<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR59998_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelen- en handhavingsverordening IOAW en IOAZ 2010 gemeente Etten-Leur.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Etten-Leurse Bode, 28-07-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelen- en handhavingsverordening IOAW en IOAZ 2010 gemeente Etten-Leur.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=art. 108, lid 2">Gemeentewet, art. 108, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=art. 147, lid 1">Gemeentewet, art. 147, lid 1 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004044">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 20 lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004044">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004163">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 20, lid 1 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004163">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-05-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>SL</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelen- en handhavingsverordening IOAW en IOAZ 2010 gemeente Etten-Leur. </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Etten-Leur;</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 25 mei 2010, met
                        overneming van de daarin vermelde motieven;</al><al>gelet op de artikelen 108, tweede lid, en 147, eerste lid, van de
                        Gemeentewet, de artikelen 20, tweede lid, en 35, eerste lid, onderdeel b en
                        onderdeel c van de Wet inkomensvoor-ziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers, alsmede de artikelen 20, eerste lid,
                        en 35, eerste lid, onderdeel b en onderdeel c van de Wet inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>B E S L U I T :</al><al>Vast te stellen: </al><al>De volgende Maatregelen- en handhavingsverordening IOAW en IOAZ 2010
                        gemeente Etten-Leur. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="b."><al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al></li><li nr="c."><al>De IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij op
                                    belanghebbende van toepassing zijn;</al></li><li nr="d."><al>Uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid
                                    IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>Uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde netto
                                    grondslag, bedoeld in artikel 5, derde lid en volgende leden van
                                    de IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>Maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van
                                    artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ
                                    alsmede het tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering
                                    op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede
                                    lid IOAZ; </al></li><li nr="g."><al>Inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>Benadelingsbedrag: bruto bedrag dat als gevolg van het niet of
                                    niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten
                                    onrechte is verleend als uitkering op grond van de IOAW/IOAZ;
                                </al></li><li nr="i."><al>Belanghebbende: degene die recht heeft op een uitkering op grond
                                    van de IOAW, alsme-de degene die recht heeft op een uitkering op
                                    grond van de IOAZ;</al></li><li nr="j."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Etten-Leur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering
                                        op grond van de IOAZ of nadien zich onvoldoende heeft
                                        ingezet voor de voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="b."><al>de verplichtingen, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de
                                        IOAW of artikel 20, eerste lid van de IOAZ niet of
                                        onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                        college zeer ernstig misdragen; of</al></li><li nr="c."><al>uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op
                                        grond van artikel 8 van de IOAW of artikel 8 van de IOAZ zou
                                        hebben kunnen verwerven in de gevallen, bedoeld in artikel
                                        20, eerste lid, van de IOAW, of artikel 20, tweede lid, van
                                        de IOAZ,</al><al> wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel
                                        opgelegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag
                            waarmee de uitkering wordt verlaagd, en, als dit van toepassing is, de
                            reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan <cursief>één jaar</cursief> vóór
                                        constatering van die gedraging door het college heeft
                                        plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                        inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging
                                        ten onrechte of teveel uitkering is verleend. Een maatregel
                                        wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                        opgelegd na verloop van <cursief>vijf jaren</cursief> nadat
                                        de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de dag volgend op de
                                datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op
                                dat tijdstip voor die belanghebbende geldende uitkeringsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, als de uitkering over een periode in het
                                verleden nog niet is uitbetaald, dan wel het opleggen van een
                                maatregel in de toekomst niet of niet geheel mogelijk is wegens
                                beëindiging van de uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk binnen drie maanden na het moment van oplegging
                                heroverwogen. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Indeling in categorieën bij niet of onvoldoende medewerken aan
                                reïntegratie-verplichtingen</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende in het kader van reïntegratie,
                            waardoor een verplich-ting op grond van hoofdstuk III van de IOAW/IOAZ
                            niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><al>het niet als werkzoekende geregistreerd staan bij het
                                    Uwv-Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de
                                    registratie.</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijk-heden tot
                                            arbeidsinschakeling, anders dan het niet daartoe
                                            verschijnen zonder bericht van verhindering;</al></li><li nr="c."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om
                                            in verband met arbeidsin-schakeling op een aangegeven
                                            plaats en tijd te verschijnen;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 37, eerste
                                            lid, onder e, van de IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="b."><al>andere gedragingen die de arbeidsinschakeling
                                            belemmeren;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>beëindiging van een dienstbetrekking, waaraan een
                                            dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel
                                            678 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en
                                            belangheb-bende ter zake een verwijt kan worden
                                            gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek
                                            van belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan
                                            zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze
                                            voort-zettting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen
                                            worden gevergd;</al></li><li nr="c."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="d."><al>het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening, wordt de
                                maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als bedoeld in
                                artikel 6 als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>Bij gedragingen van de eerste categorie op € 100,00
                                        gedurende 1 maand;</al></li><li nr="b."><al>Bij gedragingen van de tweede categorie op € 200,00
                                        gedurende 1 maand;</al></li><li nr="c."><al>Bij gedragingen van de derde categorie op € 400,00 gedurende
                                        1 maand;</al></li><li nr="d."><al>Bij gedragingen van de vierde categorie: op 100% van de
                                        uitkeringsnorm gedurende één maand met dien verstande dat
                                        bij:</al><al>- beëindiging van een dienstbetrekking als bedoeld in de
                                        vierde categorie onder a, en b, of </al><al>- het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid als
                                        bedoeld in de vierde categorie onder c, of</al><al>- het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid als bedoeld in de vierde categorie
                                        onder d, waarbij belanghebbende een netto inkomen uit of in
                                        verband met arbeid zou hebben kunnen verwerven, dat minder
                                        bedraagt dan de helft van de van toepassing zijnde
                                        uitkeringsnorm, de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld
                                        op het bedrag van het verloren of niet verkregen netto
                                        inkomen uit of in verband met arbeid gedurende één
                                        maand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan van het opleggen van een
                                maatregel worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van een
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder een schriftelijke
                                waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Niet tijdig verstrekken van gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, van deze verordening legt het
                                college een maatregel op van € 100,00 gedurende 1 maand, indien
                                belanghebbende de verplichting op grond van artikel 13 IOAW/IOAZ
                                niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de
                                verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan niet binnen de
                                door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel als bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing terzake het niet binnen de daartoe
                                gestelde termijn verstrekken van informatie, tenzij het niet tijdig
                                verstrekken van inlichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven met toepassing van het
                                bepaalde in dit artikellid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>ls het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel13 IOAW/IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of
                                tot een te hoog bedrag verstrekken van een uitkering, wordt een
                                maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het
                                benadelingbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, van deze verordening wordt de
                                maatregel op de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingbedrag tot € 1000,-: een maatregel van €
                                        100,00;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: een
                                        maatregel van € 200,00;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: een
                                        maatregel van € 400,00;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingbedrag van € 4000,- of meer: een maatregel
                                        van € 1.000,00.</al></li></lijst><al>Is de maatregel genoemd onder d hoger dan de van toepassing zijnde
                                uitkeringsnorm per maand, dan wordt de maatregel beperkt tot de van
                                toepassing zijnde uitkeringsnorm gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ niet heeft geleid tot het ten
                                onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken van uitkering
                                bedraagt de maatregel € 100,00 gedurende 1 maand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het derde lid van
                                dit artikel kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van
                                een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen een periode van
                                twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
                                belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven met
                                toepassing van het bepaalde in dit artikellid of het bepaalde in
                                artikel 8, tweede lid, van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de maatregel als bedoeld in dit artikel als gevolg van
                                beëindiging van de uitkering niet kan worden opgelegd op de wijze
                                zoals vermeld in artikel 5, eerste lid, van deze verordening kan het
                                besluit tot toekenning van uitkering op grond van artikel 17, derde
                                lid, van de IOAW/IOAZ worden herzien. Bij de herziening wordt
                                rekening gehouden met het bedrag van de maatregel, alsmede met de
                                terugvordering van de daardoor teveel of ten onrechte verstrekte
                                uitkering. De herziening kan niet worden toegepast over een ander
                                tijdvak dan waarop de verwijtbare gedraging betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien de situatie als genoemd in het vijfde lid van dit artikel
                                ertoe leidt dat geen maatre-gel mogelijk is, omdat de verstrekte
                                uitkering volledig moet worden teruggevorderd, wordt geen maatregel
                                opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambte-naren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ, wordt onverminderd
                            artikel 2, tweede lid, van deze verordening een maatregel opgelegd van
                            de gehele uitkeringsnorm gedurende 1 maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Samenloop, recidive en herhaalde recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één
                                maatregel opgelegd. Indien voor schen-ding van die verplichtingen
                                maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                maatregel opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt
                                voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze
                                maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op
                                artikel 2, tweede lid, van deze verordening niet verantwoord
                                is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive bij niet of onvoldoende medewerken
                                aan reïntegratie-verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van het besluit waarbij met toepassing van het bepaalde in artikel 6
                                en 7 van deze verordening een maatregel is opgelegd, opnieuw
                                schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere
                                categorie als bedoeld in artikel 6 van deze verordening, wordt de
                                maatregel die op grond van de artikelen 6 en 7 van deze verordening
                                is aangewezen op grond van die gedraging, in hoogte verdubbeld. Dit
                                totdat de hoogte van de te verdubbelen maatregel gelijk is aan of
                                (in theorie) hoger is dan de bijstandsnorm. Indien sprake is van een
                                verwijtbare gedraging van de vierde categorie, wordt de maatregel
                                die op grond van de artikelen 6 en 7 van deze verordening is
                                aangewezen op grond van die gedraging, in duur verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van het besluit waarbij de maatregel met toepassing van het eerste
                                lid van dit artikel in hoogte is verdub-beld opnieuw schuldig maakt
                                aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie als bedoeld in
                                artikel 6 van deze verordening, wordt de hoogte van de bij het
                                laatste besluit opgelegde maatregel opnieuw verdubbeld. Dit totdat
                                de hoogte van de te verdubbelen maatregel gelijk is aan of (in
                                theorie) hoger is dan de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van het besluit waarbij de maatregel met toepassing van het eerste
                                lid van dit artikel in hoogte is verdub-beld opnieuw schuldig maakt
                                aan een verwijtbare gedraging van hogere categorie als bedoeld in
                                artikel 6 van deze verordening, wordt de maatregel, die op grond van
                                de arti-kelen 6 en 7 van deze verordening is aangewezen op grond van
                                die gedraging, in hoogte verdubbeld. Indien sprake is van een
                                verwijtbare gedraging van de vierde categorie, wordt de maatregel
                                die op grond van de artikelen 6 en 7 van deze verordening is
                                aangewezen op grond van die gedraging, in duur verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als door toepassing van het bepaalde in artikel 7, aanhef en onder
                                d, van deze verordening een maatregel is opgelegd, wordt de duur van
                                de maatregel steeds met één maand verhoogd, als de belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                een zodanige maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging van de vierde categorie als bedoeld in artikel
                                6 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive bij niet tijdig verstrekken van
                                gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van
                                deze verordening wordt verdubbeld, als de belanghebbende zich binnen
                                twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij met
                                toepassing van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van deze
                                verordening een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze
                                verordening. Met een besluit waarmee een maatregel is toegepast
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van deze
                                verordening. Als een besluit in bezwaar of beroep wordt herzien is
                                het laatste in bezwaar of beroep genomen besluit bepalend voor de
                                recidive.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van het besluit waarbij de maatregel met toepassing van het eerste
                                lid van dit artikel in hoogte is verdub-beld opnieuw schuldig maakt
                                aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 8, eerste lid,
                                van deze verordening wordt de hoogte van de bij het laatste besluit
                                opgelegde maatregel opnieuw verdubbeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive bij verstrekken van onjuiste of
                                onvolledige inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel als bedoeld in artikel 9, tweede en derde
                                lid wordt verdub-beld, als de belanghebbende binnen twaalf maanden
                                na bekendmaking van een besluit waarbij met toepassing van artikel 9
                                van deze verordening maatregel is opgelegd, opnieuw zijn
                                inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk nakomt. Als een besluit
                                in bezwaar of beroep wordt herzien is het laatste in bezwaar of
                                beroep genomen besluit bepalend voor de recidive.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                het besluit waarbij de maatregel met toepassing van het eerste lid
                                van dit artikel in hoogte is verdub-beld opnieuw zijn
                                inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk nakomt, wordt de hoogte
                                van de bij het laatste besluit opgelegde maatregel opnieuw
                                verdubbeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive bij zeer ernstige
                                misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van het besluit waarbij met toepassing van artikel 10 van deze
                                verordening een maatregel is opgelegd opnieuw zeer ernstig misdraagt
                                als bedoeld in artikel 10 van deze verordening wordt de maatregel
                                van de gehele van toepassing zijnde uitkeringsnorm in duur
                                verdubbeld. Als een besluit in bezwaar of beroep wordt herzien is
                                het laatste in bezwaar of beroep genomen besluit bepalend voor de
                                recidive.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van het besluit waarbij de maatregel met toepassing van het eerste
                                lid van dit artikel in hoogte is verdub-beld opnieuw zeer ernstig
                                misdraagt als bedoeld in artikel 10 van deze verordening, wordt de
                                duur van de bij het laatste besluit opgelegde maatregel opnieuw
                                verdubbeld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Handhavingsbeleid.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 35, eerste lid, onderdeel c, van de
                                IOAW en IOAZ biedt het college jaarlijks aan de raad een
                                handhavingsplan aan met daarin het te voeren beleid op het gebied
                                van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van
                                de IOAW en IOAZ en de te verwachten resultaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als onderdeel van het verplichte verantwoordingsverslag over de
                                uitvoering van de IOAW en IOAZ, rapporteert het college jaarlijks
                                aan de raad of de gestelde doelstellingen zijn gerealiseerd en welke
                                middeleninzet daartoe is gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om nadere regels
                            te stellen met betrekking tot de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders is belast met de uitvoering
                            van deze verordening. In gevallen waarin deze verordening niet voorziet,
                            beslist het college van burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie en is
                            uitsluitend van toepassing op gedragingen die plaatsvinden na de dag van
                            publicatie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelen- en
                            handhavingsverordening IOAW en IOAZ 2010 gemeente Etten-Leur.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering</ondertekening><ondertekening>Van</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. W.C.M. Voeten. Mw. H. van Rijnbach-de Groot.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Toelichting</label></kop><al><vet><onderstreept>Algemene toelichting Maatregelen-</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>en handhavingsverordening </onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>IOAW en IOAZ 2010 gemeente Etten-Leur
                    </onderstreept></vet></al><al/><al/><al><vet>Bundeling van gemeentelijke middelen </vet></al><al/><al/><al>Met ingang van 1 januari 2010 is de Wet tot bundeling van uitkeringen
                    inkomensvoorziening aan gemeenten (hierna te noemen: “Wet Buig”) – op onderdelen
                    - in werking getreden. Als gevolg daarvan worden de gemeentelijke middelen voor
                    de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandverlening
                    zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor zover dat betrekking heeft op startende
                    ondernemers, alsmede de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) gebundeld met het
                    inkomensdeel voor de Wet werk en bijstand (WWB). Met de invoering van deze
                    gebundelde uitkering krijgt de gemeente één budget voor de bekostiging van
                    uitkeringen op grond van de WWB, de IOAW, de IOAZ, en het Bbz 2004. De gemeente
                    Breda is voor onze regio aangewezen als centrumgemeente voor de uitvoering van
                    de WWIK.</al><al/><al>Met de inwerkingtreding – op onderdelen - van de Wet Buig per 1 januari 2010
                    krijgt de gemeente een grotere beleidsmatige rol en financiële
                    verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de IOAW, IOAZ, WWIK en het Bbz 2004.
                    De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een
                    financieringsystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd en 25%
                    drukte op het gemeentelijke budget; de WWIK kende daarnaast een
                    financieringssystematiek waarbij 100% kon worden gedeclareerd. Per 1 januari
                    2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering ingevoerd, zoals dit nu van
                    toepassing is op het WWB-inkomensdeel. Met de Wet BUIG worden de financiële
                    middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’ gebundeld in het volledig
                    gebudgetteerde I-deel dat de gemeente ontvangt voor de bijstandsverstrekking op
                    grond van de WWB. Gemeenten krijgen door de wet aldus een grotere
                    verantwoordelijkheid en lopen ook meer financieel risico. Daardoor ontstaat voor
                    de gemeente, meer dan eerst, een direct belang om de Ioaw, de Ioaz en het Bbz
                    2004 zo goed en doeltreffend mogelijk uit te voeren.</al><al/><al>Niet gebundeld met het I-deel wordt de financiering van de kosten van
                    levensonderhoud van gevestigde, oudere en beëindigende zelfstandigen en de
                    financiering van bedrijfskapitaal vanuit het Bbz 2004. Hiervoor blijft aparte
                    financiering bestaan. De reden daarvoor is als volgt in de Memorie van
                    Toelichting verwoord (kamerstuk 31927, nr. 3):</al><al/><al><cursief>“De doelgroep van het Bbz 2004 valt op hoofdlijnen uiteen in startende
                        ondernemers en gevestigde ondernemers. De kosten vallen op hoofdlijnen
                        uiteen in bedrijfskapitaal en kosten van levensonderhoud. De benodigde
                        middelen voor bijstand aan de gevestigde ondernemers zijn naast macro
                        economische factoren afhankelijk van een groot aantal moeilijk te
                        voorspellen situaties. Ondernemers kunnen tijdelijk in de problemen komen
                        door bijvoorbeeld klimatologische omstandigheden, uitbraken van dierziekten
                        en renovaties van buurten. Het daarmee gemoeide beslag op bedrijfskapitaal
                        inclusief de kosten van levensonderhoud laat zich lastig ramen. De
                        fluctuaties in opeenvolgende jaren zijn niet alleen groot, maar kunnen ook
                        regionaal of lokaal sterk verschillen. Volledige budgettering en dus
                        bundeling met het I-deel is hierdoor niet op zijn plaats. De financiering op
                        grond van het huidige Bbz 2004, en daarmee het Bbz 2004 als specifieke
                        uitkering, blijft op dit punt gehandhaafd.</cursief></al><al><cursief>Het aantal personen dat jaarlijks als starter gebruik maakt van het Bbz
                        2004 valt wel goed te ramen. De kosten van levensonderhoud voor startende
                        ondernemers worden om die reden wel gebundeld met het inkomensdeel
                        WWB.</cursief></al><al><cursief>Ten aanzien van de verstrekking van bedrijfskapitaal krachtens het Bbz
                        2004 aan starters geldt dat er momenteel enkele pilots lopen met een aparte
                        borgstellingsregeling voor bedrijfskapitaal. Na afloop van de pilots vindt
                        op basis van een evaluatie een afweging plaats of deze voorziening als
                        passend is aan te merken en daaruit voortvloeiend of verstrekking van
                        bedrijfskapitaal niet langer hoeft plaats te vinden via het Bbz 2004. Bij
                        een positieve uitkomst van de evaluatie kan vervolgens een landelijke uitrol
                        worden overwogen. In afwachting van de evaluatie van de pilots blijft de
                        financiering van het bedrijfskapitaal voor startende ondernemers conform de
                        huidige financiering van het Bbz 2004.</cursief></al><al><cursief>Het Bbz 2004 kent naast deze hoofdgroepen nog bepaalde groepen met
                        specifieke eigen bepalingen. De afwijkende situatie van ondernemers in de
                        binnenvaart en van zelfstandigen in het buitenland leidt tot een eigen
                        financieringswijze die zich niet leent voor bundeling met het I-deel. De
                        huidige financiering van het Bbz 2004 blijft hiervoor
                    gehandhaafd.</cursief>”</al><al/><al><vet>Van verplichting naar bevoegdheid </vet></al><al/><al>Bij een systeem van volledige budgetfinanciering past dat verplichtingen voor
                    gemeenten worden omgezet in bevoegdheden. Zo is de verplichting tot
                    terugvordering van ten onrechte en teveel verstrekte IOAW- en IOAZ-uitkeringen
                    met ingang van 1-1-2010 omgezet in een bevoegdheid. </al><al/><al>Voorts past bij het systeem van volledige budgetfinanciering dat de verplichting
                    om een maatregel op te leggen, als een aan de IOAW- of IOAZ-uitkering verbonden
                    verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen, wordt omgezet in een
                    bevoegdheid. De omzetting van de verplichting tot het opleggen van een maatregel
                    in een bevoegdheid daartoe in de IOAW en in de IOAZ is niet met ingang van 1
                    januari 2010 in werking getreden, maar zal met ingang van 1 juli 2010 in werking
                    treden. Daartoe zullen met ingang van 1 juli 2010 onder andere artikel 20 van de
                    IOAW en artikel 20 van de IOAZ worden gewijzigd. Ook de verplichting voor de
                    gemeenteraad om bij verordening regels te stellen voor maatregelen in het kader
                    van de IOAW en IOAZ zal met ingang van 1 juli 2010 in werking treden. Daartoe
                    zal artikel 35 van de IOAW en IOAZ met ingang van 1 juli 2010 zodanig worden
                    gewijzigd, dat de hiervoor bedoelde verplichting daarin is opgenomen. Dat de
                    beide voornoemde onderdelen van de Wet BUIG pas met ingang van 1 juli 2010 in
                    werking treden, komt doordat is geoordeeld dat de vaststelling van een
                    verordening voorbereidingstijd vergt voor gemeenten. Daaruit vloeit overigens
                    wel voort dat de gemeenteraad ook niet eerder dan 1 juli 2010 de hiervoor
                    bedoelde verordening kan vaststellen.</al><al/><al>In het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, hierna te noemen
                    “Maatregelenbesluit”, was de exacte hoogte van maatregelen op grond van de IOAW
                    en IOAZ geregeld. In dat besluit werd voor verschillende maatregelwaardige
                    gedragingen bepaald dat de maatregel wordt vastgesteld op een bepaald percentage
                    van de IOAW- en IOAZ-grondslag. Gezien het voorgaande zou logisch zijn, dat het
                    Maatregelenbesluit komt te vervallen met ingang van 1 juli 2010. Bij Staatsblad
                    2009, nr. 594 zijn echter al met ingang van 1 januari 2010 alle verwijzingen
                    naar de IOAW en IOAZ verwijderd in het Maatregelenbesluit. Naar mag worden
                    aangenomen gaat het hier om een vergissing van de wetgever. Gevolg daarvan is
                    wel dat de (concrete) invulling van de maatregelen vanaf 1 januari 2010 niet
                    meer bij of krachtens wet is geregeld. Het college kan over de periode van 1
                    januari 2010 tot 1 juli 2010 wel een maatregel op grond van de IOAW en/of IOAZ
                    opleggen, maar de hoogte van die maatregel is niet (landelijk) geregeld. </al><al/><al>Om in de ontstane lacune te voorzien, zou het college beleidsregels kunnen
                    stellen met betrekking tot de invulling van de – thans nog verplichte -
                    maatregelen op grond van de IOAW en IOAZ. De gemeenteraad is immers eerst per 1
                    juli 2010 bevoegd bij verordening regels te stellen met betrekking tot
                    maatregelen in het kader van de IOAW en IOAZ. Het college is op dit moment wél
                    bevoegd regels te stellen met betrekking tot de invulling van de verplichte
                    maatregelen in het kader van de IOAW en IOAZ, omdat het college de IOAW en IOAZ
                    in medebewind uitvoert. </al><al/><al>Op 16 maart 2010 heeft het college besloten af te zien van het vaststellen van
                    tijdelijke beleidregels met betrekking tot de invulling van maatregelen op grond
                    van de IOAW en IOAZ. De redenen daarvoor zijn de volgende. In de eerste plaats
                    zouden dergelijke tijdelijke beleidsregels gezien de daarbij te volgen procedure
                    eerst met ingang van een in mei 2010 gelegen datum van kracht kunnen worden.
                    Daardoor zouden de tijdelijke beleidsregels slechts hooguit twee maanden van
                    toepassing kunnen zijn. In de tweede plaats zijn er geen juridische bezwaren aan
                    de handelswijze om bij afwezigheid van regels in het individuele geval aan
                    maatregel op te leggen die proportioneel is ten aanzien van de betreffende
                    gedraging.</al><al/><al><vet>Aansluiting bij het regime op grond van </vet></al><al><vet>de Wet werk en bijstand</vet></al><al/><al>Met de Maatregelen- en handhavingsverordening IOAW en IOAZ wordt voldaan aan de
                    verplichting voor de gemeenteraad om met ingang van 1 juli 2010 bij verordening
                    regels vast te stellen met betrekking tot de oplegging van maatregelen. Rode
                    draad in de Maatregelen- en handhavingsverordening IOAW en IOAZ is dat met
                    betrekking tot de IOAW en IOAZ zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het
                    WWB-regime. Zo is bij maatregelen op grond van de IOAW en IOAZ evenals bij
                    maatregelen op grond van de WWB in beginsel uitgegaan van vaste bedragen, om de
                    praktische uitvoerbaarheid van de verordening te bevorderen. Daarop worden in de
                    Maatregelenverordening IOAW en IOAZ wel enkele uitzonderingen gemaakt, namelijk
                    om een maatregel op te leggen ter hoogte van 100% van de uitkeringsnorm of een
                    maatregel op te leggen ter hoogte van misgelopen inkomen. Laatstgenoemde
                    situaties worden door de IOAW en IOAZ uitdrukkelijk mogelijk gemaakt, dit in
                    afwijking van de WWB. </al><al/><al>Waar in de verordening en in deze toelichting wetsartikelen worden genoemd, is
                    uitgegaan van de betreffende wetten, zoals die luiden met ingang van 1 juli
                    2010. Pas vanaf die datum is – zoals gezegd – de gemeenteraad immers bevoegd bij
                    verordening regels te stellen met betrekking tot het opleggen van
                    maatregelen.</al><al/><al>Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het opleggen van een maatregel, is
                    het opleggen van een maatregel een vorm van maatwerk, waarmee het college is
                    belast. Evenals dat binnen de kaders van de WWB het geval is, dient de maatregel
                    afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en
                    de omstandigheden van de belanghebbende. Het uitgangspunt wordt gevormd door de
                    regels die ter zake door de gemeenteraad zijn gesteld. In de
                    Maatregelenverordening IOAW en IOAZ zijn de gedragingen genormeerd die een
                    schending van de verplichtingen opleveren. Die normering is echter niet
                    absoluut. Zowel in de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of
                    de omstandigheden van de belanghebbende kan aanleiding worden gevonden om van de
                    standaardmaatregel af te wijken. Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan is
                    het college echter zonder meer verplicht om van verlaging af te zien (artikel
                    20, derde lid, van de IOAW en IOAZ). </al><al/><al><vet>De verplichtingen die tot een</vet></al><al><vet>maatregel kunnen leiden </vet></al><al/><al>De juridische basis voor het opleggen van een maatregel op grond van de IOAW en
                    IOAZ is neergelegd in respectievelijk artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van
                    de IOAZ.</al><al/><al>Artikel 20 van de IOAW luidt per 1 juli 2010 als volgt:</al><al><cursief>“1. Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren naar de
                        mate waarin de belangheb-bende uit of in verband met arbeid inkomen als
                        bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven,
                        indien:</cursief></al><al><cursief>a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                        grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                        Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden
                        gemaakt;</cursief></al><al><cursief>b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                        belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren
                        verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen
                        worden gevergd;</cursief></al><al><cursief>c. de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te
                        aanvaarden; of</cursief></al><al><cursief>d. de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde
                        arbeid verkrijgt.</cursief></al><al><cursief>2. Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening,
                        bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of
                        onvoldoende nakomen door de belanghebbende die voor de zelfstandige
                        voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, van
                        een verplichting als bedoeld in artikel 13 of in artikel 30c, tweede en
                        derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of
                        een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting,
                        anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c,
                        waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                        misdragen.</cursief></al><al><cursief>3. Van een verlaging als bedoeld in het tweede lid wordt afgezien,
                        indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</cursief></al><al><cursief>4. </cursief><cursief>Het niet voeren van verweer door de
                        belanghebbende tegen of het instemmen van de belanghebbende met een
                        beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever
                        leidt niet tot het opleggen van een maatregel op grond van het eerste
                        lid.”</cursief></al><al/><al>Artikel 20 van de IOAZ luidt per 1 juli 2010 als volgt:</al><al/><al>1. <cursief>Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening,
                        bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of
                        onvoldoende nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld
                        in artikel 13, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden
                        verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                        onderdeel c, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                        misdragen, in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of ter
                        zake van het nadien onvoldoende inzetten voor de voorziening in het
                        bestaan.</cursief></al><al><cursief>2. Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren tot de
                        mate waarin de belangheb-bende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard
                        uit of in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van
                        artikel 8 zou hebben kunnen verwerven, indien:</cursief></al><al><cursief>a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                        grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                        Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden
                        gemaakt;</cursief></al><al><cursief>b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                        belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren
                        verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen
                        worden gevergd.</cursief></al><al><cursief>3. </cursief><cursief>Van een verlaging als bedoeld in het eerste lid
                        wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid
                    ontbreekt.</cursief></al><al><cursief>4. </cursief><cursief>Het niet voeren van verweer door de
                        belanghebbende tegen of het instemmen van de belanghebbende met een
                        beëindiging van de dienstbetrekking door of op het verzoek van de werkgever
                        leidt niet tot het opleggen van een maatregel op grond van het tweede
                        lid.”</cursief></al><al/><al>Op grond van het bepaalde in artikel 20 van de IOAW kan een maatregel worden
                    opgelegd indien:</al><al><cursief>1. </cursief>de dienstbetrekking is beëindigd als gevolg van een
                    dringende reden als bedoeld in artikel 678 van het Burgerlijk Wetboek en dit
                    belanghebbende valt te verwijten;</al><al>2. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende
                    zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze
                    voortzetting redelijker-wijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;</al><al>3. de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;</al><al>4. de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                    verkrijgt.</al><al>5. het niet of in onvoldoende mate nakomen van een verplichting als bedoeld in
                    artikel 13;</al><al>6. het niet of in onvoldoende mate nakomen van een verplichting als bedoeld in
                    artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                    werk en inkomen;</al><al>7. het niet of in onvoldoende mate nakomen van een op grond van hoofdstuk III
                    aan de uitkering verbonden verplichting;</al><al>8. het zich jegens het college ernstig misdragen. </al><al/><al>In de onder 1. tot en met 4. genoemde situaties wordt de uitkering tijdelijk of
                    blijvend geweigerd naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met
                    arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen
                    verwerven. </al><al/><al>Op grond van het bepaalde in artikel 20 van de IOAZ kan een maatregel worden
                    opgelegd indien:</al><al>1. de dienstbetrekking is beëindigd als gevolg van een dringende reden als
                    bedoeld in artikel 678 van het Burgerlijk Wetboek en dit belanghebbende valt te
                    verwijten;</al><al>2. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende
                    zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze
                    voortzetting redelijker-wijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;</al><al>3. het niet of in onvoldoende mate nakomen van een verplichting als bedoeld in
                    artikel 13;</al><al>4. het niet of in onvoldoende mate nakomen van een op grond van hoofdstuk III
                    aan de uitkering verbonden verplichting;</al><al>5. het zich jegens het college ernstig misdragen;</al><al>6. het zich in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of het
                    nadien onvol-doende inzetten voor de voorziening in het bestaan.</al><al/><al>Wat betreft de IOAZ wordt de uitkering in de onder 1.en 2. genoemde situaties
                    tijdelijk of blijvend geweigerd naar de mate waarin de belanghebbende uit of in
                    verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben
                    kunnen verwerven. </al><al/><al>Uit de tekst van de artikelen 20 IOAW en IOAZ volgt, dat artikel 20 van de IOAW
                    en de IOAZ niet dezelfde maatregelwaardige gedragingen noemen.</al><al/><al>De IOAW en de IOAZ maken het mogelijk een maatregel op te leggen ter hoogte van
                    misgelopen inkomsten, Daarin is een verschil gelegen tussen de WWB enerzijds en
                    de IOAW en IOAZ anderzijds. Daarbij gaat het om beëindiging van een
                    dienstbetrekking op grond van een dringende reden als bedoeld in artikel 678 van
                    boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of beëindiging van een dienstbetrekking op
                    verzoek van belanghebbende zelf, zonder dat aan het dienstverband zodanige
                    bezwaren waren verbonden, dat de voorzetting van het dienstverband
                    redelijkerwijs niet van de belanghebbende zou kunnen worden gevergd. Voor die
                    situaties is in de verordening een afzonderlijk regime neergelegd. Daarbij is
                    wel de beperking opgenomen dat het gaat om inkomen uit of in verband met arbeid
                    dat minder bedraagt dan de helft van de uitkeringsnorm. In dergelijke situaties,
                    waarin het gaat om geringe misgelopen inkomsten, wordt niet gewenst geacht om -
                    conform de hoofdregel bij gedragingen van de vierde categorie - een maatregel op
                    te leggen van 100% van de uitkeringsnorm.</al><al/><al>Onder “dringende redenen”als bedoeld in artikel 678 van boek 7 van het
                    Burgerlijk Wetboek kan het volgende worden verstaan:</al><al>a. wanneer de werknemer bij het sluiten van de overeenkomst de werkgever heeft
                    misleid door het vertonen van valse of vervalste getuigschriften, of deze
                    opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven omtrent de wijze waarop zijn vorige
                    arbeidsovereenkomst is geëindigd;</al><al>b. wanneer hij in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen
                    tot de arbeid waarvoor hij zich heeft verbonden;</al><al>c. wanneer hij zich ondanks waarschuwing overgeeft aan dronkenschap of ander
                    liederlijk gedrag;</al><al>d. wanneer hij zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere
                    misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt;</al><al>e. wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn
                    medewerknemers mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze
                    bedreigt;</al><al>f. wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn
                    medewerknemers verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met de
                    wetten of de goede zeden;</al><al>g. wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van de
                    werkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt;</al><al>h. wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, zich zelf of
                    anderen aan ernstig gevaar blootstelt;</al><al>i. wanneer hij bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van de
                    werkgever, die hij behoorde geheim te houden, bekendmaakt;</al><al>j. wanneer hij hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of
                    opdrachten, hem door of namens de werkgever verstrekt;</al><al>k. wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de
                    arbeidsovereen-komst hem oplegt;</al><al>l. wanneer hij door opzet of roekeloosheid buiten staat geraakt of blijft de
                    bedongen arbeid te verrichten.</al><al/><al>Ingeval zich één van de hiervoor bedoelde “dringende redenen” voordoet, kan dat
                    tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden
                    de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 678, eerste lid, boek 7
                    Burgerlijk Wetboek).</al><al/><al><vet>Hoogte en duur van de maatregel </vet></al><al/><al>De maatregel wordt in deze verordening in beginsel vastgesteld op een vast
                    bedrag. Daarop worden in de verordening twee uitzonderingen gemaakt. In de
                    eerste plaats betreft dat de in artikel 7, eerste lid, onder d, genoemde
                    gedragingen van de vierde categorie. Voor die gedragingen wordt als hoofdregel
                    een maatregel opgelegd van 100% van de uitkeringsnorm gedurende één maand. Een
                    uitzondering op die hoofdregel is de situatie dat geringe inkomsten – waaronder
                    worden verstaan inkomsten uit of in verband met arbeid die minder bedragen dan
                    de helft van de van toepassing zijnde uitkeringsnorm – zijn misgelopen. In dat
                    geval bedraagt de maatregel het bedrag van die misgelopen inkomsten (gedurende
                    één maand). In de tweede plaats wordt op de hoofdregel, dat wat betreft de
                    hoogte van de maatregel wordt uitgegaan van vaste bedragen, een uitzondering
                    gemaakt door artikel 10 van de verordening, waarin is bepaald dat bij zeer
                    ernstige misdragingen een maatregel wordt opgelegd van de gehele uitkeringsnorm
                    gedurende 1 maand.</al><al/><al>In deze verordening wordt in beginsel gekozen voor een maand als de reguliere
                    duur van de maatregel (behoudens de situatie van recidive of herhaalde
                    recidive).</al><al/><al>De WWB kent niet de mogelijkheid tot blijvende verlaging. De mogelijkheid tot
                    blijvende weigering in de IOAW en IOAZ is dus uniek in het gemeentelijke domein
                    van de sociale zekerheid. In de verordening is geen invulling gegeven aan de
                    mogelijkheid tot blijvende verlaging of weigering. De reden daarvoor is de
                    volgende. De IOAW en de IOAZ zijn niet het sluitstuk van de sociale
                    voorzieningen, dat is de WWB. Als het mogelijk zou zijn om een blijvende
                    verlaging of weigering op te leggen, dan zou een (aanvullend) beroep op algemene
                    bijstand op grond van de WWB kunnen worden gedaan. Dan zou de situatie ontstaan
                    dat er twee uitkeringen naast elkaar gaan lopen. Die situatie verdient niet de
                    voorkeur. </al><al/><al>Bij recidive geldt als regel dat de hoogte van de maatregel wordt verdubbeld,
                    totdat de hoogte van de maatregel gelijk is aan of (in theorie) hoger is dan de
                    grondslag. Een uitzondering op die regel zijn gedragingen van de vierde
                    categorie en ernstige misdragingen. In die gevallen wordt niet de hoogte maar de
                    duur van de maatregel verdubbeld.</al><al/><al/><al><onderstreept>De term 'maatregel' </onderstreept></al><al>In artikel 20 van de de IOAW en IOAZ is vermeld dat het college de uitkering
                    weigert en/of verlaagt, in de in die artikelen bedoelde situaties. Gebruikelijk
                    onder gemeenten is echter de term ‘maatregel’. Daarmee wordt niet alleen
                    aangesloten bij het spraakgebruik dat ook binnen de bijstandspraktijk gangbaar
                    is, maar wordt ook het corrigerende karakter ervan benadrukt. Om die reden is in
                    de verordening de term ‘maatregel’ gebruikt om een verlaging aan te duiden. </al><al/><al><vet>Zeer ernstige misdragingen </vet></al><al/><al>Afzonderlijke aandacht verdient de verlaging en/of weigering van de uitkering
                    als de belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt. Het betreft gedragingen die
                    in het maatschappelijk verkeer in alle gevallen als onacceptabel worden
                    beschouwd. Conform het bepaalde in de Maatregelen- en handhavingsverordening met
                    betrekking tot de WWB is in deze verordening bepaald dat bij zeer ernstige
                    misdragingen een maatregel wordt opgelegd van de gehele uitkeringsnorm gedurende
                    1 maand. Een wegens dergelijk gedrag opgelegde weigering van de uitkering dient
                    te worden aangemerkt als punitieve (bestraffende) sanctie en op het college rust
                    de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken dat van agressie in de zin van
                    de genoemde bepaling sprake is geweest. </al><al/><al><vet>Een waarschuwing in plaats van een maatregel? </vet></al><al/><al>In deze verordening is ervoor gekozen om slechts in drie artikelen de
                    mogelijkheid op te nemen voor het geven van een schriftelijke waarschuwing, te
                    weten in artikel 7, tweede lid, in artikel 8, tweede lid (in geval van niet
                    tijdig verstrekken van gegevens) en in artikel 9, vierde lid (bij schending van
                    de inlichtingenplicht zonder benadeling voor de gemeente). Voor de keuze om niet
                    ten aanzien van alle maatregelwaardige gedragingen de mogelijkheid op te nemen
                    voor het geven van een schriftelijke waarschuwing zijn twee redenen. </al><al/><al>De eerste reden is dat een waarschuwing er van uit gaat dat de belanghebbende
                    (nogmaals) op de hoogte gesteld moet worden van zijn verplichtingen. Gemeenten
                    hebben de opdracht hun klanten zo goed mogelijk te informeren over de
                    verplichtingen die aan de IOAW en IOAZ verbonden zijn. Klanten dienen op maat
                    geïnformeerd te worden en ook de dienstverlening zal op maat verzorgd moeten
                    worden. Deze werkwijze maakt deel uit van hoogwaardig handhaven, waarbij
                    handhaven in de bedrijfsvoering is geïntegreerd. Hierdoor zal waarschijnlijk ook
                    de naleving van de verplichtingen groter worden en maatregelen die worden
                    opgelegd beter worden geaccepteerd. De informatie over de maatregelen moet goed
                    toegankelijk zijn en in begrijpelijke taal geschreven zijn. Een waarschuwing
                    ingeval van schending van de inlichtingenplicht met benadeling van de gemeente
                    of een waarschuwing bij zeer ernstige misdragingen kan bij zo'n beleid
                    achterwege blijven. </al><al/><al>De tweede reden voor de keuze om niet bij alle maatregelwaardige gedragingen de
                    mogelijkheid op te nemen voor het geven van een schriftelijke waarschuwing heeft
                    te maken met het feit dat een waarschuwing er van uit gaat dat herstel van de
                    oude situatie mogelijk is. Dat is echter niet per definitie het geval.
                    Uitgezonderd het niet of niet op tijd voldoen aan bepaalde administratieve
                    verplichtingen, waarbij het verzuim geen gevolgen heeft voor de hoogte van de
                    uitkering, hebben alle andere gedragingen in meer of mindere mate gevolgen
                    (gehad) voor de uitkering. Dat laatste geldt met name voor schending van de
                    inlichtingenplicht met benadeling van de gemeente en ook voor zeer ernstige
                    misdragingen.</al><al/><al>Gelet hierop is in deze verordening volstaan met het aanbieden van de
                    mogelijkheid om in de hiervoor bedoelde gevallen de mogelijkheid op te nemen tot
                    het geven van een schriftelijke waarschuwing, middels een bepaling bij de
                    betreffende artikelen.</al><al/><al/><al/><al><vet><onderstreept>Artikelsgewijze toelichting Maatregelen- en
                            handhavingsverordening</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>IOAW en IOAZ 2010 gemeente
                    Etten-Leur</onderstreept></vet></al><al/><al/><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al/><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                    omschrijvingen verdient enige extra aandacht. </al><al/><al><cursief>Onder c. de IOAW/IOAZ</cursief></al><al>Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu een
                    groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering en inhoud
                    en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke afzonderlijke wet
                    verwezen moet worden.</al><al/><al><cursief>Onder e. uitkeringsnorm</cursief></al><al>De WWB werkt met verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek systeem in de
                    IOAW en IOAZ te creëren is het wenselijk om een begrip te introduceren dat
                    verwijst naar een netto norm. </al><al/><al><cursief>Onder f. maatregel</cursief></al><al>In afwijking van de WWB wordt ook het tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van de
                    uitkering wegens misgelopen inkomen binnen deze verordening als maatregel
                    aangemerkt. Dit houdt verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ
                    op dit vlak.</al><al/><al><cursief>Onder g. inkomen</cursief></al><al>Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW en
                    IOAZ. Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde inkomensbegrip.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel </vet></al><al/><al>In het eerste lid is de wettelijke grondslag herhaald voor het opleggen van een
                    maatregel (artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ). </al><al/><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                    leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende en de mate van verwijt-baarheid. Deze bepaling brengt met zich
                    mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet
                    op de individuele omstandigheden van de belanghebbende afwijking van de hoogte
                    en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                    standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen en kan
                    zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging als de mate van
                    verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende afzonderlijk. Waar
                    verderop in de verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan dus worden
                    afgeweken op de genoemde gronden. </al><al/><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: </al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. </al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid. </al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de belanghebbende. </al><al/><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de inko-mensvoorziening wordt verlaagd. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn: </al><al>• bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, bijvoorbeeld hoge
                    woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen
                    financiële tegemoetko-ming mogelijk is; </al><al>• sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld; </al><al>• bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                    maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van
                    verwijtbaarheid. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 3. Het besluit tot opleggen van een maatregel </vet></al><al/><al>Het verlagen of weigeren van de uitkering omdat een maatregel wordt opgelegd,
                    vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in
                    het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks
                    voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het
                    motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een
                    besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd (afdeling
                    3.7 Awb ). </al><al/><al><vet>Artikel 4. Afzien van het opleggen van een maatregel </vet></al><al/><al>Volledigheidshalve wordt in het eerste lid onder a. herhaald dat van een
                    maatregel wordt afgezien als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt (artikel
                    20, derde lid, IOAW en artikel 20, derde lid, IOAZ). </al><al/><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging
                    te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                    is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad,
                    wordt opgelegd. Om deze reden wordt in het eerste lid onder b. geregeld dat het
                    college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden
                    hebben plaatsgevonden. </al><al/><al>Voor gedragingen die een schending van de inlichtingenplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte uitkering is verleend of een te hoog bedrag aan
                    uitkering is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die gelet op artikel 14e
                    van de Algemene bijstandswet gold in verband met het opleggen van een boete
                    wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt
                    voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit
                    dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het
                    benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><al/><al>In het tweede lid is bepaald dat in individuele omstandigheden wegens dringende
                    redenen kan worden afgezien van het opleggen van een maatregel. Van dringende
                    redenen is sprake als de gevolgen van het opleggen van een maatregel
                    onaanvaardbaar zijn. Dat vergt een beoordeling van de situatie van de
                    belanghebbende maar daarvan zal niet spoedig sprake zijn. </al><al/><al>In het derde lid is bepaald dat aan de belanghebbende schriftelijk mededeling
                    wordt gedaan van het besluit tot afzien van het opleggen van een maatregel, als
                    dat besluit is gegrond op het feit dat sprake is van dringende redenen. De reden
                    daarvoor is dat een dergelijk besluit van belang is in verband met eventuele
                    recidive. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al/><al>Verlaging en weigering van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><al>1. met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering; of </al><al>2. door middel van verlaging en/of weigering van de uitkering in de
                    eerstvolgende maand(en). </al><al/><al>Het verlagen en/of weigeren van de uitkering die in de nabije toekomst wordt
                    verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over
                    te gaan tot herziening van de uitkering en het te veel betaalde bedrag aan
                    uitkering terug te vorderen. Om die reden is in het eerste lid vastgelegd dat
                    een maatregel wordt opgelegd met ingang van de dag volgend op de datum waarop
                    het besluit tot oplegging van de maatregel aan de belanghebbende is
                    bekendgemaakt. Voor alle duidelijkheid is expliciet aangegeven dat daarbij wordt
                    uitgegaan van de op dat tijdstip voor de belanghebbende geldende uitkeringsnorm. </al><al/><al>Is toepassing van het eerste lid niet aan de orde, omdat de uitkering reeds
                    beëindigd is, dan biedt het tweede lid de mogelijkheid dat met terugwerkende
                    kracht een maatregel wordt opgelegd. Wanneer een uitkering nog niet (volledig)
                    aan de belanghebbende is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging van de
                    uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat
                    geval moet de uitkering wel worden herzien en teruggevorderd. Dat is ook nog
                    mogelijk indien de uitkering reeds is uitbetaald. Uit de jurisprudentie van de
                    Centrale Raad van Beroep blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op het moment
                    waarop de gedraging plaatsgevonden heeft. Wordt een dergelijke maatregel
                    opgelegd, dan moet een tevens besluit tot herziening van de uitkering worden
                    genomen. </al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Gedragingen die leiden tot een maatregel </vet></al><al/><al/><al>In dit hoofdstuk zijn de maatregelwaardige gedragingen beschreven.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 6. Indeling in categorieën bij niet of</vet></al><al><vet>onvoldoende meewerken aan reïntegratieverplichtingen</vet></al><al/><al/><al>In dit artikel worden de gedragingen die niet of onvoldoende meewerken aan
                    reïntegratiever-plichtingen inhouden, ingedeeld in vier categorieën.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 7: hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al/><al>Zoals in het algemene deel van deze toelichting al is opgemerkt, is in beginsel
                    gekozen voor een vast bedrag wat betreft de hoogte van de maatregel.
                    Uitzondering daarop zijn de gedragingen van de vierde categorie. Dan wordt ofwel
                    een maatregel van 100% van de uitkeringsnorm gedurende één maand opgelegd, ofwel
                    – als inkomen uit of in verband met arbeid dat lager is dan de helft van de
                    uitkeringsnorm is verloren of niet is behouden als gevolg van een gedraging in
                    de vierde categorie – een maatregel ten bedrage van dat verloren of niet
                    behouden netto inkomen uit of in verband met arbeid gedurende één maand. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 8: schending van de </vet></al><al><vet>Inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</vet></al><al/><al>Indien een belanghebbende de voor het recht op uitkering van belang zijnde
                    gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college het
                    recht op uitkering opschorten. Het college geeft de belanghebbende vervolgens
                    een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de hersteltermijn).
                    Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente
                    verstrekt, dan kan het college het besluit tot vaststelling van de uitkering
                    intrekken. Worden de gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn verstrekt,
                    wordt de uitkering voortgezet, maar wordt tevens een maatregel opgelegd. </al><al/><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens bij een aanvraag niet aan
                    de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college het recht op
                    uitkering niet vaststellen. De aanvraag kan dan buiten behandeling worden
                    gesteld. Het opleggen van een maatregel is in dergelijke gevallen niet aan de
                    orde. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 9: schending van de</vet></al><al><vet>inlichtingenplicht met benadeling gemeente</vet></al><al/><al>In artikel 13 van de IOAW en IOAZ is bepaald dat de belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en
                    omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                    invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de
                    hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag aan uitkering dat aan hem
                    wordt betaald. Het college zal moeten vaststellen wat het onder 'onverwijld'
                    verstaat. </al><al/><al>Bij een schending van de inlichtingenplicht die heeft geleid tot het ten
                    onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering wordt op grond van het
                    eerste lid een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het
                    benadelingsbedrag. De ernst van de gedraging komt tot uitdruk-king in de hoogte
                    van dat benadelingsbedrag, waarmee wordt bedoeld het door de gemeente ten
                    onrechte betaalde bedrag aan uitkering. De hiervoor bedoelde afstemming op het
                    benadelings-bedrag is geregeld in het tweede lid.</al><al/><al>De maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige uitkering van de
                    belanghebbende maar kan ook met terugwerkende kracht worden opgelegd, zie
                    artikel 5, tweede lid, van de verordening. </al><al/><al>Het opleggen van een maatregel in reactie op schending van de inlichtingenplicht
                    is in beginsel een verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In de Aanwijzing
                    sociale zekerheidsfraude hebben de Procureurs-generaal echter richtlijnen
                    gegeven onder welke omstandigheden ter zake van de aan de schending klevende
                    strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in geschrifte)
                    vervolging door het OM moet plaatsvinden. Per 1 januari 2009 is de bestaande
                    Aanwijzing sociale zekerheidsfraude gewijzigd (zie Stcrt. 2008/187). </al><al/><al>Uitgangspunt is het zogenaamde ‘una via’-beginsel. De belanghebbende wordt
                    hetzij door de gemeente, hetzij door de strafrechter gesanctioneerd. Niet door
                    beide. In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden
                    bestaat dat het benadelingsbedrag (bruto) € 10.000 of hoger is, er aangifte en
                    vervolging door het OM dient plaats te vinden. Is er echter sprake van ‘witte’
                    fraude (door koppeling van bestanden etc. aan het licht gebracht), dan is de
                    gemeente primair verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van € 35.000. Is de
                    benadeling groter dan is altijd het OM aan zet. Dat geldt ook voor gevallen
                    waarin er met de belanghebbende geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen
                    maatregel meer kan worden toegepast. </al><al/><al>In het derde lid is de zogeheten 'nulfraude' geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor het recht op uitkering. </al><al/><al><vet>Artikel 10. Zeer ernstige misdragingen </vet></al><al/><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW
                    en/of IOAZ. </al><al/><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Dergelijke misdragingen zijns onacceptabel en aan dergelijke
                    gedragingen dient een zwaar gewicht toegekend te worden. Op grond hiervan is een
                    maatregel van 100% van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand gerechtvaardigd.
                    Mocht sprake zijn van verminderde verwijtbaarheid, dan kan de maatregel altijd
                    nog worden gematigd. Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                    belanghebbende zich ernstig heeft misdragen, zal immers evenzeer gekeken moeten
                    worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                    persoonlijke omstandigheden van de belangheb-bende. </al><al/><al>In artikel 20, tweede lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van der IOAZ
                    wordt gesproken over 'het zich jegens het college zeer ernstig misdragen'. Dit
                    betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en
                    hun ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Of dit ook
                    ‘a contrario’ betekent dat geen maatregel kan worden opgelegd als er sprake is
                    van zeer ernstige misdragingen jegens externe uitvoerders van de IOAW en IOAZ,
                    zoals het UWV-WERKbedrijf, reïntegratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is
                    niet duidelijk. De Centrale Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over
                    uitgelaten. </al><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband
                    is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                    ontevreden-heid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3. SAMENLOOP EN RECIDIVE </vet></al><al/><al>In dit hoofdstuk is de samenloop en recidive geregeld.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 11. Samenloop </vet></al><al/><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                    verplichtingen genoemd in de IOAW/IOAZ. Indien sprake is van één gedraging die
                    als een schending van meerdere verplichtingen kan worden aangemerkt, dan wordt
                    één maatregel opgelegd.</al><al/><al>Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan dient voor
                    iedere gedraging afzonderlijk een maatregel te worden opgelegd, en worden deze
                    maatregelen gelijktijdig opgelegd. Wel dient daarbij altijd de individuele toets
                    aan artikel 2, tweede lid te worden toegepast. </al><al/><al><vet>Artikel 12. tot en met 20.</vet></al><al/><al>De artikelen 12 tot en met 20 behoeven geen toelichting.</al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>