<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR59848_6</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Venlo</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">E3-journaal, 03-11-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Venlo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet">Woningwet </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Artt. 1.1; hfdst. 2; 2.1.5; 2.2.6; 2.4.1; 2.4.2; 2.5.2; 2.5.3; 2.5.3A; 2.5.6; 2.5.7; 2.5.8; 2.5.9; 2.5.10; 2.5.11; 2.5.12; 2.5.13; 2.5.14; 2.5.15; 2.5.16; 2.5.17; 2.5.18; 2.5.19; 2.5.20; 2.5.21; 2.5.22; 2.5.23; 2.5.24; 2.5.25; 2.5.27; 2.5.28; 2.5.29; 2.5.30; hfdst 2 prgrf 6; 2.7.3; 2.7.4; 2.7.5; 2.7.6; 4.1; 4.2; 4.4; 4.5; 4.10; 4.12; 4.14; hfdst.5; 5.1.2; hfdst. 5 prgrf 2; 5.3.3; 5.3.4; hfdst 6; 7.1.2; 7.2.1; 7.2.2; 7.3.1; 7.3.2; 7.5.1; 7.6.1; hfdst 8 prgrf 1; 8.1.1; 8.1.2; 8.1.3; 8.1.5; 8.1.6; 8.1.7; hfdst 8 prgrf 2; 8.2.1; 8.2.2; 8.3.2;8.3.3; 8.3.4; 9.1; 9.5; 9.6; 9.7;9.8; 9.9; 10.1; 10.3; 10.6; hfdst 12; 12.4; bijlagen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Bij besluit van 4 januari 2010 heeft de gemeenteraad deze regeling geldend verklaard voor het gehele gebied dat vanaf 1 januari 2010 deel uitmaakt van de gemeente Venlo.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Venlo</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1 Inleidende bepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>1.1 Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="•"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005/article=1">artikel 1, letter a, van het
                                                  Asbestverwijderingsbesluit 2005</extref>;</al></li><li nr="•"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=1">Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel
                                                  e</extref>, dan wel, bij het ontbreken van een
                                                bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid,
                                                burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="•"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als
                                                bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=2">artikel 2 van de Woningwet</extref>;</al></li><li nr="•"><al>Bouw- en sloopafval (BSA): afval (bouwrestanten) dat
                                                vrijkomt bij het bouwen, verbouwen en slopen van
                                                gebouwen en andere bouwwerken;</al></li><li nr="•"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=92">artikel 92, tweede lid, van de Woningwet</extref>
                                                in samenhang met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=5.10">artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen
                                                  omgevingsrecht</extref> belast is met het bouw- en
                                                woningtoezicht;</al></li><li nr="•"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van
                                                hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de
                                                plaats van bestemming, hetzij direct of indirect met
                                                de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                                plaatse te functioneren;</al></li><li nr="•"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in Hoofdstuk 8:
                                                hetgeen daaronder wordt verstaan in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005/article=6">artikel 6, eerste lid van het
                                                  Asbestverwijderingsbesluit 2005</extref>;</al></li><li nr="•"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als
                                                bedoeld in het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit">Bouwbesluit</extref>;</al></li><li nr="•"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die
                                                door of namens burgemeester en wethouders is
                                                vastgesteld;</al></li><li nr="•"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands
                                                Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;</al></li><li nr="•"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands
                                                Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="•"><al>omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor
                                                een bouwactiviteit als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.1">artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet
                                                  algemene bepalingen omgevingsrecht</extref>;</al></li><li nr="•"><al>omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor
                                                een sloopactiviteit als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.2">artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wet
                                                  algemene bepalingen omgevingsrecht</extref>;</al></li><li nr="•"><al>straatpeil: </al><lijst><li nr=""><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter
                                                  plaatse van die hoofdtoegang;</al></li><li nr=""><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  niet direct aan de weg grenst de hoogte van het
                                                  terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij
                                                  voltooiing van de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="•"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                                openstaande wegen of paden daaronder begrepen de
                                                daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen
                                                of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de
                                                aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide
                                                parkeerterreinen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>"In deze verordening wordt mede verstaan onder: </al><lijst><li nr="•"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="•"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw".</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>1.2 Termijnen</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><afdeling><kop><titel>2.1 Gegevens en bescheiden</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</tussenkop><al>(Vervallen).).</al><tussenkop> 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.1.5 Bodemonderzoek</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als
                                            bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=8">artikel 8, vierde lid, van de Woningwet</extref>
                                            bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                                  bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave
                                                  2009, in overeenstemming met het
                                                  onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;</al></li><li nr="b."><al>vervallen;</al></li><li nr="c."><al>indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
                                                  bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder
                                                  mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in
                                                  de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede
                                                  plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707,
                                                  uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                            bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Regeling%20omgevingsrecht/article=2.4">artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                                omgevingsrecht</extref> geldt niet indien het bouwen
                                            betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang
                                            gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">Besluit omgevingsrecht, artikelen 2</extref> en
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">3 van bijlage II</extref>. Deze verwijzing geldt
                                            niet voor de hoogtebepalingen in het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">Besluit omgevingsrecht, artikelen 2</extref> en
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">3 van bijlage II</extref>.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk
                                            afwijken van de plicht tot het indienen van een
                                            onderzoeksrapport bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Regeling%20omgevingsrecht/article=2.4">artikel 2.4, onder d, van de Regeling
                                                omgevingsrecht</extref> toe, indien voor toepassing
                                            van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare
                                            recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de
                                            plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                            bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Regeling%20omgevingsrecht/article=2.5">artikel 2.5, onder d, van de Regeling
                                                omgevingsrecht</extref> toestaan voor een bouwwerk
                                            met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.23">artikel 2.23 Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht/article=5.16">artikel 5.16 van het Besluit
                                                omgevingsrecht</extref>, indien uit het in NEN 5725,
                                            uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar historisch
                                            gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
                                            locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen
                                            een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave
                                            2009 niet rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de
                                            aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het
                                            bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en
                                            voordat met de bouw wordt begonnen.</al></li></lijst><tussenkop> 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
                                    aanvraag om bouwvergunning</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.1.7 Bouwregistratie</tussenkop><al>(Vervallen)..</al><tussenkop> 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                    bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</tussenkop><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2.2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.2.2 Samenloop met vrijstelling Ruimtelijke Ordening</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                                    bouwvergunning</tussenkop><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2.3 Welstandstoetsing</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 2.3.1 Welstandscriteria</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</tussenkop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar
                                    is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet
                                    worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een
                                    bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                            verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                            bouwen is vereist; en </al><lijst><li nr=""><al>1. dat de grond raakt, of</al></li><li nr=""><al>2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke
                                                  gebruik niet wordt gehandhaafd.’</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</tussenkop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd
                                    het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Regeling%20omgevingsrecht/article=2.4">artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht</extref> kan het bevoegd gezag voorwaarden
                                    verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het
                                    geval zij op grond van het inde <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Regeling%20omgevingsrecht">Regeling omgevingsrecht</extref>. Bedoelde
                                    onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende
                                    onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het
                                    tweede lid van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20bodembescherming/article=39">artikel 39 van de Wet bodembescherming</extref>
                                    goedgekeurde saneringsplan bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20bodembescherming/article=39">artikel 39, eerste lid, van die wet</extref> van oordeel
                                    zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar
                                    door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden
                                    gemaakt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2.5 Paragraaf 5</titel></kop><structuurtekst><al>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</al><tussenkop> 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen</tussenkop><al>(Vervallen)..</al><tussenkop> 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</tussenkop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor
                                    het bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens
                                    bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al><tussenkop> 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer /
                                    Brandblusvoorzieningen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een bouwwerk dat voor het verblijf
                                            van mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd
                                            van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die
                                            toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die
                                            geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto’s,
                                            ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                            verwachten verkeer.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste
                                            lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende
                                            weg in een bestemmingsplan of in een verordening of
                                            anderszins voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 meter,
                                                  over een breedte van ten minste 3,25 meter zijn
                                                  verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de
                                                  weg hebben van ten minste 4,2 meter;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                  motorvoertuigen met een massa van tenminste 14.600
                                                  kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken
                                                  en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            een bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van
                                            artikel 2, onderdeel 3 of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht</extref> geen vergunning is
                                            vereist, voor zover dat bijgebouw niet tot bewoning
                                            bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op
                                            hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                            bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                            brandweerauto's aanwezig zijn dat een doeltreffende
                                            verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening
                                            kan worden gelegd.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                            blusvoorziening moet worden zorggedragen voor een
                                            doeltreffende niet-openbare blusvoorziening.</al></li><li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste en vierde lid,
                                            indien de aard, de ligging en het gebruik van het
                                            bouwwerk zich daarvoor lenen.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.3A Brandweeringang</tussenkop><al>(Vervallen)..</al><tussenkop> 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=4.3">artikel 4.3 van het Bouwbesluit</extref>;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet
                                                  gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als
                                                  bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=4.3">artikel 4.3 van het Bouwbesluit</extref>. En
                                                  anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                                  gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                                  aanwezig zijn.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</tussenkop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                            regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                            bebouwing;</al></li><li nr=""><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke,
                                            zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                            voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel
                                            mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                            overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a.
                                            bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden
                                            gebouwd;</al></li><li nr=""><al>bij een wegbreedte van tenminste 10 meter, de lijn
                                            gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr=""><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn
                                            gelegen op 10 meter uit de as van de weg.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.6 Verbod tot bouwen met een overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                    bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist, te bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn.</al><tussenkop> 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                            realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                            aanbrengen van veranderingen bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht</extref>;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen
                                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het
                                            afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van
                                            de veranderingen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht</extref>, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                  funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                  rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits
                                                  zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3
                                                  meter overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met
                                            overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd
                                            gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen
                                            voor: </al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders,
                                                  kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de
                                                  bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
                                                  straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan
                                                  bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 2, onderdeel 9</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">16</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">18 van bijlage II bij het Besluit
                                                  omgevingsrecht</extref>, die naar hun aard en
                                                  bestemming op een voor de voorgevelrooilijn
                                                  gelegen erf toelaatbaar zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de
                                                  grens van de weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede
                                                  balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met
                                                  niet meer dan 1,50 meter overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen buitentrappen en liftschachten,
                                                  hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere
                                                  luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                                  schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                                  draagconstructies voor reclames anders dan bedoeld
                                                  zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding
                                                  tussen twee bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld
                                                  in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> dan wel in de
                                                  provinciale of gemeentelijke monumentenverordening
                                                  - voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog
                                                  op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                                                  aansluiting bij het karakter van de bestaande
                                                  omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking
                                            worden toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: </al><lijst><li nr="•"><al>4,20 meter boven de hoogte van de rijweg, met
                                                  inbegrip van een strook van 0,50 meter breedte ter
                                                  weerszijden van die rijweg;</al></li><li nr="•"><al>2,20 meter boven de hoogte van een ander deel
                                                  van de weg;</al></li><li nr=""><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de
                                                  gebruikers van de weg niet in gevaar komt.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 2.5.9 Bouwen op de weg</tussenkop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het
                                    bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net
                                            aangesloten nutsvoorziening, het
                                            telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
                                            wegverkeer, anders dan bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II bij
                                                het Besluit omgevingsrecht</extref>;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het
                                            verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of
                                            het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair,
                                            anders dan bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d van bijlage
                                                II bij het Besluit omgevingsrecht</extref>;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor
                                            reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                            bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Afschuining van straathoeken</al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in
                                            de voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing
                                            in: </al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die
                                                  waarin de afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8
                                                  en 2.5.9 is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in
                                                  die waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14
                                                  is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter
                                                  de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die
                                            een knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover
                                            elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen
                                            of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden
                                            van minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de
                                            hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek van niet
                                            meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                            afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor
                                            onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m²
                                            behoeft te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van
                                                  gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- of industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele
                                                  eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht/article=2">artikel 2, onderdeel 3</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het
                                                  Besluit omgevingsrecht</extref> bedoelde
                                                  gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en
                                                  veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, en de
                                                  daarbijbehorende woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelte van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan
                                                  van de afwijking is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de
                                            voorgevelrooilijn en bevindt zich: </al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                  driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig
                                                  bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                  gelijk aan de helft van de straal van de
                                                  ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                                  doch op geen grotere afstand van de
                                                  voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan
                                                  één ingeschreven cirkel binnen de
                                                  voorgevelrooilijn kan worden beschreven, geldt de
                                                  grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                  bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm
                                                  op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn,
                                                  bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                                  herleiding van de vorm van het bouwblok tot één of
                                                  meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij
                                                  op zichzelf of gezamenlijk de vorm van het
                                                  bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen
                                                  grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                                  meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te
                                                  bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie
                                                  zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                  gelijk aan ¼ van de afstand tussen de
                                                  voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                                  elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden
                                                  van de bouwblok, doch op geen grotere afstand van
                                                  de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen
                                                  zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                                                  bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand
                                                  van de voorgevelrooilijn gelijk aan ¼ van de
                                                  afstand tussen voorgevelrooilijnen van de beide
                                                  zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                                  bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen
                                                  grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                                  meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde
                                                  gevallen op een afstand die wordt bepaald met
                                                  inachtneming van de beginselen, welke zijn
                                                  neergelegd in a. t/m d. van dit lid, doch op geen
                                                  grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                                  meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                            achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                            achterzijden van die bebouwing - in het belang van de
                                            toetreding van daglicht - over een afstand van tenminste
                                            5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt tenminste 2
                                            meter terugliggen ten opzichte van beide
                                            achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover
                                            de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in
                                            de hoekbebouwing dit toelaten.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist, te bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn.</al><tussenkop> 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor
                                            doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                            daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van
                                            bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                            begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van
                                            het erf tenminste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                            realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                            uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 2, onderdeel 3</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht</extref> geen vergunning is
                                            vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                            realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                            aanbrengen van veranderingen van aard, als bedoeld in de
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht</extref>;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen
                                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het
                                            afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht</extref>, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                  funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                  rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</tussenkop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van
                                            bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                            begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens
                                            van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                            liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                            openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                            weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van
                                            die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de
                                            bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en
                                            2.5.4 is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 2, onderdeel 3</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II van het
                                                Besluit omgevingsrecht</extref>;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of
                                            overwegend handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan
                                            een omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                            voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die
                                            vallen onder <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 2, onderdeel 3</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht</extref>;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                            alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                            uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen
                                            dan bedoeld in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> dan wel in de
                                            monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                            bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                            gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van
                                            de bestaande omgeving.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn
                                            dat tenminste een strook grond omvat die: </al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit
                                                  aan de achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen
                                                  deel dat is begrepen tussen het verlengde van de
                                                  zijgevels, een diepte heeft van tenminste 5
                                                  meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten
                                            haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst
                                            achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten
                                            de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13,
                                            en de balkons en veranda's buiten beschouwing
                                            blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking voor het bepaalde in: </al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                                  betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag
                                                  niet tot bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                                  voorwaarden wordt voldaan: </al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan
                                                  de bepalingen voor te bouwen woningen en
                                                  woongebouwen van het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit">Bouwbesluit</extref> voldoet, wordt de bestaande
                                                  toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw waarvan geen deel tot woning, anders
                                            dan als dienstwoning, is bestemd, moet een bij het
                                            gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van
                                            tenminste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen
                                            deel van het gebouw en over de volle breedte
                                            daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw
                                                  hiervoor geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is
                                                  toegestaan van het verbod tot overschrijding van
                                                  de achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten
                                            opzichte van de zijdelings grens van het erf zodanig
                                            zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het
                                            aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
                                            ontstaan die: </al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter
                                                  daarboven minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li><li nr=""><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of
                                                  het aangrenzende erf wordt hierbij buiten
                                                  beschouwing gelaten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien
                                            voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en
                                            onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 2, onderdeel 12 van bijlage II van het
                                                Besluit omgevingsrecht</extref> zijn niet
                                            toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het
                                            belang van het af te scheiden erf of terrein.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                                    ondergrondse hoofdtransportleidingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                            stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                            hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van
                                            andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel
                                            uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van
                                            deze afstand moet rekening worden gehouden met het
                                            uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                            hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn
                                            met een nominale elektrische spanning van 1.000 volt of
                                            meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                            ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen
                                            bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van: </al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft
                                                  de afstand van 6 meter, indien de elektrische
                                                  spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen
                                                  bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft
                                                  de afstand van 6 meter, indien daartegen met het
                                                  oog op de veilige en ongestoorde ligging van de
                                                  leiding geen bezwaar bestaat.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                            maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen
                                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak
                                            door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met
                                            éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs
                                            de desbetreffende weg.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval
                                            aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan
                                            de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een
                                            lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch over geen
                                            grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten
                                            haaks op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het
                                            midden van de breedte van het bouwwerk of door projectie
                                            daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                            ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten
                                            hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtstbijzijnde
                                            gelegen tegenoverliggende rooilijn.</al><al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is
                                            onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking de
                                            verstverwijderde van de beide ter weerszijden van de
                                            onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                            maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen
                                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak
                                            door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met
                                            éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                                            achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten
                                            haaks op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het
                                            bouwwerk.</al><al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet
                                            evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de
                                            achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde
                                            afstand tussen de achtergevelrooilijnen.</al><al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn
                                            ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde
                                            tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                            voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
                                            maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
                                            achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
                                            hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                                            achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager
                                            dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde
                                            hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het
                                            verschil tussen het straatpeil en het peil van het
                                            onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij
                                            voltooiing van de bouw.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.22 Toegelaten hoogte van de zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                            bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot
                                            aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien
                                            in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt -
                                            onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 - de
                                            maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk
                                            aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5
                                            maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                            achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg
                                            behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden
                                            bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid,
                                            voor de bepaling van de afstand tussen twee
                                            achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de
                                            zijgevel niet hoger is dan de voorgevel.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                            bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergnning
                                            is vereist tussen de voor- en achtergevelrooilijn niet
                                            hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken
                                            door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn
                                            snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21
                                            - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak
                                            een hoek vormen van 45 graden.</al></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
                                            zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
                                            achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit
                                            bouwwerk bovendien niet hoger reiken dat tot het vlak
                                            dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter
                                            hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale
                                            bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek
                                            vormt van 56 graden.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen
                                            dan 15 meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan één weg grenst en deze
                                            wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte
                                            ten opzichte van de laagstgelegen weg.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel
                                            2.5.3 of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt
                                            opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag
                                            niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat
                                            - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat -
                                            daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45
                                            graden toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de
                                            aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor
                                            geen beletsel vormen.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of een ander
                                            buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten
                                            opzichte van straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging
                                            hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen
                                            door de breedte.</al><al>Plaatselijke verhogingen als bedoeld in artikel 2.5.27,
                                            onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten
                                            voor zover zij de maximale hoogte overschrijden buiten
                                            beschouwing worden gelaten.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</tussenkop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21,
                                    eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23
                                    en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                            realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                            aanbrengen van veranderingen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht</extref>;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van
                                            bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen
                                            van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingrecht">artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingrecht</extref>;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                            voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij
                                            niet breder zijn dan 6 meter en mits de
                                            geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel
                                            gemeten, niet groter is dan het product van de breedte
                                            van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                                            plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan
                                            0,60 meter.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</tussenkop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20,
                                    eerste lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid,
                                    2.5.23 en 2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen van openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen
                                            en andere gebouwen bestemd voor het houden van
                                            bijeenkomsten en vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of
                                            winkeldoeleinden, indien de welstand bij het toestaan
                                            van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op
                                            een handels- en industrie-terrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van
                                            een bouwwerk, anders dan bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht</extref> en indien: </al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                  bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                  toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                  hoogte-afmetingen andere hoogte-afmetingen kleiner
                                                  worden dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                            verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of
                                            het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij
                                                het Besluit omgevingsrecht</extref>;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                            soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan
                                            0,60 meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet
                                            meer dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter,
                                            de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de
                                            afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter
                                            bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                            gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen
                                            behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> danwel in de
                                            provinciale of gemeentelijke monumentenverordening voor
                                            zover zulks niet bezwaarlijk is om de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                            verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                            omgeving.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                                    in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</tussenkop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                    2.5.28 kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                    met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn,
                                    en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                    bouwhoogte indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                            beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=3.3">artikel 3.3 van de Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht</extref> van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                            zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede
                                            ruimtelijke ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                            onderbouwing bevat.</al></li></lijst><tussenkop> 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                                    in gebouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw
                                            aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan
                                            ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen
                                            op meer dan 2 wielen, moet in deze behoefte in voldoende
                                            mate zijn voorzien in, op of onder dat gebouw, danwel op
                                            of onder het daarbij behorende, onbebouwd blijvende
                                            terrein.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren
                                            van motorvoertuigen op meer dan 2 wielen moet afmetingen
                                            hebben die zijn afgestemd op gangbare motorvoertuigen
                                            van genoemde soort.</al></li><li nr=""><al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten
                                                  tenminste 1,80 meter bij 5,00 meter en ten hoogste
                                                  2,50 meter bij 6,00 meter bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde
                                                  parkeerruimte voor een gehandicapte - voor zover
                                                  die ruimte niet in de lengterichting aan een
                                                  trottoir grenst - tenminste 2,95 meter bij 5,00
                                                  meter bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot
                                            een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of
                                            lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende
                                            mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel
                                            op of onder het daarbij behorende, onbebouwd blijvende
                                            terrein.</al></li><li nr="4."><al>In de behoefte aan parkeerruimten als bedoeld in lid 1
                                            wordt in voldoende mate voorzien indien wordt voldaan
                                            aan de parkeernormen uit de deelnota Bereikbaarheid en
                                            Parkeren van het Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan,
                                            vastgesteld door de gemeenteraad op 30 mei 2007. In
                                            bijlage 13 is de tabel met parkeernormen uit dit
                                            verkeer- en vervoersplan opgenomen.</al></li><li nr="5."><al>Het aantal parkeerruimten wordt in hele getallen
                                            vastgesteld. Bij 0,5 of meer wordt naar boven afgerond
                                            en minder dan 0,5 naar beneden.</al></li><li nr="6."><al>Indien tot gevolg heeft dat op basis van de parkeernorm
                                            als bedoeld in lid 4 die na de verbouwing van toepassing
                                            is een groter aantal parkeerruimten nodig is dan voor de
                                            verbouwing, dient aan die norm voldaan te worden.</al></li><li nr="7."><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorwaarden stellen
                                            ten aanzien van: </al><lijst><li nr="a."><al>de aard, plaats en inrichting van de
                                                  parkeerruimten;</al></li><li nr="b."><al>de aard, capaciteit, plaats en inrichting van de
                                                  gelegenheid voor het laden of lossen;</al></li><li nr="c."><al>de aanwezigheid en aanduiding van parkeerruimten
                                                  uitsluitend ten behoeve van minder validen.</al></li></lijst></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen geheel of gedeeltelijk
                                            vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste
                                            en/of derde lid indien: </al><lijst><li nr="a."><al>uit een door de aanvrager van een bouwvergunning
                                                  over te leggen parkeerbalans blijkt dat op eigen
                                                  terrein door middel van dubbelgebruik voldoende
                                                  parkeerruimte beschikbaar is;</al></li><li nr="b."><al>met de verwezenlijking van het bouwplan, naar
                                                  het oordeel van burgemeester en wethouders, een
                                                  gemeentelijk belang is gemoeid en de aanvrager van
                                                  een bouwvergunning per parkeerruimte waarvoor
                                                  vrijstelling wordt verleen een financiële
                                                  vergoeding betaalt, op basis van een
                                                  parkeereisovereenkomst. De hoogte van de
                                                  vergoeding is € 4.000,00 per parkeerruimte;</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een totale gebiedsontwikkeling en
                                                  naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                                  een gemeentelijk belang rechtvaardigt dat op
                                                  openbaar gebied en voor rekening van de gemeente
                                                  parkeerruimten worden aangelegd.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 2.5.31 Grootste toegelaten bouwhoogte van woonwagens</tussenkop><al>De bouwhoogte van een woonwagen mag niet meer bedragen dan 4
                                    meter, gemeten ten opzichte van straatpeil.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2.6 Paragraaf 6</titel></kop><structuurtekst><al>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</al><tussenkop> 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                                    brandmeldinstallaties</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsinstallaties</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsinstallaties</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop> 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.6.11 Gelijkwaardigheid</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</tussenkop><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>2.7 Paragraaf 7</titel></kop><structuurtekst><al>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><tussenkop> 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</tussenkop><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=3.119">artikel 3.119 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten
                                    zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                    waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 meter afstand van
                                            de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 meter
                                            van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet
                                            is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 50 meter.</al></li></lijst><tussenkop> 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</tussenkop><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=2.46">artikel 2.46 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn
                                    aangesloten aan het openbare distributienet voor
                                    elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 meter afstand van
                                            de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand is gelegen
                                            van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan
                                            onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 100 meter.</al></li></lijst><tussenkop> 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=2.68">artikel 2.68 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            in bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn
                                            aangesloten aan het openbare distributienet voor
                                            aardgas: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 meter
                                                  afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat
                                                  distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand is
                                                  gelegen van de leiding van het
                                                  aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                                  kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                                  bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van
                                                  40 meter.</al></li><li nr=""><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid
                                                  op woningen, waarin voor het kunnen koken een
                                                  andere energiebron dan gas aanwezig is en voor
                                                  verwarming geen individuele aansluiting van
                                                  gastoevoer nodig is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van
                                                  meer dan 500 m²;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                                  verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een
                                                  gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                                  verwarming, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=2.69">artikel 2.69 van het Bouwbesluit</extref>
                                                  (warmtedistributienet).</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                                    verwarming</tussenkop><al>Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor
                                    verwarming van bouwwerken, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=2.69">artikel 2.69 van het Bouwbesluit</extref>
                                    (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te bouwen
                                    bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 meter afstand van
                                            de dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening
                                            is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld,
                                            maar de kosten van de aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40 meter.</al></li></lijst><tussenkop> 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=3.31">artikel 3.31 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de
                                            afvoer van afvalwater en faecaliën moeten zijn
                                            aangesloten aan een openbaar riool.</al></li><li nr=""><al>Niet van toepassing is deze eis in delen van de gemeente
                                            waarin geen openbare riolering aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                                  binnenmiddellijn de voor het maken van de
                                                  aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de
                                                  gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf
                                                  of terrein moet of moeten kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die
                                                  faansluitleiding moeten worden tussengeschakeld
                                                  ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater
                                                  en faecaliën, ingeval de leiding te laag gelegen
                                                  is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool
                                                  te lozen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref> bepaalt of er al dan niet
                                            voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten
                                            worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede
                                            werking of de goede staat van het openbaar riool, dan
                                            wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen
                                            aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de
                                            aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                                            geeft.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien
                                            afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van
                                            water, bodem en lucht mogelijk is: </al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan
                                                  40 meter van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=3.31">artikel 3.31 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de
                                            afvoer van afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar
                                            riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit
                                                  toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een
                                                  rottingput met overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit
                                                  toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op
                                                  een mestkelder of een beerput zonder overstort,
                                                  een gierput of een rottingput met overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder
                                                  faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                                  moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van
                                                  water, bodem en lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder
                                                  faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=3.41">artikel 3.41 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor
                                            de afvoer van hemelwater moeten: </al><lijst><li nr="a."><al>zodanig lozen dat geen verontreiniging van
                                                  water, bodem en lucht kan optreden; en</al></li><li nr="b."><al>zijn aangesloten aan een in de grond
                                                  aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorziening van
                                                  voldoende capaciteit, welke voorziening in verband
                                                  met de grootte van de te ontwateren oppervlakken
                                                  en de bodemgesteldheid ter plaatse moet zijn
                                                  gelegen op voldoende afstand van de perceelgrenzen
                                                  en de bebouwing op het perceel.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking: </al><lijst><li nr="a."><al>van het bepaalde in het eerste lid, indien de
                                                  afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van
                                                  water, bodem en lucht mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>van het bepaalde in het tweede lid, indien de
                                                  bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter
                                                  plaatse, dan wel de omvang van het perceel de
                                                  infiltratie van hemelwater niet toelaten en
                                                  bovendien de afvoervoorziening voor hemelwater
                                                  niet wordt aangesloten aan een rottingput.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het
                                            bepaalde in het tweede lid, onder b, ten behoeve van
                                            bouwwerken waarbij in de omgeving voldoende
                                            voorzieningen voor de opvang en infiltratie van
                                            hemelwater - mede bedoeld voor opvang van hemelwater
                                            komende van particuliere percelen - aanwezig zijn en die
                                            bouwwerken daarop aansluiten zodanig dat wordt voldaan
                                            aan het bepaalde in het tweede lid onder a.</al></li></lijst><tussenkop> 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                                    erven en terreinen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                            scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel
                                            mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten
                                            waterdicht zijn aangewerkt.</al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde
                                            leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet
                                            zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting
                                            gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of
                                            de buitenriolering.</al></li><li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en
                                            de aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen
                                            beerputten of rottingputten voorkomen.</al></li><li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                            mogen geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en
                                            moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende
                                            lucht- en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse
                                            middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht
                                            te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde
                                            in NEN 3215, uitgave 2007.</al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een
                                            leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en
                                            hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg
                                            kruist, een buitenwerkse middellijn hebben van tenminste
                                            125 mm.</al></li><li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en
                                            hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op
                                            erven en terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan deze
                                            eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan
                                            aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in
                                            bijlage 7.</al></li></lijst><tussenkop> 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbaar net van de nutsvoorzieningen</tussenkop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                    moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een
                                    aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel
                                    van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het
                                    distributienet bevindt.</al><al>Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                    bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3 De melding</titel></kop><afdeling><kop><titel>3.1 De wijze van melden</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>3.2 Welstandscriteria</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                            ingebruikneming van het bouwwerk</titel></kop><afdeling><kop><titel>4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                                tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><structuurtekst><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het
                                bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                                inzage worden gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=13">artikel 13</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=13a">13a</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=14">14, tweede lid, sub b van de Woningwet</extref>, dan
                                        wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                                        oplegging van een last onder dwangsom.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.4 Het uitzetten van de bouw</titel></kop><structuurtekst><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning
                                voor het bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden
                                van een omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden
                                begonnen alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover
                                nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein
                                        zijn uitgezet.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                                van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken
                                        waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend
                                        en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen - tenminste 2 dagen voor
                                        de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het
                                        bouwproces in kennis te worden gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, de
                                                ontgravingswerkzaamheden daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen,
                                                het slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de
                                                grondverbeteringswerkzaamheden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient tenminste 2 dagen van tevoren in
                                        kennis te worden gesteld van het storten van beton.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen
                                        moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk
                                        geschieden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                                onderzoekingen</titel></kop><structuurtekst><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle
                                opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden
                                verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de
                                naleving van deze verordening en van het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit">Bouwbesluit</extref> nodig acht.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.7 Bemalen van bouwputten</titel></kop><structuurtekst><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                                ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op zodanige
                                wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                                grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                                naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                                veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.8 Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in
                                        verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer
                                        zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen
                                        ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de
                                        weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open
                                        erven en terreinen en hun gebruikers.</al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt
                                        uitgevoerd moeten, wanneer er niet wordt gewerkt -
                                        rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet inbegrepen: </al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve
                                                van de uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun
                                                geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het
                                                weer in gebruik stellen van de installaties door
                                                anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder
                                                meer mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een
                                                zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen
                                                daarvan, niet zonder meer door anderen dan de
                                                daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden
                                                gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                        elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer
                                        elektrisch aangedreven bemalingspompen, indien de
                                        omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt
                                        onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4. Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                            nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                            veiligheidsoogpunt nodig zijn.</titel></kop><afdeling><kop><titel>4.9 Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                        dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                        doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende
                                        open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of
                                        hinder te duchten is.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                        geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk
                                        hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en
                                        andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door
                                        wordt belemmerd.</al></li><li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                        en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of
                                        terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt
                                        gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet
                                        nodig acht.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                                hinder</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                        transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat
                                        kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van
                                        goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud
                                        verkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk
                                        een werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor
                                        gevaar voor de omgeving optreedt.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat
                                        schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of
                                        kan veroorzaken, verbieden.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een
                                        werk te gebruiken krachtwerktuig: </al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                                en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal
                                                niet mag worden gebruikt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                        toepassing indien en voor zover het betreft nadelige
                                        gevolgen voor het milieu waarop de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref> of enige in deze wet genoemde
                                        milieuwet van toepassing is.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.11 Bouwafval</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden
                                        gescheiden in de volgende fracties: </al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                                hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de
                                                Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                                augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                                bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                                bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien het overig afval, bedoeld in voorgaand lid onder d,
                                        bestaat uit meer dan één afvalstof, moet dit overig afval
                                        worden afgevoerd naar een inrichting die bevoegd is deze
                                        afvalstoffen ongesorteerd te ontvangen.</al></li><li nr=""><al>Overig afval dat uit één afvalstof bestaat, evenals de
                                        fracties bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c,
                                        moeten worden afgevoerd naar een bewerkingsinrichting of
                                        verwerkingsinrichting, dan wel een inzamelaar die bevoegd is
                                        deze afvalstoffen te ontvangen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                        bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container
                                        van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                                        verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor
                                        tijdelijke opslag.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                                bouwwerkzaamheden</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Van het gereedkomen: </al><lijst><li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen
                                                van de riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en
                                                mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                                                straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden,
                                                alsmede van de thermische isolatie in andere
                                                besloten constructies moet het Bouwtoezicht
                                                onmiddellijk na de voltooiing van de onder a. en b.
                                                bedoelde werkzaamheden in kennis worden
                                                gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid
                                        betrekking heeft, mogen niet zonder toestemming van het
                                        bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende 2 dagen
                                        na het tijdstip van kennisgeving.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige
                                        toepassing op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in
                                        de aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden
                                        voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is
                                        bepaald.</al></li><li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden,
                                        waarop de omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking
                                        heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het
                                        Bouwtoezicht gemeld.</al></li><li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                        bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-,
                                        metsel of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het
                                        bouwtoezicht tenminste 2 dagen vóór het begin van het
                                        desbetreffende werk in kennis worden gesteld van de te
                                        treffen maatregelen ten behoeve van: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en
                                                verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de
                                                voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog
                                                onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden
                                                2 graden Celsius is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien
                                        het Bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk
                                        plaatsvinden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.14 Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                een omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te
                                geven of te nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het
                                bouwtoezicht.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>4.15 Verbod te bouwen als bouw is stilgelegd</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties,
                            aansluitingen op de nutsvoorzieningenen weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</titel></kop><afdeling><kop><titel>5.1 Paragraaf 1</titel></kop><structuurtekst><al>Staat van open erven en terreinen</al><tussenkop> 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband
                                            met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud
                                            bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen
                                            opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de
                                            gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen,
                                            ten gevolge van: </al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk
                                                  gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is
                                            verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg
                                            tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig
                                            zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                                            ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                            verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het
                                            gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste
                                            lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende
                                            weg in een bestemmingsplan of in een verordening of
                                            anderszins, voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 meter,
                                                  over een breedte van ten minste 3,25 meter zijn
                                                  verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de
                                                  weg hebben van ten minste 4,2 meter;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                  motorvoertuigen met een massa van ten minste
                                                  14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                                                  kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            een bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 2, onderdeel 3</extref>, of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht</extref> geen vergunning is
                                            vereist, voor zover dat bijgebouw niet tot bewoning
                                            bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op
                                            hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                            brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende
                                            verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening
                                            kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het
                                            gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                            bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                            doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></li></lijst><tussenkop> 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=4.3">artikel 4.3 van het Bouwbesluit</extref>;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet
                                                  gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als
                                                  bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=4.3">artikel 4.3 van het Bouwbesluit</extref>;</al></li><li nr=""><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                                  gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                                  aanwezig zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt
                                            dat zij: </al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 meter breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan
                                                  0,85 meter; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen
                                                  van 0,02 meter, tenzij dit plaatsvindt door middel
                                                  van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde
                                                  van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=2.39">artikelen 2.39</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=2.40">2.40 van het Bouwbesluit</extref>.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>5.2 Paragraaf 2</titel></kop><structuurtekst><al>Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</al><tussenkop> 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    gebouwen niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                                    logiesgebouwen of kantoorgebouwen</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    woningen en in woongebouwen van bijzondere aard</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen</tussenkop><al>(Vervallen.)</al><tussenkop> 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    kantoorgebouwen</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 5.2.6 Aanwezigheid van blusmiddelen ten behoeve van
                                    kamerverhuur en in woongebouwen bij bijzondere aard</tussenkop><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>5.3 Paragraaf 3</titel></kop><structuurtekst><al>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><tussenkop> 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</tussenkop><al>De in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=3.123">artikelen 3.123</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=3.124">3.124 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                                    aan het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 meter afstand van
                                            de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 meter
                                            van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet
                                            is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 50 meter.</al></li></lijst><tussenkop> 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</tussenkop><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=2.52">artikel 2.52 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in
                                    bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn
                                    aangesloten aan het openbare distributienet voor
                                    elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 meter afstand van
                                            de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand is gelegen
                                            van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan
                                            onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 100 meter.</al></li></lijst><tussenkop> 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</tussenkop><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=2.72">artikel 2.72 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in
                                    bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan
                                    het openbare distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 meter afstand van
                                            de dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand is gelegen
                                            van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40 meter.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen waarin voor het kunnen koken een andere
                                            energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen
                                            individuele aansluiting van gastoevoer nodig is;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                            m²;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het
                                            stadsverwarmingsnet.</al></li></lijst><tussenkop> 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=3.36">artikel 3.36 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                            afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan
                                            bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                            hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel
                                            5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan
                                            een openbaar riool.</al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                  riolering aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40
                                                  meter van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt
                                                  geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                                  bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                                  voldoende ruime mestkelder, gier- of beerput
                                                  aanwezig is.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</tussenkop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing
                                    is, gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                            met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met
                                            een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten
                                            aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                            zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput
                                            zonder overstort, een doeltreffende gierput of een
                                            doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn,
                                            alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die
                                            toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                            wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water,
                                            bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                                            overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat
                                            geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                            optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen
                                            op een rottingput.</al></li></lijst><tussenkop> 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                                    erven en terreinen</tussenkop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop> 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</tussenkop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                    moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een
                                    aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel
                                    van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het
                                    distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                                    tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                                    beschouwd.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>5.4 Paragraaf 4</titel></kop><structuurtekst><al>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><tussenkop> 5.4.1 Preventie</tussenkop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6 Brandveiligheid</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7 Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>7.1 Paragraaf 1 Overbevolking</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 7.1.1 Overbevolking van woningen</tussenkop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat
                                    een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m²
                                    gebruiksoppervlakte.</al><tussenkop> 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</tussenkop><al>Het is verboden een woonwagen, te bewonen met of toe te staan
                                    dat een woonwagen, wordt bewoond door meer dan één persoon per 6
                                    m² gebruiksoppervlakte. Overigens is de lagere getalwaarde in
                                    dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar
                                    met het verschil in getalwaarde tussen <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=4.25">artikel 4.25</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=4.30">artikel 4.30 van het Bouwbesluit</extref>.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>7.2 Paragraaf 2 Staken van het gebruik</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</tussenkop><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                    terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                    burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk
                                    is in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                            bouwwerk.</al></li></lijst><tussenkop> 7.2.2 Staken van het gebruik wegens gebrek aan veiligheid en
                                    gebrek aan hygiëne</tussenkop><al>Indien ten gevolge van het niet functioneren - hieronder
                                    begrepen het afgesloten zijn - van de ingevolge het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit">Bouwbesluit</extref> verplicht aanwezige voorzieningen tot
                                    het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken over
                                    drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het
                                    kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een
                                    onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is,
                                    kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het bouwwerk te
                                    staken.</al><tussenkop> 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</tussenkop><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>7.3 Paragraaf 3</titel></kop><structuurtekst><al>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><tussenkop> 7.3.1 Bepaling aantal personen</tussenkop><al>In afwijking van het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht/article=2.2">artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit
                                        omgevingsrecht</extref>, wordt het aantal personen bepaald
                                    op 10.</al><tussenkop> 7.3.2 Hinder</tussenkop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                    terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te
                                    hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen
                                    te gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voorde omgeving hinderlijke of schadelijke wijze
                                            rook, roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de
                                            gebruikers van het bouwwerk, het open erf of
                                            terrein;</al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze
                                            stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt
                                            verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en
                                            trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of
                                            door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                            verontreiniging van het bouwwerk, open erf of
                                            terrein;</al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt
                                            veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover
                                    het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref> of enige in deze wet genoemde wet
                                    van toepassing is.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>7.4 Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte /
                                Reinheid</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 7.4.1 Preventie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het normaal onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                            geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                            bevindt.</al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te
                                            worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte
                                            hierdoor niet wordt aangetrokken.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>7.5 Paragraaf 5 Watergebruik</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 7.5.1 Verboden gebruik van water</tussenkop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd
                                    gezag schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt
                                    geacht, te gebruiken.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>7.6 Paragraaf 6 Installaties</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</tussenkop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit">Bouwbesluit</extref> en/of de Bouwverordening de
                                    aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat
                                    verkeren, zodat daarvan een onbe-lemmerd gebruik kan worden
                                    gemaakt.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8 Slopen</titel></kop><afdeling><kop><titel>8.1 Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder
                                            begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een
                                            vergunning van het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist
                                            indien naar redelijke schatting de hoeveelheid
                                            sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het
                                            slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts
                                            is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een
                                            besluit op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=13">artikel 13 van de Woningwet</extref>, dan wel een
                                            besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging
                                            van een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan
                                            hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het
                                            derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning
                                            slechts voorschriften over: </al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en gescheiden afvoeren van het
                                                  sloopafval naar een daartoe bestemde
                                                  bewerkingsinrichting of verwerkingsinrichting die
                                                  over een vergunning ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref> en/of de Wet chemische
                                                  afvalstoffen beschikt, tenminste inhoudende een
                                                  scheiding in een fractie asbest, een fractie
                                                  gevaarlijk afval en een fractie overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden
                                                  overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel
                                                  8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze
                                                  gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval als bedoeld in het
                                            derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent
                                            het selectief slopen, de fracties waarin wordt
                                            gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein, de
                                            verpakking van het afval en het gescheiden afvoeren. Het
                                            bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor
                                            het slopen voorschriften over het afvoeren van asbest en
                                            de termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt
                                            niet indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor
                                            het bouwen voor een seizoengebonden bouwwerk
                                            voorschriften zijn gesteld over het slopen van het
                                            tijdelijke bouwwerk.</al></li></lijst><tussenkop> 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 8.1.3 In behandeling nemen</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 8.1.4 Termijn van beslissing</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</tussenkop><al>(Vervallen).</al><tussenkop> 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</tussenkop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is
                                            gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften
                                            niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband
                                            met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door
                                            het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil
                                            kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische
                                            monumenten ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> of <extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/regelingen/Monumentenverordening-Venlo-2010/01-01-2010">Monumentenverordening</extref> is vereist en deze
                                            niet is verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning of ontheffing ingevolge een
                                            leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads-
                                            en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht van de
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Invoeringswet%20Wet%20ruimtelijke%20ordening">Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening</extref> de
                                            werking heeft behouden, is vereist en deze niet is
                                            verleend;</al></li></lijst><tussenkop> 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</tussenkop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend ten gevolge van onjuiste of
                                            onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                            sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                            gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden
                                            deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode
                                            van 26 weken stilliggen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>8.2 Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                                omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 8.2.1 Sloopmelding</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                            omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het
                                            anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf
                                            in zijn geheel slopen van: </al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende platen waarin de
                                                  asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde
                                                  dakleien, uit een woning of uit een op het erf van
                                                  die woning staand bijgebouw, voor zover de woning
                                                  of het bijgebouw niet in het kader van de
                                                  uitoefening van een beroep of bedrijf worden
                                                  gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader
                                                  en de oppervlakte van de te verwijderen
                                                  asbesthoudende platen maximaal 35 m² per
                                                  kadastraal perceel bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde,
                                                  asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of
                                                  uit een op het erf van die woning staand
                                                  bijgebouw, voor zover de woning of het bijgebouw
                                                  niet in het kader van de uitoefening van een
                                                  beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn
                                                  voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                                                  te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of
                                                  vloertegels maximaal 35 m² per kadastraal perceel
                                                  bedraagt, mits het voornemen tot dit slopen is
                                                  gemeld bij burgmeester en wethouders en door
                                                  burgemeester en wethouders binnen 8 dagen na de
                                                  dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                                  omgevingsvergunning voor het slopen is
                                                  vereist.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid
                                            moet worden gemeld met gebruikmaking van een door of
                                            namens burgemeester en wethouders vastgesteld
                                            formulier.</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                            drievoud worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                            het Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het
                                            adres, de aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of
                                            namens burgemeester en wethouders een bewijs van
                                            ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van
                                            ontvangst is vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid
                                            bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde
                                            termijn hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege
                                            gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als
                                            bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met
                                            betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van
                                            asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste
                                            of het tweede lid is verplichte voorschriften, bedoeld
                                            in het achtste lid alsmede de voorschriften die bij of
                                            krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005/article=7">artikelen 7</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005/article=8">8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005</extref>
                                            zijn gesteld, in acht te nemen. Voorts is de houder
                                            verplicht ter zake van de afvoer van asbest bevattende
                                            vloerbedekking alsmede van andere afvalstoffen waarop de
                                            mededeling betrekking heeft de in de gemeente geldende
                                            voorschriften in acht te nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest
                                            door sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het
                                            eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel
                                            gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders
                                            degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om
                                            binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                            gegevens over te leggen.</al></li></lijst><tussenkop> 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    omgevingsvergunning voor het slopen</tussenkop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                    omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen,
                                    voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat
                                    uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                    bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                            constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem-, frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                            verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat
                                            lager is dan 2.250 kilowatt.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>8.3 Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</tussenkop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                    overeenkomstige toepassing op het slopen en het
                                    sloopterrein.</al><tussenkop> 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</tussenkop><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen
                                    of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van
                                    een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op
                                    verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al><tussenkop> 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor
                                    het slopen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen
                                            moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op
                                            asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.</al></li><li nr="2."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen
                                            moet een afschrift van de vergunning ter hand stellen
                                            aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens
                                            aanneming van werk zal uitvoeren.</al></li><li nr="3."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen
                                            stelt ten minste één week voorafgaande aan de aanvang
                                            van het slopen, het bevoegd gezag schriftelijk op de
                                            hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen,
                                            voor zover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                            plaatsvinden.</al></li><li nr="4."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen
                                            stuurt binnen 2 weken na de uitvoering van de
                                            werkzaamheden het bevoegd gezag een afschrift van de
                                            resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005/article=9">artikel 9, eerste lid van het
                                                Asbestverwijderingsbesluit 2005</extref>.</al></li></lijst><tussenkop> 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</tussenkop><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor
                                    het slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het
                                    slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht
                                    hiervan terstond melding te doen aan het Bouwtoezicht.</al><tussenkop> 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                    asbest</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in
                                            een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat
                                            het bouwwerk wordt gesloopt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste
                                            bestaande technieken worden toegepast om verontreiniging
                                            van het milieu met asbest te voorkomen.</al></li></lijst><tussenkop> 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                                    tuinbouwkassen</tussenkop><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>8.4 Paragraaf 4 Vrij slopen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 8.4.1 Sloopafval algemeen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                            vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding
                                            krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient tenminste te
                                            worden gescheiden in de navolgende fracties: </al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                                  hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij de
                                                  Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr.
                                                  17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van
                                                  gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het sloopafval, bedoeld in het voorgaande lid, moet
                                            worden afgevoerd: </al><lijst><li nr="a."><al>naar een inrichting die bevoegd is deze
                                                  afvalstoffen ter sortering of ter verwerking te
                                                  ontvangen; of</al></li><li nr="b."><al>naar een depot voor tijdelijke opslag of
                                                  overslag dat bevoegd is deze afvalstoffen te
                                                  ontvangen; of</al></li><li nr="c."><al>naar een stortplaats, voor zover het
                                                  niet-herbruikbaar materiaal betreft en voor zover
                                                  de ontdoener gerechtigd is een merkteken te voeren
                                                  op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Regeling%20merkteken%20niet-herbruikbaar%20en%20niet-verbrandbaar%20bouw-%20en%20sloopafval%20">Regeling merkteken niet-herbuikbaar bouw- en
                                                  sloopafval</extref> (Stcrt. 246, 19 december
                                                  1996).</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9 Welstand</titel></kop><afdeling><kop><titel>9.1 De advisering door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert over de
                                        welstandsaspecten van aanvragen voor regulier
                                        vergunningplichtige en licht-vergunningplichtige bouwwerken
                                        als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=44">artikel 44, eerste lid, onder d</extref>
                                        respectievelijk <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=44">artikel 44, derde lid</extref>, juncto <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=44">eerste lid, onder d van de Woningwet</extref>, alsmede
                                        van aanvragen om voorlopige beoordeling (schetsplannen) en
                                        van bestaande situaties.</al></li><li nr="2."><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit baseert haar advies
                                        slechts op de in de Welstandsnota genoemde
                                        welstandscriteria.</al></li><li nr="3."><al>Verder adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit over
                                        aspecten van archeologie, landschap, stedenbouw,
                                        beeldkwaliteitplannen, architectuur, monumentenzorg,
                                        reclame-uitingen, alsmede over alle andere objecten en
                                        aangelegenheden welke het college van burgemeester en
                                        wethouders van belang acht voor het realiseren van een
                                        verantwoord stads- en landschapsbeeld.</al></li><li nr="4."><al>In gevallen waarin zij dat nuttig of noodzakelijk acht, is
                                        de commissie bevoegd om het college van burgemeester en
                                        wethouders schriftelijk te adviseren over zaken over de
                                        welstand of de ruimtelijke kwaliteit waarover haar advies
                                        niet is gevraagd.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>9.2 Samenstelling van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit bestaat uit een
                                        voorzitter en vijf leden. De leden zijn deskundig op het
                                        gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit (waaronder
                                        landschapsarchitectuur), bouwhistorie dan wel
                                        cultuurhistorie.</al></li><li nr="2."><al>Voor de voorzitter wordt uit de leden een plaatsvervanger
                                        aangewezen die hem bij afwezigheid kan vervangen.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter en de leden van de Commissie Ruimtelijke
                                        Kwaliteit zijn onafhankelijk ten opzichte van het
                                        gemeentebestuur.</al></li><li nr="4."><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt bijgestaan door de
                                        adviseur Ruimtelijke Kwaliteit en de secretaris of diens
                                        plaatsvervangers.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>9.3 Benoeming en zittingsduur</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter en de leden van de Commissie Ruimtelijke
                                        Kwaliteit worden, op voorstel van burgemeester en
                                        wethouders, benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en de leden van de Commissie Ruimtelijke
                                        Kwaliteit kunnen voor een termijn van ten hoogste drie jaar
                                        worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor
                                        een periode van ten hoogste 3 jaar.</al></li><li nr="3."><al>Het reglement van orde van de Commissie Ruimtelijke
                                        Kwaliteit dat als bijlage 9 bij deze verordening is
                                        vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande
                                        leden, nadere benoemingsprocedures.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>9.4 Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><structuurtekst><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit stelt jaarlijks een verslag op
                                van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin in ieder geval
                                aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de
                                welstandscriteria uit de welstandsnota; de werkwijze van de
                                Commissie Ruimtelijke Kwaliteit; op welke wijze uitwerking is
                                gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de
                                beoordeelde plannen; de bijzondere projecten.</al><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan in haar jaarverslag
                                aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk
                                kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de
                                gemeentelijke Welstandsnota in het bijzonder.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>9.5 Termijn van advisering</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de
                                        aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit
                                        binnen 4 weken nadat door of namens burgemeester en
                                        wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="2."><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de
                                        aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien
                                        deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project
                                        of een gefaseerde aanvraag betreft uit binnen 3 weken nadat
                                        door of namens burgmeester en wethouders daarom is
                                        verzocht.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies
                                        de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit een langere termijn dan
                                        genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor
                                        het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn
                                        kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de
                                        termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met
                                        toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wat algemene
                                        bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de Commissie Ruimtelijke
                                        Kwaliteit is openbaar. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                        beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. Indien
                                        burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de
                                        aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling,
                                        dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                        redenen op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbaarheid%20van%20bestuur/article=10">artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur</extref>
                                        ten grondslag te leggen.</al></li><li nr="2."><al>De aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                        wordt door of namens de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit in
                                        staat gesteld tot het geven van een toelichting op het
                                        bouwplan. De agenda voor de vergadering van de Commissie
                                        Ruimtelijke Kwaliteit wordt tijdig bekendgemaakt in een van
                                        overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                        huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte
                                        wijze.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de
                                        commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van
                                        een toelichting is gedaan, ontvangt de aanvrager van de
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging voor de
                                        vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                                        behandeld.</al></li><li nr="4."><al>Belangstellenden hebben geen spreekrecht.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>9.7 Afdoening bij mandaat</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan de advisering over
                                        een aanvraag om advies mandateren aan een of meerdere
                                        daartoe aangewezen leden dan wel aan de secretaris of diens
                                        plaatsvervanger. De aangewezen leden en de secretaris
                                        adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel
                                        van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als bekend mag worden
                                        verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan
                                        alsnog voor aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.</al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar.
                                        Indien het bevoegd gezag - al dan niet op verzoek van de
                                        aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling,
                                        dan dient het bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op
                                        grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbaarheid%20van%20bestuur/article=10">artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur</extref>
                                        ten grondslag te leggen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk.
                                        Een negatief advies wordt bovendien deugdelijk
                                        gemotiveerd.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies is uitgebracht, wordt het door of namens
                                        burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                        bouwvergunning.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10 Overige administratieve bepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>10.1 De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>10.3 Overdragen vergunningen</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>10.4 Overdragen mededeling</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                                woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><structuurtekst><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening
                                en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en
                                andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij
                                deze verordening behorende bijlagen - worden verwezen, indien de
                                bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of
                                het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of
                                vervanging heeft gepubliceerd.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11 Handhaving</titel></kop><afdeling><kop><titel>11.1 Stilleggen van de bouw</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>11.3 Onderzoek naar water</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>11.4 Onderzoek naar een gebrek</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>12.1 Strafbare feiten</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><structuurtekst><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig
                                bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning
                                indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve
                                bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende
                                bodemonderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn
                                dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent
                                onderzoek kan worden gezien.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>12.3 Overgangsbepalingen met betrekking tot de staat van open
                                erven en terreinen</titel></kop><structuurtekst><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid
                                van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of
                                wordt op basis van een bouwvergunning, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=47">artikel 47, eerste lid, van de Woningwet</extref> van 12 juli
                                1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=40">artikel 40 van de Woningwet</extref> eisen aan de
                                bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>12.4 Vervallen</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>12.5 Overgangsbepaling derde serie wijzigingen</titel></kop><structuurtekst><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling, gebruiksvergunning
                                of toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop
                                deze verordening inhoudende de derde serie wijzigingen van de
                                bouwverordening van kracht is geworden en waarop op genoemd tijdstip
                                nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van
                                toepassing, zoals deze luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij
                                de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen
                                worden toegepast.</al><al>Het bovenstaande is slechts van toepassing op de artikelen 8.1.1,
                                8.1.2, 8.1.4, 8.2.1, 8.2.2, 8.3.3 en 8.3.5 voor zover deze artikelen
                                in overeenstemming zijn met het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005">Asbestverwijderingsbesluit 2005</extref> (Stb. 2005, 704).</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>12.6 Vrijstelling burgemeester en wethouders</titel></kop><structuurtekst><al>Indien vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van
                                het bepaalde in de "Bouwverordening gemeente Venlo" naar het oordeel
                                van burgemeester en wethouders zou leiden tot een onredelijke
                                beslissing, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het
                                bepaalde in deze verordening, tenzij het een voorschrift betreft
                                waarmee de bouwverordening krachtens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=8">artikel 8, negende lid van de Woningwet</extref>, in
                                overeenstemming is gebracht. Aan een vrijstelling kunnen voorwaarden
                                worden verbonden ter bescherming van belangen, waarop de
                                voorschriften, waarvan vrijstelling wordt verleend, het oog
                                hebben.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>12.7 Slotbepaling</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die
                                        waarop zij is bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Op dat tijdstip worden ingetrokken de Bouwverordening
                                        gemeente Venlo, vastgesteld door de gemeenteraad van Venlo
                                        d.d. 2 januari 2001.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>12.8 Citeertitel</titel></kop><structuurtekst><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Bouwverordening
                                Venlo”.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><vet>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                        niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering
                        op erven en terreinen</vet></al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, "Centrifugaal gegoten gietijzeren
                            afvoerbuizen"</al></li><li nr=""><al>(met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, "Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen"</al></li><li nr=""><al>(met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, "Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                            buitenrioleringen";</al></li><li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, “Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                            buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U – Deel 1. Eisen voor
                            buizen, hulpstukken en het systeem” (Engelstalig);</al></li><li nr="e."><al>NEN 7046, uitgave 1978, "Hulpstukken van ongeplastificeerd PVC voor
                            binnen- en buitenrioleringen" (met correctieblad d.d. februari
                            1979);</al></li><li nr="f."><al>aanvulling NEN 7046, uitgave 1984, aanvulling op NEN 7046 - "Hulpstukken
                            van ongeplastificeerd PVC voor binnen- en buitenrioleringen";</al></li><li nr="g."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, "Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 1. Eisen
                            (Engelstalig)";</al></li><li nr="h."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, "Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 2.
                            Kwaliteitscontrole en monstername (Engelstalig)";</al></li><li nr="i."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, "Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                            Beproevingsmethoden (Engelstalig)".</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 8 Checklist voor visuele inspectie van woningen en daarmee
                        vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Bijlage 9 Reglement van orde van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (de
                        commissie)</vet></al><al><vet>Artikel 1 Taakomschrijving</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 Commissie</vet></al><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is een geïntegreerde welstands-,
                    monumentencommissie, die ingevolge de Woningwet, de Monumentenwet, de
                    gemeentelijke Monumenten-verordening en de Algemene Plaatselijke Verordening is
                    belast met:</al><lijst><li nr="1."><al>het uitbrengen van welstandsadvies over regulier vergunningplichtige en
                            lichtvergunningplichtige bouwaanvragen ingevolge de woningwet;</al></li><li nr="2."><al>het verzorgen van de verslaglegging aan de gemeenteraad van de door de
                            commissie verrichte werkzaamheden (het jaarverslag). Daarbij dient in
                            ieder geval aangegeven te worden op welke wijze toepassing is gegeven
                            aan de welstandscriteria van de Welstandsnota. Tevens dienst aangegeven
                            te worden op welke wijze is omgegaan met de openbaarheid van het
                            vergaderen en wat de aard van de beoordeelde plannen is geweest;</al></li><li nr="3."><al>het adviseren over aspecten van archeologie, landschap, stedenbouw,
                            beeldkwaliteit-plannen, architectuur, monumentenzorg, reclame-uitingen,
                            alsmede over alle andere objecten en aangelegenheden welke burgemeester
                            en wethouders van belang acht voor het realiseren van een verantwoord
                            stads- en landschapsbeeld;</al></li><li nr="4."><al>in gevallen waarin zij dat nuttig of noodzakelijk acht, is de commissie
                            bevoegd om burgemeester en wethouders schriftelijk te adviseren over
                            zaken waarover haar advies niet is gevraagd;</al></li><li nr="5."><al>het uitbrengen van advies over voorlopige beoordelingen (schetsplannen)
                            en principeverzoeken;</al></li><li nr="6."><al>het voeren van overleg met vakafdelingen en met het college over het
                            Monumentenbeleid, het welstandsbeleid en de welstandscriteria.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.2 Voorzitter</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de commissie of diens plaatsvervanger is
                            verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit
                            van de advisering, met inachtneming van de kaders van het gemeentelijke
                            welstands- en monumentenbeleid.</al></li><li nr="2."><al>Indien bij een plan vooroverleg heeft plaatsgevonden, kan de voorzitter
                            (of op zijn verzoek de Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit) een korte
                            samenvatting geven van hetgeen besproken is.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter ontvangt de bezoekers, leidt de discussie, biedt alle
                            commissieleden de gelegenheid om hun mening voldoende naar voren te
                            brengen en geeft een korte en heldere samenvatting van het advies van de
                            commissie. De voorzitter bewaakt verder de voortgang van de agenda.</al></li><li nr="4."><al>In de communicatie naar buiten is de voorzitter woordvoerder namens de
                            commissie.</al></li><li nr="5."><al>Op verzoek van de voorzitter kunnen behandelende ambtenaren worden
                            verzocht in een vooroverleg informatie te verstrekken over de inhoud, de
                            status, de ambtelijke advisering en de voortgang van het plan.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.3 Deskundige leden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De leden zijn deskundig op het gebied van architectuur, stedenbouw,
                            landschapsarchitectuur, bouwhistorie dan wel (regionale)
                            cultuurhistorie, monumentenzorg en archeologie.</al></li><li nr="2."><al>Zij geven vanuit hun kennis, ervaring en inzicht een onafhankelijke
                            visie op de adviesaanvragen.</al></li><li nr="3."><al>Indien een commissielid op de een of andere wijze een zakelijke of
                            persoonlijke binding heeft met een (bouw)plan onthoudt het lid zich van
                            beoordeling.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.4 Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De adviseur heeft als primaire taak het adviseren van de commissie op
                            het gebied van de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde omgeving.</al></li><li nr="2."><al>De adviseur assisteert de commissie bij haar werkzaamheden en is de
                            ambtelijke inhoudelijke verbinding tussen het ambtelijke apparaat en de
                            commissie.</al></li><li nr="3."><al>Vaak presenteert de adviseur op verzoek van de ambtelijke dienst of de
                            voorzitter de ontwikkelde plannen in de commissie.</al></li><li nr="4."><al>Indien nodig bespreekt de adviseur de adviezen van de commissie met de
                            verantwoordelijke wethouder.</al></li><li nr="5."><al>De adviseur verzorgt in samenspraak met de voorzitter van de commissie
                            en de secretaris zowel het periodieke overleg van de commissie met de
                            wethouder(s) en de raadscommissie als de jaarlijkse excursie.</al></li><li nr="6."><al>Desgevraagd adviseert de adviseur de ambtelijke diensten over
                            vormgevingsaspecten en is hij lid van ambtelijke projectgroepen ten
                            behoeve van majeure projecten, speciaal ten behoeve van de bebouwde en
                            onbebouwde ruimte.</al></li><li nr="7."><al>De adviseur bespreekt samen met de voorzitter van de commissie en
                            (externe) initiatiefnemers bepaalde plannen, teneinde de kwaliteit ervan
                            te bevorderen.</al></li><li nr="8."><al>Hij adviseert de ambtelijke diensten over de wijze en het moment van
                            presenteren van bepaalde plannen aan de commissie.</al></li><li nr="9."><al>De adviseur ontwikkelt beleidsaspecten met betrekking tot welstand.</al></li><li nr="10."><al>Met het Ingenieursbureau van de dienst Stadsbeheer heeft de adviseur
                            goede relaties over belangrijke wijzigingen in de openbare ruimte.</al></li><li nr="11."><al>De adviseur is geen lid van de commissie.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.5 Secretaris</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders wijzen de secretaris en de plaatsvervangend
                            secretaris van de commissie aan.</al></li><li nr="2."><al>De secretaris en de plaatsvervangend secretaris zijn ambtenaren in
                            dienst van de gemeente Venlo die deskundig zijn op het gebied van
                            architectuur, bouwkunde en/of stedenbouw.</al></li><li nr="3."><al>De secretaris is geen lid van de commissie.</al></li><li nr="4."><al>De secretaris: </al><lijst><li nr="•"><al>volgt de ontwikkelingen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit
                                    en vertaalt landelijke en regionale ontwikkelingen naar de
                                    gemeentelijke situatie;</al></li><li nr="•"><al>adviseert en doet voorstellen ten behoeve van het
                                    welstandsbeleid;</al></li><li nr="•"><al>ontwikkelt op verzoek van de commissie welstandscriteria;</al></li><li nr="•"><al>draagt het vastgestelde beleid en geformuleerde criteria uit
                                    middels voorlichting;</al></li><li nr="•"><al>schrijft beleidsnota’s, ontwikkelt alternatieven, doet
                                    voorstellen en geeft adviezen op het gebied van de ruimtelijke
                                    kwaliteit binnen de vastgestelde beleidsrichtlijnen en
                                    implementeert het vastgestelde beleid;</al></li><li nr="•"><al>voert het secretariaat van de commissie, zoals het documenten en
                                    notuleren;</al></li><li nr="•"><al>stelt samen met de voorzitter de agenda vast;</al></li><li nr="•"><al>coördineert en verzorgt de ambtelijke advisering aan de
                                    commissie en bewaakt de voortgang en een consistente
                                    welstandsadvisering;</al></li><li nr="•"><al>verzorgt het jaarverslag van de commissie en de openbare
                                    verantwoording welstandsuitvoering van burgemeester en
                                    wethouders.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De secretaris of diens plaatsvervanger is gemandateerd om plannen te
                            behandelen waarvan het oordeel van de commissie als bekend mag worden
                            verondersteld. Hij baseert zijn standpunt op de in de Welstandsnota
                            genoemde welstandscriteria.</al></li><li nr="6."><al>Door de secretaris wordt een register (rooster van aftreden) bijgehouden
                            waarin de samenstelling van de commissie wordt aangetekend, met
                            vermelding van naam, datum benoeming en maximale zittingsduur van de
                            voorzitter en de leden.</al></li><li nr="7."><al>Het secretariaat van de commissie is ondergebracht bij de afdeling
                            Bouwen, Wonen en Leefomgeving.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2 Nadere benoeming- en ontslagprocedures</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad benoemt en ontslaat op voorstel van burgemeester en
                            wethouders de voorzitter en de leden van de commissie.</al></li><li nr="2."><al>De gemeenteraad kan op voorstel van burgemeester en wethouders de
                            voorzitter en een of meerdere leden van de commissie tussentijds
                            ontslaan indien zwaarwegende redenen hiertoe aanleiding geven. Daarover
                            dient eerst overleg plaats te vinden tussen de zittende commissie en
                            burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd voor een
                            termijn van ten hoogste 3 jaar, met de mogelijkheid van verlenging met
                            nog eens ten hoogste 3 jaar.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen te allen tijde ontslag
                            nemen. Zij maken dit schriftelijk kenbaar aan de gemeenteraad.</al></li><li nr="5."><al>Met betrekking tot het benoemen, het herbenoemen en het ontslag van
                            leden speelt de continuïteit van de gewenste vakdisciplines in de
                            commissie een belangrijke rol. In het rooster van aftreden wordt daar
                            rekening mee gehouden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3 Openbare vergadering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergaderingen van de commissie zijn openbaar voor zover het de
                            behandeling betreft van bouwplannen en andere aspecten die van invloed
                            zijn op de ruimtelijke kwaliteit.</al></li><li nr="2."><al>Al dan niet op verzoek van of namens burgemeester en wethouders, kan de
                            voorzitter een besloten vergadering uitschrijven en/of kan de commissie
                            beslissen in beslotenheid te vergaderen en te adviseren indien de aan de
                            orde zijnde onderwerpen/agendapunten daartoe aanleiding geven,
                            bijvoorbeeld omdat deze onderwerpen/agendapunten nog in een zodanig
                            voorbereidend stadium verkeren dat openbaarheid niet gewenst is.</al></li><li nr="3."><al>Medewerkers van de gemeente Venlo kunnen te allen tijde de vergaderingen
                            bijwonen.</al></li><li nr="4."><al>De aanvrager van de vergunning en zijn adviseurs (onder andere zijn
                            ontwerper c.q. architect) worden door of namens de commissie in staat
                            gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. De
                            toelichting dient van ondersteunend belang te zijn voor de advisering
                            door de commissie.</al></li><li nr="5."><al>Belangstellenden hebben in de openbare vergadering geen spreekrecht. Op
                            verzoek van de voorzitter kunnen zij desgewenst hun zienswijze kenbaar
                            maken, maar de commissie gaat daarbij geen discussie aan.</al></li><li nr="6."><al>Voor het houden van de vergaderingen stellen burgemeester en wethouders
                            een adequate ruimte ter beschikking. Daarbij wordt rekening gehouden met
                            voorzieningen voor presentaties middels tekeningen, maquettes en/of
                            projectiemiddelen en met de omstandigheid dat de vergaderingen in
                            beginsel openbaar zijn.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4 Externe deskundigheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Specifieke deskundigheid, waarvan blijkt dat deze voor een goede
                            integrale oordeelsvorming van de commissie ontbreekt, kan op ad hoc
                            basis worden ingehuurd.</al></li><li nr="2."><al>De betrokken deskundige is geen lid van de commissie maar wordt
                            voorafgaand aan de beraadslaging in de gelegenheid gesteld zijn visie op
                            het plan te geven. Hij neemt geen deel aan de beraadslaging en heeft
                            geen stem in de eindbeoordeling.</al></li><li nr="3."><al>De aanwezigheid van een externe deskundige wordt vermeld in het advies
                            van de commissie.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5 Vergaderfrequentie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie vergadert in de regel éénmaal in de 14 dagen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter kan tussentijds een vergadering beleggen dan wel ten
                            hoogste 14 dagen uitstellen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6 Planselectie</vet></al><al>Alvorens de commissie de plannen beoordeelt wordt door de secretaris een
                    selectie gemaakt en onderscheiden in de zogenaamde A, B en C-plannen:</al><lijst><li nr="1."><al>A-plan:</al></li><li nr=""><al>wordt besproken in de plenaire (voltallige) vergadering - tweewekelijks.
                            Dit is een stedenbouwkundig plan of bouwplan, dat in belangrijke mate de
                            ruimtelijke kwaliteit beïnvloedt, een trendsetter is voor een nieuwe
                            ontwikkeling (uitbreidingsgebied), een bouwplan in een gevoelig gebied,
                            een monumentaal pand, een ontwikkeling in een monumentale omgeving of
                            een beleidsgevoelig plan.</al></li><li nr="2."><al>B-plan:</al></li><li nr=""><al>wordt besproken met een gemandateerd lid of gemandateerde commissie -
                            tweewekelijks. Dit is een plan in een gebied waarvan het
                            beoordelingskader middels de Welstandsnota en/of door de commissie is
                            aangegeven. Collegiaal vooroverleg over plan(nen) die vervolgens nog in
                            de plenaire vergadering worden behandeld, andere voor de ruimtelijke
                            kwaliteit van invloed zijnde plannen en (op voorhand - onder andere op
                            basis van welstandscriteria) negatief te beoordelen plannen.</al></li><li nr="3."><al>C-plan:</al></li><li nr=""><al>wordt behandeld door de secretaris of diens plaatsvervanger -
                            dagelijks/wekelijks. Dit zijn herhalingsplannen (waarbij eerdere
                            concrete aanwijzingen van de commissie zijn opgevolgd), bouwwerken die
                            niet of nauwelijks van invloed zijn op de kwaliteit van de openbare
                            ruimte alsmede plannen die voldoen aan de sneltoetscriteria genoemd in
                            de Welstandsnota.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7 Voorlopige beoordeling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente biedt de mogelijkheid om, voorafgaand aan het indienen van
                            een aanvraag om vergunning, door middel van het indienen van een
                            “aanvraag voorlopige beoordeling” (schetsplan) vooroverleg te plegen met
                            de commissie dan wel met een namens haar gemandateerd lid.</al></li><li nr="2."><al>Dit vooroverleg vindt plaats in het openbaar en in het algemeen pas
                            nadat duidelijkheid bestaat over de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid
                            van het plan.</al></li><li nr="3."><al>De commissie draagt zorg voor consistente beoordelingen in de
                            verschillende planfasen en voor de verslaglegging daarover.</al></li><li nr="4."><al>De commissie geeft aan in welke fase het plan is beoordeeld en door wie
                            en op welke wijze de aanvraag om bouwvergunning uiteindelijk zal worden
                            beoordeeld (door de commissie dan wel door een gemandateerd lid).</al></li><li nr="5."><al>De commissie kan de ontwerper/architect c.q. de opdrachtgever uitnodigen
                            ten behoeve van een voorlopige beoordeling.</al></li><li nr="6."><al>Als een plan tijdens de vooroverlegfase drie keer negatief wordt
                            beoordeeld door de commissie, dan wel door het gemandateerde lid, en er
                            tijdens het proces geen noemenswaardige vooruitgang wordt geconstateerd,
                            zal de commissie het vooroverleg beëindigen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8 Het advies</vet></al><al>Een welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:</al><lijst><li nr="•"><al>Akkoord:</al></li><li nr=""><al>de commissie is van oordeel dat het plan niet in strijd is met de van
                            toepassing zijnde eisen van welstand. Desgewenst motiveert de commissie
                            haar advies schriftelijk.</al></li><li nr="•"><al>Akkoord in hoofdlijnen:</al></li><li nr=""><al>de commissie is van oordeel dat de hoofdopzet van het plan voldoet aan
                            de van toepassing zijnde eisen van welstand. De verdere uitwerking van
                            het plan wordt afgewacht.</al></li><li nr="•"><al>Akkoord onder voorwaarde:</al></li><li nr=""><al>de commissie adviseert het plan aan te aanpassen omdat het volgens de
                            van toepassing zijnde criteria op een aantal punten (nog) niet voldoet
                            aan de van toepassing zijnde eisen van welstand. Een akkoord onder
                            voorwaarde wordt gegeven als de commissie van mening is dat de aanvrager
                            kan volstaan met enkele aanpassingen en deze daarin heeft toegestemd
                            c.q. dit redelijkerwijze is te verwachten. De secretaris controleert of
                            de aangepaste bouwtekening in overeenstemming is met de voorwaarde van
                            de commissie.</al></li><li nr="•"><al>Niet akkoord:</al></li><li nr=""><al>de commissie brengt een negatief advies uit omdat het plan niet voldoet
                            aan de van toepassing zijnde eisen van welstand. Een negatief advies
                            wordt gegeven als de commissie van mening is dat een bouwplan ingrijpend
                            moet worden aangepast. Adviseert de commissie negatief, dan geeft ze een
                            nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving
                            van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde
                            welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op
                            die punten.</al></li><li nr="•"><al>Aanhouden:</al></li><li nr=""><al>de commissie houdt het advies aan indien meer informatie of een
                            toelichting van de opdrachtgever/ontwerper voor een afgeronde
                            beoordeling noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Van de individuele beoordelingen worden door de secretaris binnen 2 werkdagen na
                    de vergadering de schriftelijke adviezen uitgewerkt en verslagen gemaakt. Alle
                    verslagen worden in de eerstvolgende plenaire vergadering door de commissie
                    vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 9 Honorarium</vet></al><al>Burgemeester en wethouders stellen voor de voorzitter en de leden van de
                    commissie, alsmede voor de ingehuurde externe deskundige een honorarium voor de
                    verrichte werkzaamheden en een vergoeding voor de reis- en verblijfskosten
                    vast.</al><al><vet>Bijlage 10 Brandmeldinstallatie</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Bijlage 11 Ontruimingsalarminstallatie</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Bijlage 12 Vluchtrouteaanduiding</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Bijlage 13</vet></al><al>• Parkeernormen nieuwe situaties voor de meest voorkomende functies, vastgesteld
                    door de gemeenteraad op 30 mei 2007</al><table><tgroup cols="11"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="9*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="9*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="9*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="9*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="9*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="9*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="9*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="9*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="9*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="9*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="9*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Functie</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Centrum Venlo</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>Schil rond centrum Venlo</al></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al>Centrum Blerick &amp; Tegelen, wijkcentra Venlo</al></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al>Overige gebieden</al></entry><entry colname="col10"><al>Aandeel bezoekers</al></entry><entry colname="col11"><al>Aantal parkeerplaatsen</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Min</al></entry><entry colname="col3"><al>Max</al></entry><entry colname="col4"><al>Min</al></entry><entry colname="col5"><al>Max</al></entry><entry colname="col6"><al>Min</al></entry><entry colname="col7"><al>Max</al></entry><entry colname="col8"><al>Min</al></entry><entry colname="col9"><al>Max</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woning (middenklasse)</al></entry><entry colname="col2"><al>1,2</al></entry><entry colname="col3"><al>1,4</al></entry><entry colname="col4"><al>1,4</al></entry><entry colname="col5"><al>1,6</al></entry><entry colname="col6"><al>1,3</al></entry><entry colname="col7"><al>1,5</al></entry><entry colname="col8"><al>1,6</al></entry><entry colname="col9"><al>1,9</al></entry><entry colname="col10"><al>0,3 pp per woning</al></entry><entry colname="col11"><al>Woning</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Serviceflat / aanleunwoning</al></entry><entry colname="col2"><al>0,6</al></entry><entry colname="col3"><al>0,9</al></entry><entry colname="col4"><al>0,6</al></entry><entry colname="col5"><al>0,9</al></entry><entry colname="col6"><al>0,6</al></entry><entry colname="col7"><al>0,9</al></entry><entry colname="col8"><al>0,6</al></entry><entry colname="col9"><al>0,9</al></entry><entry colname="col10"><al>0,3 pp per woning</al></entry><entry colname="col11"><al>Woning</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Binnenstad / hoofdwinkel-gebied</al></entry><entry colname="col2"><al>2,5</al></entry><entry colname="col3"><al>3,5</al></entry><entry colname="col4"><al>2,8</al></entry><entry colname="col5"><al>3,8</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>85%</al></entry><entry colname="col11"><al>100 m² bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Wijk- en buurtcentrum</al></entry><entry colname="col2"><al>2,5</al></entry><entry colname="col3"><al>4,0</al></entry><entry colname="col4"><al>2,5</al></entry><entry colname="col5"><al>4,0</al></entry><entry colname="col6"><al>2,5</al></entry><entry colname="col7"><al>4,0</al></entry><entry colname="col8"><al>2,5</al></entry><entry colname="col9"><al>4,0</al></entry><entry colname="col10"><al>85%</al></entry><entry colname="col11"><al>100 m² bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Grootschalige detailhandel</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>4,5</al></entry><entry colname="col5"><al>6,5</al></entry><entry colname="col6"><al>5,5</al></entry><entry colname="col7"><al>7,5</al></entry><entry colname="col8"><al>5,5</al></entry><entry colname="col9"><al>8,0</al></entry><entry colname="col10"><al>85%</al></entry><entry colname="col11"><al>100 m² bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kantoren met baliefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>1,5</al></entry><entry colname="col3"><al>2,0</al></entry><entry colname="col4"><al>2,0</al></entry><entry colname="col5"><al>2,5</al></entry><entry colname="col6"><al>1,7</al></entry><entry colname="col7"><al>2,3</al></entry><entry colname="col8"><al>2,5 3</al></entry><entry colname="col9"><al>,3</al></entry><entry colname="col10"><al>20%</al></entry><entry colname="col11"><al>100 m² bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kantoren zonder baliefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>0,8</al></entry><entry colname="col3"><al>1,5</al></entry><entry colname="col4"><al>1,0</al></entry><entry colname="col5"><al>1,7</al></entry><entry colname="col6"><al>1,0</al></entry><entry colname="col7"><al>1,7</al></entry><entry colname="col8"><al>1,2</al></entry><entry colname="col9"><al>2,0</al></entry><entry colname="col10"><al>5%</al></entry><entry colname="col11"><al>100 m² bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Showroom</al></entry><entry colname="col2"><al>0,6</al></entry><entry colname="col3"><al>0,8</al></entry><entry colname="col4"><al>0,8</al></entry><entry colname="col5"><al>1,0</al></entry><entry colname="col6"><al>1,0</al></entry><entry colname="col7"><al>1,2</al></entry><entry colname="col8"><al>1,2</al></entry><entry colname="col9"><al>1,8</al></entry><entry colname="col10"><al>35%</al></entry><entry colname="col11"><al>100 m² bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Café / bar / cafetaria</al></entry><entry colname="col2"><al>4,0</al></entry><entry colname="col3"><al>6,0</al></entry><entry colname="col4"><al>4,0</al></entry><entry colname="col5"><al>6,0</al></entry><entry colname="col6"><al>4,0</al></entry><entry colname="col7"><al>6,0</al></entry><entry colname="col8"><al>5,0</al></entry><entry colname="col9"><al>7,0</al></entry><entry colname="col10"><al>90%</al></entry><entry colname="col11"><al>100 m² bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Restaurant</al></entry><entry colname="col2"><al>8,0</al></entry><entry colname="col3"><al>10,0</al></entry><entry colname="col4"><al>8,0</al></entry><entry colname="col5"><al>10,0</al></entry><entry colname="col6"><al>8,0</al></entry><entry colname="col7"><al>10,0</al></entry><entry colname="col8"><al>12,0</al></entry><entry colname="col9"><al>14,0</al></entry><entry colname="col10"><al>80%</al></entry><entry colname="col11"><al>100 m² bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Basisonder-wijs</al></entry><entry colname="col2"><al>0,5</al></entry><entry colname="col3"><al>1,0</al></entry><entry colname="col4"><al>0,5</al></entry><entry colname="col5"><al>1,0</al></entry><entry colname="col6"><al>0,5</al></entry><entry colname="col7"><al>1,0</al></entry><entry colname="col8"><al>0,5</al></entry><entry colname="col9"><al>1,0</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>Leslokaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VWO, Havo, Vmbo</al></entry><entry colname="col2"><al>0,5</al></entry><entry colname="col3"><al>1,0</al></entry><entry colname="col4"><al>0,5</al></entry><entry colname="col5"><al>1,0</al></entry><entry colname="col6"><al>0,5</al></entry><entry colname="col7"><al>1,0</al></entry><entry colname="col8"><al>0,5</al></entry><entry colname="col9"><al>1,0</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>Leslokaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MBO/HBO</al></entry><entry colname="col2"><al>5,0</al></entry><entry colname="col3"><al>7,0</al></entry><entry colname="col4"><al>5,0</al></entry><entry colname="col5"><al>7,0</al></entry><entry colname="col6"><al>5,0</al></entry><entry colname="col7"><al>7,0</al></entry><entry colname="col8"><al>5,0</al></entry><entry colname="col9"><al>0,7</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>Leslokaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MBO/HBO</al></entry><entry colname="col2"><al>20,0</al></entry><entry colname="col3"><al>20,0</al></entry><entry colname="col4"><al>20,0</al></entry><entry colname="col5"><al>20,0</al></entry><entry colname="col6"><al>20,0</al></entry><entry colname="col7"><al>20,0</al></entry><entry colname="col8"><al>20,0</al></entry><entry colname="col9"><al>20,0</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>Collegezaal</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>