<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR59619_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de schoolbegeleiding Brummen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Brummen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Brummen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GemeenteThuis, 5 januari 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de schoolbegeleiding Brummen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003420&amp;artikel=140">Wet primair onderwijs, art. 140</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-08-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-08-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB11.0046</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de schoolbegeleiding Brummen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Brummen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19
                        september 2006</al><al>overwegende dat het geboden is regels te stellen voor het toekennen van
                        financiële middelen aan schoolbegeleidingsdiensten, die als basisvoorziening
                        binnen de locale educatieve infrastructuur ten behoeve van het Brummense
                        onderwijs als vraaggestuurde instellingen maatwerkgerichte dienstverlening
                        verzorgen;</al><al>gelet op artikel 140 van de Wet primair onderwijs en artikel 134 van de Wet
                        op de expertisecentra en titel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de navolgende Verordening op de schoolbegeleiding
                        Brummen.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Brummen;</al></li><li nr="b."><al>convenant: een meerjarenbudgetovereenkomst tussen
                                    schoolbesturen, schoolbegeleidingsdienst en gemeente waarin
                                    inspanningsverplichtingen zijn vastgelegd;</al></li><li nr="c."><al>landelijke dienst naar richting: een landelijk georganiseerde
                                    schoolbegeleidingsdienst die zijn diensten verleent voor scholen
                                    met een bepaalde richting binnen het bijzonder onderwijs;</al></li><li nr="d."><al>raad: de raad van de gemeente Brummen;</al></li><li nr="e."><al>regionale samenwerkingsdienst: de in de (nabije) regio
                                    gevestigde schoolbegeleidingsdienst die in samenwerking met een
                                    of meer andere gemeentebesturen en schoolbesturen wordt
                                    gesubsidieerd en die zijn diensten verleent voor zowel het
                                    openbaar als het bijzonder onderwijs en/of het speciaal
                                    onderwijs;</al></li><li nr="f."><al>school: een binnen de grenzen van de gemeente Brummen gevestigde
                                    basisschool, een speciale school voor basisonderwijs in de zin
                                    van de Wet op het primair onderwijs of een school voor speciaal
                                    onderwijs, school voor voortgezet speciaal onderwijs, school
                                    voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of van een
                                    nevenvestiging in de zin van de Wet op het primair onderwijs,
                                    waarvan de hoofdvestiging in de gemeente Brummen ligt, en de Wet
                                    op de expertisecentra en die van rijkswege bekostigd is;</al></li><li nr="g."><al>schoolbegeleiding: het ondersteunen van scholen en andere
                                    instanties bij het vernieuwen en verbeteren van het onderwijs
                                    door het verrichten van begeleidingsactiviteiten,
                                    ontwikkelingsactiviteiten, advisering, informatieverstrekking en
                                    evaluatie, alsmede het verrichten van activiteiten die dienen
                                    tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen,
                                    die problemen ondervinden in hun ontwikkeling;</al></li><li nr="h."><al>schoolbegeleidingsdienst: een rechtspersoonlijkheid bezittende
                                    organisatie, die krachtens de statutaire doelstelling met haar
                                    activiteiten niet het maken van winst beoogt en niet gericht is
                                    op het uitdragen van politieke opvattingen;</al></li><li nr="i."><al>schoolbegeleidingsprogramma: een overzicht van door de
                                    schoolbegeleidingsdienst voorgenomen meetbare activiteiten ten
                                    behoeve van het locale onderwijs gedurende een schooljaar;</al></li><li nr="j."><al>schoolbestuur: het bevoegde gezag van een school;</al></li><li nr="k."><al>subsidie: de jaarlijkse aanspraak op een door het college vooraf
                                    bepaald en te verstrekken bedrag met het oog op de uitvoering
                                    van een vooraf overeengekomen schoolbegeleidingsprogramma van de
                                    schoolbegeleidingsdienst, dat onderdeel vormt van een
                                    meerjarenbekostiging met een looptijd van vier jaren, anders dan
                                    als betaling voor aan het college geleverde goederen of
                                    diensten;</al></li><li nr="l."><al>d. subsidieplafond: het door de raad of het college vastgestelde
                                    bedrag voor schoolbegeleiding, dat ten hoogste beschikbaar is
                                    binnen een bepaald tijdvak;</al></li><li nr="m."><al>subsidievaststelling: de beschikking van het college waarin het
                                    subsidiebedrag definitief wordt vastgesteld en een recht op
                                    uitbetaling ontstaat;</al></li><li nr="n."><al>subsidieverlening: de beschikking van het college waarbij een
                                    voorwaardelijke financiële aanspraak ontstaat op het
                                    subsidiebedrag voor schoolbegeleiding;</al></li><li nr="o."><al>wet: Wet op het primair onderwijs of de Wet op de
                                    expertisecentra.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Subsidievoorwaarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het doel van de verordening is het verlenen van subsidie aan een
                                regionale samenwerkingsdienst of een landelijke dienst naar richting
                                die als vraaggestuurde laagdrempelige instelling met een
                                marktgerichte werkwijze activiteiten verricht voor schoolbesturen en
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie als bedoeld in het eerste lid is erop gericht om vanuit
                                de door de schoolbegeleidingsdienst opgebouwde expertise kwalitatief
                                hoogwaardige en maatgevoerde producten aan schoolbesturen en
                                gemeente levert, die belangrijk bijdragen aan de verbetering van
                                onderwijsleersituaties, schoolorganisaties, de schoolloopbaan van
                                kinderen en de professionaliteit van leerkrachten bij de aangesloten
                                scholen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toekenningscriteria</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie voor schoolbegeleiding ten behoeve van het onderwijs, als
                                bedoeld in de wet, kan uitsluitend toegekend worden met toepassing
                                van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een schoolbegeleidingsdienst dienen scholen te zijn aangesloten
                                die tezamen door tenminste 5.000 leerlingen worden bezocht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een schoolbegeleidingsdienst voert taken uit op het gebied van
                                begeleiding, ontwikkeling, verbetering, leerlingenzorg, advisering,
                                informatieverstrekking en activiteiten ter bevordering van een
                                optimale schoolloopbaan van kinderen, die aansluiten bij de
                                behoeften van schoolbesturen en gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De schoolbegeleidingsdienst dient in ieder geval te beschikken over
                                deskundigheden op de terreinen van onderwijskunde, pedagogiek,
                                orthopedagogiek, psychologie, organisatiekunde en informatie- en
                                communicatietechnologie. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een schoolbegeleidingsdienst heeft met de schoolbesturen en gemeente
                                een convenant gesloten voor een geldigheidsduur van vier schooljaren
                                waarin afspraken zijn vastgelegd over tenminste de wederzijdse inzet
                                van middelen, de wijze van programmering, het aandeel van de tot het
                                lokale onderwijsbeleid behorende geprioriteerde middelen, de
                                prestaties, de kwaliteitsbewaking, geschillenbeslechting en de
                                evaluatie. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het convenant bevat een bepaling waaruit blijkt dat de inzet van de
                                financiële middelen van het schoolbestuur de regionale
                                samenwerkingsdienst of een landelijke dienst naar richting tenminste
                                is gebaseerd op de in artikel 4 vermelde subsidiegrondslag.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Budgetfinanciering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Subsidiegrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college volgt voor de gemeentelijke bijdrage het jaarlijks door
                                het Rijk vastgestelde bedrag per leerling zonder compensatie voor de
                                BTW-afdracht en met hantering van het aantal leerlingen dat door het
                                Rijk wordt vastgesteld. De uiteindelijke grondslag van het bedrag
                                per leerling wordt bepaald door het totale bedrag voor
                                schoolbegeleiding te delen op het aantal op de voorafgaande
                                wettelijke teldatum geregistreerde leerlingen van alle bij de
                                subsidiabele schoolbegeleidingsdiensten in de gemeente aangesloten
                                scholen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van het toe te kennen subsidiebedrag aan een
                                schoolbegeleidingsdienst wordt bepaald door het bedrag per leerling
                                te vermenigvuldigen met het aantal geregistreerde leerlingen op de
                                voorafgaande wettelijke teldatum van de bij een
                                schoolbegeleidingsdienst aangesloten scholen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het subsidieplafond is gelijk aan het bedrag genoemd onder artikel 4
                                lid 1. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt het subsidieplafond en het daaraan gerelateerde in
                                artikel 7 vermelde bedrag per leerling vóór 1 december bekend aan de
                                schoolbegeleidingsdienst en de bij de dienst aangesloten
                                schoolbesturen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld
                                wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste
                                lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Subsidie-aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indieningstermijn en inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor subsidie wordt door het bestuur van de
                                schoolbegeleidingsdienst vóór 1 december, voorafgaand aan het jaar
                                waarvoor het subsidie wordt gevraagd, bij het college
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag niet voor de in het eerste lid vermelde datum is
                                ingediend, laat het college de aanvraag buiten behandeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de indiening van de aanvraag en de verstrekking van de gegevens
                                maakt de schoolbegeleidingsdienst gebruik van een van gemeentewege
                                opgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvraag vermeldt tenminste:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de schoolbegeleidingsdienst;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de namen van de aangesloten schoolbesturen en scholen
                                        waarvoor de schoolbegeleidingsactiviteiten worden
                                        verricht;</al></li><li nr="d."><al>het aantal op 1 oktober direct aan de aanvraag voorafgaande
                                        geregistreerde aantal leerlingen per schoolbestuur en
                                        school;</al></li><li nr="e."><al>het schoolbegeleidingsprogramma ten behoeve van de scholen
                                        en het locale onderwijs en de bijbehorende bedragen;</al></li><li nr="f."><al>het met de schoolbesturen gesloten convenant als bedoeld in
                                        artikel 3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Naast de in het vierde lid genoemde gegevens legt de
                                schoolbegeleidingsdienst bij een eerste aanvraag over:</al><lijst><li nr="a."><al>een afschrift van de statuten;</al></li><li nr="b."><al>een beschrijving van de organisatie voor zover deze niet
                                        reeds opgenomen is in de statuten;</al></li><li nr="c."><al>een opgave van de samenstelling van het bestuur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens deelt het college dit
                                binnen twee weken na ontvangst schriftelijk mee aan de
                                schoolbegeleidingsdienst. Daarbij krijgt de schoolbegeleidingsdienst
                                de gelegenheid om binnen drie weken na de datum van verzending van
                                de mededeling de gegevens schriftelijk aan te vullen. Indien de
                                schoolbegeleidingsdienst de ontbrekende gegevens niet binnen deze
                                termijn verstrekt, beslist het college de aanvraag niet te
                                behandelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bevestigt binnen twee weken de ontvangst van de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen twaalf weken na de indieningsdatum op een
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de in het tweede lid vermelde termijn, met redenen
                                omkleed, met vier weken verlengen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij verlenging wordt uiterlijk twee weken voor het einde van de
                                termijn van twaalf weken door het college schriftelijk en
                                gemotiveerd mededeling gedaan aan de schoolbegeleidingsdienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Naast de in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde
                            gronden weigert het college de subsidie ook indien:</al><lijst><li nr="a."><al>een schoolbegeleidingsdienst niet voldoet aan de criteria als
                                    neergelegd in deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden
                                    overschreden;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>De subsidieverlening en de subsidievaststelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Beschikkingen</titel></kop><al>De beschikking van het college tot toekenning van financiële middelen
                            kan inhouden een subsidieverlening of een subsidievaststelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Beschikking tot subsidieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beschikking tot subsidieverlening bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>het tijdvak en het doel waarvoor de subsidie is
                                        toegekend;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de schoolbegeleidingsdienst de
                                        dienstverlening dient uit te voeren.</al></li><li nr="c."><al>het bedrag van de subsidie;</al></li><li nr="d."><al>het schoolbegeleidingsprogramma waarvoor subsidie wordt
                                        verstrekt;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag is bepaald;</al></li><li nr="f."><al>het bedrag van het voorschot en het betalingsritme;</al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop rekening en verantwoording wordt afgelegd
                                        aan het college.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de schoolbegeleidingsdienst bij de subsidieverlening
                                andere dan de in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht
                                vermelde verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking
                                van het doel van de subsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beschikking tot subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beschikking tot subsidievaststelling bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>het vastgestelde bedrag;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop het bedrag is vastgesteld;</al></li><li nr="c."><al>een inhoudelijk verslag dat tenminste die gegevens bevat die
                                        nodig zijn om te kunnen beoordelen of – en in welke mate –
                                        de activiteiten zijn gerealiseerd, die vermeld zijn in het
                                        convenant;</al></li><li nr="d."><al>een financieel verslag dat betrekking heeft op de
                                        activiteiten als bedoeld onder c.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het verslag, bedoeld in het vorige lid, onder d, worden de
                                volgende eisen gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>het verslag bestaat uit een balans en een jaarrekening met
                                        toelichting;</al></li><li nr="b."><al>het verslag bevat een vergelijking tussen de rekening en de
                                        begroting van het jaar waarin de subsidie is verleend en de
                                        rekening voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie is
                                        verleend;</al></li><li nr="c."><al>het verslag is voorzien van een door een accountant
                                        verstrekte verklaring.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Uitvoering beschikking tot subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na de beschikking tot subsidieverlening dient de
                                schoolbegeleidingsdienst uiterlijk twintig weken na afloop van het
                                tijdvak waarvoor de financiële middelen zijn toegekend een aanvraag
                                tot subsidievaststelling in. Het college stelt de subsidie
                                ambtshalve vast indien de aanvraag achterwege blijft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag toont de schoolbegeleidingsdienst aan dat de aan de
                                subsidieverlening verbonden verplichtingen zijn nagekomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de schoolbegeleidingsdienst niet of onvoldoende aantoont dat
                                de verplichtingen zijn nagekomen, deelt het college dit vóór 1 juli
                                schriftelijk mee aan de schoolbegeleidingsdienst. Hierbij geeft hij
                                aan op welke onderdelen de schoolbegeleidingsdienst aanvullende
                                informatie moet verschaffen. Daarbij krijgt de
                                schoolbegeleidingsdienst de gelegenheid om binnen drie weken na
                                ontvangst van de mededeling de gevraagde informatie schriftelijk te
                                verschaffen. Indien de schoolbegeleidingsdienst de gevraagde
                                informatie niet binnen deze termijn verstrekt, stelt het college de
                                subsidie ambtshalve vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college beslist acht weken na de indiening van de aanvraag tot
                                vaststelling of binnen acht weken na de verstrekking van de
                                aanvullende informatie. Binnen twee weken na de datum van de
                                beschikking stelt het college de schoolbegeleidingsdienst hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt het subsidiebedrag betaalbaar onder verrekening
                                van de uitgekeerde voorschotten, overeenkomstig de
                                subsidieverlening. De betaling vindt binnen zes weken na de
                                subsidievaststelling plaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Intrekking of wijziging tot subsidieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan een college een
                                beschikking tot subsidieverlening in de volgende gevallen intrekken
                                of ten nadele van de schoolbegeleidingsdienst wijzigen:</al><lijst><li nr="a."><al>de in de verordening vermelde verplichtingen niet worden
                                        nagekomen;</al></li><li nr="b."><al>de schoolbegeleidingsactiviteit niet of niet geheel heeft
                                        plaatsgevonden, of zal plaatsvinden;</al></li><li nr="c."><al>de schoolbegeleidingsdienst onjuiste of onvolledige gegevens
                                        heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                        gegevens tot een andere beschikking zou hebben geleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip van
                                toekenning van de middelen, tenzij bij de intrekking of wijziging
                                anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat een besluit als bedoeld in het eerste lid genomen wordt,
                                vindt overleg plaats tussen de schoolbegeleidingsdienst en het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekking of wijziging van de beschikking tot
                                subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een beschikking tot subsidievaststelling intrekken
                                of ten nadele van de schoolbegeleidingsdienst wijzigen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op grond van feiten en omstandigheden waarvan het college bij de
                                verlening van de financiële middelen redelijkerwijs niet op de
                                hoogte kon zijn en op grond waarvan de toekenning van de financiële
                                middelen anderszins zou hebben plaatsgevonden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de schoolbegeleidingsdienst niet voldoet aan de in de
                                beschikking vermelde verplichtingen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien de beschikking onjuist was en de schoolbegeleidingsdienst dit
                                wist of behoorde te weten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De intrekking of wijziging van een beschikking tot
                                subsidievaststelling werkt terug tot en met het tijdstip van
                                verlening van de financiële middelen, tenzij bij de intrekking of
                                wijziging anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat een besluit als bedoeld in het eerste lid genomen wordt,
                                vindt overleg plaats tussen de schoolbegeleidingsdienst en het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen
                                worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is
                                vastgesteld nog geen vijf jaren zijn verstreken en indien de
                                subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan
                                de subsidie verbonden verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat een besluit als in het eerste lid bedoeld genomen wordt,
                                vindt overleg plaats tussen de schoolbegeleidingsdienst en het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Titel 4.2 Awb</titel></kop><al>Ten aanzien van het verlenen van, vast stellen van, wijzigen en
                            terugvorderen van subsidie en/of subsidiebeschikkingen wordt
                            overeenkomstig titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Abw)
                            gehandeld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Overgangsrecht en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Met betrekking tot de in de verordening vermelde termijnen blijven de
                            voor de subsidiëring gedurende de periode 1 augustus 2006 tot en met 31
                            december 2006 op 31 juli 2006 geldende termijnen van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><al>De schoolbegeleidingsdienst verstrekt op verzoek van het college nadere
                            gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Van de toepassing van de bepalingen in deze verordening kan door
                            Burgemeester en wethouders worden afgeweken indien strikte toepassing
                            ervan wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zou zijn in verband
                            met het met deze bepalingen te dienen doel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Onduidelijkheden in de verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in alle gevallen waarin deze
                                verordening onduidelijk is, de nodige voorzieningen treffen en/of de
                                nodige beslissingen nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van de verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening op de
                                    schoolbegeleiding Brummen.</al></li><li nr="2."><al>De verordening treedt met terugwerkende kracht in werking tot 1
                                    augustus 2006.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 oktober 2006.</ondertekening><ondertekening>De raad van de gemeente Brummen,</ondertekening><ondertekening>mr. M. Veenbergen N.E. Joosten bc</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING VERORDENING OP DE SCHOOLBEGELEIDING BRUMMEN</titel></kop><tussenkop>Stelselherziening</tussenkop><al>Vanaf 1 augustus 2006 is de Wet regelende de stelselherziening schoolbegeleiding
                    van kracht geworden. Deze is opgenomen in de Wet op het primair onderwijs en de
                    Wet op de expertisecentra. De wettelijke instandhoudingsplicht door de gemeente
                    van een regionale samenwerkingsdienst op het gebied van schoolbegeleiding en de
                    verplichting de van rijkswege ontvangen middelen voor de landelijke diensten
                    naar richting toe te kennen wordt op 1 augustus 2006 beëindigd. De rijksmiddelen
                    worden vanaf die datum gefaseerd aan de schoolbesturen (per 1 januari 2008
                    volledig) uitgekeerd, die zelf mogen beslissen over de inzet. De gemeente
                    behoudt de vrijheid om haar middelen naar eigen keuze in te zetten.
                    Schoolbesturen en gemeente zijn daarmee gezamenlijk in het bezit gekomen van het
                    primaat van de programmering. De gemeenteraad heeft in zijn besluit van 28
                    september 2006 vastgelegd dat de schoolbegeleidingsdiensten, werkzaam voor de
                    Brummense scholen en het ten goede van de scholen komende lokale onderwijsbeleid
                    met toepassing van een relatief geringe taakstelling op de gemeentelijke
                    bijdrage gesubsidieerd moeten blijven. Schoolbesturen en de gemeente hebben
                    tijdens de beraadslagingen van het Besturenoverleg primair onderwijs de
                    schoolbegeleidingsdienst IJsselgroep, vestiging Perspectief, als een belangrijke
                    voorziening binnen de locale educatieve infrastructuur aangemerkt en de
                    schoolbesturen hebben daarbij verklaard dat zij hun subsidies in de vorm van
                    budgetfinanciering ook voor minimaal 50% wensen in te zetten indien de gemeente
                    haar bijdrage eveneens inzet en onder voorwaarde dat de dienst zich als
                    vraaggestuurde instelling met een marktgerichte werkwijze opstelt. In een
                    convenant worden de wederzijdse verplichtingen ten aanzien van financiering,
                    programmering, kwaliteitsgaranties en bestedingsverantwoording vastgelegd.
                    Zonder de inzet van de gemeentelijke middelen is het niet mogelijk te komen tot
                    een verantwoord niveau van dienstverlening.</al><al/><tussenkop>Juridisch kader schoolbegeleiding</tussenkop><al>Vanaf 1 januari 1998 tot 1 augustus 2006 is de schoolbegeleiding voor gemeenten,
                    schoolbesturen en begeleidingsdiensten in een wet in formele zin geregeld, in
                    casu de drie onderwijswetten. De gemeenten werkten deze verder uit met een
                    beleidsregel, zijnde een beleidsnotitie waarin criteria en procedures vermeld
                    staan. Er werd daarmee voldaan aan het vereiste uit de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb): subsidiëring dient gebaseerd te zijn op een wettelijk
                    voorschrift. De Awb stelt (onder andere) eisen aan de procedure van
                    subsidieverlening en geeft tevens een deel van de basisbepalingen die nodig zijn
                    bij de subsidieverlening (zoals weigering en intrekking van subsidie). De Awb
                    bepaalt voorts wanneer er sprake is van subsidie en wanneer een wettelijk
                    voorschrift is vereist. </al><al>De situatie waarin de stelselherziening ingaat, verandert het juridische kader.
                    De rol van de gemeente op het gebied van de schoolbegeleiding is gebaseerd op
                    een ander artikel in de onderwijswetgeving. Een gemeente, die in het belang van
                    de ontwikkeling en het kwaliteitsbehoud van het plaatselijke onderwijs middelen
                    beschikbaar wenst te stellen (waar het Rijk overigens bijzonder aan hecht) doet
                    dit niet langer vanuit haar wettelijke instandhoudingsplicht, maar moet dit wel
                    blijven baseren op een wettelijk voorschrift volgens de Awb. Dit betekent dat de
                    gemeenteraad gehouden is een verordening vast te stellen. Deze heeft procedurele
                    en inhoudelijke kanten. De verordening bepaalt dat de schoolbegeleidingsdienst
                    een verzoek om subsidiëring moet doen en dat alleen kan doen indien er een
                    convenant met schoolbesturen en gemeente is gesloten. </al><al>De verordening is nu gebaseerd op artikel 140 van de Wet op het primair
                    onderwijs (WPO) en artikel 134 van de Wet op de expertisecentra (WEC), regelende
                    de materiële gelijkstelling van materiële kosten tussen openbaar en bijzonder
                    onderwijs. Met deze regeling benoemt een gemeente taken, die zij belangrijk
                    vindt en waarvoor zij middelen beschikbaar stelt om scholen te ondersteunen. </al><al>De wetswijziging ziet de inzet van gemeentelijke middelen als eigenstandig
                    gemeentelijk beleid waarbij voorzieningen voor het onderwijs worden bekostigd,
                    die niet door de reguliere rijksvergoeding worden gedekt en die kunnen leiden
                    tot toepassing van de overschrijdingsregeling. </al><al>Dit is een van oudsher belangrijk leerstuk in verband met de in de Grondwet
                    gewaarborgde financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder
                    onderwijs.</al><al>Zou de gemeente de subsidie uitsluitend baseren op artikel 149 van de
                    Gemeentewet, dan ontstaan er de volgende ongewenste rechtsgevolgen:</al><lijst><li nr="1."><al>De automatische werking van de overschrijdingsregeling treedt in werking
                            hetgeen betekent dat elk bedrag per leerling dat aan schoolbegeleiding
                            wordt uitgegeven doorbetaald moet worden aan een schoolbestuur dat niet
                            aan de subsidievoorwaarden wenst te voldoen.</al></li><li nr="2."><al>De gemeente heeft geen sturingsmogelijkheden in de besteding van de
                            middelen: de middelen kunnen besteed worden voor andere doeleinden zoals
                            tuinonderhoud, personeelsexcursies.</al></li><li nr="3."><al>Er is sprake van een open-einde-regeling: een subsidieplafond is niet
                            mogelijk.</al></li><li nr="4."><al>Schoolbesturen worden ongelijk behandeld.</al></li></lijst><al>Door de verordening te baseren op de artikelen 140 en 134 heeft de wetgever de
                    gemeente de mogelijkheid gegeven om ongewenste financiële aanspraken te
                    voorkomen. Met de verordening kunnen geobjectiveerde criteria worden vastgesteld
                    voor het toekennen van aanspraken op schoolbegeleidingsmiddelen ten behoeve van
                    zowel het openbaar als het bijzonder onderwijs. Er wordt voorzien in een gelijke
                    behandeling ten aanzien van het verkrijgen van materiële faciliteiten met een
                    bekostiging naar dezelfde maatstaf (financiële gelijkstelling). </al><al>Ook de wetgever geeft in de memorie van toelichting (nr. 29875, vergaderjaar
                    2004-2005) nog eens aan dat op schoolbegeleiding, die uit gemeentelijke middelen
                    wordt verstrekt, de regels ten aanzien van de financiële gelijkstelling tussen
                    openbaar en bijzonder onderwijs van toepassing zijn en hieraan via een
                    gemeentelijke verordening nadere uitwerking kan worden gegeven. De verordening
                    bepaalt dat een schoolbegeleidingsdienst een verzoek om subsidiëring doet en dat
                    alleen kan doen voor de scholen indien er een convenant (budgetovereenkomst)
                    tussen schoolbesturen, gemeente en dienst is gesloten. Het college is belast met
                    de uitvoering van de verordening. Dit houdt o.m. in: het op basis van de door de
                    raad vastgestelde gemeentebegroting bekend maken van het subsidieplafond, het
                    sluiten van convenanten, het beoordelen van aanvragen, het bij beschikking
                    toekennen van middelen en het toetsen van de besteding en verantwoording van de
                    middelen. Het convenant is privaatrechtelijk van karakter en geeft een
                    uitwerking aan de publiekrechtelijke subsidieverlening (artikel 4:36 van de
                    Awb). Doordat die gebaseerd is op de onderwijswetgeving geldt zij als een
                    eigenstandige regeling die niet derogeert aan of aanvullend is op de algemene
                    subsidieverordening.</al><al>De systematiek van het beleid is de kaderstelling, het verlenen van de subsidie,
                    de uitvoering, het vaststellen van de subsidie en de evaluatie. De kaderstelling
                    wordt door de gemeenteraad in de notitie, de begroting en de verordening (met
                    criteria en procedure) vastgelegd. De verlening wordt uitgevoerd door het
                    college waarin het door de raad vastgestelde beleidskader met beschikkingen en
                    convenanten wordt vertaald. De uitvoering gebeurt door de
                    schoolbegeleidingsdiensten en de schoolbesturen met op het leveren van
                    prestaties gerichte activiteiten, waarbij tussentijds de gemeente wordt
                    geïnformeerd over de voortgang. Het college gaat samen met de schoolbesturen na
                    hoe de middelen door de schoolbegeleidingsdienst zijn verantwoord en het college
                    stelt de subsidie vast. De evaluatie richt zich op de mate waarin de prestaties
                    zijn nagekomen en wat de resultaten ervan zijn. Het college informeert de
                    gemeenteraad.</al><tussenkop>ARTIKELGEWIJS</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al/><al>In dit artikel worden de begrippen toegelicht die bij de toekenning van de
                    middelen een rol spelen. In het begrippenstelsel is o.m. een onderscheid gemaakt
                    in de schoolbegeleidingsdienst die regionaal en landelijk functioneren en die
                    naar gelijke maatstaf worden behandeld.</al><tussenkop>Artikel 2 Doelstelling</tussenkop><al/><al>In dit artikel komt naar voren dat een schoolbegeleidingsdienst een modern
                    consumentengedrag moet tonen met een laagdrempelige en maatgevoerde
                    dienstverlening.</al><tussenkop>Artikel 3 Toekenningscriteria</tussenkop><al/><al>Een schoolbegeleidingsdienst doet na het bereiken van overeenstemming over de
                    condities waaronder de dienstverlening plaatsvindt met een schoolbestuur het
                    verzoek aan de gemeente om in aanmerking te komen voor subsidie (via een
                    convenant). Het schoolbestuur dient zijn scholen bij een dienst te hebben
                    aangesloten zodat er kwaliteitsgaranties zijn voor de dienstverlening.
                    Schoolbesturen worden hiermee gelijk behandeld. </al><al>Voor het voortbestaan en het naar behoren functioneren van een
                    schoolbegeleidingsdienst is het noodzakelijk om te kunnen beschikken over een
                    dienstverleningsactieradius met een minimale omvang. De gehanteerde omvang is
                    een zodanige dat aan een gedifferentieerde begeleidingsvraag kan worden voldaan. </al><al>De schoolbegeleidingsdienst dient over een ruime deskundigheid te beschikken.
                    Het geformuleerde takenpakket en de noodzakelijke deskundigheden sluit aan op de
                    gegroeide vraagpraktijk van scholen en gemeente. De formulering komt in grote
                    lijnen overeen met de huidige wetstekst.</al><al>Vanwege het gegeven dat een aanvraag tot stand is gekomen op basis van
                    wilsovereenstemming tussen partijen is een (privaatrechtelijk) convenant of een
                    budgetovereenkomst een bij uitstek geschikt middel om de juridische binding aan
                    te tonen die als bewijslast geldt voor een rechtmatige toewijzing van middelen.
                    Het convenant heeft een werkingsduur van vier schooljaren. Deze termijn is
                    gekozen om enerzijds recht te doen aan de continuïteit in de programmering en
                    anderzijds om de netto besteedbare budgettaire ruimte uit de fiscale wetgeving
                    te optimaliseren.</al><al>Het zesde lid geeft een aanwijzing voor de subsidiegrondslag zoals die in het
                    convenant door de partijen wordt vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 4 Subsidiegrondslag</tussenkop><al/><al>In de met de schoolbegeleidingsdiensten en de schoolbesturen te sluiten
                    convenanten komt tot uitdrukking dat de schoolbesturen het bedrag dat zij van
                    het Rijk ontvangen voor schoolbegeleiding eveneens gedeeltelijk bij een
                    schoolbegeleidingsdienst besteden. Het Rijk drukt het minimaal benodigde bedrag
                    voor verantwoorde schoolbegeleiding uit in een bedrag per leerling en keert een
                    bedrag uit naar rato van het aantal leerlingen. Het bedrag per leerling is de
                    helft van het bedrag van de zogenaamde sobere dienstverlening. Hieronder wordt
                    verstaan het minimaal verantwoorde kwalitatieve en kwantitatieve
                    begeleidingsniveau. In de verwachting dat de gemeente de andere helft bekostigt
                    ontstaat het totale bedrag van sobere dienstverlening. De schoolbesturen zijn
                    gehouden hun bijdrage in ieder geval 50% te doen zijn van de bijdrage van de
                    gemeente. De gemeente streeft ernaar bij de bepaling van de beschikbaar te
                    stellen middelen zich zoveel mogelijk te oriënteren op het bedrag per leerling
                    van het Rijk om een minimaal verantwoord kwaliteitsniveau zoveel mogelijk te
                    benaderen.</al><tussenkop>Artikel 5 Subsidieplafond</tussenkop><al/><al>Een subsidieplafond moet gezien worden als een maximale raming van de
                    beschikbare middelen voor het onderwerp schoolbegeleiding. Het plafond is vooral
                    belangrijk ter voorkoming van een ongeclausuleerde aanspraak op middelen. Het
                    subsidieplafond moet vóór het begin van de periode waarvoor het geldt bekend
                    worden gemaakt zodat potentiële aanvragers tijdig weten hoeveel geld er
                    beschikbaar is. In de verordening is opgenomen dat dit vóór 1 december dient te
                    geschieden. Deze datum is gekozen omdat met het vaststellen van de
                    gemeentebegroting de hoogte van het plafond is vastgesteld. Een vastgesteld en
                    bekendgemaakt subsidieplafond betekent dat subsidie moet worden geweigerd als
                    het budget wordt overschreden, ook al voldoet de aanvrager aan de criteria van
                    de verordening. De beschikbare middelen worden verdeeld met toepassing van
                    artikel 4, dat de subsidiegrondslag regelt. </al><al>Belangrijk is de voorwaarde dat de praktijk kan werken met een voorwaarde dat de
                    begroting moet worden vastgesteld of gewijzigd. Zonder die voorwaarde betekent
                    subsidieverlening een verplichte uitgave. Het betreft een opschortende
                    voorwaarde. </al><al/><tussenkop>Artikel 6 Indieningtermijn en inhoud aanvraag</tussenkop><al>Artikel 4:1 van de Awb bepaalt dat subsidie wordt aangevraagd bij het
                    bestuursorgaan dat bevoegd is (verklaard) op de aanvraag te beslissen. Voor deze
                    verordening is dat het college van burgemeester en wethouders. Om de procedure
                    te vergemakkelijken, zijn er van gemeentewege vastgestelde aanvraagformulieren
                    te verkrijgen (derde lid). Op het aanvraagformulier wordt aangegeven welke
                    gegevens bij de aanvraag moeten worden meegestuurd om te beoordelen of aan de
                    criteria wordt voldaan en tot welk bedrag middelen beschikbaar worden gesteld.
                    Het eerste lid voert een uiterste indieningsdatum voor de aanvraag in. Dit mede
                    gezien de tijd die nodig kan zijn voor de behandeling van aanvragen. De genoemde
                    termijn heeft een fataal karakter, er zijn rechtsgevolgen aan verbonden Bij te
                    late indiening wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Het buiten
                    behandeling laten is een beslissing die voor bezwaar en beroep vatbaar is
                    (tweede lid).</al><tussenkop>Artikel 7 Beslissingstermijn</tussenkop><al/><al>De genoemde termijnen zijn adhortatief.</al><tussenkop>Artikel 8 Weigeringsgronden</tussenkop><al/><al>In het belang van de rechtmatigheidstoetsing en de gelijke behandeling van de
                    aanvragers is het noodzakelijk weigeringsgronden in de verordening op te nemen. </al><tussenkop>Artikelen 9 tot en met 12 Beschikkingen </tussenkop><al/><al>Er is in deze verordening niet gekozen voor een situatie waarin wordt volstaan
                    met een subsidievaststelling zonder een voorafgaande subsidieverlening omdat a)
                    de onderwijswetgever gaat van de twee fasensystematiek uit b) controle en
                    verantwoording tussentijds en achteraf essentieel zijn, c) de gemeente meer
                    mogelijkheden heeft voor een tussentijdse bijstelling, mede met het oog op de
                    indeling van een kalenderjaar in twee schooljaren, d) de subsidieontvanger een
                    completere rechtsbescherming heeft en e) het proportionaliteitsbeginsel van
                    toepassing is. Bij onder meer de regionale samenwerkingsdienst vergt het
                    relatief hoge bedrag een kwalitatief en kwantitatief adequate mate van inzet van
                    controle-instrumenten zodat de mogelijkheid is geboden om financieel tussentijds
                    op te treden. De scheiding van jaarlijkse subsidieverlening en
                    subsidievaststelling is zo’n instrument. Hoewel de diensten maatschappelijk
                    belangrijke taken verrichten en in menig opzicht met de gemeente als partner
                    zijn te beschouwen is een verantwoorde mate van zakelijkheid vereist om na te
                    gaan of de overheidsmiddelen op de juiste bestemming terecht zijn gekomen. Alle
                    subsidie-aanvragende schoolbegeleidingsdiensten zullen in het kader van de
                    materiële gelijkstelling in het onderwijs op gelijke wijze worden behandeld. De
                    Awb bepaalt de spelregels bij verlening. Het verleningsbesluit is in feite de
                    acceptatie dat een bepaalde activiteit subsidiabel is en dat een
                    schoolbegeleidingsdienst een aanspraak op financiële middelen verkrijgt, mits
                    hij daadwerkelijk de gesubsidieerde activiteiten verricht en zich aan de
                    criteria en voorwaarden houdt. Na afloop van het tijdvak vindt, aan de hand van
                    door de schoolbegeleidingsdienst afgelegde verantwoording, de
                    subsidievaststelling plaats. Er is dan een definitief recht op bekostiging. De
                    vaststelling dient om de hoogte van de subsidie definitief te bepalen op basis
                    van de constatering dat de activiteiten daadwerkelijk zijn uitgevoerd, de
                    verplichtingen zijn nagekomen en er zich geen onregelmatigheden hebben
                    voorgedaan. De bepaling m.b.t. het verstrekken van voorschotten en het
                    betalingsritme is regelend recht, d.w.z. dat de wet een norm geeft waarvan bij
                    verordening kan worden afgeweken. Een verleend bedrag tot € 20.000,-- wordt in
                    twee semesters uitgekeerd. Bedragen vanaf € 20.000,-- tot € 60.000,-- worden per
                    kwartaal toegekend en bedragen vanaf € 60.000,-- worden maandelijks in gelijke
                    delen betaalbaar gesteld. Bij verplichtingen (artikel 13, eerste lid) kan worden
                    gedacht aan de verplichting om binnen een bepaalde termijn een begin te maken
                    met het uitvoeren van een activiteit. De verstrekte subsidie dient in het
                    kalenderjaar te zijn uitgegeven hetgeen betekent dat vermogensvorming met
                    gemeentelijke gelden achterwege dient te blijven. Een schoolbegeleidingsdienst
                    heeft met additionele activiteiten en/of het in de loop der tijd opgebouwde
                    weerstandsvermogen voldoende mogelijkheden om een reserve op te bouwen. De
                    termijnen lopen parallel aan de termijnen die de zes regiogemeenten hanteren,
                    die gezamenlijk met de gemeente Brummen, diensten afnemen van de regionale
                    samenwerkingsdienst, en zijn passend voor de mogelijkheden van de
                    schoolbegeleidingsdiensten. Bij alle mogelijke te subsidiëren
                    schoolbegeleidingsdiensten zijn vele gemeenten en schoolbesturen
                    aangesloten.</al><tussenkop>Artikelen 13, 14 en 15 Intrekking, wijziging en
                    terugvordering</tussenkop><al/><al>Hier staan de spelregels voor intrekking en wijziging (als sanctie), dus ten
                    nadele van de schoolbegeleidingsdienst. De intrekking en de wijziging geschieden
                    met terugwerkende kracht. Dit kan indien de beschikking als gevolg van
                    omstandigheden, die veroorzaakt zijn door de gesubsidieerde, niet de beoogde
                    werking blijkt te hebben. Het kan hier enerzijds gaan om een sanctie, anderzijds
                    om herstel van onjuistheden die niet uitsluitend voor rekening van het
                    bestuursorgaan behoren te komen. Deze bepalingen zijn een noodzakelijke
                    aanvulling op de mogelijkheid de subsidie lager vast te stellen dan
                    overeenkomstig de subsidieverlening . Een soortgelijke regeling voor de
                    subsidievaststelling vormt artikel 14. Echter, deze sanctie is beperkt tot
                    maximaal 5 jaar vanaf de datum van bekendmaking van het
                    vaststellingsbesluit.</al><al>Ten onrechte uitbetaalde subsidie kan worden teruggevorderd. Wel geldt een
                    verjaringstermijn van 5 jaar. Verrekening met toekomstige subsidies is mogelijk.
                    De verjaringstermijn is gefixeerd op de dag waarop de subsidie is
                    vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 17 Overgangsrecht</tussenkop><al/><al>De verordening heeft als uitgangspunt subsidiëring per kalenderjaar, terwijl de
                    stelselherziening ingaat per schooljaar. De termijnen van de verordening kunnen
                    daardoor eenmalig voor de periode 1 augustus 2006 tot 1 januari 2007 niet
                    parallel aan elkaar lopen. </al><tussenkop>Artikel 19 Hardheidsclausule</tussenkop><al/><al>Dit artikel bevat een hardheidsclausule. Hiermee wordt een voorziening gegeven
                    die een zekere mate van vrijheid toestaat bij het toepassen van de algemene
                    regels. Het toepassen van een hardheidsclausule moet tot het uiterste beperkt
                    worden; wanneer blijkt dat bij het toepassen van de verordening vaak een beroep
                    op de hardheidsclausule wordt gedaan, dan moet de regeling worden aangepast. De
                    regeling blijkt dan niet (meer) volledig op de praktijk aan te sluiten.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>