<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR58983_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB gemeente Enkhuizen 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Enkhuizen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-10-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Enkhuizen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Drom, 28-12-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 30</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 192</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-12-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-01-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>vs2005093</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Toeslag, wet werk en bijstand, WWB,</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Toeslagenverordening WWB gemeente Enkhuizen 2004
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>RAADSBESLUIT </al>
          <al>De raad van de gemeente Enkhuizen; </al>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 maart 2004,
                        nummer: 9; </al>
          <al>overwegende, dat moet worden vastgesteld voor welke categorieën de
                        bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de
                        hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald; </al>
          <al>gelet op de artikelen 147 en 192 van de Gemeentewet en artikelen 8 en 30 Wet
                        werk en bijstand ; </al>
          <al>b e s l u i t : </al>
          <al>vast te stellen de Toeslagenverordening WWB gemeente Enkhuizen 2004. </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Algemene bepalingen </label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 1 Begripsomschrijving </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In deze verordening wordt verstaan onder</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB, staatsblad
                                        2003,199);</al></li>
                <li nr="b."><al>nettominimumloon: de gehuwdennorm zoals genoemd in artikel
                                        21 sub c van de wet.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Categorieën </label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 2 </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend en 21 jaar
                                of ouder zijn maar jonger dan 65 jaar, geldt een
                                categorieaanduiding.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> Voor de begripsbepaling van alleenstaande wordt verwezen
                                        naar artikel 4, aanhef sub a WWB; </al></li>
                <li nr="b."><al>Voor de begripsbepaling van alleenstaande ouder wordt
                                        verwezen naar artikel 4, aanhef sub b WWB;</al></li>
                <li nr="c."><al>Voor de begripsbepaling van gehuwden wordt verwezen naar
                                        artikel 3, lid 2 sub a WWB.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm of toeslag </label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 3 Toeslag </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De norm wordt verhoogd, indien de alleenstaande of de alleenstaande
                                ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan
                                waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet
                                geheel kunnen delen van deze kosten met een ander zoals genoemd in
                                artikel 25 van de wet..</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid, wordt voor degene in wiens
                                woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>voor de alleenstaande van 23 jaar en ouder maar jonger dan
                                        65 jaar bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet
                                        genoemde maximumbedrag;</al></li>
                <li nr="b."><al>voor de alleenstaande van 22 jaar bepaald op 9% van het
                                        nettominimumloon;</al></li>
                <li nr="c."><al>voor de alleenstaande van 21 jaar bepaald op 2% van het
                                        nettominimumloon;</al></li>
                <li nr="d."><al>voor de alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder maar jonger
                                        dan 65 jaar bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de
                                        wet genoemde maximumbedrag.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien lid 2 niet van toepassing is wordt de toeslag als bedoeld in
                                het eerste lid:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>voor de alleenstaande van 23 jaar en ouder maar jonger dan
                                        65 jaar bepaald op 10% van het nettominimumloon.</al></li>
                <li nr="b."><al>voor de alleenstaande van 22 jaar bepaald op 5% van het
                                        nettominimumloon;</al></li>
                <li nr="c."><al>voor de alleenstaande van 21 jaar bepaald op 1% van het
                                        nettominimumloon;</al></li>
                <li nr="d."><al>voor de alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder maar jonger
                                        dan 65 jaar bepaald op 10% van het nettominimumloon.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Lid 2 sub b en c en lid 3 sub b en c zijn niet van toepassing indien
                                de belanghebbende wordt aangemerkt als schoolverlater.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>niet ten laste komende kinderen jonger dan 21 jaar met een
                                        inkomen, anders dan hieronder genoemd, tot de norm voor een
                                        alleenstaande van 21 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar,
                                        zoals bedoeld in artikel 21 sub a van de wet, verhoogd met
                                        een toeslag voor een 21 jarige alleenstaande zoals genoemd
                                        in artikel 3 lid 3 sub c van deze verordening;</al></li>
                <li nr="b."><al>meerderjarige kinderen met studiefinanciering op grond van
                                        de Wet studiefinanciering 2000;</al></li>
                <li nr="c."><al>meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op grond van
                                        de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                        schoolkosten.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag </label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4 Verlaging gehuwden </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld, indien de gehuwde en zijn
                                partner, beiden jonger dan 65 jaar, een lagere algemeen
                                noodzakelijke kosten van het bestaan heeft, dan waarin de
                                bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk
                                kunnen delen van deze kosten met een ander die in dezelfde woning
                                zijn hoofdverblijf. De verlaging bedraagt 10% van het wettelijk
                                minimumloon. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het eerste lid is niet van toepassing, indien één van de partners of
                                beide partners jonger zijn dan 21 jaar.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 5 Geen woonkosten </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De bijstandsnorm of de toeslag wordt lager vastgesteld, indien de
                                alleenstaande van 23 jaar en ouder maar jonger dan 65 jaar, de
                                alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder maar jonger dan 65 jaar of
                                de gehuwde, van 21 jaar en ouder maar jonger dan 65 jaar, lagere
                                algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft of hebben, dan
                                waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het ontbreken van
                                huur of hypotheeklasten. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid is gelijk aan de
                                basishuur zoals genoemd in artikel 17, leden 2 en 3 van de Wet op de
                                huurtoeslag, indien de belanghebbende in het geheel geen huur of
                                hypotheeklasten verschuldigd is.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 6 Schoolverlaters </label>
            </kop>
            <al>De te verstrekken bijstandsnorm bedraagt voor een schoolverlater die als
                            een alleenstaande wordt aangemerkt, in afwijking van artikel 3, de
                            eerste 6 maanden na het tijdstip van beëindiging van onderwijs of een
                            beroepsopleiding 50% van de gehuwdennorm, als bedoeld in artikel 21 sub
                            c WWB. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Slotbepalingen </label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 7 </label>
            </kop>
            <al>Burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering van het
                            bepaalde in deze verordening. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 8 </label>
            </kop>
            <al>Vervallen. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9 </label>
            </kop>
            <al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening 2004.
                        </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10 </label>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juni 2004. </al>
            <al>De Verordening toeslagen en verlagingen gemeente Enkhuizen 2003 komt per
                            deze datum te vervallen. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van 6 april 2004 </ondertekening>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter, </ondertekening>
        <ondertekening>Verordening gewijzigd bij raadsbesluit van 6 december 2005.</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <tussenkop>Toelichting Toeslagenverordening </tussenkop>
        <al>
          <vet>Inleiding</vet>
        </al>
        <al>Op 1 januari 2004 treedt de Wet werk en bijstand (WWB) in werking. In deze wet,
                    artikel 30 jo 8, is bepaald dat de gemeenteraad een verordening dient vast te
                    stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm verhoogd of verlaagd dient te
                    worden. De systematiek in de WWB voor toeslagen en </al>
        <al>verlagingen is dezelfde als in de Algemene bijstandswet (Abw). </al>
        <al>Voor personen van 21 jaar en ouder maar jonger dan 65 jaar kent zowel de Abw als
                    de WWB drie basisnormen voor de voorzieningen in de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan. </al>
        <al>Deze basisnormen zijn gebaseerd op de leefvorm van de cliënt en zijn: </al>
        <al>• de gehuwde norm : 100% van het nettominimumloon; </al>
        <al>• de alleenstaande ouder norm : 70% van het nettominimumloon; </al>
        <al>• de alleenstaande norm : 50% van het nettominimumloon. </al>
        <al>Op 10 januari 2000 is door de gemeenteraad ter vervanging van een uit 1996
                    stammende verordening de ‘Verordening toeslagen- en verlagingbeleid Abw gemeente
                    Enkhuizen 1999’ vastgesteld. In 2002 werd door de accountant opgemerkt dat,
                    hoewel de verordening uit 1999 correct was, de presentatie in deze verordening
                    wat betreft de normen voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar onduidelijk was. In
                    de ‘Verordening toeslagen- en verlagingenbeleid Abw gemeente Enkhuizen 2003’
                    werd dit verbeterd. </al>
        <al>De Invoeringswet WWB zet de Toeslagenverordening Abw van rechtswege om in een
                    Toeslagenverordening WWB. Uit oogpunt van leesbaarheid is het echter gewenst dat
                    de verordening wordt aangepast op de WWB. </al>
        <al>
          <vet>De mogelijkheden binnen de WWB</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Toeslag </vet>
        </al>
        <al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden (artikel 25 WWB). De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt
                    aanwezig geacht als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun
                    hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water
                    en licht, maar ook krant etc. gedeeld worden. De toeslag </al>
        <al>bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering maximaal
                    bedraagt voor: </al>
        <al>• alleenstaande ouders : 90% van de gehuwdennorm </al>
        <al>• alleenstaanden : 70% van de gehuwdennorm </al>
        <al>Het is mogelijk een afwijkende toeslag vast te stellen voor een alleenstaande
                    van 21 of 22 jaar</al>
        <al>voor zover, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte van de toeslag
                    een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid (artikel 29 WWB). </al>
        <al>De toeslagen zijn uitgewerkt in artikel 3 van de verordening. </al>
        <al>
          <vet>Verlaging</vet>
        </al>
        <al>De WWB noemt de volgende verlagingen: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>De bijstandsnorm kan worden verlaagd als de gehuwden lagere algemeen
                            noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm
                            voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van
                            deze kosten met een ander (artikel 26 WWB).</al></li>
          <li nr="-"><al>De norm kan eveneens worden verlaagd als de belanghebbende lagere
                            algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
                            bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een
                            woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden bij het ontbreken van
                            woonkosten (artikel 27 WWB).</al></li>
          <li nr="-"><al>Ook bij schoolverlaters kan de bijstandsnorm gedurende 6 maanden na het
                            tijdstip van beëindiging van onderwijs of een beroepsopleiding lager
                            worden vastgesteld (artikel 28 WWB).</al></li>
        </lijst>
        <al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 tot en met 6 van de
                    verordening. </al>
        <al>
          <vet>Uitgangspunten </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Algemeen</vet>
        </al>
        <al>Als uitgangspunt is aangenomen het huidige beleid betreffende inkomenswaarborg,
                    waar onder toeslagen en verlagingen, grotendeels over te nemen. De verordening
                    “Toeslagen- en verlagingenbeleid gemeente Enkhuizen 2003’ is recentelijk
                    vastgesteld. Ook met de huidige verordening doen zich in de praktijk een aantal
                    onduidelijkheden voor die achter het bureau niet voorzien zijn of niet voldoende
                    zijn uitgewerkt. In die gevallen is het noodzakelijk om te komen tot een
                    verfijning van de normensystematiek. </al>
        <al>
          <vet>Definitie van het begrip ten laste komend kind </vet>
        </al>
        <al>In de huidige verordening is een ten laste komend kind een kind, jonger dan 18
                    jaar, voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag
                    kan maken. Dit betekent dat als het kind 18 is geworden er van uit wordt gegaan
                    dat de algemeen noodzakelijke kosten van het </al>
        <al>bestaan gedeeld kunnen worden met een ander en zodoende de toeslag van de ouder
                    van 20% wordt verlaagd naar 10%. Hoe hoog de inkomsten van het kind moeten zijn
                    voordat deze verlaging is gerechtvaardigd is niet opgenomen. </al>
        <al>Uitgangspunt is dat bij inwonende kinderen van 18 tot en met 20 jaar gekeken
                    moet worden in hoeverre dit kind werkelijk kan bijdrage in de kosten. </al>
        <al>
          <vet>Invoering van de schoolverlatersnorm</vet>
        </al>
        <al>In de verordening uit 2003 was geen verlaging opgenomen voor schoolverlaters. </al>
        <al>Gezien huidige economische situatie, is in de huidige verordening afgezien van
                    het invoeren van een schoolverlatersnorm aangezien er op dat moment geen
                    instroom was van schoolverlaters. Dit is gewijzigd, ook schoolverlaters kloppen
                    aan bij het CWI. </al>
        <al>De aanpak bij schoolverlaters valt grotendeels onder arbeidsmarktbeleid.
                    Voorkomen moet worden dat schoolverlaters ‘kiezen’ voor bijstand in plaats van
                    scholing of werk. </al>
        <al>Uitgangspunt is dat de bijstandsnorm gelijk moet zijn aan de WSF norm (+ 50% van
                    het minimumloon). Instroom van WSF naar bijstand om financiële motieven moet
                    voorkomen worden. </al>
        <al>
          <vet>De toeslagenverordening</vet>
        </al>
        <al>In artikel 8 lid 1 onder c jo artikel 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad bij
                    verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm
                    verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die
                    verhoging of verlaging wordt bepaald. </al>
        <al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter moet
                    hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de
                    praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een
                    forfaitaire benadering. </al>
        <al>Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties
                    uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het
                    college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel
                    18 lid 1 WWB bij wijze van individualisering afwijkend vast te </al>
        <al>stellen. </al>
        <al>
          <vet>Financiële aspecten</vet>
        </al>
        <al>Het opnemen van bovenstaande wijzigingen in de gemeentelijke verordening zal
                    naar verwachting geen ingrijpende budgettaire gevolgen met zich meebrengen. </al>
        <al>
          <vet>Artikelsgewijze toelichting</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 1</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel wordt in het eerste lid het begrip kostendeling beschreven. </al>
        <al>Verder is er voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet afzonderlijk te definiëren in de
                    verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities
                    in de WWB of Awb ook de verordening moet worden gewijzigd. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 2</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel worden de categorieën aangeduid: de alleenstaande, de
                    alleenstaande ouder en de gehuwde. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 3 </vet>
        </al>
        <al>Eerste lid </al>
        <al>In lid 1 wordt de formulering van artikel 25 WWB gevolgd. Dat wil zeggen, dat
                    een toeslag wordt verleend, indien de belanghebbende hogere algemene
                    noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet.
                    Het verstrekken van toeslagen beperkt zich voor wat betreft </al>
        <al>deze verordening tot de alleenstaanden en de alleenstaande ouder(s) in de
                    leeftijd van 21 tot 65 jaar. </al>
        <al>Tweede en derde lid </al>
        <al>De hoogte van de toeslag voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens
                    woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30
                    lid 2 onder a WWB. Dit komt neer op 20% van het nettominimumloon. </al>
        <al>Ten laste komende kinderen worden niet aangemerkt als een ander die zijn
                    hoofdverblijf heeft in de woning. Niet ten laste komende kinderen wel indien zij
                    niet onder de uitzondering van het vijfde lid vallen. </al>
        <al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden niet van belang. Dat is een </al>
        <al>verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. </al>
        <al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er van worden
                    uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden en blijft een toeslag op
                    zijn plaats. In de Toeslagenverordening is gekozen voor een toeslag van 10 % van
                    het nettominimumloon in het geval één of </al>
        <al>meer anderen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf hebben. </al>
        <al>Artikel 29 WWB geeft het college de bevoegdheid om de toeslag, bedoeld in
                    artikel 25 WWB, voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vast te
                    stellen indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                    jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. </al>
        <al>Aangezien het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een
                    22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe
                    te passen dan voor een 22-jarige. </al>
        <al>In dit artikel is vastgelegd dat de maximale toeslag voor een alleenstaande 21
                    jarige is bepaald op 2% van het nettominimumloon. Voor een 22 jarige
                    alleenstaande geldt een maximale toeslag van 9% van het nettominimumloon. De
                    toeslag voor een 21 jarige alleenstaande kostendeler bedraagt maximaal 1% en
                    voor een 22 jarige alleenstaande 5%. </al>
        <al>Vierde lid </al>
        <al>In het vierde lid is opgenomen dat deze afwijkende toeslagen niet gelden voor 21
                    en 22 jarige schoolverlaters overeenkomstig het bepaalde in artikel 30 lid 2 sub
                    b WWB. </al>
        <al>Vijfde lid </al>
        <al>In het laatste lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm
                    begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het niet
                    aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden, niet
                    meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf </al>
        <al>hebben. </al>
        <al>Sub a </al>
        <al>Voor kostendeling moet, naast dat er in de woning een ander zijn hoofdverblijf
                    heeft, ook voldoende inkomsten zijn om te kunnen bijdragen in deze kosten. De
                    wet gaat er in principe vanuit dat 21 jarigen hiervoor voldoende inkomsten (in
                    het uiterste geval bijstand) kunnen verwerven. Bij </al>
        <al>thuiswonende kinderen vanaf 21 jaar bedraagt de toeslag voor de ouder altijd
                    10%. </al>
        <al>De bijstandsnorm voor een 21 jarige die de kosten kan delen is thans inclusief
                    vakantiegeld € 601,40 per maand (2004). Dit betekent dat als een kind inkomsten
                    verwerft boven dit bedrag er van uit mag worden gegaan dat hij of zij de kosten
                    met zijn of haar ouder(s) kan delen. </al>
        <al>Bepaald is daarom dat van kostendeling geen sprake is indien een niet ten laste
                    komend kind tot 21 jaar een lager inkomen heeft dan de bijstandsnorm voor een
                    thuiswonende alleenstaande van 21 jaar. Uit de WWB vloeit, a contrario, voort
                    dat een niet ten laste komend kind een kind is waarvoor geen aanspraak bestaat
                    op kinderbijslag. Door de kinderbijslag als criterium te gebruiken wordt niet
                    naar leeftijd gekeken. Een 17 jarig kind met inkomsten boven de norm van een 21
                    jarige thuiswonende alleenstaande norm kan hierdoor worden aangemerkt als een
                    ander die in de woning zijn hoofdverblijf heeft. </al>
        <al>Sub b en c </al>
        <al>Aan thuiswonende studenten wordt in de WSF 2000 en Wtos een lager bedrag voor
                    levensonderhoud verstrekt, het verschil is € 170,- per maand. Niet alleen wordt
                    ervan uitgegaan dat deze kosten lager zijn doordat ze kunnen worden gedeeld maar
                    ook dat de ouders bijdragen in de kosten van levensonderhoud. Wel kunnen
                    studenten binnen de WSF 2000 en Wtos </al>
        <al>bijverdienen zonder dat dit invloed heeft op de hoogte van de
                    studiefinanciering. </al>
        <al>Uit praktische overwegingen wordt ervoor gekozen niet iedere maand te berekenen
                    of de inkomsten van het kind boven of onder de norm van een 21 jarige
                    thuiswonende alleenstaande ligt. In alle gevallen wordt een toeslag van 20%
                    verstrekt in plaats van 10%. </al>
        <al>
          <vet>Personen jonger dan 21 jaar</vet>
        </al>
        <al>Eventuele toeslagen in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud aan personen
                    jonger dan 21 jaar vinden plaats op grond van het beleid in het kader van de
                    bijzondere bijstand. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 4 </vet>
        </al>
        <al>Eerste lid </al>
        <al>In dit artikel is bepaald dat indien een echtpaar kosten kan delen er op de
                    bijstandsuitkering van dit echtpaar een verlaging wordt toegepast van 10% van
                    het wettelijk minimumloon. </al>
        <al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten
                    de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de
                    woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan nog verder gedeeld </al>
        <al>worden. Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden
                    niet van belang. </al>
        <al>Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf. Gekozen is voor een
                    verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm, ongeacht het aantal anderen dat in
                    de woning zijn hoofdverblijf heeft. </al>
        <al>Zijn er twee of meer inwoners, niet zijnde de kinderen, dan wordt onderzocht of
                    hier sprake is van bedrijfsmatige inkomsten, bijvoorbeeld uit het houden van een
                    pension of kamerverhuur. </al>
        <al>Tweede lid </al>
        <al>Bepaald is dat indien één of beide partners jonger zijn dan 21 jaar er geen
                    korting wegens kostendeling kan worden toegepast. Hiervoor zijn in de WWB reeds
                    lagere jongerennormen vastgesteld (artikel 20 WWB). Voorkomen wordt dat door
                    cumulatie een te lage norm wordt vastgesteld. </al>
        <al>Derde lid </al>
        <al>In het derde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm begrepen
                    zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het niet aannemelijk
                    is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden, niet meetellen als
                    personen die in de woning hun hoofdverblijf </al>
        <al>hebben. Verwezen wordt naar de toelichting op het vijfde lid van artikel 3. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 5</vet>
        </al>
        <al>Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te
                    verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is aanvullend
                    bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB. Ten opzichte </al>
        <al>van artikel 35 lid 1 Abw is artikel 27 WWB ruimer. Artikel 35 lid 1 Abw voorzag
                    enkel in een verlaging in het geval aan de door belanghebbende bewoonde woning
                    geen woonkosten verbonden waren. Blijkens de toelichting op 27 WWB is de
                    verruiming bedoeld om ook ingeval er helemaal geen woning wordt bewoond, een
                    verlaging te kunnen toepassen. </al>
        <al>In dit artikel is onder lid 1 een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan
                    de woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Van lagere
                    bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn bij de bewoning
                    van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden, bijvoorbeeld in het geval
                    van krakers. Hiervan is echter ook sprake ingeval een derde, bijvoorbeeld een
                    onderhoudsplichtige, de woonlasten betaalt van de woning. Er wordt dan een
                    woning bewoond waaraan voor de bijstandsgerechtigde geen woonkosten zijn
                    verbonden. Het financiële voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten
                    rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand. </al>
        <al>Het wordt nodeloos ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar
                    de mate waarin woonkosten ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk
                    lage woonkosten heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing
                    van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager </al>
        <al>vast te stellen. In de verordening wordt overigens niet het begrip 'woonkosten'
                    gehanteerd, maar 'huur of hypotheeklasten'. Het gaat hier niet om inwoning van
                    kinderen bij hun ouders. </al>
        <al>Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en
                    dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging van krachtens
                    dit artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de
                    Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip
                    woonkosten in de zin van artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7
                    en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.) </al>
        <al>In het tweede lid is bepaald dat indien de belanghebbende geen huur of hypotheek
                    lasten dient te voldoen, op de bijstandsuitkering een verlaging wordt toegepast
                    gelijk aan de normhuur conform de huursubsidiewet in mindering gebracht op de
                    uitkering. Deze normhuur is gelijk aan het bedrag </al>
        <al>waaronder geen recht op huursubsidie bestaat en bedraagt thans (2003/2004): </al>
        <al>* voor personen tot 66 jaar € 176,43; </al>
        <al>* voor een éénpersoonshuishouden van 66 jaar en ouder € 174,61; </al>
        <al>* voor een meerpersoons-huishouden van 66 jaar en ouder € 172,80. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 6</vet>
        </al>
        <al>Bepaald is dat gedurende het eerste half jaar dat een schoolverlater een beroep
                    doet op een bijstandsuitkering recht bestaat op de helft van de voor de
                    belanghebbende geldende bijstandsnorm. De bijstandsuitkering ligt veelal
                    aanmerkelijk hoger dan de bedragen voor levensonderhoud die in het kader van de
                    studiefinanciering gelden. Waar de belanghebbende tijdens de studie periode de
                    besteding heeft afgestemd op het beperkte inkomen uit studiefinanciering, nemen
                    zijn noodzakelijke kosten niet onmiddellijk toe als hij zijn studie beëindigt en
                    als schoolverlater op bijstand aangewezen raakt. De verlaging van de
                    bijstandsuitkering kan slechts plaatsvinden in de periode van een half jaar na
                    de beëindiging van de scholing of de </al>
        <al>beroepsopleiding. Dit betekent dat als betrokkene twee maanden na het beëindigen
                    van de scholing of de beroepsopleiding een beroep doet op bijstand nog 4 maanden
                    resteert waarover de schoolverlatersnorm wordt verstrekt. </al>
        <al>Is er sprake van een 21 of 22 jarige schoolverlater dan is artikel 3 lid 2 en 3
                    niet van toepassing. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 7 t/m 10</vet>
        </al>
        <al>In deze artikelen worden de uitvoering, de naam van de verordening en de
                    inwerkingtreding geregeld. Daarnaast is bepaald dat waar middels de verordening
                    niets is geregeld, burgemeester en wethouders beslissen. </al>
        <al>Voor de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie van
                    de wetgever, als gebruikt in de toelichting bij artikel 3 Invoeringswet WWB. </al>
        <al>De Toeslagenverordening is op grond van artikel 8 Tijdelijke referendumwet
                    referendabel. De datum van de inwerkingtreding van de verordening moet daarom,
                    met in acht name van artikel 22 Tijdelijke referendumwet, op tenminste 6 weken
                    na datum publicatie gesteld worden. </al>
        <al>Er is geen reden een spoedprocedure conform artikel 25 van deze wet te volgen.
                    De verordening is inhoudelijk grotendeels gelijk aan de vorige. </al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>