60461_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren gemeente Lingewaard</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-03-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Gemeente Nieuws</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagen verordening Wet investeren in jongeren gemeente Lingewaard</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren artikel 12 lid 1 onderdeel b en artikel 41 lid 1.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand, art. 8, lid 1 en artikel 36.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-10-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Besluitnummer 72b/2009</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>wet investeren in jongeren en wet werk en bijstand</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Wet investeren in jongeren en Wet werk en bijstand</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren gemeente Lingewaard</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al>de wet: de Wet investeren in jongeren; </al></li><li nr="b"><al>gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 28, eerste lid
                                    onderdeel d, van de wet; </al></li><li nr="c"><al>college: het college van burgemeester en wethouders; </al></li><li nr="d"><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op
                                    de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld
                                    in artikel 3, zesde lid, Wet werk en bijstand; </al></li><li nr="e"><al>woonkosten: </al><lijst><li nr="1st"><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                            geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
                                            van de Wet op de huurtoeslag; </al></li><li nr="2nd"><al>Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                            per maand omgerekende som van de verschuldigde
                                            hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                            hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud; </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel/></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens
                                    woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></li><li nr="2"><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met
                                    één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;
                                </al></li><li nr="3"><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 5 procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met
                                    één of beide ouders in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft;
                                </al></li><li nr="4"><al>In afwijking van de leden 2 en 3 bedraagt de toeslag 20 procent van de
                            gehuwdennorm indien de kosten van huur of hypotheek voor de jongere
                            hoger zijn dan 18% van het netto wettelijk minimumloon. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><al>1 De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10 procent van
                            de gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer anderen hun
                            hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. </al><al>2 De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 15 procent van
                            de gehuwdennorm voor gehuwden die met één of beide ouders in dezelfde
                            woning hun hoofdverblijf hebben. </al><al>3 In afwijking van de voorgaande leden wordt geen verlaging toegepast
                            indien de kosten van huur of hypotheek voor de gehuwden hoger zijn dan
                            18 procent van het netto wettelijk minimumloon. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt: </al><lijst><li nr="a"><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor de jongere geen woonkosten verbonden zijn; </al></li><li nr="b"><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond wordt.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging Schoolverlaters</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 33 van de wet bedraagt 20 procent van de
                            gehuwdennorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar </titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De verlaging bedoeld in artikel 34 van de wet bedraagt: </al><lijst><li nr="a"><al>20 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere
                                            van 21 jaar betreft; </al></li><li nr="b"><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere
                                            van 22 jaar betreft. </al></li></lijst></li><li nr="2"><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de
                                    hoogte van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien
                                    deze toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing
                                    van lid 1 zou leiden. </al></li><li nr="3"><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een
                                    jongere op wie artikel 6 van toepassing is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke norm voor de jongere tenminste bedraagt: </al><lijst><li nr="a"><al>35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande, </al></li><li nr="b"><al>55 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder,
                                </al></li><li nr="c"><al>65 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening is met terugwerkende kracht van toepassing met ingang
                            van 1 oktober 2009. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            investeren in jongeren gemeente Lingewaard.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering </ondertekening><ondertekening>van 8 oktober 2009.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Th.G.L. Greep H.H. de Vries</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label> Toelichting toeslagenverordening WIJ</label></kop><al>De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening </al><al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                            Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier
                            werk van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht
                            op een zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op
                            de uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende
                            kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en
                            daardoor zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling
                            van alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
                            Daartoe moeten gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen.
                            Afgeleide van het werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor
                            jongeren vanaf 18 jaar als de jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze
                            inkomensvoorziening is alleen beschikbaar als het werkleeraanbod wegens
                            in de persoon van de jongere gelegen of niet verwijtbare omstandigheden
                            zijnerzijds geen optie is, dit aanbod onvoldoende inkomsten genereert of
                            er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan. De samenhang tussen het
                            werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening anderzijds is een
                            bepalend element in de WIJ. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders
                            dan de Wwb, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide
                            de plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een
                            ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het uitgangspunt in de Wwb ‘een
                            uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en geldt als uitgangpunt
                            ‘geen uitkering, tenzij’. Deze uitkering, de zogenaamde
                            inkomensvoorziening, volgt in grote lijnen de Wwb voor wat betreft de
                            voorwaarden die aan het recht zijn verbonden en de normering die geldt
                            voor de hoogte van deze voorziening. </al><al>Evenals in de Wwb bestaat de inkomensvoorziening uit een rijksgeregeld
                            deel (de norm) die binnen bepaalde grenzen verhoogd of verlaagd kan
                            worden op grond van gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). Dit
                            gemeentelijk beleid moet door de gemeenteraad in een verordening worden
                            vastgelegd. </al><al>Relatie met de Wwb </al><al>Met de inwerkingtreding van de WIJ is de Wwb in beginsel afgesloten voor
                            jongeren tot 27 jaar en kunnen deze jongeren in beginsel geen algemene
                            bijstand meer ontvangen. Daartoe is de Wwb op een aantal onderdelen
                            aangepast en zou de Toeslagenverordening Wwb een navenante wijziging
                            moeten ondergaan. Op grond van het overgangsrecht (artikel 86 WIJ)
                            blijft de Wwb voor jongeren die op 30 september 2009 algemene bijstand
                            ontvingen echter van toepassing totdat de algemene bijstand wordt
                            beëindigd maar uiterlijk tot 1 juli 2010. Om die reden is een aanpassing
                            van de Toeslagenverordening Wwb aan de WIJ (nog) niet aan de orde. Dit
                            zal eerst met ingang van 1 juli 2010zijn beslag krijgen. Omdat niet
                            uitgesloten kan worden dat zich in de tussentijd ontwikkelingen zullen
                            voordoen die nopen tot een inhoudelijke wijziging van de
                            Toeslagenverordening, is het thans nog te prematuur om een
                            wijzigingsvoorstel voor de Toeslagenverordening Wwb aan te bieden. </al><al>Bij het inrichten van de WIJ is op het punt van de inkomensvoorziening
                            uitdrukkelijk ervoor gekozen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken met
                            de Wwb, op onderdelen als de normensystematiek, de middelentoets,
                            verlaging van bijstand en terugvordering en verhaal. Hoewel die
                            aansluiting niet in alle opzichten volledig is gerealiseerd, is ten
                            aanzien van het te voeren toeslagen- en verlagingenbeleid sprake van een
                            identiek wettelijk kader als thans in de Wwb. Normen die specifiek
                            betrekking hebben op jong-meerderjarigen zijn uit de Wwb overgeheveld
                            naar de WIJ. </al><al>Omdat het oogmerk van de WIJ niet is geweest de normen van de
                            inkomensvoorziening voor jongeren te verlagen is, gelet op de gewenste
                            aansluiting met de Wwb en uit overwegingen van uitvoerbaarheid, in deze
                            Toeslagenverordening WIJ aansluiting gezocht bij de Verordening
                            toeslagen en verlagingen Wwb. </al><al>Een toeslagenverordening Wet investeren in jongeren </al><al>Evenals in de Wwb heeft de wetgever in de WIJ het college en de
                            gemeenteraad afzonderlijke taken toebedeeld. Het college is
                            verantwoordelijk voor de uitvoering van de WIJ, terwijl de gemeenteraad
                            de opdracht heeft gekregen in een vijftal verordeningen regels vast te
                            stellen, ondermeer met betrekking tot het verhogen en verlagen van de
                            normen die voor de inkomensvoorziening gelden (artikel 12, eerste lid,
                            sub e, WIJ). Deze regels moeten exclusief in een verordening worden
                            vastgelegd, ter wille van de rechtszekerheid, aldus de Memorie van
                            Toelichting (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 37).
                            Aangenomen mag worden dat deze regelgevende bevoegdheid rechtens niet
                            kan worden overgedragen aan het college. </al><al>De toeslagenverordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen
                            dat voor een aantal categorieën uitkeringsgerechtigden de hoogte van de
                            toeslag dan wel verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is
                            beschreven. Het is daarbij niet nodig c.q. mogelijk om alle mogelijke
                            situaties uitputtend te beschrijven. In niet geregelde gevallen is het
                            college immers bevoegd én verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze
                            van individualisering afwijkend vast te stellen (artikel 35, vierde lid,
                            WIJ). </al><al>Normen, toeslagen en verlagingen </al><al>Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft de wetgever ervoor gekozen om
                            de normensystematiek die thans is vastgelegd in de Wwb zoveel mogelijk
                            over te nemen in de WIJ. Dat betekent enerzijds dat onderscheid is
                            gemaakt tussen de normen die gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren
                            van 18 tot 21 jaar) en oudere jongeren (21 tot 27 jaar). Anderzijds zijn
                            de normen voor beide leeftijdsgroepen identiek aan de normen die thans
                            in de Wwb voor beide groepen gelden. Hetzelfde geldt voor de normen die
                            van toepassing zijn bij het verblijf in een inrichting. De overgang naar
                            de WIJ leidt op dit onderdeel dus niet tot een wijziging van de
                            financiële positie van de jongeren die afhankelijk worden van een
                            inkomensvoorziening. </al><al><onderstreept>Normen </onderstreept></al><al>In Hoofdstuk 4 van de WIJ (‘Recht op inkomensondersteuning’) zijn de
                            normen vastgelegd die gelden voor de verschillende leefsituaties
                            (artikelen 26 t/m 29 WIJ). Voor personen van 21 jaar tot en met 27 jaar
                            bestaat een drietal basisnormen (artikelen 26, 27 en 28 WIJ), te weten: </al><lijst><li nr="1"><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm)
                                </al></li><li nr="2"><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm </al></li><li nr="3"><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm </al></li></lijst><al>Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt de huidige
                            Wwb-normering, die is afgestemd op de kinderbijslag (artikelen 26, sub a
                            en 27, sub a, WIJ). Deze normen kunnen eventueel worden aangevuld met
                            bijzondere bijstand, voor zover de middelen van de ouders niet
                            toereikend zijn dan wel de onderhoudsplicht van de ouders niet te gelde
                            gemaakt kan worden. Artikel 12 Wwb blijft voor deze groep onverkort van
                            toepassing. </al><al>Voor jongeren waarvan één van de partners zich in de leeftijdsgroep 18
                            tot 21 jaar bevindt en de ander in de groep 21 tot 27 jaar, gelden
                            eveneens identieke normen als thans in de Wwb voor partners in de
                            leeftijd van 21 tot 65 jaar. </al><al><onderstreept>Toeslagen en verlagingen </onderstreept></al><al>Voor jongeren in de leeftijd van 21 tot 27 jaar geldt dat de normen
                            verhoogd en/of verlaagd kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als
                            thans in de Wwb is vastgelegd. Kort gezegd betreft het de verplichting
                            om de norm voor alleenstaanden en alleenstaande ouders te verhogen met
                            een toeslag als deze een woning bewonen zonder medebewoner. </al><al>Omdat de kosten van het bestaan dan niet gedeeld kunnen worden met een
                            ander bedraagt de toeslag het maximale bedrag, zijnde 20% van de norm
                            voor gehuwden in die leeftijdscategorie. Kunnen de bestaanskosten wel
                            met een ander gedeeld worden dan kan de toeslag worden verlaagd. Het
                            college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een toeslag
                            rekening te houden met lagere bestaanskosten maar kan er ook voor kiezen
                            om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader
                            onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken (zie voor de Wwb
                            Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 52 en 53). </al><al>De bevoegdheid om de uitkering te verlagen bij medebewoning geldt ook
                            voor de norm voor gehuwden. Voorts kan de norm of toeslag worden
                            verlaagd als de woonsituatie, los van medebewoning, lagere
                            bestaanskosten met zich meebrengt. Daarnaast is verlaging van de norm of
                            toeslag mogelijk als de jongere een schoolverlater is. Ten slotte kan
                            het college bij een 21- of 22-jarige alleenstaande de toeslag verlagen
                            om de uitkering in de pas te laten lopen met het wettelijk
                            minimumjeugdloon. De laatstgenoemde verlagingen kunnen niet in
                            combinatie met elkaar worden toegepast. Binnen de gestelde
                            randvoorwaarden staat het de gemeenten in beginsel vrij om eigen beleid
                            te voeren over de hoogte van de toeslagen en verlagingen. Er bestaat
                            geen wettelijke verplichting om de norm en/of toeslag te verlagen. </al><al>Ook voor gehuwde jongeren waarvan één van de partners in de
                            leeftijdsgroep van 18 tot 21 jaar en de ander in de leeftijd van 21 tot
                            27 jaar zit, geldt dat de norm verlaagd kan worden. De WIJ sluit dit,
                            evenmin als de Wwb, uit. Dit geldt evenzeer voor het geval beide
                            partners in de leeftijdsgroep 18 tot 21 jaar zitten. Ook de voor hen
                            geldende norm kan verlaagd worden. Niettemin wordt dit niet opportuun
                            geacht. De normen voor deze categorie jongeren zijn immers al lager
                            vastgesteld, vanwege de (vaak theoretische) onderhoudsplicht van ouders.
                            Het verder verlagen van deze normen kan er spoedig toe leiden dat deze
                            jongeren onder het bestaansminimum terechtkomen. Bovendien maakt
                            categoriale verlaging op deze groep jongeren de toch al behoorlijk
                            complexe normensystematiek nog ingewikkelder. </al><al><onderstreept>Gehuwde jongeren van 21 tot 27 jaar met niet-rechthebbende
                                partner </onderstreept></al><al>Voor jongeren van 21 tot 27 jaar met een oudere partner, geldt dat de
                            norm gelijk is aan de norm die voor een alleenstaande of alleenstaande
                            ouder geldt (artikel 28, eerste lid, sub e, resp. 28, tweede lid, sub e,
                            WIJ). Personen van 27 jaar of ouder komen immers niet in aanmerking voor
                            een inkomensvoorziening in het kader van de WIJ. De norm alleenstaande
                            of alleenstaande ouder geldt ook als de andere partner om andere redenen
                            (bijv. in geval van detentie) geen recht heeft op een
                            inkomensvoorziening (artikel 28, derde lid, WIJ). De mogelijkheid om de
                            norm voor een alleenstaande (ouder) te verhogen met een toeslag is in de
                            WIJ evenwel beperkt tot de jongere die feitelijk alleenstaande (ouder)
                            is (artikel 30, eerste lid, in verbinding met 26, sub b en 27, sub b,
                            WIJ). Naar de letter bestaat dus voor de gehuwde met niet-rechthebbende
                            partner geen recht op toeslag. Niettemin mag, gegeven de wens van de
                            wetgever om e.e.a. zoveel mogelijk conform de Wwb te regelen en met een
                            beroep op de jurisprudentie die gevormd is onder de Wwb en Abw, worden
                            aangenomen dat ook gehuwde jongeren die voor de normering worden
                            gelijkgesteld met een alleenstaande (ouder), onder omstandigheden recht
                            kunnen hebben op een toeslag, mede gelet op het
                            individualiseringsbeginsel, dat binnen de WIJ klaarblijkelijk ook een
                            rol speelt op het punt van normen, toeslagen en verlagingen (artikel 35,
                            vierde lid, WIJ; zie m.b.t. de bijstand bijvoorbeeld CRvB 12 december
                            1995, JABW 1996/40). Heeft de niet-rechthebbende partner geen of een
                            zeer laag inkomen en is geen sprake van medebewoning, dan zal de
                            toeslag, naar analogie van de WWB, in beginsel zelfs 20% van de
                            gehuwdennorm moeten bedragen (CRvB 4 maart 2003, LJN: AF6326). </al><al>Als de niet-rechthebbende partner een Wwb-uitkering ontvangt, is er geen
                            aanleiding om een toeslag te verstrekken. Dat geldt evenzeer voor de
                            bijstandsgerechtigde partner. Beiden kunnen immers nimmer een uitkering
                            ontvangen die tezamen meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm voor
                            gehuwden. Omdat beide partners dan aanspraak hebben op de norm die voor
                            een alleenstaande geldt, betekent dit tegelijkertijd dat een verlaging
                            in verband met medebewoning formeel gezien niet mogelijk is, omdat deze
                            beperkt is tot de gehuwdennorm (als bedoeld in artikel 28, eerste/tweede
                            lid onderdeel d WIJ). </al><al>In voorkomende gevallen is het in dat geval mogelijk met toepassing van
                            artikel 18, eerste lid, Wwb de bijstandsnorm van de bijstandsgerechtigde
                            partner te verlagen. </al><al>Voor de situatie dat beide partners ten laste komende kinderen hebben,
                            is een specifieke regeling getroffen. Dan geldt voor de jongere partner
                            de gehuwdennorm die bij zijn leeftijd past (artikel 28, vierde lid,
                            WIJ). Omdat daar expliciet over gehuwdennorm wordt gesproken, is
                            verlaging van die norm wegens medebewoning, wel mogelijk. De algemene
                            bijstand die de bijstandsgerechtigde partner ontvangt, moet vervolgens
                            daarop in mindering worden gebracht.</al><al>Berekening toepasselijke uitkering </al><al>In de WIJ is evenmin als in de Wwb voorgeschreven, dat in gevallen
                            waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging
                            met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. Het bij voorrang
                            toepassen van de verlaging op de toeslag blijft ook in de WIJ de
                            aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit overigens alleen bij de
                            combinatie verlaging wegens woonsituatie en leeftijdsverlaging (een
                            andere verlaging is niet mogelijk in combinatie met de
                            leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten. Bovenstaande in acht
                            nemend kan de hoogte van de normuitkering voor jongeren als volgt worden
                            berekend: </al><al>1 Norm; </al><al>2a Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande ouders) </al><al>OF </al><al>2b Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen
                            (alleen bij gehuwden) </al><al>3 Korten met verlaging wegens woonsituatie; </al><al>4a Korten met verlaging schoolverlater </al><al>OF </al><al>4b Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op (het
                            restant van) de toeslag. </al><al>De verlagingen onder stap 4a en 4b mogen nooit gelijktijdig worden
                            toegepast. De Toeslagenverordening geeft aan welke verlaging geldt. </al><al>Leidt de uitkomst tot een lager bedrag aan bijstand dan de gestelde
                            minima in artikel 8 van de Toeslagenverordening, dan moet het college de
                            bijstand vaststellen op de van toepassing zijnde minimum hoogte volgens
                            dit artikel. </al><al>Zelfstandigen </al><al>Jongeren met een zelfstandig bedrijf of beroep komen niet in aanmerking
                            voor een werkleeraanbod of inkomensvoorziening (artikel 23, eerste lid,
                            onderdeel e, resp. artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ). Zij kunnen
                            een beroep doen op de Wwb. Dat geldt voor de voorbereidingskosten, de
                            periodieke bijstand voor levensonderhoud en voor bedrijfskapitaal.
                            Aandachtspunt bij de algemene bijstand voor levensonderhoud is wel dat
                            voor die jongeren de normensystematiek uit de WIJ van toepassing is (zie
                            artikel 58 WIJ).</al><al> ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </al><al>Artikel 1 </al><al>Het begrip ‘gehuwdennorm’ is omschreven, omdat het uitkeringsgebouw in
                            de WIJ, inclusief toeslagen en verlagingen, voor 21- tot 27-jarigen
                            daaraan gerelateerd is. Volstaan is met een verwijzing naar artikel 28,
                            tweede lid, sub e, WIJ. De daar genoemde gehuwdennorm is gelijk aan de
                            gehuwdennorm genoemd in artikel 21, sub a, Wwb.</al><al>Evenmin als in de Wwb wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven.
                            Gelet op de analogie met de Wwb mag aangenomen worden dat daarmee
                            hetzelfde begrip is bedoeld als in de Wwb, te weten het begrip ‘woning’,
                            bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor
                            zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere
                            onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende
                            aanhorigheden”. </al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is
                            voor de toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten
                            is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de
                            Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was
                            opgenomen. Het is aan het college overgelaten om de onderhoudskosten
                            vast te stellen. </al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens
                            verwezen naar artikel 3, zesde lid Wwb, waarin deze woonruimtes met een
                            woning worden gelijkgesteld. </al><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn
                            omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Zo wordt in deze
                            verordening meerdere malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2,
                            eerste lid, WIJ omschrijft dit begrip. Onder jongere wordt verstaan: een
                            hier te lande woonachtige Nederlander (of daarmee gelijkgestelde
                            vreemdeling) 16 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. Voor de
                            toepassing van deze verordening wordt onder jongeren echter verstaan de
                            jongeren in de leeftijd van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar
                            (zie ook artikel 2). </al><al>Artikel 3 </al><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad
                            verplicht om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm
                            bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning
                            geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot
                            verlaging van norm of toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in
                            lid 1. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt
                            verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen
                            worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Zolang er geen sprake is van
                            een gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat
                            niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn
                            plaats.</al><al>In deze verordening is als uitgangspunt gekozen voor de zgn. forfaitaire
                            variant voor het vaststellen van de hoogte van de toeslag. Forfaitair
                            betekent dat niet de werkelijke bestaanskosten en de mate waarin deze in
                            concreto gedeeld worden bepalend zijn voor de hoogte van de toeslag maar
                            de enkele veronderstelling dat het delen van kosten mogelijk is.
                            Hiervoor wordt gekozen, omdat deze de meest efficiënte uitvoering
                            oplevert en bovendien het minst fraudegevoelig is. In de jurisprudentie
                            is de forfaitaire variant algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld CRvB 10
                            juli 2008, LJN: BD3700). In de toeslagenverordening is daarom gekozen
                            voor een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één
                            ander in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Als nog een ander
                            zijn hoofdverblijf in de woning heeft kunnen de kosten nog meer gedeeld
                            worden. </al><al>Daarom is in het derde lid bepaald dat de toeslag 5% bedraagt als er
                            twee of meer medebewoners zijn. Als nog meer anderen in de woning hun
                            hoofdverblijf hebben, kan er echter niet zondermeer van worden uitgegaan
                            dat het delen van kosten in nog sterkere mate mogelijk is, zodat bijv.
                            de toeslag op nihil zou kunnen worden gesteld. Dat is voorbehouden aan
                            de situatie dat alle bestaanskosten gedeeld worden, nl. bij een
                            gezamenlijke huishouding. </al><al>Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de
                            uitzonderlijke situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van
                            inkomen beschikt (denk aan de niet rechthebbende partner of inwonende
                            uitgeprocedeerde) verlaging van de toeslag vanwege medebewoning niet kan
                            worden toegepast. De medebewoner kan dan immers daadwerkelijk geen
                            bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook geen voordeel is voor
                            de betrokkene (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129 NABW). </al><al><onderstreept>Lid 2 </onderstreept></al><al>Uit een oogpunt van gemeentelijke beleidsvrijheid is daarnaast als
                            alternatief een ‘soepeler’ variant aangeboden, waarin de hoeveelheid
                            medebewoners geen gevolgen heeft voor de hoogte van de toeslag en deze
                            op 10 procent vastgesteld blijft. </al><al><onderstreept>Lid 3 </onderstreept></al><al>Hierin is opgenomen om jongeren die een woning delen met een ouder een
                            lagere toeslag toe te kennen dan jongeren die een woning delen met een
                            ander. Het betreft hier feitelijk jongeren die hun hoofdverblijf hebben
                            bij (één van de) ouders. In dat geval mag aangenomen worden dat de
                            mogelijkheid om bestaanskosten te delen in het algemeen groter zal zijn
                            dan in andere gevallen (zie ook CRvB 2 maart 1999, JABW 1999/61 en
                            69).</al><al><onderstreept>Lid 4 </onderstreept></al><al>Naast het forfaitaire model is het desalniettemin mogelijk om de toeslag
                            concreter af te stemmen op de mate waarin de bestaanskosten
                            daadwerkelijk kunnen worden gedeeld. In geval de maandelijkse kosten van
                            huur of hypotheek hoger zijn dan een bepaald percentage van het netto
                            wettelijk minimumloon, kan, in afwijking van de voorgaande bepalingen,
                            een hogere toeslag worden toegekend. Met huur wordt, conform artikel
                            7:212 BW, gedoeld op de geldelijke tegenprestatie voor het gebruik van
                            een woning of een deel daarvan. Dat kan dus een zgn. ‘all in’-bedrag
                            zijn, incl. de kosten voor gas, licht en water en bepaalde
                            servicekosten. Is de jongere kostgeld verschuldigd dan dient de
                            woonlastencomponent met de huur gelijkgesteld te worden. Is dit niet
                            mogelijk omdat het een ‘all-in’ bedrag is, dan dient het kostgeld als
                            geheel in aanmerking te worden genomen. Met hypotheek wordt in dit
                            verband bedoeld de maandelijkse lasten voor rente, aflossing dan wel
                            premiebetaling voor een eigen woning. Deze begrippen wijken af van het
                            begrip ‘woonkosten’ dat gebruikt wordt in artikel 5. Het begrip
                            ‘woonkosten’ heeft een te beperkte strekking om bij het forfaitaire
                            model adequaat te kunnen werken. Daarbij gaat het immers om medebewoners
                            die zelf (kamer)huur betalen. Het begrip ‘woonkosten’ is echter
                            gerelateerd aan de huurprijs voor een zelfstandige woning en in die
                            situaties dus niet bruikbaar.</al><al>Artikel 4 </al><al>Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                            alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10% als een woning gedeeld
                            wordt met een ander, is dit ook gerealiseerd voor gehuwde jongeren in
                            dezelfde situatie. De jongeren kunnen in dat geval namelijk ook kosten
                            delen met een ander en daarom is een verlaging op zijn plaats. Zijn er
                            meerdere personen waarmee de bestaanskosten van de gehuwden kunnen
                            worden gedeeld, dan kan de verlaging worden verhoogd. Hetzelfde geldt
                            voor eerstegraads bloedverwanten, zie de toelichting op artikel 3. </al><al>Artikel 5 </al><al>Als aan een woning geen woonkosten verbonden zijn, is sprake van lagere
                            bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32 WIJ opent om die reden
                            de mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel
                            5 gerealiseerd. </al><al>Het bepaalde onder a leidt ertoe dat de norm of toeslag met 20% wordt
                            verlaagd als de jongere geen woonlasten betaalt. Dat kan zich voordoen
                            bij krakers, of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijv.
                            de ouders of de ex-partner. Onder woonkosten wordt in dit verband
                            verstaan de huur of, als de jongere een eigen woning bewoont, de
                            verschuldigde hypotheekrente en de aan het eigendom verbonden zakelijke
                            lasten alsmede een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                            onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW). </al><al>Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de jongere geen woonlasten heeft
                            en is hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die
                            grond verlaagd wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van
                            verlaging van de uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect
                            van de dubbele verlaging (zie CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698). Op grond van
                            het individualiseringsbeginsel zal de verlaging dan beperkt moeten
                            worden. </al><al>Onder b is bepaald dat als de jongere geen woning bewoont, de norm of
                            toeslag met 10% wordt verlaagd. Deze bepaling ziet op de mogelijkheid om
                            de uitkering van dak- en thuislozen te verlagen, omdat deze lagere
                            bestaanskosten hebben dan jongeren die een woning bewonen. Mochten dak-
                            en thuislozen regelmatig gebruik maken van een opvangadres, dan kan de
                            uitkering afwijkend worden vastgesteld, met toepassing van artikel 35,
                            vierde lid, WIJ bij wijze van individualisering. </al><al>Artikel 6 </al><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 33 WIJ is blijkens de
                            toelichting op dat artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het
                            eerste half jaar niet in een veel betere financiële positie te brengen
                            als toen hij nog aangewezen was op studiefinanciering of een
                            tegemoetkoming krachtens de WTOS. Er wordt daarbij geen onderscheid
                            gemaakt naar een (voormalig) uit- of thuiswonende student. Opmerking
                            verdient nog dat bij gehuwden die beiden schoolverlater zijn, de
                            verlaging niet verdubbeld wordt. Deze blijft dan 20%. Wel is denkbaar,
                            dat de periode waarover de verlaging wordt toegepast, verlengd wordt,
                            als beide partners na elkaar schoolverlater worden. </al><al>Wordt naast de schoolverlatersverlaging ook een verlaging toegepast
                            i.v.m. medebewoning dan kan dit spoedig tot gevolg kan hebben dat de
                            totale verlaging te groot is en aanpassing behoeft, gelet op het
                            individualiseringsbeginsel. Dat kan afgeleid worden uit CRvB 12 mei
                            2009, LJN: BI5349. Als de schoolverlater voor beëindiging van de studie
                            studiefinanciering WSF2000 ontving naar de norm van uitwonende student,
                            dan moet de inkomensvoorziening minimaal op die norm worden vastgesteld. </al><al>Artikel 7 </al><al>Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te
                            passing indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                            jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden.
                            Aangezien het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor
                            een 22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere
                            verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige. </al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in
                            artikel 34 WIJ- de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan
                            plaatsvinden op de toeslag van artikel 33 WIJ. De verlaging kan niet
                            meer bedragen dan de op grond van artikel 3 toegekende toeslag.</al><al>In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van
                            artikel 35, tweede lid, sub b, WIJ om in de verordening vast te stellen
                            dat de schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast
                            met de verlaging voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen
                            van de schoolverlatersverlaging is gekozen, omdat een 21- of 22-jarige
                            schoolverlater niet beter af is op grond van dit artikel dan een
                            23-jarige schoolverlater op grond van artikel 6 van de
                            Toeslagenverordening. </al><al>Artikel 8 </al><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op
                            verschillende omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk
                            als redelijk worden aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen
                            betekenen, dat het college de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop
                            dermate laag zou moeten vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer
                            zou zijn van een toereikende uitkering. In voorkomende gevallen zou het
                            college op grond van artikel 35, vierde lid, WIJ de inkomensvoorziening
                            hoger moeten vaststellen. Daarom is er voor gekozen om reeds in de
                            Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag vast te leggen, waarop
                            het college de norm (inclusief eventuele toeslag en verlagingen)
                            tenminste moet vaststellen. Dat laat onverlet dat in concrete
                            omstandigheden het bij samenloop ook denkbaar is dat de norm hoger moet
                            worden vastgesteld. Zie bijv. de hierboven beschreven jurisprudentie
                            t.a.v. de samenloop van een verlaging i.v.m. medebewoning en het
                            ontbreken van woonkosten (CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698) en de samenloop
                            van een schoolverlatersverlaging en een verlaging i.v.m. medebewoning
                            (CRvB 12 mei 2009, LJN: BI5349). Het individualiseringsbeginsel kan dus
                            met zich meebrengen dat bij samenloop ook bij een resterende norm die
                            boven de in dit artikel genoemde percentages ligt, al aanleiding is om
                            tot verhoging daarvan over te gaan, gelet op alle omstandigheden van de
                            jongere. </al><al>Aan de verplichting van artikel 35, tweede lid, sub b, WIJ, t.w. dat in
                            de Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging
                            (artikel 33 WIJ) en de leeftijdsverlaging (artikel 34 WIJ) niet
                            gelijktijdig mogen worden toegepast, wordt reeds voldaan door de
                            formulering van artikel 7 van de Toeslagenverordening.</al><al>Slotbepalingen</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>