<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR60287_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Leusden</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Leusden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Leusder Krant, Onbekend.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Leusden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=102">Wet op het Primair Onderwijs, art. 102 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-09-25</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2003-10-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2003-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2003/3598</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum inwerkingtreding is bij benadering vastgesteld.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a"><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en
                                        Wetenschappen;</al></li><li nr="b"><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs">Wet op het primair onderwijs</extref>, bekostigde
                                        openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk
                                        gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                                        grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c"><al>school: school voor basisonderwijs;</al></li><li nr="d"><al>school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale
                                        school voor basisonderwijs als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs/article=1">artikel 1 van de Wet op het primair
                                        onderwijs</extref>;</al></li><li nr="e"><al>nevenvestiging: deel van een school voor basisonderwijs dat
                                        door de minister ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs/article=85">artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs</extref>
                                        voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="f"><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                        bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="g"><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="h"><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                        vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                        bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="i"><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor
                                        bekostiging van een voorziening of om bekostiging van
                                        bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel
                                        25 van deze verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="j"><al>aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om
                                        bekostiging van de kosten van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="k"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in
                                        de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als
                                        bedoeld in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of
                                        langer noodzakelijk is;</al></li><li nr="l"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in
                                        de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als
                                        bedoeld in bijlage II van deze verordening, niet langer dan
                                        15 jaren noodzakelijk is;</al></li><li nr="m"><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het
                                        ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten
                                        minste 60 jaren als volwaardige huisvesting voor het
                                        onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="n"><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                        ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten
                                        minste 15 jaren als volwaardige huisvesting voor het
                                        onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="o"><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs
                                        in lichamelijke oefening;</al></li><li nr="p"><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over
                                        de vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid
                                        van richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in
                                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs/article=95">artikel 95 van de Wet op het primair
                                        onderwijs</extref>;</al></li><li nr="q"><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden,
                                        niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van
                                        culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al></li><li nr="r"><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs/article=110">artikel 110 Wet op het primair onderwijs</extref>;</al></li><li nr="s"><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van
                                        gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs/article=110">artikel 110 tweede lid van de Wet op het primair
                                            onderwijs</extref>;</al></li><li nr="t"><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs/article=110">artikel 110 van de Wet op het primair
                                            onderwijs</extref>.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende
                                voorzieningen onderscheiden:</al><lijst><li nr="a"><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                        voorzieningen bestaande uit: </al><lijst><li nr="1"><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                                rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                                nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van
                                                een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan
                                                niet op dezelfde locatie;</al></li><li nr="2"><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                                gehuisvest;</al></li><li nr="3"><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een
                                                bestaand gebouw ten behoeve van de huisvesting van
                                                een school;</al></li><li nr="4"><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen
                                                ten behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="5"><al>terrein voor zover benodigd voor de realisering van
                                                een onder a sub 1 tot en met 4 omschreven
                                                voorziening;</al></li><li nr="6"><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                                hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor
                                                bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking
                                                is gebracht;</al></li><li nr="7"><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet
                                                eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege
                                                in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="8"><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                                gebouw dat al bij een andere school in gebruik is,
                                                waaronder begrepen een gymnastiekruimte;</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer
                                        activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="c"><al>onderhoud aan gebouwen voor basisonderwijs bestaande uit een
                                        of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="d"><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                        gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf,
                                        alsmede uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet
                                        manifest geworden materiële schade onmiddellijk
                                        voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                                        wanprestatie;</al></li><li nr="e"><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                        onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair
                                        ingeval van bijzondere omstandigheden;</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a., 1
                                en 2 kan een aanvraag worden ingediend voor een bekostiging van
                                bouwvoorbereiding. Hierbij is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                                toepassing.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Bij toekenning van een van de in artikel 2 genoemde
                                        voorzieningen, of bij toekenning van bekostiging van
                                        bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3, wordt bij de
                                        wijze van vaststelling van de hoogte van de vergoeding een
                                        onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en
                                        bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                        geval.</al></li><li nr="2"><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                        inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De
                                        vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke
                                        kosten worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde
                                        in bijlage IV, deel B.</al></li><li nr="3"><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen
                                        als bedoeld in artikel 2, onder a., onderdelen 1, 2, 3, 6 en
                                        8 voor zover het medegebruik van ruimte voor onderwijs in
                                        lichamelijke oefening betreft, en onder c;</al></li><li nr=""><al>Deel B van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen
                                        als bedoeld in artikel 2, die niet in de vorige volzin zijn
                                        genoemd. Dit geldt ook wanneer dit van toepassing is op de
                                        kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 5 Informatieverstrekking</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                        noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in
                                        deze verordening.</al></li><li nr=""><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een
                                        door het college vastgesteld formulier.</al></li><li nr="2"><al>De in het eerste lid bedoelde gegevens worden onderscheiden
                                        in: </al><lijst><li nr="a"><al>basisgegevens, zijnde gegevens die eenmalig in hun
                                                geheel worden verstrekt en vervolgens alleen in
                                                geval van wijziging worden gemeld bij het
                                                college;</al></li><li nr="b"><al>periodieke gegevens, zijnde gegevens die regelmatig
                                                door het bevoegd gezag dienen te worden
                                                verstrekt.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>De in het tweede lid onder a genoemde basisgegevens
                                        omvatten: </al><lijst><li nr="1"><al>gegevens over het bevoegd gezag, bestaande uit naam,
                                                adres, denominatie en vestigingsplaats, alsmede een
                                                opgave van een contactpersoon inzake aangelegenheden
                                                aangaande de huisvesting;</al></li><li nr="2"><al>gegevens over de onder het beheer van het bevoegd
                                                gezag staande school of scholen die geheel of
                                                gedeeltelijk gehuisvest zijn in een gebouw gelegen
                                                in de gemeente, bestaande uit het Brinnummer, naam,
                                                adres, onderwijssoort en eventuele
                                                onderwijsafdelingen en, voor zover van toepassing,
                                                de aanduiding of de school bestaat uit een
                                                hoofdvestiging met een of meer
                                                nevenvestigingen;</al></li><li nr="3"><al>gegevens over de bij de school of nevenvestiging in
                                                gebruik zijnde gebouwen gespecificeerd per gebouw,
                                                bestaande uit: </al><lijst><li nr="–"><al>het adres;</al></li><li nr="–"><al>de status van het gebouw zijnde hoofdgebouw of
                                                  dislocatie;</al></li><li nr="–"><al>de bouwaard zijnde permanent of
                                                  noodlokaal;</al></li><li nr="–"><al>het bouwjaar zijnde het oorspronkelijk
                                                  bouwjaar of, ingeval het gebouw bestaat uit in
                                                  verschillende jaren gebouwde delen, de bouwjaren
                                                  onderscheiden naar gebouwdeel met de daarbij
                                                  behorende bruto vloeroppervlakte;</al></li><li nr="–"><al>de bruto vloeroppervlakte van het gebouw
                                                  uitgedrukt in m2;</al></li><li nr="–"><al>de genormeerde en feitelijke capaciteit van
                                                  het gebouw voor zover bestemd voor het
                                                  basisonderwijs, te bepalen aan de hand van het
                                                  gestelde in bijlage III, deel A en B;</al></li></lijst></li><li nr="4"><al>gegevens over de omvang van het medegebruik
                                                uitgedrukt in het aantal groepen, voor zover het
                                                basisonderwijs betreft, te verstrekken door de
                                                hoofdgebruiker van het gebouw waarin het medegebruik
                                                plaatsvindt;</al></li></lijst></li><li nr="4"><al>De in het tweede lid onder b genoemde periodieke gegevens
                                        omvatten: </al><lijst><li nr="1"><al>een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de
                                                minister van het aantal leerlingen dat op de
                                                wettelijk teldatum staat ingeschreven op de school,
                                                die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een
                                                gebouw gelegen op het grondgebied van de
                                                gemeente;</al></li><li nr="2"><al>een afschrift van een tussentijdse opgave aan de
                                                minister van het aantal leerlingen dat staat
                                                ingeschreven op de school in verband met een groei
                                                van het aantal leerlingen;</al></li><li nr="3"><al>indien de school gedeeltelijk is gehuisvest in een
                                                of meer locaties op het grondgebied van de gemeente,
                                                een opgave van het aantal leerlingen op de
                                                wettelijke teldatum per locatie.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>De onder 1 en 2 vermelde gegevens worden door het bevoegd
                                        gezag tegelijkertijd met de opgave aan de minister verstrekt
                                        aan het college. De in het derde lid vermelde gegevens
                                        worden door het bevoegd gezag gevoegd bij de jaarlijkse
                                        opgave als bedoeld onder 1.</al></li><li nr="5"><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs
                                        verstrekt jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het
                                        volgende schooljaar een opgave van de voor dat schooljaar
                                        voor de school gewenste onderwijsgebruik van een
                                        gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="1"><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik
                                                uitgedrukt in een aantal klokuren;</al></li><li nr="2"><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of ruimten
                                                waarin het gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="3"><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                                schoolweek wordt gewenst.</al></li></lijst></li><li nr="6"><al>In aanvulling op de in het eerste tot en met vijfde lid
                                        bedoelde gegevens verstrekken de bevoegde gezagsorganen op
                                        verzoek van het college alle inlichtingen die nodig zijn
                                        voor de uitvoering van deze verordening. Hieronder kunnen in
                                        ieder geval zijn begrepen: </al><lijst><li nr="1"><al>een oordeel over de juistheid en volledigheid van
                                                door het college voorgelegde gegevens die betrekking
                                                hebben op het bevoegd gezag;</al></li><li nr="2"><al>inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het opmaken
                                                van de staat van het onderhoud als bedoeld in
                                                artikel 37.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2 Programma en overzicht</titel></kop><afdeling><kop><titel>Paragraaf 2.1 Aanvragen programma</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 6 Indiening aanvraag</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Een aanvraag voor opneming van een voorziening op het
                                        programma wordt voor 1 februari van het jaar van
                                        vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd
                                        gezag ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik
                                        gemaakt van een door burgemeester en wethouders vastgesteld
                                        aanvraagformulier.</al></li><li nr="2"><al>Indien de aanvraag niet voor 1 februari is ingediend,
                                        besluit het college de aanvraag niet te behandelen. Het
                                        besluit de aanvraag niet te behandelen wordt aan de
                                        aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken na ontvangst van
                                        de ingediende aanvraag.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag;
                                niet behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval: </al><lijst><li nr="a"><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b"><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c"><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing,
                                                het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                                bestemd;</al></li><li nr="d"><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e"><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening;</al></li><li nr="f"><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat
                                        de aanvraag vergezeld van: </al><lijst><li nr="a"><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen
                                                6 tot en met 8 en artikel 2, onder d, en e;</al></li><li nr="b"><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een
                                                voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder
                                                a, onderdelen 1 tot en met 4;</al></li><li nr="c"><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak
                                                blijkt indien het een voorziening betreft bestaande
                                                uit nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging
                                                van een gebouw, uit onderhoud aan een gebouw voor
                                                basisonderwijs of uit herstel van een
                                                constructiefout;</al></li><li nr="d"><al>een begroting van de kosten gemoeid met de
                                                uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag
                                                betrekking heeft op een voorziening waarop het
                                                gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van
                                                toepassing is;</al></li><li nr="e"><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en
                                                bouwbegroting, indien de aanvraag volgt op een
                                                toekenning van een vergoeding van de kosten van
                                                bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>Bij de rapportage als bedoeld onder c wordt gebruik gemaakt
                                        van het door de raad vastgestelde formulier 'Bouwkundige
                                        opname'.</al></li><li nr="3"><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in
                                        het eerste of tweede lid deelt het college dit voor 15
                                        februari schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de
                                        aanvrager in de gelegenheid gesteld voor 15 maart de
                                        ontbrekende gegevens aan te vullen.</al></li><li nr=""><al>Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet
                                        heeft verstrekt voor 15 maart, besluiten burgemeester en
                                        wethouders de aanvraag niet te behandelen.</al></li><li nr="4"><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        betrekking heeft op een voorziening voor een school waarvan
                                        de beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het
                                        aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke
                                        teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd
                                        in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager onverwijld aan het
                                        college een afschrift van de opgave als bedoeld in artikel
                                        5, vierde lid onder 1. Indien het afschrift niet binnen een
                                        week na het tijdstip van de wettelijke teldatum is
                                        ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                        aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid
                                        gesteld het afschrift van de opgave alsnog binnen drie dagen
                                        na de datum van ontvangst van de mededeling in te dienen.
                                        Indien het afschrift van de opgave niet binnen de termijn
                                        bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, besluit het
                                        college de aanvraag niet te behandelen.</al></li><li nr="5"><al>Een besluit om ingevolge het derde lid de aanvraag niet te
                                        behandelen wordt aan de aanvrager bekend gemaakt binnen vier
                                        weken na het verstrijken van de daarin genoemde termijn. Een
                                        besluit om ingevolge het vierde lid de aanvraag niet te
                                        behandelen wordt binnen vier weken na het nemen van de
                                        daarin genoemde beslissing bekend gemaakt aan de
                                        aanvrager.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><structuurtekst><al>Het college verstrekt ter informatie aan de bevoegde gezagsorganen
                                een opgave van de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende
                                aanvragen. Voor zover van toepassing geven het college daarbij aan
                                welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden genomen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                begroting</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Na het in behandeling nemen van een aanvraag door het
                                        college, kan de aanvraag voor 1 mei volgend op de datum als
                                        genoemd in artikel 6, door de aanvrager nader worden
                                        toegelicht. De toelichting kan plaatsvinden op verzoek van
                                        de aanvrager of op verzoek van het college.</al></li><li nr="2"><al>Indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het
                                        gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van
                                        toepassing is, treedt het college voor de in het eerste lid
                                        genoemde datum in overleg met de aanvrager indien het
                                        college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                        begroting van de kosten dient te worden aangepast. Wanneer
                                        in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de
                                        hoogte van het geraamde bedrag dan geeft het college dat,
                                        onder vermelding van de redenen, aan in het voorstel tot
                                        vaststelling van het bedrag, het programma en het overzicht
                                        als bedoeld in paragraaf 2.3.</al></li><li nr="2"><al>Het college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het
                                        geraamde bedrag aan waarvan voor de aangevraagde voorziening
                                        wordt uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in
                                        paragraaf 2.3.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies
                                Onderwijsraad</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Alvorens het college een besluit neemt met betrekking tot
                                        het programma en het overzicht, worden de bevoegde
                                        gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun
                                        zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar
                                        voren te brengen.</al></li><li nr="2"><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor
                                        15 september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste
                                        twee weken voor de door het college vastgestelde datum
                                        schriftelijk daarvan in kennis gesteld. Zij worden hierbij
                                        tevens in kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het
                                        voorstel.</al></li><li nr="3"><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede
                                        lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken
                                        aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het
                                        overleg hiervan in kennis.</al></li><li nr="4"><al>Van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar
                                        voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende,
                                        schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie
                                        van burgemeester en wethouders op deze zienswijzen, wordt
                                        door het college een verslag gemaakt. Het verslag wordt
                                        toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen en wordt gevoegd
                                        bij het voorstel aan de raad.</al></li><li nr="5"><al>Indien een bevoegd gezag of het college een advies wenst van
                                        de Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                        voorgenomen inhoud van het programma in relatie tot de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, dan
                                        wordt dit door het bevoegd gezag of het college tijdens het
                                        overleg als bedoeld in het eerste lid kenbaar gemaakt. Dit
                                        gebeurt aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde
                                        omschrijving van de onderwerpen waarover het advies van de
                                        Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het
                                        verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid
                                        van richting en de vrijheid van inrichting.</al></li><li nr="6"><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden in het
                                        overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren
                                        te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad.
                                        Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar
                                        voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag
                                        van het overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="7"><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgen zij ervoor dat
                                        de Onderwijsraad alle stukken, waaronder het schriftelijk
                                        verslag van het overleg met de daarin opgenomen zienswijzen,
                                        ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het
                                        verzoek.</al></li><li nr="8"><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel
                                        of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad
                                        zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college bij de toezending van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader
                                        overleg.</al></li><li nr=""><al>In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                        bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                        noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending
                                        van het afschrift van het advies van de Onderwijsraad.</al></li><li nr="9"><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                        twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                        Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college
                                        informeert de raad over dit overleg in de vorm van een
                                        aanvulling op het verslag als bedoeld in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 2.3 Vaststelling bekostigingsplafond, programma en
                                overzicht</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 11 Tijdstip vaststelling</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast dat
                                        beschikbaar is voor de vergoeding van de aangevraagde
                                        voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst
                                        in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort en/of per
                                        voorziening. Tevens worden het programma en het overzicht
                                        door het college vastgesteld.</al></li><li nr="2"><al>Indien de gemeentebegroting niet uiterlijk op 31 december
                                        wordt vastgesteld van het jaar waarin de datum genoemd in
                                        artikel 6 valt, dan worden het bekostigingsplafond, het
                                        programma en het overzicht, afzonderlijk van de
                                        gemeentebegroting, uiterlijk op 31 december
                                        vastgesteld.</al></li><li nr="3"><al>Indien ten tijde van de vaststelling van de
                                        gemeentebegroting het bekostigingsplafond, het programma en
                                        het overzicht nog niet kunnen worden vastgesteld, dan vindt
                                        de vaststelling van het bekostigingsplafond, het programma
                                        en het overzicht plaats op uiterlijk 31 december van het
                                        jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt.</al></li><li nr="4"><al>Indien de uiterste datum als genoemd in het tweede en het
                                        derde lid voor de vaststelling van het bekostigingsplafond,
                                        het programma en het overzicht wordt overschreden, worden de
                                        aangevraagde en in behandeling genomen voorzieningen geacht
                                        voor bekostiging in aanmerking te zijn gebracht. Voor de
                                        hoogte van de bekostiging is dan het gestelde in artikel 4
                                        in samenhang met bijlage IV bepalend. De uitvoering van de
                                        voorziening geschiedt dan volgens het bepaalde in paragraaf
                                        2.4.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 12 Inhoud programma</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op
                                        het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan
                                        worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft
                                        vastgesteld dat geen van de in de wet opgenomen
                                        weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                        plaatsing op het programma. Daarbij past het college de
                                        regels toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a"><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage
                                                I;</al></li><li nr="b"><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c"><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                                bedoeld in bijlage III.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                                        voorzieningen neemt het college, aan de hand van de
                                        urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend
                                        voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of
                                        de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
                                        toereikend zijn.</al></li><li nr="2"><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan
                                        het college bij de vaststelling van het programma afwijken
                                        van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V.</al></li><li nr="3"><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                        wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                        aangegeven: </al><lijst><li nr="a"><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV,
                                                deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar
                                                wordt gesteld;</al></li><li nr="b"><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                                laatste volzin;</al></li><li nr="c"><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                                buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 13 Inhoud overzicht</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Het overzicht bevat de voorzieningen die, gelet op het
                                        bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                        zijn opgenomen.</al></li><li nr="2"><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                        voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling
                                bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                        bekostigingsplafond, het programma en het overzicht
                                        geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling
                                        door toezending door het college van de besluiten aan de
                                        aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van de
                                        besluiten door burgemeester en wethouders schriftelijk
                                        mededeling gedaan aan de overige bevoegde
                                        gezagsorganen.</al></li><li nr="2"><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden
                                        tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 2.4 Uitvoering programma</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Binnen vier weken na de datum van vaststelling van het
                                        programma treedt het college in overleg met de aanvrager
                                        over de wijze van uitvoering van de op het programma
                                        geplaatste voorziening. In dit overleg wordt alle informatie
                                        verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de
                                        voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                                        afspraken gemaakt over: </al><lijst><li nr="a"><al>het bouwheerschap als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs">wet</extref>;</al></li><li nr="b"><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                                begroting door de aanvrager;</al></li><li nr="c"><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                                inachtneming van het beschikbaar te stellen
                                                bedrag;</al></li><li nr="d"><al>de wijze waarop door het college toepassing wordt
                                                gegeven aan de toetsing van het bouwplan en de
                                                begroting, alsmede aan de toetsing in verband met
                                                wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                                omstandigheden als bedoeld in artikel 16;</al></li><li nr="e"><al>de controle op en het afleggen van verantwoording
                                                over de besteding van de beschikbaar te stellen
                                                middelen.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                        voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin, dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de
                                        aanbesteding van de uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij
                                        worden, voor zover van toepassing gezien de aard van de
                                        voorziening, de gestelde richtlijnen als bedoeld in bijlage
                                        IV, deel B in acht genomen.</al></li><li nr="3"><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het
                                        overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, wordt door
                                        het college schriftelijk vastgelegd in een verslag van het
                                        overleg en binnen vier weken na afloop van het overleg ter
                                        kennis gebracht van de aanvrager. Indien de aanvrager
                                        schriftelijk instemt met het verslag of binnen twee weken na
                                        ontvangst nog niet schriftelijk heeft gereageerd, wordt,
                                        afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag,
                                        geacht dat er overeenstemming of geen overeenstemming is
                                        bereikt.</al></li><li nr="4"><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                        16, vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                        overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                        beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                        aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="5"><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in
                                        het derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier
                                        weken nadat het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee
                                        aan de aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de
                                        bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen
                                        aanvang zal nemen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 16 Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde
                                        lid is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een
                                        bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de
                                        desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip
                                        waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                                        instemming in bij het college.</al></li><li nr="2"><al>Binnen zes weken na ontvangst beslist het college over de
                                        instemming met de bouwplannen en de desbetreffende begroting
                                        en over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan
                                        nemen. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                                        aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien
                                        niet binnen deze termijn is besloten, wordt geacht
                                        instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de
                                        begroting en vangt de bekostiging aan op het door de
                                        aanvrager aangegeven tijdstip.</al></li><li nr=""><al>Binnen twee weken na de datum van de beslissing over het
                                        bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop
                                        de bekostiging een aanvang neemt, deelt het college de
                                        beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager.</al></li><li nr="3"><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                        college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin
                                        de school verkeert ten opzichte van de feiten en
                                        omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
                                        programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een
                                        naar oordeel van het college ingrijpende wijziging van de
                                        feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet
                                        voor bekostiging in aanmerking.</al></li><li nr="4"><al>De instemming van de bouwplannen, de instemming van de
                                        begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of
                                        krachtens de wet gestelde voorschriften en de toetsing of er
                                        sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen
                                        achterwege blijven, als naar het oordeel van het college,
                                        dat niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                        programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan
                                        mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in
                                        artikel 15.</al></li><li nr="5"><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                        begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft
                                        van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin.</al></li><li nr=""><al>De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid
                                        betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan.
                                        Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="6"><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                        bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin heeft
                                        ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15,
                                        tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte
                                        offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college
                                        beslist binnen vier weken na ontvangst van de offertes over
                                        het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de
                                        uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
                                        bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen
                                        twee weken na de datum van deze beslissing hiervan
                                        schriftelijk in kennis gesteld. Voor de vaststelling van het
                                        definitieve bedrag is de offerte met de laagste
                                        prijsstelling bepalend.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 17 Aanvang bekostiging</titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang kan nemen, bepalen dat de
                                beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De
                                beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een
                                zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het
                                programma geplaatste voorziening.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt,
                                        indien niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar
                                        volgend op de vaststelling van het programma een
                                        bouwopdracht is verleend dan wel een koop-, huur- of
                                        erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift hiervan
                                        niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het college is
                                        gezonden. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is
                                        onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en
                                        de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, binnen
                                        welke het werk wordt opgeleverd.</al></li><li nr=""><al>De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn
                                        onherroepelijk. In geval van een huur- of
                                        erfpachtovereenkomst wordt daarin de datum van
                                        inwerkingtreding vermeld, alsmede de duur van de
                                        overeenkomst. In geval van een koopovereenkomst wordt daarin
                                        de datum van aankoop vermeld.</al></li><li nr="2"><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                        veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet
                                        aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1
                                        september een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft
                                        ingediend bij het college tot verlenging van de termijn als
                                        bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3"><al>Het college beslist voor 15 september over het verzoek tot
                                        verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt
                                        ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum
                                        de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt
                                        verlengd.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3 Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><afdeling><kop><titel>Paragraaf 3.1 Aanvraag</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 19 Indiening aanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>Een aanvraag om bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het colege. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 20 Inhoud aanvraag</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld
                                        in artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de
                                        aanvrager de volgende gegevens te verstrekken: </al><lijst><li nr="a"><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                                voorziening in de huisvesting spoedeisend
                                                maken;</al></li><li nr="b"><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting
                                                niet kon worden aangevraagd in het kader van een nog
                                                vast te stellen programma;</al></li><li nr="c"><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen
                                                6 tot en met 8 en artikel 2 onder d, e en f;</al></li><li nr="d"><al>een begroting van de kosten gemoeid met de
                                                uitvoering indien het een voorziening betreft als
                                                bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                                volzin.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens
                                        als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen
                                        twee weken na datum van indiening van de aanvraag
                                        schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager
                                        heeft de gelegenheid de ontbrekende gegevens binnen twee
                                        weken na ontvangst van de mededeling in te dienen bij het
                                        college. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende
                                        gegevens niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn
                                        heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te
                                        behandelen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 3.2 Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 21 Tijdstip beslissing</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                        aanvraag of binnen twaalf weken nadat de aanvullende
                                        gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.
                                        Binnen twee weken na de datum van de beslissing wordt de
                                        aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het
                                        college.</al></li><li nr="2"><al>indien een beschikking niet binnen twaalf weken kan worden
                                        gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                        noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
                                        beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 22 Inhoud beslissing</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het
                                        college heeft vastgesteld dat het treffen van de
                                        voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen
                                        uitstel kan lijden en geen van de in de wet opgenomen
                                        weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling
                                        past het college de regels toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a"><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage
                                                I;</al></li><li nr="b"><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c"><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld
                                                in bijlage III.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de
                                        gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde
                                        voorziening omvatten.</al></li><li nr="3"><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt het college
                                        welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV,
                                        deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt
                                        gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een
                                        voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college vast
                                        voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan
                                        wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn
                                        gesloten, en voor welke datum een afschrift daarvan aan het
                                        college moet zijn toegezonden. De datum waarop een
                                        bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur-,
                                        of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten ligt niet eerder
                                        dan zes maanden na de datum van de beschikking door het
                                        college.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 23 Uitvoering beslissing</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21,
                                        eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het
                                        college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over
                                        de wijze van uitvoering.</al></li><li nr=""><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij
                                        overeenkomstig van toepassing, met uitzondering van de in
                                        tweede lid van artikel 16 genoemde termijn van zes weken.
                                        Hiervoor moet worden gelezen drie weken.</al></li><li nr="2"><al>In het overleg wordt vastgesteld voor welke datum een
                                        bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                        erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum
                                        een afschrift daarvan aan burgemeester en wethouders moet
                                        zijn gezonden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                        tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                        huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                        daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                        bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht,
                                        dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het gestelde
                                        in artikel 18, eerste lid van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li><li nr="2"><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door
                                        bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn
                                        toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor
                                        het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd
                                        verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van
                                        de termijn.</al></li><li nr="3"><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op
                                        bekostiging op totdat het college op het verzoek heeft
                                        beslist. Indien het college het verzoek inwilligt, noemt het
                                        college een nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging
                                        vervalt. Indien het college het verzoek afwijst, geldt de
                                        datum van beslissing op het verzoek als vervaldatum, met
                                        dien verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke
                                        vervaldatum kan vallen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4 Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 25 Aanvraag</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te
                                        dienen voor plaatsing op het programma van een voor blijvend
                                        gebruik bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan
                                        daaraan voorafgaand een aanvraag indienen bij het college
                                        voor een bekostiging van de bouwvoorbereiding. Het betreft
                                        de voorbereiding voorafgaand aan het moment van aanbesteding
                                        van die voorziening.</al></li><li nr="2"><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar
                                        voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging gewenst
                                        wordt. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het
                                        college vastgesteld aanvraagformulier.</al></li><li nr="3"><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a"><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b"><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c"><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de
                                                vergoeding wordt gewenst;</al></li><li nr="d"><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                                gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e"><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                                voorziening;</al></li><li nr="f"><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten;</al></li><li nr="g"><al>indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een
                                                bestaand gebouw: een rapportage waaruit de
                                                bouwkundige noodzaak van de vervanging blijkt;</al></li><li nr="h"><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het
                                                eerste lid, indien de bekostiging bouwvoorbereiding
                                                is aangemerkt als een voorziening bedoeld in artikel
                                                4, derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>Bij de rapportage als bedoeld onder g wordt gebruik gemaakt
                                        van het door het college vastgestelde formulier "Bouwkundige
                                        opname".</al></li><li nr="4"><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in
                                        het derde lid, deelt het college dit voor 1 maart
                                        schriftelijk mee aan de aanvrager en stellen hem in de
                                        gelegenheid om voor 1 april de gegevens aan te vullen. Het
                                        gestelde in artikel 7, derde en vijfde lid is daarbij van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag
                                        of het overleg over de begroting is het gestelde in artikel
                                        9 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2"><al>Voordat het college besluit over de aanvraag voor
                                        bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in
                                        overleg met de aanvrager. Dit overleg over de aanvraag vindt
                                        plaats tezamen met het overleg als bedoeld in artikel 10,
                                        eerste lid. De leden twee, drie en vier van artikel 10 zijn
                                        daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 27 Beschikking op aanvraag</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Het college neemt op het tijdstip als bedoeld in artikel 11
                                        een beslissing over de aanvraag.</al></li><li nr="2"><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover: </al><lijst><li nr="a"><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de
                                                kosten van bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b"><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                                vaststaat;</al></li><li nr="c"><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in
                                                het gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in
                                                aanmerking kan worden gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, wordt in de beschikking
                                        vermeld tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding
                                        worden vergoed. Het bedrag kan in termijnen aan de aanvrager
                                        beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig
                                        tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen
                                        jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de
                                        bouwvoorbereiding, kan voldoen. Over de daadwerkelijke
                                        beschikbaarstelling van het bedrag worden afspraken gemaakt
                                        tussen aanvrager en het college.</al></li><li nr="4"><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door
                                        de aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de
                                        plaatsing van de voorziening op enig toekomstig
                                        programma.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 28 Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><structuurtekst><al>De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot toekenning van
                                een bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien door de
                                aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                                waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk gestart is met de
                                bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie is
                                verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5 Medegebruik en verhuur</titel></kop><afdeling><kop><titel>Paragraaf 5.1 Medegebruik ten behoeve van onderwijs of
                                educatie</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 29 Aanduiding omstandigheden</titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor het basisonderwijs indien:</al><lijst><li nr="a"><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b"><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c"><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de
                                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20educatie%20en%20beroepsonderwijs">Wet educatie en beroepsonderwijs</extref>, vastgesteld
                                        aan de hand van de voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze en</al></li><li nr="d"><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e"><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 30 Omschrijving leegstand</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al></li><li nr=""><al>a wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                        basisonderwijs indien uit de vergelijking van het aantal
                                        groepen zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en
                                        de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van
                                        bijlage III, deel A blijkt dat er ten minste één leslokaal
                                        niet nodig is voor de daar gevestigde school of
                                        scholen;</al></li><li nr="2"><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al></li><li nr=""><al>wanneer het betreft een gebouw dat gebruikt wordt voor
                                        basisonderwijs indien de som van het aantal klokuren gebruik
                                        dat wordt vergoed op grond van artikel 38 minder is dan 40
                                        klokuren.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                        medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het
                                        gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden
                                        in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen
                                        ten behoeve van het onderwijs aan die school of
                                        scholen.</al></li><li nr="2"><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                        het gebruik van die andere school of scholen kan
                                        plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking
                                        staande huisvestingscapaciteit.</al></li><li nr="3"><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                        wordt: </al><lijst><li nr="a"><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                                in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd
                                                gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het
                                                vorderen van leegstand in een ander gebouw een
                                                betere oplossing biedt;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw
                                                waarin een school van dezelfde richting is
                                                gehuisvest en</al></li><li nr="c"><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                                het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de
                                                school ten behoeve waarvan de vordering
                                                plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="4"><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken
                                        bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel
                                        geval van de in het derde lid opgenomen volgorde
                                        afwijken.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 32 Overleg en mededeling</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering van leegstand in een lesgebouw of
                                        gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg met het
                                        bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met
                                        het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit
                                        overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
                                        artikel 10.</al></li><li nr="2"><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                        bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk
                                        mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan
                                        gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als
                                        dat bevoegd gezag in het overleg te kennen heeft gegeven
                                        geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></li><li nr="3"><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in
                                        artikel 19, voert het college daarover zo spoedig mogelijk
                                        overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met
                                        het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd.</al></li><li nr="4"><al>Binnen twee weken na afloop van het overleg als bedoeld in
                                        het vorige lid, doet het college schriftelijk mededeling van
                                        de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                        Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd
                                        gezag in het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar
                                        tegen de vordering te hebben.</al></li><li nr="5"><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in
                                        de tweede en vierde lid, bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a"><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten
                                                behoeve waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b"><al>een aanduiding van het aantal groepen ten behoeve
                                                waarvan gevorderd wordt;</al></li><li nr="c"><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                                betrekking heeft;</al></li><li nr="d"><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten
                                                dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e"><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de
                                                ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 33 Vergoeding</titel></kop><structuurtekst><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel
                                C.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 5.2 Medegebruik ten behoeve van culturele,
                                maatschappelijke of recreatieve doeleinden</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden</titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan overgaan tot vordering indien er sprake is van
                                leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte zoals bepaald in
                                artikel 30;</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 35 Overleg en mededeling</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college
                                        overleg met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2"><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde: </al><lijst><li nr="a"><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                                wordt;</al></li><li nr="b"><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met
                                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                                school;</al></li><li nr="c"><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                                voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                                gevestigde school hinder van het medegebruik
                                                ondervindt;</al></li><li nr="d"><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd
                                                gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik
                                                is;</al></li><li nr="e"><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                                aanvang kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg doet het college
                                        schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd
                                        gezag. Indien het overleg zoals bedoeld in het eerste lid
                                        heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
                                        geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot
                                        overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de
                                        beslissing van het college over de punten waarover geen
                                        overeenstemming bestond. Indien het bevoegd gezag in het
                                        overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen
                                        de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier
                                        bedoeld worden afgezien.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 5.3 Verhuur</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 36 Toestemming van het college</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Alvorens een huurovereenkomst te sluiten, vraagt het bevoegd
                                        gezag toestemming voor de verhuur aan het college.</al></li><li nr="2"><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en
                                        bevat een aanduiding van de huurder, alsmede van de
                                        bestemming van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3"><al>Het college verleent de toestemming niet indien: </al><lijst><li nr="a"><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is
                                                met bepalingen daaromtrent uit de wet- of
                                                regelgeving;</al></li><li nr="b"><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                                school.</al></li></lijst></li><li nr="4"><al>Het college neemt binnen vier weken na ontvangst van het
                                        verzoek een besluit en zenden dat aan het bevoegd
                                        gezag.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 6 Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van
                                onderhoud</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Nadat een gebouw of terrein niet meer door het bevoegd gezag
                                        nodig is voor de huisvesting van een school wordt het
                                        gebruik van het gebouw of terrein zo spoedig mogelijk
                                        beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de door het
                                        college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                        of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij
                                        de beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van
                                        een gezamenlijke akte.</al></li><li nr="2"><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake
                                        is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein
                                        bedoeld in het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid
                                        van het bevoegd gezag behoort, wordt, voordat de
                                        eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden, een staat van
                                        onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3"><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het
                                        college na overleg met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="4"><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                        bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing,
                                        vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het
                                        bevoegd gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats
                                        daarvan aan het college betaald wordt. Indien het overleg
                                        niet tot overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke
                                        handelwijze gevolgd wordt.</al></li><li nr="5"><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege
                                        indien dit naar het oordeel van het college niet nodig
                                        is.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 7 Gebruik en vergoeding gymnastiekruimte voor
                            basisonderwijs</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 38 Omvang en bekostiging gebruik</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>De omvang van het door de gemeente bekostigde gebruik van
                                        een gymnastiekruimte door een school voor basisonderwijs is
                                        gebaseerd op het aantal klokuren per week waarin volgens het
                                        activiteitenplan door de school de gymnastiekruimte wordt
                                        gebruikt.</al></li><li nr=""><al>Voor een school voor basisonderwijs wordt het maximaal
                                        aantal klokuren dat voor bekostiging in aanmerking komt
                                        vastgesteld volgens het bepaalde in bijlage III, deel B en
                                        bedraagt ten hoogste 1,5 klokuur per week per groep
                                        leerlingen van 6 jaar en ouder.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 39 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare
                                capaciteit; inroostering gebruik</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van
                                        een gymnastiekruimte als bedoeld in artikel 5, vijfde lid
                                        wordt beschouwd als een aanvraag in de zin van artikel 19,
                                        met dien verstande dat op de afhandeling van een dergelijke
                                        aanvraag het bepaalde in dit artikel van toepassing is.</al></li><li nr="2"><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                        daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven
                                        een voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik
                                        door scholen voor basisonderwijs van de op het grondgebied
                                        van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het
                                        gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                        capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan
                                        van een capaciteit van 26 klokuren per week per
                                        gymnastiekruimte.</al></li><li nr="3"><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                        inroostering het volgende in acht: </al><lijst><li nr="a"><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                                onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals
                                                opgenomen in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b"><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel
                                                mogelijk ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></li><li nr="4"><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                        basisonderwijs de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a"><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                                ingeroosterd in een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b"><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de
                                                tijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                                plaatsvindt;</al></li><li nr="c"><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren
                                                per gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan
                                                één gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d"><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan
                                                het aantal klokuren dat ingevolge artikel 38, eerste
                                                lid voor bekostiging door de gemeente in aanmerking
                                                komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor rekening
                                                komen van het bevoegd gezag van de school.</al></li><li nr=""><al>Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in
                                                dit lid onder d slechts op in het voorstel tot
                                                inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit
                                                beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het
                                                totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door de
                                                gemeente in aanmerking komt.</al></li></lijst></li><li nr="5"><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen
                                        twee weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde
                                        gezagsorganen voor basisonderwijs.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 8 Overgangs en slotbepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 40 Beslissing door het college in gevallen waarin de
                                verordening niet voorziet</titel></kop><structuurtekst><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 41 Indexering</titel></kop><structuurtekst><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                                gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                                basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en
                                systematiek van prijsbijstelling.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 42 Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                        voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Leusden.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                        2003.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 25 september
                        2003.</ondertekening><ondertekening>De Griffier De voorzitter van de raad</ondertekening><ondertekening>Ir. T. Rolle Drs. C.G.J.M. de Vet</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</vet></al><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder – behoudens de financiële toets – de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><lijst><li nr="–"><al>deel A: lesgebouwen;</al></li><li nr="–"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al></li></lijst><al><vet>DEEL A Lesgebouwen</vet></al><al><vet>1 Basisonderwijs</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2 en 1.10 d worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van burgemeester en wethouders.</al><al>Deel 1A 1.0 is vervallen</al><al><vet>1.1 Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1"><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht
                            of</al></li><li nr="b2"><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                            vier jaren deze groepen leerlingen kunnen verwachten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen
                            zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen
                            worden verwacht of</al></li><li nr="d"><al>het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen
                            zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden
                            verwacht en</al></li><li nr="e"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al><vet>1.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen
                            geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1"><al>het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of
                            zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                            de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen
                            worden verwacht of</al></li><li nr="b2"><al>het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a"><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b"><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c"><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al><vet>1.3 Uitbreiding</vet></al><al><vet>1.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de
                            capaciteit van het gebouw of de gebouwen als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, aanwezig is;</al></li><li nr="b1"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend
                            gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen)
                            worden verwacht of</al></li><li nr="b2"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vier jaren voor een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen)
                            worden verwacht of</al></li><li nr="b3"><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet
                            voor maximaal vier jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                            realiseren, terwijl</al></li><li nr="d"><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van burgemeester
                            en wethouders, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een
                            bestaand verschil in oppervlakte tussen de feitelijk aanwezige bruto
                            oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op
                            grond van bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig een of
                            meer benodigde leslokalen te maken.</al></li></lijst><al><vet>1.3.2 Uitbreiding met een tweede speellokaal</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een tweede speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de basisschool ten minste vijf groepen jongste leerlingen
                            (van vier en vijf jaar oud) van ten minste 20 leerlingen telt en dat de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vier jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening en voor ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend
                            gebruik bestemde voorziening deze groepen leerlingen kunnen worden
                            verwacht terwijl</al></li><li nr="b"><al>voor het spelen van (een deel van) de vier- en vijfjarigen geen gebruik
                            kan worden gemaakt van een gymnastiekruimte of van een speellokaal van
                            een andere basisschool binnen 300 meter hemelsbreed.</al></li></lijst><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2"><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="c"><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="d"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders, staan
                            ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><al><vet>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a"><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c"><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van burgemeester en
                            wethouders.</al></li></lijst><al><vet>1.6 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><al><vet>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket blijkt uit het feit
                    dat de school, op grond van de meest recente teldatum, uitgebreid wordt met ten
                    minste één groep leerlingen, en voor zo’n uitbreiding in de periode vanaf 1
                    augustus 1985 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra onderwijsleerpakket,
                    indien het aantal groepen gewogen leerlingen van de school na fusie groter is
                    dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen.</al><al>De noodzaak voor een toeslag tweede speellokaal onderwijsleerpakket blijkt uit
                    het feit dat een basisschool uitgebreid wordt met een tweede speellokaal.</al><al><vet>1.8 Eerste inrichting meubilair</vet></al><al>De noodzaak voor eerste aanschaf van meubilair blijkt uit het feit dat de
                    school, op grond van de meest recente teldatum, uitgebreid wordt met ten minste
                    één groep leerlingen, en voor zo'n uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus
                    1985 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra meubilair, indien het
                    aantal groepen ongewogen leerlingen na fusie groter is dan dat van de aan de
                    fusie deelnemende scholen.</al><al>De noodzaak voor een toeslag tweede speellokaal meubilair blijkt uit het feit
                    dat een basisschool uitgebreid wordt met een tweede speellokaal.</al><al><vet>1.9 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste één groep
                    leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, aanwezig is.</al><al><vet>1.10 Aanpassing</vet></al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b"><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten;</al></li><li nr="c"><al>creëren (extra) leslokaal binnen het gebouw;</al></li><li nr="d"><al>creëren speellokaal binnen het gebouw;</al></li><li nr="e"><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving;</al></li><li nr="f"><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties en</al></li><li nr="g"><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al></li></lijst><al>Ad a</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter
                    beoordeling van burgemeester en wethouders, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad b</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat door terugloop van het
                    aantal groepen leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden
                    beëindigd omdat binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school
                    voldoende ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het
                    onderwijs aan vier en vijfjarigen of zes tot twaalfjarigen.</al><al>Ad c</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat er meer groepen
                    leerlingen aanwezig zijn dan waar het gebouw, als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, ruimte voor biedt, terwijl er tevens sprake is van een
                    bruikbaar verschil tussen de feitelijke bruto oppervlakte en de genormeerde
                    bruto oppervlakte dat het mogelijk maakt inpandig een of meer noodzakelijke
                    extra leslokalen te creëren. Bovendien dienen er geen medegebruiksmogelijkheden
                    aanwezig te zijn binnen een afstand van 2000 meter hemelsbreed.</al><al>Indien het inpandig creëren van een leslokaal meer kost dan uitbreiding, op
                    grond van bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde
                    voorziening is.</al><al>Ad d</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de school niet beschikt
                    over een speellokaal en er geen ruimte groter dan 56 m2 aanwezig is en er
                    bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een school binnen 300 meter
                    mogelijk is.</al><al>Ad e</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven.</al><al>Ad f</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Ad g</al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al><vet>1.11 Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                            bijgevoegde overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b"><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang
                            en sluitwerk);</al></li><li nr="c"><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor de
                            centrale verwarming.</al></li></lijst><al>Ad a</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement
                    ten minste in een matige conditie verkeert volgens de bouwkundige opname zoals
                    bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het
                    bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Ad b</al><al>De noodzaak van vervanging blijkt uit het feit dat de conditie van de
                    binnenkozijnen en binnendeuren, volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder c, zo slecht is dat niet door adequaat onderhoud een
                    redelijke verlenging van de levensduur kan worden verkregen.</al><al>Ad c</al><al>De noodzaak van vervanging blijkt uit het feit dat de conditie van de
                    radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming, volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, zo slecht is
                    dat niet door adequaat onderhoud een redelijke verlenging van de levensduur kan
                    worden verkregen.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaren voor de school
                    noodzakelijk is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan een noodlokaal komt voor bekostiging in aanmerking
                    indien:</al><lijst><li nr="a"><al>het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                            gesteld in bijlage II, nog ten minste vier jaren noodzakelijk is en</al></li><li nr="b"><al>voor de aanwezige groepen leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed.</al></li></lijst><al><vet>1.12 Herstel van constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al><vet>1.13 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al><vet>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</vet></al><al><vet>1 Basisonderwijs</vet></al><al><vet>1.1 Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al><vet>1.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al><vet>1.3 Uitbreiding</vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1"><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2"><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door de gemeente
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders, staan
                            ten opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><al><vet>1.5 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al><vet>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt.</al></li></lijst><al><vet>1.7 Eerste inrichting meubilair</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><al><vet>1.8 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door de gemeente
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al><al><vet>1.9 Aanpassing</vet></al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1"><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2"><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3"><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4"><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet en regelgeving;</al></li><li nr="5"><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><al>Ad 1</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al>Ad 2</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad 3</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders, te verwezenlijken
                    zijn.</al><al>Ad 4</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op
                    korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad 5</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al><vet>1.10 Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b"><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang
                            en sluitwerk);</al></li><li nr="c"><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor
                            centrale verwarming.</al></li></lijst><al>Ad a</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement
                    ten minste in een matige conditie verkeert volgens de bouwkundige opname zoals
                    bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het
                    bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Ad b</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat de conditie van de binnenkozijnen en
                    binnendeuren volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, zo slecht is dat niet door adequaat onderhoud een redelijke
                    verlenging van de levensduur kan worden verkregen.</al><al>Ad c</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat de conditie van de radiatoren, convectoren
                    en leidingen voor de centrale verwarming, volgens de bouwkundige opname zoals
                    bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, zo slecht is dat niet door adequaat
                    onderhoud een redelijke verlenging van de levensduur kan worden verkregen.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaren voor de school nodig
                    is.</al><al><vet>1.11 Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al><vet>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al><vet>I 1 Overzicht 'Onderhoud BaO'</vet></al><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud:</al><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand en daklichten.</al><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al><al>Vervangen brandtrap.</al><al>Vervangen erfscheiding.</al><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al><al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                    activiteit).</al><al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                    activiteit).</al><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie activiteit).</al><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, goten en dakrand.</al><al>Vervangen boeiboorden.</al><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De wet geeft in artikel 74 WPO expliciet aan op grond waarvan een voorziening
                    kan worden geweigerd. Voor toepassing van de weigeringsgronden dienen deze
                    artikelen nog nader te worden uitgewerkt. Dat vindt in deze bijlage plaats door
                    per voorziening de beoordelingscriteria te beschrijven. Ze hebben betrekking op
                    eisen qua aanwezigheid van leerlingen, prognoses, oppervlakten/capaciteit van
                    gebouwen, bouwkundige staat van een gebouw enzovoort. De noodzaak van de
                    aangevraagde voorziening(en) – of van mogelijke alternatieve voorzieningen –
                    voor de desbetreffende school wordt vastgesteld op basis van de
                    beoordelingscriteria. Na toepassing van de beoordelingscriteria kan er antwoord
                    worden gegeven op de vraag: 'Is de voorziening noodzakelijk?'</al><al>De noodzaak van een voorziening zal in het algemeen afhangen van:</al><lijst><li nr="–"><al>de capaciteit van het gebouw of de gebouwen die door de school worden
                            gebruikt;</al></li><li nr="–"><al>de (onderhouds)staat van het gebouw of de gebouwen;</al></li><li nr="–"><al>het leerlingaantal nu en op korte en/of lange termijn;</al></li><li nr="–"><al>de mogelijkheid via andere en eenvoudiger voorzieningen adequaat de
                            noodzaak van de gevraagde voorziening op te heffen.</al></li></lijst><al>Veel voorzieningen vragen een forse investering. Een gebruik gedurende ten
                    minste een bepaalde periode voorkomt dat de investering als desinvestering gaat
                    gelden. De minimaal gewenste termijn van zekerheid over het aantal leerlingen en
                    daarmee het gebruik van de voorziening, is evenredig met de zwaarte van de
                    voorziening in financiële zin. De prognose die wordt gevraagd, dient ertoe het
                    verwachte aantal leerlingen voor een aantal jaren zo nauwkeurig mogelijk te
                    voorspellen.</al><al>Toekenning van huisvestingsvoorzieningen – behalve bij onderwijsleerpakket/leer
                    en hulpmiddelen en meubilair, bij medegebruik, bij constructiefouten en bij
                    vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden – kan
                    plaatsvinden, indien volgens de prognose, die voldoet aan de prognosecriteria
                    (in bijlage II), voldoende duidelijkheid bestaat over het voortbestaan van het
                    instituut of de nevenvestiging voor een termijn van minimaal vier jaren.</al><al>Indien de gevraagde voorziening een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    (nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of aanpassing) betreft, is de termijn
                    voor de prognose in elk geval vijftien jaren te rekenen vanaf het gewenste jaar
                    van bekostiging.</al><al>Voor nieuwbouw en voor uitbreiding kan de voorziening – afhankelijk van de
                    verwachte duur van het gebruik en de mogelijkheden van medegebruik of
                    ingebruikname van een bestaand gebouw – in tijdelijke vorm (noodbouw en
                    dergelijke) of in permanente vorm worden gerealiseerd. Nieuwbouw is slechts aan
                    de orde indien het gaat om een nieuw instituut of om een nieuwe afdeling. In
                    alle andere gevallen gaat het om vervangende bouw, voor het hele instituut of
                    voor een deel daarvan, of om uitbreiding, bijvoorbeeld ter vervanging van een
                    bouwkundig slecht gebouw.</al><al>Indien het huidige leerlingaantal niet kan worden ondergebracht in de school
                    (eventueel gehuisvest in meerdere gebouwen), ontstaat er in principe aanspraak
                    op een voorziening waarmee het tekort aan huisvestingscapaciteit kan worden
                    opgeheven.</al><al>In welke vorm de extra capaciteit voor het desbetreffende instituut ter
                    beschikking komt, hangt af van de mogelijkheden van burgemeester en wethouders
                    om gebruik te maken van beschikbare capaciteit bij andere scholen. Dit beperkt
                    zich in principe tot de gebouwen in gebruik bij het primair onderwijs. Bij
                    medegebruik is geen lange termijnprognose nodig. Voor inzicht in de periode van
                    medegebruik is wel een indicatie van de duur nodig alsmede inzicht in de
                    eventuele ontwikkeling van de leegstand in het gebouw van de
                    hoofdgebruiker.</al><al>Bij medegebruik van leegstand elders verdient het de voorkeur zoveel mogelijk de
                    leerlingen naar één ander gebouw te verwijzen om te voorkomen dat de school over
                    (te) veel locaties wordt verspreid. Overigens wordt het aantal locaties
                    vrijgelaten.</al><al>De mogelijkheden voor benutting van de beschikbare capaciteit hangen af van de
                    ligging en de geschiktheid van de feitelijke leegstand.</al><al>De verwijsafstand – die de ligging ten opzichte van andere gebouwen aangeeft –
                    is hier vastgelegd door te werken met een vaste straal (een maximale hemelsbrede
                    afstand). Daar waar het verkeer geen verwijzing toelaat, is het aan het
                    aanvragende schoolbestuur daarvoor de argumenten op tafel te leggen.</al><al>De andere mogelijkheid om met de ligging van andere gebouwen rekening te houden,
                    is die van vaststelling van verwijsgebieden. Verwijsgebieden kunnen worden
                    bepaald door te letten op de wijkgebondenheid van scholen. De grenzen van het
                    verwijsgebied moeten – om gemakkelijk een prognose te kunnen maken – samenvallen
                    met de sociaal geografische grenzen. Eventueel kan dit per onderwijssector.
                    Binnen de gebieden kan wel worden verwezen, maar daarbuiten niet.</al><al>Het geschikt zijn van de leegstand blijkt uit de capaciteit van het betreffende
                    lokaal, zoals in de nulmeting (zie bijlage III, deel A) is aangegeven. Als
                    uitgangspunt kan dienen dat onderwijsruimten (speellokalen, vaklokalen,
                    werkplaatsen, etc., gymnastieklokalen) die niet gedurende de gehele werkweek in
                    gebruik zijn bij de school die (hoofd)gebruiker van het gebouw is, kunnen worden
                    gebruikt door scholen die onvoldoende ruimte hebben in hun eigen
                    huisvesting.</al><al>Voor het primair onderwijs is feitelijke leegstand binnen het primair onderwijs
                    per definitie geschikt. Voor zover lokalen niet noodzakelijk zijn, kunnen zij
                    worden gebruikt door andere scholen.</al><al>Leegstand die in feite niet aanwezig is, omdat het gebouw minder lokalen telt
                    (zoals in de nulmeting geconstateerd) dan op basis van de normering mag worden
                    aangenomen, telt niet mee voor de mogelijkheden van medegebruik. Dit geldt
                    eveneens voor ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft
                    gerealiseerd en waarvoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten. Hieronder vallen
                    dus niet de zogenaamde eigendoms- en huurscholen.</al><al>Medegebruik is voor gemeenten een belangrijk instrument als het gaat om het
                    realiseren van de benodigde doelmatigheid.</al><al>Indien binnen redelijke termijn een ander geschikt gebouw vrijkomt, kan worden
                    bezien of gebruik maken van het vrijkomende gebouw een goede oplossing biedt
                    voor het huisvestingsprobleem. Ervan uitgaande dat door toepassing van een
                    meerjarenplanning samen met de schoolbesturen er optimaal zicht bestaat op het
                    vrijkomen van (onderwijs)gebouwen, kan hergebruik voor andere scholen worden
                    gekoppeld aan de meerjarenplanning. Overigens kan de gemeente in het kader van
                    ander beleid beslissen dat een vrijkomend schoolgebouw niet opnieuw voor
                    onderwijs wordt gebruikt, maar bijvoorbeeld voor kinderopvang gaat dienen of
                    wordt afgebroken opdat aan die plaats een andere bestemming kan worden
                    gegeven.</al><al>De minimaal benodigde gebruiksduur om in aanmerking te kunnen komen voor (extra)
                    huisvesting is nu geharmoniseerd. Voor een voor blijvend gebruik bestemde
                    huisvesting is die periode vijftien jaren. Voor tijdelijke huisvesting is deze
                    periode vier jaren of meer. Voor gebruik van minder dan vier jaren wordt
                    uitgegaan van opvang binnen het bestaande gebouw, bijvoorbeeld in de
                    gemeenschapsruimte. Slechts indien dit onmogelijk is, wordt een andere
                    voorziening goedgekeurd. Daartoe is onder uitbreiding in het basisonderwijs
                    beoordelingscriterium opgenomen.</al><al><vet>Deel A</vet></al><al>Lesgebouwen</al><al>Vervangende bouw komt in het algemeen voort uit de slechte conditie van een
                    gebouw. Om uitspraken te kunnen doen over de (slechte) bouwkundige staat en om
                    verschillen in de bouwkundige toestand van verschillende gebouwen in een
                    volgorde te kunnen plaatsen, is het noodzakelijk één techniek van schouwing voor
                    alle gebouwen te hebben, waaruit subjectieve factoren zo veel mogelijk zijn
                    geëlimineerd. Deze techniek, kan worden vastgesteld door burgemeester en
                    wethouders.</al><al>Vervangende bouw om andere dan bouwkundige redenen kan betrekking hebben op een
                    budgettair neutrale oplossing, een herschikkingsoperatie of verband houden met
                    ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening.</al><al>Budgettair neutrale vervanging van een gebouw betekent dat daarvoor geen extra
                    kosten worden gemaakt. De kosten voor de gemeente mogen niet hoger zijn dan de
                    huidige kosten. Daarnaast kunnen – in overeenstemming met het aanvragende
                    schoolbestuur – eventuele gelden voor exploitatie van het schoolbestuur worden
                    ingezet.</al><al>Fusies kunnen aanleiding geven tot een herschikkingsoperatie, maar ook
                    bijvoorbeeld een flink overschot aan gymnastiekruimten. Doel van een
                    herschikkingsplan is in elk geval het realiseren van een optimale
                    huisvestingssituatie en een grotere doelmatigheid.</al><al>Bij de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening valt bijvoorbeeld te denken aan
                    stadsvernieuwing en het realiseren van een centrumplan, waarvoor het
                    noodzakelijk is dat het gebouw vervangen wordt.</al><al>Uit de nulmeting kan naar voren komen dat de feitelijke oppervlakte groter is
                    dan de genormeerde oppervlakte voor het aantal groepen dat in het gebouw kan
                    worden gehuisvest. In zo’n geval is er sprake van een zogenaamde
                    verschiloppervlakte. Bij een aanvraag voor uitbreiding zal in dat geval worden
                    bezien of de verschiloppervlakte niet kan worden betrokken bij de omvang van de
                    uitbreiding, met andere woorden, of niet (deels) inpandig de benodigde extra
                    capaciteit is te realiseren. Indien dit te duur is ten opzichte van uitbreiding,
                    dan wordt er van uitgegaan dat uitbreiding wordt gerealiseerd (zie ook bijlage
                    III, deel A).</al><al>De wijze waarop de voorziening – na goedkeuring – wordt gerealiseerd, hangt af
                    van de normering die in bijlage III, deel C, is uitgewerkt.</al><al>Voor de uitbreiding met een tweede speellokaal in het basisonderwijs is
                    aangegeven, wanneer dit noodzakelijk is. Nieuw ten opzichte van de eerder
                    geldende regelgeving is ten eerste het loslaten van de automatische uitbreiding
                    met een tweede speellokaal bij het vormen van de veertiende groep. Koppeling aan
                    het aantal groepen – van een zekere omvang – jongste leerlingen (in
                    nieuwbouwwijken vaak een aanzienlijk deel van de leerlingen) maakt meer maatwerk
                    mogelijk. Ten tweede is om een efficiënt gebruik van gebouwen te bevorderen, een
                    verwijzingsmogelijkheid naar een op korte afstand aanwezig speellokaal of
                    gymnastiekruimte waar nog ruimte is, opgenomen.</al><al>Bij mogelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan
                    spelen bij de toekenning, naast de ligging, ook de omvang en de kwaliteit een
                    belangrijke rol. Voor de ligging zij verwezen naar hetgeen hiervoor is gesteld.
                    De omvang maakt een nauwkeurige beoordeling van de noodzakelijke aanpassingen
                    nodig (tenzij het een gebouw betreft dat reeds voor onderwijs geschikt is).
                    Indien de kosten samen met de (eventuele) verwervingskosten te hoog zijn (het
                    ministerie van OCenW hield daarvoor 70 procent van de kosten van nieuwbouw aan),
                    is de vraag gerechtvaardigd of vervangende bouw niet een betere optie is.
                    Natuurlijk staat het de gemeente vrij hiertoe te besluiten (en daarmee af te
                    wijken van dit percentage), bijvoorbeeld in verband met de locatie, het
                    (monumentale) gebouw of het ontbreken van alternatieve mogelijkheden voor
                    huisvesting binnen de wijk. Ook ontstaat hier – evenals bijvoorbeeld bij het
                    bijbouwen van noodlokalen – een onderhandelingssituatie, waarbij alternatieven
                    worden bezien en gewaardeerd.</al><al>Het automatisme bij de toewijzing van terrein in het primair onderwijs is
                    verlaten. Indien terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele
                    toestemming voor een andere huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden.</al><al>Voor het primair onderwijs gaat het bij eerste inrichting onderwijsleerpakket
                    (en meubilair) om het aantal groepen leerlingen. Bij fusie van scholen kan er
                    enkel sprake zijn van een extra onderwijsleerpakket en meubilair, indien het
                    aantal groepen groter is dan het totaal bekostigde onderwijsleerpakket en
                    meubilair van de aan de fusie deelnemende scholen. De bestaande scheiding tussen
                    onderwijsleerpakket en meubilair (enkel onderwijsleerpakket voor wegingsgroepen
                    in het basisonderwijs) – aangebracht tijdens de periode van de Tijdelijke wet
                    beperking huisvestingsvoorzieningen – blijft bestaan.</al><al>Voor de eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair is ook de nulmeting
                    van belang. Op 1 augustus 1985 voor het basisonderwijs werden alle scholen
                    geacht voldoende te zijn ingericht. Daar waar dat niet het geval was, kon via
                    overgangsartikelen aanvullende eerste inrichting worden verkregen. Voor de
                    nulmeting impliceert dit dat alle toekenningen tot aan 1 augustus 1985 ook
                    worden begrepen onder de aanwezige eerste inrichting.</al><al>Aanpassingen komen voort uit gewijzigde eisen of wensen. In elk geval zullen
                    aanpassingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan (nieuwe) wettelijke
                    vereisten (bijvoorbeeld volgend uit het Bouwbesluit of uit de regelgeving op het
                    gebied van de arbeidsomstandigheden) tot toekenningen leiden, voor zover niet in
                    overgangsbepalingen bij dergelijke regelingen een (tijdelijke) vrijstelling is
                    verleend.</al><al>Voor het primair onderwijs zijn de aanpassingen uitgezonderd waarvoor een
                    schoolbestuur rechtstreeks van het rijk een vergoeding ontvangt. Het betreft het
                    aanbrengen van een gehandicaptentoilet en het geschikt maken van het gebouw voor
                    gehandicapten.</al><al>Aanpassingen om een gebouw (vaak de dislocatie) te kunnen afstoten, bestaan uit
                    het aanbrengen van die voorzieningen in het gebouw die niet aanwezig zijn, maar
                    wel aanwezig waren in de dislocatie en die noodzakelijk zijn om het onderwijs
                    aan de leerlingen uit het af te stoten gebouw te kunnen geven. Een
                    integratieverbouwing kan dan bijvoorbeeld bestaan uit:</al><lijst><li nr="–"><al>samenvoegen van twee lokalen of één lokaal en een aangrenzende ruimte
                            tot speellokaal inclusief berging;</al></li><li nr="–"><al>veranderen van leslokalen in werklokalen;</al></li><li nr="–"><al>plaatsen van kleutertoiletten en maken toezichtraam;</al></li><li nr="–"><al>maken zandbak en buitenberging;</al></li><li nr="–"><al>aanpassing deel van de buitenspeelplaats.</al></li></lijst><al>In het primair onderwijs is geen specifieke aanpassing opgenomen die het
                    mogelijk moet maken eenmaal in de levenscyclus van een permanent gebouw voor
                    primair onderwijs te besluiten de inrichting te optimaliseren. Ten eerste is
                    moeilijk een sluitende lijst van activiteiten hiervoor aan te geven en ten
                    tweede bieden de aanpassingen om te voldoen aan eisen voortkomend uit wet en
                    regelgeving een kapstok om de noodzakelijke aanpassingen te kunnen
                    beoordelen.</al><al>Onderhoud is conform de wet enkel een voorziening in het primair onderwijs. Ook
                    hier geldt dat door het bevoegd gezag moet worden aangetoond dat het onderhoud
                    noodzakelijk is en dat regulier onderhoud, waarvoor het bevoegd gezag in de
                    materiële instandhouding een vergoeding ontvangt, niet langer volstaat.</al><al>Voordat onderhoud aan noodlokalen wordt toegekend, zal worden nagegaan of de
                    desbetreffende noodlokalen nog noodzakelijk zijn voor in elk geval meer dan vier
                    jaar. Indien de groepen uit de noodlokalen elders in medegebruik kunnen worden
                    ondergebracht, zal voor die optie worden gekozen.</al><al>Bij herstel van constructiefouten is het van (groot) belang daadwerkelijk vast
                    te stellen dat het gaat om een constructiefout.</al><al>Vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>Bij bepaling van de omvang van de vervanging of het herstel van schade in geval
                    van bijzondere omstandigheden kan rekening worden gehouden met de situatie van
                    de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school
                    met acht lokalen worden vervangen door een kleiner gebouw met zes lokalen, omdat
                    de school zes groepen leerlingen telt, terwijl uit de prognose blijkt dat het
                    onwaarschijnlijk is dat de school de eerste vijftien jaren meer dan zes groepen
                    zal krijgen. Indien de schade is verzekerd, doet de gemeente er verstandig aan
                    eerst na te gaan op welke basis de verzekeraar tot uitkering overgaat.</al><al><vet>Deel B</vet></al><al>Gymnastiekruimten</al><al>Bij de voorzieningen voor de lichamelijke oefening is steeds sprake van
                    gymnastiekruimte. De definitie van gymnastiekruimte omvat niet enkel het
                    traditionele gymnastieklokaal bij het schoolgebouw maar ook het gebruik van de
                    (gemeentelijke) sporthal. De verwijzing strekt zich niet enkel uit over de
                    aanwezige ruimten, maar ook over de ruimten die binnenkort worden gerealiseerd.
                    Zo kan bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk het aanvragende schoolbestuur voor het
                    bewegingsonderwijs worden verwezen naar de sporthal die de gemeente daar op
                    korte termijn gaat bouwen. Op deze wijze kan optimaal gebruik worden gemaakt van
                    de aanwezige ruimte. In feite wordt voorafgaand aan elke beslissing – nieuwbouw,
                    uitbreiding en ingebruikneming – bezien of niet door medegebruik de gevraagde
                    voorziening overbodig is. Overigens laat de praktijk zien dat – zeker in de
                    plattelandsgemeenten – eventueel vervoer naar een verder weg gelegen
                    gymnastiekruimte een goed alternatief kan zijn. uiteraard is hiervoor overleg
                    met het bevoegd gezag noodzakelijk.</al><al>Om vast te stellen of er daadwerkelijk medegebruik mogelijk is, wordt gekeken
                    naar de klokuurnorm zoals de gemeenteraad die voor het primair onderwijs heeft
                    vastgesteld en naar het rooster.</al><al>In tegenstelling tot de situatie voor 1997 wordt het maken van was- en
                    kleedgelegenheden in gymnastiekruimten niet meer als uitbreiding gezien maar als
                    aanpassing. Dit ondanks het feit dat het maken van deze ruimtes fysiek meestal
                    een uitbreiding van het gebouw tot gevolg heeft.</al><al>Het maken van douches in plaats van wasbakken in gymnastiekruimten behoort ook
                    tot de aanpassingen, met name tot het voldoen aan wet- en regelgeving (eisen met
                    betrekking tot hygiëne).</al><al>Aanvullend meubilair voor het bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting
                    worden verstrekt, wanneer men gaat van een kleine zaal (oefenvloer) naar een
                    grote en wanneer nog niet eerder het complete meubilair is verstrekt.</al><al><vet>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses</vet></al><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging.</al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><lijst><li nr="a"><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b"><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c"><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d"><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e"><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f"><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g"><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). In het
                    basisonderwijs wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd
                    van het voedingsgebied op wijkniveau.</al><al>Bij aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen
                    oer de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt.</al><al>Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
                    aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop
                    de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere
                    regels te stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen.
                    Voorafgaand aan de vaststelling door burgemeester en wethouders vormen de nadere
                    regels onderwerp van overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in
                    artikel 2, tweede lid onder b van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid
                    gemeente Leusden.</al><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al>Bij de prognosemodellen is de keuze gemaakt zo veel mogelijk aan te sluiten bij
                    de bestaande prognosemodellen. De achtergrond van de keuze ligt in het feit dat
                    deze modellen al een aantal jaren functioneren en de modellen zijn breed
                    beschikbaar.</al><al>Omdat prognoses zowel voor huisvesting als voor stichting worden geëist, vindt
                    overleg plaats met OCenW/C¦i over een gemeenschappelijke evaluatie van de
                    modellen. Zodra daaruit wijzigingen voortkomen, zal dit worden bekendgemaakt en
                    vindt bijstelling van deze bijlage plaats.</al><al>Leeftijdsgroepen zoals gebruikt voor de eigen gemeentelijke prognose kunnen daar
                    eventueel ook voor dienen.</al><al>Tevens is het met deze omschrijving mogelijk vanuit de situatie in het
                    uitgangsjaar zelf berekeningen te maken voor de prognosejaren. Essentieel is
                    steeds het goed in beeld brengen van de ontwikkelingen die van invloed zijn op
                    de leerlingaantallen. Naast migratie (verhuizingen) is daarbij woningbouw de
                    belangrijkste factor. Uitbreiding van de woningvoorraad door nieuwbouw levert
                    vooral in het begin extra leerlingen in het basisonderwijs op.</al><al>Ten aanzien van een specifieke, afwijkende toepassing van de prognosemodellen
                    voor de zgn. 'kleine richtingen' in het onderwijs wordt verwezen naar hetgeen
                    hierover is opgemerkt in de algemene toelichting (onderdeel B, paragraaf
                    2.2.6.6).</al><al>De prognosemodellen voor het primair onderwijs als vastgesteld in deze bijlage
                    zijn breed verspreid. Vele gemeenten en alle besturenorganisaties bezitten deze
                    softwarepakketten.</al><al><vet>Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling</vet></al><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="–"><al>deel A: de bepaling van de capaciteit;</al></li><li nr="–"><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li><li nr="–"><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li><li nr="–"><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al></li></lijst><al><vet>DEEL A De bepaling van de capaciteit</vet></al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld.</al><al><vet>1.1 Gebouwen van hoofd en nevenvestigingen (inclusief de
                        T&amp;B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard</vet></al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1 "De meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs”.</al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het aantal
                    groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal groepen is gelijk aan het
                    aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen in een gebouw
                    betreft het aantal lesruimten, inclusief het handvaardigheidslokaal, groter dan
                    of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden niet meegeteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd dient een relatie te
                    worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het
                    aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling.</al><al>Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis
                    van de BVO, vastgesteld met behulp van de onderstaande tabellen 1, 2 en 3 voor
                    respectievelijk huisvesting met een permanente bouwaard en huisvesting met een
                    tijdelijke bouwaard.</al><al><vet>Tabel 1 Gebouwen met een permanente bouwaard</vet></al><al>Permanente gebouwen waarin meer dan 30 leerlingen worden gehuisvest</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Minimale bruto vloeroppervlakte</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>315</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>420</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>525</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>720</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>825</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>930</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1035</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1140</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1245</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1350</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1455</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1560</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1665</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>en vervolgens telkens te verhogen met 105 m2 ten behoeve van
                                        1 groep leerlingen.</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Indien het gebouw beschikt over een tweede speellokaal wordt
                                        de minimale bruto-vloeroppervlakte zoals weergegeven in
                                        tabel 1, opgehoogd met 90 m2.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Permanente gebouwen waarin minder dan 31 leerlingen worden gehuisvest</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Minimale bruto vloeroppervlakte</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>300</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Tabel 2 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige
                        huisvesting</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Minimale bruto vloeroppervlakte</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>305</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>410</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>515</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>710</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>815</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>920</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1025</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>en vervolgens telkens te verhogen met 105 m2 ten behoeve van
                                        1 groep leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Tabel 3 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Minimale bruto vloeroppervlakte</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>100</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>180</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>260</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>340</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>420</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>en vervolgens telkens te verhogen met 80 m2 ten behoeve van
                                        1 groep leerlingen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het aantal
                    groepen zoals vastgesteld op basis van de tabellen 1, 2 of 3, is het aantal
                    lokalen de capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal lokalen
                    kleiner is dan het aantal groepen zoals is vastgesteld op basis van de tabellen
                    1, 2 of 3, wordt de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke
                    BVO en de normatieve BVO behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw
                    geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal m2 waarmee de BVO van het
                    gebouw is 'overgedimensioneerd'. De registratie vindt plaats vanwege het
                    mogelijk verwerken van deze 'overdimensionering' van de BVO op het moment dat
                    het gebouw ten behoeve van de vergroting van de capaciteit moet worden
                    uitgebreid.</al><al><vet>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</vet></al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties geldt het gestelde onder 1.1
                    met uitzondering van de verwijzing naar de tabellen 1, 2 en 3. Voor de bepaling
                    van het aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt uitgegaan van 105 m2 BVO
                    per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw met een permanente bouwaard
                    en van 80 m2 per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw met een
                    tijdelijke bouwaard.</al><al><vet>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld,
                    doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit.</al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en burgemeester en wethouders,
                    burgemeester en wethouders anders beslissen.</al><al><vet>1.4 Terrein</vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale gegevens niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein dan wordt het overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al><vet>1.5 Inventaris</vet></al><al>Met de inventarisgegevens worden de gegevens bedoeld, waarmee het aantal groepen
                    van de desbetreffende school wordt vastgesteld, waarvoor het onderwijsleerpakket
                    en meubilair aanwezig is. De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de
                    aanwezigheid van het meubilair worden afzonderlijk vastgelegd.</al><al>a. Onderwijsleerpakket</al><al>Het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket aanwezig is, wordt bepaald aan
                    de hand van de volgende twee stappen:</al><al>- Het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket aanwezig is, is gelijk aan het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is bij aanvang van het
                    schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO,
                    voor meer groepen</al><al>onderwijsleerpakket is verstrekt, tonen burgemeester en wethouders dit aan door
                    middel van de door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
                    afgegeven beschikkingen, dan wel door middel van de correspondentie tussen
                    burgemeester en wethouders en het desbetreffende schoolbestuur. Van het laatste
                    is sprake indien burgemeester en wethouders, zonder tussenkomst van het
                    ministerie, zelf hebben voorzien in de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket.
                    Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor minder groepen
                    onderwijsleerpakket is verstrekt, toont het bevoegd gezag van de school dit
                    aan.</al><al>- Het bovenstaand aantal groepen onderwijsleerpakket dient te worden
                    geconverteerd met behulp van onderstaande omrekentabel:</al><al>Omrekentabel onderwijsleerpakket</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>OUD</al></entry><entry colname="col2"><al>NIEUW</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col2"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>33</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>b. meubilair</al><al>Het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, wordt bepaald aan de hand van
                    de volgende stappen:</al><al>- Het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, is gelijk aan het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is bij aanvang van het schooljaar
                    2001/2002. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor meer
                    groepen meubilair</al><al>is verstrekt, tonen burgemeester en wethouders dit aan door middel van de door
                    het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen afgegeven beschikkingen,
                    dan wel door middel van de correspondentie tussen burgemeester en wethouders en
                    het desbetreffende schoolbestuur. Van het laatste is sprake indien burgemeester
                    en wethouders, zonder tussenkomst van het ministerie, zelf hebben voorzien in de
                    eerste aanschaf van meubilair. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van
                    de WBO, voor minder groepen meubilair is verstrekt, toont het bevoegd gezag van
                    de school dit aan.</al><al>- Het bovenstaand aantal groepen meubilair dient te worden geconverteerd met
                    behulp van onderstaande omrekentabel:</al><al>Omrekentabel meubilair</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>OUD</al></entry><entry colname="col2"><al>NIEUW</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>1.6 Gymnastiekruimten</vet></al><al><vet>1.6.1 Gymnastiekruimte</vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                    klokuren.</al><al><vet>1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al><vet>1.6.3 Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al><vet>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet></al><al><vet>1 Basisonderwijs</vet></al><al><vet>1.1 Lesgebouwen</vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor de
                    huisvestingsbehoefte. Het aantal groepen wordt bepaald aan het aantal
                    formatieplaatsen. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van een
                    aanvraag voor opneming op het programma, is afhankelijk van de vraag of een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening dan wel een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening wordt toegekend. Ten behoeve van de bepaling van de omvang
                    van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een baisschool wordt
                    voor de bepaling van de ruimtebehoefte uitgegaan van de formule onder b.</al><al>De formatie die aan basisscholen wordt toegekend is opgebouw uit de bestanddelen
                    formatie onderbouw (A), formatie bovenbouw (B), kleine scholentoeslag (C) en
                    schoolgewicht (D).</al><al>a. Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend
                    gebfuik bestemde voorziening voor een basisschool:</al><al>G = (A+B+C) / 179</al><al>waarbij:</al><lijst><li nr="G="><al>de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen;</al></li><li nr="A="><al>het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1 oktober
                            voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de
                            school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 9. Voor een toekenning
                            ten behoeve van het kalenderjaar 2001 niet 9 vermenigvuldigen maar met
                            8.14. Het verkregen getal A wordt niet afgerond.</al></li><li nr="B="><al>het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober voorafgaande
                            aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                            ingeschreven, vermenigvuldigd met 6.17. Het verkregen getal B wordt niet
                            afgerond.</al></li><li nr="C="><al>280 minus ( het totaal aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande
                            aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                            ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06). Indien de uitkomst van deze
                            berekening negatief is, wordt de factor C op 0 bepaald. Het verkregen
                            getal C wordt niet afgerond.</al></li></lijst><al>b. Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening voor een basisschool:</al><al>G = (A +B +C+D) / 179 + E + 0,5 F</al><al>Waarbij</al><lijst><li nr="G="><al>de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen.</al></li><li nr=""><al>Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal
                            groepen.</al></li><li nr="A="><al>a. het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de meest recente
                            teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met
                            9.</al></li><li nr=""><al>b. (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                            aantal leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) het aantal
                            leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de datum van de meest recente
                            telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 9.</al></li></lijst><al>Voor een toekenning ten behoeve van het kalenderjaar 2001 niet met 9
                    vermenigvuldigen maar met 9.14. Het verkregen getal wordt niet afgerond.</al><lijst><li nr="B="><al>a. het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de meest recente
                            teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met
                            6,17.</al></li><li nr=""><al>b.(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                            aantal leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) het aantal
                            leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de datum van de meest recente
                            telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17. Het
                            verkregen getal wordt niet afgerond.</al></li><li nr="C="><al>a 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente
                            teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met
                            2,06).</al></li><li nr=""><al>c. (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                            aantal leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO)280 minus
                            (het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente
                            telling op de school is ingeschreven , vermenigvuldigd met 2,06). Indien
                            de uitkomst van de berekening negatief is, wordt de factor C op 0
                            bepaald. Het verkregen getal wordt niet afgerond.</al></li><li nr="D="><al>a. som van de gewichten op baiss van het totaal aantal leerlingen dat op
                            de meest recente teldaum 1 oktober op de school is iongeschreven,
                            verminderd met 9 % van het toaaal aantal leerlingen dat op de meest
                            recente teldaum 1 oktober op de school is ingeschreven. Het verkregen
                            getal wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit gehele getal
                            wordt vervolgens vermenigvuldigd met 3,2.</al></li><li nr=""><al>c. (indien de formatie wordt berekend bij een toename van het aantal
                            leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) som van de
                            gewichten op basis van het totaal aantal leerlingen dat op de datum van
                            de meest recente telling op de school in ingeschreven. Het verkregen
                            getal wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit gehele getal
                            wordt vervolgens vermenigvuldigd met 3,2. Indien de uitkomst van deze
                            berekening negatief is, wordt de factor D op 0 bepaald. Het verkregen
                            getal wordt niet afgerond.</al></li><li nr="E="><al>aanvullende formatie op grond van bijzondere omstandigheden, toegekend
                            op basis van artikel 120, vijfde lid van de Wet op het primair
                            onderwijs.</al></li><li nr="F="><al>het aantal formatieplaatsen onderwijsachterstandenbestrijding dat door
                            de gemeente wordt bekostigd vanuit de specifieke uitkering.</al></li></lijst><al><vet>1.2 Gymnastiekruimten</vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Per groep 6 tot 12 jarigen wordt maximaal 1,5 klokuur gymnastiek
                    vergoed (cf. artikel 38 en 39 van de verordening). Het aantal groepen is
                    afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Ten behoeve van de bepaling van het
                    aantal formatieplaatsen wordt uitgegaan van de formule:</al><al>G= (A+B+C+D) / 179</al><al>De componenten G, A , B,C en D zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen
                    in de formule voor tijdelijke gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III,
                    deel B, onder 1.1.</al><al>Voor het bepalen van het aantal groepen 6-12 jarigen wordt aangeslioten bij het
                    normale overzicht “splitsing aantal groepen leerlingen “, zoals weergegeven in
                    tabel 5.</al><al><vet>Tabel 5 splitsingstabel aantal groepen leerlingen (G)</vet></al><al>Deze tabel geeft inzicht in de genormeerde splitsing van het aantal groepen
                    leerlingen (G) in groepen 4- en 5 –jarigen en groepen 6- tot en met 12-jarigen
                    ten behoeve van het onderwijs in de lichamelijke oefening. Aangezien de
                    groepsgrootteverkleining in een aantal stappen wordt doorgevoerd , is in de
                    tabel voor verschillende jaren de splitsing in groepen 4- en 5- jarigen en
                    groepen 6-tot en met 12-jarigen gegeven. Vanaf 2002 wordt uitgegaan van de
                    volledige doorvoering van de groepsgrootteverkleining.</al><table><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="14*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="14*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="14*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="14*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="14*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="14*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen per school (G)</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal groepen 4-5 jarigen 2000-2001</al></entry><entry colname="col3"><al>Aantal groepen 4-5 jarigen 2001-2002</al></entry><entry colname="col4"><al>Aantal groepen 4-5 jarigen 2002-2003 e.v.</al></entry><entry colname="col5"><al>Aantal groepen 6-12 jarigen 2000-2001</al></entry><entry colname="col6"><al>Aantal groepen 6-12 jarigen 2001-2002</al></entry><entry colname="col7"><al>Aantal groepen 6-12- groepen 2002-2003 e.v.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>2</al></entry><entry colname="col7"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>2</al></entry><entry colname="col7"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>3</al></entry><entry colname="col6"><al>3</al></entry><entry colname="col7"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>4</al></entry><entry colname="col6"><al>4</al></entry><entry colname="col7"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>5</al></entry><entry colname="col6"><al>5</al></entry><entry colname="col7"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>5</al></entry><entry colname="col6"><al>5</al></entry><entry colname="col7"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>6</al></entry><entry colname="col6"><al>6</al></entry><entry colname="col7"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>7</al></entry><entry colname="col6"><al>7</al></entry><entry colname="col7"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>4</al></entry><entry colname="col5"><al>7</al></entry><entry colname="col6"><al>7</al></entry><entry colname="col7"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>4</al></entry><entry colname="col5"><al>8</al></entry><entry colname="col6"><al>8</al></entry><entry colname="col7"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>4</al></entry><entry colname="col5"><al>9</al></entry><entry colname="col6"><al>9</al></entry><entry colname="col7"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry><entry colname="col5"><al>10</al></entry><entry colname="col6"><al>10</al></entry><entry colname="col7"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>5</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry><entry colname="col5"><al>10</al></entry><entry colname="col6"><al>10</al></entry><entry colname="col7"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>5</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry><entry colname="col5"><al>11</al></entry><entry colname="col6"><al>11</al></entry><entry colname="col7"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>5</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry><entry colname="col5"><al>12</al></entry><entry colname="col6"><al>12</al></entry><entry colname="col7"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry><entry colname="col4"><al>6</al></entry><entry colname="col5"><al>12</al></entry><entry colname="col6"><al>12</al></entry><entry colname="col7"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry><entry colname="col4"><al>6</al></entry><entry colname="col5"><al>13</al></entry><entry colname="col6"><al>13</al></entry><entry colname="col7"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry><entry colname="col4"><al>6</al></entry><entry colname="col5"><al>14</al></entry><entry colname="col6"><al>14</al></entry><entry colname="col7"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry><entry colname="col4"><al>7</al></entry><entry colname="col5"><al>15</al></entry><entry colname="col6"><al>15</al></entry><entry colname="col7"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry><entry colname="col4"><al>7</al></entry><entry colname="col5"><al>15</al></entry><entry colname="col6"><al>15</al></entry><entry colname="col7"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry><entry colname="col4"><al>7</al></entry><entry colname="col5"><al>16</al></entry><entry colname="col6"><al>16</al></entry><entry colname="col7"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry><entry colname="col4"><al>8</al></entry><entry colname="col5"><al>17</al></entry><entry colname="col6"><al>17</al></entry><entry colname="col7"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>8</al></entry><entry colname="col4"><al>8</al></entry><entry colname="col5"><al>18</al></entry><entry colname="col6"><al>17</al></entry><entry colname="col7"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>8</al></entry><entry colname="col4"><al>8</al></entry><entry colname="col5"><al>18</al></entry><entry colname="col6"><al>18</al></entry><entry colname="col7"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>8</al></entry><entry colname="col4"><al>9</al></entry><entry colname="col5"><al>19</al></entry><entry colname="col6"><al>19</al></entry><entry colname="col7"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>8</al></entry><entry colname="col4"><al>9</al></entry><entry colname="col5"><al>20</al></entry><entry colname="col6"><al>20</al></entry><entry colname="col7"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>9</al></entry><entry colname="col4"><al>9</al></entry><entry colname="col5"><al>20</al></entry><entry colname="col6"><al>20</al></entry><entry colname="col7"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>9</al></entry><entry colname="col4"><al>9</al></entry><entry colname="col5"><al>21</al></entry><entry colname="col6"><al>21</al></entry><entry colname="col7"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>9</al></entry><entry colname="col4"><al>10</al></entry><entry colname="col5"><al>22</al></entry><entry colname="col6"><al>22</al></entry><entry colname="col7"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>10</al></entry><entry colname="col4"><al>10</al></entry><entry colname="col5"><al>23</al></entry><entry colname="col6"><al>22</al></entry><entry colname="col7"><al>22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>10</al></entry><entry colname="col4"><al>10</al></entry><entry colname="col5"><al>23</al></entry><entry colname="col6"><al>23</al></entry><entry colname="col7"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>34</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>10</al></entry><entry colname="col4"><al>11</al></entry><entry colname="col5"><al>24</al></entry><entry colname="col6"><al>23</al></entry><entry colname="col7"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>10</al></entry><entry colname="col4"><al>11</al></entry><entry colname="col5"><al>25</al></entry><entry colname="col6"><al>25</al></entry><entry colname="col7"><al>24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>36</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>11</al></entry><entry colname="col4"><al>11</al></entry><entry colname="col5"><al>25</al></entry><entry colname="col6"><al>25</al></entry><entry colname="col7"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>11</al></entry><entry colname="col4"><al>11</al></entry><entry colname="col5"><al>26</al></entry><entry colname="col6"><al>26</al></entry><entry colname="col7"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>38</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>11</al></entry><entry colname="col4"><al>12</al></entry><entry colname="col5"><al>27</al></entry><entry colname="col6"><al>27</al></entry><entry colname="col7"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>12</al></entry><entry colname="col4"><al>12</al></entry><entry colname="col5"><al>28</al></entry><entry colname="col6"><al>27</al></entry><entry colname="col7"><al>27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>40</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>12</al></entry><entry colname="col4"><al>12</al></entry><entry colname="col5"><al>28</al></entry><entry colname="col6"><al>28</al></entry><entry colname="col7"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>12</al></entry><entry colname="col4"><al>13</al></entry><entry colname="col5"><al>29</al></entry><entry colname="col6"><al>29</al></entry><entry colname="col7"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>42</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>12</al></entry><entry colname="col4"><al>13</al></entry><entry colname="col5"><al>30</al></entry><entry colname="col6"><al>30</al></entry><entry colname="col7"><al>29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>13</al></entry><entry colname="col4"><al>13</al></entry><entry colname="col5"><al>30</al></entry><entry colname="col6"><al>30</al></entry><entry colname="col7"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>44</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>13</al></entry><entry colname="col4"><al>14</al></entry><entry colname="col5"><al>31</al></entry><entry colname="col6"><al>31</al></entry><entry colname="col7"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>13</al></entry><entry colname="col4"><al>14</al></entry><entry colname="col5"><al>32</al></entry><entry colname="col6"><al>32</al></entry><entry colname="col7"><al>31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>46</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>14</al></entry><entry colname="col4"><al>14</al></entry><entry colname="col5"><al>33</al></entry><entry colname="col6"><al>32</al></entry><entry colname="col7"><al>32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>14</al></entry><entry colname="col4"><al>14</al></entry><entry colname="col5"><al>33</al></entry><entry colname="col6"><al>33</al></entry><entry colname="col7"><al>33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>48</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>14</al></entry><entry colname="col4"><al>15</al></entry><entry colname="col5"><al>34</al></entry><entry colname="col6"><al>34</al></entry><entry colname="col7"><al>33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>14</al></entry><entry colname="col4"><al>15</al></entry><entry colname="col5"><al>35</al></entry><entry colname="col6"><al>35</al></entry><entry colname="col7"><al>34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>50</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>15</al></entry><entry colname="col4"><al>15</al></entry><entry colname="col5"><al>36</al></entry><entry colname="col6"><al>35</al></entry><entry colname="col7"><al>35</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal groepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al><vet>1.3 Bepaling aantal groepen ten behoeve van (uitbreiding van) eerste
                        aanschaf onderwijsleerpakket en meubilair.</vet></al><al>De inrichting van een school bestaat uit de volgende componenten:</al><lijst><li nr="a."><al>onderwijsleerpakket</al></li><li nr="b."><al>meubilair</al></li></lijst><al>a. onderwijsleerpakket</al><al>ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket, wordt voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van
                    de onderstaande formule</al><al>G = (A+B+C+D) /179 +E</al><al>De componenten G,A,B,C,E en E zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen
                    in de formule voor tijdelijk gebruik betemde voorzieningen in bijlage III, deel
                    B onder 1.1.</al><al>b. meubilair</al><al>Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van
                    meubilair, wordt voor de bepaling van het aantal groepn uitgegaan van de
                    onderstaande formule:</al><al>G=(A+B+C) / 179</al><al>De componenten G,A, B en C zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in
                    de formule voor permanent gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B,
                    onder 1.1.</al><al><vet>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</vet></al><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al><al><vet>1 Basisonderwijs</vet></al><al><vet>1.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting langer dan vijftien jaar noodzakelijk is.
                    Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting langer
                    dan vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald
                    zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtehoefte'.</al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                    verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                    aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde capaciteit
                    van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door
                    aanpassing of door aanpassing in combinatie met uitbreiding van het bestaande
                    gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze
                    bijlage: 'De bepaling van de capaciteit'.</al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het
                    gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw, hoger zijn dan de
                    kosten van uitbreiding sec van het gebouw.</al><al>Een toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de omvang
                    van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw,
                    vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van een
                    bestaand gebouw, de vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de huisvesting
                    een uitbreiding dan wel een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw
                    betreft, geldt tevens als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal
                    bevat.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting langer dan
                    vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven
                    in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting aanwezig is.</al><al><vet>1.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal groepen
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is langer dan vier jaar en korter dan vijftien
                    jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte' .</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting langer
                    dan vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen
                    waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep.</al><al>Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'.</al><al>Een tijdelijke voorziening voor 1 groep extra ten behoeve van een speellokaal
                    wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel
                    uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, de vijfde groep omvat.
                    Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding dan wel een uitbreiding
                    ter vervanging van een bestaand gebouw betreft, geldt tevens als voorwaarde dat
                    het bestaande gebouw geen speellokaal bevat.</al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                    verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                    aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde capaciteit
                    van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door
                    aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals
                    omschreven in deel A van deze bijlage: 'De bepaling van de capaciteit'.</al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het
                    gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting langer dan vier
                    jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt
                    bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting, langer dan vier jaar en korter dan vijftien jaar,
                    noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening verplaatsing van
                    noodlokalen wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is langer dan vier jaar en korter dan vijftien jaar. Het aantal
                    groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtehoefte',</al><al><vet>1.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van
                    het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
                    het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage
                    III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, bepaald door het verschil tussen het aantal groepen
                    waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is bekostigd en de
                    normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket voor het
                    aantal groepen, op basis van het aantal gewogen leerlingen, zoals normatief kan
                    worden gevormd op de, voor het indienen van de aanvraag, meest recente teldatum.
                    Het aantal groepen wordt bepaald zoals omschreven in paragraaf 1.3. van deel B
                    van deze bijlage.</al><al>Het aantal groepen op basis van het aantal gewogen leerlingen wordt bepaald met
                    behulp van de formule: F = A + 1/2(B-A) + C. De componenten F, A, B en C zijn
                    identiek aan de componenten zoals weergegeven in de formule voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen in Bijlage III, deel B onder 1.1.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de toeslag onderwijsleerpakket tweede
                    speellokaal toegekend indien er sprake is van een uitbreiding met een tweede
                    speellokaal. Voor een basisschool wordt de omvang van de toeslag meubilair
                    tweede speellokaal toegekend indien er sprake is van een uitbreiding met een
                    tweede speellokaal.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het
                    meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het meubilair, wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor eerste aanschaf van
                    het meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het
                    meubilair voor het aantal groepen, op basis van het aantal ongewogen leerlingen,
                    zoals normatief kan worden gevormd op de, voor het indienen van de aanvraag,
                    meest recente teldatum.</al><al>Het aantal groepen op basis van het aantal ongewogen leerlingen wordt bepaald
                    met behulp van de formule F = A. De componenten F en A zijn identiek aan de
                    componenten zoals weergegeven in de formule voor blijvend gebruik bestemde
                    voorzieningen in Bijlage III, deel B onder 1.1.</al><al>De omvang van de toeslag meubilair als gevolg van de groepsgrootteverkleining
                    wordt bepaald door het verschil in het een geheel getal afgeronde aantal
                    groepen, op basis van basisformatie verhoogd met de component
                    groepsgrootteverkleining en de formatie voor speciale doeleinden - voor zover
                    bestemd voor de verkleining van de groepsgrootte en kwaliteitsverbetering voor
                    de eerste vier schooljaren van de leerlingen en die door het schoolbestuur
                    daadwerkelijk wordt ingezet om de groepsgrootte te verkleinen - en het op een
                    geheel getal afgeronde aantal groepen op basis van de basisformatie. Het aantal
                    groepen wordt alleen op een geheel getal naar boven afgerond indien het cijfer
                    achter de komma groter is dan vijf.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, danwel
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor
                    het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al><vet>1.4 Gymnastiekruimten</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al><vet>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</vet></al><al><vet>1 Basisonderwijs</vet></al><lijst><li nr="–"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="–"><al>1 speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte van 84
                            m2;</al></li><li nr="–"><al>minimumoppervlakte leslokaal: 42 m2 netto.</al></li></lijst><al><vet>2 Gymnastiekruimten</vet></al><lijst><li nr="–"><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.</al></li><li nr="–"><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al></li><li nr="–"><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                            was-/douchegelegenheid.</al></li></lijst><al><vet>III 1 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                        vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het basisonderwijs'</vet></al><al>De vaststelling van de bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw:</al><al>De bruto vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de bruto
                    vloeroppervlakten van alle onderwijsruimten en andere ruimten op alle
                    vloerniveaus.</al><al>De bruto vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door de
                    buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op
                    vloerhoogte.</al><al>De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot de bruto
                    vloeroppervlakte te worden gerekend.</al><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in of aanpandige gymnastieklokalen
                    wordt toegerekend aan het lesgebouw.</al><al>Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in of aanpandig gelegen
                    gymnastieklokalen wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de
                    scheidingsconstructie.</al><al>Tot de bruto vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat of een vide,
                    voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4 m2.</al><al>Uitzonderingen:</al><al>In en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf
                    bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend.</al><al>Indien de bruto vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen de netto
                    oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De bruto vloeroppervlakte wordt
                    dan verkregen door de gevonden nettovloeroppervlakte te vermenigvuldigen met de
                    factor 1,1.</al><al>Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of
                    andere ruimte, wordt de bruto vloeroppervlakte bepaald door de
                    nettovloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte &gt; 2,60
                    m te vermenigvuldigen met de factor 1,1.</al><al>Voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging,
                    keuken, stencilruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de
                    bruto vloeroppervlakte.</al><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al><vet>Deel A De bepaling van de capaciteit</vet></al><al>Basisonderwijs</al><al>Capaciteit van de gebouwen</al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gebouwen, ten behoeve van de nulmeting
                    en later, is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen beoordelen maar
                    ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                    capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd in een aantal groepen. De eerste
                    keer geschiedt dit in de nulmeting. Lang niet alle gebouwen voldoen aan de voor
                    de decentralisatie gehanteerde oppervlaktenormering, vooral veel oudere gebouwen
                    hebben meer m2 BVO dan behoort bij het aantal groepen waarvoor het gebouw
                    geschikt is. Indien een dergelijk gebouw moet worden uitgebreid is het reëel
                    naar de mogelijkheid te kijken of met de uitbreiding de 'overdimensionering' van
                    het gebouw kan worden teruggedrongen. Van belang daarbij is onder andere de BVO
                    van het gebouw. De BVO is een gegeven dat is vastgelegd in de
                    gegevensadministratie van het ministerie van OCenW en als zodanig meermaals
                    geverifieerd.</al><al>De capaciteit van het gebouw is ook een bij het ministerie van OCenW vastliggend
                    gegeven, maar is normatief, aan de hand van oppervlaktetabellen vastgesteld. De
                    werkelijkheid kan afwijkend zijn van de registratie. Om deze reden is gekozen
                    voor een nieuwe vaststelling van de capaciteit van de gebouwen. De capaciteit
                    van een gebouw in groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het gebouw. Indien
                    de normatieve BVO behorend bij het vastgestelde aantal groepen dat in het gebouw
                    kan worden gehuisvest, lager is dan de werkelijke BVO, is het gebouw
                    'overgedimensioneerd'. Het aantal m2 van deze 'overdimensionering' is van belang
                    op het moment dat een gebouw moet worden uitgebreid. Op dat moment kan worden
                    bezien in hoeverre de fysieke uitbreiding van het gebouw kan worden beperkt,
                    terwijl de noodzakelijke capaciteitsvergroting van het gebouw wordt
                    gerealiseerd. De vermindering van de 'overdimensionering' van de BVO van het
                    gebouw is van belang om een gunstiger uitgangspunt te creëren voor de vergoeding
                    van de materiële exploitatie.</al><al>Rangordebepaling</al><al>Indien de school beschikt over meerdere gebouwen, een hoofdgebouw en
                    dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat het
                    leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en zo
                    ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                    vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                    dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste gebouwen
                    het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen worden
                    afgestoten dan grotere gebouwen. De rangorde is nu bij het ministerie van OCenW
                    vastgelegd en wordt als zodanig overgenomen. Er zijn redenen denkbaar om voor
                    een andere rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld een kleinere dislocatie kan
                    structureel voldoende huisvesting bieden en door de rangorde aan te passen kan
                    de grotere dislocatie worden afgestoten. In een dergelijk geval stellen
                    burgemeester en wethouders, na overleg met het bevoegd gezag, een andere
                    volgorde van de dislocaties vast.</al><al>Terrein</al><al>De terreinoppervlakte in het basisonderwijs wordt voor de eerste keer
                    geregistreerd. De gegevens zoals deze bij het Kadaster zijn vastgelegd, zijn
                    maatgevend voor de gemeentelijke administratie. Voor het openbaar onderwijs is
                    in niet alle gevallen de terreinoppervlakte geregistreerd die hoort bij het
                    onderwijsgebouw. Het kan zijn dat de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en andere openbare gebouwen als één geheel is geregistreerd. In die gevallen
                    wordt geen terreinoppervlakte geregistreerd.</al><al>Inventaris</al><al>De hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat
                    uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Er wordt van uitgegaan dat een inventaris is
                    verstrekt voor het aantal groepen waarvoor voor het schooljaar 1996/1997
                    huisvesting zou kunnen worden gevraagd. Vaststaat dat voor dit aantal groepen
                    ook een onderwijsleerpakket en meubilair aangevraagd had kunnen worden op basis
                    van de oktobertelling 1995 of op basis van de buitenreguliere telling augustus
                    1996. Op deze aanvragen is nog door het ministerie van OCenW beslist. Het kan
                    zijn dat in het verleden voor meer groepen onderwijsleerpakket en meubilair is
                    verstrekt dan het aantal groepen waarvoor voor het schooljaar 1996/1997
                    huisvesting kan worden gevraagd. De gemeente kan dit aantonen aan de hand van de
                    hiertoe afgegeven beschikkingen door het ministerie van OCenW. In een aantal
                    gevallen hebben burgemeester en wethouders, zonder een goedkeurende beschikking
                    van OCenW, zelf gezorgd voor de uitbreiding van het onderwijsleerpakket en
                    meubilair. Ook dit is aantoonbaar door middel van de daartoe gevoerde
                    correspondentie tussen burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van de
                    school. In beide gevallen is het hoogste aantal groepen waarvoor een
                    onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt het uitgangspunt voor het
                    beoordelen van de omvang van de noodzakelijke uitbreiding van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair.</al><al>De periode waarnaar wordt gekeken, is de periode na inwerkingtreding van de WBO.
                    In de OWBO is bepaald dat de inventaris aanwezig op het moment van
                    inwerkingtreding van de wet wordt geacht te voldoen. Verder terugkijken in de
                    tijd heeft dus geen zin.</al><al>Gymnastiekruimten</al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van
                    een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal klokuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor
                    basisonderwijs kan 40 klokuren worden gebruikt. Een school voor het
                    basisonderwijs kan gezien de schooltijden van de school echter niet meer dan 26
                    klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak
                    maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan
                    behorende bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten
                    behoeve van de betreffende school bepaald door het aantal uren dat deze
                    gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor
                    de klokuren noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een
                    andere school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van
                    de gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden.</al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding
                    van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk
                    terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de
                    terreinoppervlakte geregistreerd.</al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket
                    en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de
                    invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar
                    medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het
                    meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in
                    gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al><al><vet>Deel B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet></al><al>Basisonderwijs</al><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een school in het basisonderwijs houdt in
                    dat wordt bezien hoe groot de capaciteitsbehoefte van de desbetreffende school
                    is in relatie tot de eventueel reeds aanwezige capaciteit. De omvang van de
                    noodzakelijke capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt uitgedrukt in
                    groepen, zijnde het aantal formatieplaatsen in de basisformatie. Er is
                    onderscheid gemaakt in het bepalen van de ruimtebehoefte voor tijdelijke en voor
                    permanente voorzieningen. Bij de bepaling van de ruimtebehoefte voor een
                    tijdelijke voorziening wordt wel rekening gehouden met de gewogen leerlingen,
                    bij de bepaling van de ruimtebehoefte voor een permanente voorziening wordt
                    hiermee geen rekening gehouden.</al><al><vet>Deel C De bepaling van de omvang van de toekenning</vet></al><al>Basisonderwijs</al><al>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente
                    voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting
                    van belang voor het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering.
                    Indien het bestaande gebouw groter is (meer m2) dan de norm behorend bij de
                    capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    capaciteitsvermeerdering, geheel of gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een
                    interne aanpassing van het gebouw. De kosten van deze aanpassing zijn
                    belangrijk: indien de aanpassing duurder is dan een uitbreiding van het gebouw,
                    wordt het gebouw uitgebreid.</al><al>De omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal groepen
                    zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen.
                    Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel
                    gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
                    is.</al><al>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor tijdelijke
                    voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting
                    van belang voor het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering.
                    Indien het bestaande gebouw groter is (meer m2) dan de norm behorend bij de
                    capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    capaciteitsvermeerdering, geheel of gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een
                    interne aanpassing van het gebouw. De kosten van deze aanpassing zijn
                    belangrijk: indien de aanpassing duurder is dan een uitbreiding van het gebouw,
                    wordt het gebouw uitgebreid.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
                    is.</al><al>De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                    groepen waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in verhouding tot
                    de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden van medegebruik
                    aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden verwezen.</al><al>Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III, deel D,
                    gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen.
                    De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang van de
                    terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw.</al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket of de uitbreiding
                    hiervan wordt bepaald door het aantal groepen, op basis van het gewogen
                    leerlingenaantal, waarvoor deze voorziening noodzakelijk is. In het geval van
                    uitbreiding geldt dat het verschil in groepen wordt bepaald door het aantal
                    groepen zoals aanwezig was op de laatste teldatum voor het indienen van de
                    aanvraag en het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket is bekostigd. Het aantal groepen waarvoor de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket reeds is bekostigd, wordt bepaald door het aantal
                    groepen dat wordt bekostigd bij de aanvang van het schooljaar 1996/1997, tenzij
                    burgemeester en wethouders kunnen aantonen dat voor meer groepen eerste
                    inrichting van het onderwijsleerpakket is gegeven.</al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het meubilair of uitbreiding hiervan wordt
                    op dezelfde wijze bepaald als de eerste aanschaf of de uitbreiding van het
                    onderwijsleerpakket. De verstrekking of de bekostiging van het meubilair wordt
                    echter bepaald door het aantal groepen op basis van het ongewogen
                    leerlingenaantal.</al><al>De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die strikt
                    noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van onderwijs.
                    Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor bekostiging in aanmerking komen
                    die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het geven van onderwijs niet
                    overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn omdat een gebouw in gebruik
                    wordt genomen of omdat de capaciteit van het gebouw moet worden vergroot voor
                    het creëren van een extra les of speellokaal. Activiteiten die noodzakelijk zijn
                    als gevolg van specifieke wet en regelgeving, bijvoorbeeld Arbo eisen, kunnen
                    eveneens voor bekostiging in aanmerking komen. Als een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie moet worden vervangen door een gasgestookte installatie
                    komen de meerkosten ten opzichte van het vervangen van een gasgestookte
                    installatie door een gasgestookte installatie voor bekostiging in aanmerking. De
                    meerkosten zullen in de meeste gevallen betrekking hebben op de noodzakelijke
                    verplaatsing van de installatie.</al><al>De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die noodzakelijk
                    zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn omschreven in het
                    overzicht 'onderhoud primair onderwijs', door de vervanging van de
                    binnenkozijnen en binnendeuren of door de vervanging van radiatoren, convectoren
                    en leidingen voor de centrale verwarming of door het totaal van verschillende
                    van deze activiteiten.</al><al><vet>Deel D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</vet></al><al>De wet geeft de opdracht aan gemeenten om in de verordening bepalingen op te
                    nemen met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen. In de
                    modelverordening is gekozen voor een beperkt aantal bepalingen. Enerzijds omdat
                    op die wijze de autonomie van een schoolbestuur zo groot mogelijk is, anderzijds
                    omdat naar aanleiding van de tweede fase van het Bouwbesluit VROM reeds een
                    aantal centrale eisen aan schoolgebouwen gesteld zullen worden.</al><al>Ook de minister van OCenW zal, door middel van een Algemene maatregel van
                    bestuur, enkele minimale oppervlakte eisen stellen. Deze betreffen echter niet
                    de specifieke ruimten, doch het totale gebouw, danwel alle bij een school in
                    gebruik zijnde gebouwen.</al><al>In aanvulling op de centrale eisen bepaalt de modelverordening alleen iets over
                    de oppervlakte en de indeling uit het oogpunt van functionaliteit van ruimten,
                    met name in verband met de mogelijkheden voor medegebruik.</al><al><vet>Bijlage IV Financiële normering</vet></al><al>De financiële normering valt uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="–"><al>deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</al></li><li nr="–"><al>deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al></li><li nr="–"><al>deel C: bepaling medegebruikstarief;</al></li><li nr="–"><al>deel D: vergoeding van door de minister voor 1997 goedgekeurde
                            voorzieningen.</al></li></lijst><al><vet>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen</vet></al><al><vet>1 Basisonderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><lijst><li nr="–"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li><li nr="–"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li><li nr="–"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li><li nr="–"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                            1.4);</al></li><li nr="–"><al>onderhoud (paragraaf 1.5) en</al></li><li nr="–"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6).</al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1
                    juli 1996 en voorzien van het verwachte MEV-indexcijfer voor 1997 (2,25% voor de
                    huisvestingsvoorzieningen en 1,25% voor onderhoud en eerste inrichting). Indien
                    het werkelijke MEV-cijfer voor 1997 hiermee niet overeenkomt, dienen de
                    genormeerde bedragen te worden gecorrigeerd. Voor de klokuurvergoeding
                    gymnastiek is nog geen MEV-cijfer toegepast.</al><al>De systematiek van prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk
                    4.</al><al><vet>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</vet></al><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een vijftal
                    kostencomponenten, te weten:</al><lijst><li nr="–"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="–"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="–"><al>toeslag voor paalfundering;</al></li><li nr="–"><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</al></li><li nr="–"><al>toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen/bouwrijp maken en
                            verhuiskosten bij vervangende bouw.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een aander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><al>Kosten voor terreinen</al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen
                    kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke
                    diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor
                    de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de
                    gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal
                    benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel
                    D.</al><al>Bouwkosten</al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op
                    staal, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat
                    uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Met deze vergoedingsbedragen kan de
                    in bijlage III aangegeven bruto vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="–"><al>Vaste voet (inclusief twee groepen): € 549.366,80</al></li><li nr="–"><al>Elke volgende groep: € 110.276,00</al></li></lijst><al>Toeslag voor paalfundering</al><al>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van het
                    gebouw op staal. In een aantal gevallen zal fundering op palen nodig zijn. De
                    kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn drie categorieën, te
                    weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en langer. De vergoeding is
                    uitgedrukt in een vast bedrag (inclusief twee groepen) en een bedrag per
                    groep.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>1 &lt; 15 m</al></entry><entry colname="col3"><al>15 &lt; 20 m</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt; 20 m</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet (incl.twee groepen)</al></entry><entry colname="col2"><al>€7.739,00</al></entry><entry colname="col3"><al>11.287,85</al></entry><entry colname="col4"><al>18.062,59</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende groep:</al></entry><entry colname="col2"><al>€1.607,08</al></entry><entry colname="col3"><al>2.718,27</al></entry><entry colname="col4"><al>4.865,13</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor een afzonderlijk speellokaal</al><al>In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van
                    een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk
                    van de lengte van de paalfundering, waarmee 90 m2 ruimte gerealiseerd kan
                    worden.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="–"><al>Geen paalfundering nodig: € 94.523,01</al></li><li nr="–"><al>Lengte paalfundering 1 &lt; 15 meter: 95.900,00</al></li><li nr="–"><al>Lengte paalfundering 15 &lt; 20 meter: 96.852,52</al></li><li nr="–"><al>Lengte paalfundering ³ 20 meter: 98.692,25</al></li></lijst><al>Toeslag voor sloopkosten etc.</al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt bestaat de mogelijkheid dat het oude
                    schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het desbetreffende terrein moet daarna
                    worden hersteld en, indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats wordt
                    gerealiseerd, dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende
                    locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor sloopkosten (inclusief eventuele verhuiskosten)
                    zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per groep,
                    afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te worden.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="–"><al>Permanente bouw: € 4.796,76 per groep</al></li><li nr="–"><al>Tijdelijke bouw: 2.399,40 per groep</al></li></lijst><al><vet>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</vet></al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1000 m2
                    brutovloeroppervlakte (maximaal 9 groepen) is onderstaand de financiële
                    normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van
                    de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf
                    1.1).</al><al>Indien een uitbreiding als gevolg van de groepsgrootteverkleining gelijktijdig
                    wordt toegekend met een uitbreiding als gevolg van de feitelijke groei van het
                    aantal leerlingen, wordt eenmaal de vaste voet toegekend.</al><al>Kosten voor terrein</al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al>Bouwkosten</al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het lokaal, inclusief fundering op
                    staal, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De
                    vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Met deze
                    vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto vloeroppervlakte
                    worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="–"><al>Vaste voet: € 79.586,83</al></li><li nr="–"><al>Bedrag per groep: 127.577,40</al></li></lijst><al>Toeslag voor paalfundering</al><al>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van de
                    uitbreiding van het gebouw op staal. In een aantal gevallen zal echter fundering
                    op palen nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er
                    zijn drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en
                    langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag en een bedrag per
                    groep.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>1 &lt; 15 m</al></entry><entry colname="col3"><al>15 &lt; 20 m</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt;20 m</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet:</al></entry><entry colname="col2"><al>€3.562,62</al></entry><entry colname="col3"><al>4.646,26</al></entry><entry colname="col4"><al>7.454,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Per groep:</al></entry><entry colname="col2"><al>563,75</al></entry><entry colname="col3"><al>1.461,17</al></entry><entry colname="col4"><al>2.953,97</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor een afzonderlijk speellokaal</al><al>In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van
                    een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk
                    van de lengte van de paalfundering, waarmee 90 m2 ruimte gerealiseerd kan
                    worden. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een afzonderlijk speellokaal steeds in
                    combinatie met een uitbreiding van ten minste één groep (lokaal)
                    plaatsvindt.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Uitbreiding tegelijkertijd met een regulier lokaal:</al><lijst><li nr="–"><al>Geen paalfundering nodig: €109.352,56</al></li><li nr="–"><al>Lengte paalfundering 1 &lt; 15 meter: 109.835,20</al></li><li nr="–"><al>Lengte paalfundering 15 &lt; 20 meter: 110.604,56</al></li><li nr="–"><al>Lengte paalfundering ³ 20 meter: 111.884,61</al></li></lijst><al>uitbreiding met alleen een speellokaal:</al><lijst><li nr="-"><al>Geen paalfundering nodig €196.490,65</al></li><li nr="-"><al>lengte paalfundering 1&lt;15 m 202.123,09</al></li><li nr="-"><al>lengte paalfundering 15&lt;20 m 203.353,15</al></li><li nr="-"><al>lengte paalfundering &gt;20 m 204.351,58</al></li></lijst><al>Toeslag voor sloopkosten etc.</al><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</al><al><vet>1.3 Tijdelijke voorziening</vet></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als
                    hoofdlocatie, uitbreiding van een (permanente) hoofdlocatie met een voor
                    tijdelijk gebruik bestemd gebouw en uitbreiding van bestaande voor tijdelijk
                    gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een
                    tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik
                    bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke
                    voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit
                    niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                    procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al>Indien een uitbreiding als gevolg van de groepsgrootteverkleining gelijktijdig
                    wordt toegekend met een uitbreiding als gevolg van de feitelijke groei van het
                    aantal leerlingen, wordt eenmaal de vaste voet toegekend.</al><al>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie</al><al>Bij de berekening van de hieronder genoemde bedragen voor nieuwbouw van
                    noodlokalen is uitgegaan van de volgende bruto vloeroppervlakte:</al><lijst><li nr="–"><al>Per groep: 80 m2;</al></li><li nr="–"><al>Toeslag voor eerste groep: 20 m2;</al></li><li nr="–"><al>Toeslag voor nieuwbouw als hoofdlocatie: 160 m2.</al></li></lijst><al>Elk voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw heeft een aantal
                    standaardvoorzieningen nodig (entree en dergelijke). In verband hiermee wordt
                    voor het eerste lokaal een toeslag gegeven. Hiernaast dienen voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen, die als hoofdgebouw gaan fungeren, ook te
                    beschikken over een aantal ruimten, die normaliter ook in een permanent
                    hoofdgebouw aanwezig zijn (lerarenkamer, administratieruimte en dergelijke).
                    Hiervoor wordt eveneens een toeslag gegeven.</al><al>De vergoeding bestaat uit een vast bedrag, een bedrag per groep alsmede bedragen
                    voor de beide toeslagen. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de
                    toeslag voor paalfundering, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. Tussen haakjes staan de
                    bedragen indien paalfundering niet noodzakelijk is.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>– Vast bedrag:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 35.876,73</al></entry><entry colname="col3"><al>(35.545,11 zonder paalfundering)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– Bedrag per groep:</al></entry><entry colname="col2"><al>70.532,58</al></entry><entry colname="col3"><al>(66.492,93 ,, ,, )</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– Toeslag eerste groep:</al></entry><entry colname="col2"><al>17.633,02</al></entry><entry colname="col3"><al>(16.623,36 ,, ,, )</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– Toeslag hoofdlocatie:</al></entry><entry colname="col2"><al>141.064,,65</al></entry><entry colname="col3"><al>(132.985,87 ,, ,, )</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</al><al>Ook bij uitbreiding van tijdelijke voorzieningen wordt wat betreft de bruto
                    vloeroppervlakte uitgegaan van 80 m2 per groep. De vergoeding bestaat uit een
                    vast bedrag en een bedrag per groep. In deze bedragen zijn begrepen de
                    bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en
                    inrichting van terreinen (tussen haakjes staan de bedragen indien paalfundering
                    niet noodzakelijk is).</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>– Vast bedrag:</al></entry><entry colname="col2"><al>20.166,60</al></entry><entry colname="col3"><al>16.193,27 zonder paalfundering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– Bedrag per groep:</al></entry><entry colname="col2"><al>73.906,43</al></entry><entry colname="col3"><al>72.052,93 zonder paalfundering</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk, te weten huur van een noodlokaal
                    en huur van een bestaand gebouw. In dit deel van de bijlage is een genormeerde
                    huurvergoeding opgenomen voor een noodlokaal. Huur van een bestaand gebouw wordt
                    vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van
                    feitelijke kosten).</al><al>De hoogte van de huurvergoeding voor een noodlokaal is gebaseerd op de hieronder
                    genoemde genormeerde investeringswaarde van een noodlokaal, exclusief de
                    toeslagen voor herstel/inrichting van terrein, eenmalige aansluitkosten en de
                    toeslag voor paalfundering. Indien deze toeslagen als gevolg van de lokale
                    omstandigheden noodzakelijk zijn, worden zij bij plaatsing van het noodlokaal
                    vergoed.</al><al>Bij het bepalen van de investeringswaarde wordt er vanuit gegaan dat bij een
                    huurperiode korter dan 15 jaar een restwaarde voor het noodlokaal blijft
                    bestaan. Deze restwaarde wordt van de investeringswaarde afgetrokken, zodat een
                    netto-investeringswaarde overblijft. Bij de berekening van de
                    netto-investeringswaarde wordt de volgende verdeelsleutel gehanteerd, uitgedrukt
                    als cumulatief percentage van de nieuwbouwwaarde van een noodlokaal:</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="16*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="16*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="16*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>huurperiode</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>huurperiode</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>huurperiode</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in jaren</al></entry><entry colname="col2"><al>cum.%</al></entry><entry colname="col3"><al>in jaren</al></entry><entry colname="col4"><al>cum.%</al></entry><entry colname="col5"><al>in jaren</al></entry><entry colname="col6"><al>cum.%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>26%</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry><entry colname="col4"><al>75%</al></entry><entry colname="col5"><al>11</al></entry><entry colname="col6"><al>91%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>45%</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry><entry colname="col4"><al>79%</al></entry><entry colname="col5"><al>12</al></entry><entry colname="col6"><al>94%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>56%</al></entry><entry colname="col3"><al>8</al></entry><entry colname="col4"><al>83%</al></entry><entry colname="col5"><al>13</al></entry><entry colname="col6"><al>96%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>64%</al></entry><entry colname="col3"><al>9</al></entry><entry colname="col4"><al>86%</al></entry><entry colname="col5"><al>14</al></entry><entry colname="col6"><al>98%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>70%</al></entry><entry colname="col3"><al>10</al></entry><entry colname="col4"><al>89%</al></entry><entry colname="col5"><al>15</al></entry><entry colname="col6"><al>100%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De netto-investeringswaarde wordt bepaald door het hiervoor genoemde percentage
                    te nemen van de hieronder aangegeven bouwkosten.</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="20*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="20*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>bouwkosten</al></entry><entry colname="col3"><al>fundering</al></entry><entry colname="col4"><al>herst.terrein</al></entry><entry colname="col5"><al>aansluit-kosten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>nieuwbouw</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vaste voet</al></entry><entry colname="col2"><al>€32.041,66</al></entry><entry colname="col3"><al>331,62</al></entry><entry colname="col4"><al>545,90</al></entry><entry colname="col5"><al>4.049,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– per groep</al></entry><entry colname="col2"><al>62.754,81</al></entry><entry colname="col3"><al>4.039,14</al></entry><entry colname="col4"><al>3.738,13</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>toeslag 1e groep</al></entry><entry colname="col2"><al>15.688,70</al></entry><entry colname="col3"><al>1.010,17</al></entry><entry colname="col4"><al>934,66</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>toeslag hoofdlocatie</al></entry><entry colname="col2"><al>125.509,62</al></entry><entry colname="col3"><al>8.077,76</al></entry><entry colname="col4"><al>7.476,25</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitbreiding</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vaste voet</al></entry><entry colname="col2"><al>15.805,02</al></entry><entry colname="col3"><al>3.973,32</al></entry><entry colname="col4"><al>388,76</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– per groep</al></entry><entry colname="col2"><al>68.314,80</al></entry><entry colname="col3"><al>1.854,01</al></entry><entry colname="col4"><al>3.738,13</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Aan de hand van de periode waarvoor de tijdelijke voorziening wordt toegekend
                    (gebaseerd op de prognose), wordt de netto-investeringswaarde bepaald. De hoogte
                    van de huurvergoeding wordt vervolgens gebaseerd op de gemiddelde jaarlijkse
                    lasten aan rente en aflossing van deze netto-investeringswaarde op basis van
                    lineaire afschrijving. Het geldende rentepercentage is het rentepercentage, dat
                    wordt gehanteerd voor de gemeentebegroting.</al><al><vet>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>De bedragen voor eerste inrichting vallen uiteen in bedragen voor
                    onderwijsleerpakket (OLP) en bedragen voor meubilair. De hierna opgenomen
                    bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal groepen.
                    Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het
                    verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder
                    uitbreiding.</al><al>Voor nieuwe instituten geldt dat op de hierna genoemde bedragen, bij eerste
                    aanschaf van het totale onderwijsleerpakket en meubilair, een korting wordt
                    toegepast van 10%.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen IN EURO’S:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="20*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="20*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>AANWEZIG AANTAL GROEPEN</al></entry><entry colname="col2"><al>OLP</al></entry><entry colname="col3"><al>MEUBILAIR</al></entry><entry colname="col4"><al>TOTAAL</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>38.511,58</al></entry><entry colname="col3"><al>22.985,83</al></entry><entry colname="col4"><al>61.497,41</al></entry><entry colname="col5"><al>Incl. speellok.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>43.825,16</al></entry><entry colname="col3"><al>30.888,55</al></entry><entry colname="col4"><al>74.713,71</al></entry><entry colname="col5"><al>Incl. speellok.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>54.536,67</al></entry><entry colname="col3"><al>39.038,55</al></entry><entry colname="col4"><al>93.575,22</al></entry><entry colname="col5"><al>Incl. speell.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>60.045,60</al></entry><entry colname="col3"><al>46.941,75</al></entry><entry colname="col4"><al>106.987,35</al></entry><entry colname="col5"><al>Incl. speell.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende groep</al></entry><entry colname="col2"><al>5.832,94</al></entry><entry colname="col3"><al>5.514,65</al></entry><entry colname="col4"><al>11.347,59</al></entry><entry colname="col5"><al>Excl. Speell.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag tweede speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>760,44</al></entry><entry colname="col3"><al>5.274,51</al></entry><entry colname="col4"><al>6.034,96</al></entry><entry colname="col5"><al>Zowel olp als meub.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>1.5 Onderhoud</vet></al><al>Voor de in bijlage 1 onderscheiden onderhoudsactiviteiten kan een aanvraag voor
                    vergoeding worden ingediend bij de gemeente. Indien niet gekozen wordt voor
                    vergoeding op basis van feitelijke kosten, maar op basis van normbedragen,
                    worden onderhoudsactiviteiten op basis van onderstaande normering vergoed. De
                    hierna volgende normbedragen zijn investeringsbedragen.</al><al>De normbedragen omvatten per activiteit een bedrag voor een vaste voet en een
                    bedrag per m2 bruto-vloeroppervlakte.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Activiteit</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag voor vaste voet</al></entry><entry colname="col3"><al>Bedrag per m2 BVO</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>1a Hellend dak</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vervangen pannen, goten,houtwerk</al></entry><entry colname="col2"><al>€18.329,77</al></entry><entry colname="col3"><al>15,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vervangen dakgoot van pvc</al></entry><entry colname="col2"><al>2.817,36</al></entry><entry colname="col3"><al>3.37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vervangen dakranden</al></entry><entry colname="col2"><al>8.225,29</al></entry><entry colname="col3"><al>9,80</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>1b Plat dak</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vervangen bitumen-dakbedekking</al></entry><entry colname="col2"><al>16.326,22</al></entry><entry colname="col3"><al>22,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vervangen dakranden en hemelwaterafvoeren</al></entry><entry colname="col2"><al>9.547,49</al></entry><entry colname="col3"><al>11,54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vervangen daklichten</al></entry><entry colname="col2"><al>464,08</al></entry><entry colname="col3"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>2 Buitenberging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vervangen dak berging</al></entry><entry colname="col2"><al>324,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,36</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vervangen rijwielberging</al></entry><entry colname="col2"><al>-3.583,53</al></entry><entry colname="col3"><al>8,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vervangen rijwielstaanders</al></entry><entry colname="col2"><al>-53,84</al></entry><entry colname="col3"><al>2,27</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>3 Terrein</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vervangen erfscheiding</al></entry><entry colname="col2"><al>16.334,79</al></entry><entry colname="col3"><al>7,65</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vervangen riolering</al></entry><entry colname="col2"><al>965,33</al></entry><entry colname="col3"><al>5,45</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vervangen bestrating</al></entry><entry colname="col2"><al>-780,93</al></entry><entry colname="col3"><al>19,83</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>4 Buitenzijde gebouw</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– algehele vervanging van kozijnen en deuren en algehele
                                        vervanging van hang- en sluitwerk</al></entry><entry colname="col2"><al>-4.814,72</al></entry><entry colname="col3"><al>114,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– algehele vervanging van boeiboorden</al></entry><entry colname="col2"><al>1.079,68</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– vervanging brandtrap</al></entry><entry colname="col2"><al>183,92</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>5 Binnenzijde gebouw</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– algehele vervanging van kozijnen en deuren en algehele
                                        vervanging van hang- en sluitwerk</al></entry><entry colname="col2"><al>2.242,26</al></entry><entry colname="col3"><al>15,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– algehele vervanging van radiatoren, CV-leidingen en
                                        convectoren</al></entry><entry colname="col2"><al>2.742,56</al></entry><entry colname="col3"><al>42,77</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>1.6 Gymnastiek</vet></al><al>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</al><al>Nieuwbouw</al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 662.275,36 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 675.670,27 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat
                    tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
                    De grondkosten zijn hierin niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="–"><al>Paallengte 1 &lt; 15 meter: € 13.320,93</al></li><li nr="–"><al>Paallengte 15 &lt; 20 meter: € 18.363,60</al></li><li nr="–"><al>Paallengte ³ 20 meter: € 25.790,88</al></li></lijst><al>Uitbreiding</al><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2.</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140
                    m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252
                    m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt
                    uit:</al><lijst><li nr="–"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2: € 153.871,32</al></li><li nr="–"><al>Uitbreiding met 121 t/m 150 m2: € 187.051,71</al></li></lijst><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– Paallengte 1 &lt; 15 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 5.963,55</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7.456,87</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– Paallengte 15 &lt; 20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 10.329,21</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 12.908,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– Paallengte &gt; 20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.887,13</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 21.108,91</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Vergoeding per klokuur</al><al>Ingevolge artikel 86, lid 2, van de Wet op het basisonderwijs worden de volgende
                    vergoedingsbedragen voor het gebruik van een gymnastiekzaal vastgesteld. De
                    bedragen bevatten een vergoeding voor onderhoud aan de binnenzijde van het
                    gebouw, de materiële instandhouding alsmede een vergoeding voor vervanging en
                    aanpassing van onderwijsleerpakket en meubilair. De hoogte van de vergoeding is
                    afhankelijk van het stichtingsjaar van de gymnastiekaccommodatie en de
                    oppervlakte van de oefenzaal.</al><al>De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een variabel bedrag per vastgesteld
                    klokuur.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Stichtingsjaar en omvang oefenzaal</al></entry><entry colname="col2"><al>Vast bedrag</al></entry><entry colname="col3"><al>Variabel bedrag</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Tot 1987:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– &lt; 90 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.348,99</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 285,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– 90 - 130 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.014,14</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 361,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– 130 - 170 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.295,74</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 389,75</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– 170 - 190 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.145,17</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 426,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– 190 - 230 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.012,24</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 469,80</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– &gt; 230 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.409,14</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 525,55</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Vanaf 1987:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>– &gt; 252 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.706,82</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 477,90</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</al><al>Naast gymnastiek in een eigen lokaal van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik of
                    huur (van een andere school/de gemeente/een commerciële exploitant). Afhankelijk
                    van de eigenaar van de accommodatie bestaat recht op de volgende
                    vergoeding:</al><lijst><li nr="–"><al>Indien de gymnastiekzaal van een andere school voor primair onderwijs
                            wordt gebruikt, wordt het variabele deel van het klokuurbedrag aan de
                            eigenaar vergoed.</al></li><li nr="–"><al>Indien de gymnastiekzaal van een school voor voortgezet onderwijs wordt
                            gebruikt, wordt het vaste en het variabele deel van het klokuurbedrag
                            vergoed.</al></li><li nr="–"><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt,
                            volstaat ingebruikgeving van de accommodatie voor het vastgesteld aantal
                            klokuren.</al></li><li nr="–"><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                            gebruikt, zal de huurprijs (stichtingskosten + materiële instandhouding)
                            worden vergoed. De huurprijs wordt door de gemeente aan de exploitant
                            voldaan.</al></li></lijst><al>OLP/meubilair</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal voor basisonderwijs bedraagt € 41.759,19.</al><al>Onderhoud</al><al>De klokuurvergoeding voorziet niet in een genormeerde vergoeding voor
                    onderhoudsactiviteiten aan de buitenzijde van het gebouw. Een schoolbestuur met
                    een eigen gymnastieklokaal kan derhalve aanspraak maken op onderhoud voor de
                    buitenzijde conform de activiteitenlijst in bijlage 1 van de verordening. De
                    hieronder genoemde bedragen gaan uit van een gymnastiekaccommodatie van 455 m2.
                    Bij kleinere gebouwen kunnen de bedragen naar rato worden bepaald.</al><al>De bedragen zien er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Activiteit</al></entry><entry colname="col2"><al>Vergoeding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vervanging dakbedekking (Bit.)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 10.362,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vervanging dakranden/hwa</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 9.703,77</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vervanging daklichten</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.403,20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vervanging staanders rijwielstalling</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.551,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vervanging erfscheiding</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.930,24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Herstel riolering</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.144,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Herstel bestrating</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.665,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Alg. vervanging buitenkozijnen</al></entry><entry colname="col2"><al>€43.155,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Alg. vervanging hang- en sluitwerk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 793,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Alg. vervanging boeiboorden</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.461,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Alg. vervanging binnenkozijnen</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.857,79</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Alg. vervanging hang- en sluitwerk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.302,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Alg. vervanging radiatoren etc.</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.642,57</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>2 Indexering</vet></al><al>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn herleid naar het prijspeil van 1
                    juli 1996. Jaarlijks worden door het college van burgemeester en wethouders de
                    werkelijke prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte
                    prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de
                    vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma bekendgemaakt.</al><al>Werkelijke prijsontwikkeling</al><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling
                    tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen
                    aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het
                    prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwprijzen van woningen', gepubliceerd in
                    de 'Maandstatistiek bouwnijverheid' van het CBS (eventueel zou voor onderhoud
                    kunnen worden aangesloten bij het prijsindexcijfer van de materialen in de
                    woningbouw).</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het CBS-indexcijfer 'prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie voor
                    alle huishoudens' (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de
                    prijzen' van het CBS.</al><al>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</al><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma
                    wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het
                    werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is
                    noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma
                    en het moment van vergoeding vast te stellen.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding, geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen voor woningen',
                    zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals
                    bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al><al><vet>DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet></al><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                    vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis
                    van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge
                    artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van feitelijke kosten,
                    dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen aanbestedingsregels te worden
                    voldaan.</al><al>Europese aanbesteding</al><al>Indien de omvang van een opdracht of contract boven een bepaald bedrag uitkomt,
                    worden ingevolge het Besluit overheidsaanbestedingen 1993 de richtlijnen van de
                    Europese Unie (89/440/EG) toegepast. Deze richtlijnen gelden vanaf de volgende
                    bedragen:</al><lijst><li nr="–"><al>200.000 Euro (exclusief BTW) voor leveringen en diensten;</al></li><li nr="–"><al>5.000.000 Euro (exclusief BTW) voor werken.</al></li></lijst><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder de
                    definitie 'werken'. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of onderwijsleerpakket
                    valt onder 'leveringen'. Bij aankoop van gebouwen en terreinen is de richtlijn
                    uiteraard niet van toepassing.</al><al>De richtlijnen voor aanbesteding van deze opdrachten zijn nader uitgewerkt in
                    het Uniform aanbestedingsreglement-EG 1991 (UAR-EG 91), hetgeen van toepassing
                    is op opdrachten in het kader van deze verordening.</al><al>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag</al><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen, zoals
                    vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen 1993, van toepassing. Deze
                    richtlijnen en de hierbij behorende procedures zijn uitgewerkt in het Uniform
                    aanbestedingsreglement 1986 (UAR 86), hetgeen van toepassing is op opdrachten in
                    het kader van deze verordening.</al><al>Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken gemaakt
                    over de wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat, tenzij
                    burgemeester en wethouders na overleg anders beslissen, ten minste twee offertes
                    gevraagd dienen te worden.</al><al><vet>DEEL C Bepaling medegebruikstarieven</vet></al><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor voortgezet onderwijs,
                    alsmede een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs
                    betaalt voor het medegebruik van een lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte,
                    een vergoeding. Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij
                    meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke
                    programma's van eisen voor het basisonderwijs, zoals jaarlijks wordt bekend
                    gemaakt door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.</al><al><vet>DEEL D Vergoeding van door de minister voor 1997 toegekende
                        voorzieningen</vet></al><al>In hoofdstuk 8, paragraaf 8.1 van deze verordening zijn bepalingen opgenomen met
                    betrekking tot de afhandeling van door de minister voor 1997 goedgekeurde
                    voorzieningen in de huisvesting. Ingevolge de wet dient de gemeente deze
                    voorzieningen te vergoeden.</al><al>Voor de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor de goedgekeurde
                    voorzieningen wordt het in de beschikking van de minister genoemde bedrag
                    gehanteerd.</al><al>Indien in de beschikking geen bedrag is opgenomen, wordt de hoogte van de
                    vergoeding bepaald aan de hand van de normbedragen, zoals opgenomen in deel A
                    van deze bijlage. Voor zover in deel A van deze bijlage geen normbedragen zijn
                    opgenomen voor de goedgekeurde voorziening, wordt de hoogte van de voorziening
                    vastgesteld op basis van de programma’s van eisen voor het jaar 1996. De
                    bedragen in de programma’s van eisen dienen nog, conform de systematiek in deel
                    A hoofdstuk 4, te worden geïndexeerd.</al><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al>In deze bijlage is de systematiek opgenomen op basis waarvan toegekende
                    voorzieningen worden bekostigd. De bijlage valt uiteen in twee mogelijke
                    vergoedingsmethoden, namelijk:</al><lijst><li nr="–"><al>vergoeding op basis van normbedragen (deel A);</al></li><li nr="–"><al>vergoeding op basis van feitelijke kosten (deel B).</al></li></lijst><al>In deel C is vervolgens de systematiek weergegeven op basis waarvan
                    medegebruikstarieven kunnen worden vastgesteld.</al><al>In deel D is aangegeven op welke wijze de gemeente de door de minister voor 1997
                    goedgekeurde voorzieningen vergoedt.</al><al>De keuze tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis van
                    feitelijke kosten dient vooraf te worden vastgelegd in artikel 4 van de
                    verordening. In deze modelverordening zijn zoveel mogelijk vergoedingen
                    genormeerd. Slechts indien normering niet mogelijk is, dan wel tot irreële
                    uitkomsten leidt, is afgezien van normering. Afhankelijk van de lokale situatie
                    kan de keuze tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis
                    van feitelijke kosten een andere zijn.</al><al><vet>Deel A Vergoeding op basis van normbedragen</vet></al><al><vet>1 Basisonderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke
                    voorziening, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair, onderhoud en
                    gymnastiek genormeerde bedragen opgenomen. Alle genoemde bedragen zijn herleid
                    tot het prijspeil 1 juli 1996. Ten behoeve van de vergoeding van voorzieningen
                    in 1997 dienen deze bedragen nog te worden geïndexeerd met het MEV-cijfer. In de
                    opgenomen bedragen is dit, behalve de bedragen voor klokuren gymnastiek, door
                    middel van een verwacht MEV-cijfer van 2,25% respectievelijk 1,25%, reeds
                    gerealiseerd. Alleen voor de vergoeding per klokuur gymnastiek in 1997 dient het
                    MEV-cijfer voor 1997 nog verwerkt te worden. Indien de MEV 1997 afwijkt van het
                    verwachte MEV-cijfer dient de vergoeding van een toegekende
                    huisvestingsvoorziening te worden gecorrigeerd.</al><al>Nieuwbouw/uitbreiding</al><al>Voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw is zoveel mogelijk
                    genormeerd op een bedrag voor een vaste voet en een bedrag per groep. Hiernaast
                    kunnen, afhankelijk van de beoordeling, toeslagen worden gegeven voor fundering,
                    inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal en sloopkosten.
                    Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze
                    kosten met de ligging sterk kunnen variëren.</al><al>Tijdelijke voorziening</al><al>Tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van
                    noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door
                    middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging
                    tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte
                    gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol
                    spelen.</al><al>Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen
                    tijdelijke lokalen als eerste voorziening (nieuwbouw), het uitbreiden van een
                    permanent hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen en uitbreiding van een
                    bestaande noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen als eerste voorziening is er
                    geen permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er een extra toeslag moet worden
                    gegeven om voorzieningen als directieruimten, lerarenkamer, conciërgeruimte en
                    dergelijke (toeslag hoofdlocatie) te kunnen realiseren. Indien er wel een
                    permanent hoofdgebouw aanwezig is, maar nog geen tijdelijke voorziening, komt de
                    aanvrager bij plaatsing van het eerste noodlokaal in aanmerking voor een toeslag
                    t.b.v. een entree en een garderobe (toeslag eerste lokaal). Indien er reeds een
                    noodaccommodatie aanwezig is, die moet worden uitgebreid, kan worden volstaan
                    met de toekenning van de bedragen (gebaseerd op 80 m2) exclusief de
                    toeslagen.</al><al>Indien tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het
                    aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een
                    noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een
                    schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw huren.
                    Bij huur van een bestaand gebouw wordt de feitelijke huurprijs vergoed (zie deel
                    B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al>De huurvergoeding wordt gebaseerd op de genormeerde investeringskosten voor een
                    noodlokaal. Hierdoor kan ook qua kosten een afweging worden gemaakt tussen
                    aankoop en huur van een noodlokaal. Over het algemeen zal aankoop van een
                    noodlokaal aantrekkelijker zijn als de tijdelijke voorziening 11 jaar of langer
                    nodig is. Na 11 jaar huur is de totaal betaalde huurvergoeding al gelijk aan de
                    stichtingskosten bij aankoop van een noodlokaal.</al><al>Voor de berekening van de hoogte van de huurvergoeding zijn de volgende
                    uitgangspunten van belang:</al><lijst><li nr="–"><al>naarmate de huurperiode langer wordt, neemt de hoogte van de jaarlijkse
                            huurvergoeding af, immers de afschrijvingscomponent in de huurprijs
                            wordt over meerdere jaren verdeeld;</al></li><li nr="–"><al>de afschrijvingscomponent wordt niet gebaseerd op de totale
                            investeringskosten voor een noodlokaal, maar slechts op een percentage
                            daarvan (netto-investeringswaarde). Er wordt derhalve rekening mee
                            gehouden dat het noodlokaal bij een huurperiode korter dan 15 jaar een
                            restwaarde houdt;</al></li><li nr="–"><al>afschrijving van een noodlokaal is niet rechtevenredig met de lengte van
                            de huurperiode. Bij kortere huurperioden is de jaarlijkse afschrijving
                            relatief groter dan bij langere huurperioden. Bij de bepaling van de
                            netto-investeringswaarde wordt verondersteld dat het verband tussen de
                            afschrijving en de lengte van de huurperioden een logaritmisch verloop
                            kent.</al></li></lijst><al>Met deze uitgangspunten kan vervolgens de hoogte van de huurvergoeding worden
                    bepaald. Allereerst is de bepaling van de huurperiode conform de
                    prognose-systematiek in bijlage II van belang. Uit de tabel kan vervolgens de
                    netto-investeringswaarde per type benodigde noodaccommodatie worden bepaald.
                    Deze netto-investeringswaarde wordt vervolgens op lineaire wijze afgeschreven
                    over de vastgestelde huurperiode met een vast rentepercentage, gebaseerd op het
                    rentepercentage dat normaliter ook bij de opstelling van de gemeentebegroting
                    wordt gehanteerd. De hierbij behorende gemiddelde lasten aan rente en aflossing
                    bepalen de hoogte van de vergoeding.</al><al>Voorbeeld: een schoolbestuur wil gedurende zeven jaar voor twee groepen
                    noodaccommodatie huren. Het schoolbestuur heeft nu alleen de beschikking over
                    een permanent gebouw en wil de noodaccommodatie op het terrein plaatsen. De
                    investeringswaarde voor deze noodaccommodatie omvat dus de investeringswaarde
                    nieuwbouw voor twee groepen plus de toeslag voor de 1e groep; derhalve ¦ 52.251
                    + (2 x ¦102.336) + ¦ 25.584 = ¦ 282.507,–. De netto-investeringswaarde bedraagt
                    voor 7 jaar 79% en bedraagt dus in dit geval 0,79 * ¦ 282.507,– = ¦ 223.181,–.
                    De jaarlijkse huurvergoeding aan het schoolbestuur kan vervolgens op eenvoudige
                    wijze worden bepaald aan de hand van de gemiddelde kosten voor rente en
                    aflossing volgens lineaire afschrijving.</al><al>Naast de huurvergoeding kan, indien dat noodzakelijk is, ook bij plaatsing van
                    de noodaccommodatie een vergoeding worden gegeven voor de paalfundering, de
                    kosten voor inrichting en herstel van het terrein en de aansluitkosten.</al><al>De op deze wijze vastgestelde huurvergoeding geldt in principe voor de gehele
                    huurperiode. Het ligt echter voor de hand om periodiek de noodzaak van de
                    huurvergoeding te toetsen aan de daadwerkelijke leerlingontwikkeling. Indien uit
                    de periodieke toetsing blijkt dat de noodzaak tot het verstrekken van een
                    huurvergoeding vanwege de leerlingontwikkeling niet meer aanwezig is, wordt de
                    huurvergoeding stopgezet. Aangezien de jaarlijkse huurvergoeding bij een korte
                    huurperiode hoger is dan bij een langere ontstaat er bij een tussentijdse
                    stopzetting van de huurvergoeding een financieel tekort bij het schoolbestuur.
                    Het verschil tussen de vergoedingen, gesommeerd over de afgelopen huurperiode,
                    wordt dan voldaan. Hiermee zijn alle kosten met betrekking tot
                    netto-investeringswaarde en restwaarde van het noodlokaal voor de verhuurder
                    vergoed.</al><al>Voorbeeld: in eerste instantie was voor een periode van acht jaar een
                    huurvergoeding toegekend. De huurvergoeding voor deze periode was vastgesteld op
                    ¦ 15.000,– per jaar.</al><al>Na 5 jaar wordt echter vanwege de leerlingontwikkeling de huurvergoeding
                    stopgezet. Bij een huurperiode van 5 jaar hoort echter een jaarlijkse
                    huurvergoeding ¦ 20.000,–. Gedurende deze vijf jaar is dus 5 x ¦ 5000,– = ¦
                    25.000,– tekort vergoed. Door dit bedrag te vergoeden loopt het schoolbestuur
                    geen risico's, krijgt de verhuurder een adequate vergoeding en is er voor de
                    gemeente sprake van budgettaire neutraliteit.</al><al>Een andere mogelijkheid is dat na de vastgestelde huurperiode er nog steeds
                    noodzaak is voor tijdelijke voorziening. Uiteraard wordt de huurvergoeding dan
                    niet op dezelfde basis voortgezet, maar wordt nog slechts het verschil vergoed
                    tussen de tot dan toe betaalde huurvergoeding, gesommeerd over de afgelopen
                    huurperiode, en de gesommeerde huurvergoeding over de totale verlengde
                    huurperiode. Deze verlengde huurperiode is ten hoogste 15 jaar, de totale
                    investeringskosten worden dan geacht te zijn vergoed en het noodlokaal te zijn
                    afgeschreven. Indien op dat moment het gebouw door een nieuw gebouw vervangen
                    wordt, begint de huurperiode opnieuw.</al><al>Voorbeeld: in eerste instantie was voor een periode van acht jaar een
                    huurvergoeding toegekend. De huurvergoeding voor deze periode was vastgesteld op
                    ¦ 15.000,– per jaar. Na 8 jaar blijkt echter dat vanwege de leerlingontwikkeling
                    een huurvergoeding nog voor twee jaar noodzakelijk is. Als oorspronkelijk de
                    huurvergoeding op 10 jaar was gebaseerd, was de jaarlijkse huurvergoeding op ¦
                    13.000,– geweest. Na 10 jaar zou een bedrag van ¦ 130.000,– vergoed zijn. Er is
                    echter in de eerste 8 jaar al 8 x ¦ 15.000,– = ¦ 120.000,– vergoed. In de jaren
                    9 en 10 wordt derhalve per jaar ¦ 5.000,– vergoed.</al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>De vergoeding voor eerste inrichting kan per toegekende groep verschillen.
                    Daardoor kan niet worden volstaan met een eenvoudig bedrag per groep. Opgenomen
                    zijn bedragen voor het inrichten van een nieuwe school met een gegeven aantal
                    groepen. Bij uitbreiding dient derhalve het bedrag voor eerste inrichting te
                    worden bepaald uit het verschil tussen het inrichtingsbedrag van de school na en
                    voor uitbreiding.</al><al>Indien een nieuwe school wordt ingericht, kan vanwege de omvang van de benodigde
                    eerste inrichting een korting worden toegepast van 10%.</al><al>Onderhoud</al><al>Opgenomen zijn bedragen voor onderhoudsactiviteiten die, conform bijlage I, voor
                    vergoeding door de gemeente in aanmerking komen. Het gaat hier om grootschaliger
                    onderhoudsactiviteiten, immers het dagelijks onderhoud wordt door middel van de
                    vergoeding voor preventief onderhoud door het ministerie aan het bevoegd gezag
                    vergoed. De vergoeding valt uiteen in een vast bedrag en een bedrag per
                    vierkante meter bruto-vloeroppervlakte van het gebouw (ook voor buitenberging en
                    terreinen!). Alleen bij de vergoeding voor het vervangen van de pannen, de goten
                    en het houtwerk bij een hellend dak dient nog een correctiefactor te worden
                    toegepast. Deze factor kan worden vastgesteld bij de nulmeting.</al><al>Gymnastiek</al><al>De vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en
                    uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie, eerste inrichting met
                    onderwijsleerpakket/meubilair en onderhoud. Hiernaast zijn bedragen opgenomen
                    voor de klokuurvergoeding (materiële exploitatie), welke van toepassing zijn bij
                    gebruik van een 'eigen' gymnastiekzaal en bij medegebruik en huur van een
                    gymnastiekaccommodatie. De klokuurbedragen moeten voor 1997 nog worden
                    geïndexeerd.</al><al><vet>2 Indexering</vet></al><al>Op grond van artikel 76, derde lid, Wpo is de gemeente verplicht normen vast te
                    stellen aan de hand waarvan bedragen kunnen worden vastgesteld voor de
                    toegekende voorzieningen in de huisvesting. Een aantal voorzieningen, zoals
                    onderhoud en aanpassing, zal worden bekostigd nadat een offerte is uitgebracht
                    en beoordeeld. Deze voorzieningen zijn gezien de enorme verscheidenheid niet of
                    nauwelijks zinvol te normeren. Voorzieningen als nieuwbouw en uitbreiding kunnen
                    op basis van normbedragen worden bekostigd. De vastgestelde normbedragen zullen
                    jaarlijks moeten worden aangepast aan het geldende prijspeil.</al><al>Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een
                    actueel prijspeil gebracht.</al><al>Ten behoeve van bijvoorbeeld de begrotingsvoorbereiding kan dan worden uitgegaan
                    van vaststaande cijfers in het volgende jaar door met behulp van zogenaamde
                    MEV-cijfers het prijspeil voor een volgend jaar te prognosticeren. Door deze
                    methodiek van toepassing te verklaren, liggen de vergoedingen voor de
                    voorzieningen vast. Het vorenstaande betreft de methodiek die momenteel wordt
                    gehanteerd in het primair onderwijs. Jaarlijks wordt het prijsniveau
                    gepubliceerd van het daaropvolgende jaar. Voor iedere volgende prijsbijstelling
                    zal het gepubliceerde prijsniveau eerst moeten worden herleid naar het werkelijk
                    prijspeil, dus een 'terugcorrectie' met het MEV cijfer.</al><al>De keuze van indexcijfer is vrij. Het is echter wel van belang deze keuze vast
                    te leggen.</al><al>De vaststelling van de index is jaarlijks. De vaststelling kan tegelijkertijd
                    plaatsvinden met de vaststelling van het programma en het overzicht. Gezien het
                    tijdstip van vaststellen van het programma en het overzicht kan zonder problemen
                    ook het MEV cijfer worden gehanteerd omdat dit cijfer definitief bekend wordt
                    gemaakt op de derde dinsdag in september.</al><al>Een alternatief voor het hanteren van de MEV cijfers is het gebruik maken van
                    een inflatiecomponent zoals deze wordt gehanteerd ten behoeve van de
                    gemeentebegroting; ook kan het percentage waarmee het Gemeentefonds wordt
                    aangepast van toepassing worden verklaard bij de bijstelling van de
                    normbedragen.</al><al>De eerste vastlegging van het prijspeil is gebaseerd op de normbedragen zoals
                    deze nu worden gehanteerd door het ministerie van OCenW. Dit prijspeil heeft een
                    directe relatie met de ruimtenormen die de grondslag vormen van de
                    vergoedingen.</al><al><vet>Deel B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet></al><al>In deze modelverordening is getracht zoveel mogelijk vergoedingen te normeren
                    (deel A). Voor een beperkt aantal voorzieningen is echter geen genormeerde
                    vergoeding opgenomen. Deze voorzieningen dienen derhalve op basis van feitelijke
                    kosten te worden vergoed. Uiteraard kan op lokaal niveau een andere scheiding
                    tussen de genormeerde vergoeding en vergoeding op basis van feitelijke kosten
                    worden gemaakt. Deze keuze dient echter wel vastgelegd te worden in artikel 4
                    van de verordening.</al><al>In aanvulling op deel A is vergoeding op basis van feitelijke kosten, volgens
                    deze modelverordening, van toepassing op de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="–"><al>verplaatsing van noodlokalen c.q. sloop van noodlokalen;</al></li><li nr="–"><al>nieuwbouw van een bad voor watergewenning of bewegingstherapie
                            (V)SO;</al></li><li nr="–"><al>aanpassingen aan gebouwen;</al></li><li nr="–"><al>herstel van constructiefouten;</al></li><li nr="–"><al>herstel van schade;</al></li><li nr="–"><al>kosten van bouwvoorbereiding;</al></li></lijst><al>alsmede</al><lijst><li nr="–"><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw;</al></li><li nr="–"><al>aankoop van terreinen;</al></li><li nr="–"><al>huur van gymnastiekruimten van derden;</al></li><li nr="–"><al>huur van bestaande gebouwen.</al></li></lijst><al>Bij vergoeding op basis van feitelijke kosten zijn de aanbestedingsregels, zoals
                    vastgelegd in deze verordening, van toepassing. Dit geldt uiteraard niet voor
                    aankoop c.q. huur van gebouwen en terreinen. Voor deze voorzieningen worden de
                    overeengekomen aankoop- of huurprijs vergoed.</al><al>Procedure vergoeding op basis van feitelijke kosten</al><al>Vergoeding op basis van feitelijke kosten betekent dat de hoogte van de
                    vergoeding wordt gebaseerd op de daadwerkelijke geoffreerde prijs van de uit te
                    voeren voorziening. Omdat offertes over het algemeen een beperkte
                    geldigheidsduur hebben moet in de procedure voor de vaststelling van het
                    programma worden gewerkt met een kostenraming. In eerste instantie dient de
                    aanvrager deze kostenraming bij de aanvraag te voegen. Ten behoeve van de
                    vaststelling van het bedrag en het programma wordt deze kostenraming beoordeeld
                    en zonodig door de gemeente bijgesteld c.q. geactualiseerd. Dit bedrag wordt na
                    vaststelling van het programma in de beschikking voor de aanvrager vermeld. Dit
                    bedrag is echter geen taakstellend budget (er kunnen derhalve geen rechten aan
                    worden ontleend). De daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt bepaald aan
                    de hand van de laagste geoffreerde prijs. Dat kan derhalve leiden tot meer- of
                    minderkosten ten opzichte van de raming. Deze meer- of minderkosten hebben geen
                    invloed meer op de voorzieningen, die op het reeds vastgestelde programma en
                    overzicht zijn geplaatst.</al><al>Aanbestedingsregels [2]</al><al>Aangezien de daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt gebaseerd op de
                    laagst geoffreerde prijs is het van belang dat het vragen van offertes door
                    middel van een aanbestedingsprocedure op zeer zorgvuldige wijze gebeurt.
                    Alhoewel het schoolbestuur in principe bouwheer is, mag de gemeente, met het oog
                    op de gewenste zorgvuldigheid en de prijsvorming, eisen stellen aan de te volgen
                    aanbestedingsprocedure. In het overleg tussen aanvrager en gemeente ingevolge
                    artikel 15 worden nadere afspraken gemaakt over de te volgen
                    aanbestedingsprocedure.</al><al>Een aanbestedingsprocedure heeft tot doel de rechtsverhouding tussen
                    opdrachtgever enerzijds en de gegadigde(n) voor de opdracht anderzijds goed te
                    regelen. De in ons land meest gehanteerde aanbestedingsprocedures zijn het
                    Uniforme aanbestedingsreglement 1986 (UAR 1986) en, voor opdrachten die onder de
                    EG-richtlijn vallen, het Uniform aanbestedingsreglement-EG 1991 (UAR-EG 1991).
                    Beide reglementen zijn na uitvoerig overleg tussen de verschillende betrokkenen
                    in de bouwwereld tot stand gekomen. Beide reglementen voldoen tevens aan de
                    algemene beginselen van behoorlijk bestuur.</al><al>Slechts de rijksoverheid is verplicht om beide reglementen toe te passen. Veel
                    gemeenten hebben echter het UAR 1986 op zichzelf van toepassing verklaard, dan
                    wel mede op basis hiervan een eigen aanbestedingsbeleid geformuleerd. Als er van
                    een eigen aanbestedingsbeleid sprake is, kan ook dit beleid, in plaats van het
                    UAR 1986, van toepassing worden verklaard op opdrachten in het kader van deze
                    verordening. Voorzover hierover in de gemeente nog niets is geregeld, verdient
                    het aanbeveling om het UAR 1986 op de opdrachten in het kader van de
                    onderwijshuisvesting van toepassing te verklaren. Het UAR 1986 biedt een viertal
                    mogelijke aanbestedingsprocedures, die afhankelijk van de omvang van de opdracht
                    en de lokale omstandigheden kunnen worden toegepast, te weten:</al><lijst><li nr="1"><al>De openbare aanbesteding: de aanbesteding wordt algemeen bekend gemaakt
                            en ieder gegadigde kan een offerte indienen;</al></li><li nr="2"><al>De aanbesteding met voorafgaande selectie: de aanbesteding wordt
                            algemeen bekend gemaakt en gegadigden kunnen zich melden. Een beperkt
                            aantal geselecteerde gegadigden wordt uitgenodigd een offerte in te
                            dienen;</al></li><li nr="3"><al>De onderhandse aanbesteding: voor de aanbesteding wordt een beperkt
                            aantal gegadigden (ten minste 2) uitgenodigd om offerte uit te brengen;
                            en</al></li><li nr="4"><al>De onderhandse aanbesteding na selectie: voor de aanbesteding wordt een
                            beperkt aantal gegadigden (ten minste 2) uitgenodigd om deel te nemen
                            aan een selectie. De geselecteerde gegadigde wordt uitgenodigd offerte
                            uit te brengen.</al></li></lijst><al>Aspecten die bij de keuze voor een van de procedures een rol spelen zijn
                    bijvoorbeeld de openbaarheid, de optimale prijsvorming door concurrentie, de
                    kwaliteit van de aannemer, de kostendeskundigheid van de opdrachtgever, de
                    mogelijkheden tot adequate directievoering van de opdrachtgever en dergelijke.
                    Bij kleine en middelgrote projecten verdient het aanbeveling de procedure van de
                    onderhandse aanbesteding dan wel de procedure van aanbesteding met voorafgaande
                    selectie te volgen. Bij grote projecten, onder het EG-drempelbedrag, ligt de
                    procedure van de openbare aanbesteding het meest voor de hand.</al><al>Naast deze in het UAR 1986 aangegeven wijzen van aanbesteding, kan er ook op
                    basis van enkelvoudige uitnodiging worden gegund. Hierbij wordt vooraf een
                    gegadigde, bijvoorbeeld een plaatselijke aannemer, uitgezocht en gevraagd
                    offerte uit te brengen. Hierbij wordt derhalve afgezien van mogelijke voordelen
                    van concurrentie en brede oriëntatie op de markt. Het vraagt tevens grote
                    kostendeskundigheid van de opdrachtgever om tot reële prijsvorming te komen. Ook
                    zullen er vele afspraken moeten worden vastgelegd bij de gunning, bijvoorbeeld
                    t.a.v. termijnen, afstandsverklaring en dergelijke. Gezien het karakter van de
                    enkelvoudige uitnodiging dient zeer terughoudend met deze mogelijkheid te worden
                    omgegaan. Slechts bij zeer kleine opdrachten, dan wel bij zeer gespecialiseerde
                    werkzaamheden kan overwogen worden van de enkelvoudige uitnodiging gebruik te
                    maken.</al><al><vet>Deel C Bepaling medegebruikstarieven</vet></al><al>Medegebruik is in eerste instantie de competentie van de schoolbesturen. Indien
                    medegebruik plaatsvindt maken de schoolbesturen onderling afspraken over een
                    aantal zaken, waaronder de vergoeding die de medegebruikende school aan de
                    eigenaar geeft. Mocht hierover geen overeenstemming ontstaan, kan de gemeente de
                    hoogte van de vergoeding bepalen.</al><al>Het medegebruikstarief voorziet in een vergoeding voor de gebouwafhanklijke
                    kosten, zoals gas, water, licht en dergelijke. In het bekostigingsstelsel voor
                    de materiële instandhouding voor het basisonderwijs is dit bedrag vormgegeven in
                    het bedrag van de vaste voet voor de zevende groep.</al><al><vet>Deel D Vergoeding van door de minister voor 1997 goedgekeurde
                        voorzieningen</vet></al><al>De minister heeft voor 1997 nog een groot aantal aanvragen om huisvesting
                    goedgekeurd. In de wet is vastgelegd dat de gemeente de verplichting die
                    voortvloeit uit de goedkeurende beschikking overneemt en de betreffende
                    huisvestingsvoorziening vergoed. Dit geldt niet alleen voor de
                    huisvestingsvoorzieningen, die na 1 januari 1997 tot de gemeentelijke
                    competentie gerekend worden, maar ook voor een aantal huisvestingsvoorzieningen
                    waarvoor de schoolbesturen vanaf 1 januari 1997 zelf verantwoordelijk worden. In
                    hoofdstuk 8 van de verordening is aangegeven dat het kan gaan om de
                    voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke voorziening, algehele
                    aanpassing, partiële aanpassing en ingrijpend onderhoud.</al><al>In veel beschikkingen heeft de minister het te vergoeden bedrag aangegeven. De
                    gemeente vergoedt dit bedrag en kan met het schoolbestuur nadere afspraken over
                    de wijze en het ritme van betaling alsmede de wijze van verantwoording.</al><al>Indien in de beschikking geen bedrag is opgenomen, dient de gemeente de hoogte
                    van de vergoeding te bepalen. Hiertoe worden de normbedragen, zoals opgenomen in
                    deel A van deze bijlage toegepast. Deze bedragen zijn reeds voor 1997
                    geïndexeerd. Voor zover voorzieningen hierin niet zijn opgenomen dan wel de
                    vergoeding hiervoor niet is genormeerd, wordt de hoogte van de vergoeding
                    bepaald met behulp van het programma van eisen voor het jaar 1996. Het kan hier
                    gaan om de volgende voorzieningen:</al><al>Basisonderwijs</al><lijst><li nr="1"><al>Algehele aanpassing; (dit is een percentage van de bouwkosten nieuwbouw,
                            welke uit deel A van deze bijlage wordt afgeleid)</al></li><li nr="2"><al>Partiële aanpassing </al><lijst><li nr="–"><al>gebouwelijke integratie</al></li><li nr="–"><al>aanvullende voorziening voor t.b.v. gehandicapten
                                    (traplift)</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Ingrijpend onderhoud </al><lijst><li nr="–"><al>waterleiding/sanitair</al></li><li nr="–"><al>mechanische ventilatie</al></li><li nr="–"><al>ingrijpend technisch onderhoud (gehele tabel 1134b)</al></li></lijst></li></lijst><al>De bedragen die voor bovenstaande voorzieningen zijn opgenomen in het programma
                    van eisen 1996 dienen, behalve voor algehele aanpassing, nog te worden
                    bijgesteld ten behoeve van 1997. Hiertoe wordt het MEV-percentage 1996 (2,25%
                    voor aanpassing, 1,25 % voor ingrijpend onderhoud) van de bedragen afgetrokken
                    om op het prijspeil van 1 juli 1995 te komen. Vervolgens wordt een
                    prijsbijstelling van + 2% toegepast om op het prijspeil van 1 juli 1996 te
                    komen. Tot slot dient voor 1997 nog het in deel A, hoofdstuk 4 opgenomen
                    MEV-cijfer toegepast.</al><al><vet>Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</vet></al><al><vet>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</vet></al><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit.</al><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><lijst><li nr="1"><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen;</al></li><li nr="2"><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;</al></li><li nr="3"><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden;</al></li><li nr="4"><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al></li></lijst><al>Ad 1</al><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al><al>Ad 2</al><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander
                    gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                    onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in
                    bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit.</al><al>Ad 3</al><al>Aanpassingen aan de binnenzijde van gebouwen voor voortgezet onderwijs en de
                    aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                    (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                    verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</al><al>Ad 4</al><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al><al><vet>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteiten</vet></al><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
                    hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie
                    die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                    opnieuw toegepast.</al><al>Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en
                    gymnastiekruimten.</al><al>Onder niet lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige
                    nevenruimten binnen het gebouw.</al><al>Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en
                    voorzieningen aan het terrein.</al><al><vet>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als
                        bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het
                        programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a"><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en</al></li><li nr="c"><al>vervolgens die voorziening die noodzakelijk is als gevolg van de
                            groepsgrootteverkleining en die als eerste een ruimtetekort opheft en
                            vervolgens die relatief gezien een zo groot mogelijk geprognoticeerd
                            kwantitatief tekort opheft en</al></li><li nr="d"><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li></lijst><al><vet>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                        onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                        aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a"><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="c"><al>vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal waarbij volgens
                            het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="d"><al>vervolgens die voorziening aan een niet lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="e"><al>vervolgensdie voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></li></lijst><al><vet>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan
                        bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor
                        zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt voor plaatsing op het
                        programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a"><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet en
                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                            bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                            voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                            volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                            is;</al></li><li nr="c"><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal dat niet voldoet
                            aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="d"><al>vervolgens de voorziening aan een niet lesruimte die niet voldoet aan de
                            wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al></li><li nr="e"><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                            wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al></li></lijst><al><vet>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg
                        van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                        aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                        onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a"><al>als eerste de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is;</al></li><li nr="c"><al>vervolgens de voorziening aan niet lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="d"><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al></li><li nr="e"><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                            aard, waarbij de ouderdom van het niet aangepaste gebouw het hoogste
                            is.</al></li></lijst><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al>Voor de vaststelling van het programma moet in de situatie dat het beschikbaar
                    gestelde of beschikbaar te stellen budget onvoldoende is voor alle potentiële
                    toekenningen – alle aanvragen voor voorzieningen die voldoen aan de
                    beoordelingscriteria en die niet een spoedeisend zijn – een nadere en eenduidige
                    volgorde worden vastgesteld. De urgentiecriteria zijn dan nodig om te bepalen
                    welke voorzieningen achtereenvolgens als eerste in aanmerking komen voor
                    bekostiging. Indien het budget ruim genoeg is, behoeven de urgentiecriteria niet
                    te worden toegepast en volstaat het toepassen van de beoordelingscriteria en de
                    toekenning van een bedrag, dus de beschreven regels in de bijlagen I tot en met
                    IV.</al><al>Indien het vast te stellen budget onvoldoende ruimte biedt, ontkomt de gemeente
                    niet aan toepassing van de urgentiecriteria. Exacte en daarmee correcte
                    toepassing is zeer belangrijk, omdat de aandacht van de gemeenteraad zeker zal
                    uitgaan naar de voorzieningen waarvoor geen budget meer is.</al><al>Voor het staande houden van een budgettaire afwijzing in beroep is het nodig de
                    criteria die de volgorde bepalen, eenduidig vast te leggen en in de uitvoering
                    daaraan strikt de hand te houden. Met de hieronder gehanteerde indeling in hoofd
                    en subprioriteiten is dit mogelijk.</al><al>De zorg voor adequate huisvesting volgens de wet betekent concreet dat het
                    vastgestelde bedrag voor het programma minimaal zo groot dient te zijn dat:</al><lijst><li nr="a"><al>elke groep een dak boven het hoofd kan worden geboden
                            (medegebruik/nieuwbouw/uitbreiding; blijvend of tijdelijk);</al></li><li nr="b"><al>vervanging en onderhoud/aanpassing (bouwkundige calamiteiten,
                            constructiefouten, herstel en vervanging van schade in verband met
                            bijzondere omstandigheden) absoluut noodzakelijk om de voortgang van het
                            onderwijs niet in gevaar te brengen, worden vergoed;</al></li><li nr="c"><al>voor alle aanwezige leerlingen eerste aanschaf van onderwijsleerpakket
                            en meubilair wordt vergoed.</al></li></lijst><al>Deze voorzieningen zullen altijd moeten worden toegekend los van het feit of het
                    budget het op dat moment toelaat of niet. Dat kan invloed hebben op het budget
                    voor de volgende programma's en op de mogelijkheden andere, minder urgente
                    voorzieningen toe te kennen.</al><al>Bij twee of meer aanvragen die in één categorie voor bekostiging in aanmerking
                    komen, dient in de hoofdprioriteit nadere invulling plaats te vinden om te
                    bepalen welke aanvraag steeds als eerste op het programma wordt geplaatst. De
                    volgorde van subprioriteit is bepalend voor de volgorde van de lijst van goed te
                    keuren voorzieningen.</al><al>In de subprioriteiten is met enkelvoudige criteria gewerkt om de bewerkingen
                    niet nodeloos gecompliceerd te maken.</al><al>De gemeente kan één integraal budget vaststellen voor alle drie de
                    onderwijssectoren tezamen. Dit zorgt voor een integrale afweging. Van die
                    systematiek is in de modelverordening uitgegaan. De gemeente kan ook
                    deelbudgetten vaststellen. Dat dient dan echter vóór de beoordeling van de
                    voorzieningen plaats te vinden. Een dergelijke handelwijze komt overeen met die
                    van het ministerie vóór 1997.</al><al>Indien een gemeente een bepaald beleid wil prioriteren, dan dient dit in de
                    systematiek van de modelverordening te geschieden door een wijziging van de
                    urgentiecriteria, en dus door een wijziging van de verordening.</al><al>De voorzieningen die in het kader van dat beleid aan de orde zijn worden
                    opgenomen als hoofdprioriteit 1. Desgewenst kunnen daarbinnen nog
                    subprioriteiten worden onderscheiden.</al><al>(Eerste) nieuwbouw, ingebruikneming, uitbreidingen en aanpassingen die
                    capaciteitstoevoegingen inhouden voor hetzelfde relatieve aandeel, worden
                    gelijkgeschakeld qua prioriteit ongeacht de onderwijssector, de benodigde
                    oppervlakte en de kosten. De prioriteit is hier dus hoger naarmate de
                    voorziening bestemd is voor een groter deel van de school (de prioriteit wordt
                    dus in een percentage uitgedrukt).</al><al>Herschikking levert altijd een extra waarde op ten opzichte van de som van
                    individuele nieuwbouw en uitbreidingen. In de fase van de beoordeling moet
                    scherp gelet worden op de noodzakelijkheid van elk van de in de herschikking
                    gevraagde voorzieningen om te voorkomen dat er een sluiproute ontstaat voor
                    individuele aanvragen.</al><al>De afweging van de volgorde bij de voorzieningen voor een adequaat
                    onderhoudsniveau wordt op basis van de conditie van het onderdeel of de
                    onderdelen gemaakt. Er wordt gewerkt met scores van het bouwkundig onderzoek en
                    de hoogte van de scores bepaalt de volgorde. De slechtste conditie wordt als
                    eerste gehonoreerd. In de subprioriteit bij de hoofdprioriteiten 2 en 3 is een
                    volgorde qua gewicht bepaald: eerst voorzieningen als het hele gebouw een zekere
                    mate van onderhoud/aanpassingen nodig heeft; vervolgens voorzieningen voor
                    (bepaalde) lesruimten en eindigend met overige ruimten/niet lesgebouwen.</al><al>De aanpassingen om te voldoen aan wettelijke verplichtingen (bijvoorbeeld
                    Bouwbesluit, Arbo, brandweereisen) vallen onder hoofdprioriteit 3. Voor zover
                    sancties dreigen, die leiden tot sluiting van het schoolgebouw op korte termijn
                    indien niet aan het vereiste wordt voldaan, is er sprake van een voorziening die
                    spoedeisend is.</al><al>Samenvatting urgentiecriteria:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Hoofdprioriteiten</al></entry><entry colname="col2"><al>Subprioriteiten</al></entry><entry colname="col3"><al>Rangorde bepaling door:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 capaciteitstekorten</al></entry><entry colname="col2"><al>a met herschikking</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b zonder herschikking</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c bij gymnastiekruimten</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 adequaat onderhoudsniveau</al></entry><entry colname="col2"><al>a gebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b theorie /leslokaal</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c vak /speellokaal</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d niet lesruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>e overige ruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 voldoen aan wettelijke verplichtingen</al></entry><entry colname="col2"><al>a gebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b theorie /leslokaal</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c vak /speellokaal</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d niet lesruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>e overige ruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 nieuwe onderwijskundige inzichten c.a.</al></entry><entry colname="col2"><al>a voor theorie /leslokalen</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid
                                        geldt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b voor vak /speellokalen</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid
                                        geldt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c overige (toekomstige) onderwijsruimten</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid
                                        geldt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d herstel/vervanging schade in bijzondere omstandigheden,
                                        voor zover niet spoedeisend</al></entry><entry colname="col3"><al>mate van ernst van de schade</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>e overige activiteiten</al></entry><entry colname="col3"><al>ouderdom van het gebouw</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voorbeeld:</al><al>Na toepassing van de beoordelingscriteria blijken er in de gemeente X zeven
                    aanvragen te zijn, die potentieel voor goedkeuring in aanmerking komen. Het
                    totale bedrag, dat hiermee gemoeid is bedraagt ¦ 730.000,–.</al><al>Het gaat om de volgende aanvragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwerp</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a Aanpassingen t.b.v. studiehuis V.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>220.000,–</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b ARBO aanpassing lokaal B.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>10.000,–</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c ARBO aanpassing lokaal B.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>40.000,–</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d Uitbreiding 1 groep</al></entry><entry colname="col2"><al>50.000,–</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e Uitbreiding oefenvloer</al></entry><entry colname="col2"><al>300.000,–</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f Onderhoud dak B.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>30.000,–</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g Onderhoud erfscheiding V.S.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>80.000,–</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>TOTAAL:</al></entry><entry colname="col2"><al>f 730.000,–</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Deze zeven aanvragen worden allereerst ingedeeld in hoofd en subprioriteiten,
                    vervolgens voorzien van de score en ten slotte in volgorde van de
                    urgentiecriteria gezet. Daar waar meerdere aanvragen in dezelfde hoofd en
                    subprioriteit voorkomen komt als eerste de aanvraag met de hoogste score.</al><al>De score wordt als volgt bepaald:</al><al>– Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 1 door het relatieve tekort aan
                    capaciteit.</al><al>Bij aanvraag d is het tekort bijvoorbeeld 1 groepsruimte op een aanwezige
                    capaciteit voor 8 groepen. De 55% score bij aanvraag e komt tot stand omdat de
                    bestaande oefenvloer van 140 m2 wordt uitgebreid tot 252 m2;</al><al>– Voor de aanvragen in de hoofdprioriteiten 2 en 3 door de uitkomst van de
                    bouwtechnische opname. Hoe hoger de score hoe meer noodzaak het probleem aan te
                    pakken;</al><al>– Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 4 door het relatieve gebruik van de
                    onderwijskundige vernieuwing.</al><al>Bij aanvraag a is de score bijvoorbeeld 33%, omdat de vernieuwing voor de
                    bovenste twee leerjaren van een zes leerjaren tellende opleiding is
                    bedoeld.</al><al>Het resultaat van deze exercitie is de volgende lijst:</al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="12*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="12*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="12*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="12*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="12*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="12*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="12*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="12*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Rangorde</al></entry><entry colname="col2"><al>Aanvraag</al></entry><entry colname="col3"><al>Onderwerp</al></entry><entry colname="col4"><al>Hoofd</al></entry><entry colname="col5"><al>Sub</al></entry><entry colname="col6"><al>Score</al></entry><entry colname="col7"><al>Bedrag</al></entry><entry colname="col8"><al>Cumulatief</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>d</al></entry><entry colname="col3"><al>Uitbreiding 1 groep</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry><entry colname="col5"><al>b</al></entry><entry colname="col6"><al>12%</al></entry><entry colname="col7"><al>50.000</al></entry><entry colname="col8"><al>50.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>e</al></entry><entry colname="col3"><al>Uitbreiding oefenvloer</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry><entry colname="col5"><al>c</al></entry><entry colname="col6"><al>55%</al></entry><entry colname="col7"><al>300.000</al></entry><entry colname="col8"><al>350.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>g</al></entry><entry colname="col3"><al>Onderhoud erfscheiding VSO</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>a</al></entry><entry colname="col6"><al>96</al></entry><entry colname="col7"><al>80.000</al></entry><entry colname="col8"><al>430.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>f</al></entry><entry colname="col3"><al>Onderhoud dak BO</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>a</al></entry><entry colname="col6"><al>84</al></entry><entry colname="col7"><al>30.000</al></entry><entry colname="col8"><al>460.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>c</al></entry><entry colname="col3"><al>ARBO aanpassing lokaal BO</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>b</al></entry><entry colname="col6"><al>67</al></entry><entry colname="col7"><al>40.000</al></entry><entry colname="col8"><al>500.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>b</al></entry><entry colname="col3"><al>ARBO aanpassing lokaal BO</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>b</al></entry><entry colname="col6"><al>62</al></entry><entry colname="col7"><al>10.000</al></entry><entry colname="col8"><al>510.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>a</al></entry><entry colname="col3"><al>Aanpassing studiehuis VO</al></entry><entry colname="col4"><al>4</al></entry><entry colname="col5"><al>b</al></entry><entry colname="col6"><al>33%</al></entry><entry colname="col7"><al>220.000</al></entry><entry colname="col8"><al>730.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Afhankelijk van de hoogte van het huisvestingsbudget komt de grens tussen
                    goedkeuring en weigering op financiële gronden hoger of lager te liggen.</al><al>De gemeenteraad van X kan op grond van bovenstaande lijst het programma met het
                    daarbij behorende huisvestingsbudget vaststellen. Als de raad er bijvoorbeeld
                    voor kiest het huisvestingsbudget vast te stellen op ¦ 510.000,–, dan kan en zal
                    aanvraag a op financiële gronden worden afgewezen.</al><al>- Als beste uit de bus; Gemeentelijk aanbestedingsbeleid, Europese regels en
                    contractvormen in de bouw. VNG-uitgeverij, 1994. (Deze uitgave wordt naar
                    verwachting in oktober 1996 geactualiseerd.)</al><al>- Uniform aanbestedingsreglement, waarin opgenomen UAR 1986 en UAR-EG 1991,
                    ministerie van VROM, Staatsuitgeverij, 1995. Terug
                        naar de verwijzing naar voetnoot [2] in de tekst</al></bijlage></regeling></body></cvdr>