<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR60395_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Referendumverordening gemeente Middelburg 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Middelburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Middelburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Faam, 10-03-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Referendumverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-01-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-03-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>burgemeester en wethouders d.d. 15 december 2009, volgnummer 10-07</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Referendumverordening gemeente Middelburg 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Middelburg;</al><al/><al>gelet op artikel 149 Gemeentewet;</al><al/><al>gezien het voorstel van het college van 15 december 2009, volgnummer
                        10-07;</al><al/><al>besluit: </al><al/><al>vast te stellen de volgende <vet>Referendumverordening gemeente Middelburg
                            2010;</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>raadplegend referendum: een op initiatief van de raad gehouden
                                volksstemming over een mogelijk door de raad te nemen besluit of
                                over meerdere door de raad geformuleerde alternatieven voor een
                                eventueel te nemen besluit;</al></li><li nr="b."><al>kiesgerechtigden: degenen die stemrecht hebben voor de verkiezing
                                van de leden van de raad.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Toepassingsgebied</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verordening geeft regels voor het houden van een niet-correctief
                            raadplegend referendum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een referendum wordt alleen gehouden over een besluit dat naar het
                            oordeel van de raad ingrijpende gevolgen kan hebben voor de
                            gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een referendum wordt in ieder geval niet gehouden over:</al><lijst><li nr="a."><al>een besluit over individuele kwesties, zoals benoemingen,
                                    ontslagen, schorsingen, kwijtscheldingen en schenkingen;</al></li><li nr="b."><al>een besluit over de hoogte van geldelijke voorzieningen voor
                                    ambtsdragers, gewezen ambtsdragers en hun nabestaanden;</al></li><li nr="c."><al>een besluit over de vaststelling, wijziging of intrekking van de
                                    arbeidsvoorwaardenregeling en daartuit voortvloeiende besluiten
                                    met betrekking tot de griffier en de medewerkers van de
                                    griffie;</al></li><li nr="d."><al>een besluit over de vaststelling van de gemeentelijke begroting
                                    en de rekening;</al></li><li nr="e."><al>een besluit over de vaststelling van de gemeentelijke tarieven
                                    en belastingen; </al></li><li nr="f."><al>een besluit over het voor kennisgeving aannemen van notities en
                                    rapporten; </al></li><li nr="g."><al>een besluit in het kader van deze verordening; </al></li><li nr="h."><al>een besluit ter uitvoering van een besluit van een hoger
                                    bestuursorgaan of de wetgever waaromtrent de raad geen
                                    beleidsvrijheid heeft; </al></li><li nr="i."><al>een besluit dat naar het oordeel van de raad zijn grondslag
                                    vindt in een eerder genomen besluit waarover een referendum is
                                    gehouden of kon worden gehouden; of </al></li><li nr="j."><al>een besluit waarvan de raad van mening is dat andere dringende
                                    redenen aanleiding zijn om geen referendum te houden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een referendum wordt gehouden onder de kiesgerechtigden van het hele
                            grondgebied van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Niet-correctief raadplegend referendum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan besluiten tot het houden van een niet-correctief raadplegend
                            referendum over een mogelijk te nemen besluit of over meerdere door de
                            raad geformuleerde alternatieven voor een eventueel te nemen
                            besluit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan besluiten het vaststellen van de vraagstelling van het
                            referendum op te dragen aan de referendumcommissie als bedoeld in
                            artikel 4.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad maakt het in het eerste lid bedoelde besluit zo spoedig mogelijk
                            algemeen bekend op de in de gemeente gebruikelijke wijze. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Samenstelling referendumcommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt een onafhankelijke referendumcommissie in ter uitvoering
                            van de in artikel 5 genoemde taken, genaamd de Referendumcommissie,
                            hierna verder aan te duiden als “commissie”.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad benoemt en ontslaat de leden van de commissie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie bestaat uit drie leden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het lidmaatschap van de commissie is onverenigbaar met het lidmaatschap
                            van de raad, met het ambt van burgemeester of wethouder en met een
                            dienstverband bij de gemeente Middelburg.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Aftredende leden
                            kunnen worden herbenoemd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De leden kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij die aftreden of
                            ontslag hebben genomen blijven hun functie waarnemen totdat in hun
                            opvolging is voorzien. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De commissie kiest uit haar midden een voorzitter en bepaalt haar eigen
                            werkwijze.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De raad benoemt op voordracht van het college een ambtelijk secretaris.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Taken referendumcommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie heeft tot taak:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad te adviseren over de toepassing van artikel 2;</al></li><li nr="b."><al>de raad een voorstel te doen voor de vraagstelling van een
                                    referendum of, indien de raad daartoe heeft besloten, de
                                    vraagstelling vast te stellen;</al></li><li nr="c."><al>toezicht te houden op de uitvoering van de verordening en de
                                    organisatie van het referendum;</al></li><li nr="d."><al>toezicht te houden op de objectiviteit van de door de gemeente
                                    te verstrekken voorlichting; en</al></li><li nr="e."><al>de raad te adviseren over de evaluatie van gehouden
                                    referenda.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie adviseert voorts gevraagd en ongevraagd over aanpassingen
                            van deze verordening, over de bij referenda te volgen procedure en over
                            alle overige zaken die het referendum betreffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De adviezen van de commissie zijn openbaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Datum, vraagstelling en procedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt tegelijk met het besluit om een referendum te houden, of
                            zo spoedig mogelijk daarna, gehoord het college, de dag vast waarop het
                            referendum wordt gehouden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het raadplegend referendum wordt aan de stemgerechtigden gevraagd of
                            zij voor of tegen een mogelijk door de raad te nemen besluit zijn, dan
                            wel wordt aan hen de keuze uit een aantal alternatieven voorgelegd. Bij
                            de keuze uit meerdere alternatieven wordt duidelijk aangegeven hoe de
                            uitslag wordt vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een referendum met een keuze uit meerdere alternatieven kan de raad
                            besluiten tot het houden van een tweede stemronde over de twee varianten
                            met de meeste stemmen. Op een tweede stemronde zijn de bepalingen van
                            deze verordening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is verantwoordelijk voor de organisatie van het referendum
                            en de communicatie. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bepalingen van de Kieswet en het Kiesbesluit zijn op de gang van
                            zaken bij het referendum van overeenkomstige toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Geldigheid van de uitslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het referendum is geldig, indien het aantal geldig uitgebrachte stemmen
                            meer bedraagt dan 30% van het aantal kiesgerechtigden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitslag van het referendum wordt berekend op basis van de gewone
                            meerderheid van het totale aantal uitgebrachte geldige stemmen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Besluit naar aanleiding van de
                            referendumuitslag</titel></kop><al>De raad neemt zo mogelijk in de eerstvolgende vergadering na het houden van
                        een referendum dan wel na het houden van de tweede stemronde, en anders in
                        de daarop volgende vergadering, een definitief besluit. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Budget</titel></kop><al>De raad stelt een budget beschikbaar voor de organisatie van een
                        referendum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Strafbepalingen</titel></kop><al>Met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de
                        tweede categorie wordt gestraft degene die:</al><lijst><li nr="a."><al>stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen namaakt of vervalst
                                met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door
                                anderen te doen gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen die hij zelf heeft
                                nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen
                                hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst
                                gebruikt of door anderen doet gebruiken, dan wel deze met het
                                oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen
                                te doen gebruiken, in voorraad heeft met het oogmerk deze
                                wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;</al></li><li nr="c."><al>als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is
                                overleden;</al></li><li nr="d."><al>bij een verkiezing door gift of belofte een kiezer omkoopt om
                                volmacht te geven tot het uitbrengen van zijn stem;</al></li><li nr="e."><al>stelselmatig personen aanspreekt of anderszins persoonlijk benadert
                                ten einde hen te bewegen het formulier op hun oproepingskaart,
                                bestemd voor het stemmen bij volmacht, te ondertekenen en deze kaart
                                af te geven. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij is
                        bekendgemaakt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Referendumverordening.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 januari 2010.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier, </ondertekening><ondertekening>mr. J.M. Schouwenaar E.T. Israël</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Publicatie: 10 maart 2010</ondertekening><ondertekening>Inwerkingtreding: 11 maart 2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Publicatie: 10 maart 2010</ondertekening><ondertekening>Inwerkingtreding: 11 maart 2010</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop kopopmaak="cur"><titel>Toelichting op de Referendumverordening</titel></kop><al/><tussenkop>A. ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><al>Het is een vrije keuze van de raad om een referendumverordening vast te stellen,
                    of te kiezen voor andere methoden om burgers te betrekken bij de lokale
                    besluitvorming. De bevoegdheid van de raad om een referendumverordening vast te
                    stellen vloeit voort uit artikel 149 van de Gemeentewet. Deze bepaling geeft de
                    raad een autonome verordenende bevoegdheid om een referendum te organiseren over
                    een te nemen of genomen besluit. Binnen de randvoorwaarden die de Grondwet en
                    Gemeentewet stellen, staat het gemeenten vrij om hieraan invulling te geven. </al><al/><al>Deze randvoorwaarden zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>Het is de gemeenteraad die per geval beslist of een referendum wordt
                            gehouden;</al></li><li nr="·"><al>Ieder raadslid beslist individueel in hoeverre hij zich aan de uitslag
                            van het referendum gebonden zal achten;</al></li><li nr="·"><al>De gemeenteraad neemt een definitief besluit over het onderwerp van het
                            referendum, nadat het referendum is gehouden. Een referendum kan dus
                            nooit bindend zijn. </al></li></lijst><al/><al>Bij het vaststellen van een referendumverordening moet een keuze worden gemaakt
                    voor één of meer van de verschillende soorten van referenda. De meest
                    gebruikelijke en in Nederland voorkomende soorten zijn de volgende. De raad kan
                    besluiten tot het houden van een referendum. Dit wordt een
                            <vet><cursief>raadplegend referendum</cursief></vet> genoemd. De
                    tegenhanger hiervan is dat burgers het initiatief nemen tot het houden van een
                    referendum. In dat geval wordt gesproken van een <vet><cursief>raadgevend
                            referendum.</cursief></vet> Zowel bij een raadplegend als bij een
                    raadgevend referendum kan worden gekozen voor een correctief of een
                    niet-correctief referendum. Een <vet><cursief>correctief
                        referendum</cursief></vet> gaat over een genomen besluit (waarvan de
                    uitvoering is opgeschort), een <vet><cursief>niet-correctief
                            referendum</cursief></vet> gaat over het voornemen een besluit te nemen.
                    Theoretisch bestaat er nog het <vet><cursief>bindend referendum</cursief></vet>.
                    Deze referendumvorm, waarbij de raad verplicht zou zijn de uitslag van het
                    referendum op te volgen, is in Nederland juridisch niet toegestaan omdat de
                    Grondwet en de Gemeentewet dit niet toelaten. </al><al/><al>De VNG heeft in mei 2009 een nieuwe modelreferendumverordening aangeboden aan de
                    gemeenten. Deze modelverordening bevat alleen een regeling voor een referendum
                    op initiatief van de bevolking, een raadgevend referendum. Voor dit model is
                    gekozen, aldus de VNG, omdat dit doorgaans als meest zuivere vorm van een
                    referendum wordt gezien. Burgers krijgen hiermee de mogelijkheid om aan de
                    noodrem te trekken indien hun politieke vertegenwoordigers een besluit hebben
                    genomen dat in hun ogen verkeerd is. Burgers kunnen het initiatief nemen voor
                    het houden van een referendum door middel van het verzamelen van handtekeningen. </al><al>Een referendum op initiatief van de raad heeft een heel ander karakter. De raad
                    beschikt over diverse andere mogelijkheden om de burgers om advies te vragen,
                    zoals de officiële inspraak (Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure),
                    interactief beleid, inspraakavonden, enquetes, internetpanels en buurtbezoeken.
                    Doordat de raad, als besluitvormend orgaan, bepaalt wanneer burgers door middel
                    van een referendum bij de besluitvorming worden betrokken, is sprake van een
                    machtsrelatie. Daarnaast zou toepassing van een correctief raadplegend
                    referendum ertoe kunnen leiden dat de volksvertegenwoordiging zich onttrekt aan
                    het nemen van moeilijke beslissingen, aldus de VNG. Daarom voorziet de
                    modelverordening van de VNG uitsluitend in een raadgevend referendum. </al><al/><al>Naar schatting heeft 10% van de Nederlandse gemeenten een referendumverordening
                    vastgesteld. Veel van deze gemeenten hebben daarin alleen een raadplegend
                    referendum of zowel een raadgevend als een raadplegend referendum mogelijk
                    gemaakt. Een steekproefsgewijze vergelijking van een aantal vigerende
                    referendumverordeningen laat verder een grote verscheidenheid zien bij de
                    vormgeving van het referendum.</al><al/><al>In de Middelburgse verordening wordt overeenkomstig de wens van de raad een
                            <vet><cursief>niet-correctief</cursief></vet>, <vet><cursief>raadplegend
                            referendum</cursief></vet> mogelijk gemaakt. In deze verordening diende
                    volgens de aanbevelingen van de raad in ieder geval het volgende te worden
                    geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>een significant opkomstpercentage voor een geldige uitslag (50% of
                            meer);</al></li><li nr="b."><al>Mate van binding (afhankelijk van de hoogte van de opkomst);</al></li><li nr="c."><al>Instellen van een externe commissie ter voorbereiding van het
                            referendum;</al></li><li nr="d."><al>De keuze dat de raad deze commissie mandaat geeft om de vraagstelling
                            zonder verdere tussenkomst van de raad aan de bevolking voor te leggen.
                        </al></li></lijst><al>Verder heeft de raad aanbevolen de vraagstelling in principe te beperken tot een
                    enkelvoudige vraag met “voor” of “tegen” of een keuze uit 2 mogelijkheden. </al><al>Ook diende ruimte te worden gelaten voor een procedure met meer varianten,
                    waarbij in een tweede stemronde de twee varianten met de meeste stemmen aan de
                    bevolking kunnen worden voorgelegd. </al><al/><al>Het nu voorliggende voorstel tot het vaststellen van een referendumverordening
                    is gebaseerd op de aanbevelingen van de raad. Daarbij merken wij het volgende op
                    over de hierboven onder a tot en met d genoemde aanbevelingen. </al><al>Ad a: Wanneer is een referendum geldig? Vrij veel gemeenten kiezen voor een
                    stelsel waarbij een bepaald opkomstpercentage als voorwaarde wordt geformuleerd.
                    Soms wordt er ook voor gekozen het referendum altijd, ongeacht de opkomst, als
                    geldig te beschouwen (bijvoorbeeld gemeente Vianen). Het percentage van 30%
                    lijkt het meeste voor te komen. Volgens het kennisinstituut Nicis wordt de
                    hoogste opkomst doorgaans bereikt bij referenda over herindeling/annexatie
                    (gemiddeld 70%) en ligt de gemiddelde opkomst iets onder de 50%. Gelet op dit
                    laatste en in samenhang met het hierna gestelde onder b, is in de verordening
                    het vaak gehanteerde percentage van 30% opgenomen. </al><al>Ad b: De Grondwet en Gemeentewet staan een bindend referendum niet toe. Er wordt
                    zonder last gestemd en de raad kan zich dus in staatsrechtelijke zin niet vooraf
                    aan de uitslag binden. </al><al>Ad c: Dit is geregeld in de verordening.</al><al>Ad d: Dit is geregeld in de verordening. </al><al/><tussenkop>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Toepassingsgebied</tussenkop><al>Alleen concept besluiten van de raad kunnen onderwerp van een referendum zijn.
                    De besluiten genomen door het college of door de burgemeester zijn niet
                    referendabel (op grond van deze verordening, deze bestuursorganen kunnen
                    desgewenst zelf een referendumregeling opstellen). Een aantal onderwerpen
                    waarover de raad een besluit kan nemen, leent zich minder goed voor een
                    referendum. In deze verordening is een lijst met uitzonderingen opgenomen
                    overeenkomstig de modelreferendumverordening van de VNG. Deze lijst is gebaseerd
                    op ervaringen van onder meer de Tijdelijke referendumwet en autonome
                    gemeentelijke verordeningen. Enerzijds dient voorkomen te worden dat de
                    verordening een leeg instrument wordt waarbij het praktisch onmogelijk wordt een
                    referendum te organiseren. Anderzijds is het voor de burger belangrijk dat
                    duidelijk is over welke besluiten geen referendum kan worden gehouden. </al><al/><al>De algemene uitzonderingsgrond benadrukt en garandeert de beoordelingsvrijheid
                    van de raad. Deze uitzonderingsgrond kan bijvoorbeeld toegepast worden indien er
                    over het onderwerp al een Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure is of wordt
                    gevolgd, of in het geval van korte termijnen waarop het besluit genomen moet
                    worden of de mogelijkheid van grote financiele claims. </al><al/><tussenkop>Artikel 3 Niet-correctief raadplegend
                    referendum</tussenkop><al>De raad heeft ervoor gekozen een niet-correctief raadplegend referendum mogelijk
                    te maken. De raad kan zelf het initiatief nemen tot het houden van een
                    referendum. De raad beslist over het houden van een referendum bij gewone
                    meerderheid. Artikel 30 Gemeentewet luidt immers: “voor het tot stand komen van
                    een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een
                    stem uitbrengen.” Eventueel kan de raad het vaststellen van de vraag en de
                    antwoordmogelijkheden opdragen aan de commissie.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 en 5 De referendumcommissie</tussenkop><al>In het geval er een referendum wordt gehouden is het raadzaam dat er een
                    referendumcommissie wordt ingesteld. Om de onafhankelijkheid van de commissie te
                    benadrukken, verdient het de voorkeur dat er geen raadsleden in deze commissie
                    worden benoemd. De commissie heeft o.a. tot taak: formulering van vraagstelling
                    en antwoordcategorieen; toezicht op de organisatie van het referendum; toezicht
                    op de objectiviteit van de voorlichting. Bij dit laatste kan bijvoorbeeld
                    gedacht worden aan een folder waarin argumenten pro en contra worden genoemd.
                    Tevens is de commissie verantwoordelijk voor de evaluatie van gehouden
                    referenda. Deze taak is een logisch gevolg van de toezichthoudende taak bij het
                    hele referendumproces. </al><al/><al>Bij de referendumcommissie kunnen klachten binnen komen over de uitvoering. Zij
                    zendt de klachten door naar het bestuursorgaan dat het aangaat. Zij kan de
                    klachten wel verwerken in haar evaluatieopdracht. De commissie is geen formele
                    klachtencommissie. </al><al/><tussenkop>Artikel 6 Datum, vraagstelling en procedure</tussenkop><al>Het vaststellen van de datum waarop het referendum zal worden gehouden is
                    voorbehouden aan de raad. Van belang is dat er voldoende tijd is om het
                    referendum te organiseren (stemlokalen huren, bemensing stembureaus, drukwerk
                    etc.) en dat er enige ruimte is om vakantie perioden (juli/augustus,
                    december/januari) te overbruggen omdat deze niet geschikt zijn voor het houden
                    van een referendum. Het ligt voor de hand dat het advies van het college op
                    dergelijke zaken ziet. De datum kan vallen op een dag waarop tevens andere
                    verkiezingen worden gehouden, maar dat hoeft niet het geval te zijn. Het
                    combineren van verkiezingen is praktisch omdat de kiesgerechtigden niet twee
                    maal naar de stembus hoeven te komen. Ook zorgt een combinatie doorgaans voor
                    een hogere opkomst en voor een reductie in de kosten van een referendum.
                    Uiteraard kunnen er ook meerdere referenda op dezelfde dag plaatsvinden.</al><al/><al>De raad beslist of, hoe en wanneer een referendum wordt gehouden en stelt ook de
                    vraagstelling, inclusief de antwoordmogelijkheden vast. Daarbij kan hij zich
                    laten adviseren door de commissie. Bij de antwoordmogelijkheden kan het gaan
                    om:</al><al>“ja” of “nee”;</al><al>een keuze uit alternatieven;</al><al>een combinatie van deze twee mogelijkheden. </al><al/><al>Het feit dat het college is belast met de uitvoering, volgt uit de Gemeentewet
                    (artikel 160, eerste lid onder b). </al><al/><al>Het ligt voor de hand om voor de procedures rond de stemming aan te sluiten bij
                    de gang van zaken bij de raadsverkiezingen en dit niet allemaal opnieuw per
                    verordening te regelen. Vandaar dat de Kieswet en het Kiesbesluit van
                    overeenkomstige toepassing zijn. Dit omvat het hele proces van de termijn waarop
                    bij de kiesgerechtigden de oproepkaart/stempas voor het referendum bezorgd dient
                    te zijn als de werkwijze in het stembureau en de vaststelling en bekendmaking
                    van de uitslag. </al><al/><tussenkop>Artikel 7 Geldigheid van de uitslag</tussenkop><al>De raad is natuurlijk vrij om elke uitkomst van het referendum en dus ook elke
                    opkomst mee te laten wegen in haar uiteindelijke besluit. Het referendum is
                    immers één van de informatiebronnen voor de raad. Aangezien een referendum een
                    belangrijke informatiebron is en het houden van een referendum verwachtingen
                    wekt bij de kiesgerechtigden is er een “kiesdrempel” ingesteld. Als derhalve
                    minimaal 30% van de kiesgerechtigden meedoet aan de stemming moet de raad nog
                    zorgvuldiger met de uitkomst omgaan dan hij wellicht anders ook al had gedaan. </al><al/><tussenkop>Artikel 8 Besluit naar aanleiding van de
                    referendumuitslag</tussenkop><al>De raad neemt, zo mogelijk in de eerste vergadering nadat de uitslag van het
                    referendum bekend is, een besluit over het onderwerp, om zo snel mogelijk
                    duidelijkheid te kunnen bieden aan de burgers. De raad kan zich niet vooraf
                    binden aan de uitslag van het referendum. Wel is het mogelijk dat individuele
                    raadsleden, wanneer zij dat zelf wenselijk achten, vooraf te kennen geven welke
                    consequenties zij aan een uitslag verbinden. Een dergelijke uitspraak is
                    juridisch gezien niet bindend, maar kan wel politieke gevolgen hebben. </al><al/><tussenkop>Artikel 9 Budget</tussenkop><al>Het organiseren van een referendum brengt aanzienlijke kosten met zich mee.
                    Hiermee moet dus van te voren rekening worden gehouden. De besteding van het
                    budget kan worden overgelaten aan het college aan wie de uitvoering van het
                    raadsbesluit tot het houden van een referendum is opgedragen. </al><al/><tussenkop>Artikelen 10, 11 en 12</tussenkop><al>Deze artikelen spreken voor zich. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>