<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR59515_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand, gemeente Oosterhout</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oosterhout</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oosterhout</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Oosterhout, 02-11-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand, gemeente Oosterhout</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">Wet werk en bijstand, art. 8 , eerste lid, onderdeel c</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=30">Wet werk en bijstand, art. 30 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-05-12</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV.0005080</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand, gemeente Oosterhout</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oosterhout;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 19 april 2004;</al><al>gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">artikel 8, eerste lid, onderdeel c,</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=30">artikel 30 van de Wet werk en bijstand</extref>, de bepalingen van de
                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Algemene wet bestuursrecht</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">Gemeentewet</extref>;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 21 jaar en ouder doch
                        jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen;</al><al>besluit</al><al>vast te stellen: de “Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en
                        bijstand, gemeente Oosterhout”.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> (Staatsblad 2003;
                                            375);</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=21">artikel 21, onderdeel c, van de wet</extref>;</al></li><li nr="c."><al>toeslag: het hoger vaststellen van de bijstandsnorm voor
                                            een alleenstaande of een alleenstaande ouder bedoeld in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25 van de wet</extref>;</al></li><li nr="d."><al>verlaging: het lager vaststellen van de bijstandsnorm en
                                            de toeslag bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=26">artikelen 26</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=27">27</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=28">28</extref>en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=29">29 van de wet</extref>;</al></li><li nr="e."><al>woning: een woning, een woonwagen of een woonschip;</al></li><li nr="f."><al>woonkosten: 1. indien een huurwoning wordt bewoond, de
                                            op de aanvangsdatum van het lopende huurtoeslagtijdvak
                                            per maand geldende huurprijs als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20huurtoeslag">Wet op de huurtoeslag</extref>;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                                    maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van
                                    de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het
                                    in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en
                                    een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud; </al><lijst><li nr="g."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op
                                            verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                            verzorgingstehuis;</al></li><li nr="h."><al>schoolverlater: de persoon die bijstand aanvraagt,
                                            indien hij in de zes maanden voorafgaande aan de
                                            toekenning van de algemene bijstand de deelname heeft
                                            beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding waarvoor
                                            aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20studiefinanciering%202000">Wet studiefinanciering 2000</extref> of op een
                                            tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de
                                            schoolkosten op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20tegemoetkoming%20onderwijsbijdrage%20en%20schoolkosten">hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                                                onderwijsbijdrage en schoolkosten</extref>. Het
                                            aanmerken als schoolverlater eindigt zes maanden na het
                                            beëindigen van voornoemd onderwijs of
                                            beroepsopleiding;</al></li><li nr="i."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van
                                            de gemeente Oosterhout.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Werkingssfeer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor de
                                    belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In
                                    geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening
                                    indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65
                                    jaar zijn.</al></li><li nr="2."><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 van deze verordening laten de
                                    toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, eerste lid, van de wet</extref> onverlet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 Toeslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                    alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens
                                    woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                    alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens
                                    woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen
                                    niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning
                                    zijn hoofdverblijf heeft: </al><lijst><li nr="a."><al>het kind van 18 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar
                                            met een inkomen van ten hoogste de norm als bedoeld in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=21">artikel 21, onder a, van de wet</extref>;</al></li><li nr="b."><al>het meerderjarige kind met studiefinanciering op grond
                                            van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20studiefinanciering%202000">Wet studiefinanciering 2000</extref>;</al></li><li nr="c."><al>het meerderjarige kind met een tegemoetkoming op grond
                                            van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20tegemoetkoming%20onderwijsbijdrage%20en%20schoolkosten">Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                                schoolkosten</extref>;</al></li><li nr="d."><al>de verzorgingsbehoevende die door belanghebbende wordt
                                            verzorgd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of
                            toeslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4 Verlaging gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=26">artikel 26 van de wet</extref> bedraagt 10 procent van de
                                    gehuwdennorm voor gehuwden die een woning delen met één of meer
                                    anderen.</al></li><li nr="2."><al>Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomsiget
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=27">artikel 27 van de wet</extref> bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor belanghebbende geen woonkosten verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond
                                    wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Verlaging schoolverlater</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=28">artikel 28 van de wet</extref> bedraagt 20 procent van de
                            gehuwdennorm.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Verlaging toeslag alleenstaande van 21 of 22
                                jaar</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=29">artikel 29 van de wet</extref> bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>15 procent van de gehuwdennorm indien het een
                                            belanghebbende van 21 jaar betreft;</al></li><li nr="b."><al>5 procent van de gehuwdennorm indien het een
                                            belanghebbende van 22 jaar betreft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de
                                    hoogte van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien
                                    deze toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing
                                    van lid 1 zou leiden.</al></li><li nr="3."><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een
                                    belanghebbende op wie artikel 6 van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende tenminste bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>55 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder;</al></li><li nr="c."><al>65 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Overgangsmaatregelen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Overgangsrecht</titel></kop><al>Voor de belanghebbende, die op de dag voorafgaande aan de
                            inwerkingtreding van deze verordening een bijstandsuitkering ontvangt,
                            en waarvoor geldt dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering op
                            basis van deze verordening ongunstiger is dan op basis van de
                            verordening toeslagen en verlagingen Abw, geldt dat de wijze van
                            vaststelling van de hoogte van de uitkering ongewijzigd blijft tot het
                            moment dat de hoogte van de uitkering gewijzigd dient te worden vanwege
                            een wijziging van de omstandigheden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10 Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking tot de
                            uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Verantwoording</titel></kop><al>Over de uitvoering van deze verordening legt het college jaarlijks door
                            middel van het beleidsverslag verantwoording af aan de raad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli
                                    2004.</al></li><li nr="2."><al>De verordening toeslagen en verlagingen Algemene bijstandswet
                                    wordt ingetrokken per 1 juli 2004.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald: Verordening toeslagen en verlagingen
                            Wet werk en bijstand, gemeente Oosterhout.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 12 mei 2004</ondertekening><ondertekening>de voorzitter de griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>1. Norm, toeslag en verlaging</al><al>Hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand (WWB) kent voor de verlening van
                    bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem van
                    basisnormen en toeslagen en verlagingen. Dit systeem is grotendeels overgenomen
                    uit de Algemene bijstandswet (Abw).</al><al>De basisnormen zijn geregeld in de artikelen 20 tot en met 24 van de WWB.
                    Daarnaast voorzien de artikelen 25 tot en met 29, WWB, in de mogelijke
                    toepassing van toeslagen en verlagingen.</al><al>De gemeente is verplicht om in bepaalde gevallen de norm te verhogen met een
                    toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik
                    gemaakt te worden.</al><al>Norm</al><al>Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaat er een drietal basisnormen
                    (artikel 21 WWB), te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm)</al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouder: 70% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="3."><al>alleenstaande: 50% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>Toeslagen</al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht
                    als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht
                    gedeeld worden.</al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm. Dit betekent dat de
                    maximale uitkering voor een alleenstaande ouder 90% van de gehuwdennorm en de
                    maximale norm voor een alleenstaande 70% van de gehuwdennorm bedraagt.</al><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van deze verordening. Budgettaire
                    overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol spelen. De
                    gemeente is overigens niet verplicht om bij de verlening van een toeslag
                    rekening te houden met lagere bestaanskosten. De gemeente heeft de mogelijkheid
                    om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de
                    maximale toeslag te verstrekken. (Zie Memorie van Toelichting; TK 28.870, nr. 3,
                    pagina 53.)</al><al>Verlagingen</al><al>In de wet is geregeld in welke gevallen een verlaging mag worden toegepast. Het
                    gaat hierbij om de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="-"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een
                            ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden
                            (artikel 26 WWB);</al></li><li nr="-"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);</al></li><li nr="-"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie
                            (artikel 28 WWB);</al></li><li nr="-"><al>verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij
                            alleenstaanden (artikel 29 WWB).</al></li></lijst><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 tot en met 7 van de
                    verordening.</al><al>2. De verordening toeslagen en verlagingen</al><al>In artikel 8, lid 1, onder c, jo. artikel 30, WWB, is geregeld dat de
                    gemeenteraad bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de
                    bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de
                    hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.</al><al>Categorieën</al><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de verordening een categoriaal karakter moet hebben.
                    Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de praktijk
                    eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een forfaitaire
                    benadering.</al><al>Het is niet nodig om in de verordening alle mogelijke situaties uitputtend te
                    regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het college immers
                    de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel 18, lid 1,
                    WWB, bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen.</al><al>In deze verordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan alle
                    verlagingen die de WWB mogelijk maakt. In artikel 8 van de verordening wordt het
                    effect van samenloop van verschillende verlagingen beperkt door minimum hoogtes
                    voor te schrijven waaraan de bijstand moet voldoen na toepassing van de
                    verlagingen.</al><al>Vanwege de eenvoud is de werking van de verordening beperkt tot belanghebbende
                    van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de WWB de mogelijkheid
                    biedt om de verlagingen ook toe te passen op belanghebbenden van 18, 19 of 20
                    jaar. In een uitzonderlijke situatie waarin een belanghebbende van 21 jaar of
                    ouder doch jonger dan 65 jaar slechter af zou zijn dan een belanghebbende van
                    18, 19 of 20 jaar in overigens vergelijkbare omstandigheden, ligt het voor de
                    hand dat het college eveneens op grond van artikel 18, lid 1, WWB, de bijstand
                    aanpast. (Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2)</al><al>3. Berekening toepasselijke bijstandsnorm</al><al>In de WWB is - in tegenstelling tot in de Abw - niet voorgeschreven, dat in
                    gevallen waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de
                    verlaging met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. De reden van het
                    vervallen van het voorschrift is gelegen in de financieringsstructuur van de
                    WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm of de toeslag verlaagd wordt. Voor de
                    toepassing van de leeftijdsverlaging maakt dit echter wel uit. Omdat noch uit de
                    wettekst noch uit de Memorie van toelichting kan worden opgemaakt dat de
                    wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging een zwaarder gewicht te geven,
                    blijft het bij voorrang toepassen van de verlaging op de toeslag de aangewezen
                    volgorde. In de praktijk leidt dit overigens alleen bij de combinatie verlaging
                    wegens woonsituatie en leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk
                    in combinatie met de leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten.</al><al>Bovenstaande in acht nemend kan hoogte van de uitkering algemene bijstand voor
                    personen van 21 tot 65 jaar als volgt worden berekend:</al><al>1. Basisnorm;</al><al>2a. Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande ouders)</al><al>OF</al><al>2b. Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen (alleen bij
                    gehuwden)</al><al>3. Korten met verlaging wegens woonsituatie;</al><al>4a. Korten met verlaging schoolverlater</al><al>OF</al><al>4b. Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op (het restant
                    van) de toeslag.</al><al>De verlagingen onder stap 4a en 4b mogen nooit gelijktijdig worden toegepast. De
                    verordening geeft aan welke verlaging geldt.</al><al>Leidt de uitkomst tot en lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in
                    artikel 8 van de verordening, dan moet het college de bijstand vaststellen op de
                    van toepassing zijnde minimum hoogte. De uitkomst van deze berekening laat ook
                    een eventueel aan de orde zijnde afstemming van de bijstand bij wijze van
                    individualisering onverlet.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB of Awb niet
                    afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de verordening moet
                    worden gewijzigd.</al><al>De begrippen die niet zijn omschreven in de WWB of Awb, of die verduidelijkt
                    moeten worden, zijn in het tweede lid omschreven.</al><al>Onder b is het begrip gehuwdennorm omschreven. Er is voor het gebruik van dit
                    begrip gekozen omdat de hoogte van deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in
                    artikel 21 onder c. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto
                    minimumloon.</al><al>Onder c en d worden de begrippen toeslag en verlaging nog expliciet omschreven
                    met de verwijzing naar de betreffende artikelen uit de WWB.</al><al>Onder e is bepaald dat onder een woning ook een woonwagen of woonschip wordt
                    verstaan.</al><al>Het begrip woonkosten is omschreven onder f. Voor de woonkosten van een
                    huurwoning wordt aangesloten bij de Huursubsidiewet. Voor de woonkosten van een
                    eigen woning wordt rekening gehouden met de te betalen hypotheekrente en de
                    zakelijke lasten die aan het bezit van een eigen woning zijn verbonden. Voor wat
                    betreft de hypotheekrente gaat het hierbij om de rente voor (dat deel van) de
                    hypotheek die is afgesloten voor de financiering van de woning. Het rentedeel
                    van een eventueel toegekende rijkssubsidie wordt hierop in mindering gebracht.
                    Rente verbonden aan (een deel van) de hypotheek, die betrekking heeft op
                    bijvoorbeeld de financiering van duurzame gebruiksgoederen, wordt niet
                    meegenomen. Bij de overige zakelijke lasten gaat het om het eigenaarsdeel van de
                    rioolrechten, het eigenaarsdeel van de onroerend zaak belasting, de
                    opstalverzekering en het eigenaarsdeel van de waterschapslasten.</al><al>Onder g is het begrip verzorgingsbehoevende omschreven. De vraag of iemand is
                    aangewezen op verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                    verzorgingstehuis zal moeten worden beantwoord op basis van een onafhankelijk
                    medisch onderzoek.</al><al>Het begrip schoolverlater zoals dit onder h is omschreven sluit aan bij de
                    bepaling die is opgenomen in artikel 28, WWB.</al><al><vet>Artikel 2 Werkingssfeer</vet></al><al>Hoewel de tekst van de artikelen 26, 27 en 28 WWB ook categoriale verlagingen
                    mogelijk maakt voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar, moet dit niet
                    opportuun geacht worden. De normen voor deze leeftijdscategorieën zijn in
                    artikel 20 WWB laag vastgesteld, vanwege de onderhoudsplicht van de ouders van
                    belanghebbenden. Betreffende ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun
                    onderhoudsplicht door hun kind bij hen in te laten wonen of de huur voor hen te
                    betalen. In dergelijke gevallen zou als het ware 'dubbel gekort' worden als
                    hierdoor ook nog op basis van deze verordening een verlaging van de uitkering
                    plaatsvindt. Bovendien zou de toepassing van de categoriale verlagingen op
                    belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar de uitvoering van de verordening nodeloos
                    ingewikkeld maken.</al><al>Mocht echter het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                    artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om
                    op grond van artikel 18, lid 1, WWB de bijstand lager vast te stellen. In de
                    praktijk zal dit zich gezien de geringe hoogte van de jongerennorm niet
                    veelvuldig voordoen, maar te denken valt aan de situatie waarin gehuwden met een
                    kind in een kraakpand wonen. De gehuwdennorm van artikel 21 onder c WWB minus de
                    verlaging van 5 onder a van deze verordening leidt tot een lager bedrag aan
                    bijstand dan de norm van artikel 20, lid 2, onder c, WWB. In dergelijke
                    uitzonderlijke situaties moet het college gebruik maken van zijn bevoegdheid tot
                    individualiseren.</al><al>De verlening van een toeslag aan personen jonger dan 21 jaar is op grond van de
                    wet niet mogelijk. Indien een jongere te maken krijgt met hogere bestaanskosten
                    dat waarin de norm voorziet dan kan het college bijzondere bijstand verlenen in
                    deze extra kosten.</al><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om - zo nodig in
                    afwijking van de uit deze verordening voortvloeiende hoogte van de bijstand - de
                    bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de omstandigheden, mogelijkheden
                    en middelen van belanghebbende gepast is, volgt uit artikel 30, lid 4, WWB. De
                    individualiseringsplicht geldt evenzeer in situaties waarin deze verordening
                    niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van deze verordening geen
                    misverstand te laten bestaan, is er voor gekozen om deze plicht expliciet in de
                    verordening op te nemen.</al><al><vet>Artikel 3 Toeslagen</vet></al><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30, lid 2, onder a, WWB.
                    Hierin is namelijk bepaald dat de “echte” alleenstaande (ouder) recht heeft op
                    de maximale toeslag.</al><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er
                    noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur en
                    stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende
                    zelf.</al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van
                    worden uit gegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    op zijn plaats. In de toeslagen verordening is daarom gekozen voor een toeslag
                    van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één of meer anderen in dezelfde
                    woning het hoofdverblijf hebben.</al><al>In het derde lid wordt bij de onderdelen a, b en c geregeld dat een kind dat
                    niet (meer) in de norm begrepen is, maar tevens in omstandigheden verkeert
                    waardoor het niet aannemelijk is, dat hij kan bijdragen in de kosten van het
                    huishouden, niet meetelt als persoon die in de woning zijn hoofdverblijf heeft.
                    Daarbij is nadrukkelijk overwogen dat in de WSF 2000 en Wtos aan een
                    thuiswonende student reeds een lager bedrag wordt verstrekt.</al><al>Aangezien het betreffende kind niet in de bijstand begrepen is, is het aan de
                    alleenstaande ouder om zodanige inlichtingen te verstrekken dat kan worden
                    vastgesteld of de onderdelen a, b of c van toepassing zijn.</al><al>In onderdeel d van het derde lid wordt geregeld dat een zorgbehoevende eveneens
                    niet wordt meegeteld als persoon die in dezelfde woning het hoofdverblijf heeft.
                    Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege deze
                    verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag. Overigens geldt wel dat
                    de toeslag op de eventuele bijstandsuitkering van de zorgbehoevende wel lager
                    kan worden vastgesteld vanwege het kostenvoordeel.</al><al><vet>Artikel 4 Verlaging gehuwden</vet></al><al>In de gehuwdennorm is al rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten de
                    kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de woning
                    nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke kosten
                    van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de kosten
                    ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf.</al><al>Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm, ongeacht het
                    aantal anderen dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft. Evenals bij
                    alleenstaanden wordt vanaf de vierde persoon die in de woning zijn hoofdverblijf
                    heeft geen noemenswaardige vermindering van de algemeen noodzakelijke kosten van
                    het bestaan aanwezig geacht. Daarbij moet ook bedacht worden dat in de praktijk
                    bij meer bewoners van een woning, het ook vaak om een grotere en duurdere woning
                    gaat, zodat de feitelijke kosten van het bestaan doorgaans niet lager uitvallen
                    dan in gevallen waarin maar één ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                    heeft.</al><al>In het tweede lid wordt geregeld dat het derde lid van artikel 3 van deze
                    verordening ook van toepassing is. Dit betekent dat een kind dat niet (meer) in
                    de norm begrepen is, maar tevens in omstandigheden verkeert waardoor het niet
                    aannemelijk is, dat hij kan bijdragen in de kosten van het huishouden, niet
                    meetelt als personen die in de woning hun hoofdverblijf heeft. Tevens betekent
                    dit dat een zorgbehoevende niet wordt meegeteld als persoon die in dezelfde
                    woning het hoofdverblijf heeft.</al><al><vet>Artikel 5 Verlaging woonsituatie</vet></al><al>Artikel 27 WWB geeft de mogelijkheid de norm of de toeslag te verlagen in
                    zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                    heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is aanvullend bedoeld op
                    de artikelen 25 en 26 WWB.</al><al>Artikel 27 WWB is ruimer gesteld dan de bepaling die hierover in artikel 35, lid
                    1, van de Abw was opgenomen. Artikel, 35, lid 1, Abw, voorzag enkel in een
                    verlaging in het geval aan de door belanghebbende bewoonde woning geen
                    woonkosten verbonden waren. Volgens de toelichting op 27 WWB is de verruiming
                    bedoeld om ook ingeval er helemaal geen woning wordt bewoond, een verlaging te
                    kunnen toepassen.</al><al>In dit artikel is onder a een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan de
                    woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het wordt nodeloos
                    ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de mate waarin
                    woonkosten ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten
                    heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18,
                    lid 1, WWB de bijstand lager vast te stellen.</al><al>Het begrip woonkosten is in deze verordening in artikel 1, lid 2, onder f,
                    gedefinieerd.</al><al>Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en
                    dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging van op grond
                    van dit artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de
                    Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip
                    woonkosten in de zin van artikel 35, lid 1, Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7
                    en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.)</al><al>In onderdeel b wordt de verlaging ingeval er door belanghebbende in het geheel
                    geen woning bewoond vastgesteld op 10 procent van de gehuwdennorm. Dit is in
                    overeenstemming met de toelichting op artikel 27 WWB. Een belanghebbende die
                    geen woning bewoond wordt geacht lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan te hebben vanwege het ontbreken van woonkosten. Niettemin zijn de kosten
                    van het bestaan niet zoveel lager als voor een belanghebbende die kosteloos
                    woont in een woning. Een dakloze wordt immers geconfronteerd met de hogere
                    kosten van het op straat leven, zoals bijvoorbeeld de kosten van
                    nachtopvang.</al><al>De hoogte van een verlaging krachtens dit artikel heeft geen invloed op de wijze
                    waarop de bijstand verleend moet worden. Indien bijstand verleend wordt aan
                    daklozen, kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheid om een
                    budgetteringsplicht op te leggen of de bijstand in natura (in de vorm van
                    opvang) te verlenen.</al><al>Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan belanghebbenden zonder adres
                    als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
                    persoonsgegevens op grond van artikel 40, lid 1 en 2, WWB, door bij AMvB
                    (Bijstandsbesluit adreslozen) aan te wijzen centrumgemeenten. In onze regio is
                    Breda aangewezen als centrumgemeente. Niet elke belanghebbende zonder woning is
                    echter een adresloze die zich voor bijstandsverlening moet wenden tot de
                    centrumgemeente.</al><al><vet>Artikel 6 Verlaging schoolverlater</vet></al><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 28 WWB is volgens de toelichting op dat
                    artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in een
                    veel betere financiële positie te brengen dan toen hij nog aangewezen was op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming op basis van de Wtos.</al><al>Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit- of
                    thuiswonende student. Met de woonsituatie wordt immers al rekening gehouden in
                    de artikelen 3 tot en met 5 van deze verordening.</al><al><vet>Artikel 7 Verlaging toeslag alleenstaande van 21 of 22 jaar</vet></al><al>Artikel 29 WWB geeft de bevoegdheid om een verlaging toe te passen vanwege de
                    gedachte dat, gezien de hoogte van het minimum jeugdloon, er een drempel zou
                    kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon voor een
                    21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt het voor de hand om voor een
                    21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige.</al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat - overeenkomstig het bepaalde in artikel
                    29 WWB - de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan plaatsvinden op de
                    toeslag van artikel 25 WWB. De verlaging kan dus niet worden toegepast op de
                    basisnorm.</al><al>In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 30,
                    lid 2, onder b, WWB, om in de verordening vast te stellen dat de
                    schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast met de verlaging
                    voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de
                    schoolverlatersverlaging is gekozen, opdat een 21- of 22-jarige schoolverlater
                    niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige schoolverlater op
                    grond van artikel 6 van deze verordening.</al><al><vet>Artikel 8 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>De verschillende verlagingen in deze verordening hebben betrekking op
                    verschillende omstandigheden bij belanghebbende en kunnen elk afzonderlijk als
                    redelijk in betreffende omstandigheden worden beschouwd. Zonder dit artikel zou
                    dat echter kunnen betekenen, dat - in het bijzonder in situaties waarin de
                    schoolverlatersverlaging in combinatie met een van de andere verlagingsgronden
                    aan de orde is - de bijstand vanwege deze samenloop zo laag zou moeten worden
                    vastgesteld, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van adequate
                    bijstandsverlening. In voorkomende gevallen zou op grond van artikel 18, lid 1,
                    WWB, de bijstand op basis van een individuele beoordeling hoger moeten worden
                    vastgesteld. Er is daarom voor gekozen om al in deze verordening een minimum
                    bedrag vast te leggen, waarop de bijstand (inclusief eventuele toeslag en
                    verlagingen) tenminste moet worden vastgesteld.</al><al>Aan de verplichting van artikel 30, lid 2, onder b, WWB, dat in de verordening
                    wordt vastgelegd, dat de schoolverlatersverlaging (artikel 28 WWB) en de
                    leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet gelijktijdig mogen worden toegepast,
                    wordt al voldaan door de formulering van artikel 7, lid 3 van deze
                    verordening.</al><al><vet>Artikel 9 Overgangsrecht</vet></al><al>Tot de inwerkingtreding van deze verordening vindt de vaststelling van de hoogte
                    van de toeslagen en verlagingen plaats op basis van de verordening toeslagen en
                    verlagingen Algemene bijstandswet. Er kunnen zich situaties voordoen waarin de
                    nieuwe verordening ongunstiger is voor de belanghebbende, om deze reden is het
                    gewenst om overgangsrecht vast te stellen. Dit overgangsrecht is alleen van
                    toepassing op de belanghebbende die op de dag voorafgaande aan de
                    inwerkingtreding van de nieuwe verordening een bijstandsuitkering ontvangt.</al><al>De overgangsregeling bepaalt dat, in de gevallen waarin de nieuwe verordening
                    ongunstiger is, de vaststelling van de hoogte van de uitkering plaats blijft
                    vinden op basis van de oude verordening tot het moment dat de uitkering
                    aangepast moet worden in verband met een wijziging van de omstandigheden. Het
                    moet hierbij gaan om een wijziging van omstandigheden die moet leiden tot een
                    aanpassing van de norm. Te denken is hierbij aan een wijziging van de
                    woonsituatie of voor jongeren het bereiken van een andere leeftijd.</al><al><vet>Artikel 10 Nadere regels</vet></al><al>Voor de juiste uitvoering van de verordening kan het noodzakelijk zijn dat
                    nadere uitvoeringsregels worden vastgesteld. Dit artikel geeft het college de
                    bevoegdheid om dergelijke regels vast te stellen.</al><al><vet>Artikel 11 Uitvoering</vet></al><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van deze verordening bij het
                    college.</al><al><vet>Artikel 12 Verantwoording</vet></al><al>De gemeenteraad kan zijn controlerende functie alleen op een goede wijze
                    vormgeven indien beschikt wordt over de van belang zijnde gegevens. Om deze
                    reden is in dit artikel bepaald dat het college jaarlijks verslag moet doen over
                    de uitvoering van deze verordening. Deze verantwoording wordt afgelegd door
                    middel van het beleidsverslag sociale zekerheid.</al><al><vet>Artikel 13 Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening is op grond van artikel 8 van de Tijdelijke referendumwet
                    referendabel. De datum van de inwerkingtreding van de verordening moet daarom,
                    met in acht name van artikel 22 Tijdelijke referendumwet, op tenminste 6 weken
                    na datum publicatie gesteld worden.</al><al><vet>Artikel 14 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>