<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR58795_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening Gemeente Kerkrade 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zuid-Limburger 04-03-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening Gemeente Kerkrade 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Brandweerwet 1985, artikel 12</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-02-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-03-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09Rb0003</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Brandbeveiligingsverordening gemeente Kerkrade 1993</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening gemeente Kerkrade 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad besluit vast te stellen de:</al><al>Brandbeveiligingsverordenig gemeente Kerkarde 2009</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a. een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaats voor zover die geen bouwwerk is; </al><al>b. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of te houden, voor zover daarin: </al><al> a. meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn; </al><al>b. aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al><al> c. aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10 lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal worden verschaft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt .</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van inzichten of verandering van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de gebruiksvergunning. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van de Inrichting niet brandveilig is en door het stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen 2.1, 2.2 en 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn analoog van toepassing. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen 2.4, 2.5 2.6, 2.7 2.8 en 2.9 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn analoog van toepassing .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweer te melden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een ander terrein, dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Overgangs-en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel/></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door het college aangewezen ambtenaren. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De brandbeveiligingsverordening van 28 april 1993 wordt ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de brandbeveiligingsverordening van 28 april 1993 en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening worden aangemerkt als vergunning krachtens deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om vergunning op grond van de brandbeveiligingsverordening van 28 april 1993 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om vergunning krachtens de brandbeveiligingsverordening van 28 april 1993 wordt beslist met toepassing van deze verordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van haar bekendmaking. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als brandbeveiligingsverordening Gemeente Kerkrade 2009. </al><al/></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering van 18 februari 2009.</ondertekening><ondertekening>De burgemeester, de griffier</ondertekening><ondertekening>J.J.M. Som mr. drs. H.J.W. Jacobs-van Dongen</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel>Toelichting op de brandbeveiligingsverordening</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al> De wetgever geeft in de Brandweerwet 1985 de raad de  opdracht bij verordening regels vast te stellen omtrent het voorkomen, beperken  en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en  beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt, voor  zover daarin niet bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet is voorzien.  De wetgever heeft ook de titel van de verordening bepaald:  brandbeveiligingsverordening.  </al><al/><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen 'voor zover daarin bij of  krachtens de Woningwet of enige andere wet is voorzien'. Hierop moet bij het  stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente zich  telkens weer afvragen in hoeverre een wet voorziet of mede (indirect) voorziet  in de brandveiligheid die in de Brandweerwet 1985 als opdacht aan het college is  opgedragen. Als dit het geval is gaat die wet als juridische basis voor op de  Brandweerwet 1985. Het kan ook zijn dat de gemeente niet bevoegd is om eisen te  stellen. Een bekend voorbeeld is een bedrijfshulpverleningsorganisatie die tot  doel heeft werknemers te beschermen tegen gevaren, waaronder brandgevaar. Dit is  een aangelegenheid die regeling vindt in de Arbeidsomstandighedenwet. Het rijk  is hier het bevoegd gezag. De gemeente kan daarom geen eisen stellen aan een  organisatie die tot doel heeft in de (brand)veiligheid van werknemers te  voorzien. Gemeenten zijn in dit geval afhankelijk van anderen of en in hoeverre  zaken goed zijn geregeld. Met andere woorden: de brandbeveiligingsverordening is  een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen die noodzakelijk zijn maar  waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat een gemeente op basis van  de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet er onderzoek plaatsvinden  naar wetgeving die mogelijk van toepassing zou kunnen zijn en van rechtswege  voorrang heeft. In de dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal  standaard gevallen waarbij van tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.  </al><al/><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij  regelt de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld.  Dit is weliswaar een beperking, maar wel van een open bron. Bij het  gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het  namelijk om 'niet-bouwwerken'. Het kan gaan om bijvoorbeeld een omheind weiland  of een los met de wal verbonden drijvend hotel of discotheek. De omschrijving in  de Brandweerwet 1985 zelf kent een beperking van doel, n.l. brandveiligheid,  maar behoudens door andere wetgeving, geen beperking van object, de omschrijving  is van toepassing op de gehele omgeving.  Voor zo'n object is het vanwege het  feit dat niet van tevoren duidelijk is waarom het gaat, moeilijk concrete regels  te maken. Veel objecten lijken evenwel op bekende zaken. Analoog daaraan kunnen  eisen worden gesteld, afhankelijk van een specifieke situatie. Als voorbeeld  dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk geval het  Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit en de bouwverordening c.q. de Woningwet van  toepassing. Door de definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en  de toepassing ervan in het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit, dat is gekozen  naar aanleiding van de definitie van het begrip bouwen in de Woningwet, is een  constructie die drijft op het water meestal geen bouwwerk in de zin van de  Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met de grond verbonden object is de  Woningwet het juridisch kader, voor hetzelfde object dat drijft is de  brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor de brandveiligheid). Een  ander voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde plaats staat kan een  bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde tent tijdens een  kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond van de  brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld.  Over de lastige  vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede aan de hand van  staande jurisprudentie, een uitgebreide toelichting  Het spreekt voor zich  dat gemeenten bij de uitvoering van de brandbeveiligingsverordening de nodige  zorg moeten betrachten, vooral omdat de regels van de  brandbeveiligingsverordening met hun algemene omschrijving van geval tot geval  in concrete eisen moeten worden omgezet.  </al><al/><al><vet>Bouwwerk of geen bouwwerk</vet></al><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de  brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor  voorschriften betreffende het oprichten en veranderen van bouwwerken (zoals  gebouwen), de technische staat van bestaande bouwwerken en standplaatsen en het  gebruik van bouwwerken. De beperking als gevolg van het bepaalde in de Woningwet  laat zich het best omschrijven door de definities van de begrippen.   1. bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of  veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk  oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats;   2. gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel  of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;  3. standplaats: een kavel,  bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn  die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van  gemeenten kunnen worden aangesloten.  </al><al/><al><vet>Bouwwerk</vet></al><al> Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet  niet, de VNG houdt in de model bouwverordening een in de jurisprudentie  aanvaarde definitie aan:  - bouwwerk: elke constructie van enige omvang van  hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij  direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect  steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.  Aan  de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk  </al><al>1)  constructie, </al><al> 2) van enige omvang,  </al><al>3) met de grond verbonden,  </al><al>4)  bedoeld om ter plaatse te functioneren </al><al> wordt bepaald op een object een  bouwwerk is of niet.  Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide  jurisprudentie, het is niet zonder meer duidelijk wanneer aan de vier  voorwaarden wordt voldaan om tot de conclusie te komen dat een object een  bouwwerk is. Een uitgebreide opsomming van jurisprudentie kunt u vinden in de  toelichting op de Model-bouwverordening van de 'Standaardregelingen in de bouw'  (Sdu uitgevers bv, Den Haag).</al><al/><al><vet>Gebruiksvergunning</vet></al><al>  De brandbeveiligingsverordening kent een  gebruiksvergunningenstelsel voor die situaties die uit een oogpunt van  brandveiligheid meer dan gebruikelijke aandacht behoeven. Gezien de zo grote  verscheidenheid aan situaties is er niet voor gekozen een meldingsplicht i.p.v.  vergunningsplicht in te stellen omdat tussen die situaties dan bij voorbaat  onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de  brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden  voldaan.  Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe  werking van de verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of  eisen van toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor  zover die geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor één woord:  inrichting. </al><al/><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet  goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen  van een vergunning vormvrij.  Het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit geven  richtlijnen voor de te stellen voorwaarden. Langs die lijnen (analoog) moet met  verstand van zaken worden gehandeld.  Aan een los aangemeerde drijvende  hotelboot bijvoorbeeld kunt u dezelfde brandveiligheidseisen stellen als aan een  vast met de wal verbonden drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de  bouwverordening en de Woningwet). Voor de goede orde voor de laatstgenoemde  'boot' kunt u eisen stellen aan energiezuinigheid etc. op grond van het  Bouwbesluit. Aan de eerstgenoemde 'boot' kan dit niet omdat deze immers geen  bouwwerk is in de zin van de bouwverordening en de Woningwet.  </al><al/><al><vet>Toezicht op de naleving</vet></al><al>  In artikel 5:11 van de Algemene wet  bestuursrecht (Awb) wordt aangegeven dat onder toezichthouder wordt verstaan:  een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een wettelijk voorschrift is belast  met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens  enig wettelijk voorschrift. Een persoon die aangewezen is als toezichthouder  beschikt in beginsel over alle in afdeling 5.2 van de Awb opgenomen  bevoegdheden. Op grond van artikel 5:14 van de Awb kunnen deze bevoegdheden bij  verordening of bij besluit van het college worden beperkt. In dit verband is  tevens artikel 5:16a van de Awb van belang. Hierin staat beschreven dat een  toezichthouder bevoegd is van personen inzage te vorderen van een  identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.  Het college wijst in verband met het bepaalde in artikel 1, lid 6 van de  Brandweerwet 1985 in elk geval de brandweer aan als gemeentelijke dienst belast  met het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening Tevens  kunnen ook andere personen met het toezicht op de naleving worden belast, zoals  ambtenaren van het bouw- en woningtoezicht en de regionale brandweer. Aanwijzing  betekent niet dat zij tevens opsporingbevoegd zijn.  </al><al>Een bepaling over  buitengewone opsporingsambtenaren is overbodig en in strijd met Aanwijzing 92  van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Immers, in artikel 142,  eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering, is onder meer  bepaald dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon  opsporingsambtenaar zijn belast de personen die bij verordeningen zijn belast  met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten  betreft en de personen zijn beëdigd. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren  hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen, is een nadere  regeling niet nodig. De aanwijzing als toezichthouder is de grondslag voor de  aanwijzing als buitengewoon opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de  buitengewone opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij  toezichthouder zijn. Zij dienen op grond van het Besluit buitengewoon  opsporingsambtenaar aan eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid te voldoen  en te zijn beëdigd door de procureur-generaal.  </al><al/><al><vet>Strafbepaling  </vet></al><al>Op overtreding van de regels van deze verordening  kan op grond van artikel 23 van de Brandweerwet 1985 als straf worden gesteld  hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>