<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR60459_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Woudrichem</dcterms:creator><dcterms:modified>2005-03-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Woudrichem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Altena Nieuws 24-03-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang gemeente Woudrichem</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Wet kinderopvang; art. 23 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-02-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-03-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Verordening + 1e wijzigingsverordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>nr. 10 agendapunt 6 raadsvergadering 28 februari 2005</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang gemeente Woudrichem,
                            inclusief eerste wijziging, vastgesteld d.d. 28 febr. 2005</vet></al><al>De raad van de gemeente Woudrichem</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en
                        wethouders van gemeente Woudrichem, nr. ……, inzake ….</al><al>gelet op artikel 23 van
                        de Wet Kinderopvang;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de verlening, de
                        voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming van de gemeente
                        in de kosten van kinderenopvang bij verordening te regelen;</al><al>besluit vast te
                        stellen de volgende verordening:</al><al><vet>VERORDENING TEGEMOETKOMING KOSTEN
                            KINDEROPVANG GEMEENTE WOUDRICHEM</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet kinderopvang (Wk);</al></li><li nr="c."><al>kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen
                                    en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop
                                    het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;</al></li><li nr="d."><al>gastouderopvang: kinderopvang als bedoeld in artikel 1, eerste
                                    lid onderdeel c van de wet;</al></li><li nr="e."><al>kindercentrum: een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt,
                                    anders dan gastouderopvang;</al></li><li nr="f."><al>gastouderbureau: een organisatie die gastouderopvang tot stand
                                    brengt en begeleidt;</al></li><li nr="g."><al>ouder: een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                    onderdeel i van de wet;</al></li><li nr="h."><al>partner: een persoon als bedoeld in artikel 2 van de wet;</al></li><li nr="i."><al>tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                    door de gemeente;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>VASTSTELLING NOODZAAK VAN KINDEROPVANG OP GROND VAN SOCIAAL-MEDISCHE
                            INDICATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op
                                grond van een sociaal-medische indicatie als bedoeld in artikel 20
                                van de wet bevat in ieder geval de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de ouder; </al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam van de partner en, indien dit
                                        een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van
                                        de partner; </al></li><li nr="c."><al>naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                        aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvrager een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond
                            van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de geldigheidsduur van de indicatie;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van de kinderopvang per week per kind die noodzakelijk
                                    wordt geacht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                            sociaal-medische indicatie vast te stellen indien de aanvrager niet
                            behoort tot de personen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel
                            k of l van de wet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner
                                        en, indien dit een ander adres is dan het adres van de
                                        ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de
                                        kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking
                                        heeft; </al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                        gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in
                                        ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang
                                        per week, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de
                                        opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat
                                        de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in
                                        artikel 19 of 20 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvrager een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Naast de in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde
                            weigeringsgronden, weigert het college de tegemoetkoming voorts indien
                            de aanvrager niet behoort tot de personen als bedoeld in artikel 19 of
                            20 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop het
                            besluit tot verlenen van de tegemoetkoming is bekendgemaakt of met
                            ingang van de datum waarop de kinderopvang van start gaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                                voor een andere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Beperking van de aanspraak op de tegemoetkoming</titel></kop><al>Het college verstrekt de tegemoetkoming voor het aantal dagdelen
                            kinderopvang per week dat naar het oordeel van het college voor de ouder
                            redelijkerwijs noodzakelijk is voor de combinatie van arbeid en
                            zorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling dat de ouder tot een van de gemeentelijke
                                    doelgroepen behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                    tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar
                                    de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per week waarvoor de
                                    tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>het maximaal toegekende bedrag per kalenderjaar of andere
                                    periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                                termijnen uitbetaald, na ontvangst van facturen van het
                                kindercentrum of gastouderbureau over betreffende termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                bevoorschotting.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst
                                van het overzicht van de kosten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken
                            betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder doet het college onmiddellijk na het bekend worden daarvan
                                uit eigen beweging schriftelijk mededeling van inlichtingen en
                                gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van een lagere
                                tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder verstrekt desgevraagd aan het college, binnen een door het
                                college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en inlichtingen
                                van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de
                                tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Bewaarplicht</titel></kop><al>De ouder bewaart alle bewijsstukken die aan de verstrekking van de
                            tegemoetkoming ten grondslag liggen tenminste gedurende één jaar na de
                            vaststelling en stelt deze op verzoek ter beschikking aan het college
                            voor controledoeleinden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan van deze verordening
                            afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van het
                            tegemoetkomen in de kosten voor kinderopvang voor doelgroepen van de
                            wet, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2005.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid treedt hoofdstuk 2 van deze
                                verordening in werking op het moment dat artikel 23 van de Wet
                                kinderopvang in werking treedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening tegemoetkoming kosten
                            kinderopvang gemeente Woudrichem.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><nr>1</nr><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al><vet>INLEIDING</vet></al><al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet
                    kinderopvang (Wk) in werking. De Wk beoogt het ouders of verzorgers
                    gemakkelijker te maken werk en zorg te combineren. Niet alleen werkenden kunnen
                    een beroep doen op de Wk. Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een
                    beroep doen op de gemeente voor het betalen van een deel van de kosten die zij
                    maken voor kinderopvang. De vergoeding door de gemeente van een deel van de
                    kosten voor kinderopvang wordt aangeduid met de term ‘tegemoetkoming’.Artikel 23
                    Wk bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt omtrent de
                    tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben betrekking op de verlening,
                    de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming. Deze
                    modelverordening biedt een model voor deze verordening.De tegemoetkoming is een
                    subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te
                    weten: een aanspraak op financiële middelen door een bestuursorgaan verstrekt
                    met het oog op een bepaalde activiteit van de aanvrager. Titel 4.2 van de Awb
                    die regels stelt over subsidies is van toepassing op de tegemoetkomingen. Dit
                    bekent dat op de verstrekking van tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang
                    door gemeenten drie regelingen van toepassing zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de gemeentelijke verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>de Wet kinderopvang;</al></li><li nr="3."><al>de subsidieregels in titel 4.2 van de Awb.</al></li></lijst><al>De meeste gemeenten beschikken over een algemene subsidieverordening. De vraag
                    is aan de orde wat de verhouding is tussen de verordening tegemoetkoming kosten
                    kinderopvang en de algemene subsidieverordening, en meer in het bijzonder of de
                    algemene subsidieverordening ook van toepassing is op tegemoetkomingen in de
                    kosten van kinderopvang. Deze modelverordening is zo opgezet dat deze geheel los
                    staat van de algemene subsidieverordening. In dat geval is de algemene
                    subsidieverordening niet van toepassing op de verstrekking van tegemoetkomingen.
                    Het principe geldt dan dat de meest specifieke regeling voorrang krijgt boven de
                    algemene regeling.</al><al><vet>DE GEMEENTELIJK DOELGROEPEN </vet></al><al>In de artikelen 19 en
                    20 van de Wk zijn de gemeentelijke doelgroepen geregeld. In artikel 19 worden de
                    doelgroepen aangeduid die aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming van de
                    gemeente om arbeid en zorg te kunnen combineren. Daarbij dient het begrip
                    ‘arbeid’ ruim te worden opgevat. Ook het volgen van een traject in het kader van
                    arbeidsinschakeling of het volgen van een scholing of cursus vallen er onder.Op
                    grond van artikel 20 kunnen ook ouders in aanmerking komen voor een
                    tegemoetkoming van de gemeente op grond van een sociaal-medische indicatie.
                    Daarbij kan het zowel gaan om sociaal-medische problemen bij de ouder of zijn
                    partner als bij het kind (artikel 5, eerste lid, onderdelen k en l). Bij
                    sociaal-medische problemen van ouder of zijn partner moet worden gedacht aan
                    lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen die kinderopvang
                    noodzakelijk maken.Het college van burgemeester en wethouders moet vaststellen
                    dat er een sociaal-medische indicatie aanwezig is.Het college dient zich
                    daarvoor te laten adviseren door een onafhankelijke organisatie die beschikt
                    over adequate deskundigheid (artikel 20, derde lid). Het zesde lid maakt het
                    mogelijk om bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur nadere regels te
                    stellen ten aanzien van het vaststellen van de noodzaak van kinderopvang op
                    grond van sociaal-medische indicatie. Bovendien kunnen organisaties worden
                    aangewezen die belast worden met de advisering aan de colleges en kunnen regels
                    worden gesteld omtrent de door deze organisaties te hanteren werkwijze.Om te
                    bepalen of iemand tot de doelgroep van de gemeente behoort of niet, moet gekeken
                    worden naar de omstandigheden van de ouder én indien aanwezig, de partner van de
                    ouder. Artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wk, geeft de definitie van het
                    begrip ‘ouder’:</al><lijst><li nr="1."><al>een persoon die een huishouding voert waartoe het kind behoort, op wie
                            de kinderopvang betrekking heeft, welk kind in belangrijke mate door hem
                            wordt onderhouden in de zin van artikel 2 van de Uitvoeringsregeling
                            inkomstenbelasting 2001, dan wel</al></li><li nr="2."><al>een persoon die een huishouding voert waartoe het kind behoort, op wie
                            de kinderopvang betrekking heeft, waarvoor die persoon een
                            pleegvergoeding in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening
                            ontvangt.</al></li></lijst><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘partner’ wordt in de Wk aangesloten bij het
                    partnerbegrip in de Wet inkomstenbelasting 2001.Hieronder wordt een overzicht
                    gegeven van de gemeentelijke doelgroepen in de Wk, met daarbij de betreffende
                    bepalingen in de wet. Bovendien wordt per doelgroep aangegeven welk deel van de
                    kosten van de kinderopvang door de gemeente wordt vergoed door middel van een
                    tegemoetkoming.</al><al><vet>Een ouder zonder partner:</vet></al><table summary=""><title/><tgroup cols="3"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1. Ontvangt een uitkering in het kader van de WWB, IOAW/IOAZ
                                        of Anw én maakt gebruik van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling 2. Ontvangt een uitkering op grond van
                                        de Wet inkomensvoorziening kunstenaars3. Heeft de leeftijd
                                        van 18 jaar nog niet heeft bereikt, volgt scholing of een
                                        opleiding en ontvangt algemene bijstand op grond van de WWB
                                        of kan zo’n uitkering ontvangen4. Is een
                                        niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als werkzoekende
                                        geregistreerd bij het CWI maakt én maakt gebruik van een
                                        voorziening gericht op arbeidsinschakeling.5. Is een
                                        nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt.6. Is
                                        ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in
                                        paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet
                                        tegemoetkomingonderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8 tot
                                        en met 2.11 van de Wet Studiefinanciering 2000.7. Heeft een
                                        inkomen uit arbeid, aangevuld met algemene bijstand op grond
                                        van de WWB.8. Behoort niet tot een andere doelgroep én het
                                        college heeft sociaal-medische indicatie vastgesteld.</al></entry><entry><al>Artikel 19, eerste lid, onderdeel a Artikel 19, eerste lid,
                                        onderdeel aArtikel 19, eerste lid, onderdeel aArtikel 19,
                                        eerste lid, onderdeel aArtikel 19, eerste lid, onderdeel
                                        aArtikel 19, eerste lid, onderdeel aArtikel 19, tweede lid
                                        Artikel 19, eerste lid, onderdeel a juncto artikel 20</al></entry><entry><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang, aangevuld met een
                                        rijksbijdrage1/6 deel van de kosten van kinderopvang1/6 deel
                                        van de kosten van kinderopvang, aangevuld met een
                                        rijksbijdrage1/6 deel van de kosten van kinderopvang,
                                        aangevuld met een rijksbijdrage/1/6 deel van de kosten van
                                        kinderopvang1/6 deel van de kosten van kinderopvang1/6 deel
                                        van de kosten van kinderopvang</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Een ouder met partner:</vet></al><table summary=""><title/><tgroup cols="3"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>9. Zowel de ouder als zijn partner behoren tot een van de
                                        categorieën 1 tot en met 6 10. De ouder of zijn partner
                                        behoort tot een van de categorieën 1 tot en met 6 én de
                                        andere persoon ontvangt een WW-uitkering en maakt gebruik
                                        van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling11. De
                                        ouder of zijn partner behoort tot een van de categorieën 1
                                        tot en met 6 én de andere persoon is arbeidsgehandicapte als
                                        bedoeld in de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
                                        die gebruik maakt van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling van het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen.12. De ouder of zijn partner behoort
                                        tot een van de categorieën 1 tot en met 6 én de andere
                                        persoon verricht betaalde arbeid.13. Zowel de ouder als zijn
                                        partner hebben een inkomen uit arbeid die wordt aangevuld
                                        met algemene bijstand op grond van de WWB14. De ouder of
                                        zijn partner behoren niet tot een andere doelgroep én het
                                        college heeft sociaal-medische indicatie vastgesteld.</al></entry><entry><al>Artikel 19, eerste lid, onderdeel bArtikel 19, eerste lid,
                                        onderdeel cArtikel 19, eerste lid, onderdeel cArtikel 19,
                                        eerste lid, onderdeel dArtikel 19, tweede lidArtikel 19,
                                        eerste lid, onderdeel b</al></entry><entry><al>1/3 deel van de kosten van kinderopvang, aangevuld met een
                                        rijksbijdrage, indien de ouder behoort tot categorie 1, 3 of
                                        4;1/3 deel van de kosten van kinderopvang indien de ouder
                                        behoort tot categorie 2, 5, of 6. 1/6 deel van de kosten van
                                        kinderopvang, aangevuld met een rijksbijdrage, indien de
                                        ouder behoort tot categorie 1, 3 of 4;1/6 deel van de kosten
                                        van kinderopvang indien de ouder behoort tot categorie 2, 5,
                                        of 6. 1/6 deel van de kosten van kinderopvang, aangevuld met
                                        een rijksbijdrage, indien de ouder behoort tot categorie 1,
                                        3 of 4;1/6 deel van de kosten van kinderopvang indien de
                                        ouder behoort tot categorie 2, 5, of 61/6 deel van de kosten
                                        van kinderopvang, aangevuld met een rijksbijdrage, indien de
                                        ouder behoort tot categorie 1, 3 of 4;1/6 deel van de kosten
                                        van kinderopvang indien de ouder behoort tot categorie 2, 5,
                                        of 61/3 deel van de kosten van kinderopvang</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>HOOFDLIJNEN VAN HET PROCES VAN VERSTREKKING VAN DE TEGEMOETKOMINGEN</vet></al><al>In
                    deze modelverordening worden de hoofdlijnen van het proces van verstrekking van
                    de tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee
                    uitgangspunten gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de uitvoeringslasten
                    voor zowel de gemeente als de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt
                    mogelijk moeten zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven
                    die gemoeid zijn met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk
                    beheersbaar zijn.</al><al><vet>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke
                    uitgaven te bevorderen</vet></al><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van
                    kinderopvang is een zogeheten ‘open-einde regeling’. Dit betekent dat iedereen
                    die op grond van de wet behoort tot de gemeentelijke doelgroep recht heeft op
                    een tegemoetkoming van de gemeente.Om gemeenten in staat te stellen greep te
                    houden op de kosten die gepaard gaan met de verstrekking van de
                    tegemoetkomingen, zijn de modelverordening de volgende bepalingen opgenomen:- De
                    omvang van de aanspraak van ouders op een tegemoetkoming van de gemeente wordt
                    aan beperkingen gebonden. In de modelverordening wordt bepaald dat de
                    tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren kinderopvang per week dat
                    naar het oordeel van het college voor de ouder redelijkerwijs noodzakelijk is om
                    de combinatie van arbeid en zorg mogelijk te maken.- Er worden geen
                    tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt. Een gemeentelijke
                    tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het tijdstip waarop het besluit
                    tot verstrekking van die tegemoetkoming is genomen.- De tegemoetkoming wordt
                    alleen verstrekt als er daadwerkelijk kinderopvang plaatsvindt.- De
                    tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse voorschotten. Hierdoor blijft de
                    omvang van eventuele onverschuldigde betalingen die de gemeente van de ouders
                    moet terugvorderen, beperkt.</al><al><vet>Tegemoetkomingen voor de duur van een
                    kalenderjaar</vet></al><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de
                    duur één kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten bij wijze waarop de betalingen
                    door de Belastingsdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming
                    elk jaar opnieuw moet worden aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de
                    gevallen waarin bij de aanvraag reeds duidelijk is dat de aanspraak op de
                    tegemoetkoming beperkt is tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een
                    reïntegratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het
                    kind naar de basisschool gaat of de basisschool verlaat).</al><al><vet>Verstrekking van
                    de tegemoetkoming in twee stappen</vet></al><al>De verstrekking van de tegemoetkoming
                    vindt plaats in twee stappen. Hiermee wordt aangesloten bij de Awb. De eerste
                    stap is de beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming. Deze beschikking
                    geeft de ontvanger van de tegemoetkoming een voorwaardelijke aanspraak op de
                    tegemoetkoming tot een maximumbedrag. De aanspraak is voorwaardelijk omdat op
                    het moment dat de beschikking wordt gegeven nog niet zeker is dat de aanvrager
                    daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang en zich aan de opgelegde
                    verplichtingen houdt. Ondanks het voorwaardelijke karakter schept de
                    subsidieverlening wel een rechtens afdwingbare aanspraak.De tweede stap is de
                    beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming. In deze beschikking wordt
                    vastgesteld in hoeverre de ontvanger aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan
                    en hoeveel het uiteindelijke bedrag van de tegemoetkoming is. Met het
                    vaststellen van de tegemoetkoming wordt de tegemoetkoming definitief. Voordat de
                    tegemoetkoming wordt vastgesteld kan de gemeente onderzoek doen naar de
                    rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te controleren
                    en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of gastouderbureau
                    op te vragen.</al><al><vet>AANWIJZEN VAN EIGEN DOELGROEPEN</vet></al><al>De gemeente kan er voor
                    kiezen om naast de doelgroepen die in de wet zijn benoemd eigen doelgroepen aan
                    te wijzen die aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de kosten van
                    kinderopvang. Daarbij kan gedacht worden aan ouders die vrijwilligerswerk doen
                    of ouders die zich bezighouden met mantelzorg.Het verdient aanbeveling om de
                    tegemoetkomingen aan eigen doelgroepen in deze verordening te regelen en niet in
                    een aparte verordening. Hierdoor worden de procedurele bepalingen van deze
                    verordening ook van toepassing op de tegemoetkomingen die de gemeente aan eigen
                    doelgroepen verstrekt.Als een gemeente besluit eigen doelgroepen aan te wijzen,
                    zal ze in de verordening een aantal onderwerpen moeten regelen.Het toevoegen van
                    eigen doelgroepen geschiedt op basis van de autonome verordenende bevoegdheid
                    van gemeenten die is neergelegd in artikel 149 van de Gemeentewet. Dit betekent
                    dat de aanhef van de verordening de bevoegdheidsgrondslag moet worden
                    uitgebreid. In de aanhef moet de zinsnede ‘gelet op artikel 23 van de Wet
                    kinderopvang’ worden aangevuld met ‘en artikel 149 van de Gemeentewet’.Omdat de
                    Wk niet van toepassing is op de door de gemeente aangewezen doelgroepen, zal de
                    omschrijving van de doelgroep(en) in de verordening moeten geschieden. Bovendien
                    zal in de verordening de hoogte van de tegemoetkoming geregeld moeten worden.
                    Hiervoor moet het volgende worden geregeld:- De wijze waarop de kosten van
                    kinderopvang worden bepaald, inclusief een maximum uurprijs (daarbij zou
                    verwezen kunnen worden naar bepalingen in artikel 6 Wk).- Het deel van de kosten
                    van kinderopvang waarvoor een tegemoetkoming wordt verstrekt.Bovendien kan in de
                    verordening worden geregeld dat er jaarlijks een subsidieplafond wordt
                    vastgesteld voor de verstrekkingen van tegemoetkomingen aan de eigen
                    doelgroepen. Zo’n subsidieplafond is niet mogelijk voor de tegemoetkomingen die
                    de gemeente verstrekt op basis van de Wk, maar kan wel worden vastgesteld voor
                    de tegemoetkomingen die de gemeente verstrekt op grond van haar autonome
                    verordenende bevoegdheid. Met het vaststellen van een subsidieplafond worden de
                    aanspraken op een tegemoetkoming beperkt tot een bepaald bedrag. Het vaststellen
                    van een subsidieplafond verplicht de gemeente een tegemoetkoming te weigeren als
                    toekenning zou leiden tot overschrijding van het plafond. Hierdoor wordt een
                    open-einde regeling voorkomen. Voor de goede orde: het vaststellen van een
                    subsidieplafond is een bevoegdheid, géén verplichting.</al><al><vet>Artikelsgewijze
                    toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In de begripsbepalingen is
                    aangesloten bij de begrippen die in de Wk worden gehanteerd.</al><al><vet>Artikel 2.1 Te
                    verstrekken gegevens</vet></al><al>Alleen ouders die niet op grond van een andere
                    bepaling in de Wk aanspraak kunnen doen op een tegemoetkoming in de kosten van
                    kinderopvang, kunnen aanspraak doen op een tegemoetkoming in de kosten van
                    kinderopvang wegens een sociaal-medische noodzaak.Een aanvraag voor de
                    toekenning van een sociaal-medische status moet worden ingediend bij het
                    college. In de procedure gaat de aanvraag voor de toekenning van een
                    sociaal-medische indicatie vooraf aan de aanvraag voor een tegemoetkoming, maar
                    in de praktijk zullen de aanvragen vaak gelijktijdig worden ingediend. Ook de
                    besluiten over de toekenning van een sociaal-medische indicatie en de verlening
                    van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang kunnen in één beschikking
                    worden opgenomen. Wel moet de juiste volgorde in acht worden genomen: eerst het
                    besluit over de aanwezigheid van een sociaal-medische indicatie en vervolgens
                    het besluit over de verstrekking van een tegemoetkoming.</al><al><vet>Artikel 2.2
                    Beslistermijn</vet></al><al>Bij het bepalen van de beslistermijn dient rekening te
                    worden gehouden met de tijd die gemoeid is met het uitbrengen van advies door
                    een ‘onafhankelijke organisatie die beschikt over deskundigheid’ (artikel 20,
                    vijfde lid).Om de doorlooptijd van de adviesaanvraag te bespoedigen, verdient
                    het aanbeveling dat de gemeente ‘harde’ afspraken maakt de adviserende
                    organisaties over de termijn waarbinnen adviezen worden uitgebracht.</al><al><vet>Artikel
                    2.3 Inhoud van de beschikking</vet></al><al>Het besluit is een beschikking in de zin
                    van titel 4.1 van de Awb. Dit betekent dat tegen het besluit bezwaar kan worden
                    gemaakt en beroep kan worden ingesteld.Als de noodzaak van kinderopvang op grond
                    van een sociaal-medische indicatie wordt vastgesteld, wordt in de beschikking
                    aangegeven hoeveel uren of dagdelen kinderopvang per week noodzakelijk wordt
                    geacht. Het besluit over de noodzakelijke omvang van de kinderopvang vormt de
                    grondslag voor de aanvraag voor een tegemoetkoming van de gemeente.Bovendien
                    moet in het besluit de geldigheidsduur van de indicatie worden vermeld. Deze
                    verplichting staat in het vierde lid van artikel 20 Wk. Het kan gaan om een
                    geldigheidsduur voor een beperkte termijn, maar ook om een geldigheidsduur voor
                    onbepaalde tijd. In het indicatieadvies zal hierover ook een uitspraak moeten
                    worden gedaan.Het college neemt het besluit op basis van het uitgebrachte
                    indicatieadvies. Dit advies is niet bindend. Dit betekent dat het college van
                    dat advies kan afwijken. Als het college een beschikking geeft die afwijkt van
                    het uitgebrachte advies, zal het college de redenen voor de afwijking in de
                    beschikking moeten motiveren (artikel 4:20 Awb). De motiveringverplichting geldt
                    vooral voor het geval waarin een positief advies wordt gegeven en het college
                    een afwijzend besluit neemt.</al><al><vet>Artikel 2.4 Weigeringsgrond</vet></al><al>Dit artikel
                    spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel 3.1 Te verstrekken gegevens bij de
                    aanvraag</vet></al><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college
                    (artikel 24 Wk). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar de ouder
                    woont (artikel 19, derde lid, Wk). De aanvraag moet schriftelijk gebeuren
                    (artikel 4:1 Awb).Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een kalenderjaar
                    wordt verstrekt (artikel 4.4) moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Om
                    de lasten voor de aanvragers zo beperkt mogelijk te houden, verdient het
                    aanbeveling dat de gemeente het aanvraagformulier voor een vervolgaanvraag aan
                    de ouders toestuurt, waarbij het formulier reeds is ingevuld met de gegevens die
                    bij de gemeente bekend zijn. De ouders hoeven dan alleen de mutaties op het
                    aanvraagformulier aan te geven.Een verhoging van de tegemoetkoming in verband
                    met een verhoging van het aantal uren of dagdelen kinderopvang per week, zal ook
                    moeten worden aangevraagd. Een verlaging van de tegemoetkoming in verband een
                    vermindering van de omvang van de kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd.
                    De ouder moet hiervan wel onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel
                    26, derde lid, Wk en artikel 6.1, eerste lid).Onderdeel d van het eerste lid
                    bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of contract van het kindercentrum of
                    gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen moet worden gevoegd. Dit
                    betekent dat de aanvraag voor een tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden
                    ingediend als de ouder over een offerte of contract beschikt. Op basis van de
                    offerte of het contract kan de gemeente de hoogte van de tegemoetkoming
                    vaststellen.Onderdeel e van het eerste lid bepaalt bij de aanvraag gegevens of
                    een verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort
                    tot een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder volstaan
                    met een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente over de gegevens
                    beschikt:- de ouder ontvangt van een uitkering in het kader van de WWB,
                    IOAW/IOAZ of Anw én maakt gebruik van een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling;- de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is
                    als werkzoekende geregistreerd bij het CWI maakt én maakt gebruik van een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling;- de ouder is een nieuwkomer die een
                    inburgeringsprogramma volgt;- het college heeft sociaal-medische indicatie
                    vastgesteld.In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente
                    moeten verstrekken: </al><table summary=""><title/><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al>De ouder ontvangt een uitkering op grond van de Wet
                                        inkomensvoorziening kunstenaars.De ouder heeft de leeftijd
                                        van 18 jaar nog niet heeft bereikt, volgt scholing of een
                                        opleiding en ontvangt algemene bijstand op grond van de WWB
                                        of kan zo’n uitkering ontvangen.De ouder is ingeschreven bij
                                        een school of instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4
                                        van de Wet tegemoetkomingonderwijsbijdragen of in de
                                        artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet Studiefinanciering
                                        2000</al></entry><entry><al>Indien de uitkering wordt verkregen in een andere gemeente:
                                        naam van deze gemeenteBewijs van inschrijving school of
                                        opleidingsinstituutBewijs van inschrijving school of
                                        opleidingsinstituut</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft, deze
                    partner de aanvraag mede ondertekend. Deze bepaling is volledigheidshalve in de
                    verordening opgenomen. De verplichting is reeds neergelegd in artikel 24, derde
                    lid, Wk.</al><al><vet>Artikel 4.1 Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</vet></al><al>De
                    termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van een
                    tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming. Dus niet
                    alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die een voortzetting van
                    een tegemoetkoming betreffen en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in
                    verband met verhoging van de uurprijs van kinderopvang of uitbreiding van de
                    omvang van de kinderopvang.In de modelverordening is gekozen voor een
                    beslistermijn van ten hoogste vier weken die eventueel met vier weken kan worden
                    verlengd.De beslistermijn van vier weken heeft ook gevolgen voor de datum
                    waarbinnen aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden
                    aangevraagd. Om er zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan
                    worden voortgezet, zullen ouders hun aanvraag minimaal vier weken vóór 1 januari
                    bij de gemeente moeten indienen.Het feit dat het college een termijn van vier
                    weken heeft om te beslissen over een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil
                    uiteraard niet zeggen dat het college deze termijn ook in alle gevallen moet
                    benutten. De gemeente zal er naar moeten streven de behandelingstermijn van
                    aanvragen zo kort mogelijk te houden en met name aanvragen waar spoed mee
                    geboden is direct af te handelen. Door middel van mandatering van de
                    beslissingsbevoegdheid kan de besluitvorming worden versneld.</al><al><vet>Artikel 4.2
                    Weigeringsgrond</vet></al><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook
                    een aantal gronden om de subsidieverlening te weigeren. Ook deze
                    weigeringsgronden zijn van toepassing. Artikel 4:35 bepaalt dat de
                    subsidieverlening kan worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan
                    te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording
                            zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de
                            subsidie van belang zijn.</al></li></lijst><al/><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in ieder
                    geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                            verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                            beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of
                            ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
                            toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is
                            ingediend.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4.3 Ingangsdatum</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat een tegemoetkoming
                    niet met terugwerkende kracht wordt verleend. Er zijn twee ingangsdata voor de
                    tegemoetkoming:- de datum waarop het besluit tot verlening van de tegemoetkoming
                    aan de aanvrager is bekendgemaakt (in dat geval zal de aanvrager reeds
                    kinderopvang hebben); of- de datum waarop de kinderopvang een aanvang neemt.De
                    bepaling dat een tegemoetkoming niet met terugwerkende kracht worden verleend
                    heeft ook betrekking op aanvragen voor een verhoging van de tegemoetkoming in
                    verband met een uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde
                    tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het moment dat het college het besluit
                    daartoe heeft genomen en bekend heeft gemaakt.</al><al><vet>Artikel 4.4 De periode
                    waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend </vet></al><al>De tegemoetkoming wordt in
                    principe voor een heel kalenderjaar verleend. Voor aanvragen die in de loop van
                    een jaar worden toegekend, geldt dat de tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31
                    december van het betreffende jaar. Dit betekent dat een ouder elk jaar vóór 1
                    januari opnieuw een aanvraag voor een tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten
                    indienen.Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen.
                    Dit is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht
                    heeft op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reïntegratietraject voor
                    een bepaalde periode volgt. Door de periode van verstrekking van de
                    tegemoetkoming te koppelen aan de duur van het reïntegratietraject (of een
                    andere vorm van arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de
                    verstrekking van de tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen
                    eventueel ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te vorderen.</al><al><vet>Artikel 4.5
                    Beperking van de aanspraak op de tegemoetkoming </vet></al><al>De Wk regelt
                    uitsluitend de aanspraak van ouders op een tegemoetkoming van de gemeente voor
                    de kosten van kinderopvang en niet de omvang van die aanspraak. Wanneer een
                    ouder op basis van de criteria die de wet geeft tot een gemeentelijke doelgroep
                    behoort heeft deze recht op een gemeentelijke tegemoetkoming. De wet stelt geen
                    beperkingen aan het aantal uren kinderopvang waarvoor de tegemoetkoming wordt
                    verstrekt. Dit past in het systeem van de wet waarin de ouder zélf bepaalt
                    hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in verband met de combinatie van arbeid en
                    zorg. De eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang van de ouders die tot de
                    gemeentelijke doelgroep behoren is in bepaalde gevallen nihil, namelijk wanneer
                    de inkomensafhankelijke eigen bijdrage door de gemeente wordt gecompenseerd (zie
                    artikel 22, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a).Dit betekent
                    dat voor degenen die tot deze gemeentelijke doelgroep behoren de hoogte van de
                    eigen bijdrage geen rem zet op de vraag naar kinderopvang. Ouders die een
                    (substantiële) eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten betalen,
                    zullen de hoogte van die bijdrage mee laten wegen bij hun vraag naar
                    kinderopvang.Om de kosten voor de gemeente te beperken, is deze bepaling in de
                    verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming enigszins beperkt.
                    Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om in elk individueel geval te
                    beoordelen hoeveel kinderopvang per week een ouder redelijkerwijs nodig heeft om
                    de arbeid die deze ouder verricht te kunnen combineren met zorgtaken.Bij het
                    bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig is om arbeid
                    en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden met
                    omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de ouder(s) of een
                    beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de goede en gezonde
                    ontwikkeling van het kind. In tegenstelling tot kinderopvang op grond van
                    sociaal-medische indicatie op grond van artikel 19 en 20 van de Wk, hoeft voor
                    deze beoordeling geen advies te worden aangevraagd.Het is aan te bevelen dat het
                    college in beleidsregels neerlegt hoe het wil omgaan met zijn bevoegdheid. Op
                    deze wijze wordt deze beoordeling zoveel mogelijk geobjectiveerd.</al><al><vet>Artikel
                    4.6 Inhoud van de beschikking</vet></al><al>In de beschikking moet onder andere de
                    wijze van uitbetaling van de tegemoetkoming worden vermeld (onderdeel f).
                    Artikel 4.7 bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt in de vorm van maandelijkse
                    voorschotten. Onderdeel g schrijft voor dat in de beschikking de verplichtingen
                    van de ouder worden opgenomen. Daarbij moet aan de volgende verplichtingen
                    worden gedacht:- de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode
                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht te
                    verstrekken van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode;- de
                    informatieplicht die is opgenomen in artikel 26, eerste tot en met derde lid, Wk
                    (en in ongeveer dezelfde bewoordingen is overgenomen in artikel 6.1 van de
                    verordening);- de verplichting om alle bewijsstukken die aan de verstrekking van
                    de tegemoetkoming ten grondslag liggen tenminste gedurende één jaar na de
                    vaststelling te bewaren en deze op verzoek ter beschikking te stellen aan het
                    college voor controledoeleinden.</al><al><vet>Artikel 4.7 De bevoorschotting van de
                    tegemoetkoming</vet></al><al>De subsidieverstrekking vindt plaats van in de vorm van
                    maandelijkse voorschotten. Dit betekent dat het totale bedrag van de
                    tegemoetkoming waarop de aanvrager recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke
                    delen.De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan, al
                    dan niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente
                    machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of gastouderbureau
                    te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien niets aan de verhouding
                    tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening
                    van het kindercentrum of gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van
                    de tegemoetkoming van gemeente aan de ouder.Het tweede lid geeft het college de
                    bevoegdheid om nadere voorschriften te stellen over de wijze van bevoorschotting
                    van de tegemoetkoming. Zo kan het college bepalen dat er alleen een voorschot
                    wordt betaald op basis van een factuur van het kindercentrum of gastouderbureau.
                    Het college zou zo’n voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan of
                    een ouder daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang.</al><al><vet>Artikel 5.1 Het
                    besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</vet></al><al>Op grond van artikel
                    4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie (dus ook een tegemoetkoming)
                    ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen houdt in dat het college op eigen
                    initiatief de tegemoetkomingen vaststelt. De ouders hoeven geen aanvraag tot het
                    vaststellen van de tegemoetkoming bij het college in te dienen.De ouders zijn
                    wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de
                    tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de feitelijke
                    kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een tegemoetkoming
                    voor een kalenderjaar is verleend, dient het overzicht van de kosten uiterlijk
                    vier weken na 31 december bij het college te worden ingediend. Het overzicht van
                    de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het kindercentrum of
                    gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van maandoverzichten. Het
                    college heeft vervolgens acht weken de tijd om de tegemoetkoming vast te
                    stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek doen naar de
                    rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te controleren
                    en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of gastouderbureau
                    op te vragen. In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt
                    bepaald wat precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft
                    aangevraagd recht op heeft. Het bedrag in de beschikking tot verlening van de
                    tegemoetkoming geldt daarbij als het maximumbedrag. De uiteindelijke
                    vastgestelde tegemoetkoming kan wel lager, maar nooit hoger zijn dan het bedrag
                    dat is vermeld in de beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming.Als de
                    aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de tegemoetkoming op een
                    lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook betekenen op nul
                    vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 4:46,
                    tweede en derde lid, Awb. Op grond van het tweede lid kan de subsidie lager
                    worden vastgesteld indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                            plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                            verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                            en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                            beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid,
                            of</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit
                            wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>Het derde lid van artikel 4:46 luidt: ‘Voor zover het bedrag van de subsidie
                    afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is
                    verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden
                    beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking
                    genomen’.</al><al><vet>Artikel 5.2 Verrekening met de voorschotten</vet></al><al>Dit artikel
                    regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel van de
                    tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft uitgekeerd dan
                    waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde bedrag
                    terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 36 Wk (zie ook de
                    toelichting bij artikel 6.1).</al><al><vet>Artikel 6.1 Inlichtingenplicht</vet></al><al>Deze
                    verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel 26, eerste
                    tot en met derde lid.Het vierde lid van artikel 26 bevat de inlichtingenplicht
                    voor houders van een kindercentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt: ‘De
                    houder verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders alle
                    gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de
                    tegemoetkoming van belang zijn’.Er kunnen twee vormen van schending van de
                    inlichtingenplicht worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft geen
                            recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke
                            doelgroep).</al></li></lijst><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten onrechte
                    een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het college de
                    beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de tegemoetkoming
                    intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag terugvorderen. Ook is
                    mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke boete aan de betreffende ouder
                    op te leggen. Hieronder wordt op de twee maatregelen nader
                    ingegaan.</al><al><vet>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                    tegemoetkoming</vet></al><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een
                    tegemoetkoming in de terminologie van de Wk) kan worden ingetrokken en
                    teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden: a. de
                    situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en b. de situatie
                    waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.Ad</al><lijst><li nr="a."><al>de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                            beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikel 4:48 Awb).</al></li><li nr="b."><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de
                            beschikking tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele
                            van de ontvanger van de tegemoetkoming wijzigen, indien:</al></li><li nr="c."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet
                            geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="d."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="e."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens
                            heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                            een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de
                            tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="f."><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                            ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al/><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                    bepaald.</al><al><vet>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56 Awb)</vet></al><al>Het
                    college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot dat het
                    besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd. Het
                    college kan al eerder besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te
                    schorten. Op grond van artikel 4:56 Awb kan het college de verplichting tot
                    betaling van een voorschot opschorten met ingang van de dag waarop het college
                    aan de ouder schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond
                    bestaat om de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming in te trekken of
                    te wijzigen. Deze opschorting duurt tot en met de dag waarop de beschikking
                    omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de
                    kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.Ad b. de
                    tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen van de beschikking tot
                    subsidievaststelling (artikel 4:49 Abw)Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld,
                    is het college in bepaalde gevallen bevoegd de beschikking tot het vaststellen
                    van de tegemoetkoming in te trekken of ten nadele van de ontvanger van de
                    tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat om de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                            vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon
                            zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de
                            verlening van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger van de
                            tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                            tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen.</al></li></lijst><al/><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de
                    ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag
                    waarop zij is bekendgemaakt.</al><al><vet>Terugvordering (artikel 36 Wk)</vet></al><al>Indien de
                    beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de tegemoetkoming is
                    ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan de gemeente het reeds
                    betaalde bedrag van de ouder terugvorderen. In artikel 36 Wk worden de
                    bepalingen in de Wet werk en bijstand (WWB) over de terugvordering van bijstand
                    van overeenkomstige toepassing verklaard op het terugvorderen van een
                    tegemoetkoming. Dit betekent bijvoorbeeld dat het bedrag dat wordt
                    teruggevorderd kan worden verrekend met de tegemoetkoming die aan de ouder wordt
                    verstrekt. In het besluit tot terugvordering moet de wijze waarop zal worden
                    teruggevorderd worden vermeld (artikel 60, eerste lid WWB).</al><al><vet>De bestuurlijke
                    boete</vet></al><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan
                    het college in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De
                    bestuurlijke boete is geregeld in hoofdstuk 5 van de Wk. Een bestuurlijke boete
                    is een bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot
                    betaling van een geldsom, die gericht is op bestraffing van de overtreder
                    (artikel 1, eerste lid, onderdeel t, Wk). Het betreffende bedrag komt toe aan de
                    gemeente (artikel 69, vierde lid Wk).Het college kan een bestuurlijke boete
                    opleggen indien een ouder zijn inlichtingenplicht niet nakomt. Het gaat daarbij
                    om het schenden van de volgende verplichtingen:- het desgevraagd verstrekken aan
                    het college van alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor
                    de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang
                    zijn (artikel 26, eerste lid, Wk);- het verstrekken van die inlichtingen en
                    gegevens binnen een door het college te stellen redelijke termijn (artikel 26,
                    tweede lid, Wk);- het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan
                    het college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling
                    van een lagere tegemoetkoming (artikel 26, derde lid, Wk).</al><al/><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2269 (artikel 69, eerste
                    lid, onderdeel c). Bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete
                    zal het college maatwerk moeten leveren. Artikel 69, tweede lid, Wk bepaalt dat
                    de hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate
                    waarin de overtreding de ouder verweten kan worden en de omstandigheden waarin
                    die persoon verkeert. Van het opleggen van een bestuurlijke boete wordt in elk
                    geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.In de Wk is
                    geregeld in welke gevallen het college géén bestuurlijke boete mag opleggen. Dit
                    is het geval in de volgende situaties:- de overtreder is overleden;- de
                    overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke boete of
                    er is hem een kennisgeving gedaan dat een bestuurlijke boete zal worden
                    opgelegd. In deze gevallen kan het college aangifte doen bij het Openbaar
                    Ministerie;- er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                    plaatsgevonden.De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is
                    geregeld in de artikelen 74 tot en met 81 van de Wk.</al><al><vet>Artikel 6.2
                    Bewaarplicht</vet></al><al>Met het oog op de mogelijkheid van de gemeente om ook na
                    de vaststelling van de tegemoetkoming te controleren of de tegemoetkoming
                    rechtmatig is verstrekt, is in dit artikel een bewaarplicht
                    opgenomen.</al><al><vet>Artikelen 7.1, 7.2 en 7.3</vet></al><al>Deze bepalingen spreken voor
                    zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>