<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>60435_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Boekel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-12-06</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Boekel &amp; Venhorst, 21-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Boekel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0005181&amp;artikel=8">Woningwet, artikel 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights><dcterms:issued>2010-12-16</dcterms:issued><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0005181&amp;artikel=11">Woningwet, artikel 11</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>AB/004198</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Boekel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>de raad der gemeente Boekel;</al><al>Gezien de ledenbrief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, kenmerk ECGR/U2010, d.d. 22 april 2010</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 juni 2010</al><al>Gelet op de artikelen 8 en 11 van de Woningwet</al><al></al><al>Besluit: Vast te stellen de volgende verordening tot wijziging van de bouwverordening</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label></label></kop><al><vet>Bouwverordening gemeente Boekel</vet></al><al>Vastgesteld door raad : 17 december 1992, sedert gewijzigd.</al><al><vet>Inhoud</vet></al><al>1 Inleidende bepalingen ...................................................................................................................... 2</al><al>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen ..................................................…............... 2</al><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden ........................................................................…….......... 6</al><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning ….................................……..... 7</al><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing..............................................................................................…… 7</al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem.......................................…… 7</al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen ..............…… 8</al><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen....….. 20</al><al>3 De melding ..................................................................................................................................… 23</al><al>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk ........... .24</al><al>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van</al><al>schadelijk en hinderlijk gedierte ...................................................................................................….. 28</al><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen ..................................................................….... 28</al><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen ..................….... 30</al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen ..............................................................……. 30</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid ...............................……. 32</al><al>6 Brandveilig gebruik.....................................................................................................................…. 32</al><al>7 Overige gebruiksbepalingen ........................................................................................................... 33</al><al>Paragraaf 1 Overbevolking .....................................................................................................…. 33</al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik ....................................................................................….... 33</al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen...........................….........…..... 34</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid .............…..............….... 34</al><al>Paragraaf 5 Watergebruik....................................................................................................….... 34</al><al>Paragraaf 6 Installaties .......................................................................................................…..... 35</al><al>8 Slopen ..........................................................................................................…............................... 36</al><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen ...........................................................….... 36</al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen.…. 37</al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen ................................................................…..…... 39</al><al>Paragraaf 4 Vrij slopen .........................................................................................................…... 40</al><al>9 Welstand .........................................................................................................................…............ 41</al><al>10 Overige administratieve bepalingen................................................................................….......... 44</al><al>11 Handhaving ......................................................................................................................…........ 45</al><al>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen .................................................................................…...... 46</al><al><vet>1 Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van het</al></li></lijst></li></lijst><al>Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al><al>-bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid,</al><al>onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in</al><al>dit artikellid, burgemeester en wethouders;</al><al>-bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de</al><al>Woningwet;</al><al>-bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in</al><al>samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast</al><al>is met het bouw- en woningtoezicht;</al><al>-bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander</al><al>materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond</al><al>verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter</al><al>plaatse te functioneren;</al><al>-deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt verstaan in</al><al>artikel 6, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ;</al><lijst><li nr="-"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit ;</al></li><li nr="-"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en</al></li></lijst><al>wethouders is vastgesteld;</al><lijst><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld</al></li></lijst><al>in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ;</al><al>-Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld</al><al>in artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ;</al><lijst><li nr="-"><al>straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte</al></li></lijst></li></lijst><al>van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;</al><al>b.voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de</al><al>hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al><al>-weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden</al><al>daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden</al><al>behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig</al><al>aangeduide parkeerterreinen.</al><al>2.In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk</al><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw</al><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze verordening</al></li></lijst><al>behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al><al><vet>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het</vet></al><al><vet>bouwen</vet></al><al><vet>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><al>1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de</al><al>Woningwet bestaat uit:</al><al>a.de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN</al><al>5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit</al><al>figuur 1.</al><lijst><li nr="b."><al>(vervallen).</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat</al></li></lijst><al>asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem</al><al>aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707,</al><al>uitgave 2003.</al><al>2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de</al><al>Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat</al><al>naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht,</al><al>artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het</al><al>Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II .</al><al>3.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van</al><al>een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe,</al><al>indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruibare recente</al><al>onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al><al>4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een</al><al>onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht</al><al>toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel</al><al>2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit</al><al>omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het</al><al>historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de</al><al>gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet</al><al>rechtvaardigen.</al><al>5.Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.</al><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en</vet></al><al><vet>standplaatsen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</vet></al><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid</al><al>van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een</al><al>bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en</al></li></lijst><al>c. 1. dat de grond raakt, of</al><al>2.waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.</al><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van</al><al>de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het de Regeling</al><al>omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten</al><al>dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet</al><al>bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van</al><al>oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van</al><al>voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al><al><vet>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en</vet></al><al><vet>bereikbaarheidseisen</vet></al><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige</vet></al><al><vet>bepalingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in aanmerking moet</al><al>worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>1.Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan</al><al>10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang</al><al>en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,</al><al>ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer.</al><al>2.Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor</al><al>de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins</al><al>voorschriften heeft vastgesteld:</al><al>a.een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m</al><al>zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2</al><al>m;</al><al>b.zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten</al><al>minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al><lijst><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><lijst><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw voor het bouwen</al></li></lijst></li></lijst><al>waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het</al><al>Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw niet tot</al><al>bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is</al><al>gelegen.</al><al>4.Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, moeten zodanige</al><al>opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen</al><al>die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al><al>5.Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg</al><al>gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al><al>6.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich</al><al>daarvoor lenen.</al><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit ;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als</al></li></lijst></li></lijst><al>bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit en anderzijds de openbare weg moet een</al><al>mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><lijst><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit plaatsvindt</al></li></lijst></li></lijst><al>door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en</al><al>2.40 van het Bouwbesluit .</al><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><al>a.langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels</al><al>van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke,</al><al>zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande</al><al>bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de</al><al>richting van de weg geeft;</al><al>b.langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en</al><al>waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn</al><al>gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de</al><al>lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.</al><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel is het verboden een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een</al><al>omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><al>a.onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is</al><al>vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen</al><al>van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit</al><al>omgevingsrecht ;</al><al>b.andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is</al><al>vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen</al><al>bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht , te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet</al></li></lijst><al>meer dan 0,3 m overschrijden.</al><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de</vet></al><al><vet>voorgevelrooilijn</vet></al><al>1.In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het</al><al>bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor.</al><al>a.ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits</al><al>de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil;</al><al>b.bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, 16</al><al>en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht , die naar hun aard en bestemming</al><al>op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn;</al><lijst><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de</al></li></lijst><al>voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden;</al><al>e.trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede</al><al>andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen</al><al>en draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in ;</al><lijst><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan</al></li></lijst><al>wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet</al><al>bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting</al><al>bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al>2.Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan, indien niet lager</al><al>gebouwd wordt dan:</al><al>-4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m</al><al>breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al>-2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt.</al><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het</al><al>bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a.gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het</al><al>telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in</al><al>artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><al>b.bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de</al><al>energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan</al><al>bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><lijst><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die naar</al></li></lijst><al>hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining</vet></al><al><vet>van straathoeken</vet></al><al>1.Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn zijn</al><al>geplaatst.</al><lijst><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking genoemd in de</al></li></lijst></li></lijst><al>artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al><al>b.in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de afwijking genoemd in</al><al>artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de</al><al>achtergevelrooilijn is geplaatst;</al><lijst><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al><lijst><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van 90 graden of</al></li></lijst></li></lijst><al>minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en</al><al>na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet de</al><al>bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2</al><al>meter boven straatpeil - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor</al><al>onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al><al>4.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van</al></li></lijst><al>bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al><al>e.gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder</al><al>begrepen, en de daarbijbehorende woningen;</al><lijst><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of regelmatig</al></li></lijst></li></lijst><al>veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de</al><al>straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere</al><al>afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel</al><al>binnen de voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste;</al><al>b.in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan onder a</al><al>genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als</al><al>onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder</al><al>a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het</al><al>bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn</al><al>dan 15 meter;</al><al>c.in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs</al><al>deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand</al><al>tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende</al><al>bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van</al><al>de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>d.in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te bebouwen</al><al>rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn</al><al>gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover</al><al>elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen</al><al>grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>e.in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt bepaald</al><al>met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid,</al><al>doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al><al>2.Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een scherpe hoek</al><al>vormen moeten de achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding van</al><al>daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten</al><al>minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al><al>3.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de</al><al>hoekbebouwing dit toelaten.</al><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><al>a.buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor</al><al>doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al><al>b.buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van</al><al>bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de</al><al>zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al><al>c.onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is</al><al>vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of</al><al>uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel</al><al>1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al><al>d.onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is</al><al>vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen</al><al>van veranderingen, bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit</al><al>omgevingsrecht ;</al><al>e.andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning</al><al>is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,</al><al>onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al><lijst><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van bijlage II bij het Besluit</al></li></lijst></li></lijst><al>omgevingsrecht.</al><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de</vet></al><al><vet>achtergevelrooilijn</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn kan het</al><al>bevoegd gezag de de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a.buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van</al><al>bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de</al><al>zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al><lijst><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen,</al></li></lijst><al>aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een</al><al>plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al><al>e.gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de en, is</al><al>verzekerd;</al><al>f.bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage</al><al>II van het Besluit omgevingsrecht;</al><al>g.gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein</al><al>omvattend;</al><al>h.bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is</al><al>vereist;</al><al>i.ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de</al><al>bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij</al><al>voltooiing van de bouw;</al><al>j.erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel 2, onderdeel 3,</al><al>of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>k.trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en</al><al>veranda's, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende</al><al>schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in;</al><al>l.bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in</al><al>de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is</al><al>om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van</al><al>de bestaande omgeving.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>1.Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond</al><al>omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het</al></li></lijst><al>verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter.</al><al>2.De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn en</al><al>vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen</al><al>van dat gebouw, bedoeld in, en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven.</al><lijst><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen</al></li></lijst></li></lijst><al>bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al><lijst><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar</al></li></lijst></li></lijst><al>liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water,</al><al>aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat</al><al>terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf</al><al>van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;</al><al>3.bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen</al><al>woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de</al><al>bestaande toestand verbeterd.</al><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>1.Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning is bestemd,</al><al>moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter</al><al>het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte daarvan.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de ontheffingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot overschrijding van</al></li></lijst><al>de achtergevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>1.De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van</al><al>het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf</al><al>aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf wordt hierbij buiten</al><al>beschouwing gelaten.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de</al><al>vrij te laten ruimte.</al><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>1.Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 12 van bijlage II bij het</al><al>Besluit omgevingsrecht .</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.</al><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse</vet></al><al><vet>hoofdtransportleidingen</vet></al><al>1.Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden</al><al>van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere</al><al>bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, dan die welke</al><al>deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening</al><al>worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder</al><al>hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning</al><al>van 1.000 volt of meer.</al><al>2.Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse hoofdtransportleiding</al><al>mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist,</al><al>worden gebouwd.</al><lijst><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de</al></li></lijst></li></lijst><al>elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al><al>b.het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien</al><al>daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen</al><al>bezwaar bestaat.</al><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al>1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.4.24 bedraagt de maximale hoogte van een</al><al>bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de</al><al>voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>a.in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de</al><al>desbetreffende weg;</al><al>b.buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de</al><al>desbetreffende weg.</al><al>2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan wegen, waarvan</al><al>de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde van de</al><al>smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over</al><al>een lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle</al><al>weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al><al>3.De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de desbetreffende</al><al>voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op</al><al>de voorgevelrooilijn.</al><al>4.Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt ter bepaling van de</al><al>grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende</al><al>rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die</al><al>onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking</al><al>voorkomende rooilijnen.</al><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>1.Onverminderd het bepaalde in bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerken, voor het</al><al>bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de achtergevelrooilijn 1</al><al>meter, vermeerderd met:</al><al>a.in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn</al><al>in hetzelfde bouwblok;</al><al>b.buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende</al><al>achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>2.De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de achtergevelrooilijn ter</al><al>plaatse van het bouwwerk. Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig</al><al>lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de</al><al>gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende</al><al>achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de</al><al>achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al><al>3.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van een bouwwerk in</al><al>het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de</al><al>aangrenzende 5 meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>4.Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt, moet de in het eerste</al><al>lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het</al><al>straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij</al><al>voltooiing van de bouw.</al><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn</vet></al><al>1.Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen aan de ene</al><al>weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die</al><al>achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in - de</al><al>maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de</al><al>hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de</al><al>eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als</al><al>beschreven is in , tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee</al><al>achtergevelrooilijnen.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel.</al><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</vet></al><al>1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een</al><al>omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken</al><al>dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de</al><al>achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de en - maximale bouwhoogte en die met het</al><al>horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al><lijst><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die gelegen is</al></li></lijst></li></lijst><al>tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet</al><al>hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de -</al><al>krachtens - maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56</al><al>graden.</al><al><vet>2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al>1.De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist,</al><al>mag niet meer bedragen dan 15 meter.</al><al>2.Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op verschillende hoogten</al><al>liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst gelegen weg.</al><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</vet></al><al>1.De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge of toegestane afwijking wordt opgericht</al><al>op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien</al><al>verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat - daarboven een zadeldak</al><al>met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen</al><al>beletsel vormen.</al><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>1.De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak van een</al><al>bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil.</al><al>2.De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden bepaald door de</al><al>oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in , onder d, en ,</al><al>onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten</al><al>beschouwing worden gelaten.</al><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid,</al><al>artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op:</al><al>a.onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is</al><al>vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen</al><al>van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit</al><al>omgevingsrecht ;</al><al>b.het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het aanbrengen van</al><al>veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij</al><al>het Besluit omgevingsrecht;</al><al>c.topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits</al><al>zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel</al><al>gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale</al><al>bouwhoogte ter plaatse;</al><al>d.plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.</al><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de</vet></al><al><vet>toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de toegelaten bouwhoogte als</al><al>bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en</al><al>2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a.gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen bestemd</al><al>voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen;</al><al>b.gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het</al><al>toestaan van de afwijking is gebaat;</al><lijst><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in</al></li></lijst><al>artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht , en indien:</al><al>1.de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de</al><al>welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al><al>2.bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere</al><al>hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al><al>f.bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de</al><al>energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,</al><al>onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><lijst><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter, de hoogte niet</al></li></lijst><al>meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de</al><al>erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor</al><al>gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al><lijst><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de</al></li></lijst><al>provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om</al><al>de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de</al><al>bestaande omgeving.</al><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de</vet></al><al><vet>rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk</vet></al><al><vet>beleid</vet></al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan het bevoegd gezag</al><al>afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn,</al><al>en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><al>a.er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of beheersverordening of projectbesluit</al><al>van kracht is;</al><al>b.geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet algemene</al><al>bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al><lijst><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</vet></al><al>1.Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten</al><al>behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in,</al><al>op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw</al><al>behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het</al><al>gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per</al><al>openbaar vervoer.</al><al>2.De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die</al><al>zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al>a.indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en</al><al>ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al><al>b.indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte -</al><al>voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50</al><al>m bij 5,00 m bedragen.</al><al>3.Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan</al><al>ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn</al><al>voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat</al><al>gebouw behoort.</al><al>4.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>het eerste en het derde lid:</al><al>a.indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op</al><al>overwegende bezwaren stuit; of</al><al>b.voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of</al><al>losruimte wordt voorzien.</al><al><vet>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en</vet></al><al><vet>vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor</al><al>drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding:</al><al>a.indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het</al><al>distributienet is gelegen; of</al><al>b.indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het</al><al>distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk</al><al>niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.</al><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen</al><al>elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit:</al><al>a.indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat</al><al>distributienet is gelegen; of</al><al>b.indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het</al><al>elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het</al><al>desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.</al><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>1.De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen</al><al>gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas:</al><al>a.indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van</al><al>dat distributienet is gelegen; of</al><al>b.indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het</al><al>aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het</al><al>desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. Niet van</al><al>toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen, waarin voor het kunnen koken een</al><al>andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele</al><al>aansluiting voor gastoevoer nodig is.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m²;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke</al></li></lijst><al>voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit</al><al>(warmtedistributienet).</al><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>1.De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen</al><al>voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het</al><al>Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer</al><al>van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is het</al><al>bepaalde in dit lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al><lijst><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor het maken</al></li></lijst><al>van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw dan wel</al><al>de grens van het erf of terrein moet of moeten kruisen;</al><al>b.of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld</al><al>ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater, faecaliën en hemelwater, ingeval</al><al>de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.</al><al>3.Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer moet worden bepaald</al><al>of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden</al><al>tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het openbaar</al><al>riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,</al><al>ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft.</al><al>4.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of</al><al>lucht mogelijk is:</al><al>a.voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn</al><al>gelegen;</al><al>b.voor agrarische bedrijven.</al><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</vet></al><al>1.Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen</al><al>voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het</al><al>Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer</al><al>van hemelwater niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende</al><al>bepalingen:</al><al>a.leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten lozen op</al><al>een rottingput met overstort;</al><al>b.leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op</al><al>een mestkelder of een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput met</al><al>overstort;</al><al>c.leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder</al><al>faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen</al><al>verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>d.leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder</al><al>faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water,</al><al>bodem en lucht mogelijk is.</al><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</vet></al><al>1.Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige scheidingsconstructies van</al><al>bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten</al><al>waterdicht zijn aangewerkt.</al><al>2.De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van de buitenriolering</al><al>moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van</al><al>het bouwwerk of de buitenriolering.</al><al>3.In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan een openbaar</al><al>riool, mogen geen beerputten of rottingputten voorkomen.</al><al>4.Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen vernauwingen in de</al><al>stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende</al><al>lucht- en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide</al><al>laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in</al><al>NEN 3215, uitgave 2007.</al><al>5.Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de afvoer van afvalwater,</al><al>faecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse</al><al>middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al><al>6.Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van leidingen van de</al><al>buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te</al><al>zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in</al><al>bijlage 7.</al><al><vet>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de</vet></al><al><vet>nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn</al><al>waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk</al><al>dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich</al><al>tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al><al><vet>3 De melding</vet></al><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en</vet></al><al><vet>bij ingebruikneming van een bouwwerk</vet></al><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van</vet></al><al><vet>bouwwerkzaamheden</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek</al><al>aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b van de Woningwet, dan wel een</al></li></lijst><al>besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend mag</al><al>-onverminderd het in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet</al><al>worden begonnen alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de</vet></al><al><vet>bouwwerkzaamheden</vet></al><al>1.Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor omgevingsvergunning</al><al>voor het bouwen is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van de</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der</al><al>hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen</al></li></lijst><al>daaronder begrepen;</al><lijst><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al><lijst><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden gesteld van het</al></li></lijst></li></lijst><al>storten van beton.</al><al>3.De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit</al><al>verlangt, schriftelijk geschieden.</al><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</vet></al><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen</al><al>en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving</al><al>van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van</al><al>bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat</al><al>een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van</al><al>naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken</al><al>schaadt.</al><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><al>1.Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet geschieden op</al><al>veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten</al><al>behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve</al><al>van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al><al>2.Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten, wanneer er niet</al><al>wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al><al>a.de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van het bouw- en</al><al>grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik</al><al>stellen van de installaties door anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder</al><al>meer mogelijk is;</al><al>b.machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat deze</al><al>dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de daartoe</al><al>bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;</al><al>3.Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische verlichtingsinstallatie</al><al>of van één of meer elektrisch aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden</al><al>vereisen dat de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.</al><al>4.Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of andere</al><al>veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>1.Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke werkzaamheden</al><al>worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de weg en van het</al><al>aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten is.</al><al>2.De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat het</al><al>verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere</al><al>openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al><al>3.Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de weg en van</al><al>het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt,</al><al>worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</vet></al><al>1.Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en ander hulpmateriaal</al><al>moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk en</al><al>in goede staat van onderhoud verkeren.</al><al>2.Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een werktuig of een stof te</al><al>gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving optreedt.</al><al>3.Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of ernstige hinder voor de</al><al>omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden.</al><lijst><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden gebruikt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing indien en voor zover het</al></li></lijst><al>betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet</al><al>genoemde milieuwet van toepassing is.</al><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de volgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst</al></li></lijst></li></lijst><al>behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus</al><al>2001, nr. 158, blz. 9);</al><lijst><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m³ per bouwproject bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m³ per bouwproject bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al><lijst><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties, bedoeld in het</al></li></lijst></li></lijst><al>voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al><al>3.Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject minder bedraagt dan</al><al>de inhoud van één container van 10 m³, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden</al><al>verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Van het gereedkomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering, alsmede van</al></li></lijst></li></lijst><al>leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil;</al><al>b.van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de thermische</al><al>isolatie in andere besloten constructies</al><al>moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b bedoelde</al><al>werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al><al>2.Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen niet zonder</al><al>toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende twee dagen na</al><al>het tijdstip van kennisgeving.</al><al>3.Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die onderdelen van het</al><al>bouwwerk, waarvoor in de aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden</al><al>voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al><al>4.Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning</al><al>voor het bouwen betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het</al><al>bouwtoezicht gemeld.</al><al>5.De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt,</al><al>schriftelijk geschieden.</al><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><al>1.Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of</al><al>buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee dagen</al><al>vóór het begin van het desbet het niet verwerken van bevroren materialen;</al><lijst><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen vorstschade,</al></li></lijst><al>zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden</al><al>Celsius is.</al><al>2.De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt,</al><al>schriftelijk plaatsvinden.</al><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning</al><al>is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te nemen, indien het bouwwerk niet gereed is</al><al>gemeld bij het bouwtoezicht.</al><al><vet>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op</vet></al><al><vet>de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk</vet></al><al><vet>en hinderlijk gedierte</vet></al><al><vet>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</vet></al><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</vet></al><al>1.Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming, voldoende</al><al>staat van onderhoud bevinden.</al><al>2.Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid, noch</al><al>nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>1.Indien de toegang van een gebouw meer dan .. meter is verwijderd van een openbare weg,</al><al>moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die</al><al>geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te</al><al>verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet</al><al>vereisen.</al><al>2.Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor</al><al>de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins</al><al>voorschriften heeft vastgesteld:</al><al>a.een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m</al><al>zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2</al><al>m;</al><al>b.zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten</al><al>minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al><lijst><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><lijst><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw voor het bouwen</al></li></lijst></li></lijst><al>waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het</al><al>Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw niet tot</al><al>bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is</al><al>gelegen.</al><al>4.Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat</al><al>een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden</al><al>gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al>5.Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg</al><al>gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit ;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector,</al></li></lijst></li></lijst><al>bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg</al><al>of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><lijst><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit plaatsvindt</al></li></lijst></li></lijst><al>door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en</al><al>2.40 van het Bouwbesluit .</al><al><vet>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en</vet></al><al><vet>vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige</al><al>voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare</al><al>waterleiding:</al><al>a.indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het</al><al>distributienet is gelegen; of</al><al>b.indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het</al><al>distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk</al><al>niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.</al><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening</al><al>moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit:</al><al>a.indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat</al><al>distributienet is gelegen; of</al><al>b.indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het</al><al>elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het</al><al>desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.</al><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn</al><al>aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas:</al><al>a.indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat</al><al>distributienet is gelegen; of</al><al>b.indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het</al><al>aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het</al><al>desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><al>a.woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en</al><al>voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is;</al><lijst><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m²;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>1.De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen</al><al>voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken</al><al>aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde</al><al>in , op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar riool.</al><lijst><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn</al></li></lijst></li></lijst><al>gelegen;</al><lijst><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt</al></li></lijst><al>en een daartoe voldoende ruime mestkelder, gier- of beerput aanwezig is.</al><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</vet></al><al>Indien het gestelde in, tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen:</al><al>a.voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een</al><al>doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,</al><al>tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;</al><al>b.voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten een</al><al>doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende</al><al>rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die</al><al>toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen</al><al>verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>c.leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën,</al><al>alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van</al><al>water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>d.leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën</al><al>mogen niet lozen op een rottingput.</al><al><vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</vet></al><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de</vet></al><al><vet>nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3, en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de</al><al>kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het</al><al>bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken</al><al>die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al><al><vet>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.</vet></al><al><vet>Reinheid</vet></al><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie</vet></al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in</al><al>zindelijke staat bevindt.</al><al><vet>6 Brandveilig gebruik</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al><vet>Paragraaf 1 Overbevolking</vet></al><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door</al><al>meer dan één persoon per 12 m² gebruiksoppervlakte.</al><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</vet></al><al>Het is verboden een woonwagen, te bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, wordt</al><al>bewoond door meer dan één persoon per 6 m² gebruiksoppervlakte.</al><al><vet>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</vet></al><al><vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet></al><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door</al><al>of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met:</al><al>a. bouwvalligheid van het bouwwerk;</al><al>b. bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al><al><vet>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne</vet></al><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het afgesloten zijn - van de</al><al>ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën,</al><al>het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het</al><al>kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende</al><al>hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.</al><al><vet>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</vet></al><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te</al><al>plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,</al><al>waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf</al></li></lijst><al>of terrein;</al><al>c.op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal</al><al>wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling</al><al>daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van</al><al>het bouwwerk, open erf of terrein;</al><al>d.instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het</al><al>milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al><al><vet>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</vet></al><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><al>1.Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk</al><al>zich in zindelijke staat bevindt.</al><al>2.Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat schadelijk of</al><al>hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken.</al><al><vet>Paragraaf 5 Watergebruik</vet></al><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag schriftelijk is medegedeeld dat</al><al>het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.</al><al><vet>Paragraaf 6 Installaties</vet></al><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het Besluit brandveilig gebruik</al><al>bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat</al><al>verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al><al><vet>8 Slopen</vet></al><al><vet>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>1.Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in</al><al>afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag.</al><al>2.De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar redelijke schatting de</al><al>hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m³, tenzij het slopen mede betreft het</al><al>verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een</al><al>besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet , dan wel een besluit tot toepassing van</al><al>bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.Het bevoegd gezag kan aan hun</al><al>besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.</al><al>3.Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen slechts</al><al>voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, ten</al></li></lijst><al>minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en</al><al>een fractie overig afval;</al><al>d.het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als</al><al>bedoeld in , tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al><al>4.De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder letter c, kunnen eisen</al><al>bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag</al><al>op het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het</al><al>sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met</al><al>betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer</al><al>van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al><al>5.De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in een tijdelijke</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften</al><al>zijn gesteld over het slopen van het tijdelijke bouwwerk.</al><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien:</al><al>a.de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van</al><al>voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al><al>b.de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is</al><al>gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden</al><al>gewaarborgd;</al><al>c.een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten ingevolge de</al><al>Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is</al><al>vereist en deze niet is verleend;</al><al>d.een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en</al><al>dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke</al><al>ordening de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is verleend;</al><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het</al></li></lijst><al>slopen geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al><al>c.tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan</al><al>een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.</al><al><vet>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een</vet></al><al><vet>omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet></al><al>1.In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist</al><al>voor het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van:</al><al>a.geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn,</al><al>niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die woning staand</al><al>bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening</al><al>van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en</al><al>de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig</al><al>vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al><al>b.asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking uit een</al><al>woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of</al><al>het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden</al><al>gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te</al><al>verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal zestig</al><al>vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders en door</al><al>burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld is</al><al>medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is vereist.</al><al>2.Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld met</al><al>gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al><lijst><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in ..voud worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het gebruik van het</al></li></lijst><al>bouwwerk.</al><al>6.Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en wethouders een</al><al>bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al><al>7.Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling niet binnen de</al><al>aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan.</al><al>8.Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het eerste lid</al><al>voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al><al>9.De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het zevende lid is verplicht het</al><al>gestelde in een door de minister van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer</al><al>uitgegeven publicatie ter zake van het slopen van asbest bevattende vloerbedekking in acht te</al><al>nemen. Voorts is de houder verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de</al><al>voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005</al><al>zijn gesteld, in acht te nemen.</al><al>10.Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop vrijkomt is niet</al><al>toegestaan.</al><al>11.Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met het vijfde lid van dit</al><al>artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft</al><al>gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende</al><al>gegevens over te leggen.</al><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het</vet></al><al><vet>slopen</vet></al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist,</al><al>indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader</al><al>van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal</al></li></lijst><al>vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.</al><al><vet>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</vet></al><al>Het bepaalde in de tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het</al><al>sloopterrein.</al><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een besluit tot toepassing van</al><al>bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek</al><al>aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>1.De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het slopen, voor zover dat</al><al>betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.</al><al>2.De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een afschrift van de</al><al>vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van</al><al>werk zal uitvoeren.</al><al>3.De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten minste één week</al><al>voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte</al><al>van de data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal</al><al>plaatsvinden.</al><al>4.De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen twee weken na de</al><al>uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de</al><al>eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 .</al><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><al>1.Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het slopen is verleend voor</al><al>het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt</al><al>verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht.</al><al>2.Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang van de</al><al>sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de</al><al>sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt,</al><al>moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</vet></al><al>1.Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk aanwezige asbest</al><al>worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt.</al><al>2.Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken worden toegepast</al><al>om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen.</al><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Paragraaf 4 Vrij slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><al>1.Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning krachtens , noch een</al><al>melding krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de</al><al>navolgende fracties:</al><al>a.de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst</al><al>behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr.</al><al>158, blz. 9);</al><lijst><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al><lijst><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de fracties, bedoeld in het</al></li></lijst></li></lijst><al>voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het sloopterrein gescheiden worden</al><al>gehouden.</al><al><vet>9 Welstand</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar</vet></al><al><vet>verklaarde woning of woonwagen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede</vet></al><al><vet>onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</vet></al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NENnormen,</al><al>voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in</al><al>de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de</al><al>betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die</al><al>herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al><al><vet>11 Handhaving</vet></al><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van</al><al>toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in</al><al>artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van</al><al>artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.</al><al><vet>Artikel 12.4</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><al>1.Deze (gewijzigde) verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen</al><al>omgevingsrecht (Wabo) in werking treedt.</al><lijst><li nr="2."><al>De Bouwverordening is vastgesteld bij besluit van 17 december 1992 en gewijzigd bij raadsbesluiten van 25 maart 1993 (1<sup>e</sup> serie wijzigingen), 31 augustus 1985 (2<sup>e</sup> serie wijzigingen), 24 april 1997 (3<sup>e</sup> serie wijzigingen), 18 december 1997 (4<sup>e</sup> serie wijzigingen), 17 september 1998 (5<sup>e</sup> serie wijzigingen), 17 december 1998 (6<sup>e</sup> serie wijzigingen), 7 september 2000 (7<sup>e</sup> serie wijzigingen), 13 februari 2003 (8<sup>e</sup> serie wijzigingen), 13 oktober 2005 (9<sup>e</sup> en 10<sup>e</sup> serie wijzigingen), 4 oktober 2007 (11<sup>e</sup> en 12<sup>e</sup> serie wijzigingen) en 16 december 2010 (13<sup>e</sup> serie wijzigingen).</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening gemeente Boekel'.</al></li></lijst><al><vet>Bijlagen 1 t/m 6</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen</vet></al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><al>a.NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad</al><al>d.d. december 1979);</al><al>b.NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d.</al><al>december 1979);</al><al>c.NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en</al><al>buitenrioleringen';</al><al>d.NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering -</al><al>Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem'</al><al>(Engelstalig;</al><al>e.NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen</al><al>voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996,</al><al>A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig);</al><al>f.NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen</al><al>voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2.</al><al>Kwaliteitscontrole en monstername' (Engelstalig);</al><al>g.NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen</al><al>voor riolering onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden' (Engelstalig).</al><al><vet>Bijlage 8 t/m 12</vet></al><al>(vervallen)</al><al></al><al>Toelichting op de Model-bouwverordening (MBV)</al><al>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Asbest</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest: de vezelachtige silicaten</al><al>actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer</al><al>77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet</al><al>(Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn verwerkt.</al><al>Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de daarbij</al><al>behorende toelichting.</al><al>Regeling omgevingsrecht (Mor)</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vervalt het Besluit</al><al>indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab). Hiervoor komt in de plaats de Regeling</al><al>omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de indieningsvereisten voor de aanvraag van een</al><al>omgevingsvergunning</al><al>Besluit omgevingsrecht (Bor)</al><al>Bij de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) vervalt het Besluit</al><al>bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). De categorie licht</al><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken verdwijnt geheel. De vergunningvrije bouwwerken staan in</al><al>bijlage II van het Bor.</al><al>Bevoegd gezag</al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is in de</al><al>bouwverordening waar nodig 'burgemeester en wethouders' gewijzigd in 'bevoegd gezag' en is in</al><al>artikel 1.1 de begripsomschrijving voor bevoegd gezag opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de</al><al>tekst van het gewijzigde artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de Woningwet. De bevoegdheden voor</al><al>het verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening, blijven</al><al>gelijk. De meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit betekent dat de sloopmelding in</al><al>hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt afgestemd met de Wabo. De diverse meldingen en</al><al>mededelingen aan het bouwtoezicht, die moeten worden gedaan door de vergunninghouder, of</al><al>namens deze door degene die bouwt of sloopt, blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het kader</al><al>van het Gebruiksbesluit wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar de aanvraag omgevingsvergunning</al><al>wordt ingediend. In het geval dit bestuursorgaan niet burgemeester en wethouders is, zendt het</al><al>bestuursorgaan de melding door naar burgemeester en wethouders.</al><al>Bouwbesluit 2003</al><al>Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het geconverteerde Bouwbesluit en</al><al>tevens de aanpassing van andere besluiten aan het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203.</al><al>In deze besluiten zijn de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)</al><al>opgenomen.</al><al>Bouwtoezicht</al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en wethouders om zorg te</al><al>dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en</al><al>met IV van de Woningwet. Op grond van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders</al><al>ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens</al><al>hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.</al><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-, provinciaal en gemeentelijk</al><al>niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door</al><al>in de toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen onder</al><al>omstandigheden als "bouwtoezicht" worden aangemerkt.</al><al>Gebruiksoppervlakte</al><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1, lid 2 begripsbepalingen. De</al><al>gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1,</al><al>van de MBV.</al><al>Bouwwerk en gebouw</al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als bekend</al><al>veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt bepaald door de</al><al>begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie.</al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde</al><al>een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet.</al><al>Deskundig bedrijf</al><al>Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van hoofdstuk 8 van deze</al><al>verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van</al><al>het Asbestverwijderingsbesluit 2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als</al><al>bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar de algemene</al><al>toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Zie hiervoor www.ascert.nl</al><al>Omgevingsvergunning</al><al>In de MBV worden de begrippen 'omgevingsvergunning voor het bouwen' en 'omgevingsvergunning</al><al>voor het slopen' gebruikt voor de in de begripsomschrijving genoemde activiteiten. Uiteraard bestaat</al><al>maar één omgevingsvergunning, geen twee</al><al>Vergunningvrij bouwen</al><al>Met de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd.</al><al>Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist staat in bijlage II bij het</al><al>Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit</al><al>bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).</al><al>Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de volgende onderdelen:</al><al>-De categorie lichte bouwvergunning komt te vervallen. Een activiteit, zoals het bouwen, is nu</al><al>vergunningvrij of vergunningplichtig. ;</al><al>-De categorie 'omgevingsvergunningvrije' bouwwerken wordt verder verruimd waarbij twee</al><al>categorieën vergunningvrij bouwen worden onderscheiden: 1. een categorie waarop de</al><al>bebouwingsregeling van het bestemmingsplan of de beheersverordening (of andere</al><al>planologische regelingen) wel van toepassing is (art. 3) en 2. een categorie waarop de</al><al>bebouwingsregeling van het planologisch regime niet van toepassing is. Een en ander hangt</al><al>samen met het in de Wabo opgaan van planologische afwijkingsbesluiten;</al><al>-Alle uitbreidingen van en bijgebouwen bij een hoofdgebouw worden onder een nieuw begrip</al><al>'bijbehorend bouwwerk' gebracht;</al><al>-Vergunningvrij bouwen wordt mogelijk bij alle typen gebouwen (was alleen bij woningen en</al><al>woongebouwen);</al><lijst><li nr="-"><al>Vervallen maximale maatvoering van 2,5 m voor diepte van een aan- of uitbouw;</al></li><li nr="-"><al>Bouwen in, aan, op of bij een monument blijft vergunningplichtig;</al></li></lijst><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al><al>Algemeen</al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de daarvoor geldende Wet</al><al>op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de nieuwe wet ook een bestemmingsplan</al><al>worden vastgesteld voor de bebouwde kom.</al><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor het betreffende</al><al>gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een beheersverordening vervangt een</al><al>bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan</al><al>nieuwe stijl of beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente.</al><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen voor gebieden</al><al>waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat een afstemmingsregeling tussen</al><al>bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor de</al><al>bebouwde kom van kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een</al><al>bestemmingsplan voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop</al><al>gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt vastgesteld,</al><al>dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet worden</al><al>afgestemd of wellicht overbodig is geworden.</al><al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de gemeente een</al><al>ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor</al><al>ook paragraaf 2.5 van deze toelichting.</al><al>Alternatief 1</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet binnenstedelijke - zone is</al><al>vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin ook geen gebied is vrijgesteld van</al><al>welstandstoezicht.</al><al>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>Algemeen</al><al>Regeling omgevingsrecht.</al><al>In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking hebben op de aanvraag van</al><al>een omgevingsvergunning voor het bouwen. De indieningsvereisten staan in de Regeling</al><al>omgevingsrecht. Deze Regeling vervangt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning.</al><al>Wet BIBOB</al><al>De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB), Stb. 2002, 347, en</al><al>het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb.</al><al>2003, 216). Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor</al><al>het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitadvies</al><al>wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is</al><al>bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager -zowel natuurlijke als</al><al>rechtspersonen- en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd.</al><al>Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te</al><al>weigeren.</al><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een advies bij het Bureau</al><al>BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om een</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen met maximaal acht weken op.</al><al>Awb</al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en</al><al>overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De</al><al>Awb is bij de voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder</al><al>meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov)</al><al>van toepassing is.</al><al>Wro</al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging van de Wet op de</al><al>Ruimtelijke Ordening (WRO).</al><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van</al><al>enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn.</al><al>parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van</al><al>hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen</al><al>voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in</al><al>een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de</al><al>Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige</al><al>voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10</al><al>Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art. 3.8 Wabo voor</al><al>een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De</al><al>gegevens die op grond van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de</al><al>beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter inzage. Deze</al><al>gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de antecedenten van de aanvrager, van</al><al>degene die bouwt en van degene die in het te bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt.</al><al>Deze gegevens zijn gevoelig voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al>Wabo</al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de omgevingsvergunning. De</al><al>bouwvergunning en de sloopvergunning op grond van hoofdstuk 8 MBV maken deel uit van de</al><al>omgevingsvergunning en worden in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>(art. 2.1 Wabo) en omgevingsvergunning voor het slopen (art. 2.2, lid 1, onder a. Wabo). De Wabo</al><al>heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De MBV is met de</al><al>13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde behandeling van een</al><al>vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de</al><al>Wabo mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning.</al><al>Voorwaarden voor bouwafval in de omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze</al><al>van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over het afvoeren c.q. het zich</al><al>ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel</al><al>4.11.</al><al>Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke (chemische) stoffen niet bij</al><al>elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren</al><al>van het afval. Voor de opslag en de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de</al><al>verpakking.</al><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</al><al>Inleiding</al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt</al><al>gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond.</al><al>Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek</al><al>wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de</al><al>voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele</al><al>proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie</al><al>met elkaar te lezen.</al><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek</al><al>eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek</al><al>genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele</al><al>onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid</al><al>uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te</al><al>wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek</al><al>op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend</al><al>om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een beoordeling van de</al><al>onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit beschouwd als een interne</al><al>organisatorische kwestie van de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen</al><al>kan nog steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend</al><al>dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of</al><al>een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de</al><al>gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed.</al><al>Lid 3</al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een bevoegdheid tot het afwijken</al><al>opgenomen. De afwijking vindt plaats door deze op te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt</al><al>geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet</al><al>algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede</al><al>omgevingsvergunning te regelen.</al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor</al><al>een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden</al><al>afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor</al><al>beleid ontwikkelen.</al><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande</al><al>bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een</al><al>bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de</al><al>aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de</al><al>bescheiden die ook later kunnen worden ingediend.</al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</al><al>Algemeen</al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht</al><al>gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op</al><al>verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze</al><al>voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt</al><al>erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan.</al><al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling</al><al>omgevingsrecht.</al><al>De structuur is als volgt:</al><al>-Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport</al><al>betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de</al><al>Regeling omgevingsrecht.</al><al>-Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het bevoegd</al><al>gezag reeds beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook</al><al>voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden,</al><al>en die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de</al><al>Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden</al><al>is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager</al><al>niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze reeds in het bezit van het bevoegd gezag zijn.</al><al>-Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het bodemonderzoeksrapport)</al><al>onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde</al><al>bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb in de</al><al>gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al>-Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag in een</al><al>voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en</al><al>bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen.</al><al>Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en</al><al>bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering</al><al>het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de</al><al>Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de</al><al>Woningwet, kan de schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de</al><al>bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in</al><al>tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van</al><al>de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze wet verenigt in een</al><al>overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo</al><al>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen</al><al>zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake</al><al>het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven.</al><al>Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven,</al><al>bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden</al><al>aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer</al><al>twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of</al><al>meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en</al><al>tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes</al><al>en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd</al><al>als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen</al><al>verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld</al><al>voor het verrichten van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals</al><al>onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd</al><al>voor het verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809,</al><al>nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in</al><al>termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend</al><al>verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.</al><al>Bouwwerken die de grond niet raken</al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een</al><al>gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige</al><al>verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien</al><al>de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd</al><al>bodemonderzoek worden geëist.</al><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging</al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag voor de vraag of bij niet-ernstige gevallen van</al><al>bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat bepaalde</al><al>voorzieningen worden getroffen.</al><al>Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn gedeputeerde staten of</al><al>burgemeester en wethouders van de gemeenten die daartoe zijn aangewezen (zie website ministerie</al><al>VROM site: www.vrom.nl/pagina.html?id=24354&amp;term=wet+bodembescherming ; Besluit aanwijzing</al><al>bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming) volgens de Wet bodembescherming het</al><al>bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen.</al><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld</al><al>dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor</al><al>het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de</al><al>bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet</al><al>weg dat toch sprake kan zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de</al><al>gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal</al><al>volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen</al><al>worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van MBV.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een aanhoudingsverplichting totdat het</al><al>bevoegde gezag als bedoeld in de Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd.</al><al>Zodra het saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de</al><al>bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de</al><al>voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het</al><al>goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag toch</al><al>nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op</al><al>korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het</al><al>verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot</al><al>weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke</al><al>wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als</al><al>saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><al>-de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt</al><al>aangebracht;</al><al>-de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede</al><al>het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al><al>-de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht</al><al>en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt</al><al>gehouden.</al><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de</al><al>aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn,</al><al>als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het</al><al>bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten</al><al>plaatsvinden.</al><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op</al><al>grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en</al><al>bereikbaarheidseisen</al><al>Algemeen</al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging van de Wet op de</al><al>Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet</al><al>kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk.</al><al>Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van</al><al>hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen</al><al>voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in</al><al>een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de</al><al>Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige</al><al>voorschriften van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9</al><al>en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die dit nu doen, kunnen</al><al>hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn geregeld in een bestemmingsplan,</al><al>treedt voor die onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9 Woningwet).</al><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze paragraaf van de MBV</al><al>alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden is, of indien het desbetreffende</al><al>bestemmingsplan niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan</al><al>worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud</al><al>bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen</al><al>of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft</al><al>de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende</al><al>bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er</al><al>echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt</al><al>duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander</al><al>van geval tot geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de</al><al>stedenbouwkundige bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het</al><al>bestemmingsplan aan.</al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening wordt</al><al>geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:</al><al>a.bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp dat tevens in de</al><al>bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de</al><al>vraag te worden gesteld of,</al><al>b.het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien van het</al><al>desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt</al><al>ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,</al><al>c.de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het</al><al>bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking van de bouwverordening tot gevolg heeft</al><al>dat de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel</al><al>teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende werking van de</al><al>bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden</al><al>afgewezen.</al><al>Wet ruimtelijke ordening (Wro)</al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de bouwverordening. In</al><al>de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop ingegaan. In het bijzonder ten aanzien</al><al>van de artikelen 3.5.3 (Bereikbaarheid bouwwerken voor wegverkeer; brandblusvoorzieningen),</al><al>2.5.3A ( Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten) en 2.5.30 (parkeren) wijzen wij op het</al><al>uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder</al><al>vermelde toelichting blijkt, blijven deze artikelen vooralsnog in de MBV bestaan.</al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in een</al><al>bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens</al><al>meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis</al><al>wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</al><al>Lid 1</al><al>Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd',</al><al>omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet alleen gebouwen moeten kunnen bereiken,</al><al>maar ook bepaalde bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals de tribunes van sportvelden.</al><al>Indien de maat in het eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt bepaald, dan</al><al>correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan - ingevolge artikel 5, lid 4 van de</al><al>Postregeling 2009 dat op artikel 20 van de Postwet 2009 berust - een brievenbus aan het tuinhek</al><al>moet worden aangebracht in plaats van aan de voordeur, een zgn. buitenbus. De maat van 10 meter</al><al>verdient uit een oogpunt van brandbestrijding eveneens de voorkeur, omdat anders de lengte van de</al><al>blusslangen te groot wordt.</al><al>Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de zin van het eerste lid,</al><al>moet de omgevingsvergunning voor het bouwen worden geweigerd. Eventueel kan de</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend met de voorwaarde dat met bouwen pas</al><al>mag worden begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die aan de eisen voldoet, voldoende</al><al>is gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het</al><al>bouwen eerst moet zorgen dat hij beschikt over een toestemming tot aanleg van de verbindingsweg</al><al>en/of het aansluiten ervan op het wegennet.</al><al>Een publiekrechtelijke regeling (met een meldingsplicht voor het aanleggen van wegen door</al><al>particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene plaatselijke verordening (APV).</al><al>Eventueel kan ook een privaatrechtelijke toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke</al><al>toestemming tot uitwegen is - gelet op artikel 14 van de Wegenwet - niet nodig voor het aansluiten,</al><al>c.q. uitwegen op openbare wegen.</al><al>Lid 2</al><al>De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik door gangbare</al><al>vrachtauto's, zoals verhuisauto's, vuilnisauto's, brandweerauto's e.d., zonder dat deze elkaar</al><al>behoeven te kunnen passeren. De eis voor het draagvermogen van de verharding en een eventuele</al><al>brug over een sloot of iets dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde gangbare</al><al>vrachtauto's.</al><al>Lid 4</al><al>Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden aangebracht, al naar</al><al>gelang de grootte van het bouwwerk.</al><al>Zulke opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de plaatselijke brandweer over</al><al>blusvoertuigen voor terreingebruik beschikt.</al><al>Lid 5</al><al>De openbare bluswatervoorziening is geregeld op grond van artikel 1 van de Brandweerwet 1985.</al><al>B&amp;W hebben de zorg voor de openbare (brand)veiligheid en zijn op grond van deze wet</al><al>verantwoordelijk voor de openbare bluswatervoorziening. De gemeente zelf moet hierin voorzien.</al><al>In de bouwverordening staat dat bij gebrek aan een openbare bluswatervoorziening (de bouwer) moet</al><al>zorg dragen voor een niet openbare bluswatervoorziening. Te denken valt aan een huisje op de hei. In</al><al>zo'n geval kan van de gemeente geen bluswaterleiding worden gevraagd, dit gaat de zorgplicht te</al><al>boven. De bouwer moet dit zelf regelen.</al><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al>Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het Bouwbesluit die betrekking</al><al>hebben op de toegankelijkheid van gebouwen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld, wanneer</al><al>de eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet beschikken.</al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de weg is gelegen.</al><al>Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in gebieden van de gemeente waarvoor</al><al>geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder</al><al>bestaande bebouwing, dan verdient het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig is en</al><al>waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>-bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een afstand van de</al><al>halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al><al>-bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter bedraagt, de</al><al>lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al><al>-bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van</al><al>de weg.</al><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die - behoudens toegelaten</al><al>afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde</al><al>zijde (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een</al><al>direct verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen. Vergunningvrije</al><al>bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie art. 3.25 Wro.</al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende mate</al><al>samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt de</al><al>keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden.</al><al>Dit betekent dat een vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van</al><al>een (meeromvattend) vergunningplichtig bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt echter niet in dat</al><al>de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf beschouwd</al><al>vergunningvrij zou zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat</al><al>daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p.</al><al>18). De redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een</al><al>bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al>Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het</al><al>bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van</al><al>toepassing te laten zijn. De voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van</al><al>bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Bij het</al><al>aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het</al><al>bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de</al><al>rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De bedoelde figuren illustreren dat</al><al>in het algemeen als veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit</al><al>omgevingsrecht, kunnen worden beschouwd:</al><al>1.uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de</al><al>voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen,</al><al>waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en</al><al>hemelwaterafvoeren;</al><al>2.uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de</al><al>voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen</al><al>zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien</al><al>uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hiervoor onder 1 en</al><al>2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in het algemeen overwegen daartegen repressief</al><al>op te treden. Indien in een bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen,</al><al>toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van</al><al>de bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om onderdeel a</al><al>van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de</al><al>voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te weten:'.</al><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot overschijding van de</al><al>voorgevelrooilijn</al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van</al><al>afwijking voor het geval, dat er geen bestemmingsplan of beheerverordening in voorbereiding is en</al><al>geen van de omstandigheden als genoemd in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al>Lid 1, ad b</al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het</al><al>verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen</al><al>voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. De vermelding van</al><al>artikel 2, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het</al><al>misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen</al><al>genoemd zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te sluiten.</al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining</al><al>van straathoeken</al><al>Lid 4, onder a</al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld complexen van bij elkaar</al><al>behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen.</al><al>Lid 4, onder f</al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende zolderverdiepingen e.d.</al><al>Lid 4, onder g</al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor gebouwen, die een ruim</al><al>voorterrein vragen.</al><al>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot achtergevelrooilijnen in het</al><al>smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te</al><al>vormen, omdat artikel 2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die - behoudens toegelaten</al><al>afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde</al><al>zijde (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een</al><al>direct verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden als een - verboden -</al><al>overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege beschermd stadsof</al><al>dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering</al><al>vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk</al><al>vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II van het Bor met overschrijding van de</al><al>achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het</al><al>niet logisch om het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten</al><al>zijn.</al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de</al><al>achtergevelrooilijn</al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel 2.5.29 nog de</al><al>mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen.</al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding hiervan is vooral van</al><al>belang om het misverstand dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die</al><al>vergunningvrij zijn, uit te sluiten.</al><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod de</al><al>achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden genomen, mede in het belang</al><al>van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer</al><al>bereikbaar moet blijven.</al><al>Ad a en g</al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op bedrijfstechnische</al><al>gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde bouwstrook (of bouwblok), geheel of</al><al>overwegend handels- of industrieterrein omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok)</al><al>met winkelbebouwing.</al><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de 'buitenruimte' in de zin van het</al><al>Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen aan het bepaalde</al><al>in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat</al><al>van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen</al><al>mogen worden aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief voor het bepaalde in het</al><al>eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor</al><al>immers een beletsel.</al><al>Lid 3 b, onder 1</al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al>Lid 3 b, onder 2</al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open ruimte achter een</al><al>gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het gebouw overigens over voldoende</al><al>'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken van de voorgeschreven erfgrootte.</al><al>Lid 3 b, onder 3</al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de bestaande toestand zal een</al><al>verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar</al><al>zijn ten behoeve van het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het</al><al>gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het gebouw</al><al>tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht</al><al>moeten worden geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij brand en</al><al>aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer.</al><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50</al><al>van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter</al><al>voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen</al><al>worden aangebracht.</al><al>Lid 2, onder a en b</al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer rekening worden</al><al>gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid</al><al>te worden gemaakt tussen de gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin</al><al>geen woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook</al><al>woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver worden</al><al>afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere geval.</al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen</al><al>op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen</al><al>geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als</al><al>door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de</al><al>omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de smalle open</al><al>ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een</al><al>opening in de zijgevel van het gebouw.</al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht om zijn erf te omheinen.</al><al>Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht nemen.</al><al>Laatstgenoemde voorschriften spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een</al><al>erfafscheiding is in principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor,</al><al>althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht</al><al>worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en</al><al>behoeven derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het</al><al>onderhavige artikel van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het</al><al>tweede lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod</al><al>als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van bijvoorbeeld een</al><al>gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><al>Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van beweegbare delen van erfen</al><al>terreinafscheidingen.</al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse</al><al>hoofdtransportleidingen</al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de veiligheid van de</al><al>bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de openbare veiligheid. De</al><al>ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie,</al><al>chemische producten e.d.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het bouwen nabij</al><al>hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke</al><al>voorwaarden, is het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken.</al><al>Redenen om af te wijken zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers</al><al>van het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen</al><al>ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling om overleg te plegen</al><al>met de beheerder van de hoogspanningslijn of de hoofdtransportleiding.</al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van opstal gevestigd, als</al><al>bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een</al><al>gebied van 2 x 30 meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met</al><al>uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d.</al><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk recht van opstal is</al><al>gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere</al><al>afstand in een bestemmingsplan geen betekenis.</al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd, die elkaar (deels)</al><al>kunnen overlappen.</al><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</al><al>Alternatief 1</al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften voor de</al><al>maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken.</al><al>Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is</al><al>bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op voldoende</al><al>toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied</al><al>van met name de daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de</al><al>maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn.</al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van eventuele</al><al>raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding</al><al>buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst</al><al>leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De</al><al>belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de</al><al>onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende</al><al>bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel gedifferentieerd</al><al>naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45</al><al>graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en</al><al>14 in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een vaart, een gracht, een</al><al>park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg</al><al>liggen om een beperkende invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een</al><al>smalle gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een</al><al>voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur</al><al>16).</al><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn in een</al><al>bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht,</al><al>waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen</al><al>is. Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover</al><al>elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de ontbrekende</al><al>tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins - niet op straatpeil</al><al>liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het</al><al>eerste t/m derde lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het</al><al>binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat krachtens het bepaalde</al><al>in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte van het straatpeil moet worden gemeten.</al><al>Ter ondervanging van het genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover achtergevelrooilijn</al><al>Zie figuur 19.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn een lagere</al><al>hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in</al><al>overigens verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken van de in</al><al>het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de</al><al>voorgevel.</al><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de hoogte-diepteverhouding uit het eerste</al><al>lid van artikel 2.5.22.</al><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</al><al>Alternatief 1</al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke</al><al>verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op binnenterreinen van gesloten</al><al>bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het hoogste punt snijden,</al><al>de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun goot.</al><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al>Ad a</al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen</al><al>aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de toegelaten</al><al>hoogte. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te</al><al>bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van</al><al>toepassing te laten zijn.</al><al>Ad b</al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te veranderen delen niet</al><al>worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van</al><al>een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken</al><al>ingevolge artikel 2.5.28, onder e.</al><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de</al><al>toegelaten bouwhoogte</al><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit</al><al>omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook</al><al>betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit</al><al>omgevingsrecht (Bor), uit te sluiten.</al><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient bijzondere aandacht</al><al>te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2. Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen</al><al>worden betrokken.</al><al>Ad e, onder 1</al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij bestaande</al><al>bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan thans is toegelaten. Door de</al><al>afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de</al><al>rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk</al><al>beleid</al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige afwijkingen uit dit hoofdstuk, te</al><al>vergelijken met de relatie tussen enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake</al><al>afwijking en anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan. Paragraaf</al><al>2.5 MBV is te beschouwen als een bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook de</al><al>behoefte aan regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt voorbereid. Bedoeld is een</al><al>net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit</al><al>de stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die uit een bestemmingsplan.</al><al>Sub a.</al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen van toepassing is indien er</al><al>geen bestemmingsplan, beheersverordening of projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen</al><al>strijd kan zijn met een bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van 3.9</al><al>Wabo van toepassing is.</al><al>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden aangehouden. In art.</al><al>3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er geen</al><al>reden is de aanvraag te weigeren, maar er voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in</al><al>ontwerp ter inzage is gelegd of een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke</al><al>situatie vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze.</al><al>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle besluiten de eis van een voldoende</al><al>motivering (art. 3:46 Awb). Deze motivering zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking</al><al>moeten hebben op toekomstig planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat het</al><al>bouwplan waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte 'in</al><al>overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'.</al><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de afwijking te onderbouwen.</al><al>Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan, structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota</al><al>dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties zoals vermeld in art. 3.3 Wabo,</al><al>zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld</al><al>voorbereidingsbesluit voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al>Sub d.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij wordt aangesloten bij de</al><al>terminologie dit wordt gebruikt en de betekenis die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat</al><al>begrip wordt rekening gehouden met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke en</al><al>landschappelijke waarden.</al><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van hinderveroorzakende activiteiten</al><al>dan van groot belang. De relevante afstanden treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en</al><al>milieuzonering'.</al><al>Sub e.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede ruimtelijke onderbouwing.</al><al>Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de Wabo.</al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</al><al>Algemeen</al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp parkeren te worden</al><al>geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking hiervan is in artikel 8.17 van de</al><al>Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8, vijfde lid van de Woningwet vervalt.</al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de Invoeringswet Wro vooralsnog</al><al>niet in werking te doen treden. Een nieuwe datum van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent</al><al>dat onder meer het 'parkeerartikel' uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond van de</al><al>nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in een regeling over het</al><al>parkeren.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig minimumaantal</al><al>parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen</al><al>normstelling hangt af van onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te</al><al>verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar</al><al>vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de</al><al>mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane</al><al>verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum aantallen</al><al>parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave</al><al>Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3,</al><al>verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en</al><al>Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).</al><al>Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het</al><al>bouwen worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te verlenen</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de</al><al>toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen - enige</al><al>flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een</al><al>concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als</al><al>toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties</al><al>die dat niet zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften niet kunnen worden</al><al>gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende</al><al>parkeerplaatsen op eigen terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken</al><al>door alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het</al><al>Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van</al><al>voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel</al><al>over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van</al><al>maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te</al><al>leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien van een zgn.</al><al>expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het</al><al>fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van de eis in het eerste lid</al><al>om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te maken is</al><al>onder meer bedoeld voor omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in</al><al>binnensteden. Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden worden gesteld.</al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt niet in dat het</al><al>waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is en evenmin voor de aangeslotene de</al><al>plicht tot het betrekken van drinkwater. De plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts</al><al>de verplichting in tot het doen treffen van de technische voorzieningen die het betrekken van</al><al>drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is afhankelijk van een met het waterleidingbedrijf</al><al>te sluiten contract. De voorwaarden waaronder dit contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een</al><al>afzonderlijke verordening op de levering van drinkwater. In feite zal de aansluiting ook veelal door het</al><al>waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen de aansluiting van de binnenhuisinstallatie aan het</al><al>distributienet en de levering van drinkwater vaak in hetzelfde contract zijn geregeld.</al><al>Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen aansluiting op het</al><al>waterleidingnet verplicht stelt in geval een binnenhuisinstallatie voor drinkwater - als bedoeld in het</al><al>genoemde artikelnummer van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing</al><al>van de gelijkwaardigheidbepaling van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het aanbrengen van een</al><al>alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater wordt toegestaan.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het openbare</al><al>distributienet, zie artikel 2.7.7.</al><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een kwestie van comfort, maar ook</al><al>één van veiligheid, met name brandveiligheid. Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1. Hetgeen daar</al><al>is gesteld over de waterleiding geldt mutatis mutandis voor de aansluiting aan het elektriciteitsnet'</al><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>Lid 1</al><al>De niet-vantoepassingverklaring is bedoeld voor woningen, waarin niet op gas wordt gekookt en voor</al><al>verwarming geen individuele toevoer van gas nodig is. In de praktijk betreft dit vaak woningen voor</al><al>ouderen of gehandicapten, waar wordt aangenomen dat elektrisch koken veiliger is dan op gas koken.</al><al>Lid 2, onder b</al><al>Het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bepaalde in het eerste lid is denkbaar</al><al>voor koopwoningen, indien de eigenaar-bewoner geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in</al><al>tegenstelling tot hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad geschiktheid</al><al>van de woning voor het stoken en koken op de meest economische brandstof noodzakelijk acht.</al><al>Lid 2, onder c</al><al>Van het bepaalde in het eerste lid hoeft niet afgeweken te worden bij woningen die worden</al><al>aangesloten op de stads-, wijk- of blokverwarming, indien een gasaansluiting gewenst en mogelijk is</al><al>in verband met het koken op aardgas.</al><al>Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>Alternatief 1</al><al>Algemeen</al><al>De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van het</al><al>afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is neergelegd in artikel 10.33 van de Wet</al><al>milieubeheer. De Bouwverordening, de Wet Milieubeheer, de Wet bodembescherming en de</al><al>Waterwet richten zich op de lozers van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van</al><al>deze regelgeving. Voor een uitgebreidere uiteenzetting verwijzen wij naar het Handboek Water:</al><al>www.infomil.nl/handboekwater.</al><al>Met het oog op vermindering van de belasting van het milieu en van het bestaande rioleringsnet kan in</al><al>bepaalde gebieden of in een hele gemeente verplicht worden gesteld dat hemelwaterafvoer wordt</al><al>afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel. Deze plicht is niet gebaseerd op de bouwverordening,</al><al>maar staat in een afzondelijke gemeentelijke verordening. De VNG heeft hiervoor de</al><al>Modelverordening afvoer hemelwater en grondwater opgesteld en oer ledenbrief van 16 juli 2009, Lbr.</al><al>09/091 aan de gemeentebesturen toegezonden. Deze verordening is gebaseerd op artikel 10.32a van</al><al>de Wet milieubeheer.</al><al>Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel 2.7.4 van de MBV. Voor</al><al>bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in artikel 5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in</al><al>samenhang met de in artikel 2.1 van de Wabo gegeven vergunningplicht voor het bouwen en het</al><al>herziene artikel 13 van de Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te</al><al>verplichten om aan te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de openbare riolering en het</al><al>dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of minder bedraagt.</al><al>Vanaf begin 2008 worden lozingen zoveel mogelijk geregeld met algemene regels (amvb's). Deze</al><al>amvb's zijn gebaseerd op bovengenoemde wetten en regelen alle lozingsroutes: rioolstelsels,</al><al>oppervlaktewater en bodem. Dit betreft drie amvb's, die zich richten tot een bepaalde doelgroep:</al><al>1.Het besluit lozing afvalwater huishoudens (Stb. 2007, 468), dat uitsluitend van toepassing is</al><al>op lozingen vanuit particuliere huishoudens,</al><al>2.het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415), dat zich richt tot inrichtingen in de zin van de Wet</al><al>milieubeheer, en</al><al>3.Besluit lozen buiten inrichtingen (Scr., 2009, 12902) waarin het grootste deel van de</al><al>resterende lozingen in geregeld worden. Dit besluit is nog in ontwerp en zal in 2010 van kracht</al><al>worden.</al><al>Een aantal lozingen, met name die van grotere bedrijven, worden nog geregeld met vergunningen. Bij</al><al>lozing in het oppervlaktewater is dat de watervergunning, bij lozing in het riool de Wabo -vergunning.</al><al>Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de omvang van de lozing) staan de</al><al>besluiten een directe lozing in het oppervlaktewater of de bodem toe. In deze besluiten zijn de</al><al>voorwaarden voor deze lozingen opgenomen, voor kleinschalige lozingen van huishoudelijk afvalwater</al><al>kan dan bijvoorbeeld een Iba (Individuele Behandeling van Afvalwater) worden toegepast.</al><al>Lid 1</al><al>In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dient de afvoerleiding het huishoudelijk afvalwater</al><al>te worden aangesloten op het vuilwaterriool. De afvoer van het hemelwater van dak en terrein kan</al><al>afhankelijk van het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP),</al><al>geloosd worden in het oppervlaktewater, de bodem of een speciaal daartoe aangelegd</al><al>hemelwaterstelsel. De voorwaarden waar deze lozingen aan moeten voldoen staan in de hiervoor</al><al>genoemde besluiten onder 'Algemeen'.</al><al>De aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan de onder b genoemde uitzondering</al><al>op de aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien (laten) gebruiken om het hemelwater op te</al><al>slaan en in het kader van het duurzaam bouwen te consumeren, waar drinkwater niet noodzakelijk is,</al><al>zoals voor de toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie bijvoorbeeld in de</al><al>losbladige uitgaven van het Nationaal pakket Duurzaam bouwen, uitgegeven en regelmatig herzien</al><al>door de Stichting Bouwresearch (SBR) te Rotterdam, specificatieblad S 445.</al><al>Lid 2, onder a</al><al>Naast het geven van aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn van de te realiseren</al><al>aansluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk bouwtoezicht op grond van het onderhavige</al><al>voorschrift bevoegd:</al><lijst><li nr="a."><al>om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of vacuümriolering wordt aangesloten;</al></li><li nr="b."><al>om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd voor enerzijds de</al></li></lijst><al>hemelwaterafvoer en anderzijds de vuilwaterafvoer, indien in het desbetreffende deel van de</al><al>gemeente een gescheiden gemeentelijk rioolstelsel aanwezig is.</al><al>Lid 2, onder b</al><al>Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen bevinden, is het</al><al>noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In</al><al>sommige gevallen dienen dan tevens voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden</al><al>getroffen, waarbij moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van</al><al>aangroeiing meestal een onvoldoende voorziening is.</al><al>Lid 3</al><al>Bij het tussenschakelen van voorzieningen nodig voor de goede werking van het riool kan worden</al><al>gedacht aan terugslagkleppen, ontluchting e.d. Door de 'hogere regelgeving' - hiervoor genoemd</al><al>onder 'Algemeen' - is nog meer dan voorheen duidelijk dat de bouwverordening niet gaat over het</al><al>lozen, maar uitsluitend over de aansluitplicht.</al><al>Lid 4, onder a</al><al>Deze lozingen in oppervlaktewater of bodem zijn geregeld in bovenstaande besluiten. In bepaalde</al><al>gevallen, genoemd in die besluiten, moet gemeld worden.</al><al>Lid 4, onder b</al><al>Het bevoegd gezag kan afwijking toestaan van de verplichting tot aansluiting aan het openbare riool.</al><al>Een gebruikelijke praktijk bij agrarische bedrijven is dat het huishoudelijk afvalwater geloosd wordt in</al><al>de mestkelder en gezamenlijk met de mest wordt uitgereden over het land onder de</al><al>meststoffenregelgeving.</al><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 1, onder c</al><al>Het verdient aanbeveling om de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen erop te</al><al>wijzen dat de lozingen van afvalwater, via alle lozingsroutes, zijn geregeld met algemene regels</al><al>volgens de amvb's genoemd in toelichting bij artikel 2.7.4.</al><al>Lid 1, onder d</al><al>In het belang van de goede werking van een rottingput (septic tank) dienen daarop geen</al><al>afvoerleidingen voor afvalwater zonder fecaliën, respectievelijk hemelwater te worden aangesloten.</al><al>Indien geen lozing op een waterloop met behoorlijke doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een</al><al>zo goed mogelijke andere oplossing moeten worden gezocht.</al><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en terreinen</al><al>Lid 3</al><al>In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een gemeentelijk rioolstelsel naar een</al><al>rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, moet er - met het oog op het in goede staat houden</al><al>van dat rioolstelsel en de goede werking van de zuiveringsinstallatie - op worden toegezien dat er in</al><al>de huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d. voorkomen.</al><al>Lid 4</al><al>Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 3218</al><al>'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatieinstituut</al><al>(NNI) is verschenen.</al><al>Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 2007, 'Binnenriolering in woningen en</al><al>woongebouwen - Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts toepasbaar is op binnenshuis gelegen</al><al>afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat de dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis</al><al>en anderzijds de daarop aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn.</al><al>Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de 'huis'-aansluitleidingen van niet tot bewoning bestemde</al><al>gebouwen.</al><al>Lid 5</al><al>De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de huisaansluitleiding ter plaatse</al><al>van de aansluiting op het gemeentelijk rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het</al><al>onderhavige lid is voorgeschreven.</al><al>Lid 6</al><al>Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde NEN-normen, blijkt in het</al><al>algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met overlegging van een KOMO-certificaat.</al><al>Uiteraard zijn in Europees verband daarmee vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.</al><al>Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij</al><al>ingebruikneming van een bouwwerk</al><al>Algemeen</al><al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling tot de voorgaande</al><al>hoofdstukken geen betrekking hebben op de vergunning(procedure), maar uitsluitend op de fasen van</al><al>bouwen, voltooien en in gebruik nemen van een bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13</al><al>hebben betrekking op alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als vergunningplichtig.</al><al>Artikel 7b Woningwet bevat verplichtingen in de vorm van algemene verbodsbepalingen met</al><al>betrekking tot de voorschriften uit de bouwverordening die van toepassing zijn op onder meer het</al><al>bouwen en het gebruik van een bouwwerk of een open erf of terrein. In de artikelen 2.1., 2.2 en 2.3</al><al>van de Wabo staat (onder meer) het verbod te bouwen zonder of in strijd met een voorschrift van de</al><al>omgevingsvergunning. Voorts kan worden opgetreden tegen de instandhouding van een (deel van</al><al>een) bouwwerk dat is gebouwd zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning.</al><al>Structuur van de voorschriften</al><al>Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve handelingen of het nalaten</al><al>van handelingen teneinde (tijdige) controle door het bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit</al><al>betreft de artikelen 4.1 tot en met 4.6 en 4.13.</al><al>Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van nadelige effecten van het</al><al>bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid, grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein) in casu</al><al>de artikelen 4.7 tot en met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het bouwafval.</al><al>Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de gereedmelding van een</al><al>bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt geregeld in artikel 7b Woningwet jo 4.14</al><al>MBV.</al><al>De veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden ingevolge artikel 8.3.1 eveneens</al><al>voor het slopen en het sloopterrein.</al><al>Handhaving van de voorschriften</al><al>De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn op grond van artikel 7b van de Woningwet rechtstreeks</al><al>werkende bepalingen. Zie ook de algemene toelichting bij Hoofdstuk 11.</al><al>Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in artikel 4.6 kan grond zijn voor</al><al>het toepassen van bestuursdwang.</al><al>Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze bepalingen hebben geen</al><al>betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor gelden andere regels en met de handhaving</al><al>daarvan is de Arbeidsinspectie belast.</al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen op de hoogte kan zijn van</al><al>de inhoud van deze bescheiden is toch de plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden</al><al>aanwezig te hebben en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht aanwezig</al><al>zijn van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die bescheiden is voorgeschreven. De tekst</al><al>is immers voorhanden en voorkomt dat de uitvoerder op het bouwterrein zegt de inhoud van de</al><al>bescheiden niet te kennen.</al><al>Sub a</al><al>Onder het begrip 'omgevingsvergunning voor het bouwen' in de zin van dit artikel vallen tevens de bij</al><al>de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen e.d., die niet strijdig zijn bevonden met de</al><al>voorschriften en dus moeten worden gehanteerd bij de bouwwerkzaamheden.</al><al>Sub b</al><al>Deze toestemmingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze bouwkundige consequenties hebben.</al><al>Deze vergunningen kunnen betrekking hebben op bij voorbeeld beschikkingen van de rijks- of</al><al>provinciale overheid.</al><al>Sub d</al><al>Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge de artikelen 13, 13a en 14, tweede lid, onder b. van</al><al>de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder</al><al>dwangsom is nodig, omdat voor bouwen op grond van deze besluiten geen omgevingsvergunning</al><al>voor het bouwen is vereist (art. 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en art. 2.1, derde lid van</al><al>de Wabo).</al><al>Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel 8.3.2 ook de</al><al>sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig zijn.</al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al><al>De woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen voorkomen, waarin geen</al><al>behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen, bij voorbeeld bij een verbouwing.</al><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de</al><al>bouwwerkzaamheden</al><al>De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot tijdige controle.</al><al>Lid 1, sub a</al><al>Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd, verdient het aanbeveling het regionale</al><al>Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter voorkoming van schade aan leidingen.</al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet Informatieuitwisseling Ondergrondse Netten (WION), ook wel genoemd</al><al>'Grondroerdersregeling'. Het Kadaster is belast met de uitvoering van deze wet. Zie:</al><al>www.kadaster.nl/KLIC .</al><al>Lid 3</al><al>In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt geadviseerd terughoudend gebruik</al><al>te maken van de schriftelijke melding door vergunninghouder en deze melding telefonisch of digitaal</al><al>(e-mail) te verlangen.</al><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</al><al>Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het bouwtoezicht vermoedt, dat</al><al>ondeugdelijke constructies of materialen aan het oog zijn onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In</al><al>het algemeen zullen de kosten van de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te</al><al>verrichten of te doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die bouwt heeft het immers zelf</al><al>in de hand om voor de aanvang van bepaalde werkzaamheden tijdig het bouwtoezicht te informeren</al><al>en overigens conform de vergunning, het Bouwbesluit en de bouwverordening te werken. Specifieke</al><al>controlewerkzaamheden buiten dit artikel om komen voor rekening van de controlerende instantie, c.q.</al><al>de gemeente.</al><al>Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek,</al><al>opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Pas</al><al>wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te</al><al>breken, wordt dit artikel van de bouwverordening toegepast.</al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</al><al>Het belang dat hier wordt gediend is de kwaliteit van funderingen en daarmee de veiligheid van</al><al>bouwwerken. Dit is een publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in</al><al>privaatrechtelijke zin. Het motief van het bepaalde in dit artikel is aanvullend op de doelstelling van de</al><al>Waterwet.</al><al>De Grondwaterwet is per 22 december 2009 vervangen door de Waterwet. Een belangrijk gevolg van</al><al>de invoering van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke</al><al>waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning: de watervergunning.</al><al>In veel gevallen is een watervergunning niet nodig omdat veel activiteiten onder algemene regels</al><al>vallen.</al><al>In de regel komt dit neer op een meldingsplicht in plaats van de vergunningenprocedure.</al><al>Bevoegd gezag voor de verlening van de watervergunning zijn het waterschap voor het regionale</al><al>watersysteem, Rijkswaterstaatvoor het hoofdwatersysteem en de provincies vor drie specifieke</al><al>categorieën grondwateronttrekkingen en infiltraties. Als de aanvraag om een watervergunning</al><al>betrekking heeft op handelingen waarvoor verschillende bestuursorganen bevoegd zijn, wordt de</al><al>beslissing op de aanvraag in beginsel genomen door het hoogste bevoegde gezag. De Waterwet</al><al>geeft Rijkswaterstaat, de provincies en de waterschappen wel de mogelijkheid in voorkomende</al><al>gevallen te regelen dat een ander bestuursorgaan bevoegd gezag wordt. Hiertoe is een handreiking</al><al>ontwikkeld ('Handreiking samenloop bevoegdheden Waterwet')</al><al>De watervergunning en de omgevingsvergunning worden niet geïntegreerd. Het zijn afzonderlijke</al><al>vergunningen die wel bij hetzelfde overheidsloket, Omgevingsloket online, kunnen worden</al><al>aangevraagd. De gemeente is aangemerkt als het overheidsloket van Nederland, dus in principe ook</al><al>voor de watervergunning, ook al is zij hiervoor geen bevoegd gezag. De aanvraag voor een</al><al>watervergunning kan echter ook rechtstreeks bij het bevoegde gezag op grond van de Waterwet</al><al>worden ingediend (Rijkswaterstaat, provincie of waterschap). Overigens kan ook de aanvraag om een</al><al>omgevingsvergunning bij de provincie worden ingediend als niet de gemeente maar de provincie</al><al>bevoegd is op die aanvraag te beslissen. De aanvrager heeft dus alle vrijheid, daarom is het</al><al>verstandig dat waterbeheerders, provincies en gemeenten afspraken maken over de onderlinge</al><al>afstemming. De wettelijke termijnen moeten immers in acht worden genomen, waardoor snel</al><al>handelen noodzakelijk is. Zo zal een via de gemeente binnengekomen aanvraag om een</al><al>watervergunning direct aan de waterbeheerder of de provincie moeten worden doorgezonden.</al><al>Zie ook: www.helpdeskwater.nl en www.waterwet.nl</al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</al><al>Dit voorschrift betreft de veiligheid van voorbijgangers en belendingen. Zie ook artikel 2.4 van de</al><al>Regeling omgevingrecht (Mor) dat regels bevat over het indienen van een bouwveiligheidsplan.</al><al>Lid 1</al><al>De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen, die bij voorbeeld</al><al>moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een heistelling, het transport van</al><al>bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van</al><al>stutwerk. Wat betreft de veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010.</al><al>Leden 2 en 3</al><al>Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de schakelapparatuur zich bevindt in</al><al>een kastje of een andere ruimte dat (die) gedurende de bedoelde tijdsperioden op deugdelijke wijze is</al><al>afgesloten.</al><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</al><al>Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein te weren en te</al><al>voorkomen dat mensen - en vooral spelende kinderen - op een bouwterrein een ongeval overkomt. Dit</al><al>motief geldt ook voor de eis in het derde lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden</al><al>bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:</al><al>permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist het bouwtoezicht. In de</al><al>regel vindt overleg plaats met de bouwer.</al><al>De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn gewaarborgd.</al><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</al><al>De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder voor de omgeving te</al><al>voorkomen.</al><al>Artikel 4.11 Bouwafval</al><al>Algemeen</al><al>Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist geen regeling</al><al>omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de bouwverordening dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het</al><al>sloopafval.</al><al>Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden van afvalstoffen in fracties</al><al>is dat een afvalstof in hogere regelgeving als gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een</al><al>doelmatige verwijdering bij de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor</al><al>hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met ander afval.</al><al>a Gevaarlijke afvalstoffen</al><al>Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden gehouden. Een antimengclausule</al><al>in in het derde lid van artikel 4 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL),</al><al>verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met ander afval (zgn. verdunnen). Eenmaal gescheiden</al><al>afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en</al><al>gescheiden houden die is gebaseerd op de Wet milieubeheer. De doe-het-zelver kan geringe</al><al>hoeveelheden gevaarlijk (chemisch) afval thuis in de chemobox doen en op deze wijze gescheiden</al><al>afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling van klein chemisch afval van</al><al>huishoudens.</al><al>b en c Glaswol en steenwol</al><al>Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier ingezameld.</al><al>Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag' (een stevige zak met een inhoud van 1</al><al>m3) of een zak van 200 liter.</al><al>De ondergrens van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige kosten te veroorzaken.</al><al>Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het geheel van bouwwerkzaamheden waarvoor een en</al><al>dezelfde omgevingsvergunning is verleend.</al><al>Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht tot scheiden slechts bij</al><al>grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal zijn.</al><al>d Overig afval</al><al>Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die bewerkstelligt dat een</al><al>scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De onderhavige overige afvalstoffen moeten worden</al><al>afgevoerd naar een inrichting die op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in</al><al>ontvangst te nemen.</al><al>Wanneer is iets afval?</al><al>Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een afvalbak is er sprake van</al><al>bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die apart worden gelegd om later nog te kunnen</al><al>gebruiken zijn dus (nog) geen afval.</al><al>Acceptatievoorwaarden en marktwerking</al><al>De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden als ondergrens. Het staat</al><al>degene die bouwt dus vrij een verdergaande scheiding toe te passen. De marktpartijen opdrachtgever</al><al>en aannemer zullen veelal op basis van economische motieven besluiten tot een verdergaande</al><al>scheiding. Hierbij zullen prijzen worden vergeleken en zal bij een verdergaande scheiding dikwijls een</al><al>gunstiger prijs- en kostenverhouding gelden. Indien een verdergaande scheiding plaatsvindt, geldt</al><al>onverkort het voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een bewerkingsinrichting die bevoegd is</al><al>deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie overig afval moet in het algemeen worden afgevoerd naar</al><al>een sorteerinrichting. Als sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam</al><al>overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het overslagbedrijf c.q. de milieustraat</al><al>op grond van zijn vergunning bevoegd is tot ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven</al><al>c.q. milieustraten zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen.</al><al>Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer gedetailleerde regelgeving.</al><al>Tevens zou de effectiviteit van de regeling in het gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere</al><al>verplichtingen zouden worden opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de</al><al>ontvanger (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook aanbeveling om nauwkeurig</al><al>kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de eventuele veranderingen daarin.</al><al>Afvoeren en overdragen van bouwafval</al><al>De formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om het mengen van reeds</al><al>uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor transport vanaf het werk te verbieden. Voor een</al><al>wijze van vervoer die bevorderlijk is voor het hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving dan</al><al>de bouwverordening, waarbij met name te denken valt aan de provinciale milieuverordening. Uit dien</al><al>hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar een bewerkings- of verwerkingsinrichting,</al><al>respectievelijk een inzamelaar die op grond van de Wet milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te</al><al>ontvangen.</al><al>De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de bouwplaats. Het Besluit</al><al>stortverbod afvalstoffen bevat namelijk een stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval.</al><al>Particulieren die geringe hoeveelheden bouw- en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij</al><al>sorteerbedrijven en gemeentelijke milieustraten, veelal ook op zaterdagmorgen.</al><al>Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor asbest, waarvoor juist een</al><al>stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige artikel over bouwafval niet genoemd, omdat het als</al><al>bouwmateriaal niet meer is toegelaten.</al><al>Terugleveren aan de leverancier of fabrikant</al><al>Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan de fabrikant c.q. de</al><al>leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering op de regel dat op de bouwplaats gescheiden</al><al>fracties naar een bewerkingsinrichting of anders naar een sorteerinrichting moeten worden afgevoerd.</al><al>Rechtstreekse retourlevering waarbij het product dient als grondstof voor nieuwe producten wordt</al><al>zinvol geacht.</al><al>Sorteerinrichting</al><al>Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is - voorzover het uit meer</al><al>dan één afvalstof bestaat - alleen toegestaan naar een sorteerinrichting, die bevoegd is de</al><al>desbetreffende afvalstoffen ongesorteerd te ontvangen.</al><al>Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de beoordelingsrichtlijn voor de certificering van</al><al>sorteerbedrijven te houden aan de Regeling niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval. Hierin worden de</al><al>volgende afvalstromen aangeduid als herbruikbaar: harde steenachtige materialen, ferro en non-ferro</al><al>metalen, massief niet-verduurzaamd hout, papier/karton, LDPE-folie, kunststofgevelelementen of</al><al>delen daarvan en kunststofleidingbuizen. Voor deze stromen ligt uitsortering voor de hand, hetzij aan</al><al>de bron, hetzij achteraf in een sorteerinrichting.</al><al>Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij een sorteerbedrijf volledig</al><al>operationeel. Voor de retourname van reststoffen van gipsblokken en gipskartonplaten heeft de</al><al>Nederlandse Branchevereniging voor Gips (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een</al><al>systeem scheiden en schoon afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins</al><al>operationeel en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het nietoperationeel zijn</al><al>van een retoursysteem . Overigens geldt voor zowel steenwol als EPS dat zij meestal slechts in</al><al>geringe mate in bouwafval voorkomen.</al><al>Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen ontwikkeld. Bij de aflevering</al><al>aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden</al><al>van LDPE en LDPE-folie. Via de Stichting KNAPZAK (www.knapzak.nl) nemen enkele</al><al>kunststofverwerkers deze kunststoffen zowel van transporteurs als van sorteerbedrijven in voor</al><al>reclycing.</al><al>De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven voor verwerking</al><al>worden aangeboden aan twee leden van de Vereniging van Kunststofleidingsystemen (FKS) te</al><al>Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het</al><al>recyclingsysteem van de Stichting Recycling VKG te Zoetermeer. Een verwerkingssysteem voor</al><al>kitkokers, verfverpakking en snoerband (PP-materialen) is operationeel bij B &amp; R Recycling BV te</al><al>Middelharnis.</al><al>Mee terugnemen naar de werf</al><al>Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht, de aannemer, een</al><al>geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze</al><al>bevoegdheid sluit aan op de bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot</al><al>praktisch nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een omgevingsvergunning is vereist op</al><al>grond van de Wabo. De term tijdelijke opslag duidt erop dat dit afval vervolgens in het algemeen wel</al><al>moet worden afgevoerd naar een sorteerbedrijf. De plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te</al><al>houden van andere stoffen, de anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals de plicht tot het</al><al>afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen aan een inzamelaar die voor de inname</al><al>van deze stoffen bevoegd is.</al><al>Enkele specifieke begrippen</al><al>Met de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de aanwezigheid van een</al><al>omgevingsvergunning ingevolge de Wabo.</al><al>Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in te zamelen met het oog</al><al>op hergebruik of teruglevering naar de producent. Voor enkele deelstromen kunststoffen bestaat een</al><al>dergelijk inzamelsysteem. Zie de toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en</al><al>recyclingsystemen voor kunststoffen.</al><al>Lid 1</al><al>De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het terrein - worden gescheiden van</al><al>het overige bouwafval. In een later stadium scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten</al><al>dele. Voor de verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet milieubeheer. De</al><al>strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen het gevaarlijk afval gaat moet beschikken over</al><al>een adequate omgevingsvergunning op grond van de Wabo. Er bestaat keuzevrijheid naar welk</al><al>bedrijf wordt afgevoerd. In de praktijk komt het bepaalde in dit lid erop neer dat gevaarlijk bouwafval</al><al>niet naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn vrijwel nooit bevoegd de hier bedoelde stoffen in</al><al>ontvangst te nemen. Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen is verbranden de beste oplossing.</al><al>Voor de handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform wordt uitgelegd. De verwijzing</al><al>naar de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Regeling Europese</al><al>afvalstoffenlijst (EURAL) voorziet hierin. In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt verwezen naar</al><al>dit besluit.</al><al>Vergunningvoorwaarden</al><al>Het is niet toegestaan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen te verbinden die</al><al>ertoe strekken nog andere fracties verplicht op de bouwplaats te scheiden dan die vermeld staan in</al><al>het eerste lid. In het algemeen komt men dan in strijd met het vierde lid van artikel 2.22 Wabo.</al><al>Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij elkaar. Dit zijn globaal</al><al>aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet combineren met een brand- of explosiebron</al><al>(houtverduurzamingsmiddelen, lijmen, verven, verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers</al><al>enz.), logen, basen en zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met een</al><al>ontstekingsbron noch met een brand- of explosiebron.</al><al>Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling bij het lezen van deze</al><al>toelichting ook (delen van) de toelichting op hoofdstuk 8, het slopen, te betrekken.</al><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</al><al>De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen spoedig daarna controles</al><al>uit te voeren. Artikel 7b van de Woningwet bevat het verbod een bouwwerk te gebruiken of te laten</al><al>gebruiken anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften,</al><al>bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a. Uit dit artikel uit de Woningwet vloeit voort dat de</al><al>voorschriften omtrent het gebruik in de bouwverordening geen betrekking kunnen hebben op het</al><al>gebruik in planologische zin, doch uitsluitend op het veilig en verantwoord gebruik van gebouwen.</al><al>Lid 1</al><al>Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een latere fase van de bouw niet</al><al>effectief of althans niet zonder extra graafwerkzaamheden mogelijk. Daarom geldt de eis van</al><al>onmiddellijke melding.</al><al>Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte overeenkomstig de uitkomst van de</al><al>berekening van de energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de desbetreffende categorie gebouwen</al><al>voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is eveneens slechts effectief mogelijk, voordat deze isolatie</al><al>aan het oog is onttrokken door het opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het</al><al>afpleisteren van de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie.</al><al>Lid 2</al><al>Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden, is een termijn van twee dagen</al><al>vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de noodzakelijke of gewenste controles</al><al>uitvoert.</al><al>Lid 3</al><al>Voor zover in de voorwaarden van de omgevingsvergunning niet anders is gesteld, geldt ook hier de</al><al>termijn van twee dagen.</al><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</al><al>Op aandrang vanuit de praktijk en gelet op de uitspraak rechtbank Leeuwarden van 22 september</al><al>2008, LJN BF2263 wordt het verbod tot ingebruikneming van een bouwwerk dat niet is gereed gemeld</al><al>opnieuw ingevoerd.</al><al>Hierbij is uitgegaan van de oude tekst van artikel 4.14 uitsluitend ten aanzien van het niet gereed</al><al>melden.</al><al>Gereedmelding is aan de orde bij de in artikel 4.12 MBV genoemde gevallen. Voorkomen moet</al><al>worden dat onveilige situaties ontstaan als gevolg van het in gebruik nemen van onvoltooide</al><al>bouwwerken of bouwwerken waarin niet alle noodzakelijke bouwtechnische voorzieningen zijn</al><al>aangebracht (ABRvS, 23 december 2009, LJN: BK7451).</al><al>Hoofdstuk 5 Staat van open ervan en terreinen, aansluiting op de</al><al>nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</al><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al><al>Algemeen</al><al>In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid gemaakt in de eisen die</al><al>gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor bestaande bouwwerken, zo ook de staat waarin</al><al>open erven en terreinen behoren te verkeren. Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een</al><al>reden voor het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond van de artikelen 13,</al><al>13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen</al><al>van een last onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden voor het in werking treden van de</al><al>artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen of de verlangde voorzieningen ter plekke mogelijk</al><al>zijn en of het alsnog opleggen van een plicht tot het treffen van die voorzieningen redelijk is. De</al><al>artikelen 5.1.2 en 5.1.3 zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de</al><al>aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. Op die plek fungeren de eisen als een toets</al><al>voor aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. De bepalingen van dit hoofdstuk richten</al><al>zich op de staat of toestand van een open erf of terrein en niet op het gebruik daarvan.</al><al>Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7.</al><al>Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2.</al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</al><al>Van een onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake, indien een open erf of</al><al>terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan een gevolg zijn van het gebruik van een ander</al><al>terrein of van een gebrek aan een bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan ook worden</al><al>veroorzaakt door overvloedige begroeiing, waardoor de lichttoetreding tot een gebouw wordt</al><al>belemmerd of de veiligheid van het verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt</al><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.3.</al><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.4.</al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al>Het onderhavige voorschrift vormt geen grondslag voor een besluit ingevolge de artikelen 13, 13a en</al><al>14, tweede lid van de Woningwet dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een</al><al>last onder dwangsom waarin het bevoegd gezag het maken van een aansluiting op het</al><al>waterleidingnet verplicht stelt vanuit een pand waarin een binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de</al><al>opgesomde artikelnummers van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer</al><al>toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het bevoegd gezag</al><al>de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater voldoende acht,</al><al>bijv. in de vorm van een doeltreffende welput, regenbak of watertank.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het openbare</al><al>distributienet, zie artikel 5.3.7.</al><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Het is zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel tot toepassing</al><al>van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom te verplichten tot het aansluiten op</al><al>het openbaar riool, zolang - op grond van het Lozingenbesluit bodembescherming - het afvalwater in</al><al>de bodem mag worden geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven voorzieningen</al><al>(zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde voorzieningen - in financiële zin - nog</al><al>niet afgeschreven zijn. Immers, een regeling van de rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit</al><al>bodembescherming prevaleert ten opzichte van een gemeentelijke verordening, in casu de</al><al>bouwverordening.</al><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.5.</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 5.4.1 Preventie</al><al>Onreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is geregeld in artikel</al><al>7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een bouwwerk zich moet bevinden. Dit artikel heeft</al><al>rechtstreekse werking en leidt in geval van geconstateerde gebreken tot een besluit ingevolge artikel</al><al>13 Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last</al><al>onder dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk het bouwwerk onvoldoende onderhoudt. Het</al><al>artikel is bedoeld om excessen tegen te gaan.</al><al>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</al><al>Algemeen</al><al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening voorschriften bevat over het gebruik</al><al>van woningen, andere gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde. De wet noemt onderwerpen</al><al>die in elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in de</al><al>bouwverordening worden geregeld over het gebruik. In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald</al><al>dat de bepalingen van gemeentelijke verordeningen in wier onderwerp door onder meer een</al><al>algemene maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het Besluit brandveilig</al><al>gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) voorziet in dit onderwerp. De overige gebruiksbepalingen staan</al><al>in dit hoofdstuk.</al><al>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</al><al>Algemeen</al><al>Dit artikel berust op artikel 8, tweede lid van de Woningwet. Het is bedoeld om in uitzonderlijke</al><al>gevallen waarin vooral de hygiëne dit vereist, van gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen</al><al>nemen tot een gedwongen beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te</al><al>realiseren binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel van het kunnen optreden</al><al>tegen excessen brengt met zich mee dat de normstelling uit het onderhavige voorschrift principieel</al><al>ongeschikt is om te beoordelen, of een woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een</al><al>bepaald aantal bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan het onderhavige</al><al>voorschrift voor het opstellen van een regeling op het gebied van de woonruimteverdeling, het</al><al>beoordelen van de passendheid van huisvesting ten behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware</al><al>de normstelling 1,5 à 2 maal zo zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van de overbevolking te</al><al>balanceren.</al><al>Zie voor dit onderwerp ook de Huisvestingswet. Overigens kunnen lokale omstandigheden voor een</al><al>gemeenteraad aanleiding vormen tot het opnemen van een afwijkende normstelling in zijn</al><al>bouwverordening. Artikel 7.1.1 zou bij voorbeeld ook als volgt kunnen luiden:</al><al>'Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door</al><al>meer dan één persoon per 9 m2 gebruiksoppervlakte, met dien verstande dat voor de eerste persoon</al><al>van het totale aantal bewoners ten minste 12 m2 gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.'</al><al>Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van woningen door</al><al>toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze artikelen in het algemeen geschieden</al><al>naar aanleiding van ontvangen klachten of anderszins gerezen vermoedens van overtreding. Voor</al><al>permanent bewoonde kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger toezicht</al><al>wenselijk en mogelijk.</al><al>Normstelling</al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en gebruiksmogelijkheden van</al><al>gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden. Het niet baseren van de normstelling op het</al><al>gebruik van stapelbedden is mede ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over</al><al>de minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een eenpersoonsbed in de</al><al>kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het Bouwbesluit blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed</al><al>noodzakelijk; in grotere verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo gekozen, dat in</al><al>principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan verblijfsruimten, respectievelijk in</al><al>gemeenschappelijke ruimten.</al><al>Zie voor het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1.</al><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en gebruiksmogelijkheden van</al><al>stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde in dit artikel ten opzichte van het vorige artikel</al><al>vergelijkbaar met het verschil in getalwaarde tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het Bouwbesluit.</al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al>Artikelen 7.2.1 en 7.2.2 Verbod tot gebruik en staken van gebruik</al><al>Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de Woningwet is het voor</al><al>een aantal situaties nodig een verbod te stellen tot het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot</al><al>het staken van het gebruik. Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het gebruik van</al><al>een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een verbod gesteld worden tot het</al><al>gebruik van een bouwwerk wat nabij een bouwvallig bouwwerk is gelegen.</al><al>Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in artikel 7.2.2 is afhankelijk gesteld</al><al>van een beschikking van het bevoegd gezag. De mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te</al><al>beschouwen als een mededeling van feitelijke aard.</al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>Artikel 7.3.2 Hinder</al><al>Artikel 7.3.2 is gebaseerd op de Woningwet en rechtstreeks handhaafbaar op grond van artikel 7b van</al><al>die wet.</al><al>Artikel 7.3.2 kan onder meer worden toegepast in de volgende gevallen: het plaatsen van voorwerpen</al><al>of voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen van tot bewoning bestemde gebouwen,</al><al>lawaaihinder (bij voorbeeld door radio- en televisietoestellen), het veroorzaken van radio- en</al><al>televisiestoringen, voor zover niet geregeld in andere wettelijke voorschriften, het opslaan van</al><al>stankverwekkende stoffen, het op gevaarlijke wijze stapelen van materiaal (bij voorbeeld voor</al><al>kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen), het verwijderen van asbest bevattende materialen</al><al>of restanten hiervan die zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van</al><al>asbestvezels of -stof te vrezen valt.</al><al>Door weersinvloeden en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende materialen die zich aan de</al><al>buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een erf of terrein zijn opgeslagen zodanige verwering of</al><al>slijtage vertonen dat de vezels gemakkelijk losraken en door de wind worden verspreid. Deze</al><al>asbestvezels vormen een risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het erf of terrein en de</al><al>aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit ziet op de situatie van sloop en is niet</al><al>toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Een overtreding van het Bouwbesluit is niet</al><al>aanwezig of is onvoldoende aantoonbaar.</al><al>In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last</al><al>onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13 van de</al><al>Woningwet.</al><al>Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit artikel. Het gevaar van asbest</al><al>is in algemene zin voldoende aangetoond om maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van</al><al>asbestvezels en -stof te rechtvaardigen.</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 7.4.1 Preventie</al><al>Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van schadelijk of hinderlijk</al><al>gedierte en het in acht nemen van de algemene reinheid. Ook dit artikel kan alleen maar worden</al><al>toegepast in geval van excessen. Voor de duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze</al><al>bepaling onmisbaar.</al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</al><al>Paragraaf 5 Watergebruik</al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al>Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat het bevoegd gezag de beschikking heeft</al><al>genomen. Zie de toelichting bij de artikelen 7.2.1 en 7.2.2.</al><al>Paragraaf 6 Installaties</al><al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al>In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar of de gebruiker van</al><al>een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden en gebruiksgereed te houden. Een gebruiker,</al><al>bij voorbeeld een huurder, kan over nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden</al><al>aangemerkt als een privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en</al><al>gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is, ligt dit anders. Daarom is</al><al>in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het onderhoud en gebruiksgereed houden van</al><al>liftinstallaties, collectieve installaties voor portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische</al><al>ventilatie, drukverhoging in de waterleiding (hydrofoor) e.d.</al><al>Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan terreinrioleringen, inclusief</al><al>pompen en putten, en op in de grond aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor</al><al>hemelwater.</al><al>N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de veiligheidsaspecten van gewone</al><al>personenliften, in principe geregeld in het Warenwetbesluit liften, dat op de Warenwet berust.</al><al>Hoofdstuk 8 Slopen</al><al>Algemeen</al><al>Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8, tweede lid, letter d, van de</al><al>Woningwet, en van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Dit hoofdstuk gaat over de</al><al>omgevingsvergunning voor het slopen. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden</al><al>gericht op het specifieke sloopproject. Het voornaamste motief voor een uitgebreide sloopregeling in</al><al>de bouwverordening is gelegen in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel mogelijk</al><al>hergebruiken van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief gericht op het bouwafval staat in</al><al>artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze toelichting daarop verwijzen wij hier.</al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen wordt geregeld in hoofdstuk 4 van het</al><al>Besluit omgevingsrecht. De indieningsvereisten staan in artikel 7.2 van de Mor.</al><al>Planologische sloopvergunning</al><al>De Wet ruimtelijke ordening (Wro) introduceert een sloopvergunning, die wij hier ter onderscheiding</al><al>van andere 'sloopvergunningen' - uit de bouwverordening en uit de Monumentenwet - aanduiden als</al><al>'planologische sloopvergunning'. De planologische sloopvergunning kan door de raad van een</al><al>gemeente in een bestemmingsplan worden opgenomen. De wet stelt niets verplicht, maar biedt deze</al><al>mogelijkheid. Deze vergunning ziet op de planologische gevolgen van sloopactiviteiten en de</al><al>eventuele bouwplannen op de locatie die door het slopen vrij komt.</al><al>Asbest</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke stoffen en op de</al><al>Woningwet. Dit besluit bevat regels voor de verwijdering van asbest bij het slopen van bouwwerken en</al><al>het uit elkaar nemen van objecten. Het besluit heeft voor zover het betreft het slopen van bouwwerken</al><al>geen directe werking voor de burger. Het besluit bevat een opdracht aan de gemeenteraad tot</al><al>regelgeving in de plaatselijke bouwverordening. De voorschriften van de bouwverordening zijn</al><al>bindend voor de burger.</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota van toelichting (Stb.</al><al>2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een selectie uit deze Nota over te nemen in de toelichting</al><al>bij hoofdstuk 8 van de bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te</al><al>raadplegen, in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32).</al><al>Voor meer informatie en publicaties over dit onderwerp wordt verwezen naar www.infomil.nl\asbest</al><al>Incident</al><al>Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit), zoals een brand waarbij</al><al>asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een</al><al>juist optreden in geval van een calamiteit is van veel belang de handreiking "Plan van aanpak</al><al>asbestbranden".</al><al>Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak.</al><al>Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten die tengevolge van een</al><al>incident zijn vrijgekomen eerst een asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij</al><al>voorkeur met de bij het incident passende spoed te gebeuren.</al><al>Certificering</al><al>De certificering voor de bouw valt onder het ministerie van SZW. De instantie die zich bezig houdt met</al><al>de certificering is de Stichting Certificatie Asbest, www.ascert.nl De oude Beoordelingsrichtlijnen</al><al>(BRL) die van toepassing waren op de sloop van asbest zijn vervangen door certificeringsschema's</al><al>voor asbestinventarisatie (SC 540) en asbestverwijdering (SC 530) (Gepubliceerd in Stcrt. 2008, nr.</al><al>57, p. 9).</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar de algemene</al><al>toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Risicoklasse</al><al>Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de arbeidsomstandighedenregelgeving over het</al><al>asbest een indeling in risicoklassen ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van de</al><al>arbo-regels. Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning.</al><al>De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de arbeidsinspectie blijven</al><al>bestaan. Voor zover de gemeente gewend was meldingen te doen aan de arbeidsinspectie blijft dit</al><al>ongewijzigd.</al><al>Intensivering van de handhaving</al><al>Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de handhaving van de</al><al>sloopvoorschriften.</al><al>Voor diverse publicaties wordt verwezen naar www.infomil.nl</al><al>Ledenbrieven van de VNG over dit onderwerp treft u aan op www.vng.nl .</al><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>De Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische basis voor de</al><al>omgevingsvergunning voor het slopen. De Wabo brengt met zich mee, dat de term sloopvergunning</al><al>wordt vervangen door omgevingsvergunning voor het slopen of wanneer het uitsluitend over het</al><al>verwijderen van asbest gaat omgevingsvergunning voor het slopen van asbest.</al><al>Ontvangstbevestiging en mededeling procedure</al><al>De huidige praktijk van het plaatsen van een datumstempel op de aanvraag als bewijs van ontvangst</al><al>is niet langer voldoende. Artikel 3.1, tweede en derde lid Wabo stelt verplicht dat na ontvangst van</al><al>een aanvraag onverwijld de bevestiging wordt verzonden en dat eveneens onverwijld een mededeling</al><al>over de te volgen procedure wordt verzonden.</al><al>Lid 1</al><al>Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt afgevoerd. Daarom is voor</al><al>de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen asbest bevattend - minder dan 10 m3 - een</al><al>algemene eis geformuleerd in artikel 8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van nietingrijpende</al><al>interne verbouwingen.</al><al>Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel of meldingplichtig op grond</al><al>van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1.</al><al>Lid 2</al><al>Een ondergrens van 10 m3 voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor zover het te slopen bouwwerk</al><al>geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met een gangbare containermaat. Gekozen is</al><al>voor een inhoudsmaat, omdat deze op de sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter</al><al>plekke niet te controleren.</al><al>Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de 10 m3 komen is een te</al><al>opvallende methode van ontduiking van de vergunningplicht om kans van slagen te hebben. Mocht dit</al><al>voorkomen dan is dit een overtreding wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning voor het</al><al>slopen.</al><al>Onder 10 m3 sloopafval wordt verstaan: los gestort sloopafval.</al><al>Lid 3</al><al>Uit dit lid blijkt dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden. Tevens beperkt dit lid</al><al>de mogelijkheid voorschriften aan de vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a</al><al>tot en met d. Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het scheiden en</al><al>gescheiden houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere detaillering.</al><al>Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen genoemd in het derde en</al><al>vierde lid van dit artikel.</al><al>Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken</al><al>Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen 4.8 tot en met 4.10 van het</al><al>hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van overeenkomstige toepassing zijn op het slopen. Daar waar</al><al>bouwen, bouwterrein enz. staat wordt uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen</al><al>veiligheid op het bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid van hulpmiddelen en het</al><al>voorkomen van hinder zijn als directe norm geformuleerd. Dit betekent dat deze eisen ook gelden</al><al>indien het vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard behoeft datgene wat via deze</al><al>vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet nogmaals als voorwaarde te worden opgenomen in</al><al>een vergunning. Mede afhankelijk van de sloopmethode en de bebouwing en aanwezigheid van</al><al>mensen in de directe omgeving van het te slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld.</al><al>Van veel belang is te bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De veiligheid voor degenen</al><al>die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de sfeer van de arbeidsomstandigheden en</al><al>wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie. Een sloopveiligheidsplan wordt, voor zover nodig,</al><al>verlangd en ingediend bij de aanvraag om een vergunning. De regeling daarvoor staat in artikel 8.1.2,</al><al>tweede lid.</al><al>Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas wanneer de gekozen methode</al><al>leidt tot strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk, bij voorbeeld over het selectief slopen, de</al><al>veiligheid of het uitvoeren van bodemonderzoek, worden aan de vergunning voorschriften verbonden</al><al>ter voorkoming van deze strijdigheid.</al><al>Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren</al><al>Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of verwerkingsinrichting wordt</al><al>afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of transporteur het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen</al><al>hierbij de voorschriften van de vergunning en andere regels, bij voorbeeld die over het vervoer van</al><al>gevaarlijk afval, in acht te worden genomen. In de praktijk komt dit erop neer dat alleen mag worden</al><al>samengewerkt met vergunninghoudende inzamelaars en transporteurs voor het gevaarlijk afval en</al><al>alleen mag worden toegeleverd aan bewerkings- en verwerkingsinrichtingen die beschikken over een</al><al>vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. De voorschriften in de vergunning mogen geen</al><al>'gedwongen winkelnering' inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren naar bedrijf X, terwijl voor</al><al>dat afval de bedrijven Y en Z ook vergunninghouder zijn.</al><al>De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de vergunningvoorschriften. De keuze</al><al>van de fracties hangt af van de hoeveelheid en samenstelling van het te verwachten afval en van de</al><al>acceptatievoorwaarden van in de regio aanwezige bewerkings- en verwerkingsinrichtingen. Onder c is</al><al>de meest minimale scheiding vastgelegd die voortvloeit uit landelijke regelgeving.</al><al>Naast deze drie 'onvermijdelijke' fracties - gevaarlijke afvalstoffen, asbest en overig afval - verdient het</al><al>aanbeveling om ten minste de volgende fracties als voorwaarde in de vergunning op te nemen:</al><lijst><li nr="-"><al>steenachtig sloopafval, met uitzondering van gips;</al></li><li nr="-"><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="-"><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="-"><al>asfalt;</al></li><li nr="-"><al>dakgrind;</al></li><li nr="-"><al>glas (vlakglas) voor zover een inzamelstructuur beschikbaar is.</al></li></lijst><al>De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer.</al><al>Wanneer de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het bepaalde in artikel 8.3.3</al><al>over een deskundig bedrijf en het bepaalde in artikel 5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Een opdrachtgever doet er verstandig aan een sloopaannemer te kiezen die is gekwalificeerd voor het</al><al>soort sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere sloopwerken is dit vrijwel steeds een</al><al>gespecialiseerd bedrijf.</al><al>Welke voorschriften, wanneer en waarvoor</al><al>Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een vergunning worden opgenomen is</al><al>afhankelijk van de gegevens over het te slopen bouwwerk en de slooplocatie (welke soorten afval</al><al>komen vrij en in welke hoeveelheden en welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van containers)</al><al>en voorts van de in de regio beschikbare verwijderingstructuren, waaronder bewerkings- en</al><al>verwerkingscapaciteit.</al><al>Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende inzamelstructuren en bewerkings- of</al><al>verwerkingsstructuren, omdat deze sterk regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen</al><al>onderhevig zijn. Het is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van de</al><al>vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale verwerkingscapaciteit voor de bij</al><al>sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Het is van belang dat voordat een aanvraag om vergunning wordt getoetst de</al><al>hergebruikmogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij moeten de volgende</al><al>aspecten worden nagegaan:</al><lijst><li nr="-"><al>wat kan worden hergebruikt;</al></li><li nr="-"><al>wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie;</al></li><li nr="-"><al>kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet;</al></li><li nr="-"><al>aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te voldoen;</al></li><li nr="-"><al>wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers, sorteerders en inzamelaars.</al></li></lijst><al>Onderzoek</al><al>Voordat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingediend moeten de</al><al>volgende onderzoeken plaatsvinden:</al><al>-Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen gedeelte daarvan laatstelijk</al><al>is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede lid, letter f);</al><al>-Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te slopen bouwwerk of</al><al>een te slopen gedeelte daarvan is verontreinigd met gevaarlijke afvalstoffen, dient een</al><al>onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met</al><al>de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om vergunning worden gevoegd (MBV artikel</al><al>8.1.2, derde lid);</al><al>-Indien moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest aanwezig is, moeten</al><al>overeenkomstig het gestelde in artikel 8.1.2, daarover bij het indienen van een aanvraag om</al><al>een omgevingsvergunning voor het slopen gegevens worden ingediend. Op grond van artikel</al><al>3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geldt een onderzoeksplicht naar de aanwezigheid</al><al>van asbest door een deskundig, dat wil zeggen daartoe gecertificeerd bedrijf.</al><al>Achter in deze toelichting is als bijlage 8 van de toelichting opgenomen een Keuzetabel voor de</al><al>vaststelling van deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt de houder van de omgevingsvergunning</al><al>voor het slopen een handreiking voor een verdergaande scheiding dan normaliter in de voorwaarden</al><al>van deze omgevingsvergunning verplicht is gesteld om op de slooplocatie uit te voeren. Uiteraard kan</al><al>genoemde houder voor een verdergaande scheiding zowel financiële als milieuhygiënische</al><al>overwegingen in zijn beschouwing betrekken.</al><al>Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen</al><al>Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de producenten van kunststof</al><al>gevelelementen (verenigd in de VKG) en de producenten van kunststofleidingsystemen (verenigd in</al><al>de FKS) zijn voor deze twee deelstromen inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld.</al><al>De VKG heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de inzameling en</al><al>herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en deuren.</al><al>De FKS heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de volledige inzameling</al><al>en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het</al><al>systeem komt erop neer dat degene die sloopt een container kan huren waarin de afval geworden</al><al>kunststofleidingen worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten ketenbeheer, functionerend</al><al>voor het gehele land. Andere kunststoffen dan hier genoemd kunnen niet worden afgevoerd via met</al><al>dit inzamelsysteem.</al><al>Andere inzamelsystemen</al><al>Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product en die erop zijn gericht</al><al>de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te maken voor hergebruik zijn die voor steenwol en</al><al>glaswol (minerale wol) en voor aluminium. De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen</al><al>bij de leverancier en bij de brancheorganisatie.</al><al>Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediend</al><al>De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen van een aanvraag om</al><al>vergunning behoren te worden ingediend bij de aanvraag. De artikelen 8.1.2 en 8.1.3 regelen dit. De</al><al>naam en het adres van degene die met het slopen zal worden belast - gewoonlijk de aannemer - zijn</al><al>dikwijls nog niet bekend ten tijde van het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het</al><al>slopen. Deze gegevens spelen bovendien geen rol bij de beoordeling van het in behandeling nemen.</al><al>In de vergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende dat uiterlijk ... (bij voorbeeld</al><al>twee) dagen voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden de naam en het adres van degene die</al><al>met de sloopwerkzaamheden is belast worden overgelegd aan het bevoegd gezag of de directeur van</al><al>het (gemeentelijk) bouwtoezicht.</al><al>Het gebruik van een mobiele puinbreker</al><al>In de meeste provincies bevat de provinciale milieuverordening een regeling voor de toelaatbaarheid</al><al>van mobiele puinbrekers op slooplocaties. Een dergelijke regeling maakt voorschriften ter zake in de</al><al>gemeentelijke bouwverordening overbodig. In een concreet geval raadplege men de desbetreffende</al><al>provinciale griffie over de vraag of, en zo ja welke, provinciale voorschriften terzake gelden.</al><al>In de bouwverordening van de gemeenten die in de overige provincies liggen, blijven de voorschriften</al><al>voor het gebruik van een mobiele puinbreker echter zinvol.</al><al>Op verzoek van de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het slopen kan, onder in de</al><al>vergunning te stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de sloopplaats het beton en</al><al>metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde mobiele puinbreekinrichting.</al><al>Het 'Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval' bevat alle voorschriften ten aanzien van mobiele</al><al>brekers en is in werking getreden op 1 maart 2004. Vanaf deze datum zijn de in enkele gemeentelijke</al><al>bouwverordeningen nog bestaande voorschriften over mobiele brekers van rechtswege vervallen. De</al><al>hogere regeling treedt in de plaats van de lagere regeling.</al><al>Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven in genoemd besluit is het toelaatbaar op de bouw- of</al><al>slooplocatie dan wel in de directe nabijheid daarvan een mobiele puinbreker op te stellen waar het</al><al>steenachtige bouw- en sloopafval wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten periode van ten</al><al>hoogste drie maanden. Het is verboden om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te</al><al>bewerken dat afkomstig is van andere bouw- of slooplocaties dan die waarbij de breker is opgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het derde lid waarover in de</al><al>vergunning voorschriften worden gesteld. Afhankelijk van de specifieke kenmerken die gelden voor</al><al>bepaalde fracties of bepaalde handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk afval</al><al>zware eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag ervan. De tweede zin verplicht het</al><al>bevoegd gezag een voorschrift in de vergunning op te nemen over het afzonderlijk gereed maken voor</al><al>de afvoer van het sloopproject van asbest en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren. Deze</al><al>verplichting staat in artikel 10, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Lid 5</al><al>Voor seizoengebonden bouwwerken, welke naar hun aard slechts tijdelijk een plek staan en meestal</al><al>jaarlijks op dezelfde plek opnieuw worden geplaatst, geldt een andere regeling. Het betreft hier</al><al>meestal het uit elkaar nemen van het bouwwerk totdat dit opnieuw wordt opgebouwd. Hierbij wordt</al><al>gedacht aan strandpaviljoens, bouwwerken voor jaarlijks terugkerende evenementen e.d</al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Ad a en b</al><al>Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de vergunning, als bedoeld in artikel 8.1.1,</al><al>derde lid, worden bereikt dat de veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen</al><al>bouwwerken voldoende is gewaarborgd. Indien ook door het stellen van voorschriften geen voldoende</al><al>niveau van veiligheid c.q. bescherming kan worden gewaarborgd, moet de vergunning worden</al><al>geweigerd. Meestal zal in overleg met de aanvrager - vaak al vóór de indiening van de aanvraag om</al><al>vergunning - worden gezocht naar een voor de gegeven situatie veilige sloopmethode en zodanige</al><al>maatregelen dat voldoende bescherming van nabijgelegen bouwwerken is verzekerd. De</al><al>weigeringgronden ad a en b strekken ertoe een onveilige sloopwijze of een onvoldoende bescherming</al><al>van andere bouwwerken te kunnen tegenhouden. Het doel is niet om het slopen onmogelijk te maken.</al><al>Er moet van worden uitgegaan dat ooit ieder bouwwerk een keer wordt gesloopt.</al><al>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Voordat wordt besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van die vergunning te</al><al>worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien de houder aannemelijk kan maken dat hij</al><al>binnen zeer afzienbare tijd met de werkzaamheden begint, of deze voortzet, kan dit een reden zijn</al><al>een besluit tot intrekking nog niet te nemen. De Wabo verhindert niet dat in een verordening, waarbij</al><al>de vergunningplicht is ingesteld, criteria op te nemen over het intrekken van de vergunning.</al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van de</al><al>omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</al><al>Algemeen</al><al>De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de vergunningplicht. Dit betekent dat indien</al><al>wordt gesloopt zonder mededeling naar aanleiding van een melding, terwijl deze wel is vereist,</al><al>overtreding plaatsvindt van artikel 8.2.1 juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening.</al><al>Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling van het college van</al><al>burgemeester en wethouders. Deze mededeling is een beschikking en vatbaar voor bezwaar en</al><al>beroep in de zin van de Algemene wet bestuurrecht. Dit betekent onder meer dat de melding</al><al>schriftelijk moet worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Ingevolge het tweede lid moet</al><al>worden gebruik gemaakt van de door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde</al><al>formulieren. In het achtste lid is bepaald dat aan de mededeling voorschriften kunnen worden</al><al>verbonden.</al><al>Degene die een mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de sloopwerkzaamheden</al><al>verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken naar de risico's voor de gene die sloopt, naar de</al><al>risico's voor degenen die in de woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid).</al><al>Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen 7 en 8 van het</al><al>Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende voorschriften waaraan degene die asbest</al><al>verwijdert anders dan in het kader van beroep of bedrijf - dus de burger - zich moet houden. Op grond</al><al>van het tweede lid van artikel 8 van dit Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in het kader van</al><al>de bescherming van mens en milieu tegen emissie van asbestvezels, aanvullende regels te stellen</al><al>voor de door particulieren toegestane verwijdering van asbest. Deze voorschriften gelden dan naast</al><al>artikel 7 en naast de voorschriften bij de mededeling. Van deze mogelijkheid zal blijkens de toelichting</al><al>bij artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts gebruik gemaakt worden als uit</al><al>praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7 opgenomen voorschriften onvoldoende zijn.</al><al>Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest staan thans drie mogelijkheden open: zelf afvoeren</al><al>naar een stortplaats of depot, door een aannemer laten afvoeren en, indien de gemeente daarvoor</al><al>een mogelijkheid aanbiedt, meestal tegen betaling, meegeven met de inzameldienst op vergelijkbare</al><al>wijze als het grof huisvuil. Om te voorkomen dat asbest 'zoek raakt' verdient het aanbeveling dat de</al><al>gemeente voor het asbest afkomstig van particulieren een inzamel-structuur creëert, waardoor ten</al><al>minste op een van de vorenstaande wijzen de particulier zich van dit afval kan ontdoen.</al><al>Lid 1</al><al>Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest verwijdert. Wanneer dit kan bij</al><al>een woning, kan het ook gelden voor de bijgebouwen of met de woning vergelijkbare bouwwerken.</al><al>Daarom zijn naast de woning ook genoemd het logiesverblijf (recreatiewoning) alsmede de op het</al><al>daarbij behorende erf staande bijgebouwen.</al><al>Het door de burger verwijderen van geschroefde asbesthoudende platen, van asbesthoudende</al><al>vloertegels en van niet-gelijmde asbesthoudende vloerbedekking is in artikel 4, derde lid van het</al><al>Asbestverwijderingsbesluit 2005 gebonden aan een maximum van 35 m2 per kadastraal perceel.</al><al>Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en bijgebouwen bij woningen. De</al><al>begripsbepaling voor woning in het tweede lid van artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit geeft</al><al>hiervoor geen oplossing, omdat onduidelijk is wat daar onder 'mede' wordt verstaan en omdat in de</al><al>Woningwet het begrip woning niet is omschreven. Voor zover bedoeld is met dit</al><al>Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in het beleid noch in de uitvoering van de regels</al><al>te brengen, mag worden geconcludeerd dat onder woning mede wordt verstaan een een logiesverblijf</al><al>zoals is genoemd in het eerste lid van art. 8.2.1 MBV.</al><al>De tekst van het derde lid van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit geeft niet duidelijk aan of de</al><al>asbesthoudende golfplaten op een schuurtje bij een woning vergunningvrij door de burger verwijderd</al><al>mogen worden onder het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Er staat 'geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde</al><al>dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning</al><al>of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of</al><al>bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen</al><al>maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt'.</al><al>Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten niet letterlijk 'uit' het bijgebouw</al><al>komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is - net als onder de regeling van vóór het</al><al>Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit wel mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat</al><al>een wijziging is bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van artikel 4: 'De in het onderhavige</al><al>besluit opgenomen uitzonderingen zijn gebaseerd op de uitzonderingen die zijn opgenomen in de</al><al>modelbouwverordening van de VNG, die door het merendeel van de gemeenten in hun regelgeving</al><al>zijn overgenomen.' Daarom heeft de VNG thans bij de implementatie van meergenoemd derde lid in</al><al>de model-bouwverordening, de bestaande toevoegingen van met een woning gelijk te stellen</al><al>bouwwerken 'logiesverblijf' gehandhaafd.</al><al>Beleidsmatig verdient het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het is beter dan de andere</al><al>uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest van een schuurtje niet zelf mag doen. De kans is</al><al>groot dat dan toch door de burger het asbest golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar</al><al>illegaal. En illegaal verwijderd asbest kun je moeilijk legaal inleveren, dus bestaat kans dat dit</al><al>eveneens illegaal wordt weggewerkt. Met de voorgestelde ruime uitleg is de burger legaal bezig en</al><al>kan hij de asbestplaten legaal inleveren.</al><al>Op grond van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet meer toegestaan om anders dan in het</al><al>kader van beroep of bedrijf over te gaan tot het verwijderen van:</al><al>-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met betrekking tot het</al><al>verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken zodanig complex dat ze voor particulieren</al><al>niet goed waren na te leven. Minder vergaande voorschriften leiden echter tot een risico op</al><al>blootstelling aan asbestvezels.</al><al>-dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk groot. Bij breuk van</al><al>asbesthoudende dakleien komen asbestvezels vrij, hetgeen leidt tot een onaanvaardbaar</al><al>risico op inademing van asbestvezels en verontreiniging van het milieu met deze vezels.</al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Lid 9</al><al>De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende voorschriften' die de burger in acht</al><al>moet nemen ter zake van de afvoer van asbest bevattende vloerbedekking en andere afvalstoffen die</al><al>hij zelf mag verwijderen na een melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld de</al><al>voorschriften over het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden aan de ophaaldienst voor</al><al>grof huisvuil of die over het aanbieden van deze afvalstoffen bij de gemeentewerf of andere</al><al>inzamelplaats.</al><al>Lid 10</al><al>Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen mogen niet worden gebruikt</al><al>voor andere toepassingen en niet worden verkleind opdat zij in een huisvuilzak passen. Asbest dat</al><al>niet wordt gesloopt kan wel worden onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij</al><al>voorafgaand aan verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten onder hoge druk.</al><al>Lid 11</al><al>De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de procedure van artikel 4:5 jo.</al><al>4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing is: Indien de aanvraag niet voldoet aan de gestelde</al><al>eisen, kunnen burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat</al><al>kan pas als de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag binnen een door burgemeester</al><al>en wethouders te stellen termijn aan te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen die termijn kort te</al><al>houden (één week).</al><al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het</al><al>slopen</al><al>Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder een omgevingsvergunning voor het slopen als</al><al>bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als bedoeld in artikel 8.2.1 mag gebeuren. Deze</al><al>uitzonderingen hebben geen betrekking op andere regelingen waarin bepaalde sloophandelingen</al><al>mogelijk aan een vergunning of melding zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of</al><al>monumentenverordening.</al><al>In gevolge het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is ook het verwijderen van beglazingskit dat is</al><al>verwerkt in de constructie van kassen vergunningvrij. Ook wel aangeduid als voegkit.</al><al>Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a, Asbestverwijderingsbesluit 2005 bedoelde</al><al>waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen, voor zover zij deel uitmaken</al><al>van het ondergrondse openbare gas-, water- en rioolleidingnet. Het verwijderen van gas-, water-, rioolen</al><al>mantelbuizen in bouwwerken moet wel plaatsvinden door een deskundig</al><al>asbestverwijderingsbedrijf. Bij het verwijderen van deze buizen die zich in (of in de kruipruimte van)</al><al>een bouwwerk bevinden is geen sprake van routinematig verwijderen met een beheersbaar risico.</al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</al><al>Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1.</al><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de aanwezigheid van de</al><al>vergunning of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder</al><al>dwangsom dat leidt tot het slopen mag degene die de werkzaamheden verricht - in de regel een ander</al><al>dan de houder van de vergunning - geacht worden de voorwaarden te kennen.</al><al>Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen, indien</al><al>deze mede betrekking heeft op asbest, een afschrift van deze vergunning ter hand stelt aan de</al><al>sloopaannemer.</al><al>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest</al><al>De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van asbest. De betekenis van de</al><al>artikelen kan als volgt worden onderscheiden. Artikel 8.3.3 schept verplichtingen voor de houder van</al><al>de omgevingsvergunning voor het slopen. Artikel 8.3.4 geldt voor de gevallen dat vooraf de</al><al>aanwezigheid van asbest niet bekend was. Deze situatie kan zich voordoen in alle gevallen dat wordt</al><al>gesloopt. Artikel 8.3.5 geldt voor alle situaties dat asbest wordt gesloopt, dus zowel op grond van een</al><al>omgevingsvergunning voor het slopen als op grond van een mededeling naar aanleiding van een</al><al>melding. De eis dat bij het slopen de beste bestaande technieken worden toegepast geldt krachtens</al><al>het derde lid van dit artikel echter niet voor het slopen op grond van een mededeling.</al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10, letters k, l, m en n van het</al><al>Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden bevatten verplichtingen voor de houder van de</al><al>omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al>Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat</al><al>degene die opdracht geeft tot het slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift</al><al>van het asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht. Voorheen stond</al><al>dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar staat op een andere plek en behoeft niet te</al><al>worden herhaald in de bouwverordening.</al><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</al><al>Lid 1</al><al>Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt aangetroffen. Dit</al><al>artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment dat asbest wordt gevonden moet voor het (verder)</al><al>slopen daarvan een daarop gerichte vergunning of mededeling naar aanleiding van een melding</al><al>aanwezig zijn. Die moet er eerst komen, voordat het asbest mag worden gesloopt.</al><al>Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van het stilleggen van de</al><al>sloopwerkzaamheden door toepassing van bestuursdwang.</al><al>Lid 2</al><al>De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven tot tijdige controles</al><al>tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk.</al><al>Indien het bevoegd gezag de ontvangst van een melding van de voltooiing van een sloopwerk</al><al>bevestigt, bijv. door de melding af te stempelen en van de ontvangstdatum te voorzien, is die</al><al>bevestiging een administratieve handeling die niet meer inhoudt dan een bewijs dat er is gesloopt. De</al><al>gemeente aanvaardt daarmee geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden bij het</al><al>slopen en het scheiden en gescheiden houden van het sloopafval.</al><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</al><al>Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de voorschriften voor de wijze van</al><al>slopen, verpakken en opslaan van asbest voorzover dit gebeurt anders dan in de uitoefening van een</al><al>beroep of bedrijf.</al><al>Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze handelingen gelden regels op basis van</al><al>het Arbeidsomstandighedenbesluit en de desbetreffende certificering.</al><al>Voor degenen die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een handeling als hiervoor</al><al>bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 een vergelijkbare</al><al>verplichting. Van de bevoegdheid om op grond van het tweede lid van artikel 8 een ministeriële</al><al>regeling te doen uitgaan heeft de minister van VROM tot nog toe geen gebruik gemaakt.</al><al>De leden 1 en 2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding van asbest wordt</al><al>voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de minister op grond van het tweede lid van</al><al>artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding hogere</al><al>en lagere regelgeving vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking.</al><al>Paragraaf 4 Vrij slopen</al><al>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</al><al>Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, zijn er redenen om de plicht tot het hebben van een</al><al>vergunning te koppelen aan een ondergrens van 10 m3 sloopafval. Dit betekent niet dat al het</al><al>sloopafval dat minder dan 10 m3 bedraagt, niet gescheiden zou behoeven te worden.</al><al>De fracties waarin het sloopafval verplicht moet worden gescheiden, uiteraard voor zover die stoffen</al><al>daarin voorkomen, betreffen gevaarlijke of verontreinigde stoffen die niet mogen worden gemengd</al><al>met het overige afval. In de opsomming is asbest niet opgenomen, omdat dit immers nooit zonder</al><al>vergunning of zonder melding mag worden verwijderd.</al><al>Preventief toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet voorzien. De handhaving vindt bij</al><al>deze geringe hoeveelheden, in totaal niet meer dan 10 m3, uitsluitend repressief plaats.</al><al>Transponeringstabel artikelen Asbestverwijderingsbesluit 2005 en MBV incl. 11e serie wijzigingen</al><al>Asbestverwijderingsbesluit 2005 MBV inclusief 11e serie wijzigingen</al><al>Art. 3 H 8, Toelichting Algemeen</al><al>Art. 3, lid 3 H 8, Toelichting calamiteit</al><al>Art. 4, lid 1, sub a 8.1.2, lid 3, sub c</al><al>Art. 4, lid 1, sub b 8.2.2, lid 1, sub c</al><al>Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e 8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e</al><al>Art. 4, lid 3, sub a, b en c 8.2.1, lid 1, sub a en b</al><al>Art. 5 8.3.3, lid 3 vervallen</al><al>Art. 6 1.1 (Begripsbepaling)</al><al>Art. 7 H. 8 Toelichting Algemeen brochure VROM nog niet gereed</al><al>Art. 8, lid 1 8.3.5, lid 1 en 2</al><al>Art. 8, lid 2 Min. Besluit is er nog niet</al><al>Art. 10, letter a 8.1.1</al><al>Art. 10, letter b 8.1.2, lid 3, sub c</al><al>Art. 10, letter c 8.2.1</al><al>Art. 10, letter d 8.2.1, lid 7</al><al>Art. 10, letter e 8.2.1, lid 8</al><al>Art. 10, letter f 8.2.1, lid 9</al><al>Art. 10, letter g 8.2.1, lid 8</al><al>Art. 10, letter h 8.1.2, lid 12</al><al>Asbestverwijderingsbesluit 2005 MBV inclusief 11e serie wijzigingen</al><al>Art. 10, letter i 8.1.4, lid 2</al><al>Art. 10, letter j 8.1.2, lid 4</al><al>Art. 10, letters k, l, m en n 8.3.3, lid 1 t/m 4</al><al>Art. 11 12.1, lid 1 en 2</al><al>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</al><al>(vervallen)</al><al>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI)</al><al>uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al>Hoofdstuk 11 Handhaving</al><al>Algemeen</al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de bouwverordening of de criteria uit</al><al>de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met</al><al>toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden,</al><al>zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit</al><al>2003 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze</al><al>systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt</al><al>dit uit artikel 13a Woningwet. Met het generieke handhavingsinstrumentarium op grond van de</al><al>Gemeentewet en de Awb kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of</al><al>ander bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2003, dat het</al><al>gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in overeenstemming is met de</al><al>bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk niet in ernstige mate strijdig is met redelijke</al><al>eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb met zich mee dat</al><al>een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben tegen een voorgenomen</al><al>handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In</al><al>het handhavingsbesluit dient vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften</al><al>van het Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in strijd is en</al><al>met welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of ander bouwwerk weer in</al><al>overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde</al><al>termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig artikel 5:24, vierde lid,</al><al>van de Awb de toepassing van bestuursdwang voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32, vijfde</al><al>lid, van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in samenhang met</al><al>de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep en daarnaast de mogelijkheid om</al><al>een voorlopige voorziening te vragen).</al><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om met toepassing van</al><al>bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een last onder dwangsom, handhavend</al><al>op te treden tegen illegale bouw- en sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze</al><al>werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt</al><al>gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe</al><al>te passen overeenkomstig artikel 5:24, vijfde lid Awb. Het direct met bestuursdwang optreden tegen</al><al>illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te voorkomen dat de illegale situatie</al><al>verder in omvang toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten</al><al>worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de uitspraken van ABRvS</al><al>van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).</al><al>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al><al>Algemeen</al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld steunen op artikel 7b van</al><al>de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op de economische delicten.</al><al>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen</al><al>De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande situaties. Er zijn veel</al><al>bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen en redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen</al><al>worden. Voor nieuwe situaties - dat wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van</al><al>deze voorschriften - lijkt de eis wel redelijk.</al><al>Wanneer een bestaand gebouw, dat krachtens deze overgangsbepaling niet aan de nieuwe</al><al>voorschriften behoeft te voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een vergunning nodig is op grond van</al><al>artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die vergunning eisen omtrent de bereikbaarheid van dat</al><al>gebouw worden gesteld. Dit om te voorkomen dat een eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer</al><al>eigentijdse eisen van bereikbaarheid zou behoeven te voldoen.</al><al>Bijlagen</al><al>Bijlage 7 Voorbeeld voor inhoudsopgave</al><al>sloopveiligheidsplan</al><al>Voorbeeld inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><lijst><li nr="1."><al>Naam en correspondentieadres van de aannemer</al></li><li nr="2."><al>Ligging van het te slopen perceel</al></li><li nr="3."><al>Doel en opzet sloopveiligheidsplan</al></li><li nr="4."><al>Beschrijving werkzaamheden</al></li><li nr="5."><al>Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen, materieel en hulp- en</al></li></lijst><al>beveiligingsmiddelen</al><lijst><li nr="6."><al>Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met betrekking tot externe veiligheid</al></li><li nr="7."><al>Betrokken instanties</al></li><li nr="8."><al>Dagindeling werkzaamheden</al></li><li nr="9."><al>Instructies aan werknemers</al></li><li nr="10."><al>Instructies/voorlichting omwonenden</al></li><li nr="11."><al>Voorgenomen veiligheidsmaatregelen</al></li><li nr="12."><al>Uitvoering toezicht op maatregelen</al></li><li nr="13."><al>Logboek</al></li></lijst><al>Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan</al><lijst><li nr="a."><al>belangrijke telefoonnummers</al></li><li nr="b."><al>tekening waarop staat aangegeven:</al><lijst><li nr="-"><al>de situering van het sloopobject;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van de bouwkranen;</al></li><li nr="-"><al>de aan- en afvoerwegen;</al></li><li nr="-"><al>de laad-, los- en hijszones;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van de bouwketen;</al></li><li nr="-"><al>de situering van het sloopobject ten opzichte van aangrenzende wegen, bouwwerken</al></li></lijst></li></lijst><al>e.d.;</al><al>-de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle sloopwerkzaamheden, het laden en</al><al>lossen daaronder begrepen, plaatsvinden;</al><lijst><li nr="-"><al>de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige leidingen;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van ander hulpmaterieel. De schaal van deze tekening mag niet kleiner zijn</al></li></lijst><al>dan 1:1.000. (indien nodig bij detailleringen niet kleiner dan 1:100).</al><lijst><li nr="c."><al>controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de werken</al></li><li nr="d."><al>transportroutes afkomende materialen</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>