<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR59235_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2010, nr. 29</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147 lid 1, artikel 108 lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), artikel 20 lid 2 en artikel 35 lid 1 onderdeel b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), artikel 20 lid 1 en artikel 35 lid 1 onderdeel b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/90b</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening IOAW/IOAZ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenwijkerland;</al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers (IOAW), alsmede artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel
                        20, eerste lid Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 september 2010,
                        nummer 2010/90;</al><al/><al>overwegende dat, bij verordening regels dienen te worden gesteld ter
                        verlaging en weigering van de uitkering;</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="b."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="c."><al>De IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij op
                                    belanghebbende van toepassing zijn;</al></li><li nr="d."><al>Uitkering: de uitkering op grond van de IOAW onderscheidenlijk
                                    de IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>Grondslag: de op belanghebbende van toepassing zijnde grondslag
                                    op grond van artikel 5, derde tot en met zesde lid en het
                                    negende lid, van de IOAW dan wel de op belanghebbende van
                                    toepassing zijnde grondslag op grond van artikel 5, vierde lid,
                                    van de IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>Maatregel: het verlagen van de grondslag op grond van artikel
                                    20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ, alsmede het
                                    blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering
                                    op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede
                                    lid IOAZ;</al></li><li nr="g."><al>Inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>Benadelingbedrag: bruto bedrag dat als gevolg van het niet of
                                    niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten
                                    onrechte is verleend als uitkering op grond van de
                                    IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="i."><al>Belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op grond
                                    van de IOAW, alsmede hij die recht heeft op een uitkering op
                                    grond van de IOAZ;</al></li><li nr="j."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Steenwijkerland;</al></li><li nr="k."><al>traject: een re-integratietraject als bedoeld in artikel 1, lid
                                    2, sub g van de re-integratieverordening Wet werk en
                                    bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een
                                verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ of een op grond van
                                hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting
                                schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel
                                opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd indien
                                belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden
                                met de uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het college zeer
                                ernstig misdraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is gelijkelijk van toepassing op de belanghebbende
                                die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW, wanneer hij de op
                                basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende
                                verplichtingen schendt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een inkomen
                                zou hebben kunnen verwerven uit of in verband met arbeid als bedoeld
                                in artikel 20, eerste lid, IOAW of artikel 20, tweede lid, IOAZ,
                                wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de grondslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of een door haar ingeschakelde derde, om binnen een
                                        gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in
                                        artikel 13 van IOAW/IOAZ; of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan <cursief>één jaar </cursief>vóór
                                        constatering van die gedraging door het college heeft
                                        plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                        inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging
                                        ten onrechte een uitkering is verleend. Een maatregel wegens
                                        schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na
                                        verloop van <cursief>vijf jaren </cursief>nadat de
                                        betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de grondslag wordt verlaagd of geweigerd, het bedrag
                            waarmee de grondslag wordt verlaagd of geweigerd en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald, wordt de maatregel
                                opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op
                                de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor
                                die maand geldende grondslag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de ingangsdatum daardoor niet
                                voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één
                                maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen
                                maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                verschillende gedragingen die schending opleveren van één of
                                meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, waarvoor
                                maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                maatregel opgelegd. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van
                            algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Eerste categorie:</vet></al></li><li nr="a."><al>het zich niet of niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                    bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet
                                    of niet tijdig laten verlengen van de registratie; </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate verstrekken van inlichtingen aan
                                    het college die nodig zijn voor het bepalen van een geschikt
                                    re-integratietraject en/of geschikte voorzieningen gericht op
                                    arbeidsinschakeling en/of sociale activering;</al></li><li nr="c."><al>het niet of niet naar vermogen gebruikmaken van een door het
                                    college aangeboden voorziening gericht op sociale activering of
                                    het niet of niet naar vermogen deelnemen aan de verschillende
                                    onderdelen van het re-integratietraject gericht op sociale
                                    activering;</al></li><li nr="d."><al>het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de specifieke
                                    verplichtingen die het college aan een aangeboden voorziening
                                    verbindt gericht op sociale activering. </al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al><vet>Tweede categorie:</vet></al></li><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband
                                    met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en
                                    tijd te verschijnen;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel
                                    5 van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="d."><al>het zich niet laten inschrijven bij uitzendbureaus.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al><vet>Derde categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet naar vermogen gebruikmaken van een
                                            doorhet collegeaangeboden
                                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling, of het niet
                                            of niet naar vermogen deelnemen aan de verschillende
                                            onderdelen van het re-integratietraject, uitgezonderd
                                            voorzieningen of trajecten gericht op sociale
                                            activering;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de
                                            specifieke verplichtingen die het college aan een
                                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                                            verbindt, uitgezonderd specifieke verplichtingen
                                            verbonden aan sociale activering;</al></li><li nr="c."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                            belemmeren.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de grondslag gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de grondslag gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de grondslag gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid onderdelen a
                                tot en met c wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen
                                twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel
                                is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                van dezelfde of een hogere categorie. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede
                                lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit
                                waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid
                                onderdelen a tot en met c, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                                categorie, dan wordt door het college aan belanghebbende een
                                maatregel opgelegd van maximaal honderd procent van de grondslag
                                gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede
                                lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met in achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ weigert het
                                college de uitkering blijvend indien de belanghebbende door eigen
                                toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren
                                en:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
                                        7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                        belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid is gelijk
                                aan het door dit gedrag verloren inkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, weigert het college de
                                uitkering over een periode van 26 weken, indien het eindigen van de
                                dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden
                                verweten. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel als bedoeld in het derde lid is gelijk
                                aan 50% van het door dit gedrag verloren inkomen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college weigert de uitkering blijvend indien de belanghebbende
                                nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen toedoen niet
                                verkregen inkomen uit deze arbeid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ niet heeft geleid
                                tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken aan
                                uitkering, legt het college een maatregel op van vijf procent van de
                                grondslag gedurende een maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van één jaar na bekendmaking van een besluit
                                waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een
                                als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het eerste
                                lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt
                                binnen een periode van één jaar te rekenen vanaf de datum waarop
                                eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                                gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel13 IOAW/IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of
                                tot een te hoog bedrag verstrekken van een uitkering, wordt de
                                maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingbedrag tot € 500,-: 5<cursief>%
                                        </cursief>van de grondslag gedurende een maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingbedrag van € 500,- tot € 1.000,-: 10% van
                                        de grondslag gedurende een maand;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 20%
                                        van de grondslag gedurende een maand;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingbedrag van € 2000,- tot € 4000,-:
                                        40%van de grondslag gedurende een maand;</al></li><li nr="e."><al>bij een benadelingbedrag van € 4000,- of meer:
                                        100%van de grondslag gedurende een maand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van het
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd, opnieuw schuldig maakt
                                aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een maatregel wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt
                                onderzocht door het openbaar ministerie. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De oplegging van de maatregel blijft definitief achterwege indien
                                ter zake van de gedraging tegen de belanghebbende een
                                strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is
                                vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Nieuwe aanvraag</titel></kop><al>Indien een maatregel overeenkomstig artikel 14 niet mogelijk is, wordt
                            de grondslag verlaagd gedurende de eerstvolgende maand(en) nadat aan
                            belanghebbende binnen twee jaar nadat de betreffende gedraging heeft
                            plaats gevonden, opnieuw een uitkering is toegekend.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college legt een maatregel op van vijftig procent van de
                                grondslag gedurende een maand, indien belanghebbende zich zeer
                                ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder
                                omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van
                                de IOAW/IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder zeer ernstige misdraging tegenover het college of zijn
                                ambtenaren onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                                de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van
                                de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de IOAZ, wordt onder andere
                                verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>extreem verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>overige/combinatie van agressievormen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt
                                aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien er sprake is van recidive zoals genoemd in het derde lid dan
                                kan de cliënt de toegang tot het Werkplein Steenwijk worden ontzegd
                                door het college.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening IOAW en
                            IOAZ.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Steenwijkerland op 5 oktober
                        2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, R.G.H.P. Moonen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, L.V. Elfers</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al>Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel
                    bundeling van uitkeringen</al><al>inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG). Met de inwerkingtreding van de Wet
                    BUIG per 1 januari 2010 krijgt de gemeente een grotere beleidsmatige rol en
                    financiële verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de IOAW, IOAZ en Bbz2004. </al><al>De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een
                    financieringsystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd en 25%
                    drukte op het gemeentelijke budget. Per 1 januari 2010 is een systeem van
                    volledige budgetfinanciering ingevoerd, zoals dit nu van toepassing is op het
                    WWB-inkomensdeel. Met de Wet BUIG worden de financiële middelen van de ‘kleine
                    inkomensregelingen’ gebundeld in het volledig gebudgetteerde I-deel dat de
                    gemeente ontvangt voor de bijstandsverstrekking op grond van de WWB. Gemeenten
                    krijgen door de wet aldus een grotere verantwoordelijkheid en lopen ook meer
                    financieel risico.</al><al>Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk teruggedrongen.
                    In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Daardoor wordt de
                    gemeente ook gevorderd om op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen. </al><al>Gemeenten hebben de opdracht om bij verordening regels vast te stellen met
                    betrekking tot de weigering en verlaging, bedoeld in artikel 20 van de IOAW en
                    artikel 20 van de IOAZ (artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de IOAW en
                    artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de IOAZ). </al><al>De huidige verordening voorziet daarin. Dit beleid was geregeld bij AMvB. Deze
                    landelijke regelingen, alsmede de nog bestaande boetebepalingen, zijn echter met
                    de Wet BUIG komen te vervallen. Op basis van het inwerkingtredingbesluit is het
                    aan de gemeente om per 1 juli 2010 in een bij verordening vastgelegd beleid te
                    voorzien.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en IOAZ te
                    komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe te passen
                    afstemmingsbeleid. Wel is in afwijking van de WWB, de mogelijkheid gecreëerd om
                    in een aantal situaties de uitkering blijvend geheel te weigeren dan wel
                    tijdelijk gedeeltelijk. Op grond van de IOAW en IOAZ is dit mogelijk.
                    Belanghebbenden bij wie dit het geval is, kunnen eventueel een beroep doen op de
                    WWB. De WWB vormt het vangnet van sociale zekerheid. </al><al>Op grond van de IOAW en IOAZ gelden voor belanghebbende een aantal
                    verplichtingen die betrekking hebben op de plicht tot arbeidsinschakeling,
                    inlichtingenplicht en medewerkingsplicht. De verordening geeft aan wanneer
                    belanghebbenden een maaregel opgelegd krijgen als zij één of meerdere van deze
                    verplichtingen niet of niet voldoende nakomen. </al><al>Daarnaast geeft de verordening invulling aan de bevoegdheid om de uitkering te
                    weigeren als de dienstbetrekking is beëindigd op grond van een dringende reden
                    dan wel door of op verzoek van belanghebbende. Tot slot krijgen belanghebbenden
                    een maatregel op grond van deze verordening opgelegd als zij zich zeer ernstig
                    misdragen tegenover het college of zijn ambtenaren.</al><divisie><kop><label>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</label><nr/></kop></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                        omschrijvingen verdient enige extra</al><al>aandacht.</al><al><cursief>Onder c. de IOAW/IOAZ</cursief></al><al>Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu
                        een groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering
                        en inhoud en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke
                        afzonderlijke wet verwezen moet worden.</al><al><cursief>Onder e. grondslag</cursief></al><al>Het begrip grondslag wijkt niet af van de IOAW en IOAZ. </al><al><cursief>Onder f. maatregel</cursief></al><al>In afwijking van de WWB wordt ook het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk)
                        weigeren van de uitkering binnen deze verordening als maatregel aangemerkt.
                        Dit houdt verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ op dit
                        vlak.</al><al><cursief>Onder g. inkomen</cursief></al><al>Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW
                        en IOAZ. Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde inkomensbegrip.</al><al><cursief>Onder i. belanghebbende</cursief></al><al>De verordening is van toepassing op belanghebbenden die recht hebben op een
                        uitkering ingevolge de IOAW of IOAZ. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><vet>Eerste lid en tweede lid</vet></al><al>Dit lid bundelt het bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel 20,
                        tweede lid IOAW.</al><al><vet>Derde lid</vet>Dit lid bundelt het bepaalde in artikel 20, tweede
                        lid IOAZ en artikel 20, eerste lid IOAW.</al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                        schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld
                        in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging of weigering van de
                        grondslag. </al><al>In het vierde lid is de hoofdregel neergelegd<cursief>: </cursief>het
                        college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele
                        omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze
                        bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel
                        zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van
                        belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven
                        standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel
                        een verzwaring als een matiging betekenen. </al><al>Dit betekent dat het collegebij het beoordelen of een maatregel
                        moet worden opgelegd en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                        doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="-"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="-"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee de grondslag wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate
                        van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                        bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                                bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                                bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                                is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de grondslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                        hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                        betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb). </al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel
                        wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Awb. In
                        onderdeel c is, conform artikel 4:8, tweede lid van de Awb, geregeld dat een
                        belanghebbende ook niet gehoord hoeft te worden als hij niet heeft voldaan
                        aan een wettelijke verplichting om inlichtingen te vestrekken. Dit betreft
                        het in de hersteltermijn verstrekken van inlichtingen aan het college of aan
                        derden als bedoeld in artikel 7 van de wet, aan wie het college
                        werkzaamheden heeft uitbesteed.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 20, derde lid, van de
                        IOAW en IOAZ.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. Omwille van de effectiviteit
                        (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging
                        heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat
                        het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar
                        geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden als
                        gevolg waarvan ten onrechte een uitkering is verleend of een te hoog bedrag
                        aan uitkering is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van
                        vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die in artikel
                        20<sup>e</sup>, tweede lid, van de IOAW en IOAZ stond in verband met het
                        opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een
                        termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging
                        (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om
                        de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                        maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                        redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                        voorhand worden vastgelegd. </al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>De beslissing om af te zien van het opleggen van een maatregel wegens
                        dringende redenen moet worden meegedeeld door middel van een besluit. Dit is
                        van belang in verband met eventuele recidive.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen of weigeren van de uitkering omdat een maatregel wordt
                            opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt
                            aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze
                            eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                            en dan met name uit het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste
                            houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke
                            motivering wordt voorzien..</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen of
                            weigeren van de uitkering. Verlaging van de uitkering vindt plaats door
                            middel van verlaging van de grondslag in de eerstvolgende maand(en),
                            tenzij de verordening anders bepaald. Er wordt hierbij uitgegaan van de
                            voor die maand geldende grondslag, tenzij de verordening anders
                            bepaalt.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Wanneer een uitkering nog niet (volledig) aan de belanghebbende is
                            uitbetaald, dan kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering
                            met terugwerkende kracht te laten plaatsvinden met ingang van de
                            voorafgaande kalendermaand(en). Daarnaast kan het college met
                            terugwerkende kracht een maatregel opleggen als de belanghebbende geen
                            uitkering meer ontvangt. Van belang is wel dat de ingangsdatum niet voor
                            de datum van de gesanctioneerde gedraging plaatsvindt. Op grond van
                            artikel 17, derde lid, van de IOAW/IOAZ en artikel 25, eerste lid, van
                            de IOAW/IOAZ kan de als gevolg van de maatregel ten onrechte betaalde
                            uitkering worden teruggevorderd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één
                            gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden
                            uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing
                            is. </al><al>Tweede lid De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft
                            betrekking op verschillende gedragingen van een belanghebbende die (min
                            of meer) gelijktijdig plaatsvinden.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van
                            algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen die verband houden met het niet nakomen van de plicht tot
                        arbeidsinschakeling worden in drie categorieën onderscheiden. Hierbij is de
                        ernst van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt
                        ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het
                        niet verkrijgen of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Ten
                        opzichte van de Maatregelenverordening WWB zijn in deze bepaling geen
                        gedragingen opgenomen die verband houden met het niet aanvaarden dan wel het
                        door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid. Dit houdt
                        verband met het feit dat juist bij deze gedragingen de IOAW en IOAZ de
                        mogelijkheid biedt tot tijdelijke of blijvende (gedeeltelijke) weigering van
                        de uitkering. De sanctie bij deze vorm van gedragingen is daarom in een
                        apart hoofdstuk opgenomen</al><al><vet>Eerste lid </vet><vet> eerste categorie</vet></al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich
                        als werkzoekende in te schrijven bij het UWV en ingeschreven te doen
                        blijven. Onderdeel b betreft het verstrekken van inlichtingen aan het
                        college die nodig zijn voor het bepalen van een geschikt
                        re-integratietraject en/of geschikte voorzieningen. Onderdelen c en d hebben
                        betrekking op re-integratietrajecten gericht op sociale activering als
                        bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel, b van de IOAW/IOAZ. Tussen de
                        onderdelen c en d en de onderdelen in de derde categorie is onderscheid
                        gemaakt, omdat het niet of niet voldoende meewerken aan sociale activering
                        veel minder concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van algemeen
                        geaccepteerde arbeid dan de overige voorzieningen genoemd in de derde
                        categorie. Dit gelet op de zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt van
                        personen die voorzieningen in het kader van sociale activering krijgen
                        aangeboden. </al><al><vet>Tweede lid</vet><vet> tweede categorie</vet></al><al>De tweede categorie, onderdeel a, betreft de verplichting tot een actieve
                        opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de
                        belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren. Onderdeel b
                        betreft het voldoen aan oproepen. Daarnaast dient de belanghebbende mee te
                        werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als
                        bedoeld in artikel 5 van de re-integratieverordening (onderdeel c). Op grond
                        van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient er een maatregel
                        uit de tweede categorie te worden opgelegd wanneer een belanghebbende
                        nietaan de verplichting voldoet om zich bij uitzendbureaus in te
                        laten schrijven (onderdeel d). </al><al><vet>Derde lid </vet><vet> derde categorie</vet></al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die (in-)direct een aanleiding
                        vormen tot een beroep op de IOAW of IOAZ of het zonder noodzaak langer
                        voortduren. Dergelijke gedragingen betreffen het niet of niet naar vermogen
                        gebruikmaken van een door het collegeaangeboden voorziening
                        gericht op arbeidsinschakeling of het niet of niet naar vermogen deelnemen
                        aan de verschillende onderdelen van het re-integratietraject (onderdelen a),
                        alsmede het niet voldoen aan de hieraan verbonden verplichtingen (onderdeel
                        b). Werk Nu valt onder een door het college aangeboden voorziening gericht
                        op arbeidsinschakeling. Sociale activering valt niet onder de derde
                        categorie. Dit gelet op de grote afstand tot de arbeidsmarkt van
                        belanghebbenden die deelnemen aan sociale activering. Bij gedragingen die de
                        inschakeling in de arbeid belemmeren (onderdeel c) gaat het zowel om niet
                        verantwoorde beperkingen, die de belanghebbende stelt ten aanzien van de
                        voor hem of haar aanvaardbare arbeid, als om gedragingen die de kansen op
                        arbeidsinschakelingen verminderen. Negatieve gedragingen kunnen onder meer
                        tot uitdrukking komen in de wijze waarop de belanghebbende zich bij een
                        sollicitatie opstelt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de drie categorieën van
                        gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. De
                        percentages waarmee de grondslag wordt verlaagd wijken enigszins af van het
                        Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Bij het vaststellen van de percentages
                        waarmee de grondslag wordt verlaagd is invulling gegeven aan de eisen van
                        proportionaliteit en evenredigheid. Ook is gekeken naar de effectiviteit van
                        de maatregel in de zin dat de maatregel de beoogde gedragsverandering zal
                        bewerkstelligen. Omdat uit de praktijk gebleken is dat de huidige
                        maatregelen voor met name de categorieën 2 en 3 niet effectief zijn, zijn in
                        de verordening de percentages voor genoemde categorieën naar boven
                        bijgesteld. </al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake is
                        van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                        verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van
                        de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                        verstaan die aanleiding is geweest voor het opleggen van een maatregel, ook
                        indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het
                        bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip
                        waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging zich wederom
                        schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                        categorie binnen de termijn van twaalf maanden, kan een maatregel worden
                        opgelegd van honderd procent van de grondslag gedurende maximaal drie
                        maanden.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                            arbeid</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>In deze bepaling zijn de mogelijkheden die de IOAW en IOAZ biedt om de
                        uitkering (tijdelijk en/of blijvend</al><al>geheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig uitgewerkt. Artikel 20, eerste
                        lid, onderdelen a en b van de IOAW en artikel 20, tweede lid, onderdelen a
                        en b van de IOAW komen overeen met artikel 24, tweede lid, van de
                        Werkloosheidswet. In de Memorie van Toelichting (toelichting artikelsgewijs)
                        op de Verzamelwet sociale verzekeringen 2007 (kamerstuk 30 682) blijkt dat
                        de wetgever voor wat betreft de verwijtbaarheidstoets in de IOAW en IOAZ
                        heeft aangesloten bij de Werkloosheidswet. Het huidige artikel 20 IOAW/IOAZ
                        brengt daar geen wijziging in.</al><al>Als de uitkering volledig wordt geweigerd, kan de belanghebbende in wezen
                        per direct aankloppen voor een aanvulling in het kader van de WWB. Binnen
                        het kader van de WWB zal dan moeten worden beoordeeld of belanghebbende
                        recht heeft op WWB (in afwijking van de IOAW en IOAZ kent de WWB een
                        beperkte vermogensvrijlating en een ruimer inkomensbegrip) en in hoeverre
                        het maatregelwaardige gedrag ook binnen de WWB tot een verlaging zou hebben
                        geleid.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De hoogte van de maatregel is afhankelijk van het inkomen dat verloren is
                        gegaan.</al><al><vet>Derde lid en vierde lid</vet></al><al>Deze leden komen overeen met de laatste zin van artikel 20, tweede lid,
                        onderdeel b, van de IOAZ en artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de IOAW
                        zoals die tot 1 juli 2010 gold. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                            arbeid</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>In deze bepaling is de mogelijkheid die de IOAW en IOAZ biedt om de
                        uitkering (tijdelijk en/of blijvend geheel of gedeeltelijk) te weigeren
                        volledig uitgewerkt. </al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De hoogte van de maatregel is afhankelijk van het inkomen dat belanghebbende
                        met het verrichten van deze inkomsten had kunnen verwerven.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al/><al>Indien een belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van belang
                        zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het
                        collegehet recht op uitkering opschorten (artikel 17, eerste lid,
                        IOAW/IOAZ). Het college geeft de belanghebbende vervolgens een termijn
                        waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de hersteltermijn).</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de
                        gemeente verstrekt, dan kan het college het besluit tot toekenning van de
                        uitkering intrekken. Intrekken is uitsluitend aan de orde wanneer het recht
                        op uitkering niet meer kan worden vastgesteld. Worden de gevraagde gegevens
                        wél binnen de hersteltermijn verstrekt, dan wordt de uitkering voortgezet,
                        maar wordt tevens een maatregel opgelegd. Dit lid regelt de hoogte van de
                        maatregel. </al><al>Verder wordt in dit lid de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken
                        van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen
                        heeft voor de hoogte van de uitkering. Voorbeeld van nulfraude is het niet
                        melden van vrijwilligerswerk</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                        herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                        verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van
                        de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                        verstaan die aanleiding is geweest voor het opleggen van een maatregel, ook
                        indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het
                        bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip
                        waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                        toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                        hetzelfde verwijtbare gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de
                        maatregel individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten
                        worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                        individuele omstandigheden van de belanghebbende.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Als het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                        inlichtingenplicht geen gevolgen heeft voor de hoogte van de uitkering, kan
                        volstaan worden met een schriftelijke waarschuwing. De gemeente kende onder
                        het oude regime ook al de schriftelijke waarschuwing en deze blijkt in de
                        praktijk goed te werken. Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel.
                        Dit wil zeggen dat bij herhaling van de gedraging in principe een maatregel
                        wordt opgelegd zonder toepassing van de recidivemaatregel. </al></divisie><divisie><kop><titel>De relatie met de strafrechtelijke sanctie (vierde en vijfde
                            lid)</titel></kop><al>Wanneer het gaat om verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht
                        geldt de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude (zie Stcrt. 2008, nr. 249). Op
                        grond van deze Aanwijzing is het college het aangewezen orgaan om
                        corrigerend op te treden voor fraudezaken tot een nadeelbedrag van €
                        10.000,-. </al><al>Uitgangspunten: Geen vervolging, tenzij geen mogelijkheid bestaat tot het
                        nemen van een bestuursrechtelijke maatregel. De grens van € 10.000,- voor
                        strafrechtelijke afdoening geldt onder de IOAW en IOAZ niet voor zaken tegen
                        verdachten die geen uitkering (meer) genieten en waartegen de gemeente
                        derhalve geen corrigerende maatregel meer kan opleggen. Daarbij hanteert het
                        OM een ondergrens van € 1.000,-. Benadelingsbedragen lager dan € 1.000,00
                        doet het OM in principe niet af. In een aantal in de ‘Aanwijzing sociale
                        zekerheidsfraude’ nader omschreven situaties gaat het OM ook over tot
                        strafrechtelijke afdoening als het benadelingsbedrag lager is dan €
                        10.000,00.</al><al>Boven de grens van € 10.000,00 wordt in principe strafrechtelijk opgespoord
                        en vervolgd. De Aanwijzing bevat bovendien een voorziening dat het Openbaar
                        Ministerie contact onderhoudt met het college. </al><al>Indien het college van de inlichtingenfraude aangifte doet bij het Openbaar
                        Ministerie, dient het af te zien van een verlaging wegens de
                        inlichtingenfraude. Anders zou er sprake zijn van een dubbele bestraffing,
                        hetgeen in strijd is met het beginsel van 'ne bis in idem'. Er is echter
                        geen sprake van dubbele bestraffing indien belanghebbende voor een andere
                        rechtsfeit wordt vervolgd dan voor de inlichtingenfraude.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Nieuwe aanvraag</titel></kop><al>Wanneer de uitkering niet kan worden verlaagd overeenkomstig de situatie
                        zoals beschreven in artikel 14, omdat de uitkering reeds is beëindigd, volgt
                        een verlaging gedurende de eerstvolgende maand(en) indien binnen twee jaar
                        na de verwijtbare gedraging opnieuw een uitkering wordt toegekend, om op
                        deze wijze alsnog een maatregel te kunnen toepassen, .</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. </al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                        tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente
                        bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit
                        artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                        plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                        uitvoering van de IOAW of IOAZ. </al><al>In artikel 20, tweede lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de
                        IOAZ wordt gesproken over ‘het zich jegens het college zeer ernstig
                        misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden
                        van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een
                        maatregel. </al><al>Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft
                        gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is
                        met de uitvoering van de IOAW of IOAZ (bijvoorbeeld een
                        re-integratiebedrijf). </al><al>Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel op te leggen
                        wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op
                        arbeidsinschakeling (artikel 9, derde lid, van deze verordening). </al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                        uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                        worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                        persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, worden in de
                        verordening verschillende vormen van agressief gedrag onderscheiden.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                        worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                            <cursief>instrumenteel</cursief> geweld en
                            <cursief>frus</cursief><cursief>tra</cursief><cursief>tiegeweld</cursief>.
                        Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld
                        bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen
                        van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                        onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie.
                        Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel
                        geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte
                        bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris
                        tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><al>De Intergemeentelijke Sociale Dienst Steenwijkerland en Westerveld beschikt
                        over een agressieprotocol waarin is aangegeven hoe wordt omgegaan met
                        lastige en agressieve klanten. In dit artikel wordt daarbij aangesloten. </al><al>De volgende gedragingen worden gezien als zeer ernstige misdragingen
                        tegenover het college of zijn ambtenaren onder omstandigheden die
                        rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in
                        artikel 20, tweede lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de
                        IOAZ:</al><lijst><li nr="a."><al>extreem verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>overige/combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al>Indien er sprake is van recidive kan de cliënt de toegang tot het Werkplein
                        Steenwijk worden ontzegd. Dit wordt individueel beoordeeld door het college. </al><al/><al>Deze lijst is uiteraard niet uitputtend. Indien er overige gedragingen
                        plaatsvinden met betrekking tot zeer ernstige misdragingen, kan er naar het
                        oordeel van het college een passende maatregel worden opgelegd die aansluit
                        bij de maatregelen behorende bij de gedragingen onder artikel 20, tweede
                        lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de IOAZ.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Bij inwerkingtreding na 1 juli 2010 is
                        vanwege het sanctiekarakter van deze regelgeving geen terugwerkende kracht
                        mogelijk.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>