<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR5974_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amersfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amersfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsberichten amersfoort Nu dd 4 maart 2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatelijke Verordening 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.cvdr.nl">Gemeentewet, artikel 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.cvdr.nl">Algemene Wet Bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-02-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-03-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-08</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2985922</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>De aanwijzingsbesluiten verbodsgebieden alcoholgebruik zijn opgenomen op www.amersfoort.nl onder het kopje 'regelgeving'</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt bij zijn inwerkingtreding de APV 2007. Voor deze regeling geldt een groot aantal overgangsbepalingen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><cursief>Verordening</cursief></al><al>De raad van de gemeente Amersfoort;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 20 januari 2009,
                        sector DIA/FJD (nr. 2982273);</al><al>overwegende dat het gewenst is regels te stellen betreffende onderwerpen die
                        de gemeentelijke huishouding betreffen;</al><al>gelet op artikel 147 eerste lid van de Gemeentewet en op de Algemene wet
                        bestuursrecht; </al><al><vet>b e s l u i t: </vet></al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><cursief>Algemene Plaatselijke Verordening Amersfoort 2009</cursief></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><al><cursief>A.</cursief><cursief> Weg:</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                Wegenverkeerswet 1994, almede de daaraan liggende en als zodanig
                                aangeduide parkeerterreinen;</al></li><li nr="2."><al>de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen,
                                speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en
                                aanlegplaatsen voor vaartuigen;</al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken,
                                gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in
                                gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="4."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare
                                stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de
                                afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege
                                degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn
                                afgesloten.</al></li></lijst><al><cursief>B.</cursief><cursief> Openbaar water:</cursief></al><al>alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                        bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.</al><al><cursief>C.</cursief><cursief> Bebouwde kom:</cursief></al><al>de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben
                        vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun
                        besluit van 19 april 2005.</al><al><cursief>D.</cursief><cursief> Rechthebbende:</cursief></al><al>een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk
                        of persoonlijk recht.</al><al><cursief>E.</cursief><cursief> Voertuigen:</cursief></al><al>alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al van het
                        Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al><al>F.Bromfietsen</al><al>bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e van de
                                Wegenverkeerswet 1994.</al><al><cursief>G.</cursief><cursief> Vaartuigen:</cursief></al><al>alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen,
                                alsmede woonschepen, glijboten en ponten.</al><al><cursief>H.</cursief><cursief> Woonschepen:</cursief></al><al>schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot
                                woning bestemd.</al><al><cursief>I.</cursief><cursief> Bouwwerk:</cursief></al><al>elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                                materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect
                                met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                                of op de grond.</al><al><cursief>J.</cursief><cursief> Gebouw:</cursief></al><al>elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel
                                of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al><al><cursief>K. Complex:</cursief></al><al>een afgebakend samengesteld geheel van onroerende zaken
                                (industriecomplex, ziekenhuiscomplex, complex van vakantiehuisjes,
                                enzovoort).</al><al><cursief>L. Nummer:</cursief></al><al>een nummer bestaande uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet
                                met toevoeging van een letter of cijfercombinatie.</al><al><cursief>M. Object:</cursief></al><al>een bouwwerk, gebouw, complex, afgebakend terrein, ligplaats of
                                standplaats.</al><al><cursief>N.</cursief><cursief> Vee:</cursief></al><al>dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II,
                                behorend bij artikel 55 van de Meststoffenwet.</al><al><cursief>O.</cursief><cursief> Handelsreclame:</cursief></al><al>iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee
                                kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.</al><al><cursief>P.</cursief><cursief> Lesmotorvoertuigen:</cursief></al><al>alle motorvoertuigen die door het voeren van een door de minister
                                van Verkeer en Waterstaat op grond van artikel 101b van het
                                Wegenverkeersreglement vastgestelde aanduiding uiterlijk als zodanig
                                herkenbaar zijn.</al><al>Q.Harddrugs</al><al>de middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet en de daarbij
                                behorende lijst.</al><al><vet>Artikel 1.2 Beslissingstermijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                        vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop
                                        de aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht
                                        weken verdagen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.3 Indiening aanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                        ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                        aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                        bevoegd bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te
                                        behandelen.</al></li><li nr="2."><al>Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te
                                        wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid
                                        genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht
                                        weken.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                        ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden
                                        verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts
                                        strekken tot bescherming van het belang of de belangen in
                                        verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.</al></li><li nr="2."><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                        ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                        voorschriften en beperkingen na te komen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                                    ontheffing</vet></al><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of
                                krachtens deze verordening anders is bepaald.</al><al><vet>Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                                    ontheffing</vet></al><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of
                                gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                        inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                        ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of
                                        wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter
                                        bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is
                                        vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                        voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
                                        nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                        gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij
                                        gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke
                                        termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit
                                        verzoekt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.7 Termijnen </vet></al><al>(vervallen)</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Afdeling 1 Orde en veiligheid op de
                                weg</onderstreept></al><al><cursief>Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldheden</cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><lijst><li nr=""><al>1.Het is verboden op de weg deel te nemen aan een
                                        samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend
                                        gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></li><li nr="2."><al>Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval
                                        waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan
                                        of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende
                                        gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen
                                        te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                        samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel
                                        van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich
                                        in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen,
                                        wegen of weggedeelten, die door of vanwege het bevoegd gezag
                                        in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming
                                        van wanordelijkheden zijn afgezet.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                        betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 2 Optochten en betoging</cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.2.1 Optochten</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.1.2.2 Kennisgeving betogingen op openbare
                                    plaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                        betoging te houden dan wel een samenkomst tot het belijden
                                        van godsdienst- of levensovertuiging of een vergadering,
                                        moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten
                                        minste 48 uur voordat de betoging zal worden gehouden,
                                        schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met
                                        inachtneming van wat in artikel 2.1.2.4, eerste lid,
                                        hierover is bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving door
                                        terugrekening valt op een vrijdag na 12.00 uur, een
                                        zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt
                                        dit tijdstip geacht te vallen op 12.00 uur op de voorgelegen
                                        dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag
                                        is. </al></li><li nr="3."><al>Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld
                                        in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet
                                        openbare manifestaties. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.2.3 Afwijking termijn</vet></al><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel
                                2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en een
                                mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.</al><al>Artikel 2.1.2.4 Te verstrekken gegevens</al><lijst><li nr="1."><al>Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen
                                        van:</al></li><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip
                                        van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                        plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om
                                        een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li><li nr="2."><al>Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs
                                        waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 3 Verspreiden van gedrukte stukken</cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.3.1 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of
                                    gedrukte stukken of afbeeldingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                        afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk
                                        aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan
                                        door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de werking van verbod beperken tot bepaalde
                                        dagen uren.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor het huisaanhuis verspreiden of
                                        het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                        afbeeldingen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 4 Vertoningen e.d. op de weg</cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.4.1 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.1.4.2 Dienstverlening</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan
                                        de weg op te treden als dienstverlener of zijn diensten als
                                        zodanig aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of berperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen
                                                of goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.4.3 Straatartiest</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                        straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te
                                        treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of
                                        gedeelten daarvan.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 5 Bruikbaarheid van de weg</cursief></al><al>Artikel 2.1.5.1 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de
                                                weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan
                                                overeenkomstig de publieke functie daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van
                                                toepassing op:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar
                                        of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet
                                        voor commerciële doeleinden worden gebruikt;</al><lijst><li nr="b."><al>zonneschermen, voorzover ze zijn aangebracht boven
                                                het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en
                                                voorzover:</al><lijst><li nr="-"><al>elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven
                                                  dat gedeelte bevindt; en</al></li><li nr="-"><al>elk onderdeel van het scherm, in welke stand
                                                  dat ook staat, zich op meer dan 0,5 meter van het
                                                  voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg
                                                  bevindt, en </al></li><li nr="-"><al>elk onderdeel, in welke stand het scherm ook
                                                  staat, minder dan 1,5 meter buiten de opgaande
                                                  gevel reikt;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze
                                                kortstondig op de weg gebracht worden in verband met
                                                laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden
                                                verricht of doet verrichten draagt er zorg voor dat
                                                onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval
                                                voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de
                                                weg verwijderd zijn en de weg hiervan gereinigd
                                                is;</al></li><li nr="d."><al>voertuigen;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                                worden geopenbaard;</al></li><li nr="f."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3;</al></li><li nr="g."><al>terrassen, bedoeld in artikel 2.1.5.1a.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het is verboden op, aan, in, over of boven de weg een
                                        voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden
                                        geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben,
                                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of
                                                plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg,
                                                of; </al></li><li nr="b."><al>gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of
                                                voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg,
                                                of;</al></li><li nr="c."><al>een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                                onderhoud van de weg.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder
                                        weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                        daaronder verstaat.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de
                                                weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de
                                                weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                                dan wel een belemmering kan vormen voor het
                                                doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf,
                                                hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                                overlast voor gebruikers van de in de nabijheid
                                                gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken of de wegenverordening Provincie
                                        Utrecht 2004.</al><lijst><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a,
                                                geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                                onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                                Wegenverkeerswet.</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b,
                                                geldt niet voor bouwwerken; </al></li><li nr="d."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c,
                                                geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                                onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                                milieubeheer.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.1.5.1a Terrasvergunning</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om zonder vergunning van burgemeester en
                                        wethouders bij een horecabedrijf een terras te hebben
                                        voorzover dit zich op of aan de weg bevindt. Onder terras
                                        wordt in dit artikel verstaan: een in de openbare ruimte
                                        liggend deel van een bedrijf waar sta- of zitgelegenheid
                                        wordt geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden
                                        geschonken en/of spijzen voor directe consumptie kunnen
                                        worden bereid en/of verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de ingebruikneming van de
                                        weg ten behoeve van een terras weigeren:</al></li><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan
                                        wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                        het doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al></li><li nr="b."><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                        doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders geven in de terrasvergunning
                                        voorschriften over de afmetingen, het onderhoud en het
                                        uiterlijk aanzien van het terras.</al></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in het tweede en derde lid geldt niet,
                                        voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door het Rijkswegenreglement of de wegenverordening
                                        Provincie Utrecht 2004.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.5.2 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                                    weg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een weg
                                        aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                        weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                        wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                                        brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                        daaronder verstaat, alsmede alle nietopenbare
                                        ontsluitingswegen van gebouwen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet op het Rijk, de provincie, de gemeente
                                        of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar
                                        publiekrechtelijke taak.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin
                                        geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van
                                        Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
                                        wegenverordening Provincie Utrecht 2004, de
                                        Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde
                                        Telecommunicatieverordening Amersfoort 2000.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.5.3 Maken, veranderen van een uitweg</vet></al><lijst><li nr=""><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college:</al></li><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                        uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                        weg.</al><lijst><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder
                                                weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet
                                                1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan
                                                worden geweigerd in het belang van:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                        omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                        Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de
                                        wegenverordening Provincie Utrecht 2004.</al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 6 Veiligheid van de weg</cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg
                                        te werpen, uit te storten of te laten lopen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder
                                        4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.2 Winkelwagentjes</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                        beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van
                                        winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van
                                        de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en
                                        de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of
                                        langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te
                                        verwijderen of te doen verwijderen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                        milieubeheer.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.3 Hinderlijke beplanting of voorwerp</vet></al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar
                                oplevert.</al><al><vet>Artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d.</vet></al><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al><al><vet>Artikel 2.1.6.5 Kelderingangen e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Kelderingangen, en andere lager dan de aangrenzende weg
                                        gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar
                                        voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427,
                                        aanhef en onder 1e of 3e, van het Wetboek van
                                        Strafrecht.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en
                                natuurgebieden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden
                                        dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig
                                        meter daarvan gedurende de door het college aangewezen
                                        periode.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel
                                        in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter
                                        daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of
                                        smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te
                                        laten liggen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt
                                        niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                        voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het
                                        Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                        zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als
                                        tuin ingerichte, erven.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                        (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                        prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                        voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                        meter boven dat gedeelte van de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad,
                                        puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere
                                        afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van
                                        de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn
                                        aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan
                                        hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                        verstaat.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van
                                        de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpen</vet></al><al>Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een
                                voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen
                                op de weg.</al><al><vet>Artikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en
                                verlichting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                        dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                        aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of
                                        voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de
                                        openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden,
                                        gewijzigd of verwijderd.</al></li><li nr="2."><al>Het college maakt tevoren aan de rechthebbende zijn besluit
                                        bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van
                                        een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste
                                        lid.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de
                                        Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.9a Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer
                                    en verlichting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                        bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar
                                        verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te
                                        wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te
                                        belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het
                                        Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.10 Objecten onder hoogspanningslijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                        weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                        bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand
                                        houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken
                                        als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te
                                        hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                        ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de
                                        bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                        van objecten die deel uitmaken van de
                                        hoogspanningslijn.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.11 Veiligheid op het ijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                                beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                                verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren
                                                of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                                veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde
                                                ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te
                                                beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                                daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek
                                        van Strafrecht of de Scheepvaartwegen verordening Provincie
                                        Utrecht 1992.</al></li></lijst><al><onderstreept>Afdeling 2 Toezicht op evenementen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                        publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met
                                        uitzondering van:</al></li><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                        de Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
                                        gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
                                        Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1.4.2, 2.1.4.3 en
                                        2.3.3.1 van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                                artikel 2.1.2.2., op de weg;</al></li><li nr="d."><al>een feest of wedstrijd op af aan de weg.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.2.2 Evenement</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        evenement te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al></li><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan vrijstelling verlnen voor door hem aan
                                        te wijzen categorieen evenementen.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de in het
                                        tweede lid, onder d, van artikel 2.2.1. voorziene</al><al> gevallen, voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                        voorien door artikel 10 juncto artikel 184</al><al> Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.2.3 Ordeverstoring</vet></al><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al><al><onderstreept>Afdeling 3 Toezicht op openbare
                                    inrichtingen</onderstreept></al><al><cursief>Paragraaf 1 Toezicht op horecabedrijven</cursief></al><al><vet>Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de
                                        voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                        bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                        logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of
                                        rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid
                                        of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval
                                        verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                        snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis.</al></li><li nr="2."><al>Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                        verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en de andere
                                        aanhorigheden.</al></li><li nr="3."><al>Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de
                                        besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het
                                        horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden
                                        en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken
                                        en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid
                                        en/of verstrekt.</al></li><li nr="4."><al>Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die
                                        een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in
                                        artikel 2.3.1.2 of artikel 2.3.1.3.</al></li><li nr="5."><al>Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:</al></li><li nr="a."><al>de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders wonende
                                        bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de
                                        zijlijn tot en met de derde graad;</al></li><li nr="b."><al>de personen die voorkomen in het register als bedoeld in
                                        artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen
                                        bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van
                                        Strafrecht;</al></li><li nr="c."><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                        dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.3.1.2 Exploitatievergunning horecabedrijf</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder
                                        vergunning van de burgemeester.</al><al> Gemeente Amersfoort</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het
                                        eerste lid, indien:</al></li><li nr="a."><al>de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd
                                        is met een geldend bestemmingsplan;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag overlegt die
                                        uiterlijk drie maanden voor de datum</al><al> waarop de vergunningaanvraag is ingediend is
                                        afgegeven;</al></li><li nr="c."><al>niet wordt voldaan aan de in artikel 2.3.1.2a gestelde
                                        eisen.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste
                                        lid geheel of gedeeltelijk weigeren,</al><al> indien:</al></li><li nr="a."><al>naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
                                        leefsituatie in de omgeving van het</al><al> horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                                        nadelig wordt beïnvloed door de</al><al> aanwezigheid van het horecabedrijf;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager binnen drie jaar voor de aanvraag een
                                        horecabedrijf heeft geëxploiteerd die evenwel</al><al> op grond van ernstige vrees voor verstoring van de openbare
                                        orde gesloten is geweest.</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van de in het derde lid onder a genoemde
                                        weigeringsgrond houdt de burgemeester</al><al> rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin
                                        het horecabedrijf is gelegen of zal zijn</al><al> gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning,
                                        waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds</al><al> blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie
                                        van het horecabedrijf.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan voorwaarden verbinden aan het terras.
                                        Als in de in het eerste lid bedoelde</al><al> vergunning niet anders bepaalt, is het niet toegestaan het
                                        terras geopend te hebben tussen 1.00 en 9.00</al><al> uur.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.3.1.2a Vereisten voor vergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Behoudens ten aanzien van horecabedrijven die
                                        vergunningplichtig zijn op grond van de Drank- en Horecawet,
                                        dienen voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in
                                        artikel 2.3.1.2 de houder, dan wel indien de houder een
                                        rechtspersoon is, degene(n) die de onmiddellijke feitelijke
                                        leiding uitoefent in het horecabedrijf, aan de volgende
                                        eisen te voldoen:</al></li><li nr="a."><al>zij mogen niet onder curatele staan, dan wel uit de
                                        ouderlijke macht of voogdij ontzet zijn;</al></li><li nr="b."><al>zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag
                                        zijn;</al></li><li nr="c."><al>zij moeten de leeftijd van éénentwintig jaar hebben
                                        bereikt.</al></li><li nr="2."><al>Behoudens de horecabedrijven die vergunningplichtig zijn op
                                        grond van de Drank- en Horecawet dienen horecabedrijven
                                        minimaal aan de volgende eisen te voldoen:</al></li><li nr="a."><al>de oppervlakte van het voor publiek toegankelijke gedeelte
                                        van de lokaliteit moet minimaal 10 m2 bedragen;</al></li><li nr="b."><al>de hoogte van de lokaliteit moet ten minste 2,40 meter
                                        bedragen;</al></li><li nr="c."><al>de verlichtingssterkte van de kunstverlichting in de
                                        lokaliteit moet op één meter hoogte minimaal 50 lux kunnen
                                        bedragen;</al></li><li nr="d."><al>de mechanische ventilatievoorziening voor de verversing van
                                        de lucht moet minimaal zes keer de inhoud van de lokaliteit
                                        bedragen;</al></li><li nr="e."><al>in de inrichting moet minimaal één, via een afzonderlijk
                                        portaal bereikbare, voor het publiek toegankelijke,
                                        toiletgelegenheid aanwezig zijn;</al></li><li nr="f."><al>in de inrichting moet, mede ten behoeve van de bezoekers,
                                        een telefoon aanwezig zijn.</al></li><li nr="3."><al>Aan horecabedrijven zonder een afgesloten lokaliteit, zoals
                                        muurverkoop, kunnen nadere eisen worden gesteld.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan van de in het eerste lid, onder c,
                                        genoemde leeftijdseis ontheffing verlenen, met dien
                                        verstande dat de leeftijd van betrokkene niet lager mag zijn
                                        dan achttien jaar. De burgemeester kan voorts ontheffing
                                        verlenen van de in het tweede lid gestelde eisen. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.3.1.3 Opheffing vergunningplicht</vet></al><al>De burgemeester kan bepalen, dat het gestelde in artikel 2.3.1.2
                                niet geldt voor een of meer in dat</al><al>besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan
                                wel in een of meer daarin</al><al>aangewezen gedeelten van de gemeente.</al><al><vet>Artikel 2.3.1.4 Sluitingstijden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor
                                        bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten
                                        of te laten verblijven dagelijks tussen 24.00 uur en 06.00
                                        uur.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan door middel van een
                                        vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen
                                        voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend
                                        terras.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet
                                        voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke
                                    sluiting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                        veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
                                        bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één
                                        of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens
                                        artikel 2.3.1.4 geldende sluitingsuren vaststellen of
                                        tijdelijk sluiting bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b
                                        Opiumwet.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten
                                horecabedrijf</vet></al><al>Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd
                                dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een op grond
                                van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich
                                daarin of aldaar te bevinden.</al><al><vet>Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring</vet></al><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.</al><al><vet>Artikel 2.3.1.8 Het college als bevoegd
                                bestuursorgaan</vet></al><al>Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen
                                inrichting is in de zin van artikel 174 Gemeentewet treedt niet de
                                burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten
                                behoeve van de artikelen 2.3.1.2 tot en met 2.3.1.5.</al><al>Artikel 2.3.1.9. Beëindiging exploitatie</al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 2.3.1.2 op
                                        de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van het
                                        horecabedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                        exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis
                                        aan het bevoegd bestuursorgaan</al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen
                                    van nachtverblijf</cursief></al><al><vet>Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in de
                                        uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de
                                        mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen
                                        wordt verschaft;</al></li><li nr="2."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel
                                        daarin de feitelijke leiding heeft.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie</vet></al><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen
                                daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                burgemeester.</al><al><vet>Artikel 2.3.2.3 Nachtregister</vet></al><al>De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is
                                verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek
                                van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de
                                burgemeester vastgestelde model.</al><al><vet>Artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens nachtregister</vet></al><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting
                                volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede
                                de dag van vertrek te verstrekken.</al><al><cursief>Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenheden</cursief></al><al><vet>Artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                        publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                        geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                        inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                                        verloren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                        verbod is niet van toepassing op:</al></li><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                        eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning
                                        is verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de
                                        Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;</al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                        kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                        kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                        bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                        handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op
                                        de kansspelen te verrichten.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al></li><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon
                                        en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de
                                        openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden
                                        beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid.</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is
                                        met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.3.3.2 Speelautomaten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a,
                                        van de Wet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                        c, van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                        30, onder d, van de Wet;</al></li><li nr="e."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                        30, onder e, van de Wet.</al></li><li nr="2."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten
                                        toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al></li><li nr="3."><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten
                                        toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het
                                        geheel niet zijn toegestaan</al></li></lijst><al><onderstreept> Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en
                                    baldadigheid</onderstreept></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet
                                        gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal
                                        of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te
                                        betreden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten
                                        voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend
                                        erf te betreden.</al></li><li nr="3."><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in
                                        de woning of het lokaal wegens dringende redenen
                                        noodzakelijk is.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste of tweede
                                        lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.2 Plakken en kladden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende
                                        zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te
                                        bekladden of te doen bekrassen of bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                        rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een
                                        onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:</al></li><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                        aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                        wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige
                                        afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                        doen aanbrengen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen
                                        van meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden
                                        te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen
                                        van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking
                                        mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                        bekendmakingen.</al></li><li nr="7."><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                        toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                        diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of
                                        openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig
                                        aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of
                                        verfgereedschap. </al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde
                                        materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn
                                        bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2.</al><al>Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden tussen zonsondergang en zonsopgang
                                                op de weg te vervoeren of bij zich te hebben:
                                                lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of
                                                enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat
                                                ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot
                                                een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                                sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door
                                                middel van braak te vergemakkelijken of het maken
                                                van sporen te voorkomen. </al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde
                                                gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn
                                                gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste
                                                lid bedoelde handelingen.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op de weg in de nabijheid van
                                                winkels, gedurende de openingstijden daarvan, te
                                                vervoeren of aanwezig te hebben een tas die er
                                                kennelijk toe is uitgerust om het plegen van
                                                winkeldiefstal te vergemakkelijken.</al></li><li nr="4."><al>Het in het derde lid gesteld verbod is niet van
                                                toepassing indien de genoemde tas niet bestemd of
                                                gebruikt is voor de in dat lid bedoelde
                                                handeling.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is
                                                verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente
                                                in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen,
                                                plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de
                                                daarin gelegen wegen of paden.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van dit
                                                verbod.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien
                                                zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de
                                                glooiing of de zijkant van een weg.</al></li><li nr="2."><al>Onder weg wordt verstaan wat artikel 1 van de
                                                Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet indien dat rijden door de
                                                omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin
                                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                                beheer rijkswaterstaatswerken of de wegenverordening
                                                Provincie Utrecht 2004.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de
                                        weg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op
                                                een beeld, monument, overkapping, constructie,
                                                openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of
                                                andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor
                                                niet bestemd straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan
                                                weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg
                                                gelegen woningen onnodig overlast of hinder
                                                veroorzaakt wordt.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet
                                                voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                                voorzien door artikel 424, 426 bis, 431 van het
                                                Wetboek van Strafrecht, of artikel 5 van de
                                                Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.4.7a Het aanwezig zijn met bromfietsen op de weg</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan wegen aanwijzen, waar het aanwezig zijn met
                                        bromfietsen naar hun oordeel voor andere gebruikers en/of
                                        omwonenden van de weg(en) gevaarlijk of hinderlijk is.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden om op de in het eerste lid van dit artikel
                                        aangewezen plaatsen aanwezig te zijn met bromfietsen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.7b Lesmotorvoertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen of
                                        weggedeelten van wegen te rijden met
                                        lesmotorvoertuigen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet indien de feitelijke bestuurder van
                                        een lesmotorvoertuig in het bezit is van een voor het
                                        desbetreffende voertuig vereist geldig rijbewijs.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.8 Hinderlijk drankgebruik</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te
                                        nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de
                                        openbare orde verstoren, het woon-en leefklimaat aantasten
                                        of anderszins overlast veroorzaken.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door
                                        het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                        nuttigen of aangebroken flessen, glazen, blikjes en
                                        dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te
                                        hebben.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als
                                                bedoeld in artikel 2.3.1.1., eerste lid;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als
                                                bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt
                                                krachtens artikel 35 van de Drank- en
                                                Horecawet.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                        houden;</al></li><li nr="b."><al>zich zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                        een drempel van een gebouw te staan, te zitten of te
                                        liggen.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van
                                        flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke
                                        meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek
                                        toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te
                                        bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde
                                        ruimte van zo’n gebouw.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                                    ruimten</vet></al><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, tunnel, rijwielstalling, schoolplein,
                                winkelcentrum of een andere soortgelijke, voor het publiek
                                toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen
                                voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is
                                bestemd.</al><al><vet>Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek,
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                    kermisterrein e.d.</vet></al><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt welke publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de
                                bezoekers van dit terrein.</al><al><vet>Artikel 2.4.13 Bespieden van personen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel
                                        een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de
                                        kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit
                                        gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon,
                                        te bespieden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig
                                        ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen
                                        of woonschip bevindende persoon te bespieden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.14 Bewakingsapparatuur</vet></al><al>(Vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.4.15 Nodeloos alarmeren</vet></al><al>(Vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.4.16 Alarminstallaties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in, op of
                                        aan een onroerende zaak een alarminstallatie geïnstalleerd
                                        te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid of
                                        lichtsignaal kan produceren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing voorzover voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de
                                        Particuliere Beveiligingsorganisaties en
                                        Recherchebureaus.</al><al>Artikel 2.4.17 Verboden plaatsen voor honden</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond
                                                verboden die hond te laten verblijven of te laten
                                                lopen:</al></li><li nr="a."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk
                                                als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                                speelweide;</al></li><li nr="b."><al>op andere door het college aangewezen wegen of
                                                gedeelten van wegen;</al></li><li nr="c."><al>op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband
                                                of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of
                                                houder duidelijk doet kennen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod genoemd in het eerste
                                                lid, onder b ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b
                                                gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een
                                                hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
                                                laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar
                                                gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder
                                                van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt
                                                tot geleidehond.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden</al><lijst><li nr="1."><al>De eigenaar, houder of verzorger van een hond is verplicht
                                        indien de hond zich op een weg of op een voor het publiek
                                        toegankelijke plaats bevindt, ervoor te zorgen:</al></li><li nr="a."><al>dat de hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al></li></lijst><al>b.een deugdelijk opruimmiddel voor het verwijderen van uitwerpselen
                                bij zich te dragen en dit op eerste vordering van een ambtenaar,
                                belast met de zorg voor de naleving van een of meer bepalingen van
                                deze verordening, te tonen.</al><al>2.Het college kan plaatsen aanwijzen waar het gebod genoemd in het
                                eerste lid, onder a niet geldt.</al><al>3.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid,
                                onder a, gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar, houder
                                of verzorger van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen
                                onmiddellijk worden verwijderd.</al><al>4.Het bepaalde in het eerste lid, onder a geldt niet voor het
                                openbaar groen van de op grond van artikel 2.4.19a, tweede lid,
                                aangewezen losloopgebieden.</al><al>5.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de eigenaar of
                                houder die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat
                                begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd
                                is.</al><al>Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond
                                        verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op
                                        of aan de weg of op het terrein van een ander:</al></li><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar
                                        of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk
                                        of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het
                                        gedrag van die hond noodzakelijk vindt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf
                                        nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft
                                        bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht
                                        en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag
                                        van die hond noodzakelijk vindt.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder c, geldt
                                        voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond
                                        voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet-
                                        verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de
                                        buikwand.</al></li><li nr="3."><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d,
                                        van de Regeling agressieve dieren;</al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een
                                        lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is
                                        dan 1,50 meter.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve
                                        dieren.</al></li></lijst><al>Artikel 2.4.19a Aanlijngebod voor honden</al><lijst><li nr="1."><al>Onverlet het bepaalde in artikel 2.4.19 is het de eigenaar,
                                        houder of verzorger van een hond verboden die hond
                                        onaangelijnd op de weg te laten lopen of te laten
                                        verblijven.</al></li><li nr="2."><al>Het in het vorige lid gestelde verbod geldt niet voor de
                                        eigenaar, houder of verzorger van een hond die hij onder
                                        behoorlijk toezicht heeft op door het college als
                                        losloopgebied aangewezen wegen of gedeelten van wegen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                        zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                        handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als
                                        zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar
                                        of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd
                                        opleidt tot geleidehond.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke
                                    dieren</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van
                                        de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde
                                        plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing
                                        van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden
                                        is daarbij aangeduide dieren:</al></li><li nr="a."><al>aanwezig te hebben; dan wel</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                        hen ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan
                                        de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                        aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                        plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide
                                        dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders
                                        dan met inachtneming van de door het college gestelde
                                        regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan
                                        door het college is aangegeven.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak
                                        gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen
                                        gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het
                                        tweede lid gestelde verbod.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.21 Wilde dieren</vet></al><al>(Vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.4.22 Loslopend vee </vet></al><al>De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al><al><vet>Artikel 2.4.23 Schade door duiven</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat
                                        die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00
                                        uur in een door het college te bepalen tijdvak gelegen
                                        tussen 1 maart en 1 juni.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gesteld gebod.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        Provinciale ophokverordening.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.24 Bijen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bijen te houden:</al></li><li nr="a."><al>binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere
                                        gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op
                                        een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of
                                        kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte
                                        of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en
                                        invliegen van de bijen te voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod
                                        geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de
                                        woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod
                                        geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                        voorzien door de wegenverordening Provincie Utrecht
                                        2004.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                        ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al>Artikel 2.4.25 Bedelarij </al><al>Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek
                                toegankelijk gebouw om geld of andere zaken te bedelen.</al><al><onderstreept>Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding van heling van
                                    goederen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="A."><al>Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
                                        algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                                        eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht</al></li><li nr="B."><al>Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of
                                        op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde
                                        goederen door de handelaar.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het
                                    verkoopregister</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                        gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op
                                        andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of
                                        namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin
                                        vermeldt hij onverwijld:</al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot
                                                het goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het
                                                goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen -
                                                voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer
                                                van het goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor
                                                overdracht van het goed;</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                                verkregen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                        verplichtingen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter,
                                    eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht</vet></al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter,
                                        tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester
                                        of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in
                                        kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte
                                        maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn
                                        woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door
                                        hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        genomen;</al></li><li nr="b."><al>de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn
                                        register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie
                                        dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering
                                        van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van
                                        een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        zijnde lokaliteit;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                        gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard
                                        van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomt;</al></li><li nr="d."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
                                        waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a
                                        bedoelde functionaris;</al></li><li nr="e."><al>zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven
                                        aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester
                                        aangewezen ambtenaar;</al></li><li nr="f."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of
                                        gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
                                        handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
                                        functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen
                                        drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen
                                    goederen</vet></al><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het
                                onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging
                                aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed. </al><al><vet>Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijf</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten
                                        dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die
                                        inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige
                                        andere wijze overdraagt.</al></li><li nr="2."><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1,
                                        eerste en tweede lid;</al></li><li nr="b."><al>houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde
                                        lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Afdeling 6 Vuurwerk</onderstreept></al><al><vet>Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen </vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: </al><al>Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. </al><al>Artikel 2.6.2 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                jaarwisseling </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door
                                        het college in het belang van de voorkoming van gevaar,
                                        schade of overlast aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op
                                        een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien
                                        zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                        voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                        Strafrecht.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li></lijst><al><onderstreept>Afdeling 7 Drugsoverlast</onderstreept></al><al><vet>Artikel 2.7.1 Verbod begeven op de weg om drugs te
                                    verhandelen</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al><al>Artikel 2.7.2 Openlijk drugsgebruik </al><al>Het is verboden, op of aan de weg of in een voor publiek
                                toegankelijk gebouw of vaartuig harddrugs te gebruiken of ten
                                behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te
                                hebben.</al><al>Artikel 2.7.3. Verzamelingen van personen in verband met
                                harddrugs</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan wegen die door de burgemeester
                                        zijn aangewezen, omdat de openbare orde dat in verband met
                                        het openlijk gebruik van of de handel in harddrugs naar zijn
                                        oordeel noodzakelijk maakt, deel te nemen aan een
                                        verzameling van meer dan twee personen, waarvan
                                        redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de verzameling
                                        verband houdt met het gebruik van of de handel in
                                        harddrugs.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing van wegen zoals bedoeld in het eerste lid,
                                        wordt gegeven voor ten hoogste twaalf maanden, welke termijn
                                        telkenmale kan worden verlengd.</al></li><li nr="3."><al>Degene die zich bevindt in een verzameling van personen als
                                        in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe
                                        strekkend bevel van een ambtenaar van Politie direct zijn
                                        weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting
                                        te verwijderen.</al><al>Afdeling 8 Veiligheidsrisicogebieden</al><al><vet>Artikel 2.8.1 Veiligheidsricogebieden</vet></al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de
                                        Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de
                                        aanwezigheid van wapens, dan wel ernstige vrees voor het
                                        ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin
                                        gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en de daarbij
                                        behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.</al><al>Afdeling 9 Cameratoezicht op openbare plaatsen</al></li></lijst><al>Artikel 2.9.1 Cameratoezicht op openbare plaatsen</al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                        Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor
                                        een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een
                                        openbare plaats.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                        Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor
                                        een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een andere
                                        voor ieder toegankelijke plaats.</al><al>Afdeling 10 Verblijfsontzegging</al><al>Artikel 2.10.1 Verblijfsontzegging</al><al>1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
                                        degene die zich in het door hem aangewezen gebied gedraagt
                                        in strijd met:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2.1.1.1, eerste lid (samenscholing);</al></li><li nr="b."><al>artikel 2.4.8, eerste lid (hinderlijk
                                                drankgebruik);</al></li><li nr="c."><al>artikel 2.4.9, eerste lid (hinderlijk gedrag bij of
                                                in gebouwen);</al></li><li nr="d."><al>artikel 2.7.1 (op weg begeven om drugs te
                                                verhandelen);</al></li><li nr="e."><al>artikel 2.7.2 (openlijk drugsgebruik);</al></li><li nr="f."><al>artikel 2.7.3 (verzameling van personen in verband
                                                met harddrugs)</al></li></lijst><al>een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod
                                        genoemd tijdvak van 24 uren te bevinden op in dat verbod
                                        aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de
                                        genoemde gedragingen hebben plaatsgevonden. </al><lijst><li nr="2."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare
                                                orde aan degene aan wie eerder een verbod als
                                                bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien
                                                van wie wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw in
                                                het aangewezen gebied gedraagt in strijd met de in
                                                het eerste lid genoemde artikelen, een verbod
                                                opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd
                                                tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden
                                                op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de
                                                nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben
                                                plaatsgevonden.</al></li><li nr="3."><al>Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts
                                                worden opgelegd indien de openbare orde verstorende
                                                handelingen binnen zes maanden na het opleggen van
                                                een eerder verbod, opgelegd op grond van het eerste
                                                of tweede lid, zijn geconstateerd.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester beperkt de in het eerste, tweede en
                                                derde lid genoemde verboden, indien dat in verband
                                                met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene
                                                noodzakelijk is.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een
                                                door de burgemeester opgelegd verbod. </al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE
                                        E.D. </titel></kop><structuurtekst><al><cursief>Paragraaf 1 Begripsomschrijvingen</cursief></al><al><vet>Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het
                                                verrichten van seksuele handelingen met een ander
                                                tegen vergoeding; </al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot
                                                het verrichten van seksuele handelingen met een
                                                ander tegen vergoeding; </al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke,
                                                besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een
                                                omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele
                                                handelingen worden verricht, of vertoningen van
                                                erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een
                                                seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                                seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een
                                                parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens
                                                begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                                combinatie met elkaar; </al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van
                                                personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in
                                                een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie
                                                aanbiedt die op een andere plaats dan in de
                                                bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; </al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke,
                                                besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                                erotisch-pornografische aard aan particulieren
                                                plegen te worden verkocht of verhuurd; </al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                                rechtspersoon of rechtspersonen die een
                                                seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of
                                                exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die
                                                rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke
                                                persoon of personen; </al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                                onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een
                                                seksinrichting of escortbedrijf; </al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een
                                                seksinrichting, met uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder; </al></li><li nr="3."><al>de prostituee; </al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;
                                            </al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6.2; </al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                is. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd
                                        bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor
                                        het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven
                                        als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de
                                        burgemeester. </al><al><vet>Artikel 3.1.3 Nadere regels (beleidsregels)</vet></al><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan
                                        het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit
                                        hoofdstuk nadere regels vaststellen. </al><al><cursief>Paragraaf 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie,
                                            sekswinkels en dergelijke </cursief></al><al/><al>Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                        exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                        bestuursorgaan. </al></li><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in
                                        ieder geval vermeld:</al></li><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant; </al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; </al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; </al></li><li nr="d."><al>de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door
                                        middel van een situatietekening met een schaal van tenminste
                                        1: 1000; </al></li><li nr="e."><al>het bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de
                                        Kamer van Koophandel; </al></li><li nr="f."><al>het bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is
                                        tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de
                                        seksinrichting. </al></li></lijst><al>Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder </al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder: </al></li><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                        ouderlijke macht of de voogdij; </al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt. </al></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de
                                        exploitant en de beheerder niet: </al></li><li nr="a."><al>met toepassing van het artikel 37 van het Wetboek van
                                        Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met
                                        toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht
                                        ter beschikking gesteld; </al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot
                                        een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer
                                        door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of
                                        Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf
                                        waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige
                                        hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid, van het Wetboek
                                        van Strafvordering is toegelaten; </al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                        uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een
                                        onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een
                                        andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                        onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede
                                        wegens overtreding van: </al><al> 1° bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                        Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                        vreemdelingen; </al><al> 2° de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en
                                        met 249, 250a (oud), 252, 273a, 300 tot en met 303, 416,
                                        417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                        Strafrecht; </al><al> 3° de artikelen 8 en 162 derde lid alsmede artikel 6 jo.
                                        Artikel 8 of jo. artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
                                    </al></li></lijst><al>4° de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                de kansspelen; </al><al> 5° de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; </al><al> 6° de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie</al><lijst><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                        gelijk gesteld: </al></li><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel
                                        74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of
                                        artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake
                                        rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,-
                                        bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                        straf. </al></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:
                                    </al></li><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                        datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;
                                        b</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                        datum van de intrekking van deze vergunning. </al></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                        geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting
                                        of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het
                                        bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de
                                        vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is
                                        ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen
                                        verwijt treft. </al></li></lijst><al>Artikel 3.2.3 Sluitingstijden </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                        hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten
                                        verblijven, tussen 00.00 en 06.00 uur. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als
                                        bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                        andere sluitingstijden vaststellen. </al></li><li nr="3."><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin
                                        te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting
                                        krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens
                                        artikel 3.2.4, eerste lid, gesloten dient te zijn. </al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                        voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.
                                    </al></li></lijst><al>Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                sluiting </al><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde
                                        belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in
                                        dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: </al></li><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste of
                                        tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; </al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk
                                        de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene
                                        wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in
                                        het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend
                                        overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.
                                    </al></li></lijst><al>Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                beheerder </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                        hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                        vergunning vermelde exploitant of beheerder in de
                                        seksinrichting aanwezig is. </al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder dienen er voortdurend op toe
                                        te zien dat in de seksinrichting; </al></li><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval
                                        de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de
                                        zeden), XIV (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX
                                        (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het
                                        Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet
                                        en in de Wet wapens en munitie; en </al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd
                                        met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                        Vreemdelingenwet bepaalde. </al></li></lijst><al>Artikel 3.2.6 Straat- en raamprostitutie </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of
                                        op andere wijze te trachten als prostituee de aandacht van
                                        passanten op zich te vestigen.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden
                                        gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te
                                        verwijderen. </al></li></lijst><al> Artikel 3.2.7 Sekswinkels </al><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente. </al><al>Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden
                                        daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen,
                                        gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                        erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen,
                                        aan te bieden of aan te brengen: </al></li><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                        bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                        aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en
                                        leefomgeving in gevaar brengt; </al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan
                                        in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                        leefomgeving gestelde regels. </al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                        opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken
                                        dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van
                                        gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid
                                        van de Grondwet. </al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden; nadere
                                    regels</cursief></al><al>Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn </al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2 neemt het
                                        bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                        vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen
                                        twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                        twaalf weken verdagen.</al></li></lijst><al>Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden </al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                        geweigerd, indien: </al></li><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                        3.2.2 gestelde eisen; </al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan
                                        of stadsvernieuwingsplan; </al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                        strijd met artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht of
                                        met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                        Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, kan
                                        worden geweigerd: </al></li><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde; </al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
                                    </al></li><li nr="c."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting
                                        van het woon- en leefklimaat; </al></li><li nr="d."><al>in het belang van de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="e."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; </al></li><li nr="f."><al>in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; </al></li><li nr="g."><al>in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                        prostituee. </al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer
                                </cursief></al><al>Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie </al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                        vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                        seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                        beëindigd. </al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                        exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis
                                        aan het bevoegd bestuursorgaan. </al></li></lijst><al>Artikel 3.4.2 Wijziging beheer </al><lijst><li nr="1."><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede
                                        lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant
                                        daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het
                                        beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
                                    </al></li><li nr="2."><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                        indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de
                                        exploitant heeft besloten de verleende vergunning
                                        overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het
                                        bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is
                                        van overeenkomstige toepassing. </al></li><li nr="3."><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan
                                        het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                        zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede
                                        lid heeft ingediend en totdat over de aanvraag is besloten.
                                    </al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG
                                VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Afdeling 1 Geluid- en lichthinder</onderstreept></al><al><vet>Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit horeca-, sport- en
                                        recreatie-inrichtingen milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: een inrichting als bedoeld in het Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.1.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorschriften 1.1.1., 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 van de
                                        bijlage onder B van het Besluit gelden niet voor door het
                                        college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                        festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                        dagdelen.</al></li><li nr="2."><al>Het voorschrift 1.5.1 van de bijlage onder B van het Besluit
                                        geldt niet voor door het college per kalenderjaar aan te
                                        wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te
                                        wijzen dagen of dagdelen.</al></li><li nr="3."><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede
                                        lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt
                                        in één of meer delen van de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor
                                        het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                        redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit
                                        terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het
                                        eerste lid aanwijzen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.1.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 3 incidentele
                                        festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                        voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 uit de bijlage
                                        onder B van het Besluit niet van toepassing zijn mits de
                                        houder van de inrichting ten minste twee weken voor de
                                        aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis
                                        heeft gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 3 incidentele
                                        festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij het
                                        voorschrift 1.5.1 uit de Bijlage onder B van het Besluit
                                        niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten
                                        minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het
                                        college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt stellen een formulier vast voor het doen
                                        van de kennisgeving.</al></li><li nr="4."><al>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan
                                        wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld,
                                        tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier
                                        vermeld.</al></li><li nr="5."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer
                                        het college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                        incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                        was, terstond toestaat.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.1.4 Verboden incidentele festiviteiten</vet></al><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de
                                burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit
                                verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in
                                de omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare
                                wijze wordt beïnvloed. </al><al><vet>Artikel 4.1.5 Overige geluidhinder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                        milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te
                                        hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze
                                        dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving
                                        geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                                        2.4.16, de op de Wet Geluidhinder, de Zondagswet, het
                                        wetboek, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                        1990, het Vuurwerkbesluit of de provinciale
                                        milieuverordening.</al></li></lijst><al>Artikel 4.1.5a (Geluid)hinder door bromfietsen e.d.</al><al>Het is verboden om buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te
                                gedragen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de
                                omgeving (geluid)hinder ontstaat.</al><al>Artikel 4.1.5b (Geluid) hinder door dieren</al><lijst><li nr="1."><al>Het is degene die, binnen de bebouwde kom, buiten een
                                        inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft
                                        voor een dier, verboden dit dier op een zodanige wijze
                                        aanwezig te hebben dat dit dier voor een omwonende of
                                        overigens voor de omgeving hinder veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen</al></li></lijst><al><onderstreept>Afdeling 2 Bodem-, weg- en
                                    milieuverontreiniging</onderstreept></al><al><vet>Artikel 4.2.1. Straatvegen</vet></al><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al><al><vet>Artikel 4.2.2. Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting
                                of plaats.</al><al><vet>Artikel 4.2.3 Toestand van sloten en andere wateren en
                                    niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen</vet></al><al>Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al><al><onderstreept>Afdeling 3 Het bewaren van
                                    houtopstanden</onderstreept></al><al><vet>Artikel 4.3.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al></li><li nr="a."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;</al></li><li nr="b."><al>monumentale bomen en andere waardevolle houtopstanden:
                                        houtopstanden, die van algemeen belang zijn voor de gemeente
                                        Amersfoort om redenen van leeftijd, verschijningsvorm,
                                        ecologische en/of cultuurhistorische aard, alsmede de als
                                        zodanig door het college aangemerkte heggen en hagen;</al></li><li nr="c."><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op
                                        de stronk uitlopen; </al></li><li nr="d."><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                        houtopstand; </al></li><li nr="e."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                        ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet; </al></li><li nr="f."><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel
                                        Ophiostima ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi
                                        (Buism.) C. Moreau); </al></li><li nr="g."><al>iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
                                        behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus
                                        multistriatus (Marsh) en Scolytus pymaeus.</al></li><li nr="2."><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien,
                                        met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van
                                        handelingen die de dood of ernstige beschadiging of
                                        ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. </al></li><li nr="3."><al>Gemeentelijke lijst van monumentale bomen en andere
                                        waardevolle houtopstanden: de lijst waarop zijn vermeld de
                                        van gemeentewege beschermde monumentale bomen en andere
                                        waardevolle houtopstanden, alsmede heggen en hagen. </al></li><li nr="4."><al>Bomenwacht: de door het college ingestelde ambtelijke
                                        werkgroep.</al></li><li nr="5."><al>Boomwaardebepaling: deze wordt uitgedrukt in het product van
                                        de factoren eenheidsprijs per cm² van de dwarsdoorsnede op
                                        1.30 meter hoogte, standplaatswaarde, conditiewaarde en de
                                        waarde van de plantwijze (methode Raad).</al></li></lijst><al>Artikel 4.3.2 Kapverbod</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        houtopstand te vellen of te doen vellen.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid geldt niet voor: </al><al>a.wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                        landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit
                                        niet-geknotte populieren of wilgen;</al><al>b.vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al><al>c.fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te
                                        dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het
                                        bijzonder bestemde terreinen;</al><lijst><li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="e."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                                geveld;</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij
                                                het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en
                                                gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de
                                                houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: -
                                                ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are -
                                                ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20
                                                bomen, gerekend over het totale aantal rijen;</al></li><li nr="g."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                                Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of
                                                last van het college, zulks onverminderd het
                                                bepaalde in artikel 4.3.6;</al></li><li nr="h."><al>het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van
                                                het reguliere onderhoud;</al></li><li nr="i."><al>houtopstand waarvan de gemeente de eigenares of de
                                                rechthebbende is, wanneer het vellen daarvan gebeurt
                                                ter vervanging van verloren gegane en bijna verloren
                                                gegane beplanting op openbaar terrein;</al></li><li nr="j."><al>houtopstand ten aanzien waarvan bij een geldend
                                                bestemmingsplan of bij een geldend
                                                voorbereidingsbesluit is bepaald dat het verboden is
                                                deze te vellen zonder schriftelijke vergunning van
                                                het college (aanlegvergunning); </al></li><li nr="k."><al>houtopstand gelegen in een beschermd natuurmonument
                                                in de zin van de Natuurbeschermingswet; </al></li><li nr="l."><al>houtopstand waarvan de stamomtrek, gemeten op 1.3
                                                meter hoogte vanaf de grond, niet meer bedraagt dan
                                                35 centimeter, tenzij de gezamenlijk te kappen
                                                houtopstand een oppervlakte beslaat van meer dan 50
                                                m2.</al></li><li nr="m."><al>Houtopstand waarvan naar het oordeel van het college
                                                kap dringend noodzakelijk is wegens bijzondere
                                                omstandigheden.</al></li><li nr="3."><al>De onder sub l van het tweede lid genoemde
                                                uitzondering geldt niet voor het kappen van bomen
                                                door of in opdracht van de gemeente Amersfoort in
                                                het openbaar gebied.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 4.3.3 Aanvraag kapvergunning</al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel
                                        met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of
                                        door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid
                                        gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer de directeur Bos- en Landschapsbouw van het
                                        Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij het
                                        college een afschrift heeft toegezonden van de
                                        ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet,
                                        beschouwt het college dit afschrift mede als een
                                        vergunningaanvraag.</al></li></lijst><al>Artikel 4.3.4 Weigeringsgronden</al><al>De vergunning kan worden geweigerd door het college op grond
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                        dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand;</al></li><li nr="g."><al>de boomwaarde van de houtopstand.</al><al>Artikel 4.3.5 vergunning ex lege </al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 4.3.6 Geldigheid vergunning</vet></al><al>Een kapvergunning vervalt van rechtswege, indien van de
                                        vergunning geen gebruik is gemaakt binnen één jaar nadat
                                        deze in werking is getreden.</al><al> Artikel 4.3.7 Bijzondere vergunningsvoorschriften</al><lijst><li nr="1."><al>Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan
                                                behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde
                                                termijn en overeenkomstig de door het college te
                                                geven aanwijzingen moet worden herplant.</al></li><li nr="2."><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid
                                                gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald
                                                binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke
                                                wijze niet geslaagde beplanting moet worden
                                                vervangen.</al></li><li nr="3."><al>Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan
                                                tevens behoren het voorschrift dat de vergunning pas
                                                van kracht wordt met ingang van de achtste dag die
                                                volgt op de laatste dag van de bezwaartermijn of,
                                                indien gedurende deze termijn een bezwaarschrift is
                                                ingediend, met ingang van de achtste dag die volgt
                                                op de verzending van de beslissing op het
                                                bezwaarschrift.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 4.3.8 Herplant-/instandhoudingsplicht</al><lijst><li nr="1."><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld
                                        in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van
                                        het college is geveld, dan wel op andere wijze teniet is
                                        gedaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de
                                        grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene
                                        die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen
                                        bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten
                                        overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een
                                        door hen te stellen termijn. Het college kan in het besluit
                                        tot het opleggen van een verplichting tot herbeplanting, de
                                        zakelijk gerechtigde of degene die uit andere hoofde bevoegd
                                        is tot het treffen van de voorziening, de mogelijkheid
                                        bieden om, in plaats van de opgelegde voorgeschreven
                                        herbeplantingsverplichting, een nader genoemde vergoeding te
                                        betalen. De vergoeding dient in redelijke verhouding te
                                        staan tot de waarde van de boom.</al></li><li nr="2."><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid
                                        opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke
                                        termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde
                                        beplanting moet worden vervangen.</al></li><li nr="3."><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld
                                        in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan
                                        ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk
                                        gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt
                                        dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen
                                        van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om
                                        overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een
                                        door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen,
                                        waardoor die bedreiging wordt weggenomen.</al></li><li nr="4."><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste,
                                        tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens
                                        rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</al></li></lijst><al>Artikel 4.3.9 Schadevergoeding</al><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4.3.2, 4.3.7, 4.3.8, schade lijdt of zal
                                lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste
                                behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is
                                verzekerd, kent het college hem op zijn verzoek een naar billijkheid
                                te bepalen schadevergoeding toe.</al><al>Artikel 4.3.10 Bestrijding iepziekte</al><lijst><li nr="1."><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die
                                        naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor
                                        verspreiding van de iepziekte of voor de vermeerdering van
                                        iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe
                                        door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij
                                        de aanschrijving vast te stellen termijn:</al></li><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen
                                        of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte
                                        wordt voorkomen.</al></li></lijst><al>2.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede
                                kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te
                                vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod..</al><al>Artikel 4.3.11 Afstand van de erfgrenslijn</al><al>De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt
                                vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en
                                heesters.</al><al>Artikel 4.3.12 Bomenwacht </al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt een Bomenwacht in. De bomenwacht is belast
                                        met:</al></li><li nr="-"><al>de inventarisatie en registratie van monumentale bomen;</al></li><li nr="-"><al>de advisering op aanvragen om kapvergunning inzake op de
                                        gemeentelijke lijst van monumentale bomen opgenomen
                                        houtopstanden;</al></li><li nr="-"><al>het opmaken van inspectierapporten;</al></li><li nr="-"><al>de toetsing van adviezen voor het herstel van bijzondere
                                        boomobjecten door particuliere bedrijven.</al></li><li nr="2."><al>Het college besluit niet omtrent het afvoeren van een
                                        houtopstand van een gemeentelijke lijst dan na de Bomenwacht
                                        te hebben gehoord, tenzij:</al></li><li nr="-"><al>de afvoering plaatsvindt ingevolge het bepaalde in artikel
                                        4.5.13, lid 3;</al></li><li nr="-"><al>de afvoering noodzakelijk is als uitvloeisel van een geldend
                                        bestemmingsplan of van een beslissing van Gedeputeerde
                                        Staten of van de Kroon om geheel of gedeeltelijk goedkeuring
                                        aan een bestemmingsplan te onthouden;</al></li><li nr="-"><al>de afvoering noodzakelijk is ter uitvoering van een
                                        gerechtelijke uitspraak.</al></li><li nr="3."><al>Het college informeert de Bomenwacht omtrent de genomen
                                        besluiten met betrekking tot de houtopstanden die worden
                                        geplaatst op, dan wel worden afgevoerd van de gemeentelijke
                                        lijst. Hij informeert de Bomenwacht ook omtrent zaken
                                        waarover de Bomenwacht advies heeft uitgebracht.</al></li></lijst><al>Artikel 4.3.13 Gemeentelijke lijst van monumentale bomen en andere
                                waardevolle houtopstanden </al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt een gemeentelijke lijst van monumentale
                                        bomen en andere waardevolle houtopstanden vast en kan daarin
                                        ambtshalve of op verzoek van belanghebbenden wijzigingen
                                        aanbrengen. Het college maakt van zijn bevoegdheid geen
                                        gebruik wanneer het betreft hakhout of een houtwal die zich
                                        bevindt binnen de begrenzing van een bestemmingsplan voor
                                        het buitengebied. </al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke lijst geeft aan de plaatselijke aanduiding,
                                        de kadastrale aanduiding en de tenaamstelling en voorts een
                                        beschrijving van de houtopstand, waarbij zo nodig met name
                                        de onderdelen worden genoemd waarop de bescherming is
                                        gericht. </al></li><li nr="3."><al>Houtopstanden, die na plaatsing op de gemeentelijke lijst
                                        worden geveld, worden door het college van deze lijst
                                        afgevoerd. </al></li><li nr="4."><al>De gemeentelijke lijst ligt voor een ieder op het stadhuis
                                        ter inzage.</al></li></lijst><al>Artikel 4.3.14 Wijzigingen in gemeentelijke lijst</al><lijst><li nr="1."><al>De zakelijk gerechtigde van de houtopstand die is vermeld op
                                        de gemeentelijke lijst is verplicht het college schriftelijk
                                        mededeling te doen van:</al></li><li nr="a."><al>het feit, dat hij geheel of gedeeltelijk heeft opgehouden
                                        zakelijk gerechtigde van een houtopstand te zijn;</al></li><li nr="b."><al>het feit, dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk is
                                        tenietgedaan.</al></li></lijst><al>Deze mededeling kan achterwege blijven indien de houtopstand is
                                tenietgedaan ter uitvoering van een kapvergunning.</al><al>2.De in het eerste lid bedoelde mededeling dient te geschieden
                                binnen een maand na de datum van de akte van overdracht,
                                respectievelijk binnen een maand na het tenietdoen van de
                                houtopstand.</al><al><onderstreept>Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en
                                    stankoverlast</onderstreept></al><al><vet>Artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz. </vet></al><lijst><li nr=""><al>1.Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                        milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen
                                        plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk
                                        aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van
                                        overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                        gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij
                                        nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te
                                        plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming
                                        van de door hem gestelde regels: </al></li><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                        voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
                                        gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen,
                                        indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt
                                        voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel
                                        doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil,
                                        een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                        landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen;</al></li><li nr="2."><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen
                                        daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats
                                        een door hem aangeduide voorwerp of stof:</al></li><li nr="a."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel</al><lijst><li nr="b."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben
                                                anders dan met inachtneming van de door hen gestelde
                                                regels. </al></li><li nr="4"><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in
                                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                                de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale
                                                Verordening. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 4.4.1.a Stankoverlast door gebruik van dierlijke
                                    meststoffen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel verstaat onder:</al></li><li nr="a."><al>meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de
                                        Meststoffenwet;</al></li><li nr="b."><al>emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze
                                        die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen
                                        behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3,
                                        punt a onder 2e gelezen moet worden: 'tijdens het uitrijden
                                        van de mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt';</al></li><li nr="c."><al>grond: bouwland, maïsland en grasland.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen
                                        is het verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te
                                        brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag,
                                        zondag en op de volgende feest en gedenkdagen:
                                        Nieuwjaarsdag, de eerste en tweede Paasdag, de eerste en
                                        tweede Pinksterdag, Hemelvaartsdag, de eerste en tweede
                                        Kerstdag en de dag waarop de verjaardag van de Koningin
                                        wordt gevierd.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        voorzover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel,
                                        wordt aangewend.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid
                                        gestelde verboden.</al></li><li nr="5."><al>Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in
                                        volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke
                                        staat verkeren.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.4.2 Vergunningsplichtige handelsreclame</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan
                                        een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met
                                        behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in
                                        welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte:</al></li><li nr="a."><al>opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig
                                        gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht
                                        zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;</al></li><li nr="b."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken,
                                        daartoe aangewezen door de overheid;</al></li><li nr="c."><al>opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de
                                        langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben
                                        op:</al></li><li nr="-"><al>een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop,
                                        verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor
                                        zolang zij feitelijke betekenis hebben;</al></li><li nr="-"><al>het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de
                                        onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is
                                        bestemd;</al></li><li nr="d."><al>opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in
                                        uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die
                                        bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken
                                        zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij
                                        of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor
                                        zolang zij feitelijke betekenis hebben;</al></li><li nr="e."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken
                                        dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn
                                        aangebracht ten dienste van dat vervoer.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of
                                        aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang
                                        zij feitelijke betekenis hebben, mits:</al></li><li nr="a."><al>van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving
                                        is gedaan aan het college;</al></li><li nr="b."><al>het college niet binnen twee weken na ontvangst van die
                                        kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken;</al></li><li nr="c."><al>deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen
                                        weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden door een opschrift, aankondiging of
                                        afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de
                                        veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige
                                        hinder voor de omgeving te veroorzaken.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in
                                        verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                        welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
                                        voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende
                                        zaak.</al></li><li nr="6."><al>a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        Verordening bescherming natuur en landschap provincie
                                        Utrecht 1996;.</al></li><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet
                                        voor bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet
                                        voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING
                                        DER GEMEENTE</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Afdeling 1 Parkeerexcessen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                                onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen: alle voertuigen met uitzondering
                                                van:</al></li><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen;</al></li><li nr="3."><al>invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement
                                                verkeersregels en verkeerstekens;</al></li><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                                voertuigen, rolstoelen.</al></li><li nr="c."><al>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig
                                                anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en
                                                gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of
                                                uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk
                                                laden of lossen van goederen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
                                            e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan
                                                wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te
                                                herstellen, te slopen, te verhuren of te
                                                verhandelen, verboden:</al></li><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                                toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een
                                                cirkel met een straal van 50 meter met als
                                                middelpunt een dezer voertuigen; dan wel</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te
                                                gebruiken.</al></li><li nr="2."><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt
                                                mede verstaan:</al></li><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                                lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren
                                                van personen tegen betaling.</al></li><li nr="3."><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden
                                                niet gerekend:</al></li><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of
                                                onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in
                                                totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende
                                                de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor
                                                deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de
                                                in het eerste lid genoemde persoon.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan het in het eerste lid gestelde
                                                verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.2a Te koop aanbieden van voertuigen door
                                            particulieren</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om een voertuig te parkeren op de
                                                weg met het kennelijke doel het te koop aan te
                                                bieden of te verhandelen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van ontheffing van dit verbod
                                                verlenen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen</vet></al><al>Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere
                                        dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden
                                        gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de
                                        weg te parkeren.</al><al><vet>Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te
                                                plaatsen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat
                                                rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en
                                                tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand
                                                verkeert.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin
                                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                                milieubeheer. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.5 Caravans e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een kampeerwagen, woonwagen,
                                                caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen,
                                                keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de
                                                recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede
                                                voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd
                                                langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op
                                                de weg binnen de bebouwde kom te plaatsen of te
                                                hebben. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.
                                            </al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet
                                                voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                                voorzien door de wegenverordening Provincie Utrecht
                                                2004 of de verordening bescherming Natuur en
                                                Landschap Provincie Utrecht 1996.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een
                                                aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren
                                                met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te
                                                maken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde
                                                verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
                                                de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of
                                                een hoogte van meer dan 2,40 meter, dan wel een
                                                oplegger of een aanhangwagen, te parkeren op een weg
                                                in het gedeelte van de gemeente, omsloten door de
                                                Stadsring vanaf het Smallepad tot de Sint
                                                Andriesstraat, de Sint Andriesstraat vanaf de
                                                Stadsring tot de Beek, de Beek vanaf de Sint
                                                Andriesstraat tot de Eem, de Koppelpoort, de Kleine
                                                Koppel vanaf de Koppelpoort tot het Smallepad en het
                                                Smallepad vanaf de Kleine Koppel tot de Stadsring –
                                                die wegen of gedeelten daarvan daaronder begrepen –
                                                zulks ter bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                                dat stadsdeel.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
                                                de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te
                                                parkeren op de weg binnen de bebouwde kom.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op
                                                werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks
                                                van 08.00 tot 18.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid
                                                gestelde verboden ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.8 Parkeren van uitzicht belemmerende
                                            voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
                                                lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een
                                                hoogte van meer dan 2,40 meter, op de weg te
                                                parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks
                                                gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat
                                                daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers
                                                vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt
                                                belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt
                                                aangedaan.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet
                                                gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt
                                                wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor
                                                de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse
                                                noodzakelijk is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.9 Parkeren van voertuigen met
                                            stankverspreidende stoffen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende
                                                stoffen te parkeren daar, waar bewoners of
                                                gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen
                                                daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet
                                                voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                                voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.10 Aantasting groenvoorzieningen door
                                            voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets
                                                te rijden door dan wel deze te doen of te laten
                                                staan in een park of plantsoen of een van
                                                gemeentewege aangelegde beplanting of
                                                groenstrook.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al></li><li nr="a."><al>op wegen zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder
                                                a;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                                uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de
                                                overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is
                                                ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend
                                                voor dit doel zijn bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van het verbod ontheffing
                                                verlenen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.11 Overlast van fiets of
                                        bromfiets</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen
                                                waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van
                                                de gemeente, ter voorkoming of opheffing van
                                                overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de
                                                openbare gezondheid, verboden is fietsen of
                                                bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde
                                                ruimten of plaatsen te laten staan.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen, die
                                                rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en
                                                in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te
                                                laten staan.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen wegen of
                                                weggedeelten aanwijzen waar het verboden is langer
                                                dan eenentwingtig dagen zonder wezenlijke
                                                tijdsonderbreking van de voor het stallen van
                                                fietsen of bromfietsen bestemde voorzieningen
                                                gebruik te maken.</al></li></lijst><al><onderstreept>Afdeling 2 Collecteren, venten, standplaatsen
                                            en snuffelmarkten</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goed</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college
                                                een openbare inzameling van geld of goederen te
                                                houden of daartoe een intekenlijst aan te
                                                bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede
                                                verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe
                                                ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend,
                                                dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden
                                                van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt
                                                gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                                geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel
                                                is bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in
                                                besloten kring gehouden wordt.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan onder door hem te stellen
                                                voorschriften vrijstelling verlenen van het in het
                                                eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die
                                                gehouden worden door daarbij aangewezen
                                                instellingen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.2.2 Venten e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in
                                                de uitoefening van de handel op of aan de weg of aan
                                                een openbaar water, aan een huis dan wel op een
                                                andere - al dan niet met enige beperking - voor het
                                                publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen
                                                plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen
                                                of af te geven dan wel diensten aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet:</al></li><li nr="a."><al>ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of
                                                afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin
                                                gedachten of gevoelens worden geopenbaard als
                                                bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                                Grondwet;</al></li><li nr="b."><al>voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren
                                                van goederen door - of door huisgenoten of personeel
                                                van - hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn
                                                winkel, bedoeld in artikel 1 van de
                                                Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="c."><al>voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen
                                                op de plaats die is aangewezen voor het houden van
                                                een markt, zulks gedurende de tijden waarop die
                                                markt gehouden wordt;</al></li><li nr="d."><al>voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren
                                                van goederen op een standplaats bedoeld in artikel
                                                5.2.3.</al></li><li nr="3."><al>De vergunning kan worden geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of
                                                -veiligheid;</al></li><li nr="d."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in
                                                de gemeente of in een deel der gemeente
                                                redelijkerwijs te verwachten is dat door het
                                                verlenen van de vergunning een redelijk
                                                verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in
                                                gevaar komt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.2.3 Standplaatsen: uitstallingen op de
                                            weg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op
                                                of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op
                                                een andere - al dan niet met enige beperking - voor
                                                publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen
                                                plaats:</al></li><li nr="a."><al>met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander
                                                middel een standplaats in te nemen of te hebben
                                                teneinde in de uitoefening van de handel goederen te
                                                koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken,
                                                dan wel diensten aan te bieden;</al></li><li nr="b."><al>anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te
                                                hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of
                                                te verstrekken aan publiek.</al></li><li nr="2."><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe
                                                te staan, dat daarop zonder vergunning van het
                                                college standplaats wordt of is ingenomen of
                                                goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in
                                                het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod
                                                geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van
                                                gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of
                                                gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel
                                                7, eerste lid, van de Grondwet. Alsdan geldt ook het
                                                in het tweede lid gestelde verbod niet.</al></li><li nr="4."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden
                                                gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het
                                                houden van een door het college ingestelde markt,
                                                zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden
                                                wordt, voor een evenement als bedoeld in artikel
                                                2.2.1, of voor het organiseren van een markt als
                                                bedoeld in artikel 5.2.4.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning kan worden geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde en
                                                veiligheid;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                overlast;</al></li><li nr="c."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in
                                                verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke
                                                eisen van welstand;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of
                                                -veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in
                                                de gemeente of in een deel der gemeente
                                                redelijkerwijs te verwachten is dat door het
                                                verlenen van de vergunning een redelijk
                                                verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in
                                                gevaar komt;</al></li><li nr="f."><al>indien de locatie waarvoor een standplaatsvergunning
                                                is gevraagd geen bestemming “verblijfsdoeleinden”
                                                heeft;</al></li><li nr="g."><al>indien op voorhand blijkt dat de aanvrager niet in
                                                staat is de standplaats persoonlijk in te
                                                nemen.</al></li></lijst><al>6. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in
                                        het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                        beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                        wegenreglement.</al><lijst><li nr="b."><al>De weigeringsgrond in het vijfde lid, onder b, geldt
                                                niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                                wordt voorzien door de Wet Milieubeheer.</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c,
                                                geldt niet voor bouwwerken.</al></li><li nr="7."><al>Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor
                                                een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag
                                                tevens een milieuwetplichtige activiteit betreft en
                                                indien geen toepassing kan worden gegeven aan het
                                                zesde lid, tot de dag waarop de beslissing over de
                                                milieuvergunningaanvraag is genomen.</al></li><li nr="8."><al>Een standplaatsvergunning kan tijdelijk, dan wel
                                                blijvend, worden ingetrokken indien als gevolg van
                                                bijvoorbeeld reconstructie van de openbare weg,
                                                werkzaamheden of de herinrichting van de openbare
                                                weg van een standplaatsvergunning geen gebruik
                                                (meer) kan worden gemaakt</al></li></lijst><al>9. a. In geval van overlijden of blijvende
                                        arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder kan de
                                        standplaatsvergunning worden toegewezen aan de
                                        achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of een
                                        andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam
                                        samenwoonde.</al><al> b Indien de standplaatsvergunning niet kan worden
                                        toegewezen op grond van het vorige lid, dan kan de
                                        vergunning worden toegewezen aan een kind of medewerk(st)er
                                        die: </al><lijst><li nr="-"><al>1. direct daaraan voorafgaand, gedurende een
                                                aaneengesloten periode van minimaal drie jaar,
                                                onafgebroken in loondienst van de vergunninghouder
                                                heeft gewerkt, of gedurende een zelfde periode als
                                                mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd;
                                            </al></li><li nr="-"><al>2. bij notariële akte heeft aangetoond dat de
                                                onderneming in eigendom van de medewerker is
                                                overgegaan en dat de standplaats geen economische
                                                factor is in de overname.</al><al>c.Een aanvraag tot toewijzing wordt ingediend binnen
                                                12 weken na het overlijden van de vergunninghouder,
                                                dan wel nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid is
                                                vastgesteld.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.2.4 Snuffelmarkten e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de
                                                burgemeester:</al></li><li nr="a."><al>in of op een - al dan niet met enige beperking -
                                                voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats een
                                                markt te organiseren of toe te laten, waar ter
                                                plaatse aanwezige goederen worden verhandeld;</al></li><li nr="b."><al>toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te
                                                geven, dat in of op een - al dan niet met enige
                                                beperking - voor publiek toegankelijk gebouw of
                                                plaats met een kraam, een tafel of enig ander
                                                dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen
                                                om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen
                                                of te verstrekken.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend
                                                geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en
                                                voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van
                                                de Winkeltijdenwet.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan
                                                worden geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van een krachtens de Gemeentewet
                                                ingestelde markt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Afdeling 3 Openbaar water</onderstreept></al><al>(Deze afdeling zal vervallen bij de inwerkingtreding van de
                                        Verordening Openbaar Water Amersfoort)</al><al><vet>Artikel 5.3.1 Gebruik van openbaar water</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar
                                                water verboden zonder vergunning van het college een
                                                voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in, of boven
                                                openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te
                                                hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van
                                                toepassing op voorwerpen waarop gedachten of
                                                gevoelens worden geopenbaard.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op, in of boven openbaar water
                                                voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden
                                                geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te
                                                hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving,
                                                constructie of plaats van bevestiging gevaar
                                                opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar
                                                water of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                                daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het
                                                doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar
                                                water.</al></li><li nr="4."><al>De verboden in het eerste en derde lid gelden niet
                                                voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt
                                                voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de
                                                Scheepvaartverkeerswet, het
                                                Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                                rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal reglement,
                                                de telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                                Telecommunicatieverordening.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.2 Ligplaats woonschepen en overige
                                            vaartuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te
                                                nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een
                                                vaartuig beschikbaar te stellen op door het college
                                                aangewezen gedeelten van openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan aan het innemen, hebben of
                                                beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel
                                                voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid
                                                aangewezen gedeelten van openbaar water:</al></li><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                                orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en
                                                het aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal
                                                vaartuigen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste geldt niet voorzover in het
                                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                                Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement,
                                                de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                                                woonschepenverordening Provincie Utrecht of de
                                                Provinciale vaarwegenverordening of Verordening
                                                Natuur en Landschap van toepassing is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.3 Aanwijzingen ligplaats</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van
                                                artikel 5.3.2 bepaalde kan het college aan de
                                                rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met
                                                betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik
                                                van een ligplaats in het belang van de openbare
                                                orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne
                                                en het aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle
                                                door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met
                                                betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik
                                                van een ligplaats op te volgen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet
                                                voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                                voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                                Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                                                woonschepenverordening Provincie Utrecht of de
                                                Provinciale vaarwegenverordening de Verordening
                                                Natuur en Landschap.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.4 Verbod innemen ligplaats</vet></al><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of
                                        beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens de
                                        artikelen 5.3.2, tweede lid en 5.3.3 bepaalde.</al><al><vet>Artikel 5.3.5 Beschadigen van waterstaatswerken en
                                            oevers</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of
                                                veranderingen aan te brengen in de toestand van bij
                                                de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens,
                                                dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen,
                                                oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen,
                                                waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                                bakens of sluizen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin
                                                geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek
                                                van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                                Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                                vaarwegenverordening.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.6 Reddingsmiddelen</vet></al><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd
                                        en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken
                                        voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt
                                        te maken.</al><al><vet>Artikel 5.3.7 Veiligheid op het water</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer
                                                in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig
                                                te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan
                                                hinder of gevaar kan ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin
                                                geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                                Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                                rijkswaterstaatswerken, of de
                                                Scheepvaartwegenverordening Provincie Utrecht.</al></li></lijst><al>Artikel 5.3.7a Zwemverbod</al><al>Het is verboden te zwemmen in door het college aangewezen
                                        openbare wateren of gedeelten daarvan.</al><al><vet>Artikel 5.3.8 Overlast aan vaartuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te
                                                houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te
                                                klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te
                                                bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is
                                                verboden een vaartuig, liggend in of aan een
                                                openbaar water, los te maken.</al></li></lijst><al><onderstreept> Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en
                                            ruiterverkeer in natuurgebieden</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5.4.1 Crossterreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde,
                                                met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1,
                                                onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel
                                                1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en
                                                verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter
                                                voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                                proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan
                                                deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een
                                                bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig
                                                te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het
                                                verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij
                                                regels stellen voor het gebruik van deze
                                                terreinen:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                                aanzien van de omgeving en ter bescherming van
                                                andere milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers
                                                van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en
                                                ritten of van het publiek.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat
                                                onder weg verstaan wat artikel 1 van de
                                                Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in
                                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                                de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproduktie
                                                sportmotoren.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in
                                        natuurgebieden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan voor publiek toegankelijke
                                                natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor
                                                recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen
                                                ten aanzien waarvan zij verklaren, dat het rijden
                                                met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1,
                                                onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                                1990 of een bromfiets als bedoeld in artikel 1,
                                                onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                                1990 of met een fiets of een paard aldaar overlast
                                                kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan
                                                milieuwaarden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op krachtens het eerste lid
                                                aangewezen plaatsen:</al></li><li nr="a."><al>zich met een motorvoertuig of een bromfiets als
                                                bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een
                                                paard te bevinden; dan wel</al></li><li nr="b."><al>zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met
                                                een fiets of een paard te bevinden op een in die
                                                aanwijzing aangeduid tijdstip.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet
                                                voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen
                                                en voor fietsers of berijders van paarden:</al></li><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                                hulpverlening en van andere krachtens artikel 29,
                                                eerste lid, Reglement verkeersregels en
                                                verkeerstekens 1990 door de minister van verkeer en
                                                waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud
                                                of exploitatie van de door het college aangewezen
                                                plaatsen;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken welke
                                                krachtens wettelijk voorschrift moeten worden
                                                uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters
                                                van percelen gelegen binnen de door het college
                                                aangewezen plaatsen;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                                verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li><li nr="4."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts
                                                niet:</al></li><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                                b van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de provinciale
                                                verordening 'Stiltegebieden' aangewezen
                                                stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die
                                                bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als
                                                'toestel'.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het
                                                tweede lid gestelde verbod.</al></li></lijst><al><onderstreept> Afdeling 5 Verbod vuur te
                                            stoken</onderstreept></al><al>Artikel 5.5.1 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten
                                        inrichtingen of anderszins vuur te stoken </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te
                                                verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet
                                                milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te
                                                stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover het betreft:</al></li><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                                dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                                geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat
                                                geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving
                                                oplevert.</al></li><li nr="d."><al>de jaarlijkse door de gemeente Amersfoort
                                                georganiseerde kerstbomenverbranding.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing
                                                verlenen.</al></li><li nr="4."><al>De ontheffing kan worden geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>ter bescherming van de woon- en leefomgeving;</al></li><li nr="c."><al>ter bescherming van de flora en de fauna.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde
                                                onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
                                                onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de
                                                Provinciale milieuverordening</al></li></lijst><al><onderstreept>Afdeling 6 Straatnaamborden, huisnummers
                                            e.d.</onderstreept></al><al>Artikel 5.6.1 Verdeling gemeente </al><lijst><li nr="1."><al>Het college verdeelt de gemeente, al dan niet op
                                                basis van bouwblokken, in wijken en buurten en
                                                duiden deze aan met nummers, zo nodig aangevuld met
                                                letters of namen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de openbare ruimte en gemeentelijke
                                                bouwwerken benoemen.</al></li><li nr="3."><al>Onder verdelen, aanduiden en benoemen, zoals bedoeld
                                                in het eerste en tweede lid, wordt tevens begrepen
                                                het wijzigen en intrekken van de verdeling,
                                                aanduiding en benoeming.</al></li></lijst><al>Artikel 5.6.2 Toekenning huisnummers </al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan een object of aan een te
                                                onderscheiden deel daarvan een nummer
                                                toekennen.</al></li><li nr="2."><al>Aan een object dat een nummer heeft gekregen moet
                                                het nummer op een doeltreffende wijze zijn
                                                aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>Tenzij door het college anders is besloten, is de
                                                rechthebbende van een object verplicht het nummer,
                                                zoals bedoeld in het eerste lid, aan te brengen op
                                                een wijze zoals in artikel 5.6.6. lid 1, eerste lid
                                                is bepaald.</al></li><li nr="4."><al>Onder toekennen, zoals bedoeld in het eerste lid,
                                                wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken van
                                                de toekenning.</al></li></lijst><al>Artikel 5.6.3 Aanbrengen namen en nummers</al><lijst><li nr="1."><al>De door het college aan delen van de openbare ruimte
                                                en aan gemeentelijke bouwwerken toegekende namen
                                                worden zichtbaar en in voldoende aantallen ter
                                                plaatse aangebracht.</al></li><li nr="2."><al>Het is een ieder, die daartoe niet bevoegd is,
                                                verboden aan delen van de openbare ruimte, aan de
                                                daaraan liggende gemeentelijke bouwwerken en aan
                                                ligplaatsen of standplaatsen namen of nummers toe te
                                                kennen door deze op zichtbare wijze aan te
                                                brengen.</al></li><li nr="3."><al>Het is een ieder, die daartoe niet bevoegd is,
                                                verboden zijn onroerende zaak nummers toe te kennen
                                                door deze op zichtbare wijze aan te brengen.</al></li></lijst><al>Artikel 5.6.4 Gedoogplicht aanduidingen</al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te
                                                laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en
                                                overeenkomstig de aanwijzingen van het college,
                                                straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften
                                                daaronder begrepen, huisnummers, wijkaanduidingen,
                                                borden of voorwerpen ten behoeve van openbaar
                                                verkeer, openbare verlichting, elektriciteits-, gas-
                                                of watervoorziening, brandbestrijding, worden
                                                aangebracht, onderhouden, gewijzigd of
                                                verwijderd.</al></li><li nr="2."><al>Het college geeft tevoren schriftelijk kennis aan de
                                                rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van zijn
                                                voornemen over te gaan tot het doen aanbrengen of
                                                wijzigen van een aanduiding of voorwerp als bedoeld
                                                in het eerste lid.</al></li></lijst><al>Artikel 5.6.5 Verwijdering e.d. aanduidingen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden enige aanduiding of voorwerp als
                                                bedoeld in artikel 5.6.1, eerste lid, te
                                                verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen of
                                                onleesbaar te maken.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover
                                                in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                                door het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de
                                                rechthebbende op een bouwwerk die met inachtneming
                                                van het door het college vastgestelde huisnummer de
                                                aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te
                                                brengen. Het college kan ter zake nadere regels
                                                stellen.</al></li></lijst><al>Artikel 5.6.6 Uitvoeringsvoorschriften</al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt nadere technische
                                                uitvoeringsvoorschriften vast voor de wijze van
                                                nummeren en voor het aanbrengen van
                                                nummerborden.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt, met het oog op het
                                                interbestuurlijk en maatschappelijk belang van een
                                                systematische registratie van door hen uitgegeven
                                                namen en nummers, nadere registratieve
                                                voorschriften.</al></li></lijst><al><onderstreept>Afdeling 7 Verstrooiing van
                                        as</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5.7.1 Begripsomschrijving</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele
                                        asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet
                                        op de lijkbezorging op een door de overledene of
                                        nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe
                                        bestemd terrein.</al><al><vet>Artikel 5.7.2 Verboden plaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al></li><li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen en
                                                crematoriumterreinen;</al></li><li nr="c."><al>in woonbuurten en op bedrijventerreinen;</al></li><li nr="d."><al>op recreatieve voorzieningen die als speelplek zijn
                                                ingericht</al></li><li nr="e."><al>in winkelgebieden;</al></li><li nr="f."><al>in fonteinen</al></li><li nr="g."><al>vanaf gebouwen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een
                                                bepaalde termijn wordt verboden dat op andere
                                                plaatsen dan genoemd in het eerste lid
                                                asverstrooiing plaatsvindt.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die
                                                zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere
                                                omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod
                                                uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke
                                                begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.7.3 Hinder of overlast</vet></al><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor
                                        hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 6.1 Strafbepaling</vet></al><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening
                                        bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee
                                        maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
                                        bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de
                                        rechterlijke uitspraak.</al><al><vet>Artikel 6.2 Toezichthouders</vet></al><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                        krachtens deze verordening zijn belast de door het college
                                        dan wel de burgemeester aangewezen personen.</al><al><vet>Artikel 6.3.Binnentreden woningen</vet></al><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de
                                        opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze
                                        verordening gegeven voorschriften welke strekken tot
                                        handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming
                                        van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd
                                        tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de
                                        bewoner.</al><al><vet>Artikel 6.4 Inwerkingtreding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de
                                                achtse dag na die waarop zij is bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Op dat tijdstip wordt de Algemene Plaatselijke
                                                Verordening Amersfoort 2007 ingetrokken.</al><al>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</al><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd
                                                  - verleend krachtens verordeningen bedoeld in
                                                  artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en
                                                  voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning
                                                  of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in
                                                  deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn
                                                  vervallen of ingetrokken - na de inwerkingtreding
                                                  van deze verordening van kracht.</al></li><li nr="2."><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd
                                                  krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6.4,
                                                  tweede lid, blijven - indien en voorzover de
                                                  bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en
                                                  bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze
                                                  verordening en voorzover zij niet eerder zijn
                                                  vervallen of ingetrokken - na de inwerkingtreding
                                                  van deze verordening van kracht.</al></li><li nr="3."><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding
                                                  van deze verordening een aanvraag om een
                                                  vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op
                                                  grond van een verordening bedoeld in artikel 6.4,
                                                  tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van
                                                  inwerkingtreding van deze verordening nog niet op
                                                  die aanvraag is beslist, wordt daarop de
                                                  overeenkomstige bepaling van de onderhavige
                                                  verordening toegepast.</al></li><li nr="4."><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift,
                                                  betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld
                                                  in het eerste lid, dan wel een voorschrift of
                                                  beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na
                                                  het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid,
                                                  is ingekomen binnen de voordien geldende
                                                  beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van
                                                  de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede
                                                  lid.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het in het eerste lid
                                                  bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing -
                                                  hoe ook genaamd - van kracht, totdat
                                                  onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor
                                                  een, krachtens een in deze verordening
                                                  overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste,
                                                  vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten
                                                  minste acht weken voor afloop van de in het eerste
                                                  lid genoemde termijn bij het bevoegde
                                                  bestuursorgaan is ingediend.</al></li><li nr="6."><al>De intrekking van de verordening bedoeld in
                                                  artikel 6.4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor
                                                  de geldigheid van op basis van die verordening
                                                  genomen nadere regels, beleidsregels en
                                                  aanwijzingsbesluiten, indien en voorzover de
                                                  rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn
                                                  gebaseerd ook vervat is in deze verordening en
                                                  voorzover zij niet eerder zijn vervallen of
                                                  ingetrokken.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6.6 Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Algemene
                                                Plaatselijke Verordening Amersfoort 2009”.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 24
                        februari 2009.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>PUBLICATIEDATUM: 4 maart 2009</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>