<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR59213_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Graafsche courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.nl">Gemeentewet, art. 44, lid 2 en 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.nl">Gemeentewet, art. 95 t/m 99</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.nl">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-12-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-12-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2006-11-15</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening voorzieningen wethouders, raads- en commissieleden.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Grave,gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid,
                        95 tot en met 99 en 147 van de Gemeentewet,gelet op het Rechtspositiebesluit
                        wethouders en het rechtspositiebesluit raads- en commissieleden,besluit vast
                        te stellen de volgende verordening:<vet>Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2006</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><structuurtekst><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243; </al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244; </al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders; </al></li><li nr="e."><al>Reisbesluit binnenland: het Koninklijk Besluit van 1 maart 1993,
                                    Stb. 144; </al></li><li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt. 56;
                                </al></li><li nr="g."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder; </al></li><li nr="h."><al>Verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk Besluit van 6
                                    oktober 1989, Stb. 424; </al></li><li nr="i."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="j."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>Aan het raadslid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend
                            die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                            wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid wordt een onkostenvergoeding voor aan de
                                uitoefening van het raadslidmaatschap verbonden kosten toegekend die
                                gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, derde lid, van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, wordt in afwijking van het eerste lid een
                                onkostenvergoeding toegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld
                                in artikel 2, vierde lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden, zoals dat bedrag jaarlijks door de minister van
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten; </al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake
                                van reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het
                                raadslid vergoed overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel
                                c, van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van belang is in verband met de vervulling van het
                                raadslidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>Het raadslid ontvangt een tegemoetkoming in de kosten van in verband met
                            de vervulling van het raadslidmaatschap noodzakelijke kinderopvang
                            overeenkomstig de ter zake voor het gemeentelijk personeel geldende
                            kinderopvangregeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Spaarloonregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan op
                                aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel geldende
                                spaarloonregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                raadslid gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling als
                                bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>Op aanvraag verlaagt het college de vergoeding voor de werkzaamheden,
                            bedoeld in artikel 2, in het geval een raadslid een uitkering ontvangt
                            in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                                30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt een onkostenvergoeding toegekend voor overige aan
                            de uitoefening van het ambt verbonden kosten die gelijk is aan het
                            bedrag, vermeld in artikel 25, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit
                            wethouders, zoals dit bedrag jaarlijks door de minister van Binnenlandse
                            Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De wethouder wordt voor het reizen tussen zijn woning en zijn plaats van
                            tewerkstelling een tegemoetkoming in de kosten van het reizen verleend
                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de Regeling
                            rechtspositiebesluit wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
                                15 vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in
                                artikel 15 bedoelde reizen ten behoeve van de gemeente gemaakt. De
                                vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de reiskosten; </al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                        bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders; </al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs
                                        gemaakte kosten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen van de
                                wethouder gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor gemeentelijk
                                personeel. Indien geen regeling als bedoeld in de eerste volzin is
                                vastgesteld vindt op aanvraag saldering van de reiskosten voor de
                                zakelijke reizen van de wethouder plaats overeenkomstig artikel 4a
                                van de Reisregeling binnenland, artikel 2a van de Reisregeling
                                buitenland en artikel 13a van de krachtens het
                                Verplaatsingskostenbesluit 1989 vastgestelde
                                Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan voor reizen ten behoeve van de gemeente gebruik
                                maken van een dienstauto met of zonder chauffeur. Onder dienstauto
                                wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan een door de
                                gemeente ingehuurde auto.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De dienstauto met of zonder chauffeur kan door de wethouder ook
                                worden gebruikt voor het reizen tussen de woning en de plaats van
                                tewerkstelling en voor reizen ten behoeve van nevenfuncties die de
                                wethouder vervult uit hoofde van zijn ambt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wethouder op grond van artikel 15 een tegemoetkoming
                                ontvangt in de reiskosten tussen de woning en de plaats van
                                tewerkstelling wordt een korting op die tegemoetkoming toegepast ter
                                grootte van:</al><lijst><li nr="a."><al>1/20 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand voor
                                        elke dag waarop zowel van de woning naar de plaats van
                                        tewerkstelling als omgekeerd van de plaats van
                                        tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de
                                        dienstauto; </al></li><li nr="b."><al>1/40 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand voor
                                        elke dag waarop alleen hetzij van de woning naar de plaats
                                        van tewerkstelling hetzij omgekeerd van de plaats van
                                        tewerkstelling naar de woning gebruik isgemaakt van de
                                        dienstauto.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de wethouder voor reizen ten behoeve van in het tweede lid
                                bedoelde nevenfuncties gebruik maakt van de gemeentelijke dienstauto
                                en daarvoor van een derde ook een vergoeding van reiskosten ontvangt
                                wordt die vergoeding in de gemeentelijke kas gestort.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De wethouder worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                            verblijfkosten ter zake van reizen, bedoeld in artikel 16 volledig
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van belang is in verband met de uitoefening van het
                                ambt van wethouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alleen voor zakelijk gebruik.</al><lijst><li nr="a."><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor de uitoefening van zijn
                                        ambt een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking
                                        gesteld die uitsluitend bestemd is voor zakelijk gebruik.
                                    </al></li><li nr="b."><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst
                                        met de gemeente. </al></li><li nr="c."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                        vast.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zakelijk en privé gebruik.</al><lijst><li nr="a."><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor de uitoefening van zijn
                                        ambt een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking
                                        gesteld die mede gebruikt mag worden voor privé doeleinden.
                                    </al></li><li nr="b."><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst
                                        met de gemeente. </al></li><li nr="c."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                        vast. </al></li><li nr="d."><al>Op de netto bezoldiging dan wel de netto onkostenvergoeding
                                        van de wethouder die de mobiele telefoon voor meer dan 10%
                                        mede gebruikt voor privé doeleinden, wordt een bedrag
                                        ingehouden dat gelijk is aan het bedrag dat op grond van de
                                        artikelen 38 respectievelijk 39 van de Uitvoeringsregeling
                                        loonbelasting 2001 tot het loon wordt gerekend.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk
                                personeel geldende spaarloonregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                wethouder gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling als
                                bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding van: a.
                            reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van de
                            ministeriële regeling als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van het
                            Rechtspositiebesluit wethouders; b. verhuiskosten in verband met de
                            benoeming als wethouder overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de
                            ministeriële regeling als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het
                            Rechtspositiebesluit wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>De wethouder ontvangt een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                            die in verband met de vervulling van het ambt van wethouder noodzakelijk
                            is, overeenkomstig de ter zake voor het gemeentelijk personeel geldende
                            kinderopvangregeling.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de
                                vergaderingen van een commissie en haar subcommissies een vergoeding
                                die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie:</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder; </al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd; </al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
                                hogere vergoeding vaststellen, zulks tot ten hoogste X% van het in
                                het eerste lid bedoelde bedrag van de vergoeding, ten aanzien
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en </al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding
                                        niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan
                                        tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en
                                niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                                benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen
                                van de commissie vergoed. De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer: een volledige
                                        vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                        reiskosten; </al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van
                                        de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                                reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de
                                Regeling rechtspositie wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door
                                of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van belang is in verband met de vervulling van het
                                commissielidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats
                            door:</al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente; of</al></li><li nr="c."><al>een gemeentelijke creditcard.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 16,
                                18, 19, 24 en 27 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid dient
                                het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, 18, 19, 20
                                en 24 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord ondertekende
                                factuur aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Gebruik creditcard</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten als bedoeld in de artikelen 16, 18, 19 en
                                24 kan plaatsvinden door gebruikmaking van de gemeentelijke
                                creditcard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een gemeentelijke creditcard wordt de wethouder op aanvraag in
                                bruikleen ter beschikking gesteld voor het doen van uitgaven die
                                voor vergoeding of tegemoetkoming ten laste van de gemeente in
                                aanmerking komen. Aan de verstrekking van de creditcard kunnen
                                voorwaarden worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeentesecretaris draagt zorg voor de aanvraag, verstrekking en
                                intrekking van gemeentelijke creditcards. Bij de aanvraag wordt
                                aangegeven of een persoonlijke pincode voor het opnemen van contant
                                geld gewenst wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het begeleidingsformulier en de factuur worden binnen 2 maanden
                                ingediend bij de gemeentesecretaris of de door hem aangewezen
                                ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij beëindiging van het ambt van wethouder wordt de creditcard
                                onverwijld ingeleverd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Verlies of diefstal van de creditcard wordt direct gemeld bij de
                                betreffende creditcardmaatschappij en zo spoedig mogelijk ook bij de
                                gemeente. Het eigen risico bij verlies en diefstal komt mits is
                                voldaan aan de daarvoor geldende regels, voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening Voorzieningen wethouders, raads- en commissieleden wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking op 15 november 2006 en werkt voor wat
                            betreft de artikelen 1 tot en met 13 en 26 tot en met 30 terug tot en
                            met 16 maart 2006 en voor wat betreft de artikelen 16 tot en met 25 ten
                            aanzien van de op 16 maart 2006 en op 22 augustus 2006 beëdigde
                            wethouders terug tot en met de dag van hun beëdiging. De artikelen 31
                            tot en met 33 werken voor zover het betreft de leden van de raad en
                            commissieleden terug tot en met 16 maart 2006. De artikelen 31 tot en
                            met 34 werken voor zover het de op 16 maart 2006 en 22 augustus 2006
                            beëdigde wethouders betreft terug tot en met de dag van hun
                            beëdiging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2006.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Overdruk uit het handboek loonheffingen 2006</label><nr>1</nr></kop><al><vet>17.45 Telefoon</vet>Vergoedingen en verstrekkingen voor een telefoon kunnen
                    geheel of gedeeltelijk vrijgesteld zijn. De hoofdregel is dat een vergoeding of
                    verstrekking van een eerste telefoonabonnement altijd belast is. Zakelijke
                    gesprekskosten mag u onbelast vergoeden. Er gelden speciale regelingen voor een
                    telefoonabonnement met meer dan één aansluiting of nummer, voor tweede en
                    volgende abonnementen, voor de (mobiele) telefoon van de werknemer en voor de
                    tweede en volgende (mobiele) telefoon die voor 90% of meer wordt gebruikt voor
                    de dienstbetrekking. De kosten voor een headset tellen mee als telefoonkosten.
                    Er kan onderscheid gemaakt worden tussen regelingen die gelden voor abonnementen
                    en regelingen voor abonnementen en gesprekskosten samen.<vet>Let
                        op!</vet><cursief>De vraag of er sprake is van een eerste of tweede telefoon
                        moet worden beantwoord vanuit de positie van de werknemer. Als de werknemer
                        thuis in privé al een abonnement op een telefoonaansluiting heeft en u
                        verstrekt daarnaast bijvoorbeeld een mobiele telefoon, dan kan de mobiele
                        telefoon als tweede telefoon worden beschouwd.</cursief>Er zijn twee
                    regelingen die alleen gelden voor abonnementen:</al><lijst><li nr="1."><al>Voor een telefoonabonnement van de werknemer met meer dan één
                            aansluiting of nummer (bijvoorbeeld een ISDN-abonnement) geldt dat een
                            bedrag voor eigen rekening van de werknemer komt. Dit is: € 19,66 per
                            maand of € 4,50 per week en € 0,90 per dag. Alleen het bedrag daarboven
                            kan vrij worden vergoed. Bij een verstrekking van een dergelijk
                            abonnement moeten de genoemde bedragen tot het loon worden gerekend.
                            Voorwaarde voor deze gedeeltelijke vrijstelling is dat het zakelijk
                            karakter van het abonnement van meer dan bijkomstig belang is, dat wil
                            zeggen dat het zakelijk gebruik meer dan 10% van het totale gebruik is.
                        </al></li><li nr="2."><al>Het tweede en volgende (gewone) telefoonabonnement kan geheel
                            belastingvrij worden vergoed of verstrekt. Ook daarvoor geldt de
                            voorwaarde dat het zakelijk karakter van het abonnement van meer dan
                            bijkomstig belang is.</al></li></lijst><al><vet>Schema telefoonabonnement</vet>Gebruik dit algemene schema als u alleen een
                    telefoonabonnement vergoedt of verstrekt.<cursief>(SCHEMA)</cursief>Er zijn ook
                    twee regelingen die gelden voor abonnementen en gesprekskosten samen:· Als u een
                    (mobiele) telefoon aan de werknemer ter beschikking stelt, die onder andere
                    wordt gebruikt voor het werk, dan moet u voor het totale privé-gebruik van de
                    telefoon een bedrag bij het loon van de werknemer optellen. Dit is: € 22,69 per
                    maand of € 5,22 per week en € 1,04 per dag. Deze regeling geldt ook voor
                    vergoedingen. De vergoeding van de telefoon is slechts vrijgesteld voorzover
                    deze bedragen voor rekening van de werknemer komen. Het kan hier ook gaan om een
                    telefoon met meer dan één aansluiting. Deze gedeeltelijke vrijstelling is niet
                    van toepassing als de waarde van het privé-gebruik van de telefoon (inclusief
                    het abonnement) hoger is dan € 454 per jaar. In dat geval moet u niet de
                    eerdergenoemde bedragen tot het loon rekenen, maar het werkelijke privévoordeel.
                    Hierna vindt u een rekenvoorbeeld.· Een tweede of volgende (mobiele) telefoon
                    van de werknemer kan geheel vrij vergoed of verstrekt worden, als de telefoon
                    voor 90% of meer wordt gebruikt voor de dienstbetrekking. <vet>Voorbeeld</vet>U
                    geeft een vergoeding voor abonnements- en gesprekskosten van een
                    ISDN-aansluiting. De telefoonaansluiting wordt meer dan bijkomstig voor de
                    dienstbetrekking gebruikt (de zakelijke gesprekskosten belopen meer dan 10% van
                    de totale gesprekskosten). Eerst moet u bepalen of het privé-gebruik niet meer
                    bedraagt dan € 454 op jaarbasis. Daarvoor moet u de omvang van kosten van het
                    abonnement en de privé-gesprekskosten vaststellen. Voor de abonnementskosten bij
                    ISDN neemt u € 19,66 per maand (€ 235,92 per jaar) in aanmerking. Als de kosten
                    van de privégesprekken op jaarbasis niet meer dan € 218,08 (€ 454 - € 235,92)
                    bedragen, geldt het normbedrag van € 22,69 per maand. Dit bedrag telt u bij het
                    loon. Als het privé-gebruik meer is dan € 218,08 per jaar, dan mag u de regeling
                    voor abonnementen en gesprekskosten niet toepassen. Wel kunt u de regeling voor
                    alleen abonnementen toepassen. U mag de werkelijke zakelijke gesprekskosten
                    onbelast vergoeden en daarnaast de werkelijke abonnementskosten, verminderd met
                    € 19,66 per maand. Tot het loon rekent u de werkelijke kosten van de
                    privé-gesprekken en € 19,66 per maand van de abonnementskosten.<vet>Schema
                        telefoon</vet>Gebruik dit algemene schema als u een telefoon
                    (telefoonabonnement en gesprekskosten) vergoedt of
                        verstrekt.<cursief>(SCHEMA)</cursief><vet>[1] </vet>Bron: Handboek
                    loonheffingen 2006, §17.45 Zie de aan deze toelichting gehechte overdruk van
                    deze paragraaf.</al></bijlage><nota-toelichting><kop><label/><nr>1</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><al><vet>Wettelijke regelingen</vet>De regeling van de rechtspositie van wethouders,
                    raadsleden en leden van gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus
                    plaats, te weten bij wet, AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en
                    gemeentelijke verordening. Wettelijk is voor wethouders in de Algemene
                    pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) de uitkering na aftreden en het
                    pensioen geregeld. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van
                    de rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden moet worden geregeld
                    bij AMvB. Daartoe zijn totstandgekomen het Rechtspositiebesluit wethouders en
                    het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Enkele vergoedingen voor
                    wethouders die gelijk zijn die voor rijksambtenaren, maar voor hen in
                    verschillende regelingen zijn opgenomen waarnaar in het verleden werd verwezen,
                    zijn om pragmatische redenen opgenomen in een ministeriële regeling, de Regeling
                    rechtspositie wethouders. In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de
                    rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen,
                    zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen,
                    zijn in beide rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende
                    bepalingen. Voor secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling voor
                    de kinderopvang en de uitkering bij aftreden als raadslid, geldt dat de gemeente
                    de vrijheid heeft om deze voorzieningen te treffen.<vet>Hoofdlijnen
                        gemeentelijke verordening</vet>In de verordening zijn bepalingen opgenomen
                    inzake de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke
                    commissies. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde
                    rechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend
                    genieten de wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten
                    laste van de gemeente (artikel 44 van de Gemeentewet). Een soortgelijke bepaling
                    is in artikel 99 van de Gemeentewet opgenomen voor raads- en commissieleden. Het
                    tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening
                    aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen
                    en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van
                    de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) vereist.De
                    verordening bevat bepalingen inzake:· de beloning voor de werkzaamheden van
                    raads- en commissieleden (artikelen 2 en 26), waarbij is op te merken dat voor
                    wethouders niets is opgenomen omdat hun bezoldiging uitputtend is geregeld in
                    het Rechtspositiebesluit wethouders;· een vaste algemene onkostenvergoeding voor
                    wethouders en raadsleden (artikelen 3 en 14);· reis- en verblijfkosten van
                    wethouders, raads- en commissieleden, waarbij voor wethouders een onderscheid is
                    gemaakt tussen woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen 5, 6, 15 t/m 19,
                    27 en 28);· reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                    verhuisplichtige wethouder (artikel 24) - beschikbaarstelling van computer- en
                    communicatieapparatuur aan wethouders en raadsleden (artikelen 8, 21 en 22)
                    enfaciliteiten in de vorm van deelname van wethouders en raadsleden aan
                    cursussen, congressen e.d. (artikelen 7 en 20);· een aantal secundaire
                    voorzieningen voor raadsleden, zoals voor zowel wethouders als raadsleden zoals
                    de spaarloonregeling of levensloopregeling (artikelen 10 en 23) en de
                    kinderopvangregeling (artikelen 9 en 25);· de procedure van declareren
                    (artikelen 31 t/m 34).<vet>De arbeidsverhouding van de wethouder en het
                        raadslid</vet>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De
                    gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij niet vallen
                    onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA.
                    Raadsleden worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de
                    Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet geen recht op
                    vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding verschuldigde
                    inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de basisverzekering. Eigen
                    voorzieningen zijn er op die onderdelen getroffen in het Rechtspositiebesluit
                    raads- en commissieleden en in onderhavige verordening. Omdat er geen
                    dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet onder de Wet op de
                    loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet
                    inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de loonbelasting door
                    te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie hieronder). Wethouders zijn sinds
                    de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge de Ambtenarenwet als benoemde
                    bestuurders in openbare dienst aangesteld en vallen onder de werking van die
                    wet. Echter de bepalingen over het materiële ambtenarenrecht uit de
                    Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders. Hun rechtspositie wordt,
                    zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke wet- en regelgeving. De
                    aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing van de fiscale wetgeving
                    in dat sprake is van een arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt
                    aangemerkt. Dit betekent dat wethouders direct onder de werking van de Wet op de
                    loonbelasting vallen. Er is sinds de dualisering van het gemeentebestuur
                    derhalve geen mogelijkheid meer om wel of niet voor de loonbelasting te opteren.
                    Wethouders vallen niet onder de werking van de Ziektewet, Werkloosheidswet en
                    WIA. Evenmin geldt voor hen de pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na
                    aftreden en ouderdoms- en nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in
                    de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn
                    werknemers in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van
                    die wet recht op vergoeding door de gemeente van de over hun bezoldiging
                    verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                        basisverzekering.<vet>De loon- en inkomstenbelastingOpting in
                    regeling</vet>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan
                    met de gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting
                    in regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat
                    wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                    verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt
                    geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het
                    loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de
                    Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het
                    woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de
                    sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook
                    geen premies sociale zekerheid ingehouden. De inkomsten worden als loon belast
                    in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval geen administratie bij te houden.
                    Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente
                    onder voorwaarden bepaalde vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde
                    faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar stellen. Genoemd kunnen worden de
                    vergoeding van reis- en verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en
                    congressen. Er zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden
                    verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor na inhouding
                    van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding resteert.Ook kan betrokkene
                    deelnemen in de spaarloonregeling die er voor het gemeentelijk personeel
                        is.<vet>Fiscale standaardpositie</vet>Als niet voor de loonbelasting wordt
                    geopteerd dan geldt voor het raadslid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting
                    2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van
                    toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan
                    de gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Zij kunnen niet deelnemen aan de
                    spaarloonregeling. Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun
                    werkelijke beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen
                    en normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                    opgegeven. Het daadwerkelijk za kelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de
                    hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel
                    of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                    toelichting op artikel 3). Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om
                    al of niet te opteren voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende
                    gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal
                    per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de (resterende)
                    zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze
                    beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft niet
                    bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende de
                    zittingsperiode voor de resterende periode.<vet>De
                    vergoedingssystematiek</vet>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten
                    bestuurders niet het eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate
                    vergoedingssystematiek is daarom van belang. Waar er functionele uitgaven zijn,
                    verdient het aanbeveling terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin
                    de bestuurder deze uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze
                    terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk
                    gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur de
                    kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de mogelijkheid om zo
                    nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte blijven bestaan. Als
                    vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende wijze van redeneren:· welke
                    voorzieningen worden aangeboden door de organisatie (bedrijfsvoering en
                    bestuurskosten);· welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van
                    het ambt, maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;· kan
                    voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden aangeboden (indien
                    de loonbelasting geldt);· voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen
                    worden, kan een (bruto) vergoeding worden verstrekt.Concreet betekent deze
                    vergoedingssystematiek het volgende.<cursief>Voorzieningen die zijn
                        ondergebracht in de bedrijfsvoering</cursief>· bruikleen van computer- en
                    communicatieapparatuur;· zakelijk gebruik van dienstauto’s;· deelname aan
                    cursussen en congressen e.d.De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden
                    voorgeschoten door de wethouder of het raadslid maar worden direct door de
                    gemeente voldaan en de voorzieningen worden om niet in bruikleen gegeven. Zij
                    vallen derhalve buiten de vergoedingssfeer.<cursief>Voorzieningen die niet in de
                        bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen worden vergoed</cursief>Voor een
                    aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het systeem
                    overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de wethouder of het raadslid op basis
                    van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan aan de gestelde
                    voorwaarden, onbelast worden vergoed.<cursief>Voorzieningen die niet in de
                        bedrijfsvoering zitten en niet onbelast kunnen worden vergoed</cursief>Voor
                    een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto) kostenvergoeding
                    verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 14 is aangegeven om welke
                    beroepskosten het gaat. Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben
                    geopteerd geldt dezelfde systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij
                    dienen alle vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische
                    verkeer als opbrengst te verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten
                    fiscaal kunnen verrekenen worden hun vergoedingen niet gebruteerd
                        toegekend.<vet>Controle en verantwoording</vet>Voor de bestuurlijke uitgaven
                    is - net als voor de besteding van alle andere publieke middelen - transparantie
                    van groot belang. Daartoe dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen
                    die voor het vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een
                    duidelijke verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan
                    worden voorkomen dat er onnodige discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van
                    onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders en over de
                    eventueel verschuldigde belasting. Dat is ook in hun belang omdat zij hun
                    functie moeten kunnen uitoefenen zonder te worden gehinderd door onzekerheden
                    omtrent de financiering van de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er
                    een zodanig sluitende financiële en administratieve organisatie is ingericht dat
                    er vertrouwen kan bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de
                    uitgaven.In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de
                    beheers- en controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke
                    procedures vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven,
                    declaratie van vooruit betaalde kosten en het gebruik van creditcards. Daarnaast
                    zijn er in de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het
                    gebruik van computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld
                    voor de uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een
                    gedragscode ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Daarbij gaat
                    het onder meer om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in aanmerking
                    komen voor bespreking en zonodig besluitvorming in het college. In die
                    gedragscode is ook het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging van
                    zakendiners met derden opgenomen. Verder zijn er aanvullende administratieve
                    procedures beschreven over de afwikkeling van declaraties en facturen en de
                    daarbij te hanteren verdeling van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om
                    te gaan met interpretatie- of meningsverschillen.<vet>ARTIKELGEWIJZE
                        TOELICHTINGArtikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het
                    raadslid</vet>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld
                    dat raadsleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de
                    vergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het
                    Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden
                    aangegeven. In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale
                    bedrag. De gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de
                    minister vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op twee manieren:-
                    de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een percentage
                    tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde maximum;- de raad stelt
                    vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald als presentiegeld. Dat
                    deel mag maximaal 20% van de raadsvergoeding zijn;- de raad stelt een combinatie
                    van bovenstaande mogelijkheden vast.Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen
                    onderscheid worden gemaakt tussen raadsleden, dus een presentievergoeding of een
                    lagere raadsvergoeding geldt voor alle raadsleden.Het bedrag van de vergoeding
                    voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien
                    aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente
                    geen nadere besluitvorming nodig omdat in de verordening in algemene zin is
                    aangegeven of de raadsvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen
                    maximum of een percentage daarvan.<vet>Artikelen 3 en 14 vaste
                        onkostenvergoeding</vet>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het
                    ambt van wethouder c.q. aan het raadslidmaatschap verbonden kosten. De
                    vergoeding is opgebouwd op basis van de volgende kostencomponenten:-
                    representatie- vakliteratuur- contributies, lidmaatschappen- telefoonkosten-
                    bureaukosten, porti- zakelijke giften- bijdrage aan fractiekosten- ontvangsten
                    thuis- excursies.Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de
                    kostensoorten fax/pc en cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat
                    tijdstip specifieke voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8, 27 en 28).
                    De onkostenvergoeding is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts
                    bijgesteld. De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer
                    onbelast worden verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding
                    gelijk te houden is het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%.
                    Deze brutering heeft echter geen betrekking op raadsleden die niet hebben
                    geopteerd voor het loonbelastingregime. Voor hen blijven de aftrekmogelijkheden
                    van de werkelijk gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming bestaan. Zij
                    ontvangen de vaste kostenvergoeding zonder de brutering. Voor zover zij de
                    uitgaven daaruit kunnen onderbouwen, blijft de raadsvergoeding onbelast. Wat
                    niet kan worden aangetoond, zal alsnog worden belast bij de aangifte
                    Inkomstenbelasting.De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke
                    verordening bepaald. Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en
                    raadsleden het maximale bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de
                    artikelen 3 en 14 is de hoogte van de kostenvergoeding bepaald op het maximale
                    bedrag. Ook de onkostenvergoeding kan door de raad op een lager bedrag worden
                    bepaald, dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het door de minister
                    vastgestelde maximum. Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het
                    wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex.
                    Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in de
                    verordening in algemene zin is aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan
                    het door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.<vet>Artikel
                        5, 6 en 27 reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden</vet>De
                    Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werk-verkeer’ voor
                    raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads-
                    en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor
                    reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing
                    van het gemeentebestuur. Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste
                    lid, van de Gemeentewet echter wel een vergoeding worden gegeven de reis- en
                    verblijfkosten in verband met reizen binnen de gemeente.In de verordening is
                    voor wat betreft de hoogte van de vergoedingen aansluiting gezocht bij de
                    vergoedingen uit de Regeling rechtspositie wethouders. Tot 2004 werd in de
                    rechtspositiebesluiten verwezen naar, in dit geval, de Reisregeling binnenland
                    en de Reisregeling buitenland zoals die voor de sector Rijk zijn vastgesteld.
                    Sinds 1 januari 2004 is voor wethouders de Regeling rechtspositie wethouders en
                    voor burgemeesters de Regeling rechtspositie burgemeesters ingevoerd. De
                    vergoedingen in deze regelingen zijn in principe dezelfde als in de genoemde
                    reisregelingen zijn opgenomen, maar de minister van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijksrelaties heeft door deze specifieke regelingen voor politieke
                    ambtsdragers de mogelijkheid meer op het ambt toegespitste vergoedingen vast te
                    stellen. Om deze reden wordt in de artikelen 5, 6 en 27 van de verordening
                    verwezen naar Regeling rechtspositie wethouders.Voor raadsleden die niet hebben
                    geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de verstrekte vergoedingen bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord. De
                    reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                    beroepskosten worden opgevoerd.Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar
                    vervoer of bij gebruik van eigen vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals
                    die voor het rijkspersoneel geldt (in 2006: € 0,28 bij gebruik van de eigen
                    auto). De vergoeding van de reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast. De
                    kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte
                    vervoermiddel. In het Handboek loonheffingen 2006 wordt over de
                    kilometervergoeding opgemerkt:<cursief>Vergoedingen voor reiskosten die u naast
                        de € 0,19 per kilometer betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld
                        vergoedingen voor parkeer- en tolgelden, voor (extra) afschrijving en
                        slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een carkit of navigatiesysteem,
                        voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een aanhangwagen of voor
                        schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor
                        overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de eindheffing.
                    </cursief>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere
                    deel belast.<vet>Artikelen 7 en 20 Cursus, congres, seminar of
                    symposium</vet>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de
                    bedrijfsvoering gebracht en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de
                    gemeente. Zij zijn in verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een
                    onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege de
                    gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen
                    e.d. waaraan het individuele raadslid in verband met de vervulling van het
                    raadslidmaatschap op eigen initiatief deelneemt. In het laatste geval zijn er
                    aanvullende voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het
                    congres en een kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol
                    spelen. In het aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter
                    de aanvraag ondersteunt. De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen
                    hebben een zakelijk karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de
                    vergoeding c.q. verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden
                    die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en
                    verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte
                    inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte
                    kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen
                        wordenopgevoerd.<vet>Artikel 8, 21 en 30 Computer en internetverbinding
                    </vet>(vervallen)Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap, het ambt van
                    wethouder of het lidmaatschap van een commissie wordt op aanvraag om niet een
                    computer met bijbehorende apparatuur en software in bruikleen beschikbaar
                    gesteld. Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap en het ambt van wethouder
                    wordt op aanvraag om niet een computer met bijbehorende apparatuur en software
                    in bruikleen beschikbaar gesteld. Bijbehorende apparatuur is apparatuur die is
                    bestemd om aan de computer te worden gekoppeld om informatie uit te wisselen.
                    Voorbeelden hiervan zijn een modem, een printer, een fax en een digitale
                    fotocamera. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die
                    het raadslid en de wethouder met de gemeente sluit. Het model van die
                    overeenkomst is door het college vastgesteld. De grondslag voor deze faciliteit
                    is te vinden in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raads- en
                    commissieleden. Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en
                    software alleen onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld
                    indien deze geheel of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. In de Nota naar
                    aanleiding van het verslag (Tweede-Kamerstuk 29 767, nr. 14, blz. 22) wordt
                    hierover het volgende opgemerkt:<cursief>‘Er is juist omwille van de eenvoud
                        gekozen voor het criterium geheel of nagenoeg geheel. Op deze wijze blijven
                        computers die louter zakelijk worden gebruikt buiten de heffing. Het
                        aanvullende criterium 'nagenoeg geheel' zorgt ervoor dat de werkgever bij
                        zeer incidenteel privé-gebruik niet meteen de gehele computer in de heffing
                        hoeft te betrekken. De werkgever dient aannemelijk te maken dat de computer
                        geheel (of nagenoeg geheel) zakelijk wordt gebruikt om deze onbelast te
                        kunnen vergoeden, verstrekken of ter beschikking te stellen. Hierbij geldt
                        de vrije bewijsleer. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
                        situaties waarin technische voorzieningen zijn aangebracht aan de computer
                        die privé-gebruik als zodanig bemoeilijken, de werknemer via de computer
                        toegang heeft tot het intranet van de werkgever, hij via de computer geen
                        vrije internettoegang heeft, er op de computer geen software anders dan
                        bedrijfsmatige software op staat, de werknemer ook niet de mogelijkheid
                        heeft er software op te zetten en hij geen eigen randapparatuur kan
                        aansluiten.’</cursief>Omwille van het creëren van een compensatie voor de
                    belastingheffing, wordt er in de respectievelijke rechtspositiebesluiten en de
                    verordening van uitgegaan dat betrokkenen de computer niet geheel of nagenoeg
                    geheel voor zakelijk gebruik bestemmen. Dat betekent dat zowel de vergoeding, de
                    verstrekking als de terbeschikkingstelling van computerapparatuur en de daaraan
                    gekoppelde tegemoetkoming zal worden belast. In verband hiermee vindt er
                    gedurende de afschrijvingsperiode van drie jaar voor de door de gemeente
                    beschikbaar gestelde computer een fiscale bijtelling plaats van 30% van de
                    waarde in het economisch verkeer op het moment van eerste ingebruikneming. Na
                    het derde jaar wordt de waarde op nihil gesteld. Geregeld is dat de gemeente op
                    aanvraag 30% van de aanschafprijs vergoedt gedurende de drie jaar dat i.v.m. het
                    beschikbaar stellen van de computer belasting is verschuldigd. Deze vergoeding
                    is overigens belast. Indien een computer tijdens het kalenderjaar wordt
                    verstrekt geldt in het eerste en vierde kalenderjaar een vergoeding naar
                    evenredigheid van het aantal kalendermaanden waarin de computer beschikbaar is
                    gesteld. Het is ook mogelijk om een dergelijke vergoeding te geven voor de
                    aanschaf of het gebruik van een eigen computer. De gemeente bepaalt zelf de
                    hoogte van de vergoeding. Als norm kan daarvoor worden uitgegaan van de
                    aanschafwaarde van de computer die de gemeente ter beschikking stelt.De aanleg-
                    en abonnementskosten van de internetvoorziening komen ten laste van de gemeente.
                    Hier is er eveneens van uitgegaan dat de internetverbinding niet geheel of
                    nagenoeg geheel voor zakelijk gebruik is. De verstrekte vergoeding is dan ook
                    belast. Ook hierbij kan de gemeente zelf een normbedrag vaststellen uitgaande
                    van bijvoorbeeld de laagste of de gemiddelde kosten.Voor raadsleden die niet
                    hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en
                    verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de aangifte
                    inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte
                    kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen
                    worden opgevoerd. De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van commissieleden
                    de toepassing van de opting-in-regeling.<vet>Artikelen 9 en 25
                        Kinderopvang</vet>Een goede kinderopvangvoorziening is belangrijk. Hierdoor
                    wordt bevorderd dat wethouders en raadsleden hun politieke werk goed kunnen
                    combineren met het ouderschap. Vanaf 1 januari 2005 is er een wettelijke
                    regeling (Wet kinderopvang). Aan deze wet kunnen ook wethouders en raadsleden
                    aanspraken ontlenen in de vorm van een (inkomensafhankelijke) rijksbijdrage. De
                    rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden maken het mogelijkom hen
                    ten laste van de gemeente in aanvulling op de rijksbijdrage een tegemoetkoming
                    te verlenen in de kosten van noodzakelijke kinderopvang. De artikelen 9 en 25
                    voorzien hierin. Daarin is geregeld dat voor wethouders en raadsleden de voor
                    het gemeentepersoneel geldende kinderopvangregeling van overeenkomstige
                    toepassing is. De gemeentelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang kan aan
                    de wethouder en aan het raadslid dat heeft geopteerd voor de loonbelasting
                    onbelast worden verstrekt. Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben
                    geopteerd zal de tegemoetkoming bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst
                    moeten worden verantwoord en kunnen de gemaakte kosten binnen de geldende
                    randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.<vet>Artikel 11
                        Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid</vet>In de
                    motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven dat de
                    gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient te vormen. Om deze
                    reden moeten drempels om raadslid te worden of te blijven, worden weggenomen. In
                    WAO en WIA geldt het algemene principe dat indien een persoon inkomen uit arbeid
                    geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of intrekking van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een dergelijke uitkering is bedoeld
                    om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen
                    te vergoeden. Voor raads- en commissieleden kan dit ertoe leiden dat een geringe
                    verhoging van het inkomen door een raads- of commissievergoeding een grote
                    teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling. Dit kan
                    zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raads- of commissiezetel of
                    bij verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van het
                    Rechtspositiebesluit raadsen commissieleden kunnen gemeenten hiervoor een
                    voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 11 van de verordening. Daarin
                    is geregeld dat op aanvraag een raadslid een lagere vergoeding voor de
                    werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de anticumulatieregeling zal
                    leiden tot een verlaging van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van
                    het raadslid.<vet>Artikel 12 Compensatie korting
                    werkloosheidsuitkering</vet>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop
                    neer dat op het moment dat iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die
                    wet ontvangt, nieuwe werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met
                    het aantal uren dat in de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid
                    onderwijs- en onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van
                    het inkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve
                    iemand tot raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het
                    aantal uren dat het UWV voor het raads- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien
                    deze verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de
                    werkzaamheden zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid
                    dit nadeel te compenseren. Dat is geregeld in artikel 12 van de
                        verordening.<vet>Artikel 13 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van
                        de gemeenteraad</vet>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het
                    voorzitterschap van de gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de
                    burgemeester wordt waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad
                    kan ook een ander raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten.
                    In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raadsen commissieleden is in
                    artikel 13 van de verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming van
                    meer dan 30 dagen het betreffende raadslid over de tijd van waarneming recht
                    heeft op een toeslag van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en van de
                    vaste onkostenvergoeding.<vet>Artikelen 15 en 16 Reiskosten woon/werk en
                        zakelijke reiskosten</vet>Voor wethouders is in artikel 15 een
                    belastingvrije vergoeding voor het woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de
                    bepalingen bij en krachtens het Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling
                    rechtspositie wethouders. Bij gebruik van de eigen personenauto bedraagt de
                    vergoeding in 2006 € 0,14 per afgelegde kilometer.Ingevolge artikel 16 worden
                    zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het openbaar vervoer of met een taxi,
                    volledig vergoed (mits in redelijkheid gemaakt) en indien gemaakt met de eigen
                    personenauto in 2006 € 0,28 per afgelegde kilometer. De kilometervergoeding is,
                    voor zover die meer bedraagt dan € 0,19, belast. Voor zakelijke kilometers
                    (waaronder mede te verstaan de kilometers voor het woon/werkverkeer) kan, zoals
                    gezegd, een onbelaste vergoeding worden verleend van maximaal € 0,19 per
                    kilometer, ongeacht het gebruikte vervoermiddel. Vergoedingen die daarboven
                    uitgaan zijn voor dat hogere deel belast. In het Handboek loonheffingen 2006
                    wordt over de kilometervergoeding opgemerkt:<cursief>Vergoedingen voor
                        reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt, zijn ook loon. Dat
                        zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden, voor (extra)
                        afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een carkit of
                        navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een
                        aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer-
                        en tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de
                        eindheffing.</cursief>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de
                    verschillende doeleinden te salderen. Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de
                    verstrekte reiskostenvergoeding voor dienstreizen hoger is dan de
                    fiscaalwettelijk vastgestelde belastingvrije vergoeding van maximaal € 0,19 per
                    kilometer een verstrekte lagere vergoeding dan € 0,19 voor woon/werkverkeer
                    daarop in mindering mag worden gebracht. Die salderingsmogelijkheid moet wel in
                    een formelevergoedingsregeling zijn vastgelegd. Die is opgenomen in artikel 16,
                    tweede lid. Indien voor het gemeentelijk personeel een salderingsregeling geldt
                    wordt daarbij aangesloten. Ontbreekt een dergelijke regeling, dan geldt de
                    salderingsregeling voor het rijkspersoneel. In het volgende voorbeeld wordt
                    toegelicht wat het vorenstaande betekent voor het salderen en de berekening van
                    de loonheffing over het bovenmatig deel van
                        reiskostenvergoedingen.<vet>Voorbeeld</vet>Betrokkene krijgt in een
                    kalenderjaar van zijn werkgever een reiskostenvergoeding van in totaal € 2.240,
                    bestaande uit:· een vergoeding voor 10.000 woon/werkkilometers x € 0,14 = €
                    1.400 en· een vergoeding voor 3.000 kilometers wegens dienstreizen x € 0,28 = €
                    840.Als er geen salderingsregeling is moet de inhoudingsplichtige in ieder
                    tijdvak het bovenmatig bedrag van de vergoeding voor de dienstreizen in de
                    heffing betrekken (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270). Als er wel een
                    salderingsregeling is mag de inhoudingsplichtige deze heffing uitstellen (dit is
                    niet verplicht). Saldering leidt dan tot het volgende resultaat: totale
                    reiskostenvergoeding € 2.240 gedeeld door het totaal aantal kilometers 13.000
                    =gemiddelde vergoeding per km van € 0,17 per kilometer. Na saldering blijft de
                    vergoeding onder de € 0,19 per km waardoor de totale reisvergoeding onbelast
                    blijft. Indien de werkgever het “bovenmatige’ gedeelte van € 0,09 van de
                    dienstreiskilometers reeds heeft belast (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270)
                    mag de inhoudingsplichtige uiterlijk in de eerste maand van het nieuwe
                    kalenderjaar in zijn loonadministratie als negatief loon opnemen: € 270.
                    Reiskostenvergoedingen mogen dus ook onderling worden gesaldeerd. Kilometers die
                    betrekking hebben op het reizen per openbaar vervoer waarvoor een vergoeding in
                    geld is ontvangen, alsmede kilometers die als meerijder zijn afgelegd zonder dat
                    sprake is van vervoer vanwege de werkgever en zonder dat de betrokkene daarvoor
                    een vergoeding heeft ontvangen, mogen eveneens bij de saldering worden
                    betrokken. Saldering, respectievelijk belastingheffing over het bovenmatig deel
                    dat na saldering overblijft, mag worden uitgesteld. Afrekening met de fiscus op
                    basis van saldering kan na afloop van een bepaald loontijdvak, maar dient
                    uiterlijk plaats te vinden in de eerste maand van het nieuwe kalenderjaar.
                    Saldering na afloop van een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of heel
                    kalenderjaar is mogelijk zolang de vergoeding niet definitief is toegekend. In
                    verband daarmee wordt de reiskostenvergoeding in eerste instantie bij wijze van
                    voorschot uitbetaald. Voor de berekening van de loonheffing over het bovenmatig
                    deel van de in een gekozen periode uitbetaalde reiskostenvergoedingen dient te
                    worden uitgegaan van alle daadwerkelijk afgelegde dienstkilometers, vermeerderd
                    met de daadwerkelijk afgelegde woon/werkkilometers. Voor wethouders is nog van
                    belang dat een vergoeding of verstrekking van maximaal 80 maaltijden per
                    kalenderjaar onbelast is als de vergoeding of verstrekking een meer dan
                    bijkomstig zakelijk karakter heeft. Daarvan is niet zonder meer sprake bij
                    deelname aan raads- en commissievergaderingen, maar wel bij tot in de avond
                    doorlopende vergaderingen waardoor men niet op de gewone tijd kan eten, alsmede
                    tijdens dienstreizen. Voor zover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan
                    80 is (vergoedingen en verstrekkingen samen), moet een normbedrag bij het loon
                    worden geteld. Als de vergoeding of verstrekking gedeeltelijk tot het loon moet
                    worden gerekend kan eindheffing plaatsvinden op basis van het tabeltarief. Als
                    het zakelijk karakter van niet meer dan bijkomstig belang is moet de vergoeding
                    of de waarde in het economisch verkeer van de verstrekking tot het loon worden
                    gerekend. Bij verstrekkingen in de vorm van maaltijden in bedrijfskantines met
                    een privé- karakter wordt de waarde van een kantinemaaltijd vastgesteld op een
                    forfaitair bedrag. Als de maaltijd in de bedrijfskantine een meer dan bijkomstig
                    zakelijk karakter heeft geldt de hoofdregel. De vergoeding of verstrekking van
                    maximaal 80 maaltijden per kalenderjaar is dan onbelast.<vet>Artikel 17
                        Dienstauto</vet>Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de gemeente een
                    dienstauto met of zonder chauffeur voor zakelijk gebruik beschikbaar stellen aan
                    wethouders. De dienstauto kan ook voor het woon-werkverkeer worden gebruikt. In
                    dat geval vindt wel een korting plaats op de tegemoetkoming in de reiskosten
                    woon/werk. De dienstauto kan ook worden gebruikt voor de vervulling van een
                    q.q.-nevenfunctie. De eventueel uit hoofde van die nevenfunctie ontvangen
                    vergoeding van reiskosten ter zake wordt in dat geval in de gemeentelijke kas
                    gestort. De dienstauto is niet beschikbaar voor privé-gebruik.<vet>Artikelen 19
                        en 28 Buitenlandse dienstreis</vet>Bij buitenlandse dienstreizen in het
                    gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder de in redelijkheid gemaakte
                    werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed. De tarieven in het voor het
                    rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn daarbij richtsnoer. In de
                    eerder genoemde gedragscode zijn nadere gedragsregels vastgesteld. Daarbij gaat
                    het om expliciete besluitvorming in het college over buitenlandse reizen en over
                    uitnodigingen daartoe op kosten van derden. Maar ook om bijvoorbeeld de rekening
                    en verantwoording achteraf (zowel inhoudelijk als financieel), het meereizen van
                    de partner en het combineren van een dienstreis met een (direct voorafgaande of
                    aansluitende) privé-reis. Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in
                    het gemeentelijk belang excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet
                    de gemeenteraad expliciet toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in
                    alle gevallen door of vanwege de gemeente georganiseerd. Hetgeen hierboven is
                    geschreven over buitenlandse dienstreizen van wethouders geldt mutatis mutandis
                    ook voor buitenlandse excursies en reizen van de gemeenteraad of
                    raadscommissies.Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting
                    geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische
                    verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden
                    verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.<vet>Artikel 22 mobiele
                        telefoon</vet>Zie ook de overdruk uit het handboek loonheffingen 2006 aan
                    het einde van de toelichting. </al><lijst><li nr="1."><al>Alleen voor zakelijk gebruik:Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de
                            wethouder voor overwegend zakelijk gebruik (90% of meer) overeenkomstig
                            het geen daarover in artikel 40 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting
                            2001 is bepaald, belastingvrij een mobiele telefoon als 2e telefoon om
                            niet ter beschikking worden gesteld. De vraag of er sprake is van een
                            eerste of een tweede telefoon moet worden beantwoord vanuit de positie
                            van de werknemer. Als de werknemer thuis in privé al een abonnement op
                            een telefoonaansluiting heeft en de gemeente verstrekt daarnaast
                            bijvoorbeeld een mobiele telefoon, dan kan de mobiele telefoon als
                            tweede telefoon worden beschouwd <vet>[1]</vet>. De abonnementskosten en
                            de (zakelijke) gesprekskosten komen dan voor rekening van de gemeente.
                            De nadere voorwaarden zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die de
                            wethouder met de gemeente sluit. Het model van die overeenkomst is door
                            het college vastgesteld. Het verdient aanbeveling in de
                            bruikleenovereenkomst de voorwaarde op te nemen dat de telefoon
                            uitsluitend gebruikt mag worden ten behoeve van zakelijk verkeer.
                            Aangezien de component telefoonkosten in de onkostenvergoeding belast
                            is, blijft deze verder ongemoeid. </al></li><li nr="2."><al>Voor zakelijk gebruik en privé gebruik:De mobiele telefoon kan mede voor
                            privé-doeleinden worden gebruikt. In dat geval komen ook de
                            privé-gesprekskosten voor rekening van de gemeente. Als het
                            privé-gebruik meer dan 10% is, vindt er een fiscale bijtelling plaats.
                            Daarvoor geldt een forfaitair bedrag van € 22,69 per maand (2006). De
                            fiscale regeling geldt alleen als de waarde in het economisch verkeer
                            van het privé-gebruik van de mobiele telefoon niet meer is dan € 454 op
                            jaarbasis 2006). Is dat wel het geval dan kan slechts de vergoeding van
                            het abonnement plaatsvinden, waarvoor dan een inhouding moet
                            plaatsvinden van € 19,66 (2006) per maand. De gesprekskosten dienen
                            tussen de wethouder en de gemeente verrekend te worden. In de vaste
                            kostenvergoeding zit een component telefoonkosten. Bij optie 2 zal een
                            bedrag forfaitair bedrag tot het loon moeten worden gerekend. Door dit
                            bedrag maandelijks in mindering te brengen op de netto bezoldiging dan
                            wel op de netto onkostenvergoeding is voldaan aan de voorschriften die
                            zijn opgenomen in de artikelen 38 respectievelijk 39 van de
                            Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Het is echter wel noodzakelijk
                            deze inhouding als zodanig zichtbaar te laten zijn op de
                            salarisspecificatie. Dat is geregeld in artikel 22, vierde lid. Deze
                            wijze van verrekening is toegestaan op grond van artikel 23, tweede lid,
                            van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001</al></li></lijst><al><vet>Artikel 23 Spaarloonregeling/levensloopregeling</vet>Een wethouder is een
                    werknemer en kan dientengevolge gebruik maken van de spaarloonregeling dan wel
                    de levensloopregeling. wanneer de wethouder gebruik maakt van de gemeentelijke
                    levensloopregeling is het niet toegestaan een levensloopbijdrage ten laste van
                    de gemeente te verstrekken. De opbouw van de levensloopvoorziening mag
                    uitsluitend ten laste van de wethouderswedde plaatsvinden. Aangezien wethouders
                    geen verlof kennen, is het slechts mogelijk dat de opgebouwde voorziening bij de
                    beëindiging van het wethouderschap wordt meegenomen naar een volgende werkgever
                    of dat uitbetaling ineens plaatsvindt.<vet>Artikel 24 Reis- en pensionkosten en
                        verhuiskosten</vet>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen
                    personen van buiten de gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook
                    personen zijn die niet in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de
                    Gemeentewet verplicht om te gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn
                    geworden. In artikel 24 is geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in
                    aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding
                    van reis- en pensionkosten in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn
                        onbelast.<vet>Artikel 26 Vergoeding voor het bijwonen van
                        commissievergaderingen</vet>In dit artikel is het presentiegeld voor leden
                    van gemeentelijke commissies geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden
                    en wethouders die in de commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld
                    in de rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn
                    verder onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de
                    commissie zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers
                    vanbelangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                    gemeentelijk belang dient. De hoogte van het presentiegeld wordt bij
                    gemeentelijke verordening bepaald. De minister van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het
                    indexcijfer CAO lonen overheid. In artikel 26, eerste lid, is er voor gekozen de
                    hoogte van de vergoeding te bepalen op het door de minister vastgestelde
                    maximum. De raad kan ook een lager bedrag vaststellen. Het Rechtspositiebesluit
                    raads- en commissieleden biedt echter ook de mogelijkheid om in de gemeentelijke
                    verordening te regelen dat in bepaalde gevallen een hoger bedrag aan
                    presentiegeld wordt toegekend dan het eerder bedoelde maximumbedrag. Dat is
                    geregeld in artikel 26, vierde lid, van de verordening.<vet>Artikelen 31 t/m 34
                        De procedure van declaratie</vet>In artikel 31 zijn de drie wijzen van
                    betaling aangegeven. In de artikelen 37 t/m 39 is vervolgens aangegeven in welke
                    gevallen welke betalingswijze aan de orde is en welke procedurevoorschriften in
                    achtgenomen moeten worden.<vet>Declaratie van vooruitbetaalde
                    kosten</vet>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:· reis- en
                    verblijfkosten van raadsleden;· zakelijke reis- en verblijfkosten van
                    wethouders;· reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                    wethouders;· reis- en pensionkosten en verhuiskosten;· reis- en verblijfkosten
                    van leden van gemeentelijke commissies.<vet>Rechtstreekse facturering bij de
                        gemeente</vet>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening
                    worden gebracht in de volgende gevallen:· deelname aan cursussen, congressen,
                    seminars en symposia door raadsleden en wethouders;· zakelijke reis- en
                    verblijfkosten van wethouders;· reis- en pensionkosten en verhuiskosten;· reis-
                    en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders.<vet>Gebruik
                        creditcard</vet>Aan wethouders kan onder voorwaarden een creditcard
                    beschikbaar worden gesteld voor functionele uitgaven ten laste van de gemeente.
                    Gebruik van creditcards is mogelijk in de volgende gevallen:· zakelijke reis- en
                    verblijfkosten van wethouders;· reis- en verblijfkosten bij buitenlandse
                    dienstreizen van wethouders;· reis- en pensionkosten en
                        verhuiskosten.<vet>Artikelen 35 t/m 37 Citeertitel en
                    inwerkingtreding</vet>Gekozen is voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht
                    van de gewijzigde bepalingen tot en met het aantreden van de nieuwe
                    gemeenteraad. In de meeste gemeenten echter zijn de wethouders pas later
                    benoemd. Ter voorkoming van overgangsbepalingen voor de oude wethouders is
                    gekozen voor intrekking van de oude verordening. Deze intrekking vindt echter
                    pas plaats op het moment van het van kracht worden van de nieuwe verordening. De
                    oude bepalingen hebben daardoor nog steeds werking gehad tot en met het moment
                    van aftreden van de wethouders uit het oude college.Bij de inwerkingtreding kan
                    er voor worden gekozen deze bepalingen terugwerkende kracht te verlenen tot het
                    moment dat de nieuwe gemeenteraad werd beëdigd respectievelijk de nieuwe
                    wethouders zijn benoemd en beëdigd. Aangezien in de meeste gemeenten de
                    beëdiging van de nieuwe raad en de nieuwe wethouder niet in dezelfde
                    raadsvergadering heeft plaatsgevonden, is gekozen voor een driedeling:·
                    inwerkingtreding voor de raads- en commissieleden met terugwerkende kracht tot
                    en met 16 maart 2006;· inwerkingtreding voor de nieuwe wethouders met
                    terugwerkende kracht tot en met de dag van hun beëdiging. Voor deze formulering
                    is gekozen zodat voor de aftredende wethouders die op dezelfde dag van
                    rechtswege zijn ontslagen als hun opvolgers de benoeming hebben aangenomen, de
                    oude bepalingen van kracht blijven; · om dezelfde reden is een splitsing gemaakt
                    voor de inwerkingtreding van hoofdstuk V over de procedure van
                    declaratie.Terugwerkende kracht is alleen toegestaan wanneer de nieuwe
                    aanspraken geen verslechtering inhouden van de op dat moment vigerende
                    verordening. De nieuwe verordening kent geen verslechteringen, ook niet ten
                    aanzien van de bepalingen over de computer. Immers de bepalingen daaromtrent uit
                    de vorige verordening zijn van rechtswege buiten toepassing mede als gevolg van
                    de terugwerkende kracht die is verleend aan de wijziging van de grondslag voor
                    artikel 27a uit het Rechtspositiebesluit wethouders en artikel 7a uit het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden (Stb. 2006, 8).Sinds 20 februari
                    2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit wethouders ook de (ministeriële)
                    Regeling rechtspositie wethouders. In lijn met die gehanteerde benaming is
                    gekozen voor een nieuwe naam van de verordening: Verordening rechtspositie
                    wethouders, raads- en commissieleden 2006.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>