<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR58414_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening wet inburgering</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ommelander courant, 20-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening wet inburgering gemeente Loppersum</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering; besluit inburgering</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening wet inburgering</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Loppersum;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van </al><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 19a, eerste lid, 23, derde lid,
                        24a, vijfde lid, 24f en 35 van de Wet inburgering en artikel 4.27, derde
                        lid, van het Besluit inburgering;</al><al/><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al/><al>Vast te stellen de</al><al><vet>“VERORDENING WET INBURGERING”.</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN INFORMATIEVERSTREKKING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Loppersum;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering;</al></li><li nr="c."><al>voorziening: een (duale) inburgeringvoorziening of
                                        taalkennisvoorziening. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en
                                vrijwillige inburgeraars</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen en
                                de vrijwillige inburgeraars op een doeltreffende en doelmatige wijze
                                worden geïnformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de
                                wet en over het aanbod van en de toegang tot de voorzieningen.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars in ieder geval
                                gebruik van de volgende middelen: </al><lijst><li nr="a."><al>een informatie- en adviespunt;</al></li><li nr="b."><al>de website van de gemeente met verwijzing naar landelijke
                                        relevante websites;</al></li><li nr="c."><al>het beschikbaar stellen van relevante informatie aan
                                        intermediaire organisaties.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>HET VASTSTELLEN VAN EEN VOORZIENING AAN
                            INBURGERINGSPLICHTIGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen aan waarvoor hij bij
                            voorrang een voorziening kan vaststellen op basis van de volgende
                            criteria: </al><lijst><li nr="a."><al>de mate waarin inburgering van belang is voor de economische,
                                    sociale en educatieve zelfredzaamheid;</al></li><li nr="b."><al>het hebben van een opvoedingstaak voor minderjarige
                                    kinderen;</al></li><li nr="c."><al>de motivatie en de wens om in aanmerking te willen komen voor
                                    een inburgeringvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de voorziening, met uitzondering van de
                                inburgeringvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op het
                                startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
                                maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening kan, naast datgene dat in de wet is geregeld, een of
                                meer van de volgende onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>deelname aan participatieactiviteiten;</al></li><li nr="b."><al>maatgerichte onderdelen afgestemd op de persoonlijke
                                        situatie;</al></li><li nr="c."><al>maatschappelijke begeleiding.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college behandelt het schriftelijke verzoek van de
                                inburgeringsplichtige om in aanmerking te komen voor een voorziening
                                in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget op de volgende
                                wijze: </al><lijst><li nr="a."><al>De inburgeringsplichtige wordt uitgenodigd om het verzoek
                                        mondeling toe te lichten</al></li><li nr="b."><al>Het verzoek wordt binnen 6 weken beoordeeld..</al></li><li nr="c."><al>In geval van afwijzing van het verzoek ontvangt de
                                        inburgeringsplichtige een kennisgeving. </al></li><li nr="d."><al>In geval van goedkeuring ontvangt de inburgeringsplichtige
                                        een beschikking en een uitnodiging voor het tekenen van het
                                        contract met het inburgeringsbedrijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college keurt het voorstel van de inburgeringsplichtige voor het
                                volgen van een (duaal) inburgeringsprogramma goed, indien dit
                                programma: </al><lijst><li nr="-"><al>naar het oordeel van het college passend is om hem voor te
                                        bereiden op en toe te leiden naar het inburgeringsexamen of
                                        staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II; en </al></li><li nr="-"><al>wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat in het bezit
                                        is van een keurmerk inburgering. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college keurt het voorstel van de inburgeringsplichtige voor het
                                volgen van een taalkennisvoorziening goed, indien deze
                                taalkennisvoorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>naar het oordeel van het college passend is om hem de kennis
                                        van de Nederlandse taal te laten verwerven die noodzakelijk
                                        is voor het kunnen afronden van een mbo-opleiding op niveau
                                        1 of 2; en </al></li><li nr="-"><al>wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat voldoet aan
                                        de volgende vereisten: </al><lijst><li nr="a."><al>In het bezit zijn van een keurmerk inburgering</al></li><li nr="b."><al>In het bezit zijn van een keurmerk voor een
                                                beroepsopleiding.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college de voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget heeft vastgesteld, sluiten het college en de
                                inburgeringsplichtige een overeenkomst met het inburgeringsbedrijf.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de
                                    wet wordt in ten hoogste 18 maandelijkse termijnen betaald.</al></li><li nr="2."><al>Het college legt in de beschikking tot vaststelling van de
                                    voorziening de termijnen van betaling vast. </al></li><li nr="3."><al>Indien de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen dat
                                    deel uitmaakt van de door het college vastgestelde
                                    inburgeringsvoorziening heeft behaald, komt hij in aanmerking
                                    voor een deelnamebonus.</al></li><li nr="4."><al>De hoogte van de deelnamebonus komt overeen met de hoogte van
                                    de eigen bijdrage als bedoeld in artikel 23, tweede lid van de
                                    wet.</al></li><li nr="5."><al>De deelnamebonus wordt indien mogelijk verrekend met de eigen bijdrage
                            als bedoeld in artikel 23, tweede lid van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de voorziening bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage;
                                    en</al></li><li nr="e."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>DE BESTUURLIJKE BOETE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 125 indien de
                                inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde voorziening, bedoeld in
                                artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de verplichtingen, bedoeld
                                in artikel 8 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van
                                de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn
                                het inburgeringsexamen heeft behaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                tweede lid, bedraagt ten hoogste € 500,00 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1.000,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het
                                inburgeringsexamen heeft behaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Afstemming van de bestuurlijke boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er wordt geen bestuurlijke boete, zoals bedoeld in artikel 9 en 10
                                van deze verordening, opgelegd voor zover de overtreding niet aan de
                                overtreder kan worden verweten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedoeld in artikel 9 en 10 van
                                deze verordening wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en
                                de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de afstemming bedoeld in het tweede lid wordt zo nodig rekening
                                gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding heeft
                                plaatsgevonden. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>HET AANBIEDEN VAN EEN VOORZIENING AAN VRIJWILLIGE
                            INBURGERAARS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de groepen vrijwillige inburgeraars aan waaraan hij
                            bij voorrang een voorziening kan aanbieden op basis van de volgende
                            criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>de mate waarin inburgering van belang is voor de economische,
                                    sociale en educatieve zelfredzaamheid;</al></li><li nr="b."><al>het hebben van een opvoedingstaak voor minderjarige
                                    kinderen;</al></li><li nr="c."><al>de motivatie en de wens om in aanmerking te willen komen voor
                                    een inburgeringsvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt in overleg met de vrijwillige inburgeraar,
                                uitgezonderd geestelijke bedienaren, de samenstelling van de
                                voorziening. De voorziening wordt afgestemd op het startniveau en de
                                vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke
                                positie van de vrijwillige inburgeraar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening kan, naast datgene dat in de wet is geregeld, een of
                                meer van de volgende onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>deelname aan participatieactiviteiten;</al></li><li nr="b."><al>maatgerichte onderdelen afgestemd op de persoonlijke
                                        situatie;</al></li><li nr="c."><al>maatschappelijke begeleiding.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college behandelt het verzoek van de vrijwillige inburgeraar om
                                in aanmerking te komen voor een voorziening in de vorm van een
                                persoonlijk inburgeringsbudget op de volgende wijze:</al><lijst><li nr="1."><al>De inburgeringsplichtige wordt uitgenodigd om het verzoek
                                        mondeling toe te lichten</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek wordt binnen 6 weken beoordeeld..</al></li><li nr="3."><al>In geval van afwijzing van het verzoek ontvangt de
                                        inburgeringsplichtige een beschikking waarin de afwijzing
                                        wordt beargumenteerd.</al></li><li nr="4."><al>In geval van goedkeuring ontvangt de inburgeringsplichtige
                                        een beschikking en een uitnodiging voor het tekenen van het
                                        contract met het inburgeringsbedrijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college keurt het voorstel van de vrijwillige inburgeraar voor
                                het volgen van een (duaal) inburgeringsprogramma goed, indien dit
                                programma:</al><lijst><li nr="1."><al>naar het oordeel van het college passend is om hem voor te
                                        bereiden op en toe te leiden naar het inburgeringsexamen of
                                        staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II; en</al></li><li nr="2."><al>wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat in het bezit
                                        is van een keurmerk inburgering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college keurt het voorstel van de vrijwillige inburgeraar voor
                                het volgen van een taalkennisvoorziening goed, indien deze
                                taalkennisvoorziening:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>naar het oordeel van het college passend is om hem de kennis van de
                                Nederlandse taal te laten verwerven die noodzakelijk is voor het
                                kunnen afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2; en</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de
                                volgende vereisten:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>In het bezit zijn van een keurmerk inburgering;</al><al>b.In het bezit zijn van een keurmerk voor een beroepsopleiding.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college de overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar,
                                bedoeld in artikel 24d, tweede lid, van de wet, waarin de
                                voorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget is
                                opgenomen, heeft gesloten, sluiten het college en de vrijwillige
                                inburgeraar een overeenkomst met het inburgeringsbedrijf.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Geen eigen bijdrage</titel></kop><al>De vrijwillige inburgeraar is geen eigen bijdrage als bedoeld in artikel
                            23, tweede lid, van de wet verschuldigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan in de overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar,
                            bedoeld in artikel 24d, tweede lid, van de wet een of meer van de
                            volgende verplichtingen opnemen:</al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat in de overeenkomst wordt neergelegd; </al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de overeenkomst kan
                                    worden voldaan;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>De inhoud van de overeenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar, bedoeld in artikel 24d,
                            tweede lid, van wet bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de vrijwillige
                                    inburgeraar;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop aan het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn deelgenomen; </al></li><li nr="d."><al>de sancties die kunnen worden toegepast wanneer de
                                    verplichtingen niet worden nagekomen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Sancties bij niet-nakoming van de overeenkomst</titel></kop><al>Indien de vrijwillige inburgeraar de verplichtingen die zijn neergelegd
                            in de overeenkomst niet of onvoldoende nakomt, kan het college hem
                            gelijkaardige sancties opleggen als die voor de inburgeringsplichtige,
                            voor zover van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige
                                inburgeraar</titel></kop><al>Het college stelt de identiteit van de vrijwillige inburgeraar vast aan
                            de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            identificatieplicht. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>RAPPORTAGE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Het beoordelen van de doeltreffendheid en doelmatigheid</titel></kop><al>Het college beoordeelt ten minste eens in de 2 jaren de doeltreffendheid
                            en doelmatigheid van de inburgering, en rapporteert daarover aan de
                            raad. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Verordening Wet Inburgering gemeente Loppersum, vastgesteld op 7 mei
                            2007, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na de
                            dag van bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: <vet>“VERORDENING WET INBURGERING
                                GEMEENTE LOPPERSUM”</vet>.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad van de gemeente Loppersum</ondertekening><ondertekening>gehouden op 13 december 2010, nr. </ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>A.Rodenboog, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>R.S. Bosma, griffier.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet><onderstreept>Algemene toelichting</onderstreept></vet></al><al>De WI regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel alle onderdanen van
                            derdelanden van 18 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen en mogen
                            verblijven. Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting
                            staat de eigen verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de
                            inburgeringsplichtige centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen
                            inzicht bepalen hoe hij zich wil voorbereiden op het inburgeringsexamen.
                            Aan de inburgeringsverplichting is voldaan wanneer het
                            inburgeringsexamen is behaald (een resultaatsverplichting). </al><al>Daarnaast is in de WI ook de vrijwillige inburgering geregeld. De
                            bepalingen in de wet over vrijwillige inburgering zijn zoveel mogelijk
                            geformuleerd overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de
                            inburgeringsplichtigen. </al><al>Gemeenten krijgen in de WI een aantal belangrijke taken toebedeeld. Zo
                            hebben gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen en de
                            vrijwillige inburgeraars in de gemeente goed te informeren over de
                            rechten en plichten die voortvloeien uit deze wet. </al><al>Daarnaast hebben gemeenten de taak aan inburgeringsplichtigen en
                            vrijwillige inburgeraars die daarvoor op grond van de wet of het
                            gemeentelijk beleid in aanmerking komen een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening aan te bieden. Een inburgeringsvoorziening leidt
                            toe naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als
                            tweede taal. In plaats van een inburgeringsvoorziening mogen gemeenten
                            aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars die een
                            mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgen of gaan volgen een
                            taalkennisvoorziening aanbieden. </al><al>In de verordening wordt gesproken over ‘voorziening’. Hieronder wordt
                            zowel de inburgeringsvoorziening als de taalkennisvoorziening begrepen. </al><al>Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen
                            handhaven. Het college moet een bestuurlijke boete opleggen als een
                            inburgeringplichtige zich verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen
                            die voor hem gelden. Het ligt voor de hand dat het college ook toezicht
                            houdt of de overeenkomst door de vrijwillige inburgeraar wordt nagekomen
                            en indien dat niet het geval is zo nodig maatregelen neemt. </al><al>In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op om bij verordening
                            regels te stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>De informatieverstrekking door de gemeente aan
                                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars (artikel 8 en
                                    artikel 24f WI). </al></li><li nr="2."><al>Het aanbieden van een voorziening en de rechten en plichten van
                                    de inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is vastgesteld
                                    (artikel 19, vijfde lid, en artikel 23, derde lid, WI).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die
                                    voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel
                                    35 WI).</al></li><li nr="4."><al>Facultatief: bepalen dat het college een voorziening kan
                                    vaststellen, zonder dat eerst een aanbod wordt gedaan (artikel
                                    19a, eerste lid, WI).</al></li><li nr="5."><al>Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige inburgeraars
                                    (artikel 24a tot en met 24f WI). </al></li><li nr="6."><al>Het persoonlijk inburgeringsbudget (artikel 19, tweede lid en
                                    artikel 24a, tweede lid, WI). </al></li></lijst><al/><al><vet>Het vaststellingstelsel ten behoeve van
                                inburgeringsplichtigen</vet></al><al>Artikel 19a, eerste lid, WI geeft de bevoegdheid aan de gemeenteraad om
                            bij verordening te bepalen dat het college een voorziening niet aanbiedt
                            aan een inburgeringsplichtige, maar deze direct vaststelt. Indien de
                            gemeenteraad van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, kan het college
                            niet een voorziening aan een inburgeringsplichtige aanbieden, waarbij
                            deze de mogelijkheid heeft de aangeboden voorziening te weigeren. De
                            inburgeringsplichtige is direct verplicht medewerking te verlenen aan de
                            uitvoering van de vastgestelde voorziening (artikel 23, eerste lid, WI). </al><al>Wanneer de gemeente kiest voor het vaststellingstelsel, geldt dat
                            stelsel voor alle inburgeringsplichtigen die voor een voorziening in
                            aanmerking komen. Het is niet mogelijk om voor bepaalde groepen te
                            werken met het vaststellingstelsel en voor andere groepen met het
                            aanbodstelsel. De keuze voor het vaststellingstelsel houdt dus in dat
                            het aanbodstelsel wordt verlaten. </al><al/><al><vet>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                                inburgeraars</vet></al><al>Artikel 8 en 24f WI bepalen dat de gemeenteraad bij verordening regels
                            vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            respectievelijk inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars over
                            de rechten en plichten uit hoofde van de wet. </al><al/><al><vet>Het vaststellen van voorzieningen voor
                            inburgeringsplichtigen</vet></al><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                            inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                            inburgeringsexamen. Gemeenten kunnen inburgeringsplichtigen ondersteunen
                            door het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of een
                            taalkennisvoorziening. Alle inburgeringsplichtigen kunnen in beginsel in
                            aanmerking komen voor een voorziening. De gemeenteraad bepaalt welke
                            groepen inburgeringsplichtigen bij voorrang in aanmerking komen voor een
                            voorziening en welke groepen op eigen kracht dienen in te burgeren. Deze
                            keuze dient te berusten op objectieve criteria die in de verordening
                            worden vastgelegd. </al><al>Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of het
                            staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en omvat het eenmaal
                            kosteloos afleggen van dat examen. Een inburgeringsvoorziening kan ook
                            een duale inburgeringsvoorziening zijn. Dit is een
                            inburgeringsvoorziening die met het oog op de actieve deelname van de
                            inburgeringsplichtige aan de Nederlandse samenleving mede voorziet in
                            activiteiten die in samenhang, en ten minste voor een deel gelijktijdig,
                            met het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de
                            Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving worden
                            uitgevoerd. Een taalkennisvoorziening is gericht op de verwerving van de
                            kennis van de Nederlands taal die noodzakelijk is voor het kunnen
                            afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid,
                            WI). </al><al>De inburgeringsplichtige is verplicht een eigen bijdrage van € 270 te
                            betalen voor de voorziening.</al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een voorziening ook
                            uit maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid, WI). </al><al>De WI draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen
                            met betrekking tot het vaststellen van een voorziening. In de wet is ook
                            vastgelegd over welke onderwerpen in ieder geval regels moeten worden
                            gesteld. Het gaat om dezelfde onderwerpen als bij het aanbieden van een
                            voorziening (artikel 19a, tweede lid, onderdeel b, WI). </al><lijst><li nr="-"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het
                                    vaststellen van voorzieningen voor inburgeringsplichtigen
                                    (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI).</al></li><li nr="-"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het vaststellen van
                                    voorzieningen voor inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde
                                    lid, onderdeel a, WI).</al></li><li nr="-"><al>De vaststelling door het college van een passende voorziening,
                                    met inbegrip van de totstandkoming en de samenstelling van die
                                    voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI).</al></li><li nr="-"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                                    voorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in ieder geval
                                    betrekking op de inning van de eigen bijdrage door het college
                                    en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde
                                    lid, WI). </al></li></lijst><al/><al><vet>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete
                            </vet></al><al>Artikel 35 WI draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de
                            bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het
                            bedrag dat ten hoogste als bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><al/><al><vet>Het aanbieden van voorzieningen aan vrijwillige inburgeraars
                            </vet></al><al>De bepalingen in de wet over vrijwillige inburgering zijn zoveel
                            mogelijk geformuleerd overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de
                            inburgeringsplichtigen. In artikel 24a van de WI wordt geregeld dat het
                            college aan de vrijwillige inburgeraar een aanbod kan doen voor een
                            (duale) inburgeringsvoorziening die toe leidt naar het
                            inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I en
                            II, of een taalkennisvoorziening. </al><al>Artikel 24d van de wet regelt dat indien een vrijwillige inburgeraar in
                            aanmerking komt voor een voorziening, het college een aanbod doet aan de
                            vrijwillige inburgeraar. Als de vrijwillige inburgeraar het aanbod voor
                            een voorziening aanvaardt, sluit het college met hem een overeenkomst. </al><al>De gemeenteraad stelt in een verordening in ieder geval regels over de
                            procedure die het college volgt voor het doen van een aanbod en de
                            criteria die daarbij worden gehanteerd, de wijze waarop met de
                            vrijwillige inburgeraar in overleg wordt getreden om te komen tot een
                            passende voorziening, met inbegrip van de totstandkoming en
                            samenstelling van die voorziening (artikel 24a, vijfde lid, WI). </al><al>Op grond van artikel 24e WI is de vrijwillige inburgeraar met wie een
                            voorziening is overeengekomen de in artikel 23, tweede lid vastgestelde
                            eigen bijdrage verschuldigd. Vrijwillige inburgeraars die een
                            gecombineerde voorziening als bedoeld in artikel 24b, eerste lid, van de
                            wet, moeten volgen, hoeven geen eigen bijdrage te betalen (artikel
                            24<sup/>e, derde lid, WI). </al><al>De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat alle of bepaalde
                            categorieën vrijwillige inburgeraars geen eigen bijdrage hoeven te
                            betalen of een lager bedrag dan het bedrag dat in de wet is vastgelegd
                            (artikel 24<sup/>e, tweede lid, WI). Artikel 24f WI draagt gemeenten op
                            om bij verordening regels te stellen over de informatieverstrekking door
                            de gemeente aan vrijwillige inburgeraars ter zake van hun rechten en
                            plichten uit hoofde van deze wet, de inning van de eigen bijdrage door
                            het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen, de
                            niet-nakoming van de overeenkomst alsmede het vaststellen van de
                            identiteit van de vrijwillige inburgeraar. </al><al/><al><vet>Het persoonlijk inburgeringsbudget</vet></al><al>Op grond van artikel 19, tweede lid en artikel 24a, tweede lid, WI kan
                            het college een (duale) inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening
                            aanbieden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget als de
                            inburgeringsplichtige respectievelijk de vrijwillige inburgeraar daarom
                            verzoekt. </al><al>Een inburgeringsplichtige of een vrijwillige inburgeraar kan niet zonder
                            meer aanspraak doen op een persoonlijk inburgeringsbudget. Hij dient
                            daartoe een verzoek te doen aan het college. De inburgeringsplichtige of
                            vrijwillige inburgeraar zal in beginsel zelf op zoek moeten naar een
                            inburgeringsbedrijf dat een inburgeringsprogramma kan bieden dat past
                            bij zijn voorkeur en ambities. Het college heeft als taak de
                            inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars bij de vormgeving van
                            hun inburgering en de keuze van een inburgeringsbedrijf te begeleiden
                            (artikel 4.27, eerste lid, Besluit inburgering). De
                            inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar moet een voorstel voor
                            een inburgeringsprogramma bij het college indienen. Het voorstel van de
                            inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar behoeft de
                            goedkeuring van het college (artikel 4.27, tweede lid, Besluit
                            inburgering). Het college beoordeelt het voorstel voor het
                            inburgeringsprogramma of het geschikt is om de betrokkene voor te
                            bereiden op en toe te leiden naar het inburgeringsexamen of het
                            staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II, en in het geval van een
                            taalkennisvoorziening of deze geschikt is om de betrokkene kennis van de
                            Nederlandse taal te laten verwerven die noodzakelijk is voor het kunnen
                            afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2. Het inburgeringsbedrijf
                            dient te voldoen aan de eisen die in de verordening zijn gesteld.</al><al>De inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar krijgt geen geld in
                            handen. Het geld voor het betalen van de inburgeringscursus gaat
                            rechtstreeks van de gemeente naar het inburgeringsbedrijf. </al><al>Gemeenten moeten in hun verordening regels opnemen die betrekking hebben
                            op het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget
                            (artikel 19, vijfde lid, WI en artikel 24a, vijfde lid. WI).</al><al/><al><vet>De procedure van het vaststellen van een voorziening</vet></al><al>Het vaststellen van een voorziening begint met het houden van de intake.
                            In de intake wordt met de inburgeringsplichtige gesproken over de
                            voorziening die het college voor betrokkene geschikt acht. Er zijn
                            vervolgens vier mogelijkheden: </al><lijst><li nr="1."><al>In de intake blijkt dat het college aan de inburgeringsplichtige
                                    geen voorziening wil verstrekken (bijvoorbeeld omdat betrokkene
                                    niet tot de prioritaire groepen behoort). Het college stelt geen
                                    voorziening vast en kan een handhavingsbeschikking nemen (voor
                                    de oudkomer) of een kennisgeving afgeven (voor een
                                    nieuwkomer);</al></li><li nr="2."><al>De gemeente biedt een voorziening aan en de
                                    inburgeringsplichtige is het hiermee eens. De gemeente neemt een
                                    beschikking;</al></li><li nr="3."><al>De inburgeringsplichtige vindt de voorziening niet gepast en
                                    geeft aan zelf op een andere wijze aan de inburgeringsplicht te
                                    zullen voldoen. Het college stemt hiermee in en neemt alleen een
                                    handhavingsbeschikking (voor een oudkomer) of een kennisgeving
                                    (voor een nieuwkomer);</al></li><li nr="4."><al>Het college acht een voorziening geschikt maar de
                                    inburgeringsplichtige wil deze voorziening niet. Het college
                                    heeft de mogelijkheid om de voorziening vast te stellen, tegen
                                    de zin van betrokkene in.</al></li></lijst><al>Artikelgewijze toelichting</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Omwille van leesbaarheid van de verordening wordt het begrip
                            ‘voorziening’ gebruikt (eerste lid, onderdeel c). Een voorziening kan
                            zowel een (duale) inburgeringsvoorziening als een taalkennisvoorziening
                            inhouden. </al><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die
                            worden gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit
                            inburgering en de Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en
                                vrijwillige inburgeraars</titel></kop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige
                            inburgeraars in haar gemeente goed te informeren over de rechten en
                            plichten die voortvloeien uit de Wet inburgering. De wet laat gemeenten
                            vrij om zelf te bepalen op welke wijze de informatievoorziening wordt
                            georganiseerd. Wel bepalen de artikelen 8 WI en 24f WI dat de
                            gemeenteraad bij verordening regels vaststellen over de
                            informatieverstrekking door de gemeente aan respectievelijk
                            inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars ter zake van hun
                            rechten en plichten uit hoofde van deze wet. Ten aanzien van
                            inburgeringsplichtigen dienen ook regels te worden vastgesteld ter zake
                            van het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen. Dit
                            artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. </al><al>De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                            inburgeraars kan op allerlei manieren worden vormgegeven. Zo kunnen
                            gemeenten een apart informatiepunt inrichten (het inburgeringsloket) al
                            dan niet in combinatie met een digitaal loket. Het is ook mogelijk om de
                            informatievoorziening onder te brengen bij een centraal informatiepunt
                            (bijvoorbeeld het zorgloket). Ook kunnen gemeenten bepaalde organisaties
                            (bijvoorbeeld educatie-instellingen, bibliotheken, moskeeën of andere
                            zelforganisaties) een rol geven bij de informatievoorziening aan
                            inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. </al><al>In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder
                            geval) een aantal middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                            inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars vorm te geven.
                            Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan: </al><lijst><li nr="a."><al>het inrichten van een informatiepunt in het gemeentehuis;</al></li><li nr="b."><al>het toezenden van schriftelijk voorlichtingsmateriaal aan
                                    personen ten aanzien van wie al dan niet op grond van gegevens
                                    uit het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen redelijkerwijs
                                    kan worden aangenomen dat zij inburgeringsplichtig zijn;</al></li><li nr="c."><al>het verstrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij
                                    aanvragen om uitkeringen;</al></li><li nr="d."><al>het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten;</al></li><li nr="e."><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de
                                    gemeentelijke website.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>In dit artikel is gebruik gemaakt van de bevoegdheid in artikel 19a,
                            eerste lid, WI om bij verordening te bepalen dat het college een
                            voorziening kan vaststellen zonder dat daaraan een procedure van aanbod
                            (door het college) en aanvaarding (door de inburgeringsplichtige) vooraf
                            hoeft te gaan. Op grond van dit artikel kan het college voor elke
                            inburgeringsplichtige een voorziening vaststellen. </al><al>Op grond van artikel 19a, tweede lid, onderdeel b juncto artikel 19,
                            vijfde lid, onderdeel a, WI moet de gemeenteraad bij verordening regels
                            stellen met betrekking tot de criteria die worden gehanteerd bij het
                            vaststellen van een voorziening. Dit artikel vormt de uitwerking van
                            deze verplichting. In dit artikel wordt het college opgedragen om vast
                            te stellen ten aanzien van welke groepen inburgeringsplichtigen bij
                            voorrang een voorziening kan worden vastgesteld. Bovendien wordt in dit
                            artikel vastgelegd binnen welke kaders het college tot zijn keuze van
                            doelgroepen moet komen. Het is van belang dat deze kaders (in casu het
                            aanwijzen van groepen voor wie een voorziening kan worden vastgesteld)
                            niet te eng te definiëren. Het college zal binnen deze kaders gedurende
                            een aantal jaren groepen moeten kunnen aanwijzen. Het alternatief is dat
                            de verordening op dit onderdeel steeds opnieuw moet worden gewijzigd.
                            Een andere reden om de kaders niet te strak vast te stellen is dat
                            gemeenten op dit moment wellicht nog geen duidelijk zicht hebben op de
                            precieze omvang van bepaalde mogelijke doelgroepen (bijvoorbeeld
                            oudkomers zonder werk of uitkering). Te strenge criteria zouden wel eens
                            kunnen leiden tot het niet benutten van de beschikbare middelen voor het
                            vaststellen van voorzieningen. </al><al>Dit artikel regelt dat voor de groepen die het college aanwijst
                                <cursief>bij voorrang </cursief>een voorziening wordt vastgesteld.
                            Dit betekent dat het college de ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook
                            een voorziening vast te stellen voor inburgeringsplichtigen die niet
                            behoren tot de groep of groepen die hij heeft aangewezen. Om te
                            voorkomen dat inburgeringsplichtigen die behoren tot de groep of groepen
                            die het college heeft aangewezen aan deze aanwijzing een recht gaan
                            ontlenen op het krijgen van een voorziening, bepaalt dit artikel dat het
                            college voor de groepen die hij aanwijst een voorziening <cursief>kan
                            </cursief>vaststellen.</al><al>Voorbeelden van criteria die in de verordening kunnen worden neergelegd
                            en op basis waarvan het college de doelgroep(en) kan aanwijzen, zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>hebben van een opvoedingstaak;</al></li><li nr="-"><al>hebben van een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt; </al></li><li nr="-"><al>een wijkgerichte aanpak;</al></li><li nr="-"><al>een bepaalde inkomensgrens;</al></li><li nr="-"><al>het ontvangen van een bepaalde uitkering;</al></li><li nr="-"><al>bevordering van emancipatie van vrouwen.</al></li></lijst><al>Gemeenten zouden er ook voor kunnen kiezen om geen voorrang te geven aan
                            specifieke groepen, maar in plaats daarvan prioriteit te geven aan oud-
                            en nieuwkomers die graag voor een voorziening in aanmerking willen komen
                            (bijvoorbeeld voorrang op basis van eigen aanmelding of motivatie).
                            Criteria op basis waarvan het college doelgroepen aanwijst, kunnen ook
                            worden ontleend aan andere beleidsterreinen, zoals bijvoorbeeld
                            ‘leefbaar, sociaal en veilig’. Daarmee kan de uitvoering van de WI een
                            onderdeel vormen van een integrale aanpak van sociaal beleid. </al><al>Op grond van de actieve informatieplicht van het college aan de raad
                            (artikel 169, tweede lid, Gemeentewet) ligt het voor de hand dat het
                            college zijn besluit ten aanzien van welke groepen
                            inburgeringsplichtigen bij voorrang een voorziening zal worden
                            vastgesteld ter kennisname aan de raad aanbiedt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                            vaststelling door het college van een passende (duale)
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, met inbegrip van de
                            totstandkoming en samenstelling van die voorziening (artikel 19, vijfde
                            lid, onderdeel b, WI). In dit artikel worden de kaders vastgesteld
                            waarbinnen het college de opdracht heeft voor iedere
                            inburgeringsplichtige die daarvoor in aanmerking komt, een op de persoon
                            toegesneden voorziening samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een
                            passende voorziening moet vaststellen. Bij het bepalen van de
                            passendheid van een voorziening kunnen de volgende factoren een rol
                            spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal
                                    en de Nederlandse samenleving en zijn of haar
                                    leercapaciteit.</al></li><li nr="-"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of
                                    gaat vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden
                                    gedacht aan het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden
                                    van kinderen.</al></li><li nr="-"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij
                                    kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                                    inburgeringsplichtige moet vervullen. </al></li></lijst><al>Voor de mogelijkheden van het aanbieden van duale
                            inburgeringsvoorzieningen wordt verwezen naar de toelichting bij het
                            Besluit inburgering.</al><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke
                            bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben
                            dus niet de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan
                            geestelijke bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen
                            opleveren de voorziening daarmee te combineren. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de voorziening gecombineerd
                                <onderstreept>moet</onderstreept> worden met een voorziening gericht
                            op arbeidsinschakeling (reïntegratievoorziening) als een voorziening
                            wordt aangeboden aan een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd
                            is of een uitkering ontvangt op grond van een andere
                            socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling én deze verplicht is
                            om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI).
                            Het college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                            voorziening (artikel 20, tweede lid, WI). </al><al>Artikel 19, vierde lid, WI draagt het college op om er voor te zorgen
                            dat de voorziening wordt afgestemd op de mogelijkheden van betrokkene
                            tot arbeidsinschakeling. De voorziening dient dus te worden afgestemd op
                            de reïntegratievoorziening. Aangezien de reïntegratievoorziening in het
                            kader van de uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten
                            of –regelingen ook door andere partijen dan het college wordt verstrekt,
                            zal het college afspraken moeten maken met de verantwoordelijke
                            uitvoerders van de socialezekerheidswet of –regeling: het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers
                            of overheidswerkgevers (artikel 21 WI). </al><al>Het tweede lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als
                            onderdeel van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan
                            opnemen. In de wet is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in
                            ieder geval moet bestaan: een cursus die toe leidt naar het
                            inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
                            II en het eenmaal kosteloos afleggen van het desbetreffende examen
                            (artikel 19, derde lid, WI). </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt
                            ook maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel uit van de
                            voorziening (artikel 19, zesde lid, WI). Wat betreft de bijkomende
                            faciliteiten die het college als onderdeel van de voorziening voor
                            inburgeringsplichtigen kan opnemen, kan worden gedacht aan
                            trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van voortgangsgesprekken
                            met de inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht aan een
                            uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een
                            maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het
                            verwerven van kennis van de Nederlandse samenleving. </al><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral
                            van belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen voorziening in
                            combinatie met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling krijgen.
                            Bij voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling vormen dergelijke
                            faciliteiten reeds een vast onderdeel. </al><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook
                            een praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden
                            worden getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de
                            voorziening ook rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van deze
                            vaardigheden. Daarbij zal de inzet van duale trajecten een belangrijke
                            rol vervullen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><al>Op grond van artikel 19, tweede lid, in combinatie met artikel 19a,
                            tweede lid, WI kan het college de voorziening vaststellen in de vorm van
                            een persoonlijk inburgeringsbudget als de inburgeringsplichtige daarom
                            verzoekt. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 WI moet de
                            gemeenteraad bij verordening regels stellen over de procedure die door
                            het college wordt gevolgd bij het behandelen van verzoeken om een
                            persoonlijk inburgeringsbudget en de criteria die worden gehanteerd bij
                            het toekennen van een persoonlijk inburgeringsbudget. </al><al>In het eerste lid legt de gemeente vast op welke wijze verzoeken van
                            inburgeringsplichtigen om toekenning van een persoonlijk
                            inburgeringsbudget worden behandeld. In de verordening kunnen de
                            volgende onderwerpen worden geregeld:</al><lijst><li nr="-"><al>De wijze waarop het verzoek moet worden ingediend: schriftelijk
                                    of ook mondeling.</al></li><li nr="-"><al>De wijze van begeleiding door de gemeente van de
                                    inburgeringsplichtige bij vormgeving van zijn inburgering en de
                                    keuze van een inburgeringsbedrijf. Op grond van artikel 4.27,
                                    eerste lid, Besluit inburgering moet het college deze taak op
                                    zich nemen. </al></li><li nr="-"><al>De termijn die de inburgeringsplichtige krijgt om op zoek te
                                    gaan naar een inburgeringsbedrijf dat past bij zijn voorkeur en
                                    ambities. </al></li></lijst><al>Op grond van artikel 4.27, tweede lid, Besluit inburgering moet het
                            college het voorstel van de inburgeringsplichtige voor het volgen van
                            een inburgeringsprogramma of taalkennisvoorziening goedkeuren. Dit
                            voorstel zal in de praktijk worden opgesteld door het
                            inburgeringsbedrijf. Het tweede en derde lid van dit artikel leggen de
                            twee criteria vast aan de hand waarvan het college het voorstel voor het
                            volgen van respectievelijk een inburgeringsprogramma en een
                            taalkennisvoorziening goedkeurt. De eerste eis is dat het
                            inburgeringsprogramma naar het oordeel van het college passend is om de
                            inburgeringsplichtige voor te bereiden op en toe te leiden naar het
                            inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II.
                            De taalkennisvoorziening dient gericht te zijn op de verwerving van de
                            kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen
                            afronden van een beroepsopleiding (MBO 1 en 2).</al><al>Het tweede vereiste is dat het inburgeringsprogramma of de
                            taalkennisvoorziening wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat
                            voldoet aan de eis of de eisen die de verordening aan
                            inburgeringsbedrijven stelt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
                            een of meer van de volgende voorwaarden: </al><lijst><li nr="-"><al>ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="-"><al>beschikken over een keurmerk van de brancheorganisatie;</al></li><li nr="-"><al>beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                    gebied van het verzorgen van inburgeringsprogramma’s of
                                    taalkennisvoorzieningen. </al></li></lijst><al>Artikel 4.27, derde lid, Besluit inburgering bepaalt dat de gemeenteraad
                            bij verordening bepaalt wie met het inburgeringsbedrijf een overeenkomst
                            met betrekking tot de inburgering van de inburgeringsplichtige sluit.
                            Dit kan de inburgeringsplichtige zijn, het college,het college en de
                            inburgeringsplichtige, een andere partij of een combinatie van de
                            hiervoor genoemde partijen. gezamenlijk. In het vierde lid van dit
                            artikel wordt dit geregeld, waarbij de raad zelf een keuze zal moeten
                            maken. Het kan van belang zijn de partijen in de verordening niet te eng
                            te definieren. Dat kan bijvoorbeeld van belang zijn , indien de gemeente
                            samen met werkgevers inburgering op de werkvloer organiseert of wil gaan
                            organiseren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op
                            de inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het
                            college en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde
                            lid, WI). De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en
                            bedraagt € 270. Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden
                            gewijzigd (artikel 23, tweede lid, WI). </al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de
                            inburgeringsplichtige het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal
                            termijnen te betalen. Artikel 24, eerste lid, WI maakt het bij
                            inburgeringsplichtigen die algemene bijstand ontvangen mogelijk dat het
                            college de eigen bijdrage verrekent met deze uitkering. Als het college
                            wil overgaan tot verrekening, moet dat worden vastgelegd in de
                            beschikking tot vaststelling van de voorziening. </al><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het
                            college het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te
                            houden op de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit
                            geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze
                            wijze van verrekening geschiedt door het UWV en niet door de gemeente,
                            en wordt dus niet in deze verordening geregeld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat
                            bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten
                            en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is
                            vastgesteld. Dit artikel delegeert de bevoegdheid aan het college om de
                            verplichtingen die in het artikel worden genoemd aan
                            inburgeringsplichtigen in het kader van een voorziening op te leggen.
                            Het college legt in de beschikking tot de vaststelling van de
                            voorziening deze verplichtingen vast. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot het vaststellen van een voorziening is een beschikking.
                            Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen
                            dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld
                            welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten worden
                            neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan
                            verbonden rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig
                            moeten worden vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is
                            verplicht zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de
                            voorziening (artikel 23, eerste lid, WI). Handhaving hiervan is alleen
                            mogelijk als de verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk
                            zijn omschreven en aan de betrokkene (onder andere door middel van de
                            beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen
                            moet hebben behaald, ligt vast in de wet. Deze termijn is drieënhalf
                            jaar (artikel 7, eerste lid, WI). In de beschikking hoeft (en kan) van
                            deze termijn alleen melding worden gemaakt (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                            termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de
                            betaling plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de
                            bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 6 van de
                            verordening.</al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor inburgeringsplichtige
                            oudkomers. Indien het college een voorziening vaststelt voor een
                            oudkomer, dan moet het college in de betreffende beschikking ook de dag
                            opnemen waarop de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van
                            start gaat (artikel 22, tweede lid, juncto artikel 26 WI). Binnen
                            drieënhalf jaar ná deze datum moet de betreffende oudkomer het
                            inburgeringexamen hebben behaald. Het college kan zelf bepalen wanneer
                            de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat. Het
                            ligt voor de hand om deze termijn direct te laten ingaan (en
                            bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop de voorziening van
                            start gaat). De precieze datum waarop de voorziening van start gaat, zal
                            niet altijd bekend zijn op het moment dat deze wordt toegekend.
                            Bovendien past het vaststellen van een datum van aanvang van handhaving
                            van de inburgeringsplicht, onafhankelijk van het moment waarop met de
                            voorziening kan worden begonnen bij het uitgangspunt van de wet dat de
                            betreffende persoon als oudkomer inburgeringsplichtig is en in beginsel
                            zelf verantwoordelijk is voor voldoen aan de inburgeringsplicht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                            bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de
                            verschillende overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete
                            vastgelegd. De gemeente kan deze boetebedragen in haar verordening
                            overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen vaststellen. </al><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn
                            maximumbedragen en géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke
                            overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de
                            overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden
                            verweten. </al><al>Bovendien moet het college daarbij ook zonodig rekening houden met de
                            omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 5:46,
                            tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Deze bepaling brengt met zich
                            mee dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten
                            nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele omstandigheden
                            van de betrokken inburgeringsplichtige.</al><al>In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde reïntegratie-
                            en inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging
                            (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en
                            gegevens te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van
                            een bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand (een
                            maatregel op grond van artikel 18, tweede lid, Wet werk en bijstand) of
                            het opleggen van een boete of maatregel op grond van een andere
                            scocialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling
                            voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat
                            geval géén bestuurlijke boete kan opleggen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                            overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 9
                            mogelijk is. Het eerste en tweede lid kunnen alleen de verordening
                            worden opgenomen als in artikel 9, eerste en tweede lid, lagere
                            maximumboetebedragen zijn opgenomen dan de maximumbedragen in de wet. De
                            verhoogde boetebedragen ingeval van herhaling van de overtreding mogen
                            uiteraard niet hoger zijn dan de maximumbedragen die in artikel 34 WI
                            worden genoemd. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                            overtredingen zich wel binnen een bepaalde tijdspanne voordoen,
                            bijvoorbeeld 12 maanden. Gemeenten kunnen een kortere of langere termijn
                            vaststellen. </al><al>Artikel 34, onderdeel d, WI biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                            bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500,00 naar maximaal €
                            1.000,00 in het geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet
                            voldoet aan de verplichting binnen de gestelde termijn het
                            inburgeringsexamen te behalen. Dit is geregeld in het derde en vierde
                            lid van dit artikel. </al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn
                            het inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een
                            bestuurlijke boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is
                            neergelegd in artikel 10, derde lid, van de verordening. Op grond van
                            artikel 32 WI moet het college in de boetebeschikking een nieuwe termijn
                            vaststellen waarbinnen de inburgeringsplichtige alsnog het
                            inburgeringsexamen moet behalen. Als de inburgeringsplichtige ook binnen
                            deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet heeft behaald, maakt het
                            derde lid het mogelijk dat het college een hogere boete vaststelt. Het
                            wettelijk maximum bedraagt € 1000 (artikel 34, onderdeel d, WI). Ook in
                            dat geval zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn moeten worden
                            opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen
                            moet behalen. </al><al>De artikelen 9 en 10 bieden in de vorm van het vaststellen van
                            maximumbedragen het kader voor het college bij het vaststellen van de
                            hoogte van de bestuurlijke boetes in individuele gevallen. Het college
                            zal binnen deze kaders zelf een beleid moeten ontwikkelen. Het is aan te
                            bevelen dat het college in beleidsregels vastlegt hoe dat beleid er uit
                            ziet: welke boete wordt in beginsel opgelegd bij welke overtreding en
                            met welk bedrag wordt de boete in beginsel verhoogd als de betrokken
                            inburgeringsplichtige dezelfde overtreding nogmaals pleegt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Afstemming van de bestuurlijke boete</titel></kop><al>Dit artikel regelt dat het college de bestuurlijke boete kan aanpassen
                            aan de omstandigheden van de (verschillende) overtredingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>In dit artikel worden de criteria genoemd op grond waarvan het college
                            categorieën vrijwillige inburgeraars kan aanwijzen die bij voorrang in
                            aanmerking komen voor een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening. Het ligt voor de hand om bij vrijwillige
                            inburgeraars dezelfde criteria te hanteren als bij
                            inburgeringsplichtigen (artikel 3 van de verordening). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><al>Zie de toelichting bij artikel 4 van de verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><al>Zie de toelichting bij artikel 5 van de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Geen eigen bijdrage</titel></kop><al>De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat vrijwillige inburgeraars
                            geen eigen bijdrage hoeven te betalen (artikel 24e, tweede lid, WI). Dit
                            is geregeld in dit artikel. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>In dit artikel zijn de verplichtingen voor een vrijwillige inburgeraar
                            neergelegd die het college kan opnemen in de overeenkomst met een
                            vrijwillige inburgeraar. Het gaat om dezelfde verplichtingen als de
                            verplichtingen die het college kan opnemen in de beschikking waarmee een
                            voorziening voor een inburgeringsplichtige wordt vastgesteld (zie
                            artikel 7 van de verordening). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>De inhoud van de overeenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar over het toekennen van
                            een voorziening zal dezelfde onderwerpen bevatten als de beschikking tot
                            het vaststellen van een voorziening voor inburgeringsplichtigen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Sancties bij niet-nakoming van de overeenkomst</titel></kop><al>Op grond van artikel 24f moet de raad bij verordening regels stellen
                            over de niet-nakoming van de overeenkomst. In dit artikel legt de raad
                            de sancties vast die het college kan toepassen als de vrijwillige
                            inburgeraar de verplichtingen die zijn neergelegd in de overeenkomst
                            niet nakomt. Gedacht kan worden aan de volgende soorten sancties: </al><lijst><li nr="-"><al>een maximale boete, waarbij het bedrag van de boete
                                    vergelijkbaar is met of lager dan de bestuurlijke boetes die het
                                    college kan opleggen als een inburgeringsplichtige de
                                    verschillende verplichtingen niet nakomt;</al></li><li nr="-"><al>een maximale boete in de vorm van een bepaald percentage van de
                                    kosten van de voorziening, waarbij de maximale hoogte van de
                                    boetebedragen vergelijkbaar is met of lager dan de bestuurlijke
                                    boetes die het college kan opleggen als een
                                    inburgeringsplichtige de verschillende verplichtingen niet
                                    nakomt. </al></li></lijst><al>Naast het opleggen van sancties, hebben gemeenten ook de mogelijkheid om
                            prestaties te belonen, bijvoorbeeld in de vorm van een bonus als een
                            vrijwillige inburgeraar aan het inburgeringsexamen of staatsexamen heeft
                            deelgenomen of daarvoor geslaagdis. Ook de bonussen kunnen in de
                            overeenkomst worden opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige
                                inburgeraar</titel></kop><al>Artikel 24f WI draagt de gemeenteraad op om bij verordening regels te
                            stellen over het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige
                            inburgeraar. Dit artikel van de verordening is een uitwerking van deze
                            verplichting. Dit artikel is gelijk aan artikel 27 WI, waarin is
                            geregeld op welke wijze het college de identiteit van een
                            inburgeringsplichtige vaststelt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Het beoordelen van de doeltreffendheid en doelmatigheid</titel></kop><al>Dit artikel verplicht het college de raad periodiek te rapporteren over
                            de doeltreffendheid en doelmatigheid van de inburgering. Om efficiënt
                            aan deze verplichting te kunnen voldoen, is wellicht ook aansluiting
                            mogelijk bij de uitvoering van de actieve informatieplicht van het
                            college aan de raad op grond van artikel 169, tweede lid, van de
                            Gemeentewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>