<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR58307_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Soest</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Soest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Soester Courant 7-7-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 8, eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-08</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV 10-21</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Kenmerk SL/710487</al><al>Nummer RB Agendapunt </al><al>Onderwerp: Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010.</al><al>De raad van de gemeente Soest </al><lijst><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 25 mei
                                2010;</al></li><li nr="-"><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en
                                het verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 27 jaar
                                of ouder doch jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen;</al></li><li nr="-"><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 8,
                                eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk en bijstand;</al></li></lijst><al><vet>b e s l u i t:</vet></al><al>vast te stellen de “Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010” en de
                        ingangsdatum vast te stellen op 1 juli 2010;</al><al><vet>TOESLAGENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2010</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel c,
                                    van de wet;</al></li><li nr="c."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op verzorging
                                    ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                    verzorgingstehuis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden
                            van 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden
                            gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien beide
                            echtgenoten 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn.</al><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing artikel 18, eerste
                            lid, van de wet onverlet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><al>De toeslag bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande
                            en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn of haar
                            hoofdverblijf heeft. </al><al>De toeslag bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande
                            en alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun
                            hoofdverblijf hebben.</al><al>De toeslag bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande
                            en alleenstaande ouder die een woning bewonen als
                            onderhuurder/kamerbewoner, kostganger of kind.</al><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in
                            aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                            hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>kinderen met een inkomen van ten hoogste 70 procent van de
                                    gehuwdennorm;</al></li><li nr="b."><al>verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden
                                    verzorgd;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><al>De verlaging bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden in
                            wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben.</al><al>De verlaging bedraagt 10 % van de gehuwdennorm voor gehuwden die een
                            woning bewonen als onderhuurders/kamerbewoners, kostgangers of als één
                            van beiden een inwonend kind is.</al><al>Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5-</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging bedraagt:</al><al>a.20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan
                            voor</al><al>belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden
                            zijn;</al><lijst><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond
                                    wordt.</al></li><li nr="c."><al>de verlagingen als genoemd onder a en b vinden bij voorrang op
                                    de toeslag plaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6-</nr><titel>Maximering verlaging</titel></kop><al>Bij toepassing van een combinatie van een toeslag op grond van artikel 3
                            en/of een of meer verlagingen op grond van de artikelen 4 en 5 dient een
                            alleenstaande minimaal te blijven beschikken over 45% van de
                            gehuwdennorm, een alleenstaande ouder over minimaal 65% van de
                            gehuwdennorm en gehuwden over minimaal 75% van de gehuwdennorm. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand 2010. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli
                                    2010.</al></li><li nr="2."><al>De “Verordening betreffende toeslagen op en verlaging van de
                                    bijstandsnorm voor de categorieën van belanghebbenden aan wie
                                    bijstand kan worden verleend” is ingetrokken met ingang van de
                                    datum van in werking treding van deze nieuwe verordening.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de wet of Awb
                        niet afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval
                        van wijziging van betreffende definities in de wet of Awb ook de Verordening
                        moet worden gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm (in plaats van netto
                        minimumloon) is gekozen, omdat de hoogte van deze norm in de wet zelf wordt
                        gegeven in artikel 21 onder c. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto
                        minimumloon.</al><al>Om een persoon als verzorgingsbehoevende in de zin van de
                        Toeslagenverordening aan te kunnen merken, moet belanghebbende aannemelijk
                        maken, dat deze door hem verzorgde persoon bij het ontbreken van de
                        verzorging zou zijn aangewezen op een verpleeg- of verzorgingstehuis. Er
                        moet een duidelijke indicatie zijn op grond waarvan de
                        verzorgingsbehoevendheid kan worden aangenomen, bij voorkeur een verklaring
                        van deze strekking die is afgegeven door een arts. Het feit dat een
                        belanghebbende als verzorger van een verzorgingsbehoevende is aan te merken
                        is overigens geen reden om hem te ontheffen van de verplichting om algemeen
                        geaccepteerde arbeid te zoeken en te aanvaarden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Het eerste lid heeft geen nadere toelichting nodig.</al><al>In het tweede lid staat de wettelijke individualiseringsplicht van het
                        college aangehaald. Op grond hiervan kan de hoogte van de bijstand afwijkend
                        aan de Toeslagenverordening worden vastgesteld indien de omstandigheden dat
                        vergen en rechtvaardigen. Dit geldt evenzeer in situaties waarin de
                        Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van de
                        Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is er voor gekozen om
                        deze plicht expliciet in de Toeslagenverordening op te nemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>De toeslaghoogte van 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of
                        alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft is
                        verplicht op grond van de wet. Ingeval in de woning een ander zijn
                        hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het
                        bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Daarbij is
                        de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang.
                        Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. Zolang er geen
                        sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van worden
                        uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op
                        zijn plaats. In de toeslagen verordening is gekozen voor een toeslag van 10
                        procent van de gehuwdennorm in het geval één of meer anderen in dezelfde
                        woning hun hoofdverblijf hebben. Het tweede lid bepaalt dat alleenstaanden
                        en alleenstaande ouders die een woning bewonen als
                        onderhuurder/kamerhuurder, kostganger dan wel inwonend kind een toeslag van
                        10% van de gehuwdennorm krijgen. In het vierde lid wordt geregeld dat
                        kinderen die niet (meer) in de norm begrepen zijn, maar die tevens in
                        omstandigheden verkeren waardoor het niet aannemelijk is, dat zij kunnen
                        bijdragen in de kosten van het huishouden, niet meetellen als personen die
                        in de woning hun hoofdverblijf hebben. De omstandigheden worden aanwezig
                        geacht als het inwonende kind dan wel de inwonende kinderen ieder voor zich
                        geen hoger inkomen hebben dan 70% van de gehuwdennorm (= de norm voor een
                        alleenstaande van 21 tot 65 jaar met maximum toeslag). Aangezien betreffende
                        kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het aan de alleenstaande
                        ouder om zodanige inlichtingen te verstrekken dat kan worden vastgesteld of
                        onderdeel a van toepassing is.</al><al>In onderdeel b van het vierde lid wordt geregeld dat zorgbehoevenden
                        eveneens niet worden meegeteld als personen die in dezelfde woning hun
                        hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om
                        belanghebbende vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een lagere
                        toeslag. Deze bepaling werkt zowel voor de zorgbehoevende als degene die de
                        zorgbehoevende verzorgt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide
                        echtgenoten de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar.
                        Indien in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden.
                        Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet
                        van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf. In de
                        toeslagenverordening is gekozen voor een verlaging van 10 procent van de
                        gehuwdennorm in het geval één of meer anderen in dezelfde woning hun
                        hoofdverblijf hebben. Het tweede lid bepaalt dat de bijstand voor gehuwden
                        die een woning </al><al>bewonen als onderhuurder/kamerhuurder, kostganger dan wel inwonend kind
                        verlaagd wordt met 10% van de gehuwdennorm. In het derde lid wordt geregeld
                        dat kinderen die niet (meer) in de norm begrepen zijn, maar die tevens in
                        omstandigheden verkeren waarin het niet aannemelijk is, dat zij kunnen
                        bijdragen in de kosten van het huishouden, niet meetellen als personen die
                        in de woning hun hoofdverblijf hebben. De omstandigheden worden aanwezig
                        geacht als het inwonende kind dan wel de inwonende kinderen ieder voor zich
                        geen hoger inkomen hebben dan 70% van de gehuwdennorm. Aangezien de in het
                        vierde lid bedoelde kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het aan
                        de ouders om zodanige inlichtingen te verstrekken, dat kan worden
                        vastgesteld of onderdeel a van het vierde lid van artikel 3 van toepassing
                        is. Zorgbehoevenden worden eveneens niet meegeteld als personen die in
                        dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het
                        niet wenselijk is om belanghebbenden vanwege deze verzorgingstaken te
                        confronteren met een verlaging van de norm. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Artikel 27 van de wet geeft het college de mogelijkheid de norm of de
                        toeslag te verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke
                        kosten van het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27
                        van de wet is aanvullend bedoeld op de artikelen 25 en 26 van de wet. In dit
                        artikel is onder a een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan de
                        woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Bijvoorbeeld
                        indien een kraakpand wordt bewoond. Voor de duidelijkheid: het gaat hier
                        niet om situaties dat iemand als kamerhuurder of onderhuurder een woning
                        bewoont want die situaties kennen een eigen toeslag of verlaging. Het wordt
                        nodeloos ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de
                        mate waarin woonkosten ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk
                        lage woonkosten heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met
                        toepassing van artikel 18 lid 1 van de wet de bijstand lager vast te
                        stellen. In de verordening wordt overigens niet het begrip 'woonkosten'
                        gehanteerd, maar 'kosten van huur of hypotheeklasten'. Daarmee wordt
                        duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en dergelijke,
                        voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging van krachtens dit
                        artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de
                        Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip
                        woonkosten in de zin van artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs.
                        99/7 en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.)</al><al>In onderdeel b wordt de verlaging ingeval er door belanghebbende in het
                        geheel geen woning bewoond vastgesteld op 10 procent van de gehuwdennorm.
                        Dit is in overeenstemming met de toelichting op artikel 27 van de wet. Een
                        belanghebbende die geen woning bewoond wordt geacht lagere algemeen
                        noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben vanwege het ontbreken van
                        woonkosten. Niettemin zijn de kosten van het bestaan niet zoveel lager als
                        voor een belanghebbende die kosteloos woont in een woning. Een dakloze wordt
                        immers geconfronteerd met de hogere kosten van het op straat leven, zoals
                        bijvoorbeeld de kosten van nachtopvang. De hoogte van een verlaging
                        krachtens dit artikel heeft geen invloed op de wijze waarop de bijstand
                        verleend moet worden. Indien bijstand verleend wordt aan daklozen, kan het
                        college gebruik maken van zijn bevoegdheid om een budgetteringsplicht op te
                        leggen of de bijstand in natura (in de vorm van opvang) te verlenen.
                        Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan belanghebbenden zonder
                        adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
                        persoonsgegevens op grond van artikel 40 lid 1 en 2 van de wet door bij amvb
                        (Bijstandsbesluit adreslozen) aan te wijzen centrumgemeenten. Maar niet elke
                        belanghebbende zonder woning is een adresloze in de zin van aangehaalde wet.
                        Belanghebbende kan immers ook de beschikking hebben over een postadres bij
                        familie of een instantie. Onder c staat aangegeven dat een verlaging bij
                        voorrang op de toeslag plaats vindt als bedoeld in artikel 25 van de wet.
                        Formeel maakt het niet uit of de verlaging plaats vindt op de norm of
                        toeslag maar dit is zo in deze verordening bepaald om de eenheid van
                        uitvoering te bewaren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Er zijn situaties denkbaar bij een combinatie van het niet hebben van
                        woonkosten en een kostendeling met anderen waarbij de uitkering die
                        overblijft onvoldoende is om in de algemeen noodzakelijke kosten van het
                        bestaan te voorzien. Om deze reden zijn minimumuitkeringen vastgesteld
                        waarover personen in ieder geval dienen te beschikken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Evenals de uitvoering van de wet ligt de uitvoering van de
                        Toeslagenverordening bij het college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Dit artikel vraagt niet om een nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>Dit artikel vraagt niet om een nadere toelichting.</al><al>Soest, </al><al>de raad voornoemd, </al><al>de griffier, de voorzitter,</al><al>M.van Vliet MPM AA A. Noordergraaf</al><al>__</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>