<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR60450_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren gemeente Lingewaard</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-03-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Gemeente Nieuws</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren gemeente Lingewaard</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren artikel 12 lid 1 onderdeel b en artikel 41 lid 1.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand, art. 8, lid 1 en artikel 36.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-10-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Besluitnummer 72a /2009</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>wet investeren in jongeren en wet werk en bijstand</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Wet investeren in jongeren en Wet werk en bijstand</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren gemeente Lingewaard</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al>wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ); </al></li><li nr="b"><al>WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op
                                                de jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd
                                                of verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door
                                                het college vastgestelde verhoging of verlaging;
                                            </al></li><li nr="c"><al>maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening
                                                op grond van artikel 41, eerste lid WIJ; </al></li><li nr="d"><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg
                                                van het niet of niet behoorlijk nakomen van een
                                                inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend
                                                als inkomensvoorziening of werkleeraanbod op grond
                                                van de wet; </al></li><li nr="e"><al>college: het college van burgemeester en wethouders
                                                van de gemeente Lingewaard. </al></li></lijst></li><li nr="2"><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder
                                        benadelingsbedrag: de kosten van het werkleeraanbod. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Afstemming</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college,
                                        overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de
                                        jongere toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere
                                        naar het oordeel van het college de op hem rustende
                                        verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, of de uit
                                        artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur
                                        uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
                                        verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich
                                        jegens het college zeer ernstig misdraagt. </al></li><li nr="2"><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging,
                                        de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                        jongere en kan daarom afwijken van de in deze verordening
                                        genormeerde maatregelen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing
                                zijnde WIJ-norm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                                vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                                bedrag waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van
                                toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de
                                        gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
                                    </al></li><li nr="2"><al>Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten
                                        indien: </al><lijst><li nr="a"><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al></li><li nr="b"><al>de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                                zijn zienswijze naar voren te brengen en zich
                                                sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden
                                                hebben voorgedaan; </al></li><li nr="c"><al>de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                                het college of van een derde aan wie het college met
                                                toepassing van artikel 11, vierde lid, van de wet,
                                                werkzaamheden in het kader van de wet heeft
                                                uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                                inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel
                                                44 van de wet; of </al></li><li nr="d"><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                                vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate
                                                van verwijtbaarheid. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het
                                        college af van het opleggen van een maatregel indien: </al><lijst><li nr="a"><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van
                                                die gedraging door het college heeft plaatsgevonden,
                                                tenzij de gedraging een schending van de
                                                inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                                gedraging ten onrechte inkomensvoorziening is
                                                verleend. Een maatregel wegens schending van de
                                                inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop
                                                van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                                plaatsgevonden; </al></li><li nr="b"><al>het college dringende redenen aanwezig acht. </al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel
                                        op grond van dringende redenen, wordt de jongere daarvan
                                        schriftelijk mededeling gedaan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand
                                        volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van
                                        de maatregel aan de jongere is bekendgemaakt. </al></li><li nr="2"><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                        terugwerkende kracht worden opgelegd, voorzover de
                                        ingangsdatum daardoor niet voor de datum van de
                                        gesanctioneerde gedraging komt te liggen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert
                                        van meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één
                                        maatregel opgelegd. Indien voor schending van die
                                        verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden,
                                        wordt de hoogste maatregel opgelegd. </al></li><li nr="2"><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending
                                        opleveren van één of meerdere in de wet genoemde
                                        verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een
                                        afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden
                                        gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op artikel 2, tweede
                                        lid, niet verantwoord is. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of onvoldoende
                                nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet,
                                worden onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1"><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="a"><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een
                                                plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling,
                                                waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan een
                                                onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                                arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="b"><al>het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke
                                                behandeling van medische aard. </al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="a"><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met
                                                door de jongere te verrichten algemeen geaccepteerde
                                                arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van
                                                algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren; </al></li><li nr="b"><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of
                                                bevorderen van de arbeidsbekwaamheid; </al></li><li nr="c"><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten
                                                of werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling;
                                            </al></li><li nr="d"><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of
                                                activiteiten naar beste vermogen te verrichten.
                                            </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De maatregel wordt vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a"><al>10 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de
                                                eerste categorie; </al></li><li nr="b"><al>20 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de
                                                tweede categorie. </al></li></lijst></li><li nr="2"><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt
                                        vastgesteld op een maand. </al></li><li nr="3"><al>In afwijking van het vorige lid kan de duur van de maatregel
                                        worden verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf
                                        maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een
                                        maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een
                                        verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met
                                        een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                        gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                        dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van
                                        de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid,
                                        van de wet, niet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen
                                        of uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten onrechte
                                        of tot een te hoog bedrag verlenen van de
                                        inkomensvoorziening, wordt een maatregel opgelegd van 5
                                        procent van de WIJ-norm.</al></li><li nr="2"><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt
                                        vastgesteld op een maand. </al></li><li nr="3"><al>In afwijking van het tweede lid kan de duur van de maatregel
                                        worden verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf
                                        maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een
                                        maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde
                                        als verwijtbare aan te merken gedraging. Met een besluit
                                        waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het
                                        besluit om daarvan af te zien op grond van dringende
                                        redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente </titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                        inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van
                                        de wet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of
                                        uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of
                                        tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening,
                                        wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het
                                        benadelingsbedrag. </al></li><li nr="2"><al>De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende
                                        wijze vastgesteld: </al><lijst><li nr="a"><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10 procent
                                                van de WIJ-norm; </al></li><li nr="b"><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-:
                                                20 procent van de WIJ-norm; </al></li><li nr="c"><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-:
                                                40 procent van de WIJ-norm; </al></li><li nr="d"><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100
                                                procent van de WIJ-norm. </al></li></lijst></li><li nr="3"><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                        vastgesteld op een maand. </al></li><li nr="4"><al>Van een maatregel wordt afgezien: </al><lijst><li nr="a"><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is
                                                ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                                aanvang heeft genomen; </al></li><li nr="b"><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen,
                                                doordat het Openbaar Ministerie een schikking met
                                                belanghebbende heeft getroffen. </al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien de jongere zich tegenover het college of zijn
                                        ambtenaren zeer ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 41,
                                        eerste lid van de wet, wordt een maatregel opgelegd van 40%
                                        van de WIJ-norm. </al></li><li nr="2"><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                        vastgesteld op een maand. </al></li><li nr="3"><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid
                                        kan, indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en
                                        worden volstaan met het geven van een schriftelijke
                                        waarschuwing, tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen
                                        een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop
                                        eerder aan de jongere een schriftelijke waarschuwing in
                                        verband met ernstige misdragingen is gegeven. </al></li><li nr="4"><al>In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden
                                        opgelegd van 100 procent van de WIJ-norm, indien binnen
                                        twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een
                                        maatregel als bedoeld in het eerste lid, is opgelegd, sprake
                                        is van eenzelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging.
                                        Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                        gelijkgesteld het besluit om af te zien van het opleggen van
                                        een maatregel op grond van dringende redenen, als bedoeld in
                                        artikel 6, tweede lid. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening is met terugwerkende kracht van toepassing met
                                ingang van 1 oktober 2009. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening Wet
                                investeren in jongeren gemeente Lingewaard. </al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering </ondertekening><ondertekening>van 8 oktober 2009.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Th.G.L. Greep H.H. de Vries</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label> Toelichting Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren gemeente Lingewaard</label></kop><al>De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening </al><al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in
                                werking. Doelstelling van deze wet is de duurzame
                                arbeidsparticipatie in regulier werk van jongeren tot 27 jaar. Om
                                dit te bereiken is in de wet een recht op een zogenaamd
                                werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de
                                uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende
                                kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en
                                daardoor zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de
                                arbeidsinschakeling van alle jongeren, ook bij een grote afstand tot
                                de arbeidsmarkt. Daartoe moeten gemeenten jongeren in beginsel een
                                werkleeraanbod doen. Afgeleide van het werkleeraanbod is een
                                inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de jongere
                                onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                                beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de
                                jongere gelegen of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen
                                optie is, als het werkleeraanbod onvoldoende inkomsten genereert of
                                er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan. De samenhang tussen
                                het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening anderzijds is
                                een bepalend element in de WIJ. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel
                                anders dan de Wwb, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als
                                afgeleide de plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een
                                ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het uitgangspunt in de Wwb ‘een
                                uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en geldt als
                                uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’. </al><al>Aanvaardt de jongere het werkleeraanbod en is het inkomen
                                ontoereikend, dan bestaat in beginsel recht op een
                                inkomensvoorziening. Deze inkomensvoorziening volgt in grote lijnen
                                de Wwb voor wat betreft de voorwaarden die aan het recht zijn
                                verbonden en de normering die geldt voor de hoogte van deze
                                voorziening. </al><al>Evenals in de Wwb geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en
                                plichten. De gemeente is verplicht een werkleeraanbod en eventueel
                                een inkomensvoorziening aan te bieden, de jongere is daartegenover
                                verplicht zich te houden aan diverse verplichtingen. Worden deze
                                verplichtingen geschonden, dan dient de inkomensvoorziening verlaagd
                                te worden (artikel 41, eerste lid, WIJ). Die verlaging geschiedt
                                conform de regels die in een gemeentelijke verordening moeten zijn
                                vastgelegd (artikel 12, eerste lid, onderdeel b, WIJ). Dat is de
                                maatregelenverordening. </al><al>Reikwijdte Maatregelenverordening WIJ </al><al>In afwijking van het uitgangspunt van de wetgever om de WIJ zoveel
                                mogelijk Wwb-conform in te richten, is de in de WIJ vastgelegde
                                reikwijdte van de gemeentelijke Maatregelverordening beperkter van
                                aard dan die in de Wwb. Aan het werkleeraanbod en de
                                inkomensvoorziening kunnen minder uiteenlopende verplichtingen
                                verbonden worden dan aan de bijstand. Het scala is beperkter van
                                aard. De verplichtingen die op grond van artikel 41 WIJ kunnen
                                worden gesanctioneerd betreffen de inlichtingen-, medewerkings- en
                                identificatieplicht (artikel 44 WIJ), alsmede een aantal concreet
                                benoemde verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en de
                                totstandkoming en tenuitvoerlegging van een werkleeraanbod (artikel
                                45 WIJ). </al><al>Een ander verschil tussen de WIJ en de Wwb is dat de
                                inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden als de jongere zich
                                schuldig maakt aan tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in
                                de voorziening in het bestaan, anders dan in de vorm van schending
                                van één van de in artikel 41 WIJ genoemde verplichtingen. </al><al>Dat heeft tot gevolg dat de inkomensvoorziening niet verlaagd kan
                                worden in geval van het onverantwoord interen van vermogen en bij
                                verwijtbare werkloosheid, als deze gedragingen leiden tot het
                                indienen van een aanvraag voor een werkleeraanbod. Het belang van
                                duurzame arbeidsparticipatie van de jongere heeft in deze
                                geprevaleerd boven het als maatregelwaardig aanmerken van de
                                bovengenoemde gedragingen.</al><al>De Maatregelenverordening WIJ heeft al met al dus een beperkter
                                strekking en reikwijdte dan de Maatregelverordening Wwb en wijkt
                                daarom af waar het de omschreven maatregelwaardige gedragingen
                                betreft. </al><al>Verlagen is maatwerk </al><al>Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het verlagen van de
                                inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een
                                vorm van maatwerk, waarmee het college is belast (zie ook
                                Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 27). Evenals dat binnen
                                de kaders van de Wwb het geval is, dient de maatregel afgestemd te
                                worden op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en
                                de omstandigheden van de jongere. Het uitgangspunt wordt gevormd
                                door de regels die ter zake door de gemeenteraad zijn gesteld. In de
                                Maatregelenverordening zijn de gedragingen die een schending van de
                                verplichtingen opleveren genormeerd. Die normering is echter niet
                                absoluut. Zowel in de ernst van de gedraging als de mate van
                                verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere kan aanleiding
                                worden gevonden om van de standaardmaatregel af te wijken. Ontbreekt
                                elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het college echter zonder meer
                                verplicht om van verlaging af te zien (artikel 41, tweede lid, WIJ).
                                Vanwege het karakter van de inkomensvoorziening als minimuminkomen
                                is tevens bepaald dat binnen drie maanden heroverweging van de
                                verlaging plaatsvindt. Daarmee wordt gewaarborgd dat de verlaging
                                ook afgestemd blijft op de omstandigheden van de jongere en deze
                                niet onaanvaardbaar lang over een te laag inkomen blijft beschikken. </al><al>Berekeningsgrondslag en duur van de maatregel </al><al>De maatregel wordt in deze verordening toegepast op de toepasselijke
                                WIJ-norm. Ingegeven door overwegingen van uitvoerbaarheid, zou de
                                gedachte kunnen rijzen dat het noemen van vaste bedragen in de
                                verordening wellicht handiger zou zijn. Daar tegenover staat echter
                                dat dit spoedig tot vormen van rechtsongelijkheid en
                                disproportionaliteit kan leiden. Een maatregel van € 250,- betekent
                                voor een 20-jarige een verlies van vrijwel de volledige
                                inkomensvoorziening, terwijl dit voor een 21-jarige
                                verhoudingsgewijs een veel minder groot aandeel betreft. Bovendien
                                roept het verlagen van de inkomensvoorziening met een vast bedrag
                                ook het beeld op van een boete. Mede om die redenen is de maatregel
                                in deze verordening gerelateerd aan de toepasselijke WIJ-norm. </al><al>In deze verordening wordt gekozen voor een maand als de reguliere
                                duur van de maatregel. Dit is echter bij de verschillende
                                sanctioneerbare gedragingen in een afzonderlijke bepaling benoemd,
                                zodat ter zake ook andere keuzes gemaakt kunnen worden. Bij recidive
                                geldt als regel dat deze duur verdubbeld wordt. Voor schending van
                                de inlichtingenplicht is dit expliciet opengelaten, zodat ook
                                eenvoudig gekozen kan worden voor verdubbeling van het percentage. </al><al>De term 'maatregel'</al><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het feit dat de
                                belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is
                                nagekomen, wordt in de WIJ aangeduid als het verlagen van de
                                inkomensvoorziening. Gebruikelijk onder gemeenten is echter de term
                                ‘maatregel’. Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het
                                spraakgebruik dat ook binnen de bijstandspraktijk gangbaar is, maar
                                wordt ook het corrigerende karakter ervan benadrukt. Om die reden is
                                in de verordening de term ‘maatregel’ gebruikt om een verlaging aan
                                te duiden. </al><al>Verlaging of intrekking inkomensvoorziening? </al><al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn voor de
                                jongere verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een
                                werkleeraanbod en evt. inkomensvoorziening staat de verplichting van
                                de jongere om mee te werken aan de totstandkoming daarvan, bijv.
                                door mee te werken aan een onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden.
                                Ook dient de jongere naar beste vermogen mee te werken aan het
                                werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is. Daarnaast geldt een
                                inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht. Deze
                                verplichtingen zijn vastgelegd in artikel 44, respectievelijk 45 van
                                de WIJ. </al><al>Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden verplichting
                                verwijtbaar niet na, dan staan de gemeente diverse instrumenten ter
                                beschikking. Onderscheid kan worden gemaakt tussen de verschillende
                                fasen waarop de verplichtingen betrekking hebben. </al><al><onderstreept>Aanvraagfase </onderstreept></al><al>Betreft het een schending van verplichtingen die betrekking hebben
                                op de aanvraagbehandeling, dan geldt het volgende: als de jongere in
                                het geheel niet meewerkt aan het opstellen van een plan voor zijn
                                arbeidsinschakeling en zo zijn arbeidsinschakeling belemmert, dan
                                doet het college de jongere geen werkleeraanbod (artikel 17, vijfde
                                lid, WIJ). Bijgevolg heeft de jongere, zolang hij niet wenst te
                                voldoen aan die verplichting, geen recht op inkomensvoorziening. Uit
                                artikel 42, eerste lid, onderdeel c, WIJ vloeit immers voort dat
                                voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig
                                blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 niet wil
                                nakomen, geen recht op inkomensvoorziening bestaat (Kamerstukken II
                                2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 39 en 40). Dit geldt in bredere zin ook
                                voor andere gedragingen van de jongere waaruit kan worden afgeleid
                                dat deze de aan het werkleeraanbod verbonden verplichtingen in het
                                geheel niet wil nakomen. Is sprake van een minder ernstige schending
                                van de verplichtingen m.b.t. de totstandkoming van het
                                werkleeraanbod, dan kan na toekenning van een werkleeraanbod de
                                eventuele inkomensvoorziening verlaagd worden conform de
                                gemeentelijke Maatregelenverordening (artikel 41, eerste lid, WIJ).
                                Zo is het denkbaar dat de jongere wel wil meewerken, maar dat de
                                medewerking onvoldoende is. In dat geval zou een maatregel aan de
                                orde kunnen komen.</al><al><onderstreept>Van toekenning tot tenuitvoerlegging
                                </onderstreept></al><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een
                                werkleeraanbod maar weigert hij dit aanbod na ontvangst van de
                                toekenningsbeschikking, dan kan het werkleeraanbod worden
                                ingetrokken (art. 21, onderdeel b WIJ). Door de weigering bestaat
                                geen recht op een inkomensvoorziening (art. 42, eerste lid,
                                onderdeel a WIJ). Zoals reeds aangegeven bestaat dat recht evenmin
                                als uit houding en gedrag van de jongere ondubbelzinnig kan worden
                                afgeleid dat hij de verplichtingen die verbonden zijn aan het
                                werkleeraanbod in het geheel niet wil nakomen (artikel 42, eerste
                                lid, onderdeel c ,WIJ). Het werkleeraanbod kan daarnaast ook worden
                                herzien of ingetrokken als de jongere één of meerdere verplichtingen
                                schendt die specifiek betrekking hebben op de voorbereiding op en
                                uitvoering van het werkleeraanbod (artikel 21, onderdeel b, WIJ).
                                Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het nalaten een behandeling van
                                medische aard te ondergaan, of het stellen van onredelijke eisen
                                m.b.t. de te verrichten werkzaamheden. Met de intrekking van het
                                werkleeraanbod vervalt automatisch het recht op inkomensvoorziening
                                (artikel 42, eerste lid, onderdeel f, WIJ). Bij een herziening
                                blijft de inkomensvoorziening in stand. </al><al>Een andere sanctie op dergelijk gedrag is dat het werkleeraanbod wel
                                in stand blijft maar de inkomensvoorziening verlaagd wordt, conform
                                de gemeentelijke Maatregelenverordening (artikel 41, eerste lid,
                                WIJ). Het college dient te kiezen welke weg bewandeld wordt, hetzij
                                de intrekking van werkleeraanbod en inkomensvoorziening, hetzij het
                                handhaven van het werkleeraanbod en verlaging van die voorziening.
                                Het past evenwel in het systeem van de WIJ om bij minder ernstige
                                gedragingen tot verlaging van de inkomensvoorziening te besluiten en
                                bij ernstiger gedrag, bijvoorbeeld waar sprake is van schending van
                                meerdere verplichtingen of van herhaald gedrag, het werkleeraanbod
                                in te trekken. Het is immers in de geest van de regeling om, met het
                                oog op duurzame arbeidsparticipatie, een werkleeraanbod niet te snel
                                in te trekken. </al><al>Dit is in de wetgeving tot uitdrukking gebracht doordat verlaging
                                van de inkomensvoorziening bij schending van de verplichtingen
                                imperatief is voorgeschreven, waar intrekking van het werkleeraanbod
                                (artikel 21 WIJ) een bevoegdheid is, juist vanwege de verstrekkende
                                gevolgen daarvan. Bedacht moet daarbij immers worden dat intrekking
                                van het werkleeraanbod tevens intrekking van de inkomensvoorziening
                                tot gevolg heeft (indien toegekend) en dus het effect van ‘dubbele’
                                bestraffing kan hebben. Het is daarom raadzaam om niet lichtvaardig
                                tot intrekking van het werkleeraanbod over te gaan. Een beleid
                                waarbij slechts in uitzonderingsgevallen tot intrekking van het
                                werkleeraanbod wordt overgegaan, mag daarom in lijn met de
                                bedoelingen van de wetgever worden geacht. Een dergelijke
                                uitzonderingssituatie zal zich in de aanloop naar de feitelijke
                                tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod niet spoedig voordoen.
                                Daarvan kan sprake zijn als van de gemeente niet meer gevergd kan
                                worden dat uitvoering wordt gegeven aan het werkleeraanbod. In de
                                verordening Werkleeraanbod kan worden vastgelegd wanneer de
                                gedragingen van de jongere ernstig genoeg zijn om een intrekking van
                                het werkleeraanbod te rechtvaardigen. Het is ook denkbaar dat dit in
                                beleidsregels nader wordt uitgewerkt. </al><al><onderstreept>Vanaf de tenuitvoerlegging </onderstreept></al><al>Werkt de jongere onvoldoende mee aan de feitelijke uitvoering van
                                het werkleeraanbod, dan kan de evt. inkomensvoorziening worden
                                verlaagd, conform de Maatregelverordening (art. 41, eerste lid WIJ).
                                Daarnaast vervalt het recht op inkomensvoorziening als uit de
                                houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig kan worden
                                afgeleid dat deze de verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn
                                verbonden in het geheel niet wil nakomen (artikel 42, eerste lid,
                                onderdeel c, WIJ). Voorts kan het werkleeraanbod worden herzien of
                                ingetrokken als de jongere één van die verplichtingen niet nakomt
                                (artikel 21, onderdeel b, WIJ). Vindt intrekking plaats dan vervalt
                                daarmee, zoals gezegd, tevens het recht op inkomensvoorziening
                                (artikel 42, eerste lid, onderdeel f, WIJ). Hetgeen hierboven over
                                de keuze tussen verlaging van de inkomensvoorziening en intrekking
                                van het werkleeraanbod is gezegd geldt mutatis mutandis ook voor
                                deze fase.</al><al>Relatie met Verordening Werkleeraanbod </al><al>De verordening Werkleeraanbod en de Maatregelenverordening vormen
                                twee kanten van dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college
                                de plicht op om jongeren een werkleeraanbod te doen. Het
                                werkleeraanbod wordt door de verordening Werkleeraanbod
                                gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel tegenover dat de jongere
                                verplicht is het aanbod te aanvaarden en de verplichtingen die aan
                                het werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven. Komt de jongere die
                                verplichtingen niet na, dan vormt de Maatregelverordening het kader
                                voor verlaging van de inkomensvoorziening. Beide verordeningen
                                sluiten dus op elkaar aan. In de verordening Werkleeraanbod kan ook
                                worden vastgelegd onder welke voorwaarden en omstandigheden tot
                                intrekking van het werkleeraanbod (en daarmee de
                                inkomensvoorziening) kan worden overgegaan. Dit is in de
                                modelverordening Werkleeraanbod vastgelegd in artikel 6. Daarmee
                                wordt dan tevens de grens afgebakend met het verlagen van de
                                inkomensvoorziening bij wijze van maatregel. Zoals gezegd is het in
                                lijn met de wetgever als slechts in bijzondere omstandigheden tot
                                intrekking van het werkleeraanbod wordt overgegaan. Zie verder de
                                verordening Werkleeraanbod.</al><al>DE VERPLICHTINGEN DIE TOT EEN MAATREGEL KUNNEN LEIDEN </al><al>De verplichtingen die aan het werkleerrecht en de
                                inkomensvoorziening jegens het college zijn verbonden zijn de
                                volgende: </al><lijst><li nr="·"><al>de inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, WIJ) </al></li><li nr="·"><al>de medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, WIJ) </al></li><li nr="·"><al>de identificatieplicht (artikel 44, derde lid, WIJ) </al></li><li nr="·"><al>verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het
                                        werkleeraanbod </al></li></lijst><al>Daarnaast heeft de jongere bij zijn aanvraag om een werkleeraanbod
                                ook een inlichtingenplicht jegens UWV WERKbedrijf, die bij schending
                                ook tot het opleggen van een maatregel kan leiden (artikel 41,
                                eerste lid, WIJ). </al><al>Schending inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht </al><al>Schending van de verplichtingen genoemd in artikel 44 WIJ verplicht
                                in beginsel tot verlaging van de inkomensvoorziening. De hier
                                genoemde verplichtingen betreffen de inlichtingen- medewerkings- en
                                identificatieplicht. Voor de twee laatstgenoemde verplichtingen
                                geldt dat schending van deze verplichtingen er in beginsel toe leidt
                                dat het recht op werkleeraanbod en op inkomensvoorziening niet kan
                                worden vastgesteld en daarom afgewezen, beëindigd of ingetrokken kan
                                worden, conform de Wwb. Om die reden zijn ze in het kader van deze
                                verordening niet als ‘maatregelwaardige’ gedragingen aangemerkt,
                                naar analogie van het VNG-model van de Maatregelenverordening Wwb.
                                In de praktijk blijkt dat dit niet als een gemis wordt ervaren. </al><al>Schending van de inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op de
                                inkomensvoorziening als het werkleeraanbod en ziet niet alleen op de
                                informatieplicht van de jongere jegens het college maar ook UWV
                                WERKbedrijf. In dit model is ervoor gekozen om de hoogte van de
                                maatregel te relateren aan de mate van benadeling van de gemeente.
                                Hoe hoger de benadeling, hoe zwaarder de maatregel. </al><al>Schending van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het
                                werkleeraanbod </al><al>In artikel 45 WIJ zijn tamelijk gedetailleerd de verplichtingen
                                omschreven die betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en de
                                totstandkoming en de tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod. Deze
                                verplichtingen gelden van rechtswege vanaf het moment dat de
                                aanvraag voor een werkleeraanbod wordt ingediend. Schending van één
                                van deze verplichtingen dient in beginsel te leiden tot verlaging
                                van de eventuele inkomensvoorziening. Voor het categoriseren van de
                                gedragingen die tot een verlaging van de inkomensvoorziening leiden
                                bij schending van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en
                                het werkleeraanbod als bedoeld in artikel 45 WIJ zijn verschillende
                                mogelijkheden denkbaar. In deze verordening is gekozen voor
                                aansluiting bij de Wwb.</al><al>Er worden uiteenlopende maatregelpercentages gehanteerd voor
                                schending van de verschillende verplichtingen, in aansluiting op de
                                huidige bijstandspraktijk. Er wordt daarom gedifferentieerd tussen
                                de verschillende verplichtingen. Dat kan op verschillende manieren
                                gebeuren. Er is gekozen voor de benadering waarbij zoveel mogelijk
                                aansluiting wordt gezocht met de Maatregelenverordening Wwb. In die
                                verordening zijn aan schending van die verplichtingen maatregelen
                                van uiteenlopende hoogte verbonden. Gehandeld wordt in
                                overeenstemming met de wens om bijstandsgerechtigden en jongeren
                                zoveel mogelijk gelijk te behandelen, als bij het inrichten van de
                                Maatregelenverordening WIJ een categorie-indeling wordt gemaakt van
                                gedragingen die een schending van de verplichtingen opleveren en
                                daarbij een opbouw plaatsvindt in de hoogte van de maatregelen, die
                                zoveel mogelijk in overeenstemming met de Maatregelverordening Wwb
                                is. </al><al>Om aansluiting te krijgen tussen de Maatregelenverordeningen m.b.t.
                                de Wwb en de WIJ is het zaak om de verplichtingen die in de
                                Maatregelverordening Wwb zijn benoemd te vergelijken met die in
                                artikel 45 WIJ. </al><al>De verplichtingen, genoemd in de onderdelen a en f van artikel 45
                                WIJ kunnen ook worden gerangschikt onder de verplichting ‘mee te
                                werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden voor
                                arbeidsinschakeling’. Voor de verplichting om mee te werken aan het
                                opstellen van een plan m.b.t. de arbeidsinschakeling (eerste
                                zinsnede onderdeel a) wordt verwezen naar o.a. CRvB 4 september
                                2007, LJN: BB3443. Voor onderdeel f zijn daarvoor aanknopingspunten
                                te vinden in CRvB 25 maart 2008, LJN: BC7877. Voor schending van
                                deze verplichting geldt in het VNG-model een maatregelpercentage van
                                10%, omdat dit als een wat lichtere gedraging wordt aangemerkt. </al><al>Ten aanzien van de verplichting genoemd in onderdeel b wordt in de
                                memorie van toelichting als voorbeeld van een schending van deze
                                verplichting genoemd: het belemmeren van een bemiddelingspoging door
                                afwijkend gedrag, het stellen van irreële eisen of ongebruikelijke
                                werktijden (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 48). </al><al>Dat correspondeert in sterke mate met ‘gedragingen die de
                                arbeidsinschakeling belemmeren’, waarover de CRvB 4 juli 2006, LJN:
                                AY2200 heeft overwogen dat daarvan kan worden gesproken als blijkt
                                dat als gevolg van de gedraging kansen op werk of uitzicht op werk
                                is verspeeld. Schending van deze verplichting levert in het
                                VNG-model een maatregelpercentage van 20% op.</al><al>De verplichtingen, genoemd in de onderdelen c, d en e kunnen worden
                                gerangschikt onder de verplichting ‘gebruik te maken van een door
                                het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling’.
                                Daarvoor geldt evenzeer een maatregelpercentage van 20%. </al><al><cursief>Schematisch overzicht vergelijking verplichtingen uit
                                    artikel 45 WIJ en de verplichtingen, opgenomen in het VNG-model
                                    Maatregelenverordening Wwb. </cursief></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="41*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="38*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Verplichtingen artikel 45 WIJ </vet></al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al><vet>Verplichtingen Artikel 9
                                                  Maatregelverordening Wwb </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a</al></entry><entry colname="col2"><al>Meewerken aan het opstellen van een plan m.b.t.
                                                  de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het
                                                  meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden
                                                  tot arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col3"><al>Meewerken aan een onderzoek naar de
                                                  mogelijkheden tot arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col4"><al>lid 2 onder b </al><al>10% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen onredelijke eisen stellen in verband met de
                                                  te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die
                                                  het aanvaarden of verkrijgen van algemeen
                                                  geaccepteerde arbeid belemmeren </al></entry><entry colname="col3"><al>Gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                                  belemmeren </al></entry><entry colname="col4"><al>Lid 3 onder a </al><al>20% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c</al></entry><entry colname="col2"><al>Meewerken aan het behoud of bevorderen van de
                                                  arbeidsbekwaamheid </al></entry><entry colname="col3"><al>Gebruikmaken van een door het college aangeboden
                                                  voorziening gericht op arbeidsinschakeling,
                                                  waaronder begrepen sociale activering </al></entry><entry colname="col4"><al>Lid 3 onder b </al><al>20% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d</al></entry><entry colname="col2"><al>Meewerken aan activiteiten of werkzaamheden,
                                                  gericht op arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col3"><al>Idem </al></entry><entry colname="col4"><al>Idem </al><al>20% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e</al></entry><entry colname="col2"><al>Opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar
                                                  beste vermogen verrichten </al></entry><entry colname="col3"><al>Idem </al></entry><entry colname="col4"><al>Idem </al><al>20% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f</al></entry><entry colname="col2"><al>Op advies van een arts zich onderwerpen aan een
                                                  noodzakelijke behandeling van medische aard </al></entry><entry colname="col3"><al>Meewerken aan een onderzoek naar de
                                                  mogelijkheden tot arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col4"><al>lid 2 onder b </al><al>10% </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Zeer ernstige misdragingen </al><al>Afzonderlijke aandacht verdient de verplichting om de
                                inkomensvoorziening te verlagen als de jongere zich zeer ernstig
                                misdraagt (artikel 41, eerste lid, WIJ). Het betreft gedragingen die
                                in het maatschappelijk verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                                worden beschouwd (conform artikel 18, tweede lid, Wwb). De redactie
                                van artikel 41, eerste lid, WIJ wijkt af van die van artikel 18,
                                tweede lid, Wwb en laat ruimte open voor de gedachte dat een zeer
                                ernstige misdraging niet afhankelijk zou zijn van de context waarin
                                deze zich afspeelt, zolang deze zich maar tot het college of diens
                                ambtenaren richt. Hiermee is echter niet beoogd om afstand te nemen
                                van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep inzake zeer
                                ernstige misdragingen in het kader van bijstandverlening (zie ook
                                Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 46).</al><al>Zoals de CRvB onder meer in zijn uitspraak van 29 juli 2008, LJN
                                BD7970, heeft overwogen, is aan de toepassingsvoorwaarden van
                                artikel 18, tweede lid, Wwb voldaan indien sprake is van het niet of
                                onvoldoende nakomen van een of meer van de in dat artikellid
                                bedoelde verplichtingen met als verzwarende omstandigheid dat sprake
                                is van agressief, aan de belanghebbende toe te rekenen gedrag jegens
                                het college en bij de uitvoering van de Wwb betrokken personen dat
                                in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                                kan worden beschouwd. Een wegens dergelijk gedrag opgelegde
                                verlaging van de bijstand c.q. inkomensvoorziening dient te worden
                                aangemerkt als punitieve (bestraffende) sanctie en op het college
                                rust de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken dat van
                                agressie in de zin van de genoemde bepaling sprake is geweest (zie
                                ook de uitspraak van 31 december 2007, LJN BC1811). </al><al>Bezondigt de jongere zich herhaaldelijk aan zeer ernstige
                                misdragingen, dan kan het college de jongere tijdelijk uitsluiten
                                van het recht op een werkleeraanbod (artikel 22, eerste lid, WIJ).
                                Een dergelijk besluit moet uiterlijk binnen een maand heroverwogen
                                worden. Anders dan de memorie van toelichting suggereert, betekent
                                dit niet per definitie uitsluiting van het recht op een
                                inkomensvoorziening (zie Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3,
                                p. 46/47 voor het standpunt van de regering ter zake). Artikel 42
                                WIJ, dat daarvoor de grondslag zou moeten bieden, kent ‘
                                (tijdelijke) uitsluiting van het recht op een werkleeraanbod bij
                                zeer ernstige misdragingen’ niet als afzonderlijke uitsluitingsgrond
                                voor de inkomensvoorziening. Het is wel denkbaar dat het bij
                                herhaling zeer ernstig misdragen kan worden aangemerkt als houding
                                en gedragingen van de jongere waaruit ondubbelzinnig blijkt dat deze
                                de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen. Om
                                onzekerheid op dit punt uit te sluiten, wordt in deze verordening
                                gekozen voor het (verder) verlagen van de inkomensvoorziening op
                                grond van artikel 41, eerste lid, WIJ, zodat feitelijk een
                                tijdelijke uitsluiting ontstaat.</al><al> ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</al><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                                gelijkluidende betekenis als in de WIJ. </al><al>De term ‘WIJ-norm’ wordt in deze verordening gebruikt. Daarmee wordt
                                bedoeld de van toepassing zijnde norm, inclusief toeslag/verlaging.
                                Het equivalent in de Wwb, de bijstandsnorm (artikel 5, onderdeel c,
                                Wwb) is in de WIJ zelf niet opgenomen en gedefinieerd. Wel wordt in
                                de memorie van toelichting tweemaal gesproken van
                                ‘inkomensvoorzieningsnorm’, waarmee kennelijk hetzelfde begrip wordt
                                bedoeld. In artikel 41 WIJ is opgenomen dat het bedrag van de
                                inkomensvoorziening wordt verlaagd; bedoeld is echter de norm. Omdat
                                hantering van het begrip ‘inkomensvoorzieningsnorm’ of ‘bedrag van
                                de inkomensvoorziening’ de leesbaarheid niet ten goede komt, is het
                                begrip ‘WIJ-norm’ geïntroduceerd. </al><al>Er is een omschrijving van het begrip ‘benadelingsbedrag’ gegeven,
                                omdat dit begrip uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van
                                de maatregel die verbonden is aan schending van de
                                inlichtingenplicht (zie artikel 12). Aangesloten is bij de
                                omschrijving van dit begrip in het Boetebesluit
                                socialezekerheidswetten. In artikel 1, onderdeel s van dit Besluit
                                is het begrip ‘benadelingsbedrag’ gedefinieerd voor het opleggen van
                                boetes op grond van een vijftiental socialezekerheidswetten,
                                waaronder de IOAW en IOAZ, in verband met schending van de
                                inlichtingenplicht. Gegeven de toelichting op dit artikel wordt
                                onder bruto benadelingsbedrag tevens verstaan de (inmiddels)
                                afgedragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en de
                                vergoeding bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als bedoeld in artikel
                                54, vierde lid WIJ. Voor zover er ten tijde van het maatregelbesluit
                                nog geen sprake is geweest van afdracht aan belastingen etc. ,
                                bijvoorbeeld omdat de teveel verstrekte inkomensvoorziening reeds is
                                terugbetaald in hetzelfde kalenderjaar als waarin de
                                inkomensvoorziening ten onrechte is verstrekt, blijft het
                                benadelingsbedrag uiteraard beperkt tot een netto bedrag. </al><al>Onder benadelingsbedrag wordt niet slechts verstaan de ten onrechte
                                verstrekte uitkering (inkomensvoorziening) maar ook het
                                werkleeraanbod, eveneens conform artikel 1, onderdeel s van het
                                Boetebesluit. Analoog aan het Boetebesluit is daarnaast in het
                                tweede lid nog expliciet bepaald dat onder benadelingsbedrag in deze
                                verordening mede wordt verstaan de kosten die de gemeente maakt voor
                                het ten onrechte toegekende en/of uitgevoerde werkleeraanbod. Die
                                kosten zullen niet altijd eenvoudig zijn vast te stellen, maar als
                                het een voorziening betreft die de jongere ten onrechte heeft benut,
                                is het meestal wel mogelijk om een raming te maken van de daaraan
                                verbonden kosten. Deze kosten tellen mee voor het bepalen van de
                                hoogte van de maatregel bij schending inlichtingenplicht. </al><al>Artikel 2 Afstemming </al><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept></al><al>Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een
                                maatregel (artikel 41, eerste lid, WIJ). In de Aanwijzingen voor de
                                decentrale regelgeving wordt dit afgeraden, niettemin is deze
                                grondslag omwille van de leesbaarheid, duidelijkheid en consistentie
                                hier herhaald. Verwezen wordt naar artikel 42 WIJ om aan te geven
                                dat de imperatief voorgeschreven verlaging middels een maatregel
                                niets afdoet aan intrekking van de inkomensvoorziening vanwege
                                intrekking van het werkleeraanbod. Als daartoe wordt besloten, dan
                                komt verlaging veelal niet meer aan de orde. </al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een
                                op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele
                                omstandigheden van de jongere en de mate van verwijtbaarheid. Deze
                                bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen
                                maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele
                                omstandigheden van de betrokken jongere afwijking van de hoogte en
                                de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. </al><al>Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een
                                matiging betekenen en kan zowel zijn gebaseerd op de ernst van de
                                gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van
                                de jongere afzonderlijk. Waar verderop in de verordening gedragingen
                                worden genormeerd, kan daarvan dus worden afgeweken op de genoemde
                                gronden. Dat is om redactionele redenen expliciet verwoord, zodat
                                bij de normering van de maatregelen in het vervolg van de
                                verordening niet steeds hoeft te worden gesteld dat de maatregel een
                                x-percentage bedraagt ‘onverminderd artikel 2, tweede lid’, m.a.w.
                                met de mogelijkheid af te wijken. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel
                                moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie
                                stappen moet doorlopen: </al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. </al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid. </al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
                                standaardpercentage waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd.
                                Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt
                                verwezen naar de toelichting bij artikel 6.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke
                                omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde
                                zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals
                                        bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of
                                        uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële
                                        tegemoetkoming mogelijk is; </al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;
                                    </al></li><li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het
                                        geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de
                                        gedraging en de mate van verwijtbaarheid. </al></li></lijst><al>Artikel 3 De berekeningsgrondslag </al><al>Hierin is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                                opgelegd over de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een
                                begripsomschrijving. </al><al>Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een maatregel</al><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt
                                opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel
                                wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                                vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet
                                bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het
                                motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een besluit aan
                                betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd (afdeling
                                3.7 Awb ).</al><al>Artikel 5 Horen van belanghebbende </al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen
                                het horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                                beschikkingen. In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende
                                voordat een maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht.
                                De onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de
                                Algemene wet bestuursrecht. </al><al>Artikel 6 Afzien van het opleggen van een maatregel </al><al>Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden
                                van het opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41,
                                tweede lid, WIJ waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt
                                afgezien als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. </al><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept></al><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                                gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille
                                van de effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                                gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt
                                onder a. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor
                                gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden
                                en als gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend
                                of een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in
                                de verordening een verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn
                                wordt aangesloten bij de termijn die gelet op artikel 14e van de
                                Algemene bijstandswet gold in verband met het opleggen van een boete
                                wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf
                                jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude)
                                en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om
                                de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><al>Ten slotte kan in individuele omstandigheden wegens dringende
                                redenen worden afgezien van het opleggen van een maatregel. Van
                                dringende redenen is sprake als de gevolgen van het opleggen van een
                                maatregel onaanvaardbaar zijn. Dat vergt een beoordeling van de
                                situatie van de jongere maar daarvan zal niet spoedig sprake zijn. </al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van
                                het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van
                                belang in verband met eventuele recidive. </al><al>Artikel 7 Ingangsdatum </al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                                WIJ-norm. Verlaging van de WIJ-norm kan in beginsel op twee
                                manieren: </al><lijst><li nr="1"><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van
                                        de inkomensvoorziening; of </al></li><li nr="2"><al>door middel van verlaging van de WIJ-norm in de
                                        eerstvolgende maand(en). </al></li></lijst><al>Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt
                                verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat
                                geval niet over te gaan tot herziening van de inkomensvoorziening en
                                het te veel betaalde bedrag aan inkomensvoorziening terug te
                                vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel
                                wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand,
                                waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende WIJ-norm. </al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de
                                inkomensvoorziening reeds beëindigd is, dan biedt het tweede lid de
                                mogelijkheid dat met terugwerkende kracht een maatregel worden
                                opgelegd. Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                                jongere is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging van de
                                uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden
                                uitbetaald. In dat geval moet de inkomensvoorziening wel worden
                                herzien en teruggevorderd. Dat is ook nog mogelijk indien de
                                inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Uit de jurisprudentie van
                                de Raad blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op het moment waarop
                                de gedraging plaatsgevonden heeft. Wordt een dergelijke maatregel
                                opgelegd, dan moet een tevens besluit tot herziening van de
                                inkomensvoorziening op grond van artikel 40, derde lid, WIJ worden
                                genomen.</al><al>Artikel 8 Samenloop</al><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van
                                de verplichtingen genoemd in de wet (artikelen 44 en 45 WIJ). Indien
                                sprake is van één gedraging die als een schending van meerdere
                                verplichtingen kan worden aangemerkt, dan dient voor het toepassen
                                van de maatregel te worden uitgegaan van de verplichting waarop de
                                zwaarste maatregel van toepassing is. </al><al>Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan
                                dient voor iedere gedraging afzonderlijk het maatregelpercentage te
                                worden berekend en gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit niet
                                verantwoord is. Zo kan bijvoorbeeld als beleid gehanteerd worden dat
                                een jongere altijd moet kunnen blijven beschikken over 50% van de
                                WIJ-norm. In dat geval kan de maatregel over meerdere maanden worden
                                uitgesmeerd. Daarnaast dient altijd de individuele toets aan artikel
                                2, tweede lid te worden toegepast. </al><al>Hoofdstuk 2 Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in
                                artikel 45 van de wet </al><al>De gedragingen die een schending van artikel 45 WIJ inhouden
                                betreffen de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en
                                tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod. </al><al>Artikel 9 Indeling in categorieën </al><al>Zoals reeds in de Algemene toelichting gesteld, wordt in deze
                                variant gedifferentieerd in categorieën. Gekozen is voor zoveel
                                mogelijk aansluiting bij de Maatregelverordening WWB </al><al>Artikel 10 De hoogte en de duur van de maatregel </al><al>In aansluiting op het vorige artikel en de daarin gepresenteerde
                                varianten worden verschillende percentages genoemd bij de
                                verschillende varianten. </al><al>Indien binnen één jaar na bekendmaking van het besluit waarmee een
                                eerdere maatregel is opgelegd sprake is van een herhaling van de
                                verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                                uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                                maatregel. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één
                                keer worden toegepast. Indien de jongere na een tweede verwijtbare
                                gedraging wederom hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de
                                hoogte en de duur van de maatregel individueel moeten worden
                                vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                                omstandigheden van de jongere. Een zwaardere maatregel dan in geval
                                van recidive is dan doorgaans verdedigbaar. </al><al>Zie ook de algemene toelichting voor een uitgebreider overzicht. </al><al>Hoofdstuk 3 Niet nakomen van de inlichtingenplicht </al><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de
                                informatieplicht onderscheiden: </al><lijst><li nr="1"><al>het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de
                                        gemeente. In deze situatie is artikel 40, eerste lid WIJ van
                                        toepassing. Het college kan in dat geval het recht op
                                        inkomensvoorziening opschorten en de jongere in de
                                        gelegenheid stellen binnen een door hem te stellen termijn
                                        het verzuim te herstellen. In dat geval kan ook een
                                        maatregel aan de orde zijn. </al></li><li nr="2"><al>Artikel 44 WIJ: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                                        inlichtingen aan de gemeente. Daardoor is het mogelijk dat
                                        er ten onrechte of een te hoog bedrag aan
                                        inkomensvoorziening is verstrekt of ten onrechte een
                                        werkleeraanbod is toegekend. Het is ook denkbaar dat het
                                        inlichtingenverzuim niet tot benadeling heeft geleid. In
                                        beide gevallen kan een maatregel aan de orde zijn. </al></li></lijst><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens bij een
                                aanvraag niet aan de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het
                                college de rechtmatigheid van het werkleeraanbod en de
                                inkomensvoorziening niet vaststellen. De aanvraag moet dan worden
                                afgewezen. Het opleggen van een maatregel is in dergelijke gevallen
                                niet aan de orde. </al><al>Artikel 11 Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente </al><al>Indien een jongere de voor het werkleeraanbod of de
                                inkomensvoorziening van belang zijnde gegevens of gevorderde
                                bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college het recht op
                                inkomensvoorziening opschorten (artikel 40, eerste lid, WIJ). Het
                                college geeft de jongere vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn
                                verzuim kan herstellen (de hersteltermijn). Wordt de gevraagde
                                informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente
                                verstrekt, dan kan het college het besluit tot vaststelling van de
                                inkomensvoorziening intrekken (artikel 40, vierde lid, tweede
                                volzin, WIJ). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de
                                hersteltermijn verstrekt, wordt de inkomensvoorziening voortgezet,
                                maar wordt tevens een maatregel opgelegd. </al><al>Dit lid regelt de hoogte van de maatregel. Tevens wordt daarin de
                                zogeheten 'nulfraude' geregeld: het verstrekken van onjuiste of
                                onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                                voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening. Een voorbeeld van
                                nulfraude kan zijn het niet melden van een niet-rechthebbende
                                partner. </al><al>Artikel 12 Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente </al><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept></al><al>In artikel 44, eerste lid, WIJ is bepaald dat de jongere op verzoek
                                of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                                omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
                                zij van invloed kunnen zijn op zijn werkleeraanbod of het recht op
                                inkomensvoorziening. Het college zal moeten vaststellen wat het
                                onder 'onverwijld' verstaat. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                                benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde
                                bedrag aan inkomensvoorziening alsmede de kosten van het
                                werkleeraanbod.</al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het
                                bedrag aan inkomensvoorziening dat als gevolg van de schending van
                                die verplichting ten onrechte of te veel aan de jongere is betaald. </al><al>De maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige
                                inkomensvoorziening van de jongere maar kan ook met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, zie artikel 7, tweede lid. </al><al><onderstreept>Derde lid </onderstreept></al><al>Het opleggen van een sanctie in reactie op schending van de
                                inlichtingenplicht is in beginsel een verantwoordelijkheid van de
                                gemeente zelf. In de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude hebben de
                                Procureurs-generaal echter richtlijnen gegeven onder welke
                                omstandigheden ter zake van de aan de schending klevende
                                strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in
                                geschrifte) vervolging door het OM moet plaatsvinden. </al><al>Per 1 januari 2009 is de bestaande Aanwijzing sociale
                                zekerheidsfraude gewijzigd (zie Stcrt. 2008/187). </al><al>Uitgangspunt is het zogenaamde ‘una via’-beginsel. De jongere wordt
                                hetzij door de gemeente, hetzij door de strafrechter gesanctioneerd.
                                Niet door beide. </al><al>In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden
                                bestaat dat het benadelingsbedrag (bruto) € 10.000 of hoger is, er
                                aangifte en vervolging door het OM dient plaats te vinden. Is er
                                echter sprake van ‘witte’ fraude (door koppeling van bestanden etc.
                                aan het licht gebracht), dan is de gemeente primair verantwoordelijk
                                tot een benadelingsbedrag van € 35.000. Is de benadeling groter dan
                                is altijd het OM aan zet. Dat geldt ook voor gevallen waarin er met
                                de jongere geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen maatregel
                                meer kan worden toegepast. </al><al>In het derde lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien
                                als inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een
                                schikking is getroffen. In dergelijke situaties is een maatregel
                                niet meer opportuun. </al><al>Hoofdstuk 4 Zeer ernstige misdragingen </al><al>Artikel 13 Zeer ernstige misdragingen </al><al>Zie ook de Algemene Toelichting op dit onderdeel. </al><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van
                                agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                                verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer
                                in alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. </al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband
                                bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen
                                voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op een
                                werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening. Vandaar dat in dit artikel
                                wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                                plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden
                                met de uitvoering van de WIJ (zie ook de Algemene toelichting op dit
                                onderdeel). In artikel 41, eerste lid, WIJ wordt gesproken over 'het
                                zich jegens het college zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat
                                alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en
                                hun ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel.
                                Of dit ook ‘a contrario’ betekent dat geen maatregel kan worden
                                opgelegd als er sprake is van zeer ernstige misdragingen jegens
                                externe uitvoerders van de WIJ, zoals het UWV-WERKbedrijf,
                                re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is niet duidelijk.
                                De Centrale Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over
                                uitgelaten.</al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een jongere
                                zich ernstig heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden
                                naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                persoonlijke omstandigheden van de jongere. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                                volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                                ernstiger) worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a"><al>verbaal geweld (schelden); </al></li><li nr="b"><al>discriminatie;</al></li><li nr="c"><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e"><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f"><al>combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                                moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                                plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                                instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld
                                is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een
                                bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                                uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                                onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                                frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                                verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan
                                bij frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van
                                aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl
                                de functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen
                                bij de politie. </al><al><onderstreept>Derde lid </onderstreept></al><al>In lid 3 is vastgelegd dat evenals bij andere vormen van verwijtbaar
                                gedrag soms een waarschuwing op zijn plaats kan zijn en gegeven kan
                                worden. </al><al><onderstreept>Vierde lid </onderstreept></al><al>In het vierde lid komt evenals bij andere gedragingen tot
                                uitdrukking dat recidive een reden kan zijn de maatregelduur te
                                verlengen. Vergelijk ook hetgeen in de Algemene toelichting is
                                gesteld over de mogelijkheid om bij herhaald wangedrag de jongere
                                wel tijdelijk uit te sluiten van het recht op werkleeraanbod maar
                                niet van de inkomensvoorziening. Gelet op de wens van de wetgever om
                                bij herhaald zeer ernstige misdragingen de jongere (tijdelijk) uit
                                te sluiten van een inkomensvoorziening, is bij recidive in beginsel
                                een percentage van 100% van toepassing, gedurende de periode van
                                uitsluiting van het werkleeraanbod. Er kan uiteraard ook gekozen
                                worden voor een periode van een maand of enkele maanden. Wel geldt
                                daarbij dat binnen een maand de uitsluiting van het werkleeraanbod
                                heroverwogen moet worden, vanwege de grote consequenties en gelet op
                                het belang van duurzame arbeidsparticipatie.</al><al>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</al><al>De artikelen 14 (inwerkingtreding) en 15 (citeertitel) spreken voor
                                zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>