<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR58892_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Persoonsgebonden Budget Wsw</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beek</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-11-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Persoonsgebonden Budget Wsw</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet sociale werkvoorziening</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Indien de bekendmaking van deze regeling vóór 22-12-2010 niet heeft plaatsgevonden, dan geldt de bekendmaking in de Maas- en Geleenbode van 22-12-2010 als officiële bekendmaking van deze regeling zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Persoonsgebonden Budget Wsw</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>DE RAAD VAN DE GEMEENTE BEEK;</al><al/><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 13 mei 2008;</al><al/><al>gelet op het bepaalde in de Wet sociale werkvoorziening;</al><al/><al>B E S L U I T :</al><al/><al>de verordening Persoonsgebonden Budget Wsw vast te stellen.</al><al/><al><vet>Verordening Persoonsgebonden Budget Wsw</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>college: burgemeester en wethouders van de gemeente, waar de
                                aanvrager ingezetene is;</al></li><li nr="c."><al>gemeenten: de gemeenten die deel uitmaken van de Gemeenschappelijke
                                Regeling Vixia;</al></li><li nr="d."><al>Bestuur: Het Bestuur van het Gemeenschappelijke Regeling Vixia;</al></li><li nr="e."><al>aanvrager: de geïndiceerde, die ingezetene is van de gemeente
                                Sittard-Geleen, Stein, Beek of Schinnen, dan wel zijn
                                belangenbehartiger, die een persoonsgebonden budget aanvraagt;</al></li><li nr="f."><al>geïndiceerde: de persoon die krachtens een indicatiebeschikking van
                                het CWI is toegelaten de wet;</al></li><li nr="g."><al>belangenbehartiger: de persoon, die namens een geïndiceerde optreedt
                                op grond van een wettelijke toewijzing of een machtiging van de
                                geïndiceerde;</al></li><li nr="h."><al>dienstbetrekking: een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel
                                610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="i."><al>begeleid werken: plaatsing bij een reguliere werkgever met
                                begeleiding door een begeleidingsorganisatie;</al></li><li nr="j."><al>Rijkssubsidie: de uitkering aan de gemeente bedoeld in artikel 8 van
                                de wet;</al></li><li nr="k."><al>loonkostensubsidie: de periodieke subsidie aan de werkgever ter
                                dekking van het (bruto) loon en overige structurele en wettelijke
                                loonkosten;</al></li><li nr="l."><al>vergoeding: de periodieke vergoedingen die aan een
                                begeleidingsorganisatie worden verstrekt in het kader van
                                begeleiding van de geïndiceerde in zijn werkzaamheden;</al></li><li nr="m."><al>uitvoeringskosten: het totaal aan kosten voor de uitvoerende
                                organisatie die gemoeid zijn met de uitvoering van het
                                persoonsgebonden budget;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- De hoogte van de rechtstreeks aan de subsidieverlening
                            verbonden uitvoeringskosten</titel></kop><al>Het Bestuur stelt elk jaar vóór 31 december de hoogte vast van de
                        rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten voor elk
                        te verstrekken persoonsgebonden budget voor het daaropvolgende
                        kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Verstrekkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt op aanvraag ten behoeve van een begeleid
                            werkenplaats een persoonsgebonden budget aan iedere geïndiceerde,
                            die</al><lijst><li nr="a."><al>krachtens de wet recht heeft op een persoonsgebonden budget,
                                    en</al></li><li nr="b."><al>een werkgever en een begeleidingsorganisatie aandraagt, die
                                    voldoen aan de in artikel 4 genoemde voorwaarden en
                                    vereisten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van het op jaarbasis totaal te verstrekken bedrag van het
                            persoonsgebonden budget bedraagt niet meer dan het bedrag bedoeld in
                            artikel 7, tweede lid, onder b, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget kan bestaan uit loonkostensubsidie aan de
                            werkgever, een vergoeding van de kosten van de begeleiding aan de
                            begeleidingsorganisatie, een vergoeding voor aanpassingen aan de
                            werkplek en een vergoeding als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan op aanvraag éénmalig een vergoeding verstrekken voor de
                            inschakeling van een begeleidingsorganisatie bij het vinden van een
                            werkgever, wanneer en nadat ook daadwerkelijk een arbeidsovereenkomst is
                            getekend, tot een maximum van 10% van de overeengekomen
                            loonkostensubsidie op jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ingangsdatum van de verstrekkingen wordt gesteld op de ingangsdatum
                            van het dienstverband, doch niet eerder dan de datum van de
                            aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Voorwaarden en vereisten voor een adequate werkplek en
                            begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werkgever en de begeleidingsorganisatie dragen zorg voor een
                            werkplek, die</al><lijst><li nr="a."><al>passend is, gelet op de indicatiestelling en de beperkingen en
                                    mogelijkheden van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de arbonormen;</al></li><li nr="c."><al>ruimte en mogelijkheden biedt voor de aanvrager om zijn
                                    arbeidsbekwaamheden verder te ontwikkelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zo nodig dragen de werkgever en de begeleidingsorganisatie zorg voor
                            aanpassingen aan de werkplek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De werkgever en de begeleidingsorganisatie zetten zich in om de
                            arbeidsbekwaamheden van de aanvrager te verbeteren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De werkgever </al><lijst><li nr="a."><al>is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="b."><al>draagt er zorg voor dat de werkplek en de werkomstandigheden
                                    voldoen aan de arbonormen;</al></li><li nr="c."><al>ziet toe op de integratie van de aanvrager op de werkplek onder
                                    collega’s;</al></li><li nr="d."><al>biedt de aanvrager een salaris en overige arbeidsvoorwaarden die
                                    op zijn minst conform de voor de bedrijfstak geldende CAO
                                    zijn;</al></li><li nr="e."><al>werkt mee aan de uitvoering van het Individuele
                                    Ontwikkelingsplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De begeleidingsorganisatie</al><lijst><li nr="a."><al>is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="b."><al>houdt kantoor of heeft een permanente vestiging in de provincie
                                    Limburg;</al></li><li nr="c."><al>zet medewerkers in die zijn gekwalificeerd voor het begeleiden
                                    van geïndiceerden voor wie het persoonsgebonden budget is
                                    bestemd, specifiek gericht op de indicatiestelling van de
                                    aanvrager;</al></li><li nr="d."><al>heeft aantoonbare kennis en ervaring in het werkveld;</al></li><li nr="e."><al>beschikt over methodieken ter behoud en bevordering van de
                                    arbeidsbekwaamheden van de aanvrager, en past deze ook toe;</al></li><li nr="f."><al>stelt bij aanvang van de arbeidsovereenkomst een
                                    begeleidingsplan voor de aanvrager op;</al></li><li nr="g."><al>stelt uiterlijk 3 maanden na de aanvang van de
                                    arbeidsovereenkomst een Individuele Ontwikkelingsplan op voor de
                                    aanvrager;</al></li><li nr="h."><al>rapporteert periodiek aan de gemeente inzake de voortgang van
                                    het individuele ontwikkelingsplan;</al></li><li nr="i."><al>staat garant voor de levering van het vooraf overeengekomen
                                    niveau van begeleiding in tijd en kwaliteit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De duur van het dienstverband is tenminste 24 maanden, met een
                            mogelijkheid tot verlenging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- De wijze van vaststellen van de loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Het college stelt de hoogte van de loonkostensubsidie vast.</al></li><li nr="b."><al>De aanvrager voegt een voorstel voor de hoogte van de
                                    loonkostensubsidie toe bij zijn aanvraag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De loonkostensubsidie kan zonder meer worden vastgesteld, indien de
                            voorgestelde loonkostensubsidie</al><lijst><li nr="a."><al>niet hoger is dan 50% van het bruto loon van de aanvrager of in
                                    redelijke overeenstemming is met de indicatiestelling, en</al></li><li nr="b."><al>het totaal aan loonkostensubsidie, vergoedingen voor de
                                    begeleidingskosten en vergoedingen voor aanpassingen aan de
                                    werkplek niet meer bedragen dan het voor het persoonsgebonden
                                    budget beschikbare bedrag als omschreven in artikel 7, tweede
                                    lid, onder b, van de wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de loonkostensubsidie hoger is dan het percentage, genoemd in
                            lid 2, onder a, of niet in redelijke overeenstemming is met de
                            indicatiestelling, wordt de aanvrager terugverwezen naar de beoogde
                            werkgever om tot een nieuw voorstel voor loonkostensubsidie te
                            komen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer het nieuwe voorstel nog steeds een hoger percentage behelst, kan
                            de gemeente een nader onderzoek instellen of laten instellen, en op
                            basis van dat onderzoek een loonkostensubsidie vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Afdelingen 4.2.3 en 4.2.4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
                            toepassing, tenzij hier anders is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Herziening van de loonkostensubsidie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het besluit tot vaststellen van een loonkostensubsidie wordt een
                                termijn gesteld, waarop het bedrag van de loonkostensubsidie wordt
                                herzien in het licht van de ontwikkeling van de
                                arbeidsproductiviteit van de aanvrager.</al></li><li nr="2."><al>a. Op verzoek van de werkgever kan een loonkostensubsidie worden
                                herzien als hier, gelet op de arbeidsproductiviteit van de
                                aanvrager, aanleiding voor is.</al><al>b.Een dergelijk verzoek moet worden onderbouwd met een advies van de
                                begeleidingsorganisatie.</al></li><li nr="3."><al>De loonkostensubsidie kan ambtshalve worden gewijzigd, als hier een
                                gerede aanleiding toe is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Vergoeding voor de kosten van de begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college en de begeleidingsorganisatie leggen in een overeenkomst
                            vast:</al><lijst><li nr="a."><al>de prestaties die de begeleidingsorganisatie zal leveren;</al></li><li nr="b."><al>de vergoeding die het college daartegenover stelt;</al></li><li nr="c."><al>de rechten en plichten van zowel het college als de
                                    begeleidingsorganisatie;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop de vergoeding kan worden gewijzigd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in aanmerking te nemen kosten worden beoordeeld op basis van het
                            begeleidingsplan, bedoeld in artikel 4, zesde lid, onder f.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het aantal uren aan begeleiding dat wordt vergoed bedraagt maximaal 10%
                            van het aantal uren dat door de aanvrager bij de werkgever wordt
                            gewerkt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Reiskosten en reistijd kunnen geheel of gedeeltelijk worden vergoed,
                            indien</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een specialistische begeleiding, en</al></li><li nr="b."><al>deze begeleiding wordt verzorgd door een begeleidingsorganisatie
                                    die niet is gevestigd in de provincie Limburg, en</al></li><li nr="c."><al>deze begeleiding niet kan worden verzorgd door een
                                    begeleidingsorganisatie uit de provincie Limburg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college regelt de wijze van uitbetaling van de vergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Vergoeding voor aanpassingen aan de werkplek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een noodzaak voor aanpassingen aan de werkplek noodzakelijk
                            worden geacht, en tevens wanneer voorzieningen voor woonwerkvervoer
                            noodzakelijk worden geacht, wordt het UWV verzocht een arbeidskundig
                            onderzoek in te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien uit dit onderzoek aanpassingen en voorzieningen noodzakelijk
                            blijken, wordt de aanvrager geacht bij het UWV een aanvraag in te dienen
                            voor een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover het UWV niet voorziet in een voorziening, kan het college een
                            vergoeding vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aanpassingen, waarbij de maandelijkse vergoeding hiervoor leidt tot een
                            overschrijding van het voor het persoongebonden budget maximaal
                            beschikbare bedrag, worden niet vergoed. De werkplek wordt dan niet als
                            passend beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het derde lid laat onverlet, dat in bijzondere gevallen een vergoeding
                            uit andere middelen dan de Rijkssubsidie kan worden bezien.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Kosten voor aanschaf van apparatuur, kosten voor de werkplek en kosten
                            voortvloeiend uit arbowetgeving, die de werkgever uit hoofde van normaal
                            en goed werkgeverschap voor iedere werknemer zou moeten maken, komen
                            niet in aanmerking voor vergoeding door het college.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De gemeente, in casu de GR Vixia, behoudt zich het recht voor, om nader
                            onderzoek uit te voeren of te laten uitvoeren.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Van de werkgever wordt een redelijke bijdrage verlangd.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De hoogte van de vergoeding, voor zover deze ten laste komen van het
                            voor het persoonsgebonden budget beschikbare bedrag, dient in redelijke
                            verhouding te staan tot de duur van de arbeidsovereenkomst en de
                            afschrijvingskosten van de aanpassingen, gelet op artikel 3, tweede
                            lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Indienen van de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een persoonsgebonden budget wordt ingediend door de
                            aanvrager zelf, dan wel zijn belangenbehartiger namens hem, door middel
                            van een volledig ingevuld aanvraagformulier en vergezeld van de
                            gevraagde bijlagen. De aanvraag wordt mede-ondertekend door de werkgever
                            en de begeleidingsorganisatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het aanvraagformulier wordt door het Bestuur vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist over de aanvraag binnen 8 weken na ontvangst van
                            alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan deze beslissing met ten hoogste 8 weken verdagen. Het
                            college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>- Mandatering</titel></kop><al>Het college mandateert het Bestuur van de GR Vixia tot het beslissen over
                        aanvragen van persoonsgebonden budgetten, waaronder begrepen het vaststellen
                        van de loonkostensubsidie en de vergoedingen aan de begeleidingsorganisatie
                        en vergoedingen van kosten van de aanpassingen aan de werkplek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- Het besluit tot vaststellen van de loonkostensubsidie</titel></kop><al>1.Het besluit tot vaststelling van een loonkostensubsidie bevat in ieder
                        geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van de loonkostensubsidie en de wijze waarop deze kan
                                worden aangepast;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt
                                verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de wijze van betaling van de subsidie;</al></li><li nr="d."><al>de verplichtingen van de werkgever.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>- Slotbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening Persoonsgebonden
                        Budget Wsw</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt op 1 juli 2008 in werking.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad der gemeente Beek in zijn openbare vergadering
                        van 24 juni 2008.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De raadsgriffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>Drs. G.H.M. Erven drs. A.M.J. Cremers</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><al/><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al/><al>Met ingang van 1 januari 2008 is de Wsw gewijzigd. Hiermee is ook de
                    mogelijkheid van het persoonsgebonden budget (PGB) ingevoerd, en wel in artikel
                    7 van de Wsw.</al><al>De gemeenten, die deelnemen in de Gemeenschappelijke Regeling Vixia, te weten
                    Sittard-Geleen, Stein, Beek en Schinnen, hebben de uitvoering overgedragen aan
                    Vixia BV.</al><al>Bij de inrichting van het PGB hebben de vier gemeenten twee uitgangspunten
                    gesteld:</al><lijst><li nr="1."><al>De uitvoering dient zo eenvoudig mogelijk te blijven.</al></li><li nr="2."><al>Ook in een BW-plaats via een PGB dient de “beweging van binnen naar
                            buiten” te worden gevolgd. Anders gezegd, er dient continu te worden
                            gestreefd naar een verbetering van de arbeidsbekwaamheden van de
                            geïndiceerde.</al></li></lijst><al>De gemeente dient bij verordening vast te stellen, op welke wijze en onder welke
                    voorwaarden het PGB wordt verstrekt.</al><al>Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder a, van de Wsw zijn er twee groepen van
                    geïndiceerden, aan wie de gemeente een PGB móet verstrekken: 1) geïndiceerden,
                    die al werkzaam zijn en 2) geïndiceerden die vanwege hun plaats op de wachtlijst
                    (en het plaatsingsbeleid) recht hebben op plaatsing.</al><al>Dit geldt echter alleen, wanneer de door de geïndiceerde (of
                    begeleidingsorganisatie) aangedragen werkplek en begeleiding adequaat zijn in
                    die zin, dat voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden en vereisten.</al><al>De geïndiceerde heeft geen recht op een bepaald budget. De hoogte van het budget
                    wordt door het Bestuur vastgesteld.</al><al>De wet geeft een maximum bedrag aan dat voor het PGB beschikbaar is. Het Bestuur
                    mag een hoger bedrag beschikbaar stellen, doch het meerdere boven het wettelijke
                    maximum komt dan voor rekening van de gemeenten. De gemeenten hebben ervoor
                    gekozen, om zich te limiteren tot het wettelijke maximum.</al><al>Het initiatief bij een plaatsing via een PGB ligt geheel bij de geïndiceerde
                    zelf, of zijn belangenbehartiger. Anders dan bij een “gewone” BW-plaats is het
                    niet het sw-bedrijf, dat een werkgever zoekt. De geïndiceerde moet zelf een
                    werkgever vinden. Hij heeft ook het recht om zelf een begeleidingsorganisatie
                    aan te wijzen.</al><al>Dit schept voor de geïndiceerde de mogelijkheid, om vanuit een eigen netwerk een
                    werkplek te vinden.</al><al>Bij toekenning van het PGB gaat de gemeente verschillende relaties aan.</al><al>Met de geïndiceerde zelf, als aanvrager van het PGB. De geïndiceerde heeft geen
                    bijzondere verplichtingen ten aanzien van het PGB. Hij blijft echter wel
                    gehouden aan de verplichtingen zoals aangegeven in artikel 6 van de Wsw, op
                    straffe van intrekking van de indicatie. En uiteraard zijn verplichtingen
                    tegenover zijn werkgever.</al><al>Met de werkgever ontstaat een subsidierelatie.</al><al>Daarom dient de werkgever de aanvraag mede te ondertekenen. Op deze
                    subsidieverlening zijn de ter zake doende bepalingen van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit leidt tot verplichtingen van de
                    werkgever ten aanzien van de vaststelling van de subsidie, naast zijn
                    verplichtingen ten aanzien van zijn werkgeverschap.</al><al>Met de begeleidingsorganisatie ontstaat een contractrelatie.</al><al>Daarom dient de begeleidingsorganisatie vooraf aan te geven, welke prestatie zij
                    zullen leveren. Op basis daarvan wordt het bedrag van de te vergoeden kosten
                    bepaald.</al><al/><tussenkop><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 2 - De hoogte van de rechtstreeks aan de subsidieverlening
                    verbonden </tussenkop><tussenkop> uitvoeringskosten</tussenkop><al>De uitvoering gebeurt in het gezamenlijke verband van het werkvoorzieningschap
                    Vixa. Daarom stelt het Bestuur de uitvoeringskosten vast. Deze kosten worden
                    jaarlijks vastgesteld, onder andere vanwege indexeringen van loonkosten.</al><tussenkop>Artikel 3 - Verstrekkingen</tussenkop><al>Het maximum bedrag wordt bepaald op – grofweg – het subsidiebedrag per SE (in
                    2008 was dat € 25.337,00) minus de ex artikel 2 vastgestelde uitvoeringskosten.
                    De rest is beschikbaar voor de in het derde lid genoemde onderdelen.</al><al>Dit leidt ertoe, dat bij de vaststelling van de bedragen voor de verschillende
                    onderdelen de totale som moet worden bezien. Daarbij geldt in het algemeen de
                    regel, dat een lagere productiviteit samenhangt met een grotere beperking van de
                    arbeidsbekwaamheden. Dit leidt tot een hogere loonkostensubsidie én een grotere
                    behoefte aan begeleiding.</al><al>Een hoge loonkostensubsidie gaat dus vaak samen met hoge kosten voor begeleiding
                    (en mogelijk ook voor aanpassingen).</al><al>Geïndiceerden met een lage productiviteit komen hierdoor niet snel in aanmerking
                    voor een PGB.</al><al>In beginsel behoort een vergoeding voor het zoeken naar een werkgever niet tot
                    het PGB. Maar wanneer dit tot een arbeidsovereenkomst leidt, kan alsnog daartoe
                    worden overgegaan. Feitelijk is er sprake van een “no cure no pay”, waarbij het
                    risico bij de begeleidingsorganisatie en/of de geïndiceerde ligt.</al><al>Wanneer wel een vergoeding wordt verstrekt, wordt deze gemaximeerd tot 10% van
                    de overeengekomen loonkostensubsidie. Het minimum is het bedrag dat de
                    begeleidingsorganisatie opgeeft.</al><al>Door de vergoeding te relateren aan de loonkostensubsidie wordt bereikt, dat het
                    vinden van een BW-plaats voor een geïndiceerde met een lage
                    arbeidsproductiviteit beter beloond wordt (want dan is de loonkostensubsidie
                    hoger) dan voor een geïndiceerde met een hoge productiviteit. Aangenomen wordt,
                    dat het voor “laag-productieven” moeilijker is om een BW-plaats te vinden dan
                    voor “hoog-productieven”.</al><tussenkop>Artikel 4 - Voorwaarden en vereisten voor een adequate
                    werkplek en begeleiding</tussenkop><al>Dit artikel vormt de kern van de PGB.</al><al>Ook een BW-plaats bij een reguliere werkgever in het kader van de Wsw, is een
                    dienstbetrekking ingevolge het Burgerlijk Wetboek. Deze is dan ook onverkort van
                    toepassing.</al><al>De criteria ten aanzien van de werkgever dienen niet te strikt, maar ook niet te
                    los te zijn.</al><al>Te strikte, of uitgebreide eisen kunnen ertoe leiden, dat minder werkgevers
                    adequaat worden bevonden. Te soepele, of beperkte eisen kunnen juist ertoe
                    leiden, dat geïndiceerden op ongeschikte plekken terecht komen.</al><al>Belangrijker zijn de eisen aan de begeleidingsorganisatie. Uiteindelijk zijn zij
                    er voor verantwoordelijk, dat de geïndiceerde in staat is, in staat zal blijven
                    en vooral beter in staat zal worden om de werkzaamheden uit te voeren. De
                    arbeidsbekwaamheden, en daarmee de arbeidsproductiviteit van de geïndiceerde
                    dient een stijgende lijn te vertonen. </al><al>Van de begeleidingsorganisatie wordt dan ook deskundigheid en vakbekwaamheid
                    verlangd. In principe is de begeleider enerzijds een soort van
                    vertrouwenspersoon voor de geïndiceerde en anderzijds de “ogen en oren” van de
                    gemeente.</al><al>De gemeente er op kunnen vertrouwen, dat de begeleidingsorganisatie betrouwbare
                    rapportages levert en de afspraken nakomt.</al><al>De voorwaarde van vestiging in de provincie Limburg heeft een geografisch
                    motief, met het oog op het feit, dat de gemeente geen reiskosten vergoed. Ook
                    het culturele motief speelt mee, nu er een vertrouwensrelatie moet ontstaan met
                    de geïndiceerde en een hechte samenwerking met de werkgever.</al><tussenkop>Artikel 5 - De wijze van vaststellen van de
                    loonkostensubsidie</tussenkop><al>De gemeente beslist, maar de geïndiceerde moet zelf het voorstel doen.</al><al>De genoemde grenzen dienen de vereenvoudiging van de uitvoering. De maximum
                    grens is gekozen om enerzijds niet zo hoog te zijn, dat er nauwelijks middelen
                    overblijven voor vergoedingen, anderzijds niet zo laag, dat de gemeente in een
                    meer dan gewenste aantal gevallen toch een onderzoek moet doen.</al><al>Het laatste leidt tot hogere uitvoeringskosten, en dus lager PGB-budget, en tot
                    een langere beslistermijn.</al><tussenkop>Artikel 6 - Herziening van de
                    loonkostensubsidie</tussenkop><al>De werkgever kan een aanspraak maken op een loonkostensubsidie zolang het
                    dienstverband voortduurt. Voorheen kon slechts gedurende een aantal jaren van
                    deze subsidie gebruik worden gemaakt. </al><al>Dit betekent niet, dat een eenmaal vastgestelde subsidie ook op dat bedrag vast
                    blijft staan. Immers, de bedoeling is, dat de geïndiceerde een steeds hogere
                    arbeidsproductiviteit bereikt. Dit leidt er dan toe, dat de loonkostensubsidie
                    navenant moet worden bijgesteld. </al><al>Anderzijds kan het gebeuren, dat de arbeidsproductiviteit aan het begin van het
                    dienstverband te hoog was ingeschat. </al><al>Daarom blijft de mogelijkheid open, om de hoogte van de loonkostensubsidie te
                    wijzigen.</al><tussenkop>Artikel 7 - Vergoeding voor de kosten van de
                    begeleiding</tussenkop><al>Omdat de gemeente een vergoeding betaalt voor een door de
                    begeleidingsorganisatie te leveren prestatie, is er sprake van een
                    contractrelatie. Daarom ontvangt de begeleidingsorganisatie geen beschikking,
                    maar een overeenkomst.</al><al>De noodzakelijke begeleiding is afhankelijk van de beperking van de
                    geïndiceerde. Het percentage geldt als richtgetal: 10% komt overeen met één
                    dagdeel per volledige werkweek.</al><al>In de praktijk blijkt vaak één of twee uren per week te volstaan.</al><al>De soort begeleiding verschilt ook per geval. Een geïndiceerde kan behoefte
                    hebben aan een dagelijkse bezoek van de begeleider op zijn werkplek, voor een
                    ander volstaat een telefoontje per week.</al><al>Ook dit vertaalt zich terug in de kosten.</al><al>En in sommige gevallen is specialistische begeleiding noodzakelijk.</al><tussenkop>Artikel 8 - Vergoeding voor aanpassingen aan de
                    werkplek</tussenkop><al>Het UWV stelt voorzieningen beschikbaar voor personen met een beperking, die hen
                    belemmert bij hun werk. Deze voorziening is voor een ieder beschikbaar, die
                    beperkingen heeft die langer dan een jaar aanwezig zijn, de voorziening nodig is
                    voor het uitoefen van werk of het vinden van werk, en de voorziening meer kost
                    dan € 114,00 (normbedrag 2008).</al><al>Er is ook een inkomensgrens: het <cursief>gezinsinkomen </cursief>mag niet hoger
                    zijn dan € 32.300,00 bruto.</al><al>Een verdere voorwaarde is, dat de noodzaak van de voorziening moet blijken uit
                    een door het UWV uitgevoerd arbeidskundig onderzoek.</al><al>Het UWV stelt deze voorziening ook beschikbaar voor vervoersvergoedingen.</al><al>Degene, die de voorziening nodig heeft, dient deze zelf aan te vragen. Het UWV
                    heeft hiervoor een aanvraagformulier.</al><al>Pas wanneer het UWV een aanvraag niet honoreert, maar aanpassingen desondanks
                    noodzakelijk worden geacht, kunnen de kosten hiervoor uit het PGB worden
                    gefinancierd.</al><al>Aanpassingen aan de werkplek betreffen in beginsel kosten, die al bij aanvang
                    van het dienstverband in zijn geheel moeten worden voldaan. Te denken valt aan
                    aangepast meubilair, of ICT-aanpassingen, enzovoort. Dit zijn vaste kosten. Er
                    zijn ook aanpassingen denkbaar, die zich gedurende het dienstverband aandienen,
                    bijvoorbeeld het zorgen voor een bepaalde temperatuur of klimaat. Dit zijn
                    variabele kosten.</al><al>De variabele kosten kunnen eenvoudig worden vastgesteld op basis van het aantal
                    te werken uren.</al><al>De vaste kosten kunnen tot een zodanig hoog bedrag oplopen, dat deze niet ineens
                    uit de subsidie (op jaarbasis) kunnen worden voldaan.</al><al>In dat geval worden deze kosten in het PGB-bedrag opgenomen voor de
                    afschrijvingskosten van de aanpassingen, en rekening houdend met de duur van de
                    arbeidsovereenkomst.</al><al>In beginsel wordt van de werkgever verwacht, dat hij deze kosten op zich neemt.
                    Hij is dan ook eigenaar van de aanpassingen.</al><al>Als dit niet mogelijk is, kan worden bezien of de gemeente, bij wijze van
                    voorschot, deze kosten geheel of gedeeltelijk op zich neemt. In dat geval komen
                    de afschrijvingskosten, die voor de aanpassingen in het PGB zijn opgenomen, ten
                    gunste van de gemeente. De gemeente is ook eigenaar van de aanpassingen.</al><al>Andere vormen van financiering zijn mogelijk, zoals lease of huur.</al><tussenkop>Artikelen 9 en 10 - Indienen van de aanvraag, en
                    Beslistermijn</tussenkop><al>De bijlagen bestaan in ieder geval uit stukken van de werkgever en van de
                    begeleidingsorganisatie, waaruit moet blijken of aan zij aan de voorwaarden en
                    vereisten voldoen.</al><al>De termijnen zijn conform de Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 11 - Mandatering</tussenkop><al>Het college blijft formeel verantwoordelijk voor de uitvoering. Omdat de
                    uitvoering is overgedragen aan de GR Vixia, is het Bestuur te mandateren voor de
                    besluiten. Eventueel kan een submandatering worden verleend aan een functionaris
                    van Vixia BV.</al><al>Ten aanzien van de verstrekking van loonkostensubsidie is er sprake van een
                    verstrekking als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. </al><tussenkop>Artikel 12 - Het besluit tot vaststellen van de
                    loonkostensubsidie</tussenkop><al>Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.</al><al>Er is gekozen om de subsidie direct vast te stellen, en niet eerst via een
                    verlening te bevoorschotten.</al><al>De reden hiervoor is een vereenvoudiging van de uitvoering. Dit is één van de
                    uitgangspunten in de opzet van het PGB.</al><al>Ter controle dienen de periodieke gesprekken, die de casemanagers hebben met de
                    begeleidingsorganisatie, de werkgever en de geïndiceerde zelf. De frequentie van
                    deze gesprekken is afhankelijk van de individuele omstandigheden.</al><al>In de beschikking wordt de werkgever verplicht om melding te maken van
                    omstandigheden, die tot een ander bedrag van de loonkostensubsidie kunnen
                    leiden.</al><al>In de overeenkomst met de begeleidingsorganisatie is ook een dergelijke
                    verplichting opgenomen.</al><al>De verordening maakt het mogelijk, om de loonkostensubsidie op elk moment te
                    kunnen wijzigen.</al><al>Op deze wijze wordt toegezien op een juiste verstrekking van
                    loonkostensubsidie.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>