<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR6013_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening huisvestingsvoorzieningen onderwijs gemeente Dongen 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentelijke Informatiekrant, 27-11-008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening huisvestingsvoorzieningen onderwijs gemeente Dongen 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het Primair Onderwijs, artikel 102</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-11-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-11-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening huisvestingsvoorzieningen onderwijs gemeente Dongen 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Dongen,</vet></al><al>gelezen het voorstel van het college van 7 oktober 2008;</al><al/><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs;</al><al>gelet op artikel 5 van de Gemeentewet;</al><al>gelet op de artikelen 4:4, 6:2, 6:12 en 6:20 van de Algemene wet
                        bestuursrecht;</al><al/><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen van de niet door de
                        gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente; </al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen de Verordening huisvestingsvoorzieningen onderwijs gemeente
                        Dongen 2009.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>2.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;</al><al/><al>b wet: Wet op het primair onderwijs</al><al/><al>c bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair
                            onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of
                            gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                            grondgebied van de gemeente Dongen;</al><al/><al>d school: school voor basisonderwijs: een basisschool als bedoeld in
                            artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;</al><al/><al>e nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge
                            artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs voor bekostiging in
                            aanmerking is gebracht</al><al/><al>f voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in
                            artikel 2 van deze verordening;</al><al/><al>g programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                            verordening;</al><al/><al>h overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de vaststelling
                            van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13 van
                            deze verordening;</al><al/><al>i aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging van een
                            voorziening of voor bekostiging van de bouwvoorbereiding van een
                            voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft
                            ingediend;</al><al/><al>j aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om bekostiging
                            van de bouwvoorbereiding;</al><al/><al>k voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                            huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                            bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk
                            is;</al><al/><al>l voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                            huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                            bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren noodzakelijk
                            is;</al><al/><al>m permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de
                            aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren als
                            volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al><al/><al>n noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en
                            de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als
                            volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al><al/><al>o gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                            lichamelijke oefening;</al><al/><al>p advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                            vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van richting
                            en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de Wet op
                            het primair onderwijs;</al><al/><al>q verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde
                            onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke
                            of recreatieve doeleinden. </al><al/><al>r gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op
                            het primair onderwijs;</al><al/><al>s beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde staten
                            in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid Wet op het primair
                            onderwijs;</al><al/><al>t eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110
                            van de Wet op het primair onderwijs.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</label></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><al/><al>a de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                            bestaande uit:</al><al/><al>1. nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in
                            aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke
                            vervanging van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet
                            op dezelfde locatie;</al><al/><al>2 uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al><al/><al> 3 gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten
                            behoeve van de huisvesting van een school;</al><al/><al> 4 verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de
                            huisvesting van een school;</al><al/><al> 5 terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub 1?
                            tot en met 4 omschreven voorziening;</al><al/><al> 6 inrichting met onderwijsleerpakket voor zover deze nog niet eerder
                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                            gebracht;</al><al/><al> 7 inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor
                            bekostiging van rijks of gemeentewege in aanmerking is gebracht;</al><al/><al> 8 medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al
                            bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een
                            gymnastiekruimte;</al><al/><al>b aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten zoals
                            onderscheiden in bijlage I;</al><al/><al>c onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs bestaande
                            uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I; </al><al/><al>d herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw
                            veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten
                            gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                            onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                            wanprestatie;</al><al/><al>e herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                            onderwijsleerpakket en meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen </label></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a, sub 1
                            en 2 kan een aanvraag worden ingediend voor een bekostiging van de
                            bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                                toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                                bekostiging een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De
                                bekostigingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV,
                                deel B.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a, 1?, 2? voor zover het betreft een
                                permanente voorziening, 6? en 7?. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Deel B van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a, sub 2? voor zover het betreft een
                                voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, 3?, 4?, 5? en 8?, onder
                                b tot en met e alsmede op de voorziening als bedoeld in artikel
                                3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Informatieverstrekking </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>3.</nr><titel>PROGRAMMA EN OVERZICHT</titel></kop><paragraaf><kop><label>3.1 Aanvragen programma</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6 Indiening aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid,
                                    neemt het college niet in behandeling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen
                                    aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><al/><al> a de naam en het adres van de aanvrager;</al><al> b de dagtekening;</al><al> c de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                    gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd;</al><al> d welke voorziening wordt aangevraagd;</al><al> e de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                    voorziening; </al><al> f de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                    voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                    aanvraag vergezeld van:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                            van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                            omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft
                                            als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6 tot en
                                            met 8 en artikel 2, onder d en e; </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="b."><al> de aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                            voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een
                                            voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a,
                                            onderdelen 1? tot en met 4?;</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="c."><al> een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt
                                            indien het een voorziening betreft bestaande uit:</al><al/></li></lijst><al>1. nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                    gebouw;</al><al>2. onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs
                                    of</al><al>3. herstel van een constructiefout.</al><al/><al> Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het
                                    college vastgestelde formulier “Bouwkundige opname”. </al><al/><lijst><li nr="d."><al>d een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft
                                            op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin van toepassing is;</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="e."><al> een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                            indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                            vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als
                                            bedoeld in artikel 27. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                    de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de
                                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
                                    Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt,
                                    neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een
                                    afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijk teldatum staat
                                    ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het
                                    afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft
                                    ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld
                                    het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien het afschrift
                                    niet binnen de termijn bedoeld in de vorige volzin is verstrekt,
                                    neemt het college de aanvraag niet in behandeling. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het college kan de voorwaarde van toezending van de in het
                                    tweede lid, onder a bedoelde prognose laten vallen, indien de
                                    aard van de gevraagde voorziening daartoe naar hun mening
                                    aanleiding geeft, dan wel indien de gemeente beschikt over een
                                    totaalprognose voor de gehele gemeente Dongen. Daarnaast kan het
                                    college toezending van een prognose voorschrijven in geval van
                                    een gevraagde voorziening die van deze plicht is uitgezonderd,
                                    indien de concrete situatie met betrekking tot de aanvraag
                                    daartoe naar hun mening aanleiding geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen</label></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft
                                daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                                genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>3.2.Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe
                                    te lichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                    aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel
                                    4, derde lid, laatste volzin van toepassing is, en het college
                                    van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in
                                    het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en
                                    het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van
                                    de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming
                                    is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college
                                    geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag
                                    aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan
                                    bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies
                                    Onderwijsraad </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk
                                    in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                    voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                    tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en
                                    van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een bevoegd gezag of het college dat advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar
                                    tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt
                                    aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt
                                    verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen
                                    deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                    overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te
                                    brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                    beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg.</al><al>In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                    bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                    noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van
                                    het afschrift van het advies van de Onderwijsraad. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                                    bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3.3 Vaststelling bekostigingsplafond, programma en
                                overzicht </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11 Tijdstip vaststelling </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                    bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort of per voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Inhoud programma </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                    plaatsing op het programma. </al><al/><al>Daarbij past het college de regels toe met betrekking tot:</al><al>a. de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I ;</al><al>b. de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;</al><al>c. de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in
                                    bijlage III .</al><al/><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                                    voorzieningen neemt het college, aan de hand van de
                                    urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend
                                    voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of de
                                    deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                    college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                    bijlage V.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                    aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV , deel A
                                            voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                            gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                            volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Inhoud overzicht</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                    voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling
                                    bekostigingsplafond, programma en overzicht</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk
                                    mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijk met
                                    de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>3.3.Uitvoering programma</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                    college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering
                                    van de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg
                                    wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering
                                    van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                                    afspraken gemaakt over:</al><al> a het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                    onderwijs;</al><al> b het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting
                                    door de aanvrager;</al><al> c een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                    inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag; </al><al> d de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing
                                    van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in
                                    verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                    omstandigheden als bedoeld in artikel 16;</al><al> e de controle op en het afleggen van verantwoording over de
                                    besteding van de beschikbaar te stellen middelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin,
                                    dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
                                    uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing, gezien de aard van de voorziening, de gestelde
                                    richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht genomen.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college
                                    schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na
                                    afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt.
                                    Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of
                                    binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                    gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                    overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16 Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip
                                    aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe
                                    feiten en omstandigheden; overlegging offertes </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid
                                    is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het
                                    college over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende
                                    begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                                    aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet
                                    binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn
                                    verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de
                                    bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven tijdstip.
                                    Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    een aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de
                                    beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar oordeel van het college
                                    ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden komt de
                                    voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften en de toetsing of er sprake is van
                                    nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven, als
                                    dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is gezien
                                    de inhoud van de in het program¬ma opgenomen voorziening. Het
                                    college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het overleg
                                    als bedoeld in artikel 15.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin.</al><al> De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid
                                    betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij
                                    zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige
                                    toepassing. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin heeft ingestemd,
                                    moet de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het college
                                    overleggen de aan de aanvrager uitgebrachte offertes voor de
                                    uitvoering van de voorziening. Het college beslist binnen vier
                                    weken na ontvangst van de offertes over het bedrag dat
                                    definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de
                                    voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                    aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de
                                    datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                    offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Aanvang bekostiging</label></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste voorziening.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    de aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                    vaststelling van het programma een bouwop¬dracht heeft verleend
                                    dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten
                                    en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan
                                    het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                    bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van
                                    het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                    waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin
                                    bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                                    erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding,
                                    alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst
                                    vermeldt de datum van aankoop.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september
                                    een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de
                                    termijn als bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft
                                    ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                    verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>4.</nr><titel>AANVRAGEN MET SPOEDEISEND KARAKTER</titel></kop><paragraaf><kop><label>4.1 Aanvraag</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 19 Indiening aanvraag</label></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20 Inhoud aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken:</al><al/><al> a een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                    voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al><al> b de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon
                                    worden aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen
                                    programma;</al><al> c een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                    school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten,
                                    tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2
                                    onder a, onderdelen 6 tot en met 8 en artikel 2 onder d en
                                    e;</al><al> d een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien
                                    het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                    laatste volzin.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens
                                    als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee
                                    weken na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk
                                    medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de
                                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen twee weken na
                                    ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien
                                    de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in
                                    de vorige volzin bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het
                                    college de aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>4.2.Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 21 Tijdstip beslissing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college.</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22 Inhoud beslissing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het
                                    college heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening,
                                    gelet op de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden
                                    en geen van de in de Wet op het Primair Onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past
                                    het college de regels toe met betrekking tot:</al><al> a de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al><al> b de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al><al> c de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                    bijlage III.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                    bepaalde in bijlage IV, deel A voor de toegewezen voorziening
                                    beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is
                                    indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4,
                                    derde lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college
                                    vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan
                                    wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten,
                                    en voor welke datum een afschrift daarvan aan de raad moet zijn
                                    toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de beschikking
                                    door het college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel
                                    een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23 Uitvoering beslissing</label></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een bekostiging is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij overeenkomstig
                                van toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn,
                                genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een termijn van
                                drie weken geldt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                                    wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in
                                    artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van
                                    deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                    bij het college tot verlenging van de termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op
                                    bekostiging op totdat het college op het verzoek beslist. Indien
                                    het college het verzoek inwilligt, noemt de raad een nieuwe
                                    datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het
                                    college het verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op
                                    het verzoek als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum
                                    niet voor de oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>5.</nr><titel>BEKOSTIGING BOUWVOORBEREIDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 25 Aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag voor bekostiging van bouwvoorbereiding indienen bij het
                                college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                                aanbesteding van die voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt
                                gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><al> a de naam en het adres van de aanvrager;</al><al> b de dagtekening;</al><al> c de naam van de school ten behoeve waarvan de bekostiging wordt
                                gewenst;</al><al> d de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste
                                locatie van de voorziening;</al><al> e het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening;</al><al> f een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                school die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten;</al><al> g een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging
                                blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand
                                gebouw. Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het
                                college vastgestelde formulier “Bouwkundige opname”; </al><al> h een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien
                                de bekostiging van de bouwvoorbereiding is aangemerkt als een
                                voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting is het bepaalde in artikel 9 van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als
                                bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en
                                vierde lid zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27 Beschikking op aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college neemt voor het tijdstip als bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid een beslissing op de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><al> a er voldoende middelen voor de bekostiging van de
                                bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al><al> b de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat;</al><al> c er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste
                                jaar van uitvoe¬ring voor bekostiging in aanmerking kan worden
                                gebracht </al><al>d de gewenste voorziening een project betreft met een bruto
                                vloeroppervlakte groter dan 115 m2. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
                                bedrag. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig program¬ma. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 28 Vervallen aanspraak bekostiging</label></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin de beschikking is genomen,daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informaite heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>6.</nr><titel>MEDEGEBRUIK EN VERHUUR</titel></kop><paragraaf><kop><label>6.1 Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 29 Aanduiding omstandigheden</label></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><al>a er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en
                                het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel
                                6 of 19 voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend;</al><al>b het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere
                                huisvestingsvoorzie¬ning heeft ingediend en door medegebruik in de
                                behoefte aan huisvesting kan worden voorzien;</al><al>c er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
                                beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of
                                instelling gangbare berekeningswijze; </al><al>d er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;</al><al>e er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                school.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 30 Omschrijving leegstand</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Er is sprake van leegstand in een lesgebouw wanneer het betreft
                                    een gebouw voor basisonderwijs, indien uit de vergelijking van
                                    het aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                    berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van
                                    het gebouw in vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                    vastgesteld op basis van bijlage III, deel A, blijkt dat er ten
                                    minste een aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter
                                    grootte van de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde
                                    niet nodig is voor de daar gevestigde school of scholen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte in een
                                    gymnastiekruimte wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt
                                    wordt door een of meer scholen voor basisonderwijs, indien de
                                    som van het aantal klokuren gebruik dat door het college wordt
                                    vergoed minder is dan 40 klokuren; </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medege¬bruik dient plaats te vinden in
                                    gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen ten
                                    behoeve van het onderwijs aan die school of scholen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                    het gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in
                                    de aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                    wordt:</al><al/><al>a als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik
                                    is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit
                                    oogpunt van doelmatigheid het vorderen van leegstand in een
                                    ander gebouw een betere oplossing biedt;</al><al/><al>b vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een
                                    school van dezelfde richting is gehuisvest en</al><al/><al>c vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                    dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve
                                    waarvan de vordering plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32 Overleg en mededeling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te
                                    hebben. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid,
                                    doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan
                                    het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling
                                    kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te
                                    kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in de
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><al>a de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan
                                    wordt gevorderd;</al><al>b een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan
                                    gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat gevorderd
                                    wordt;</al><al>c een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking
                                    heeft;</al><al>d een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                    gevorderd wordt;</al><al>e de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het
                                    medegebruik.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33 Vergoeding</label></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel
                                C.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>6.2.Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden</label></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien er sprake is van
                                leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte zoals bedoeld in
                                artikel 30.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 35 Overleg en mededeling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg
                                    met het bevoegd gezag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><al>a voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al><al>b of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                    onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al><al>c welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen
                                    dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder
                                    van het medegebruik ondervindt;</al><al>d wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een
                                    redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al><al>e de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan
                                    nemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het
                                    eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                    vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het
                                    overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
                                    geval die afspraken. Voor zover het overleg niet tot
                                    overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing
                                    van het college over deze punten. Indien het bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de
                                    vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld
                                    worden afgezien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>6.3.Verhuur</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 36 Toestemming college</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit vraag het
                                    toestemming voor de verhuur aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder, en van de bestemming van de te
                                    verhuren ruimte. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college verleent geen toestemming indien:</al><al>a de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                    bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs;</al><al>b de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                    school.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>7.</nr><titel>EINDE GEBRUIK GEBOUWEN EN TERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van
                                onderhoud</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school wordt het gebruik ervan zo
                                spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de
                                door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
                                beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                                gezamenlijke akte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een
                                staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien
                                dit naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>8.</nr><titel>GEBRUIK GYMNASTIEKRUIMTE VOOR BASISONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 38 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare
                                capaciteit; inroostering gebruik</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs verstrekt
                                jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een
                                opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste
                                onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de
                                volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in
                                        een aantal klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                        gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                        schoolweek wordt gewenst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
                                een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                                afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
                                van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen
                                voor basisonderwijs van de op het grondgebied van de gemeente
                                gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste
                                onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de
                                gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit van 26
                                klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
                                        in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                        gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                        wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                        voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs en de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
                                        een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                        gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                        gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
                                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs voor bekostiging door
                                        de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel
                                        klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de
                                        school.</al><al/><al>Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid
                                        onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor
                                        zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening
                                        is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor
                                        bekostiging door de gemeente in aanmerking komt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor
                                basisonderwijs De bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd
                                voor een overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen
                                twee weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de
                                vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid
                                gesteld te reageren op het voorstel tot inroostering.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde
                                lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college
                                daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het
                                zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit
                                gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de
                                betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van
                                het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten
                                van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het
                                volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een
                                beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een
                                beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 39 Doordecentralisatie huisvestingsvoorzieningen
                                voortgezet onderwijs</label></kop><al>Voor de huisvestingsvoorzieningen van de op het grondgebied van de
                            gemeente gehuisveste school voor voortgezet onderwijs geldt de op grond
                            van artikel 76v van de Wet op het voortgezet onderwijs per 1 januari
                            2001 tussen het bestuur van de vereniging Ons Middelbaar Onderwijs en de
                            gemeente gesloten doordecentralisatieovereenkomst. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 40 Beslissing college in gevallen waarin de verordening
                                niet voorziet </label></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 41 Indexering</label></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de bekostiging van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 42 Citeertitel; inwerkingtreding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                huisvestingsvoorzieningen onderwijs gemeente Dongen 2009.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op
                                die van publicatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Met de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Verordening
                                huisvestingsvoorzieningen onderwijs Dongen 2007 zoals deze is
                                vastgesteld in de raadsvergadering van 20 september 2007.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>I</nr><titel>CRITERIA VOOR BEOORDELING VAN AANGEVRAAGDE VOORZIENINGEN</titel></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder – behoudens de financiële toets – de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><al>– deel A: lesgebouwen;</al><al>– deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al></bijlage><bijlage><kop><label>DEEL</label><nr>A</nr><titel>Lesgebouwen</titel></kop><divisie><kop><label>1. Basisonderwijs</label></kop><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2 en 1.10 d worden niet
                        noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                        bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het
                        bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.</al></divisie><divisie><kop><label>1.1 Nieuwbouw</label></kop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                        bekostiging in aanmerking brengt;</al><al/><al>b1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                        dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al/><al>b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                        dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al/><al>c het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                        maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1500 meter
                        hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></divisie><divisie><kop><label>1.2 Vervangende bouw</label></kop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                        zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld in
                        artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen
                        redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                        levensduurverlenging);</al><al/><al>b1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn)
                        en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al/><al>b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                        voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
                        vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                        leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al/><al>c het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                        maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1500 meter
                        hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al/><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>a vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                        beoordeling van het college;</al><al/><al>b vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                        herschikkingsoperatie;</al><al/><al>c vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                        noodzakelijk is. </al><al/><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat
                        het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten
                        plaats.</al></divisie><divisie><kop><label>1.3 Uitbreiding</label></kop><al>1.3.1 Uitbreiding algemeen</al><al/><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                                zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage
                                III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond
                                van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C
                                genoemde drempelwaarde overschrijdt, en</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren
                                voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen
                                kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor
                                een voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen
                                kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                                aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal
                                vier aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen
                                worden gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 1500 meter hemelsbreed een passende extra
                                huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</label></kop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                        bekostiging in aanmerking brengt of</al><al/><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                        aanmerking komt, terwijl</al><al/><al>b1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                        voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                        vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren
                        deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al/><al>b2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                        voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                        vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                        leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al/><al>c er binnen 1500 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                        medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al><al/><al>d er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                        is of op korte termijn beschikbaar komt en</al><al/><al>e de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                        verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de
                        kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></divisie><divisie><kop><label>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</label></kop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al/><al>a er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                        tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin
                        beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 1500
                        meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al><al/><al>b er binnen 1500 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                        medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en</al><al/><al>c de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                        een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde
                        tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></divisie><divisie><kop><label>1.6 Terrein</label></kop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                        verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                        uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                        toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                        voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al></divisie><divisie><kop><label>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                                        meubilair</label></kop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                        blijkt uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in
                        de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                        huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                        2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al></divisie><divisie><kop><label>1.8 Medegebruik</label></kop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                        leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond
                        van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op
                        grond van bijlage III, deel A met tenminste de in bijlage III, deel C
                        genoemde drempelwaarde overschrijdt. </al></divisie><divisie><kop><label>1.9 Aanpassing</label></kop><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><al>a wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                        niet geschikt is voor een school voor basisonderwijs, gelet op de eisen
                        gesteld in bijlage III, delen A en D;</al><al>b een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten;</al><al>c voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet en
                        regelgeving;</al><al>d vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al><al>e het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                        aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen;</al><al>f aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen.</al><al/><al>Ad a </al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van
                        het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                        genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                        huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel
                        tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te
                        verwezenlijken zijn.</al><al/><al>Ad b</al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te
                        kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal
                        groepen leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd
                        omdat binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende
                        ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan
                        vier en vijfjarigen of zes tot twaalfjarigen.</al><al/><al>Ad c</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                        gebouw met de geldende wet en regelgeving, terwijl dat verschil op korte
                        termijn moet worden opgeheven.</al><al/><al>Ad d</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                        noodzakelijk is.</al><al/><al>Ad e </al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                        gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                        voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                        traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige
                        organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op
                        de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn
                        en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                        dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in
                        stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende
                        aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs,
                        terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de
                        aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening
                        mogelijk is.</al><al/><al>Ad f </al><al>De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit, dat:</al><al>a de aanpassing nog niet eerder is toegekend, en</al><al>b bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met onderwijskundige
                        vernieuwingen, en</al><al>c het een permanent gebouw betreft, en</al><al>d het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat.</al></divisie><divisie><kop><label>1.10 Onderhoud</label></kop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>a onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                        overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al><al>b (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang-
                        en sluitwerk);</al><al>c algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor centrale
                        verwarming.</al><al/><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat.</al><al/><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                        II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig is.</al><al/><al>Noodzakelijk onderhoud aan een noodlokaal komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien:</al><al>a het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                        gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar voor de school nodig is,
                        en</al><al>b voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                        medegebruik binnen een straal van 1500 meter hemelsbreed.</al></divisie><divisie><kop><label>1.12 Herstel van constructiefouten</label></kop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout. </al></divisie><divisie><kop><label>1.13 Vervanging of herstel van schade aan gebouw,
                                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                        omstandigheden</label></kop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd. </al></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>DEEL</label><nr>B</nr><titel>Voorzieningen voor lichamelijke oefening</titel></kop><divisie><kop><label>1. School voor basisonderwijs</label></kop></divisie><divisie><kop><label>1.1 Nieuwbouw</label></kop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                        bekostiging in aanmerking brengt en</al><al/><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of
                        meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                        komende gymnastiekruimten en</al><al/><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                        waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is
                        aanwezig (zullen) zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>1.2 Vervangende bouw</label></kop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                        zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                        artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                        redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                        levensduurverlenging) en</al><al/><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of
                        meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                        komende gymnastiekruimten en</al><al/><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                        waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is
                        aanwezig (zullen) zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>1.3 Uitbreiding</label></kop><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><al>a het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2
                        en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd wordt
                        en</al><al/><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of
                        meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                        komende gymnastiekruimten en</al><al/><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                        waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is
                        aanwezig (zullen) zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</label></kop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                        aanmerking brengt of</al><al/><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij
                        1.2 onder a, in aanmerking komt en</al><al/><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of
                        meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                        komende gymnastiekruimten en</al><al/><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                        vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al><al/><al>d de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                        verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de
                        kosten van vervangende bouw.</al></divisie><divisie><kop><label>1.5 Terrein</label></kop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                        uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al></divisie><divisie><kop><label>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</label></kop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><al/><al>a het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                        school is of wordt goedgekeurd en </al><al/><al>b het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                        eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                        verstrekt.</al></divisie><divisie><kop><label>1.7 Eerste inrichting meubilair</label></kop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al/><al>a het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                        school is of wordt goedgekeurd en </al><al/><al>b het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                        eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al/><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al/><al>a het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor
                        de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al><al/><al>b het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                        (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al></divisie><divisie><kop><label>1.8 Medegebruik</label></kop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                        vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen
                        de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al></divisie><divisie><kop><label>1.9 Aanpassing</label></kop><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><al/><al>1 het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                        ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                        mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al/><al>2 het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                        ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                        mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al/><al>3 wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                        niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                        bijlage III, delen A en D;</al><al/><al>4 voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet en regelgeving;</al><al/><al>5 vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><al/><al>Ad 1 </al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al/><al>Ad 2</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al/><al>Ad 3</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                        gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                        noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                        gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                        kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al/><al>Ad 4 </al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                        gebouw met de geldende wet en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit
                        verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al/><al>Ad 5</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                        noodzakelijk is.</al><al/><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn
                        en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                        dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in
                        stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende
                        aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs,
                        terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de
                        aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening
                        mogelijk is.</al></divisie><divisie><kop><label>1.10 Onderhoud</label></kop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al/><al>a onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                        overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al><al/><al>b (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang
                        en sluitwerk);</al><al/><al>c algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor centrale
                        verwarming.</al><al/><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat. </al><al/><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                        II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig is.</al></divisie><divisie><kop><label>1.11 Herstel constructiefouten</label></kop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout.</al></divisie><divisie><kop><label>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                        omstandigheden</label></kop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al>-1 Overzicht ‘Onderhoud PO’</al><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud:</al><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al><al>Vervangen brandtrap.</al><al>Vervangen erfscheiding.</al><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al><al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                        activiteit).</al><al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                        activiteit).</al><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie activiteit).</al><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al><al>Vervangen boeiboorden.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>Criteria voor opstellen en toetsen van leerlingenprognoses</titel></kop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging. </al><al/><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose.</al><al/><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><al/><al>a het voedingsgebied of de voedingsgebieden</al><al/><al>b de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al><al/><al>c de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele uitbreiding
                    van het voedingsgebied;</al><al/><al>d de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking als
                    gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al><al/><al>e de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                    woningvoorraad;</al><al/><al>f de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de school
                    en</al><al/><al>g het onderwijs dat wordt gegeven.</al><al/><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</al><al/><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al><al/><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Bij aanlevering van een prognose dienen de
                    relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode op papier
                    te zijn afgedrukt.</al><al/><al>Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte apparatuur en de
                    aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop
                    de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><al/><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende de criteria waaraan
                    een prognose moet voldoen. Voorafgaand aan de vaststelling door het college
                    vormen de nadere regels onderwerp van overleg aangaande het lokaal
                    onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder b van de in onze
                    gemeente geldende Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid Dongen.</al></bijlage><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>III</nr><titel>CRITERIA VOOR OPPERVLAKTE EN INDELING</titel></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><al>– deel A: de bepaling van de capaciteit;</al><al>– deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al><al>– deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al><al>– deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al></bijlage><bijlage><kop><label>DEEL</label><nr>A</nr><titel>De bepaling van de capaciteit</titel></kop><divisie><kop><label>1. School voor basisonderwijs</label></kop><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens
                        onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met
                        het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met
                        onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe
                        beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige,
                        culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) en recreatieve
                        doeleinden. </al></divisie><divisie><kop><label>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de
                                        T en B-dislocaties met een permanente of tijdelijke
                                        bouwaard</label></kop><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de
                        bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie
                        voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in
                        het primair onderwijs'. </al><al/><al>Basisschool </al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het
                        bruto vloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een
                        permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden
                        afzonderlijk vastgesteld.</al><al/><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                        overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt
                        dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                        geregistreerd. </al><al/><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                        oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                        schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling
                        van een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de
                        capaciteitsbepaling.</al></divisie><divisie><kop><label>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of
                                        tijdelijke bouwaard</label></kop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt
                        het gestelde onder 1.1. </al></divisie><divisie><kop><label>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</label></kop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                        gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                        daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                        rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van
                        een school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer
                        dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de
                        rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het
                        ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde
                        opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden
                        toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw is het
                        gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het meest geschikt
                        is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het
                        grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                        doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te
                        beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de
                        dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                        grootste capaciteit. </al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                        school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie
                        betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde
                        scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als
                        dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven. </al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij
                        na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het
                        college anders beslist. </al></divisie><divisie><kop><label>1.4 Terrein</label></kop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                        kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                        terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van
                        het Kadaster. </al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                        schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                        terreinoppervlakte vastgelegd. </al></divisie><divisie><kop><label>1.5 Inventaris</label></kop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen
                        voor basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                        onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is
                        de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige
                        inventaris.</al></divisie><divisie><kop><label>1.6 Gymnastiekruimten</label></kop></divisie><divisie><kop><label>1.6.1 Gymnastiekruimte </label></kop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                        klokuren. </al></divisie><divisie><kop><label>1.6.2 Terrein </label></kop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                        Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen
                        op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                        geregistreerd. </al></divisie><divisie><kop><label>1.6.3 Inventaris </label></kop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.
                    </al></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>DEEL</label><nr>B</nr><titel>Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</titel></kop><divisie><kop><label>1. School voor basisonderwijs </label></kop></divisie><divisie><kop><label>1.1 Lesgebouwen</label></kop><al>Basisschool </al><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend
                        voor de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte
                        wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                        nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt
                        voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke
                        school.</al><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                        verband met de gewichtensom.</al><al/><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de
                        formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al>B = basisruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond
                        op hele vierkante meters.</al><al> , en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop
                        de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij</al><al>T=toeslag in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                        vierkante meters en</al><al>G=gecorrigeerde gewichtensom.</al><al/><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><al>* bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                        gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al><al>* verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van
                        6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom niet
                        kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een
                        geheel getal;</al><al>*als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het aantal
                        ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80 % van het
                        aantal ingeschreven leerlingen.</al></divisie><divisie><kop><label>1.2 Gymnastiekruimten</label></kop><al>Basisschool </al><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal
                        klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                        formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging
                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs . </al><al>Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                        gymnastiek.</al><al/><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                        voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                        leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                        bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.
                    </al></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>DEEL</label><nr>C</nr><titel>De bepaling van de omvang van de toekenning</titel></kop><divisie><kop><label>1.School voor basisonderwijs </label></kop></divisie><divisie><kop><label>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                                        voorzieningen</label></kop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening: </al><al>* nieuwbouw, dan wel</al><al>* vervangende nieuwbouw</al><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                        noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                        wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van
                        bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al/><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven
                        genoemde ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven
                        bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de
                        hierboven ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal
                        blijven bestaan.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening:</al><al>*uitbreiding, dan wel </al><al>* uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel </al><al>* ingebruikneming dan wel </al><al>* medegebruik </al><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                        beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven
                        in deel B van deze bijlage. </al><al/><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><al>* 55 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik bestemde
                        voorziening basisonderwijs;</al><al>* 40 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening basisonderwijs;</al><al/><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                        genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er
                        is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven
                        genoemde verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal
                        blijven bestaan.</al></divisie><divisie><kop><label>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk
                                        gebruik bestemde voorzieningen</label></kop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel
                        uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke
                        terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de
                        bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte
                        en het gestelde in bijlage III, deel D. </al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                        gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding
                        van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, en meubilair wordt
                        bepaald door de omvang in m2 bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde
                        voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald
                        door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                        het onderwijs. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan
                        het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval
                        van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die
                        minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al></divisie><divisie><kop><label>1.3 Gymnastiekruimten</label></kop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw,
                        wordt bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in
                        onderdeel D van deze bijlage. </al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria
                        voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het
                        onderdeel uitbreiding (bijlage I). </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten
                        die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het
                        onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                        wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                        gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te
                        realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen
                        met betrekking tot de terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                        meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                        gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van
                        het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte
                        oorspronkelijk is bedoeld. </al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                        voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel
                        van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                        bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                        noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>DEEL</label><nr>D</nr><titel>Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</titel></kop><divisie><kop><label>1 School voor basisonderwijs </label></kop><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde
                                gedeelte: 3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200
                                leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>2 Gymnastiekruimten</label></kop><al>– De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.</al><al>– De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al><al>– Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een was-
                        /douchegelegenheid.</al><al/><al>III-1 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                        vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs’</al><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                        voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN 2580, met
                        de volgende aantekeningen:</al><al>* de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                        buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                        gerekend;</al><al>* de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                        gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al><al>* bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                        gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart van
                        de scheidingsconstructie.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>IV</nr><titel>FINANCIËLE NORMERING</titel></kop><al>De financiële normering valt uiteen in drie delen:</al><al>– deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</al><al>– deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al><al>– deel C: bepaling medegebruikstarief;</al></bijlage><bijlage><kop><label>DEEL</label><nr>A</nr><titel>Vergoeding op basis van normbedragen</titel></kop><divisie><kop><titel/></kop><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is
                        tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding
                        omvat 8% (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2)
                        respectievelijk 5% (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag.
                        Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding van een op het programma
                        geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de
                        toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in
                        mindering gebracht. </al><al>Alle in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW.</al></divisie><divisie><kop><label>1 School voor basisonderwijs </label></kop><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                                1.4);</al></li><li nr="-"><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6).</al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van
                        de vergoedingen voor 2007. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1
                        juli 2007 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2008 (2,75% voor de
                        huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 2,5% voor onderhoud,
                        eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                        prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4. </al></divisie><divisie><kop><label>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</label></kop><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal
                        kostencomponenten, te weten: </al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                vervangende bouw;</al></li><li nr="-"><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag voor een
                                speellokaal.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van
                        een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals
                        opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard). </al><al>Kosten voor terreinen </al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                        gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop)
                        stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een
                        terrein dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden
                        gemaakt ten behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van
                        gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening
                        tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de
                        terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het
                        terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van
                        waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal benodigde oppervlakte van
                        het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D. </al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                        behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                        terreinen.</al><al>Bouwkosten </al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                        inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag,
                        waarin inbegrepen een aantal m2 en een bedrag per m2 voor de overige m2.bvo.
                        Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                        bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen: </al><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350 m2 bvo € 736.297,98</al><al>Elke volgende m2 bvo € 1.260,01</al><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw
                        op dezelfde plaats </al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                        desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                        verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie. </al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is
                        gebaseerd op een vast bedrag per m2 bvo, afhankelijk van het type
                        huisvesting dat gesloopt dient te worden. </al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                        basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><al>Permanente bouw per m2 bvo € 51,08 </al><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo € 35,05 </al></divisie><divisie><kop><label>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</label></kop><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2
                        brutovloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven.
                        Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële
                        normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1). </al><al>Kosten voor terrein </al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien
                        uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de
                        kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw
                        (paragraaf 1.1). </al><al>Bouwkosten </al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en
                        inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                        startbedrag en een bedrag per m2 . Met deze vergoedingsbedragen kan en moet
                        de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen: </al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of groter € 107.823,50 </al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2 bvo € 71.882,33 </al><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 1.436,32 </al><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw
                        op dezelfde plaats</al><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).
                    </al></divisie><divisie><kop><label>1.3 Tijdelijke voorziening</label></kop><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten
                        behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is
                        onderscheid gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of
                        uitbreiding van een permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een
                        bestaande tijdelijke voorziening.. Daarnaast wordt ingegaan op realisering
                        van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk
                        gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat
                        een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden
                        gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling
                        van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1). </al><al>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie </al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze
                        bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de
                        toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige
                        aansluitkosten op nutsvoorzieningen. </al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen: </al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter € 41.930,97</al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo € 27.953,98</al><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 1.030,44</al><al>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen </al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze
                        bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de
                        toeslag voor herstel en inrichting van terreinen .</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen: </al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter € 23.569,74 </al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo € 15.713,15 </al><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 1.079,72 </al><al>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen </al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                        gehuurd. </al><al>In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en
                        huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                        werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten)
                    </al></divisie><divisie><kop><label>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                                    meubilair</label></kop><al>Basisschool </al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                        bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna opgenomen
                        bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2.Bij
                        uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het
                        verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder
                        uitbreiding.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen (in euro): </al><al>Basisbedrag € 34.311,60 </al><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo € 120,03 </al></divisie><divisie><kop><label>1.5 Aanpassing</label></kop><al>Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B:
                        vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al></divisie><divisie><kop><label>1.6 Gymnastiek</label></kop><al><vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding </vet></al><al><onderstreept>Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor
                        een basisschool met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt €
                        774.035,26 (op het schoolterrein) respectievelijk € 789.690,58 (op
                        afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering
                        op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin
                        niet begrepen. </al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk
                        van de benodigde paallengte. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><al>Paallengte 1&lt;15 meter € 15.568,86</al><al>Paallengte 15&lt;20 meter € 21.462,48</al><al>Paallengte &gt;20 meter € 30.143,12</al><al/><al><onderstreept>Uitbreiding </onderstreept></al><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten
                        bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                        bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. </al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van
                        140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte
                        van 252 m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor
                        een basisschool er als volgt uit: </al><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2 € 179.837,32</al><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2 € 218.616,96</al><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is,
                        wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><al> 112-120m2 121-150m2</al><al>Paallengte 1&lt;15m € 6.969,91 € 8.715,22</al><al>Paallengte 15&lt;20m € 12.072,28 € 15.086,47</al><al>Paallengte &gt;=20m € 19.736,85 € 24.671,06</al><al>OLP/meubilair </al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                        gymnastiekzaal bedraagt voor een basisschool € 45.966,89.</al></divisie><divisie><kop><label>2.Indexering</label></kop><al>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn afgeleid van het prijspeil van
                        1 juli 1996. Jaarlijks wordt door het college de werkelijke
                        prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling
                        ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar
                        van uitvoering van het programma bekendgemaakt.</al><al>Werkelijke prijsontwikkeling</al><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke
                        prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk
                        jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli
                        het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als
                        prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer
                        'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100 (inclusief BTW)', gepubliceerd in
                        de 'Maandstatistiek bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van
                        het lopende jaar en het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar. </al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek wordt als
                        prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer
                        'Consumentenindex van alle huishoudens’ (NR-reeks), gepubliceerd in de
                        'Maandstatistiek van de prijzen' van het CBS over de maand juli van het
                        lopende jaar en de maand juli van het daaraan voorafgaande jaar. </al><al>Indien de CBS-ondexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000 = 100” over
                        het tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn,
                        worden de CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede
                        kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><al>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma </al><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het
                        programma wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken
                        van het werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma.
                        Dit is noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het
                        programma en het moment van vergoeding vast te stellen. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer
                        het MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen door
                        bedrijven in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in
                        september. </al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het
                        MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals
                        bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. </al></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>DEEL</label><nr>B</nr><titel>Vergoeding op basis van feitelijke kosten</titel></kop><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                    vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis
                    van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge
                    artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van feitelijke kosten,
                    dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen aanbestedingsregels te worden
                    voldaan. </al><al>Europese aanbesteding </al><al>Indien de omvang van een opdracht of contract boven een bepaald bedrag uitkomt,
                    worden ingevolge het Besluit overheidsaanbestedingen de richtlijnen van de
                    Europese Unie (2004/18/EG) toegepast. Deze richtlijnen gelden vanaf de volgende
                    bedragen: </al><al>• 211.000 euro (exclusief BTW) voor leveringen en diensten; </al><al>• 5.278.000 euro (exclusief BTW) voor werken. </al><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder de
                    definitie 'werken'. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of onderwijsleerpakket
                    valt onder 'leveringen'. Bij aankoop van gebouwen en terreinen is de richtlijn
                    uiteraard niet van toepassing. </al><al>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag </al><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen, zoals
                    vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing. </al><al>Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken gemaakt
                    over de wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat op basis van
                    het vastgestelde gemeentelijk beleid bepaald wordt op welke wijze een opdracht
                    wordt aanbesteed, tenzij het college na overleg anders beslist. </al></bijlage><bijlage><kop><label>DEEL</label><nr>C</nr><titel>Bepaling medegebruikstarieven</titel></kop><al>Een bevoegd gezag van een school betaalt voor het onderwijsgebruik van een
                    lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een vergoeding. Deze vergoeding is
                    gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen ter
                    beschikking wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma’s van eisen
                    voor het basisonderwijs, zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie
                    van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.</al></bijlage><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>V</nr><titel>CRITERIA VOOR DE URGENTIE VAN DE AANGEVRAAGDE VOORZIENINGEN</titel></kop><divisie><kop><label>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</label></kop><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                        criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden
                        ter samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in
                        volgorde van prioriteit.</al><al/><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><al>1 voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III
                        op te heffen;</al><al>2 voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te
                        handhaven;</al><al>3 voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                        gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                        capaciteitsuitbreiding inhouden;</al><al>4 voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                        inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen
                        aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al><al/><al>Ad 1</al><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                        voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                        inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                        toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook
                        vergroting van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening
                        bijvoorbeeld door nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze
                        hoofdprioriteit. Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw
                        inclusief de noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze
                        hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan capaciteit op te
                        heffen.</al><al/><al>Ad 2</al><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een
                        ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud, herstel van
                        constructiefouten, herstel of vervanging van schade in bijzondere
                        omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie' vormen de tweede hoofdprioriteit.</al><al>Ad 3</al><al>Aanpassingen van gebouwen met uitzondering van het (deels) inpandig creëren
                        van lesruimten en vervanging van een oliegestookte verwarming vallen onder
                        hoofdprioriteit 3. </al><al>Ad 4</al><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                        onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                        activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of
                        vervanging van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet
                        spoedeisend is.</al></divisie><divisie><kop><label>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                                subprioriteiten</label></kop><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit
                        de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten,
                        namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald
                        afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere
                        voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de
                        subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast.</al><al>Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen
                        en gymnastiekruimten. </al><al>Onder niet lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige
                        nevenruimten binnen het gebouw.</al><al>Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en
                        voorzieningen aan het terrein.</al></divisie><divisie><kop><label>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om
                                    capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te
                                    heffen' komt voor plaatsing op het programma in
                                    aanmerking:</label></kop><al>a als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                        kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                        schoolgebouwen;</al><al>b vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                        kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                        schoolgebouwen en</al><al>c vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                        kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></divisie><divisie><kop><label>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om
                                    een adequaat onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing
                                    op het programma in aanmerking:</label></kop><al>a als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het bouwkundige
                        rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                        kwaliteit wordt toegekend;</al><al>b vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij volgens
                        het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                        laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al><al>c vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                        waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2
                        onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al><al>d vervolgens die voorziening aan een niet lesruimte waarbij volgens het
                        bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste
                        score qua kwaliteit wordt toegekend;</al><al>e vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                        bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste
                        score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></divisie><divisie><kop><label>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om
                                    te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen
                                    waaronder aanpassingen voor zover deze geen
                                    capaciteitsuitbreiding betreffen' komt voor plaatsing op het
                                    programma in aanmerking:</label></kop><al>a als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet en
                        regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                        bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al><al>b vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet voldoet
                        aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                        rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; </al><al>c vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                        dat niet voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                        conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                        minste is; </al><al>d vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de
                        wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport
                        zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al><al>e vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                        wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport
                        zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al></divisie><divisie><kop><label>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk
                                    zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of
                                    gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan
                                    de eigentijdse eisen van het onderwijs' komt voor plaatsing op
                                    het programma in aanmerking:</label></kop><al>a als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                        vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal groepen
                        leerlingen het hoogst is;</al><al>b vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                        percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het
                        hoogst is;</al><al>c vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                        waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                        beleid geldt het hoogst is;</al><al>d vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in gebruik
                        wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                        onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al><al>e vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden,
                        waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al><al>f vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                        aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogste
                        is.</al></divisie></bijlage></regeling></body></cvdr>