<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR58004_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Participatieverordening Brielle 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Brielle</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-08-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Brielle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-83954.html">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Participatieverordening Brielle 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/Hoofdstuk1/12/Artikel8a">Participatiewet, art. 8a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/Hoofdstuk2/21/Artikel10b">Paricipatiewet, art. 10b, lid 4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>sector samenleving</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Participatieverordening Brielle 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Brielle;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 oktober
                        2014;</al><al/><al>gelet op gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, d en
                        e, en tweede lid, en 10b, vierde lid van de Participatiewet;</al><al/><al>gezien het advies van de commissie Samenleving van 6 oktober 2014;</al><al/><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de volgende: <vet>Participatieverordening Brielle
                        2015</vet>, met gelijktijdige intrekking van de Participatieverordening
                        Brielle 2013.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. uitkerings gerechtigde : degene die een periodieke uitkering voor
                            levensonderhoud ontvangt op grond van de Participatiewet, IOAW en IOAZ; </al><al>b. het college : het college van burgemeester en wethouders van de
                            gemeente Brielle; </al><al>c. deelnemer : persoon die behoort tot de doelgroep als bedoeld in
                            artikel 4 van deze verordening en deelneemt aan een traject; </al><al>d. inburgeringsplichtige : de persoon die inburgeringsplichtig is en
                            waarbij de inburgeringstermijn voor 1 januari 2013 per beschikking is
                            vastgesteld dan wel van rechtswege is ingegaan, of asielgerechtigd is en
                            waaraan voor 1 januari 2013 een verblijfsstatus is toegekend, of
                            geestelijke bedienaar is en waaraan voor 1 januari 2013 een
                            verblijfsvergunning is toegekend; </al><al>e. Ioaw : Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers; </al><al>f. Ioaz : Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al><al>g. niet-uitkeringsgerechtigde : een persoon als bedoeld in artikel 6
                            eerste lid onder a van de Participatie-wet; </al><al>h. participatie : het deelnemen aan de samenleving door middel van
                            betaald werk (in dienstverband of als zelfstandige) of, indien dit niet
                            mogelijk is, door middel van vrijwilligerswerk, mantelzorg of andere
                            maatschappelijk nuttige activiteiten; </al><al>i. participatievoorziening : de instrumenten die kunnen worden ingezet
                            voor participatie van de doel-groep waaronder in ieder geval de
                            voorzieningen, bedoeld in de artikelen 10a, 10b, 10d, 10da en artikel
                            10f van de Participatiewet; </al><al>j. reguliere arbeid : algemeen geaccepteerde arbeid, waarvoor loon wordt
                            ontvangen, niet zijnde gesubsi-dieerde arbeid en niet zijnde een
                            voorziening als bedoeld in de artikelen 21, 22, 23, 26, 27 en 29 van
                            deze verordening; </al><al>k. no-riskpolis: een verzekering waarbij een werkgever compensatie
                            ontvangt voor de loonkosten wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen
                            ziek wordt; </al><al>l. re-integratie : het proces dat moet leiden tot participatie; </al><al>m. beroepskwalificatie : een diploma van een opleiding als bedoeld in
                            artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet
                            educatie en beroepsonderwijs, of een diploma van het Hoger
                            beroepsonderwijs (Hbo) of een diploma van het Wetenschappelijk onderwijs
                            (Wo); </al><al>n. traject : in een plan vastgelegde bundeling van activiteiten gericht
                            op participatie; </al><al>o. jobcoach : een jobcoach ondersteunt/ begeleidt een persoon
                            (werknemer) met een structurele functionele beperking op zijn/ haar
                            werkplek; </al><al>p. uitkeringsgerechtigde : degene die een periodieke uitkering voor
                            levensonderhoud ontvangt op grond van de Participatiewet, de Ioaw of de
                            Ioaz dan wel een participatievoorziening ontvangt; </al><al>q. voormalig uitkeringsgerechtigde : een persoon van wie het recht op
                            algemene bijstand minder dan 6 maanden geleden is geëindigd vanwege
                            inschakeling in de arbeid; </al><al>r. UWV : het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; </al><al>s. Wet : de Participatiewet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht aan het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt de belanghebbende, ondersteuning bij re-integratie
                                en participatie en biedt, voor zover het college dat noodzakelijk
                                acht, één of meer participatievoorzieningen aan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod van
                                participatievoorzieningen. Het college zal bij het bepalen van het
                                aanbod aan participatievoorzieningen prioriteiten stellen in verband
                                met de financiële mogelijkheden van de gemeente en maatschappelijke,
                                economische en conjuncturele ontwikkelingen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bevordert een evenwichtige verdeling van
                                participatievoorzieningen tussen de onderschei-den doelgroepen in
                                artikel 1 van de Wet ParticipatieBudget, alsmede een gelijke
                                aandacht voor de ver-schillende personen daarbinnen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college spant zich in om de lokale en eventueel regionale
                                arbeidsmarkt zodanig te bewerken dat deze beter toegankelijk wordt
                                voor personen als bedoeld in artikel 4. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Ter uitvoering van het tweede en derde lid, stelt het college
                                jaarlijks een begroting vast waarin de uitgaven worden geraamd van
                                de inzet van participatievoorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 5
                                van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college legt jaarlijks verantwoording af over de uitvoering van
                                het re-integratie en participatiebeleid. Het verslag bevat in ieder
                                geval het advies van de cliëntenraad. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanbieden voorziening</titel></kop><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen
                            participatievoorzieningen reke-ning met de omstandigheden en functionele
                            beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval
                            betrekking op: </al><al>a. de zorgtaken; </al><al>b. het feit dat een belanghebbende tot de doelgroep loonkostensubsidie
                            behoort; </al><al>c. gebruik maakt van de voorziening beschut werk; </al><al>d. een andere functionele beperking heeft; </al><al>e. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, </al><al>f. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de doelgroep behoren de personen als bedoeld in artikel 7,
                                eerste lid onderdeel a van de Participatiewet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet tot de doelgroep behoren de personen die: </al><al>a. geen uitkeringsgerechtigde is en die onderwijs of een
                                beroepsopleiding volgt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000
                                of in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                schoolkosten; </al><al>b. een kind is als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en
                                onderdeel a, van de Algemene Kinderbijslagwet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Ondersteuning bij participatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ondersteuning door het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondersteuning van de doelgroep betreft het adviseren over of bieden
                                van de meest effectieve weg naar participatie voor langere tijd.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op het eerste lid kan ondersteuning van jongeren
                                bestaan uit het terugleiden naar school voor het behalen van een
                                startkwalificatie en/of een vervolgopleiding gericht op het
                                verbeteren van de arbeidsmarktpositie, het verkrijgen van algemeen
                                geaccepteerde arbeid of een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overeenkomstig artikel 10 van de Participatiewet kunnen personen
                                behorend tot de doelgroep als bedoeld in artikel 4 aanspraak maken
                                op ondersteuning door het college en op de naar het oordeel van het
                                college noodzakelijk geachte participatievoorziening(en). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen aanspraak op ondersteuning bestaat indien sprake is van een
                                voorliggende voorziening welke naar het oordeel van het college in
                                voldoende mate bijdraagt aan de participatie van de belanghebbende.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen aanspraak op ondersteuning bestaat er voor personen jonger dan
                                27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, met
                                uitzondering van het bepaalde in artikel 5, tweede lid van deze
                                verordening voor zover het betreft het terugleiden naar school voor
                                het behalen van een startkwalificatie en/of een vervolgopleiding
                                gericht op het verbeteren van de arbeidsmarktpositie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Beëindiging, weigering of intrekking van de ondersteuning</titel></kop><al>Het college kan een participatievoorziening beëindigen, weigeren of
                            intrekken indien: </al><al>a. belanghebbende zijn verplichtingen herhaaldelijk en verwijtbaar niet
                            nakomt; </al><al>b. een persoon die deelneemt aan een participatievoorziening niet meer
                            tot de doelgroep behoort zoals bedoeld in artikel 4 van deze
                            verordening; </al><al>c. het college een andere participatievoorziening aanbiedt die naar zijn
                            oordeel passender is; </al><al>d. naar het oordeel van het college de participatievoorziening niet,
                            niet langer dan wel in onvoldoende mate bijdraagt aan de participatie
                            van belanghebbende; </al><al>e. het door het college ingestelde budgetplafond voor de betreffende
                            voorziening is bereikt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Vorm van de ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Ondersteuning kan worden gegeven door het aanbieden van één of
                                meerdere participatievoorzienin-gen, het bieden van praktische hulp,
                                het geven van advies of het doorverwijzen naar een andere instantie.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ondersteuning sluit aan bij de behoeften, mogelijkheden en
                                ervaringen van belanghebbende zoals deze naar het oordeel van het
                                college bestaan. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Rechten en plichten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Verplichtingen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de belanghebbende gelden de volgende verplichtingen: </al><al>a. het verstrekken van de inlichtingen aan het college die nodig
                                zijn voor het bepalen van een passende participatievoorziening en
                                het naar vermogen meewerken en deelnemen aan de aangeboden
                                participatievoorziening; </al><al>b. na te laten hetgeen de realisatie van het traject belemmert; </al><al>c. na te laten hetgeen de inschakeling in de arbeid belemmert; </al><al>d. het onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische
                                aard; </al><al>e. het onmiddellijk aan het college melden indien door ziekte dan
                                wel door andere omstandigheden (tijdelijk) niet aan een of meer
                                verplichtingen ingevolge deze verordening kan worden voldaan; </al><al>f. het meewerken aan begeleiding en controle bij ziekteverzuim; </al><al>g. het meewerken aan een door het college opgelegde tegenprestatie
                                als bedoeld in hoofdstuk 4.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien de schuldsituatie van een belanghebbende naar het oordeel
                                van het college de participatie belemmert, kan de belanghebbende als
                                bedoeld in artikel 4, eerste lid, worden verplicht mee te werken aan
                                een door het college aan te bieden schuldbemiddelingstraject. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het voor deelname aan een traject of voor participatie
                                noodzakelijk is dat belanghebbende als bedoeld in artikel 4,
                                zijn/haar kind(eren) laat opvangen, kan de belanghebbende, worden
                                verplicht direct passende kinderopvang te regelen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige is voor de inburgeringsvoorziening
                                verplicht een eigen bijdrage te voldoen, zoals bedoeld in artikel
                                23, tweede lid van de Wet inburgering, waarbij het college: </al><al>a. de eigen bijdrage direct na afronding van de
                                inburgeringsvoorziening in één keer int of indien dit niet mogelijk
                                is in termijnen int (conform het vastgestelde debiteurenbeleid); </al><al>b. de eigen bijdrage op grond van artikel 24, eerste lid van de Wet
                                inburgering, kan verrekenen met algemene bijstand of een uitkering
                                op grond van sociale zekerheidswetten of sociale
                                zekerheidsregelingen; </al><al>c. de wijze van betaling voor de eigen bijdrage in de beschikking
                                tot toekenning van een inburgeringsvoorziening vastlegt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Bestuurlijke boete voor inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college legt een bestuurlijke boete op: </al><al>a. ter hoogte van € 125, indien de inburgeringsplichtige of de
                                persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan
                                vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is geen of onvoldoende
                                medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25,
                                vierde lid, Wet Inburgering; </al><al>b. ter hoogte van € 250, indien de inburgeringsplichtige geen of
                                onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem
                                vastgestelde inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste
                                lid, van de Wet Inburgering of aan de verplichtingen, bedoeld in
                                artikel 8 van deze verordening; </al><al>c. ter hoogte van € 500, indien de inburgeringsplichtige niet binnen
                                de in artikel 7, eerste lid, van de Wet Inburgering bedoelde termijn
                                het inburgeringsexamen heeft behaald; </al><al>d. ter hoogte van € 1000, indien de inburgeringsplichtige niet
                                binnen het door het college op grond van artikel 32 van de Wet
                                inburgering vastgestelde termijn het inburgeringsexamen heeft
                                behaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval van recidive legt het college de volgende boete op: </al><al>a. Ter hoogte van € 250, indien de inburgeringsplichtige zich binnen
                                24 maanden opnieuw schuldig maakt aan de vorige als verwijtbaar
                                aangemerkte overtreding, als bedoeld in artikel tien, eerste
                                onderdeel a; </al><al>b. Ter hoogte van € 500, indien de inburgeringsplichtige zich binnen
                                24 maanden opnieuw schuldig maakt aan de vorige als verwijtbaar
                                aangemerkte overtreding, als bedoeld in artikel tien, eerste
                                onderdeel b; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, onderdeel d legt het
                                college een bestuurlijke boete op ter hoogte van € 500, indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 van de Wet Inburgering verlengde termijn het
                                inburgeringsexamen heeft behaald maar hem dit niet te verwijten
                                valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Rechten van belanghebbenden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belanghebbende aan wie een participatievoorziening wordt
                                aangeboden als bedoeld in hoofdstuk 5 van deze verordening, heeft
                                indien de belanghebbende de voorziening(en) aanvaardt recht op
                                volledige bekostiging van de aangeboden participatievoorziening(en),
                                met uitzondering van de eigen bijdrage voor inburgeringsplichtigen
                                als bedoeld in artikel 23, tweede lid van de Wet Inburgering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan besluiten ter bevordering van de arbeidsinschakeling
                                van de belanghebbende als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van deze
                                verordening en op wie artikel 10a van de Participatiewet van
                                toepassing is, een premie te verstrekken aan de belanghebbende die
                                naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan de
                                arbeidsinschakeling, ter hoogte van € 100 per zes maanden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het recht op de premie als bedoeld in het derde lid, ontstaat voor
                                het eerst op de 1e dag van de zevende kalendermaand nadat
                                belanghebbende is gestart met werken op de participatieplaats en
                                vervolgens na afloop van elke 6 maanden, voor zolang de
                                participatieplaats voortduurt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op artikel 2, tweede lid en artikel 3, kan het college aan
                                degene die op grond van art. 10a Participatiewet additionele
                                werkzaamheden verricht en niet over een startkwalificatie beschikt
                                een voorziening aanbieden in de vorm van scholing of opleiding die
                                toegang tot reguliere arbeid bevordert. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het vijfde lid is niet van toepassing indien: </al><al>a. de scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de
                                persoon te boven gaan; </al><al>b. de scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de
                                kans op inschakeling in het arbeidsproces. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de inburgeringsplichtige die gebruik maakt
                                van een inburgeringsvoorziening, na afronding van deze voorziening
                                een premie ter hoogte van € 270,-, en verrekent deze met de te innen
                                eigen bijdrage als bedoeld in artikel 9, vierde lid van deze
                                verordening. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Participatievoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie en die
                                werkzaamheden: </al><al>a. naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                arbeidsmarkt; </al><al>b. niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument; </al><al>c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                                organisatie waarin ze worden verricht; en </al><al>d. niet leiden tot verdringing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast welke aanvullende werkzaamheden
                                in ieder geval kunnen worden aangeboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Het opleggen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een tegenprestatie opleggen welke is gericht op het
                                versterken van de eigen kracht en/of sociaal netwerk voor zover het
                                college deze van toepassing acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen tegenprestatie wordt opgelegd aan: </al><al>a. inwoners die enkel bijzondere bijstand ontvangen; </al><al>b. alleenstaande ouders die op grond van art. 9a Participatiewet op
                                eigen verzoek een ontheffing van de arbeidsverplichtingen hebben,
                                omdat zij de volledige zorg hebben voor een kind tot vijf; </al><al>c. uitkeringsgerechtigden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
                                zijn en grond daarvan volledig zijn vrijgesteld van arbeids- en
                                re-integratieverplichting; </al><al>d. de uitkeringsgerechtigde verricht parttime werk voor minimaal 20
                                uur per week, dan wel het naar ver-mogen maximaal haalbare uren; </al><al>e. de uitkeringsgerechtigde neemt deel aan een re-integratietraject,
                                waarmee op de korte of lange termijn wordt toegewerkt naar het
                                kunnen gaan verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid; </al><al>f. de uitkeringsgerechtigde verricht vrijwilligerswerk voor minimaal
                                16 uur per week; </al><al>g. de uitkeringsgerechtigde verricht mantelzorg voor minimaal 16 uur
                                per week; </al><al>h. uitkeringsgerechtigden waarbij er sprake is van multiproblematiek
                                en het opleggen van een tegenprestatie het plan van aanpak zoals
                                opgesteld door het team Integrale Regievoering van de afdeling Zorg
                                &amp; Samenleving doorkruist.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt qua invulling en duur afgestemd op de
                                mogelijkheden van de uitkeringsge-rechtigde en op de wensen en
                                mogelijkheden van de organisatie die de maatschappelijke activiteit
                                aanbiedt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Duur en omvang van de tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De omvang van de tegenprestatie kan variëren van een eenmalige
                                activiteit tot een substantieel aantal uren per maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de tegenprestatie bedraagt maximaal twaalf maanden.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Keuze invulling van de tegenprestatie</titel></kop><al>De keuze voor de invulling van de tegenprestatie wordt in de volgende
                            volgorde uitgevoerd: </al><al>a. de uitkeringsgerechtigde zoekt zelf aantoonbaar een activiteit en
                            organisatie; </al><al>b. de gemeente zorgt voor de beschikbaarheid van activiteiten bij
                            organisaties en de uitkeringsgerechtig-de maakt hieruit een keuze; </al><al>c. de gemeente zorgt voor de beschikbaarheid van activiteiten bij
                            organisaties en maakt hieruit een keuze voor de uitkeringsgerechtigde; </al><al>d. indien de uitkeringsgerechtigde zelf een activiteit en/of organisatie
                            aandraagt als bedoeld in het eerste lid onderdeel a van dit artikel,
                            wordt deze getoetst op de criteria als bedoeld in artikel twaalf, eerste
                            lid en artikel dertien, derde lid van de verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al>Het college legt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                            voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Participatievoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Algemene bepalingen over participatievoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de activiteiten in het kader van deze verordening in
                                eigen beheer uitvoeren, of in samenwerking met ketenpartners, of
                                uitbesteden aan derden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In artikelen 18 tot en met 37 worden de soorten participatie- en
                                werkgeversvoorzieningen benoemd die het college kan gebruiken bij
                                het uitvoeren van zijn opdracht als bedoeld in artikel 2. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ontwikkelkosten, zijnde kosten van activiteiten ten behoeve van het
                                opzetten en uitvoeren van één of meer participatievoorzieningen,
                                worden geacht tot (het uitvoeren van) de participatievoorziening(en)
                                te behoren en komen derhalve niet ten laste van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Randvoorwaardelijke activiteiten en benodigde middelen die aan
                                participatie- en werkgeversvoorzieningen worden toegerekend, worden
                                geacht tot (het uitvoeren van) de participatievoorziening te
                                behoren. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Preventie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zet de voorziening preventie in ter voorkoming van een
                                uitkering in het kader van de Participatiewet, voortijdig
                                schooluitval, problematische schulden en/of het verlies van
                                zelfredzaamheid op één of meer leefgebieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De voorziening preventie betreft één of meer kortdurende
                                activiteiten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Preventie wordt bij voorkeur uitgevoerd in eigen beheer of via
                                samenwerking met ketenpartners. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gelet op artikel 2, tweede lid, kan het college onderzoek verrichten
                                in verband met het verkrijgen van inzicht in de relevante kennis,
                                kwaliteiten, mogelijkheden, beperkingen en belemmeringen van een
                                be-langhebbende teneinde diens arbeids,- re-integratie,- of
                                participatiemogelijkheden te bepalen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wijze waarop het onderzoek plaatsvindt, wordt bepaald door het
                                college en kan bestaan uit het verrichten van door het college
                                opgelegde activiteiten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Directe bemiddeling naar regulier werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende binnen de doelgroep direct
                                bemiddelen op een concreet baanaanbod. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Directe bemiddeling kan in eigen beheer worden uitgevoerd of worden
                                uitbesteed aan derden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Work First</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een belanghebbende de intensieve
                                re-integratievoorziening Work First (Brielle Werkt!) aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De deelnemer aan het Work First traject ontvangt gedurende het
                                traject een Participatiewet,- Ioaw,- of Ioaz-uitkering. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de voorziening Work First bedraagt maximaal twaalf
                                maanden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Werktrajecten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een werktraject aanbieden welke is gericht op het
                                verkrijgen van algemeen geaccep-teerde arbeid in
                                dienstbetrekking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het werktraject bestaat tenminste uit bemiddeling naar regulier
                                werk, maar kan eveneens bestaan uit aanbodversterking,
                                proefplaatsing, training, scholing, stage of externe
                                arbeidsactiviteiten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een activeringstraject aanbieden welke is gericht op
                                het verminderen dan wel opheffen van de in de persoon of diens
                                sociale omgeving gelegen belemmeringen die de participatie of
                                arbeids-inschakeling bemoeilijken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van dit traject is divers en moet ondermeer bestaan uit een
                                verbeterde zelfstandige maatschappelijke participatie of uit
                                toeleiding naar een werktraject. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het activeringstraject bestaat tenminste uit deelname aan
                                hulpverleningsactiviteiten, herstelbegeleiding, het verrichten van
                                vrijwilligerswerk, het uitvoeren van maatschappelijk nuttige
                                activiteiten zonder winstoogmerk of empowerment.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Educatie</titel></kop><al>Het college kan de voorziening educatie aanbieden welke bestaat uit één
                            of meer cursussen of trainingen gericht op de bevordering van de
                            Nederlandse taal, NT2 en/of rekenen, dit ten dienste van de
                            zelfredzaamheid van inwoners. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Scholing kan bestaan, zover de belanghebbende behoort tot de
                                doelgroep in artikel 4 uit het aanbieden van opleidingen die leiden
                                tot het behalen van een certificaat dan wel het aanbieden van
                                bijscholing indien niet over een opleiding voor een beroep of
                                branche waarin vraag op de arbeidsmarkt is, wordt beschikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Met uitzondering op het eerste lid, kan geen scholing worden
                                ingezet, indien het scholing uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs
                                betreft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkervaringsplaats betreft een tijdelijke arbeidsplaats bedoeld
                                voor (langdurig) werklozen, om deze in staat te stellen werkervaring
                                op te doen of deze in stand te houden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij gaat het om additionele werkzaamheden die verricht worden
                                bij (non) profit organisaties, naast of in aanvulling op reguliere
                                arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inzet van een werkervaringsplaats kan samen gaan met de inzet van
                                overige participatievoorzieningen dan wel trainingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een participatieplaats als bedoeld in artikel 10a van de
                                Participatiewet is een tijdelijke, additionele ar-beidsplaats ten
                                behoeve van de uitkeringsgerechtigde als bedoelt in artikel 4, waar
                                met behoud van uitkering, werkervaring kan worden opgedaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking op het eerste lid, is de participatieplaats als bedoeld
                                in artikel 10a van de Participatiewet, niet van toepassing op
                                jongeren tot 27 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een participatieplaats kan worden ingezet voor een belanghebbende
                                die een dusdanig grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft waardoor
                                hij vooralsnog niet bemiddelbaar is naar regulier werk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Traject naar zelfstandig beroep of bedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Om te bepalen of een uitkeringsgerechtigde de potentie heeft om
                                volledig te voorzien in het levenson-derhoud door middel van
                                uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf, kan na
                                toestemming van het college een ondernemersbeoordeling worden
                                uitgevoerd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien uit de ondernemersbeoordeling blijkt dat de
                                uitkeringsgerechtigde via een zelfstandig beroep of bedrijf volledig
                                in het levensonderhoud zou kunnen voorzien, kan een traject naar
                                zelfstandig beroep of bedrijf worden aangeboden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het traject naar
                                zelfstandig beroep ook worden aangebo-den aan een
                                niet-uitkeringsgerechtigde indien hij/zij in de omstandigheden
                                verkeert als bedoeld in artikel elf, eerste lid van de
                                Participatiewet, artikel vijf, eerste lid Ioaw en artikel vijf,
                                eerste lid Ioaz en hij/zij een concrete mogelijkheid heeft om direct
                                door te stromen naar een zelfstandig beroep of bedrijf zonder dat
                                toekenning van een uitkering op grond van voornoemde wetten
                                noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> 1. De ondernemersbeoordeling en het traject, of onderdelen daarvan,
                                worden gezien als re-integratie voor zover de kosten niet kunnen
                                worden gedekt uit rijksmiddelen ten behoeve van uitvoering van het
                                Be-sluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, gelet op het bepaalde in artikel 2, tweede lid, de
                                voorziening beschut werk aanbieden aan een belanghebbende die door
                                een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                                zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek
                                nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan
                                worden verwacht dat hij deze persoon, zonder begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek, in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend
                                in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden
                                mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te bepalen aan welke personen uit de doelgroep namens het college
                                een voorziening beschut werken wordt aangeboden, geldt de volgorde
                                van plaatsing op de wachtlijst, waarbij de datum waarop het UWV een
                                positief advies heeft afgegeven, bepalend is. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het derde lid wordt in de onderstaande volgorde
                                voorrang gegeven aan: </al><al>a. leerlingen van het VSO cluster 3; </al><al>b. leerlingen van het Praktijkcollege.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen in: </al><al>a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; </al><al>b. aanpassing van taken, werktempo of arbeidsduur; </al><al>c. begeleiding op de werkplek.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks maximaal 1/3e van de vrijgekomen
                                arbeidsplaatsen, als gevolg van beëindigde WSW-dienstbetrekkingen,
                                beschikbaar voor de participatievoorziening beschut werken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Jobcoaching</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening persoonlijke ondersteuning
                                Jobcoaching aanbieden indien deze onder-steuning noodzakelijk is in
                                die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid
                                zijn/ haar werkzaamheden niet zou kunnen verrichten en die persoon: </al><al>a. behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie; of </al><al>b. een structurele beperking heeft en niet behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie maar voor wie de inzet van jobcoaching wel
                                noodzakelijk is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inzet van een jobcoach bedraagt maximaal tweeënvijftig uren op
                                jaarbasis gedurende een maximale periode van drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De noodzaak van jobcoaching wordt ieder half jaar beoordeeld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Begeleiding en nazorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Begeleiding is het onderhouden van contact met de belanghebbende
                                tijdens diens traject met als doel de voortgang van de
                                participatieactiviteiten en succesvolle participatie te bevorderen.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Nazorg is het onderhouden van contact met belanghebbende die
                                maximaal zes maanden geleden een traject heeft beëindigd wegens
                                werkaanvaarding, en eventueel diens werkgever, over het functioneren
                                van belanghebbende op de werkplek, teneinde duurzame participatie te
                                bevorderen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Begeleiding en nazorg kunnen onderdeel zijn van een traject, maar
                                kunnen ook als losse participatievoorziening of als aanvulling op
                                een traject worden aangeboden. De werkadviseur gebruikt begeleiding
                                en eventueel nazorg als instrument(en) om regie te kunnen voeren op
                                de participatie van belanghebbende. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Werkgeversvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Werkgeverssubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is van toepassing indien een regulier dienstverband
                                wordt aangegaan met een uitkeringsgerechtigde. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>1et college kan, conform door het college nader te bepalen
                                voorwaarden, aan een zelfstandig ondernemer die als werkgever een
                                dienstverband voor reguliere arbeid aangaat met een
                                uitkeringsgerechtigde als bedoeld in het eerste lid, eenmalig een
                                werkgeverssubsidie en/of scholingsbudget bieden in de vorm van een
                                bedrag om niet, niet zijnde de subsidie als bedoeld in artikel 10d
                                van de Participatiewet. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan een zelfstandig ondernemer, die als werkgever
                                een dienstverband aangaat met uitkeringsgerechtigde als bedoeld in
                                het eerste lid, een of meer voorzieningen aanbieden, indien deze
                                naar het oordeel van het college het functioneren van de persoon op
                                de werkplek bevorderen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan naar aanleiding van ontwikkelingen op de
                                arbeidsmarkt nadere werkgeversvoorzienin-gen vaststellen om
                                bedrijfsrisico’s die (mogelijk) voortvloeien uit het in dienst nemen
                                van een uitkeringsgerechtigde als bedoeld in het eerste lid, te
                                beperken. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aan de toekenning van een werkgeversvoorziening verbindt het college
                                tenminste de navolgende voorwaarden: </al><al>a. het dienstverband voor reguliere arbeid wordt aangegaan voor
                                tenminste zes aaneengesloten maanden; </al><al>b. het dienstverband voor reguliere arbeid genereert
                                uitkeringsonafhankelijkheid of dit beslaat het maximaal aantal uren
                                per week dat de persoon op grond van een onafhankelijk
                                medisch-arbeidsdeskundig advies mag werken; </al><al>c. de ondernemer is op het moment van aanvraag en voor de duur van
                                de voorziening ingeschre-ven bij de Kamer van Koophandel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Doelgroep loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een zelfstandig ondernemer die als werkgever een
                                dienstverband aangaat met een belanghebbende een loonkostensubsidie
                                verstrekken ten behoeve van deze persoon, die: </al><al>a. een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet; en </al><al>b. van wie is vastgesteld dat hij/ zij met voltijdse arbeid niet in
                                staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel
                                mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Om te bepalen ten behoeve van welke personen uit de doelgroep als
                                bedoeld in het eerste lid een loonkostensubsidie wordt verstrekt,
                                geldt de onderstaande volgorde: </al><al>a. de prioritaire doelgroepen van de garantiebanen; </al><al>b. wanneer er wel een garantiebaan beschikbaar is, maar geen match
                                kan worden gemaakt met een persoon uit de prioritaire doelgroep
                                garantiebanen, een werkzoekende met een arbeidsbeperking en
                                arbeidsvermogen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid , onder deel a en tweede lid wordt
                                een loonkostensubsidie verstrekt ten behoeve van jongeren met een
                                beperking die vanuit onderwijs en/ of stage een concrete
                                mogelijkheid hebben om direct door te stromen naar een baan, waarbij
                                deze kans zonder inzet van loonkostensubsidie verloren gaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De hoogte van de loonkostensubsidie bedraagt maximaal 70% van het
                                wettelijk minimumloon. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Loonwaardebepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vaststelling van de loonwaarde maakt het college gebruik van
                                een gevalideerde loonwaardemeting welke ten minste aan de
                                onderstaande vereisten voldoet. De loonwaardebepaling: </al><al>a. heeft alleen betrekking op het prestatieniveau van de werknemer; </al><al>b. is transparant en objectief; </al><al>c. wordt professionele en deskundig uitgevoerd; </al><al>d. is toegankelijk en uitlegbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Ter bepaling van de loonwaarde kan worden ingestemd met een
                                proefperiode van maximaal 2 maanden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis wanneer: </al><al>a. de werkgever een dienstverband aangaat met een werknemer; en </al><al>b. deze werknemer voorafgaand aan de arbeidsovereenkomst behoort tot
                                de doelgroep; en </al><al>c. de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                heeft; of </al><al>d. de werkgever ten behoeve van de werknemer een loonkostensubsidie
                                ontvangt, bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet; en </al><al>e. de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-riskpolis geeft een vergoeding van: </al><al>a. het loon van de werknemer tot 100% procent van het wettelijk
                                minimumloon; en </al><al>b. 15% procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken sluit het de
                                gemeente een verzekering af en treedt op als verzekeringsnemer. De
                                begunstigde is de werkgever. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de no-riskpolis is gelijk aan de duur van het
                                dienstverband, gerekend vanaf de ingangsdatum van de
                                arbeidsovereenkomst, met een maximum van 24 maanden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Artikel 6 eerste lid is overeenkomstig van toepassing. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Flankerende voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36.</nr><titel>Flankerende voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan schuldbemiddeling aanbieden aan een belanghebbende
                                al dan niet met een Participa-tiewet,- Ioaw,- of Ioaz uitkering, met
                                financiële problemen die zich meldt bij de gemeente voor
                                schuld-bemiddeling en voldoet aan de voorwaarden die voor
                                schuldbemiddeling door het college worden gesteld. Budgetbeheer kan
                                als onderdeel van schuldbemiddeling worden aangeboden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een flankerende voorziening aanbieden gericht op het
                                wegnemen van belemmeringen voor de (duurzame) participatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de werkplek van een belanghebbende als bedoeld in
                                artikel 3 (laten) aanpassen, indien deze aanpassing naar het oordeel
                                van het college noodzakelijk is voor het functioneren van
                                belanghebbende. De werkplekaanpassing, of de vergoeding van de
                                kosten hiervoor, kan hetzij worden toegekend aan belanghebbende,
                                hetzij aan diens werkgever. Werkplekaanpassing op grond van deze
                                verordening vindt slechts plaats voor zover geen andere wet- en
                                regelgeving hierin voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr><titel>Experimentele voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan besluiten om bij wijze van experiment, in verband
                                met het vergroten van de doeltref-fendheid en doelmatigheid van het
                                participatiebeleid, bij de uitvoering van deze verordening af te
                                wijken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 18 tot en met
                                31 en het gemeentelijk inkoop- en aanbestedingsbeleid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een experiment als bedoeld in het eerste lid duurt maximaal twee
                                jaar.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Gesubsidieerde arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de uitvoering van de dienstbetrekkingen
                                als bedoeld in artikel 4 van de Wet Inschakeling Werkzoekenden,
                                zoals dit artikel luidde op 31 december 2003.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college draagt enkel zorg voor de subsidiëring van
                                arbeidsovereenkomsten met langdurig werklozen zoals bedoeld in
                                artikel 1 van het Besluit In- en Doorstroombanen, zoals dit artikel
                                luidde op 31 december 2003, voor personen: </al><al>a. die op 1 januari 2011 60 jaar of ouder zijn. De subsidiëring
                                wordt beëindigd zodra zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken,
                                dan wel op een eerder moment zodra zij gebruik maken van een VUT- of
                                flexibele pensioenregeling; </al><al>b. die uiterlijk op 1 augustus 2011 zijn geplaatst op de wachtlijst
                                als genoemd in artikel 12, eerste lid, van de Wet sociale
                                werkvoorziening. De subsidiëring wordt beëindigd zodra: </al><al>I. de ingezetene die geïndiceerd is een dienstbetrekking als bedoeld
                                in de hoofdstukken 2 en 3 van de Wet sociale werkvoorziening gaat
                                vervullen; </al><al>II. de indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking op grond van
                                artikel 12, derde of vierde lid, van de Wet sociale werkvoorziening
                                wordt ingetrokken of vervalt; </al><al>c. aan wie of ten behoeve van wie voorzieningen zijn verstrekt op
                                grond van de Wet Inschakeling Werkzoekenden, en aan wie voortzetting
                                van de onder het eerste lid bedoelde arbeidsovereenkomst is
                                gegarandeerd tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde
                                leeftijd, dan wel tot aan het op een eerder moment gebruik maken van
                                een VUT- of flexibele pensioenregeling; </al><al>d. die een werktraject als genoemd in artikel 16 volgen. De
                                subsidiëring wordt beëindigd op de dag na die waarop dat traject
                                afloopt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten genoemd in het eerste
                                en tweede lid, zijn voorzieningen in de zin van de Participatiewet.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende deze
                            verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van belanghebbende,
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening indien toepassing van de
                            verordening leidt tot onredelijkheid en onbillijkheid van overwegende
                            aard. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Participatieverordening 2013, behoudt deze voorziening
                                voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                Participatie-verordening 2013 voor : </al><al>a. de duur van 6 maanden; of </al><al>b de resterende duur van het traject, voor zover deze korter is dan
                                6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode
                                besluiten of een voorziening wordt voortgezet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42.</nr><titel>Citeerwijze en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Participatieverordening
                                Brielle 2015”. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015; met ingang van
                                deze datum wordt de Participatieverordening 2013 ingetrokken. </al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten door de gemeenteraad van Brielle </al><al>in de openbare vergadering van 29 oktober 2014</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, L.C.M. van Steijn</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, G.G.J. Rensen</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/><titel>algemeen</titel></kop><al>Invoering Participatiewet Met ingang van 1 januari 2015 treedt de
                    Participatiewet in werking. Met de invoering van de Participatiewet worden
                    verschillende doelstellingen beoogd. Het belangrijkste doel is om alle mensen,
                    óók mensen met een arbeidsbeperking, als volwaardige burgers mee te laten doen
                    in de samenleving. Voor veel mensen is meedoen een vanzelfsprekendheid maar voor
                    anderen kan dit een grote opgave zijn. Een te grote groep werkt momenteel niet
                    of is niet werkzaam in een reguliere baan, terwijl zij wel mogelijkheden hebben.
                    Het kabinet wil deze mensen kansen bieden en hen zo veel als mogelijk laten
                    participeren. Hetzij via een reguliere baan, hetzij op andere wijze. Het moet
                    normaal worden dat mensen met een beperking deel uitmaken van het arbeidsproces.
                    In de Participatiewet staat de eigen kracht van mensen centraal. Ondersteuning
                    dient alleen geboden te worden als dit echt nodig is. </al><al>Het sociale zekerheidsstelsel kende verschillende regelingen die diverse
                    doelgroepen voorzien in inkomens- en re-integratieondersteuning. In deze
                    regelingen was weinig samenhang. De regelingen zijn verschillend in rechten,
                    plichten, de hoogte van de uitkering etc. Met de invoering van de
                    Participatiewet streeft het Kabinet ernaar om regelingen meer op één lijn te
                    brengen. </al><al>De Participatiewet betreft een (gedeeltelijke) samenvoeging van de Wet, werk en
                    bijstand (Wwb), de Wet sociale werkvoorziening en de Wet werk en
                    arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Hierbij krijgen gemeenten
                    nieuwe taken en de verantwoordelijkheid voor een nieuwe doelgroep. De
                    Participatiewet is hiermee bedoeld voor alle personen die arbeidsvermogen hebben
                    en (inko-mens)ondersteuning nodig hebben van de gemeente. Met ‘arbeidsvermogen’
                    wordt bedoeld dat iemand in staat moet zijn om minimaal 20% van het wettelijk
                    minimumloon (Wml) te verdienen. Ook nieuw is dat de Participatiewet een aantal
                    nieuwe elementen introduceert. Zo is er een aantal ondersteu-nende instrumenten
                    beschikbaar die moeten bijdragen aan het aan het werk helpen van mensen met een
                    arbeidsbeperking zoals de inzet van loonkostensubsidie, jobcoaching, no-risk
                    polis en de studietoelage. Maar ook de inzet van garantiebanen zijn nieuwe
                    elementen. </al><al>Daarnaast introduceert de Participatiewet de verplichte ‘tegenprestatie naar
                    vermogen’. De Participatiewet, Ioaw en Ioaz biedt ondersteuning bekostigd uit de
                    algemene middelen die worden opgebracht door de samenleving. De tegenprestatie
                    dient om te zorgen dat bijstandsontvangers die een beroep doen op de
                    solidariteit van de samenleving hiervoor iets terug doen en daarmee invulling
                    geven aan hun maatschappelijke betrokkenheid. </al><al>Zodoende dient de participatieverordening, waarmee uitvoering wordt gegeven aan
                    het participatiebeleid, te worden gewijzigd. </al><al>Belangrijk voor de inzet van het participatiebeleid is de sociale visie op stad.
                    Deze visie geeft in belangrijke mate richting aan al het (te ontwikkelen)
                    sociale beleid van de gemeente. De essentie van de sociale visie is dat beleid
                    erop gericht is om inwoners te stimuleren tot participatie in hun directe
                    leefomgeving. Op die manier kunnen zij een effectief persoonlijk netwerk
                    opbouwen en onderhouden. Zelfredzame inwoners met een effectief persoonlijk
                    netwerk hoeven minder snel een beroep te doen op sociale voorzieningen, wat er
                    toe bijdraagt dat deze voorzieningen optimaal beschikbaar blijven voor de mensen
                    die ze het meest nodig hebben. Deze sociale visie sluit goed aan op de
                    doelstellingen die het kabinet met de Participatiewet voor ogen heeft. </al><al>De uitgangspunten betreffende het participatiebeleid zijn als volgt: </al><al>1. We gaan uit van de eigen kracht en de eigen verantwoordelijkheid van de
                    cliënt. Alles wat de cliënt zelf kan, doet hij ook zelf. Niet de vraag ‘Wat
                    kunnen wij voor u doen?’, maar de vraag ‘Wat kunt u zelf doen’? staat centraal. </al><al>2. Iedereen doet naar vermogen mee aan de samenleving. Het verrichten van
                    algemeen geaccepteerde arbeid geldt binnen het participatiebeleid als hoogst
                    haalbare doel. Voor wie dit (nog) niet haalbaar is, wordt gestreefd naar de
                    hoogst haalbare vorm van participatie. Met participatie leveren mensen die
                    ondersteuning ontvangen, een bijdrage aan de samenleving. Deze bijdrage kan
                    bijvoorbeeld worden ingevuld door het verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelname aan re-integratietrajecten; </al><al>3. Participatie is in eerste instantie de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inwoners en hun omgeving (het sociaal netwerk). Wanneer dat netwerk onvoldoende
                    is om actief mee te doen aan de maatschappij willen we mensen ondersteunen, met
                    als doel om de zelfredzaamheid te bevorderen. Uitgangspunt hierbij is dat
                    ondersteuning door de gemeenten aanvullend en, waar mogelijk, tijdelijk is. Ook
                    geldt hierbij wederkerigheid; </al><al>4. Ondersteuning door de gemeenten zal zo veel mogelijk op basis van maatwerk
                    plaatsvinden. Om het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen waar de gemeenten
                    mee geconfronteerd gaan worden, kunnen ook collectieve trajecten of instrumenten
                    worden ingezet; </al><al>5. De werkgeversbenadering dient regionaal te worden afgestemd, om er voor te
                    zorgen dat werkgevers niet door verschillende gemeenten en instanties benaderd
                    worden. De arbeidsmarkt is regionaal. Tegelijkertijd zijn er de lokale contacten
                    die gekoesterd moeten worden. De werkgeversbenadering blijft daardoor een
                    combinatie van lokale en regionale aanpak. </al><al/><al><vet>Wet participatiebudget en participatiebeleid </vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2009 is de Wet Participatiebudget van kracht geworden.
                    Binnen deze wet is geregeld dat de participatie bevorderende budgetten zodanig
                    zijn gebundeld dat gemeenten de budgetten optimaal kunnen inzetten voor het
                    bevorderen van duurzame participatie. De schotten die bestonden tussen de
                    diverse op re-integratie en participatie gerichte budgetten, waaronder begrepen
                    de inburgeringsbudgetten, zijn weg-genomen. Dit betekent dat de gemeentelijke
                    middelen voor re-integratie, inburgeringsvoorzieningen en vol-wasseneneducatie
                    zijn gebundeld in het participatiebudget. Met het participatiebudget kan de
                    gemeente re-integratievoorzieningen, inburgeringsvoorzieningen, opleidin-gen
                    volwasseneneducatie, combinatietrajecten evenals participatievoorzieningen
                    gericht op personen met een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking
                    financieren. Onder de doelgroep verstaan we de inwoners waarvoor het college
                    wettelijk verantwoordelijk is ondersteuning te bieden, en die een wettelijke
                    plicht hebben tot re-integratie en/of inburgering. Voor wat betreft personen met
                    een Participatiewet uitkering, zal het college zich naast de meer kansrijke
                    clienten ook richten op het bieden van ondersteuning aan clienten die een
                    grotere afstand tot de arbeidsmarkt hebben (trede 3 en 4) alsmede aan clienten
                    met een arbeidshandicap en arbeidsvermogen. Daarmee biedt het college voortgezet
                    participatievoorzieningen aan de doelgroepen van de Participatiewet, Wet
                    Inburgering en de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Hierbij dient de volgende
                    kanttekening te worden gemaakt. Vanaf 2013 is het niet meer mogelijk om vanuit
                    het participatiebudget inburgeringsvoorzieningen te bekostigen, dit met
                    uitzondering van een door het Rijk benoemde overgangsgroep. Er is dan ook een
                    bezuiniging op het inburgeringsbudget in de Rijksbegroting 2011 opgenomen,
                    waardoor de verplichting van gemeenten om asielgerechtigden en geestelijke
                    bedienaren een voorziening aan te bieden, komt te vervallen. </al><al/><al><vet>Doelgroep en ondersteuning </vet></al><al>De doelgroep ondersteuning bij arbeidsinschakeling is breder dan die onder de
                    WWB. De bestaande doelgroep bestaat uit mensen die geen inkomen hebben en
                    algemene uitkering ontvangen, of een nabestaanden- of wezenuitkering ontvangen
                    op grond van de Algemene nabestaandenwet én ondersteuning nodig hebben bij de
                    arbeidsinschakeling. Ook als een persoon wel een inkomen heeft (bijv. via hun
                    partner) maar vraagt om ondersteuning bij arbeidsinschakeling, heeft de gemeente
                    een ondersteunende taak. Specifieke aandacht is er voor jongeren. Voor deze
                    groepen zijn er mogelijkheden om direct, op korte, middellange of lange termijn
                    deel te nemen aan het arbeidsproces. Naast deze bestaande doelgroep wordt de
                    gemeente verantwoordelijk voor de groep mensen met een ar-beidshandicap én
                    arbeidsvermogen. </al><al>Het is voor de gemeente en de doelgroep van belang zo snel mogelijk de juiste
                    inschatting te maken van het arbeidsvermogen van de jonggehandicapten en van de
                    problematiek. Dit omdat de huidige procedure voor de aanvraag van een uitkering
                    en de werkwijze voor arbeidsontwikkeling niet één op één toepasbaar zijn voor de
                    doelgroep (jong)gehandicapten. Dit vanwege aanwezige gedragsproblematiek,
                    beperkte verstandelijke vermogens, psychosociale problematiek en/of
                    psychiatrische stoornissen. </al><al>Ter bevordering van de participatie voor deze doelgroep krijgt de gemeente de
                    beschikking over een aantal nieuwe instrumenten die kunnen worden ingezet voor
                    ondersteuning. Het gaat om de volgende instrumenten: </al><al>1. Loonkostensubsidie (loonwaardebepaling); </al><al>2. Proefplaatsing; </al><al>3. No-riskpolis; </al><al>4. Werkvoorzieningen waaronder jobcoaching; </al><al>5. Beschut werken; </al><al/><al>Deze nieuwe elementen zijn in de participatieverordening opgenomen.</al><al>Daarnaast wordt de doelgroep uitgebreid met de personen als bedoeld in artikel
                    34a, vijfde lid, onderdelen b en c, artikel 35, vijfde lid, onderdelen b en c en
                    artikel 36 derde lid, onderdelen b en c WIA tot het moment dat het inkomen uit
                    arbeid in dienstbetrekking gedurende 2 aaneengesloten jaren ten minste het
                    minimumloon bedraagt en ten behoeve van deze persoon geen loonkostensubsidie is
                    verleend. </al><al>Ook al is het college thans al verantwoordelijk voor de ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling van personen met een uitkering op grond van de Ioaw en Ioaz,
                    zijn ook deze personen toegevoegd aan de doelgroep Partici-patiewet als
                    beschreven in artikel 7 eerste 1 onderdeel a van de Participatiewet. Dit omdat
                    met de Participatie-wet wordt beoogd één regeling te voeren voor iedereen met
                    arbeidsvermogen. </al><al/><al><vet>Tegenprestatie naar vermogen </vet></al><al>Vanaf 1 januari 2015 wordt aan het hebben van een bijstandsuitkering, de
                    verplichting verbonden naar ver-mogen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    activiteiten te verrichten. De tegenprestatie is opgenomen in artikel 9 eerste
                    lid onderdeel c Participatiewet, artikel 37 Ioaw en artikel 37 Ioaz en luidt als
                    volgt: ‘Het naar vermogen verrichten van het door het college opgedragen
                    onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten, die worden verricht naast of in
                    aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                    arbeidsmarkt’. </al><al/><al><vet>Naar vermogen </vet></al><al>De gemeente bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    beschikbare onbeloonde maat-schappelijk nuttige activiteiten, de aard, duur en
                    omvang van de tegenprestatie. Dat betekent dat rekening moet worden gehouden met
                    een aantal factoren, zoals lichamelijke en psychische beperkingen, zorgtaken,
                    kennis en kunde, maar ook met de mogelijkheden van de begeleidende organisaties. </al><al/><al><vet>Maatschappelijk nuttige werkzaamheden </vet></al><al>Het primaire doel van de tegenprestatie is dat iemand maatschappelijk nuttige
                    activiteiten verricht. Niet elke activiteit kan als verplichting worden
                    opgelegd. Activiteiten moeten een legitiem doel hebben, qua omvang aansluiten op
                    de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, mogen geen disproportioneel
                    belastend karakter hebben en geen veiligheids- of gezondheidsrisico met zich
                    meebrengen. Ook moeten de werkzaamheden beperkt zijn in omvang en in tijdsduur.
                    Het kan gaan om activiteiten die nuttig zijn voor de lokale omgeving, de
                    gemeente, of voor de ontwikkeling van de uitkeringsgerechtigde zelf. De concrete
                    invulling is mede afhankelijk van de specifieke situatie, de lokale
                    omstandigheden en de omvang en de duur van de activiteiten. </al><al/><al><vet>Additioneel </vet></al><al>De maatschappelijk nuttige werkzaamheden moeten zich onderscheiden van
                    werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Onder
                    additionele arbeid wordt verstaan: onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden, waar in deze tijd en op deze plaats geen enkele bereidheid is om
                    daar een geldelijke beloning voor te betalen. Het zijn aanvullende activiteiten
                    die onder normale omstandigheden niet rendabel zijn om een gezonde
                    bedrijfsvoering op orde te houden. </al><al/><al><vet>Naast of in aanvulling op reguliere arbeid </vet></al><al>De werkzaamheden mogen bestaande re‐integratieverplichtingen niet in de weg
                    staan of op een andere manier een belemmering vormen voor de arbeidsinschakeling
                    van de uitkeringsgerechtigde. De tegenprestatie staat los van de re-integratie-
                    en arbeidsplicht. </al><al/><al><vet>Geen verdringing </vet></al><al>De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Dit
                    betekent dat er geen vacature mag openstaan voor dezelfde of vergelijkbare
                    activiteiten en/of beloning mag plaatsvinden van een ander die dezelfde
                    werkzaamheden verricht of waarvoor korter dan een jaar geleden betaald werd. De
                    tegenprestatie is verbonden aan het hebben van een uitkering. De plicht tot
                    tegenprestatie geldt zowel voor uitkeringsgerechtigden die bijstand om niet
                    ontvangen als voor uitkeringsgerechtigden die de bijstand in de vorm van een
                    geldlening ontvangen. Op de verplichting geldt een aantal wettelijke
                    uitzonderingen. Daarnaast heeft het college de beleidsvrijheid om uitzonderingen
                    te maken. De tegenprestatie is geen re-integratieinstrument. Het opdragen van
                    een tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie van een
                    belanghebbende te bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage
                    aan de samenleving. De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op
                    toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument.
                    Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratieinspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk
                    boven uitkering. </al><al/><al><vet>De Participatieverordening </vet></al><al>De Wet Participatiebudget kent geen opdracht aan de Gemeenteraad de kaders vast
                    te leggen in een verordening. </al><al>De verordeningsplicht van de gemeenteraad met betrekking tot ondersteunen bij
                    arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen, het verrichten van
                    werkzaamheden in een beschutte werkomgeving en het verstrekken van een premie of
                    aanbieden van scholing bij additionele werkzaamheden is opgenomen in een nieuw
                    artikel 8a eerste lid onderdelen a, c, d en e Participatiewet. </al><al>Tot de doelgroep voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling behoren eveneens
                    de personen met een Ioaw- en Ioaz- uitkering. De bestaande verordeningsopdracht
                    in artikel 34, eerste lid onderdeel a Ioaw en artikel 34, eerste lid onderdeel a
                    Ioaz komt daarmee te vervallen. </al><al>De verordeningsopdracht met betrekking tot het opdragen van een tegenprestatie
                    is opgenomen in artikel 8a eerste lid onder b van de Participatiewet. </al><al>Voor de Wet inburgering geldt dat de verordening alleen nog van toepassing is op
                    een specifieke overgangs-groep, dit in verband met de wijziging van de Wet
                    inburgering per 1 januari 2013. De Wet Educatie en Beroepsonderwijs kent
                    overigens een dergelijke verplichting niet, maar omdat de doelgroep wel via het
                    participatiebudget wordt bediend, is deze tevens opgenomen in de
                    participatieverordening. Middels de Wet Educatie en Beroepsonderwijs wordt
                    volwasseneneducatie ingekocht voor inwoners van Brielle. Volwasseneneducatie is
                    bedoeld om via het volgen van opleidingen of cursussen het voor volwassenen
                    alsnog mogelijk te maken goed te kunnen functioneren in de Nederlandse
                    samenleving. Met ingang van 1 januari 2013 heeft het Rijk het brede aanbod van
                    bekostigde educatieactiviteiten wettelijk beperkt tot opleidingen Nederlandse
                    taal (bijvoorbeeld alfabetisering), NT2 en/of rekenen. </al><al>Omdat de opdracht in de Participatiewet en de Wet Inburgering van de
                    gemeenteraad om regels bij verordening te stellen ten aanzien van het
                    ondersteunen bij arbeidsinschakeling en aanbieden van voorzieningen,
                    vergelijkbaar is, is deze opdracht gebundeld en vastgelegd in één verordening;
                    de “Participatieverordening”. Immers, deze materiewetten zijn dusdanig met
                    elkaar vervlochten dat bundeling van de beleidskaders de overzichtelijkheid ten
                    goede komt. </al><al/><al><vet>Participatiewet, Ioaw en Ioaz </vet></al><al>Per 1 januari 2015 treedt de Participatiewet in werking. De doelstelling van de
                    Participatiewet is om zoveel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking aan het
                    werk te helpen. Daarnaast is de Participatiewet bedoeld om de kansen op de
                    arbeidsparticipatie van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt of een
                    arbeidsbeperking op de lange termijn te verbeteren. De gemeente krijgt met de
                    Participatiewet de ruimte om zelf, op lokaal niveau, te bepalen of zij
                    ondersteuning aanbieden en zo ja, welke ondersteuning. De Participatiewet biedt
                    de gemeente de mogelijkheid om zowel bestaande als nieuwe
                    re-integratievoorzieningen in te zetten. </al><al>Voorwaarde is dat de gemeente voor de uitvoering van haar re-integratietaak
                    regels stelt bij verordening (artikel 8a, eerste lid sub a Participatiewet). </al><al>De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers
                    (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                    gewezen zelfstandigen (Ioaz) zijn van kracht ge-bleven. De artikelen uit de
                    Participatiewet die zien op re-integratie zijn geïntegreerd in deze wetten. Nu
                    de personen die een uitkering ontvangen op grond van de Ioaw en Ioaz zijn
                    opgenomen in de doelgroep voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling in artikel
                    7 eerste lid onderdeel van de Participatiewet geldt dat de verordeningsopdracht
                    op grond van artikel 34, eerste lid onderdeel a Ioaw en artikel 34, eerste lid
                    onderdeel a Ioaz komt te vervallen. </al><al>Het Rijk heeft met het invoeren van de Participatiewet beoogd maatregelen te
                    treffen om meer mensen aan het werk te krijgen. Met deze maatregelen wordt de
                    eigen verantwoordelijkheid van mensen en de tijdelijke vangnetfunctie van de
                    Participatiewet voor mensen met arbeidsperspectief meer benadrukt. Daarbij zijn
                    de verplichtingen die tegenover een uitkering staan, fors aangescherpt. Dit
                    wordt tot uiting gebracht in artikel 18 van de Participatiewet met betrekking
                    tot de verlaging van bijstand bij het niet nakomen van verplichtingen. </al><al>De aanscherping van de verplichtingen voor jongeren en het voorop stellen van de
                    eigen verantwoordelijkheid blijft binnen de Participatiewet bestaan. De nadruk
                    op de eigen verantwoordelijkheid is in de wet verankerd door de jongere eerst
                    zelf vier weken te laten zoeken naar werk, zonder dat in deze periode de jongere
                    aanspraak kan maken op ondersteuning van het college. </al><al>Ondersteuning kan de jongere alleen krijgen na het indienen van de aanvraag,
                    waaraan de wachttijd van vier weken (zoektermijn) voorafgaat. Daarnaast wordt
                    van de jongere aantoonbare eigen initiatieven en acties verwacht. Jongeren die
                    nog mogelijkheden hebben om regulier onderwijs te volgen en studiefinanciering
                    (of Wtos) kunnen ontvangen, zijn uitgesloten van bijstand. Ook jongeren waarbij
                    uit houding en gedragingen blijkt dat zij de verplichtingen in het kader van de
                    arbeidsinschakeling niet willen nakomen, worden uitgesloten van bijstand. </al><al/><al><vet>De Wet inburgering </vet></al><al>Tot 1 januari 2013 behoorde de uitvoering van de Wet inburgering tot de
                    wettelijke taken van de gemeente. De Wet inburgering regelt de
                    inburgeringsplicht voor in beginsel alle onderdanen van derdelanden van 16 tot
                    65 jaar die duurzaam in Nederland willen en mogen verblijven. Vanwege
                    inburgeringsachterstanden groeide de aanvankelijke beperkte rol van gemeenten
                    uit tot een uitgebreide regierol en werd de eigen verantwoordelijk-heid van de
                    inburgeringsplichtige voor de inkoop van een traject beperkt. Omdat er inmiddels
                    een grote inhaalslag is gemaakt, stelt het Rijk dat de eigen
                    verantwoordelijkheid weer meer op de voorgrond kan worden geplaatst. Dit
                    betekent dat de inburgeringsplichtige zelf de kosten moet dragen voor zijn
                    inburgering en zelf bepaalt hoe te voldoen aan de inburgeringsplicht. Door het
                    rijk wordt, voor die personen die de inburgeringsvoorziening niet zelf kunnen
                    bekostigen, voorzien in een sociaal leenstelsel. </al><al>Dit betekent dat de rol van de gemeente komt te vervallen. Dit geldt voor zowel
                    de inkoop als het verstrekken van inburgeringsvoorzieningen. De verplichting van
                    de gemeente tot het opleggen van de inburgeringsplicht en het aanbieden van
                    inburgeringsvoorzieningen voor asielgerechtigden, geestelijke bedienaren,
                    gezinsvor-mers en gezinsherenigers vervalt. De wetgever heeft wel overgangsrecht
                    bepaald. Dit betekent dat alle bepa-lingen van de Wet inburgering van voor 1
                    januari 2013 van toepassing blijven: </al><al>- op alle inburgeringsplichtigen waarbij de inburgeringstermijn per beschikking
                    voor 1 januari 2013, via een beschikking is vastgesteld of waar de
                    inburgeringstermijn van rechtswege is ingegaan; </al><al>- op asielgerechtigden die voor 1 januari 2013 een verblijfsstatus hebben
                    gekregen; </al><al>- op geestelijke bedienaren die voor 1 januari 2013 een verblijfsvergunning
                    hebben gekregen. </al><al/><al>Voor deze groepen blijft de gemeente verantwoordelijk, tot het moment dat de
                    inburgeringstermijn is verstreken of het examen is behaald. </al><al/><al><vet>Algemene wet bestuursrecht </vet></al><al>Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op deze
                    verordening. Dit betekent dat een belanghebbende die van het college een
                    beschikking ontvangt, in de gelegenheid gesteld wordt zijn zienswijze naar voren
                    te brengen (hoor en wederhoor). </al><al/><al><vet>Toelichting artikelsgewijs </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1: </vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen omschreven, dat meer dan eens voorkomt
                    en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt verstaan. In
                    een aantal gevallen wordt verwezen naar definities in de Participatiewet of de
                    Wet inburgering om ervoor te zorgen dat er zoveel mogelijk aansluiting blijft
                    bij de wetgeving die van toepassing is. </al><al>In deze verordening wordt met het begrip ‘inburgeringsplichtige’, als bedoeld
                    onder d, de overgangsgroep bedoeld waarvan het Rijk heeft aangegeven dat
                    gemeenten vanaf 1 januari 2013 nog verantwoordelijk is. Dit is feitelijk een
                    uitsterf constructie en eindigt op het moment dat de laatste inburgeraar die
                    onder de verantwoordelijkheid valt van de gemeente, aan de inburgeringsplicht
                    heeft voldaan of de termijn hiertoe verstreken is. </al><al>Het begrip ‘participatievoorziening’, zoals genoemd onder i. strekt verder dan
                    de term ‘voorziening’ zoals deze wordt gehanteerd in de Participatiewet.
                    Participatievoorzieningen zijn veel omvattender dan voorzieningen die gericht
                    zijn op de arbeidsinschakeling (artikelen 10a, 10b, 10d, 10da en 10f van de
                    Participatiewet). Ook opleidingen volwassenducatie of inburgeringsvoorzieningen
                    dan wel een combinatie van voornoemde voorzieningen, dragen bij aan de
                    participatie van de burger. Met deze verruiming wordt aangehaakt op de Wet
                    Participatiebudget en de Nota Participatiebudget. </al><al>Wanneer in deze verordening wordt gesproken over belanghebbende wordt, tenzij
                    anders aangegeven, de persoon bedoeld die behoort tot de doelgroep als
                    omschreven in artikel 4. </al><al/><al><vet>Artikel 2: </vet></al><al>De Participatiewet geeft aan het college van burgemeester en wethouders de
                    verantwoordelijkheid voor het bieden van ondersteuning. </al><al>Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op ondersteuning, is er geen
                    afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals belanghebbenden dat
                    mogelijk graag zouden zien. Het is aan het college om zorg te dragen voor een
                    voldoende en gevarieerd aanbod van participatievoorzieningen, waarbij het
                    college te maken heeft met beperkte financiële middelen, terwijl de vraag naar
                    ondersteuning afhankelijk is van een veelheid aan sociaaleconomische factoren.
                    Dat maakt dat het college bepaalt voor welke inwoners die tot de doelgroep
                    behoren, welk type ondersteuning wordt geboden. De opdracht in het vierde lid
                    wijkt enigszins af van de andere leden. In het vierde lid staat de arbeidsmarkt
                    centraal, in plaats van de belanghebbende (een persoon uit de doelgroep als
                    bedoeld in artikel 4). De inspanningsverplichting om de arbeidsmarkt te bewerken
                    vloeit voort uit de matchings problematiek. Niet alleen op het arbeidsaanbod
                    moet worden ingezet, ook de vraag naar arbeid zou waar mogelijk moeten worden
                    bijgestuurd. Aangezien de mogelijkheden tot sturing hiertoe veel beperkter zijn
                    dan sturing op het arbeidsaanbod, is in de opdracht alleen een
                    inspanningsverplichting opgenomen. Het college stelt jaarlijks ‘de
                    participatiebegroting’ vast, waarin op basis van het totaal beschikbare
                    participatie-budget voor het betreffende jaar, een raming wordt opgenomen van de
                    uitgaven aan de verschillende partici-patievoorzieningen. </al><al/><al><vet>Artikel 3: </vet></al><al>Het college beschikt over een groot aantal instrumenten die kunnen worden
                    ingezet voor de re-integratie van de doelgroep met aanspraak op ondersteuning
                    bij de arbeidsinschakeling. Artikel 3 regelt dat het college bij het aanbieden
                    van een voorziening rekening moet houden met de omstandigheden en functionele
                    beperkingen van een persoon, waaronder in ieder geval zorgtaken. </al><al/><al><vet>Artikel 4 </vet></al><al>Artikel 4 benoemt de doelgroep die onder deze verordening vallen. De doelgroep
                    van de Participatiewet be-staat uit mensen met arbeidsvermogen die zijn
                    aangewezen op, al dan niet tijdelijke, ondersteuning om aan het werk te komen.
                    Binnen deze doelgroep vallen eveneens de personen die voorheen een beroep konden
                    doen op de Wajong en de Wet sociale voorziening. Personen met een bestaande
                    Wajong-uitkering en jonggehandicapten zonder arbeidsvermogen blijven recht
                    behouden op een uitkering ingevolge de Wajong. De Wet sociale werkvoorziening
                    wordt met ingang van 1 januari 2015 afgesloten voor nieuwe instroom. De Wet
                    sociale werkvoorziening blijft bestaan voor de personen die voor 1 januari 2015
                    al in een WSW-dienstbetrekking werkzaam zijn. </al><al>Daarnaast wordt de doelgroep uitgebreid met de personen uit de doelgroep
                    loonkostensubsidie en personen als bedoeld in artikel 34a vijfde lid, onderdelen
                    b en c, artikel 35 vijfde lid, onderdelen b en c en artikel 36 derde lid
                    onderdelen b en c WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in
                    dienstbetrekking gedurende 2 aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon
                    bedraagt en ten behoeve van deze persoon geen loonkostensubsidie is verleend. </al><al>Voor deze personen blijft het college verantwoordelijk voor de ondersteuning bij
                    arbeidsinschakeling. Een persoon, op wie de voorziening loonkostensubsidie van
                    toepassing is, die uitvalt en als gevolg daarvan recht heeft een uitkering van
                    het UWV (ZW, WIA of WW), blijft onder de ondersteuning van het UWV vallen. </al><al>Het begrip ‘voormalig uitkeringsgerechtigden’ is in de verordening opgenomen om
                    personen die vanuit de Participatiewet zijn gaan werken te kunnen ondersteunen
                    om hun werk ook te behouden (of indien nodig ander werk te vinden) en om aan
                    deze groep nazorg te kunnen bieden. Personen die in een gesubsidieerde baan
                    werkzaam zijn (voormalige WIW-dienstbetrekking of I/D-baan) hebben eveneens
                    recht op ondersteuning. Een dergelijke baan geldt onder de Participatiewet niet
                    als eindstation maar als voorziening, die de uiteindelijke uitstroom naar
                    regulier arbeid tot doel heeft. In verband met de bezuinigingen op het
                    participatiebudget heeft het college in 2011 keuzes gemaakt ten aanzien van het
                    participatiebeleid en de inzet van het budget. Een van deze keuzes is de
                    beëindiging van de ID-regeling per 1-8-2011 met uitzondering van een selecte
                    groep ID-banen. Ook wordt de groep medewerkers met een WIW dienstverband
                    gelijdelijk aan afgebouwd. </al><al>Het tweede lid geeft aan dat de doelgroep studenten die onder de
                    studiefinanciering (Wsf) of tegemoetkoming studiekosten (WTOS) vallen niet tot
                    de doelgroep behoren. Voor deze groep zijn overigens andere wetten bedoeld die
                    scholing en studie regelen, die (op termijn) moet leiden tot
                    arbeidsinschakeling. </al><al>Tevens vallen buiten de doelgroep, kinderen die geen zelfstandig object zijn
                    voor de Participatiewet en zoals wordt bedoeld in de algemene kinderbijslagwet.
                    Uitzondering daarop vormen jongeren van zestien of zeventien jaar die geen
                    scholing of opleiding meer volgen, minder dan 16 uur per week werken, voldaan
                    hebben aan de kwalificatieplicht of hiervoor zijn vrijgesteld. </al><al/><al><vet>Artikel 5: </vet></al><al>De ondersteuning van de doelgroep door het college richt zich op het adviseren
                    of bieden van de meest effec-tieve weg naar participatie voor langere tijd. Wat
                    participatie en de meest effectieve weg naar participatie betekent, kan per
                    persoon verschillend zijn. </al><al>Binnen het participatiebeleid staat het begrip ‘naar vermogen’ centraal. Daarbij
                    moet worden gestreefd naar de hoogst haalbare vorm van participatie. Voor de één
                    kan dit bijvoorbeeld vrijwilligerswerk zijn, voor de ander is het mogelijk om
                    aan het werk te gaan. Binnen het participatiebeleid wordt het verrichten van
                    reguliere arbeid gezien als hoogst haalbare doel. Gezien de
                    collegedoelstellingen zal de ondersteuning vanuit het participatie-budget altijd
                    gericht zijn op het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid om financieel
                    zelfredzaam te worden of te blijven. </al><al>Per 1 januari 2013, heeft het college geen informerende taak meer ten aanzien
                    van de inburgeringsplichtige. Dit betekent dat de inburgeringsplichtigen niet
                    meer geïnformeerd zullen worden over rechten, plichten en mogelijkheden ten
                    aanzien van inburgeringsvoorzieningen. Wel heeft het college nog de
                    verantwoordelijkheid voor het bieden van ondersteuning aan de overgangsgroep,
                    zoals benoemd in artikel één, eerste lid onderdeel d van deze verordening.
                    Vooralsnog blijft het Steunpunt Integratie, het loket dat bemand wordt door
                    Vluchtelingenwerk en wordt bekostigd door de gemeente, toegankelijk voor
                    inburgeringsplichtigen . </al><al>Voor jongeren is bepaald dat het behalen van een startkwalificatie of terugkeer
                    naar school voor het volgen van een opleiding gericht op het verbeteren van de
                    arbeidsmarktpositie, prioriteit heeft. Met de wetswijziging in 2012 is bepaald
                    dat jongeren die nog gebruik kunnen maken van regulier onderwijs en aanspraak
                    maken op studiefinanciering of Wtos, geen recht hebben op ondersteuning of een
                    uitkering. Dit is een zogenaamde uitsluitingsgrond. Jongeren moeten nog gebruik
                    maken van hun scholingsmogelijkheden. Het is aan de jongere om zijn
                    scholingsopties te onderzoeken en aan te tonen wat zijn mogelijkheden zijn. Als
                    de jongere niet met studiefinanciering terug naar school kan, zal de inzet van
                    de ondersteuning gericht zijn op het verkrijgen van werk of de
                    arbeidsinschakeling of de inzet van een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling. </al><al/><al><vet>Artikel 6: </vet></al><al>In dit artikel is het principe neergelegd zoals dat is bedoeld in artikel 10,
                    eerste lid van de Participatiewet, namelijk dat eenieder een gelijke aanspraak
                    heeft op participatievoorzieningen dus geen recht kan doen gelden op een
                    specifieke participatievoorziening. In het eerste lid van dit artikel wordt
                    tevens benoemd aan en voor welke groepen het college verplicht is ondersteuning
                    te bieden en participatievoorzieningen in te zetten. </al><al>Het college zal bij zijn overwegingen voor een eventueel aanbod van
                    ondersteuning of een participatievoorziening bezien of er voor betrokkene een
                    voorliggende voorziening bestaat waarop aanspraak kan worden gemaakt. In deze
                    gevallen zal de betrokkene op de mogelijkheid van deze voorzieningen worden
                    gewezen en volgt geen aanbod. Zo wordt studiefinanciering ingevolge de Wet op de
                    studiefinanciering als voorliggende voorziening aangemerkt. </al><al>Voor personen jonger dan 27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen
                    volgen bestaat er geen aan-spraak op ondersteuning. Het college maakt hierop een
                    uitzondering voor zover de ondersteuning uitsluitend is gericht op het
                    terugleiden naar school voor het behalen van een startkwalificatie en/of een
                    vervolgopleiding gericht op het verbeteren van de arbeidsmarktpositie. </al><al/><al><vet>Artikel 7: </vet></al><al>Het college kan een participatievoorziening op diverse gronden weigeren,
                    beëindigen of intrekken. Het college kan hiertoe besluiten indien belanghebbende
                    herhaaldelijk zijn verplichtingen niet nakomt, zoals bedoeld in artikel 9 van
                    deze verordening. </al><al>Ook kan een participatievoorziening geweigerd, beëindigd of ingetrokken worden
                    wanneer afstemming ingevolge artikel 18 tweede lid en/ of vierde lid van de
                    Participatiewet of artikel 20 van de Ioaw en Ioaz niet heeft geleid tot de
                    gewenste gedragsverandering. </al><al>De schending van de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 van deze
                    verordening in samenhang met artikelen 7, 23 en 25 van de Wet inburgering,
                    betekent niet dat de inburgeringsvoorziening beëindigd kan worden. In plaats
                    daarvan dient het college een bestuurlijke boete op te leggen (artikel 9).
                    Artikel 37 van de Wet inburgering bevat een regeling voor samenloop van
                    gedragingen ingevolge de Wet inburgering en de Participatiewet. In dit artikel
                    is bepaald dat indien sprake is van een dergelijke samenloop het college in dat
                    geval géén bestuurlijke boete kan opleggen maar een maatregel op grond van de
                    Participatiewet. </al><al>Wanneer de belanghebbende niet meer tot de doelgroepen van deze verordening
                    behoort, kan het college de participatievoorziening beëindigen. Als het college
                    een andere participatievoorziening aanbiedt, of indien het college de
                    voorziening niet (langer) voldoende vindt bijdragen aan de participatie van
                    belanghebbenden, ligt beëindiging of weigering voor de hand. </al><al/><al><vet>Artikel 8: </vet></al><al>Ondersteuning hoeft niet altijd te bestaan uit een door derden uitgevoerde
                    diagnose, gevolgd door een vastgesteld traject met één of meerdere
                    participatievoorzieningen. Als dat kan, kan worden volstaan met advies of
                    doorverwijzing naar andere instanties. </al><al>Aangezien de ondersteuning ten dienste staat aan het behalen van de voor
                    belanghebbende hoogst haalbare vorm van participatie, waarbij financiële
                    zelfredzaamheid in beginsel het uitgangspunt vormt, zal veelal de soort
                    ondersteuning gericht zijn op de meest effectieve en efficiënte weg naar
                    (duurzame) arbeid voor die persoon. </al><al>De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt bij
                    het college, dat immers ook verantwoordelijk is voor de effectieve en
                    doelgerichte inzet van schaarse middelen. </al><al>Binnen de grenzen van die verantwoordelijkheid wordt rekening gehouden met de
                    behoeften, mogelijkheden en ervaringen van de belanghebbende (artikel 3 derde
                    lid), waarbij deze altijd moeten passen binnen het alge-meen belang en de
                    opdracht vanuit artikel 1 genoemde wet- en regelgeving zoals deze naar het
                    oordeel van het college bestaat. Dit zal echter niet altijd haalbaar blijken. Zo
                    kunnen bijvoorbeeld behoeften, mogelijkheden of opgedane (werk)ervaring van
                    belanghebbende niet aansluiten bij datgene wat wordt gevraagd op de arbeidsmarkt
                    of bij de vraag naar vrijwilligers op de vrijwilligersmarkt. </al><al>Ook kunnen bepaalde tendensen of maatschappelijke of lokale ontwikkelingen
                    vragen om een specifieke vorm van ondersteuning of inzet aan
                    participatievoorzieningen. Daarbij valt te denken aan bijvoorbeeld het
                    bestrijden van overlast. Wanneer behoeften, mogelijkheden en ervaringen van een
                    belanghebbende uit de doelgroep niet passen binnen het algemeen belang en de
                    opdracht vanuit artikel 1 genoemde wet- en regelgeving, weegt het algemeen
                    belang altijd zwaarder en kan het college besluiten bij de ondersteuning of
                    inzet van een participatievoorziening geen of in mindere mate rekening te houden
                    met deze behoeften, mogelijkheden en ervaringen. </al><al>Bij alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar wordt de afweging gemaakt
                    tussen het belang van arbeidsinschakeling en de invulling die de ouder wenst te
                    geven aan de zorgtaken. Er dient rekening gehouden te worden met een
                    verantwoorde invulling van de combinatie arbeid en zorg en indien nodig moeten
                    (flankerende) voorzieningen geboden worden om deze combinatie mogelijk te maken.
                    Een voorbeeld van een flankerende voorziening is kinderopvang. </al><al>Het te doorlopen traject wordt vastgelegd in een trajectplan. Voor jongeren tot
                    27 jaar is specifiek in de Partic-patiewet (artikel 44, vierde lid en artikel
                    44a van de Participatiewet) vastgelegd dat een plan van aanpak als bijlage bij
                    het besluit tot toekenning van algemene bijstand gevoegd moet worden. Dit plan
                    dient tenminste de uitwerking van ondersteuning te bevatten, alsmede de
                    verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet
                    naleven van deze verplichtingen. </al><al/><al><vet>Artikel 9: </vet></al><al>Deelname aan re-integratie is niet vrijblijvend. Bijstandsgerechtigden zijn al
                    door het ontvangen van een participatievoorziening en/of uitkering aan bepaalde
                    verplichtingen gehouden. Ook mag van de inburgeringsplichtige een adequate
                    inspanning en medewerking worden gevraagd; immers het college bekostigt de
                    voorziening. Ook de inburgeringsplichtige met een Participatiewet uitkering, die
                    na 1 januari 2013 zelf zijn inburgeringsvoorziening moet bekostigen, geldt dat
                    op grond van de Participatiewet hij gehouden is aan verplichtingen om zich in te
                    spannen om het traject goed te doorlopen. Voor diegenen zonder uitkering moeten
                    voorwaarden aan het re-integratietraject gekoppeld worden. Deze gelden
                    vanzelfsprekend ook voor de uitkeringsgerechtigden. Het herhaaldelijk niet
                    nakomen van de verplichtingen geeft de mogelijkheid om een traject af te breken
                    of gevraagde ondersteuning te weigeren, bijvoorbeeld als iemand niet mee wil
                    werken aan een onderzoek. </al><al>Naast enkele algemene verplichtingen is er een verplichting opgenomen om gebruik
                    te maken van de flankerende voorziening schuldbemiddeling, indien er sprake is
                    van een schuldensituatie. Daarnaast kan aan belanghebbende de verplichting
                    worden opgelegd om kinderopvang te regelen. De verplichting kan alleen worden
                    opgelegd indien de schuldsituatie of het ontbreken van kinderopvang de
                    inschakeling in de arbeid of (de voortgang van) het traject belemmert, en op
                    grond van wetgeving. </al><al>Vanaf 1 januari 2015 wordt aan het hebben van een bijstandsuitkering, de
                    verplichting verbonden naar ver-mogen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    activiteiten te verrichten. </al><al>De tegenprestatie is opgenomen in artikel 9 eerste lid sub. c Participatiewet,
                    artikel 37 Ioaw en artikel 37 Ioaz en luidt als volgt: ‘Het naar vermogen
                    verrichten van het door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                    nuttige activiteiten, die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
                    arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt’. De tegenprestatie
                    is verbonden aan het hebben van een uitkering. De plicht tot tegenprestatie
                    geldt zowel voor uitkeringsgerechtigden die bijstand om niet ontvangen als voor
                    uitkeringsgerechtigden die de bijstand in de vorm van een geldlening ontvangen.
                    Op de verplichting geldt een aantal wettelijke uitzonderingen. Daarnaast heeft
                    het college de beleidsvrijheid om uitzonderingen te maken. </al><al>De tegenprestatie is geen re-integratieinstrument. Het opdragen van een
                    tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie van een
                    belanghebbende te bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage
                    aan de samenleving. De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op
                    toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument.
                    Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratieinspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk
                    boven uitkering. </al><al>Het vierde lid van dit artikel heeft betrekking op de wijze van inning van de
                    eigen bijdrage. In de Wi is bepaald dat de inburgeringsplichtige een eigen
                    bijdrage verschuldigd is ter hoogte van € 270. Dit bedrag kan bij alge-mene
                    maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23, tweede lid, Wet
                    inburgering). In principe wordt voor de inburgeringsplichtige als bedoeld in
                    artikel 1, eerste lid onder f, de eigen bijdrage in één keer aan het einde van
                    het traject geïnd. Wanneer dit niet mogelijk is, heeft de inburgeringsplichtige
                    het recht de eigen bijdrage in een aantal termijnen te betalen. Artikel 24,
                    eerste lid, Wet inburgering maakt het bij inburgeringsplichtigen die algemene
                    bijstand ontvangen mogelijk dat het college de eigen bijdrage verrekent met deze
                    uitkering. </al><al>Voor inburgeringsplichtigen met een Participatiewet uitkering die een
                    voorziening aangeboden krijgen, wordt het termijnbetaling afgestemd op de regels
                    die gelden voor terugvordering binnen de Participatiewet. Indien de
                    inburgeringsplichtige geen uitkering ontvangt, wordt het termijnbedrag afgestemd
                    op terugvordering van niet-uitkeringsgerechtigden onder de Participatiewet.
                    Indien inburgeringsplichtigen menen dit niet te kunnen betalen, wordt een
                    draagkrachtonderzoek ingesteld, waarbij het voor beslag vatbare maandbedrag
                    wordt berekend. Indien dit lager is, wordt het lagere bedrag opgelegd als
                    termijnbedrag. In andere gevallen overstijgt het termijnbedrag niet het maximale
                    termijnbedrag dat geldt voor niet-uitkeringsgerechtigden onder de
                    Participatiewet. </al><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het college
                    het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te houden op de
                    uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, Wet inburgering). In dit geval
                    int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze van
                    verrekening geschiedt door het UWV en niet door de gemeente, en wordt dus niet
                    in deze verordening geregeld. </al><al>In het vierde lid sub c is bepaald dat in de toekenningsbeschikking van de
                    voorziening wordt vastgesteld op welke wijze de betaling van de eigen bijdrage
                    dient plaats te vinden. </al><al/><al><vet>Artikel 10: </vet></al><al>Artikel 35 van de Wet inburgering draagt de gemeenteraad op bij verordening de
                    hoogte van de bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                    overtredingen kan worden opgelegd. Per 1 januari 2013 is dit artikel slechts van
                    toepassing op de inburgeringsplichtige zoals benoemd in artikel 1, eerste lid
                    onder d van deze verordening. Overgangsrecht is geformuleerd in artikel X tweede
                    lid Stb. 2012, 430. </al><al>In artikel 34 van de Wet inburgering zijn voor de verschillende overtredingen de
                    maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. </al><al>Indien handhavingstermijnen overschreden worden, dient een boete opgelegd te
                    worden. Voor de gedragingen onder a en b, is in 2007 aansluiting gezocht bij het
                    toenmalige maatregelenbeleid o.g.v. de Participatiewet en de hoogte (conform de
                    gehuwdennorm) voor gelijkbare gedragingen. Het college zal bij elke overtreding
                    de bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate
                    waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college
                    daarbij ook zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de
                    overtreding is gepleegd (artikel 38, tweede lid, van de Wet inburgering). Deze
                    bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke
                    boete zal moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele
                    omstandigheden van de betrokken inburgeringsplichtige.</al><al>In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde participatievoorziening
                    kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een
                    oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn
                    voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor het verlagen van de
                    bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid Participatiewet) of
                    het opleggen van een boete of maatregel op grond van een andere sociale
                    zekerheidswet of – regeling. Artikel 37 van de wet bevat een regeling voor deze
                    samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval géén
                    bestuurlijke boete kan opleggen. </al><al>Het tweede lid van dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij
                    herhaling van de overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van het
                    eerste lid van artikel 9 mogelijk is. De verhoogde boetebedragen ingeval van
                    herhaling van de overtreding mogen uiteraard niet hoger zijn dan de
                    maximumbedragen die in artikel 34 van de Wet inburgering worden genoemd. Met
                    deze recidivebepaling sluit het boeteregime aan bij het maatregelenregime binnen
                    de Participatiewet, dat ook een recidivebepaling kent. In de Wet inburgering is
                    overigens ook een recidivebepaling opgenomen door voor herhaald niet behalen van
                    het examen een hogere maximum boete vast te stellen. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                    overtredingen zich wel binnen een bepaalde tijdspanne voordoen. De
                    recidivetermijn is gesteld op 24 maanden, overeenkomstig de recidivetermijn
                    binnen het Participatiewet-beleid. </al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                    boete op. De boete die kan worden opgelegd, is neergelegd in het eerste lid sub
                    c van dit artikel. Op grond van artikel 32 van de Wet inburgering moet het
                    college in de boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                    inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen. Als de
                    inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet
                    heeft behaald, maakt het eerste lid onderdeel d van dit artikel het mogelijk dat
                    het college opnieuw een boete vaststelt. Ook in dat geval zal in de
                    boetebeschikking een nieuwe termijn moeten worden opgenomen waarbinnen de
                    inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet behalen. </al><al>Zolang de inburgeringsplichtige na het verstrijken van de verlengde termijn niet
                    voldoet aan de inburgeringsplicht, legt het college iedere twee jaar een
                    bestuurlijke boete op, zoals bedoeld in artikel 33 Wet inburgering. </al><al>Dit artikel biedt in de vorm van het vaststellen van boetebedragen het kader
                    voor het college bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boetes in
                    individuele gevallen. Het college zal moeten onderzoeken of er reden bestaat om
                    af te wijken van deze bedragen op grond van de ernst van het feit, de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van de persoon (artikel 38 van de Wet
                    inburgering). </al><al/><al><vet>Artikel 11: </vet></al><al>De gemeente heeft als taak belanghebbenden die zich melden bij het college, op
                    doeltreffende en doelmatige wijze te informeren over de rechten en plichten
                    zoals die voortvloeien uit de van toepassing zijnde wet- en regelgeving zoals
                    opgenomen in artikel 1 en over rechten, plichten en het ondersteuningsaanbod
                    zoals opgenomen in deze verordening. </al><al>De rechten van de belanghebbende die een participatievoorziening heeft
                    aanvaardt, hebben daarnaast betrekking op het goed kunnen doorlopen van de
                    aangeboden voorziening. Het betreft ten eerste een gemeentelijke contactpersoon,
                    waarmee de belanghebbende tijdens het traject contact kan opnemen inzake de
                    voortgang van het traject. Andersom kan deze contactpersoon ook zelf initiatief
                    nemen tot contact met belanghebbende. Ten tweede is er recht op bekostiging van
                    het traject, met uitzondering van de wettelijke eigen bijdrage voor
                    inburingsplichtigen zoals bedoelt in artikel 23, tweede lid van de Wet
                    inburgering. </al><al>Op grond van artikel 8a, eerste lid, sub d en het tweede lid, sub c van de
                    Participatiewet is bepaald dat de ge-meenteraad regels dient te stellen ten
                    aanzien van de hoogte van de premie en het aanbieden van scholing zoals bepaald
                    in artikel 10a, vijfde lid van de Participatiewet. Het college kan een premie
                    verstrekken indien belanghebbende telkens gedurende zes maanden op grond van
                    artikel 10a van de Participatiewet additionele werkzaamheden verricht. Specifiek
                    betreft het hier belanghebbenden die werken op een participatieplaats en een
                    grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Vaak is sprake van multiproblematiek
                    waardoor bemiddeling op korte termijn niet en wellicht zelfs helemaal nooit tot
                    de mogelijkheden behoort. De participatieplaats dient eraan bij te dragen dat
                    belanghebbende zijn of haar belemmeringen vermindert waardoor een stijging, van
                    de laagste trede 4 naar de hogere trede 3, plaatsvindt op de re-integratieladder
                    (het door Brielle gehanteerde re-integratiemodel). </al><al>Indien belanghebbende gedurende de deelname aan de participatieplaats zich
                    voldoende heeft ingespannen, kan het college ieder half jaar een premie
                    toekennen te hoogte van € 100,-. De klantmanager beoordeelt telkens of
                    belanghebbende zich voldoende heeft ingespannen. Of iemand voldoende heeft
                    meegewerkt aan de arbeidsinschakeling moet worden bepaald door tenminste in de
                    beoordeling onderwerpen mee te nemen als: aanwezigheid, verzuim, actieve
                    deelname aan activiteiten en voldoende ingespannen om belemmeringen te
                    verminderen. Wanneer bijvoorbeeld belanghebbende regelmatig, zonder geldige
                    reden, afwezig is geweest op de participatieplaats of wanneer vanwege
                    onvoldoende medewerking een maatregel is opgelegd, kan een participatiepremie
                    niet worden toegekend. Bij de beoordeling dient rekening te worden gehouden met
                    de omstandigheden waarin iemand verkeert, de objectief vastgestelde
                    beperkingen/belemmeringen en datgene wat van de deelnemer verwacht kan worden.
                    De bevindingen van de begeleider op de participatieplaats wordt bij de
                    beoordeling meegenomen. </al><al>Wanneer de uitkeringsgerechtigde geen startkwalificatie heeft, wordt zes maanden
                    na aanvang van de participatieplaats scholing of opleiding aangeboden. Dit,
                    tenzij dit naar het oordeel van het college niet bijdraagt aan de
                    arbeidsmarktkansen. </al><al>In het zesde lid van dit artikel is bepaald het college aan de
                    inburgeringsplichtige een premie verstrekt ter hoogte van € 270,-, indien deze
                    deelneemt aan een door het college vastgestelde inburgeringsvoorziening. </al><al>Hoewel het rekenen van de eigen bijdrage aan inburgeringsplichtigen conform
                    artikel 23, tweede lid van de Wet inburgering voor gemeenten een verplichting
                    is, heeft het ministerie een spreektekst ontworpen die juridisch is getoetst.
                    Met deze tekst geeft het ministerie aan dat het mogelijk is een premie ter
                    hoogte van de eigen bijdrage te verstrekken. Met de verstrekking van de premie
                    wordt getracht belemmerende factoren voor deelname aan een voorziening weg te
                    nemen. In de uitvoeringspraktijk wordt de bonus verrekend met de door het
                    college te innen eigen bijdrage. Dit artikel zal alleen worden toegepast op
                    inburgeringsplichtigen die op grond van deze verordening en conform rijksbeleid
                    vanaf 1 januari 2013 door de gemeente nog ondersteund mogen worden. </al><al/><al><vet>Artikel 12: </vet></al><al>Het primaire doel van de tegenprestatie is dat iemand maatschappelijk nuttige
                    activiteiten verricht. Niet elke activiteit kan als verplichting worden
                    opgelegd. Activiteiten moeten een legitiem doel hebben, qua omvang aansluiten op
                    de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, mogen geen disproportioneel
                    belastend karakter hebben en geen veiligheids- of gezondheidsrisico met zich
                    meebrengen. Ook moeten de werkzaamheden beperkt zijn in omvang en in tijdsduur.
                    Het kan gaan om activiteiten die nuttig zijn voor de lokale omgeving, de
                    gemeente, of voor de ontwikkeling van de uitkeringsgerechtigde zelf. De concrete
                    invulling is mede afhankelijk van de specifieke situatie, de lokale
                    omstandigheden en de omvang en de duur van de activiteiten. </al><al>De werkzaamheden mogen bestaande re‐integratieverplichtingen niet in de weg
                    staan of op een andere manier een belemmering vormen voor de arbeidsinschakeling
                    van de uitkeringsgerechtigde. </al><al>De tegenprestatie staat los van de re-integratie- en arbeidsplicht. De
                    tegenprestatie is geen re-integratieinstrument. Het opdragen van een
                    tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie van een
                    belanghebbende te bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage
                    aan de samenleving. De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op
                    toeleiding tot de arbeids-markt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument.
                    Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratieinspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk
                    boven uitkering. </al><al>Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De
                    tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. De maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden moeten zich onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere
                    arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                    werkzaamheden is afhankelijk van o.a. economische factoren en van keuzes die
                    mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt. </al><al>De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Dit
                    betekent dat er geen vacature mag openstaan voor dezelfde of vergelijkbare
                    activiteiten en/of beloning mag plaatsvinden van een ander die dezelfde
                    werkzaamheden verricht of waarvoor korter dan een jaar geleden betaald werd. Het
                    college kan hiermee bij de afweging of een activiteit als tegenprestatie mag
                    worden beschouwd, arbeidsverdringing zoveel mogelijk voorkomen. Er kunnen echter
                    geen garanties worden gegeven dat het in de praktijk helemaal niet zal
                    voorkomen. Het college toetst op een aantal criteria, maar zal niet altijd
                    volledig op de hoogte kunnen zijn van de bedrijfsvoering en
                    bezuinigingsmaatregelen in organisaties. Hierdoor is het college deels
                    afhankelijk van de integriteit van werkgevers en organisaties. Het college moet
                    bij de afweging of een activiteit als tegenprestatie mag worden beschouwd,
                    arbeidsverdringing zoveel mogelijk voorkomen. Er kunnen echter geen garanties
                    worden gegeven dat het in de praktijk helemaal niet zal voorkomen. Het college
                    toetst op een aantal criteria, maar zal niet altijd volledig op de hoogte kunnen
                    zijn van de bedrijfsvoering en bezuinigingsmaatregelen in organisaties. Hierdoor
                    is het college deels afhankelijk van de integriteit van werkgevers en
                    organisaties. Om dit risico te beperken wordt de werkgever verzocht om hierover
                    een verklaring te ondertekenen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van het door
                    de afdeling Werk ontworpen formulier. </al><al>In het beleidsplan ‘Tegenprestatie en de Participatiewet, Deelnota XI
                    Participatiewet’ heeft het college vastgelegd welke werkzaamheden in ieder geval
                    als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 3, tweede lid, van deze
                    verordening). Deze werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van
                    deze verordening gestelde voorwaarden. </al><al/><al><vet>Artikel 13: </vet></al><al>De tegenprestatie is gericht op het versterken van de eigen kracht en/ of
                    sociaal netwerk. Wat de uitkeringsge-rechtigde zelf kan, doet hij ook zelf. De
                    gemeente heeft een faciliterende rol. </al><al>Het opleggen van de tegenprestatie betekent maatwerk. De gemeente bepaalt aan de
                    hand van de individuele omstandigheden en de beschikbare onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige activiteiten, de aard, duur en omvang van de
                    tegenprestatie. Dat betekent dat rekening moet worden gehouden met een aantal
                    factoren, zoals lichamelijke en psychische beperkingen, zorgtaken, kennis en
                    kunde, maar ook met de mogelijkheden van de begeleidende organisaties. </al><al>Is de activiteit beperkt in omvang en duur en kan de uitkeringsgerechtigde meer
                    leveren aan tegenprestatie, dan worden meerdere activiteiten naast of na elkaar
                    ingezet. </al><al/><al><vet>Artikel 14. </vet></al><al>Het is aan de gemeenteraad om de omvang en duur van de tegenprestatie te
                    bepalen. Omdat het opleggen van de tegenprestatie tot nu toe een mogelijkheid
                    was voor gemeenten en nog geen verplichting, is er nog niet veel jurisprudentie
                    beschikbaar. Wel heeft de rechter bepaald dat er een maximum geldt van 20 uur
                    per week gedurende zes maanden. In dit geval worden de activiteiten door de
                    rechter beschouwd als re-integratie, vrijwilligerswerk of reguliere arbeid. </al><al>De omvang van de tegenprestatie kan variëren van een eenmalige activiteit van
                    enkele dagen tot een substantieel aantal uren per maand. Het zijn activiteiten
                    voor enkele weken tot maximaal twaalf maanden. De tegen-prestatie moet in
                    principe elk jaar worden geleverd. </al><al/><al><vet>Artikel 15. </vet></al><al>De gemeente gaat uit van de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van de
                    uitkeringsgerechtigden. We sluiten zo veel mogelijk aan op de interessegebieden
                    van de uitkeringsgerechtigden. Daarmee wordt de moti-vatie tot het uitvoeren van
                    de tegenprestatie vergroot. Tegelijk is de tegenprestatie niet vrijblijvend. </al><al>Draagt de uitkeringsgerechtigde zelf een activiteit aan, dan toetst het college
                    deze op additionaliteit en op haalbaarheid c.q. wenselijkheid. Hierbij wordt
                    o.a. gebruik gemaakt van het competentieprofiel uit Dariuz. Zeker als het gaat
                    om iemand met forse psychische beperkingen, is het belangrijk om niet alleen te
                    kijken wat de uitkeringsgerechtigde zelf kan, maar ook wat de organisatie aan
                    kan en te kijken naar de veiligheid voor de omgeving. </al><al>Heeft iemand lichamelijke en/of psychische beperkingen, dan kan een
                    arbeidsmedisch onderzoek worden uitgevoerd om te bepalen wat de mogelijkheden
                    zijn. Voor de uitvoering van de tegenprestatie wordt de gemeente niet
                    gecompenseerd. Om de kosten zoveel mogelijk te beperken, wordt daarom in eerste
                    instantie met de uitkeringsgerechtigde samen gekeken naar activiteiten die
                    binnen zijn of haar mogelijkheden liggen. Pas als dit geen uitkomst biedt, wordt
                    een arbeidsmedisch onderzoek ingezet en aan de hand van de uitkomst van het
                    onderzoek gekeken naar een passende activiteit. </al><al/><al><vet>Artikel 16. </vet></al><al>In dit artikel wordt bepaald dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien
                    geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. Hiervan
                    is sprake wanneer er geen maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen
                    gemeentegrenzen voorhanden zijn. De Participatiewet verplicht gemeenten niet om
                    buiten de eigen gemeentegrens een tegenprestatie te laten verrichten. </al><al/><al><vet>Artikel 17: </vet></al><al>In dit artikel zijn enkele algemene bepalingen over participatievoorzieningen
                    opgenomen. Het vierde lid be-hoeft enige toelichting. Hierin wordt gesproken
                    over randvoorwaardelijke activiteiten en instrumenten die behoren bij een
                    voorziening. Daarmee wordt bijvoorbeeld bedoeld de voorbereiding en het opzetten
                    van de participatieactiviteit, een goede informatievoorziening en het verrichten
                    van activiteiten (binnen de organisatie) om uitvoering van de voorziening
                    mogelijk te maken. </al><al/><al><vet>Artikel 18: </vet></al><al>Preventie is per definitie kortdurende en vaak snelle interventies, zoals een
                    VCA-opleiding van enkele dagen of een bemiddeling naar werk. Preventie is niet
                    alleen gericht op het voorkomen van werkloosheid, maar kan ook gericht zijn op
                    het voorkomen van maatschappelijke uitval, problematische schulden en voortijdig
                    schooluitval. Met preventie wordt beoogd in een vroeg stadium zelfredzaamheid en
                    participatie te behouden door preventief instrumenten in te zetten. </al><al/><al><vet>Artikel 19: </vet></al><al>Voorafgaand aan onderzoek, zoals bedoeld in dit artikel, gaat de vraag of een
                    persoon in aanmerking komt voor re-integratie en ondersteuning. Deze vraag
                    (noodzaakbepaling) behoort tot de reguliere uitvoeringstaken. Onderzoek als
                    bedoeld in dit artikel is aan de orde wanneer belanghebbende inderdaad in
                    aanmerking komt voor ondersteuning. Het betreft hier de vraag wat iemand kan en
                    wat iemand nodig heeft om de arbeidsinschakeling of maatschappelijke
                    participatie te bevorderen. Het betreft dus een onderzoek naar de
                    participatiemogelijkheden van belanghebbende in de meest brede zin van het
                    woord. Dit vormt onderdeel van de re-integratie van belanghebbende. </al><al>Het college kan bij onderzoek gebruik maken van externe deskundigen ten behoeve
                    van de vaststelling van onder andere afstand tot de arbeidsmarkt, medische
                    beperkingen, psychische beperkingen, sociale beperkingen, taalvaardigheid,
                    belastbaarheid en scholingsmogelijkheden. Sociaal/medisch, arbeidsdeskundig
                    onderzoek, assessment, competentietest of EVC-traject kan tot het onderzoek
                    behoren. Volgend op één van voornoemde onderzoeksmethoden kan door het college
                    de aard van de ondersteuning en eventueel in te zetten participatievoorzieningen
                    worden bepaald. </al><al/><al><vet>Artikel 20: </vet></al><al>Indien een persoon geen aanbodversterkende voorzieningen nodig heeft, kan
                    directe bemiddeling naar werk worden ingezet: Jobhunting. Jobhunting kan
                    onderdeel zijn van een breder traject, maar kan ook als enige voorziening worden
                    ingezet. Directe bemiddeling leent zich bij uitstek voor uitvoering door het
                    college zelf, bijvoorbeeld door de klantmanager of de accountmanagers van het
                    werkgeversservicepunt, of in samenwerkingsverbanden met ketenpartners, maar kan
                    ook worden ingekocht bij een (commerciële) partij. </al><al/><al><vet>Artikel 21: </vet></al><al>Work First (Brielle Werkt!) is een intensieve re-integratiemethode
                    (leerwerktraject), waarbij door de deelnemer allerlei werkzaamheden worden
                    verricht alsmede trainingen worden gevolgd. Er wordt gebruik gemaakt van losse
                    modulen, waardoor voor elke deelnemer een maatwerktraject kan worden ingezet. </al><al>De duur bedraagt maximaal twaalf maanden. De deelnemer aan het Work First
                    traject ontvangt gedurende het traject een Participatiewet,- Ioaw,- of
                    Ioaz-uitkering. De doelen van dit traject zijn instroombeperking, snelle
                    uitstroombevordering en diagnosestelling. </al><al>Gedurende het Work First traject verricht de deelnemer een substantieel aantal
                    uren per week (werk)activiteiten. Work First vergt een intensieve werkwijze
                    binnen de gemeentelijke uitvoering. Bij problemen treedt het college op. Het
                    gaat hier om het niet verschijnen, ziekmelding of andere afmelding zonder
                    geldige reden, ongewenst gedrag van de persoon, medische klachten op de
                    werkplaats, terugmelding tijdens de Work First periode en klachten. Zo gaat de
                    medewerker Work First op huisbezoek wanneer de persoon niet verschijnt. De
                    deelnemer aan het Work First traject ontvangt een uitkering. </al><al/><al><vet>Artikel 22: </vet></al><al>Een werktraject kan verschillende vormen aannemen, verschillende methoden
                    hanteren en bestaan uit diverse voorzieningen. Werktrajecten kunnen met behoud
                    van uitkering worden aangeboden. </al><al>Overeenkomst tussen al deze trajecten is dat ze tot doel hebben voor het einde
                    van het traject te leiden tot reguliere arbeid voor de deelnemende persoon.
                    Werktrajecten kunnen voor een specifieke groep binnen de doelgroep worden
                    opgezet of ingekocht. </al><al/><al><vet>Artikel 23: </vet></al><al>Een activeringstraject is bedoeld voor personen met een zodanige afstand tot de
                    arbeidsmarkt dat maatschap-pelijke participatie of bijvoorbeeld deelname aan een
                    werktraject nog niet passend is. Zowel de groep die is ingedeeld op trede 3 als
                    4 komen in aanmerking voor een activeringstraject, zij het dat de inhoud van dit
                    traject kan verschillen. </al><al>Voor personen die zijn ingedeeld op trede 4 zal het traject vaak de eerste stap
                    zijn naar arbeidsinschakeling, waarbij het wegnemen of verminderen van in de
                    persoon of diens directe omgeving gelegen belemmeringen, een belangrijk element
                    vormen binnen het traject. Bijvoorbeeld de inzet van hulpverleningsinstanties
                    (Wmo) of herstelbegeleiding kan onderdeel uitmaken van het traject. Voor
                    personen die al iets hoger op de re-integratieladder staan (trede) 3, zal het
                    traject meer gericht zijn op de maatschappelijke omgeving en deelna-men daaraan.
                    Bijvoorbeeld deelname aan vrijwilligerswerk of een werkervaringsplaats kan
                    onderdeel uitmaken van het traject. </al><al>Empowerment kan voor beide groepen als instrument worden ingezet. </al><al/><al><vet>Artikel 24: </vet></al><al>Opleidingen volwasseneneducatie zijn cursussen en trainingen als bedoeld in art.
                    7.3.1. van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Dit zijn: </al><al>• opleidingen Voortgezet Algemeen Volwassenen Onderwijs (VAVO), gericht op het
                    behalen van een diploma, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 van de Wet op
                    het voortgezet onderwijs (per 1 januari 2013 is VAVO niet meer de
                    verantwoordelijkheid van de gemeente); </al><al>• opleidingen Nederlandse taal en rekenen, gericht op alfabetisering en op het
                    ingangsniveau van het beroepsonderwijs; </al><al>• de opleidingen Nederlands als tweede taal I en II die opleiden voor het
                    diploma Nederlands als tweede taal, bedoeld in het Staatsexamenbesluit
                    Nederlands als tweede taal; </al><al>• de opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op beheersing van een
                    basisniveau Nederlandse taal; </al><al>• de opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op alfabetisering, </al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2013 wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs op het
                    een aantal onderdelen. Zo heeft het Rijk besloten om het Vavo onder
                    rechtstreekse aansturing van het Rijk te brengen en prioriteit aan te brengen in
                    het aanbod van overige educatie. Voor wat betreft het aanbod van overige
                    educatie, blijft dit de verantwoordelijkheid van gemeenten en blijven gemeenten
                    hiervoor budget ontvangen. Wel meent het Rijk dat het nodig is om de brede
                    doelstellingen van de educatie aan scherpen. Dit betekent dat het brede aanbod
                    van mogelijke educatieactiviteiten beperkt wordt. De focus in het aanbod van
                    opleidingen zal komen te liggen bij Nederlandse taal en rekenen en NT2. Het gaat
                    daarbij om opleidingen gericht op de beheersing van fundamentele
                    basisvaardigheden met het oog op zelfredzaamheid van volwassenen in onze
                    samenleving. Waar mogelijk sluiten opleidingen aan op het ingangsniveau van het
                    beroepsonderwijs. </al><al>De opleidingen Nederlandse taal en rekenen richten zich op alfabetisering en op
                    het ingangsniveau van het beroepsonderwijs. Referentieniveau 2F is aangeduid als
                    het maatschappelijk functioneel niveau dat nodig is voor participatie in de
                    maatschappij en betreft ook het ingangsniveau van het beroepsonderwijs. Het
                    aanbod van NT2-opleidingen is gericht op mensen voor wie Nederlands niet de
                    moedertaal is. De opleidingen NT2 I en II zijn gericht op het behalen van het
                    staatsexamen NT2, dat studenten voorbereidt op toelating tot het mbo of het hbo.
                    Opleidingen NT2, gericht op alfabetisering, zijn bedoeld voor laaggeletterde
                    niet-inburgeringsplichtigen. Laaggeletterde inburgeringsplichtigen zijn op grond
                    van de gewijzigde Wet inburgering per 1 januari 2013 hiervoor aangewezen op het
                    sociaal leenstelsel. </al><al/><al><vet>Artikel 25: </vet></al><al>Scholing bestaat, zover de belanghebbende behoort tot de doelgroep in artikel 4
                    van deze verordening, uit het aanbieden van opleidingen die leiden tot het
                    behalen van een startkwalificatie dan wel het aanbieden van bijscholing indien
                    niet over een opleiding voor een beroep of branche waarin vraag op de
                    arbeidsmarkt is, wordt beschikt. Daarbij is artikel 8, het tweede lid van
                    belang: behoeften, mogelijkheden en ervaringen van belanghebbende dienen altijd
                    te passen binnen het algemeen belang zoals deze naar het oordeel van het college
                    bestaan en de opdracht vanuit artikel 1 genoemde wet- en regelgeving, Het gaat
                    hier nier per se om opleidingen die taalversterkend zijn. </al><al>Er kan geen scholing bekostigd worden uit het participatiebudget en worden
                    ingezet, indien het scholing uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs betreft. Dit
                    is immers niet nodig gegeven het feit dat belanghebbende dan al een opleiding
                    volgt. </al><al/><al><vet>Artikel 26:</vet></al><al> Een van de instrumenten om de belanghebbende actief te laten worden dan wel te
                    laten blijven, is de inzet van de werkervaringsplaats. De werkervaringsplaats
                    wordt afgestemd op de mogelijkheden van de klant (koppeling treden
                    re-integratieladder) en wordt over het algemeen aangevuld met modulen die
                    bijdragen aan het verwerven van competenties, het trainen van vaardigheden en
                    opdoen van kennis en het opheffen van belemmeringen. </al><al/><al><vet>Artikel 27: </vet></al><al>Op een participatieplaats worden tijdelijke, onbeloonde en additionele
                    werkzaamheden verricht met behoud van uitkering, door uitkeringsgerechtigden die
                    vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt. Er gelden twee
                    voorwaarden: </al><al>• Er moet sprake zijn van re-integratie. De toenadering tot de arbeidsmarkt
                    staat voorop; de uitkeringsge-rechtigde moet baat hebben bij het opdoen van
                    werkervaring of tijd nodig hebben om te wennen aan werkgerelateerde aspecten,
                    zoals regelmaat. </al><al>• Het moet gaan om een additionele functie. Dat wil zeggen een speciaal
                    gecreëerde functie of een al bestaande functie die een uitkeringsgerechtigde
                    alleen met speciale begeleiding kan verrichten. </al><al/><al>Inzet van een participatieplaats voor de jongere is niet mogelijk. Dit valt op
                    te maken uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel tot wijziging van de
                    Wet, werk en bijstand en samenvoeging met de Wij (2012) en is eveneens van
                    toepassing op de Participatiewet. Hierin is gesteld dat bij de jongeren de
                    situatie waarin de afstand tot de arbeidsmarkt dusdanig groot is dat die alleen
                    met de maximale drie jaar additionele arbeid te overbruggen is, zich niet in die
                    mate voordoet dat de regering participatieplaatsen in de vorm van artikel 10a
                    Participatiewet noodzakelijk acht. </al><al/><al><vet>Artikel 28: </vet></al><al>Re-integratie naar arbeid in dienstbetrekking hoeft niet altijd de meest
                    gewenste vorm van arbeidsinschakeling te zijn. Het starten of behouden van een
                    onderneming, met economische voordelen en wellicht ook mogelijkheden om (later)
                    werknemers in dienst te nemen, biedt in meerdere opzichten perspectief. </al><al>Een traject naar zelfstandig beroep of bedrijf wordt voor een groot deel
                    bekostigd door het rijk, via het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004.
                    Sommige kosten zijn echter niet of niet volledig declarabel bij het rijk. </al><al>Het betreft bijvoorbeeld de ondernemersbeoordeling, waarbij wordt onderzocht of
                    de belanghebbende geschikt is voor een traject naar zelfstandige, of de training
                    (workshops) die onderdeel zijn van de voorbereidingsperiode. Kosten die het
                    college wel noodzakelijk acht in het kader van (voorbereiding op) een traject
                    naar zelfstandige, maar niet declarabel zijn op grond van de Bbz, worden
                    derhalve gezien als re-integratieactiviteiten en zijn te bekostigen uit het
                    participatiebudget. </al><al/><al><vet>Artikel 29. </vet></al><al>Participatievoorziening beschut werken Met de invoering van de Participatiewet
                    komt de sociale werkvoorziening op grond van de Wet sociale werk-voorziening te
                    vervallen. Dit betekent dat er vanaf 1 januari 2015 geen nieuwe instroom in de
                    Wet sociale werk-voorziening meer zal plaatsvinden. De Wet sociale
                    werkvoorziening blijft echter wel bestaan voor de personen die voor 1 januari
                    2015 al in een WSW-dienstbetrekking werkzaam zijn. </al><al>Om mensen met een arbeidshandicap ook na 1 januari 2015 aan de slag te helpen,
                    krijgen gemeenten de mogelijkheid om mensen te plaatsen in de nieuwe voorziening
                    beschut werken. De opbouw van het beschut werken ‘nieuwe stijl’ loopt parallel
                    aan de afbouw van de Wsw-plekken. </al><al>Beschut werken ‘nieuwe stijl’ is nieuwe voorziening in de Participatiewet. Deze
                    voorziening is bedoeld voor mensen die door hun lichamelijke, verstandelijke of
                    psychische beperking een zodanige mate van begeleiding en aanpassingen van de
                    werkplek nodig hebben, dat niet van een reguliere werkgever mag worden verwacht
                    dat hij deze mensen in dienst neemt. </al><al>Gemeenten zijn verplicht om beleid voor beschut werk vorm te geven en vast te
                    leggen in een verordening. </al><al>Met de voorziening beschut werk kan de gemeente mensen met een arbeidsbeperking
                    een dienstbetrekking aanbieden. Dit betekent dan ook dat aan het beschut werken
                    ‘nieuwe stijl’ een cao wordt verbonden en dat aan degenen die op een beschut
                    werkenplek werken een salaris wordt betaald ter hoogte van het wettelijke
                    minimumloon (Wml). Voordat de gemeente beschut werk in kan zetten, moet de
                    gemeente personen waar zij beschut werk voor in willen zetten voor een
                    beoordeling beschut werk aan UWV voordragen. De gemeente besluit op basis van
                    een voorselectie wie zij voordragen voor een beoordeling aan UWV. Alleen de
                    gemeente kan iemand voordragen voor de beoordeling beschut werk door UWV. Een
                    burger kan niet zelfstandig naar UWV voor een beoordeling. Het UWV beoordeelt
                    vervolgens, in opdracht van de gemeente, op basis van landelijke criteria of
                    mensen tot de doelgroep beschut werk behoren en adviseert de gemeente daarover.
                    Is de beoordeling beschut werk afgegeven door UWV, dan is de gemeente ook
                    verplicht een dienstverband beschut werk aan te bieden. De beoordeling is dus
                    niet vrijblijvend. Wel moet de gemeente beoordelen of het advies op zorgvuldige
                    wijze tot stand is gekomen. Als dat niet het geval blijkt te zijn, is er geen
                    reden om het advies (integraal) over te nemen. </al><al>Bij verordening moet bepaald worden wie in aanmerking komt voor een beschut
                    werken plek ‘nieuwe stijl’. Sinds 2008 geeft de gemeente voorrang van instroom
                    aan Wajongers met een Wsw-indicatie. Het betrof hier jongeren die deelnemen aan
                    het Voortgezet speciaal onderwijs, cluster 3. Dit wordt in de regio
                    Voorne-Putten verzorgd door het Vso Maarland. Motivatie hiervoor was het
                    garanderen van een doorlopende leerlijn. Wanneer een Wsw-dienstverband niet
                    direct aansluit op de schoolcarrière, is de kans groot dat de leerling een groot
                    deel van wat hij heeft geleerd vergeet. Bovendien is beschut werken voor de
                    leerlingen van Vso Maarland het hoogst haalbare. Het gros van de leerlingen
                    stroomt door naar de dagbesteding. Voor een aantal leerlingen geldt dat zij meer
                    potentie hebben en beschut werken aankunnen. In lijn van het huidige beleid en
                    de doelstelling van het Rijk om mensen met een arbeidsbeperking zo regulier
                    mogelijk te laten werken, wordt voorgesteld voorrang van instroom te geven aan
                    leerlingen van het Voortgezet speciaal onderwijs (Vso) cluster 3. </al><al>Het is ook mogelijk dat een leerling van het Praktijkonderwijs doorstroomt naar
                    beschut werken. In de praktijk komt dit nauwelijks voor. Om de doorlopende
                    leerlijn te garanderen, wordt voorgesteld na Vso cluster 3, voor-rang te geven
                    aan leerlingen van het praktijkonderwijs. </al><al>De volgorde die wordt gehanteerd voor het voordragen voor een beoordeling
                    beschut werken aan het UWV, wordt hiermee als volgt: </al><al>1. Leerlingen van het Vso cluster 3 </al><al>2 Leerlingen van het Praktijkonderwijs </al><al>3. Uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt die zijn
                    ingedeeld op trede vier. </al><al/><al>Hierbij geldt dat de datum van besluitvorming door het UWV leidend is voor het
                    aanbieden van een voorzie-ning beschut werken nieuwe stijl. Doordat jaarlijks
                    een beperkt aantal voorzieningen beschut werken ‘nieuwe stijl’ wordt aangeboden,
                    kan er een wachtlijst ontstaan. Aan de Welplaat wordt gevraagd deze wachtlijst
                    te beheren. </al><al>Om beschut werken mogelijk te maken kunnen voorzieningen beschikbaar worden
                    gesteld waaronder aanpassing van de werkplek, begeleiding op de werkvloer, en/of
                    aanpassing in taken, werktempo of arbeidsduur. </al><al/><al><vet>Artikel 30: </vet></al><al>De voorziening persoonlijke ondersteuning heeft ten doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. </al><al>Aan het einde van een geslaagde Jobcoaching kan de werknemer zelfstandig zijn
                    werk uitvoeren en/of is de werkgever zelf in staat de werknemer te begeleiden op
                    zijn werkplek. Jobcoaching heeft tot doel om de werknemer te ondersteunen bij
                    het verrichten van de aan de persoon opgedragen taken. De bedoeling is om mensen
                    met beperkingen te ondersteunen bij het behouden van werk. </al><al>De jobcoach wordt ingezet vanaf moment van plaatsing op regulier werk (vanaf de
                    eerste dag dat het arbeidscontract inwerking treedt). Het is uiteraard
                    toegestaan dat de jobcoach vooraf, ter voorbereiding van de eerste werkdag,
                    contact heeft met de werknemer om zaken af te stemmen, eventueel een
                    begeleidingsplan op te stellen en kennis te maken. </al><al>Aanvullend op bovenstaande is het ook mogelijk, indien van toepassing, de
                    jobcoach in te zetten bij een proefplaatsing. Dit wordt ook aangeraden vanuit de
                    ervaring dat hierdoor de kans op succes en daarmee doorstroming naar regulier
                    werk toeneemt. </al><al>In het beleidsplan ‘Nota Werkbedrijf, Loonkostensubsidie en Garantiebanen,
                    Deelnota III uitvoeringsprogramma Participatiewet’ zijn nadere uitvoeringsregels
                    beschreven. </al><al/><al><vet>Artikel 31: </vet></al><al>Begeleiding en nazorg vormen veelal onderdeel van een participatievoorziening
                    als beschreven in dit hoofdstuk. Waar het geen onderdeel vormt, zal het
                    wenselijk zijn om toch begeleiding en nazorg te kunnen bieden. Vandaar dat
                    begeleiding en nazorg ook als aparte voorzieningen zijn opgenomen. Onder
                    begeleiding en nazorg vallen daarnaast de activiteiten van de klantmanager die
                    gericht zijn op regievoering bij re-integratie. </al><al>Het monitoren van de voortgang van re-integratie, ook indien belanghebbende een
                    extern uitgevoerd traject volgt, is noodzakelijk. Het blijven motiveren van
                    belanghebbende, het in een vroeg stadium signaleren en helpen oplossen van
                    knelpunten, het constateren en actie ondernemen bij non-coöperatief gedrag, etc.
                    vallen binnen begeleiding. </al><al>Nazorg is een minder intensieve vorm van begeleiding, in de periode nadat het
                    traject van belanghebbende vanwege aanvaarding van arbeid is beëindigd. Het
                    betreft hier ondersteuning van de belanghebbende, en eventueel diens werkgever,
                    teneinde de duurzaamheid van de arbeidsinschakeling te bevorderen. </al><al/><al><vet>Artikel 32: </vet></al><al>Met de invoering van werkgeversvoorzieningen is getracht de achterstand die veel
                    personen uit de genoemde doelgroep ten opzichte van andere werkzoekenden hebben,
                    te compenseren. </al><al>Om deze achterstand te verminderen of weg te nemen kan aan de werkgever een
                    werkgeverssubsidie ter beschikking worden gesteld in de vorm van een bedrag om
                    niet wanneer deze een dienstverband voor reguliere arbeid aangaat. Het college
                    stelt nadere voorwaarden aan de werkgeverssubsidie. Deze vorm van subsidie is
                    expliciet bestemd voor werkzoekenden zonder arbeidshandicap. </al><al>Ten behoeve van de benoemde doelgroepen zijn voorzieningen mogelijk die het
                    functioneren op de werkplek bevorderen. Te denken valt aan verbetering van
                    taalvaardigheid, kortdurende beroepsgerichte scholing (zoals
                    veiligheidscertificaten), en begeleiding op de werkplek (jobcoaching). De
                    voorziening kan zowel in natura worden verstrekt als in de vorm van financiering
                    van een door de werkgever uitgevoerde voorziening (bijvoorbeeld een kort intern
                    scholingstraject). </al><al>Er worden steeds nieuwe zaken ontwikkeld om de match tussen vraag naar arbeid
                    van werkgevers en het aanbod van werklozen te bevorderen. Deze zaken zijn veelal
                    gericht op het verminderen van bedrijfsrisico’s voor werkgevers ten aanzien van
                    het in dienst nemen van werklozen. Om hierop te kunnen inspelen is het vijfde
                    lid opgenomen. </al><al>In het zesde lid zijn voorwaarden opgenomen waaraan tenminste moet worden
                    voldaan wil er een werkgeversvoorziening kunnen worden toegekend. </al><al/><al><vet>Artikel 33: </vet></al><al>In de Participatiewet wordt een specifieke vorm van loonkostensubsidie
                    geïntroduceerd. Deze loonkostensubsidie is bestemd voor werkgevers om
                    participatie van personen met een arbeidsbeperking mogelijk te maken. </al><al>Een werkgever kan voor een werknemer met een arbeidsbeperking die hij in dienst
                    neemt een loonkostensubsidie ontvangen voor het verschil tussen de loonwaarde
                    van de werknemer en het wettelijk minimumloon. De loonkostensubsidie mag
                    maximaal 70% van het Wml bedragen. Om de hoogte van deze loonkostensubsidie te
                    bepalen, moet de loonwaarde van de werknemer gemeten worden. De loonwaarde is
                    het percentage van het geldende loon voor de persoon die tot de doelgroep van
                    loonkostensubsidie behoort, in vergelijking met iemand zonder arbeidsbeperking
                    die dezelfde functie verricht. In de optimale situatie groeit een werknemer toe
                    naar een baan waarmee hij het minimumloon kan verdienen. Jaarlijks wordt de
                    loonwaarde herbepaald. De gemeente mag geen beperking aanbrengen in de duur van
                    de verstrekking van de loonkostensubsidie. </al><al>Tot 2017 is er sprake van prioritaire doelgroepen voor de garantiebanen,
                    namelijk de groep op de SW wachtlijst en de groep met Wajong uitkering. De
                    verwachting is dat per 2017 een groter aantal garantiebanen
                    gecre-eerd/beschikbaar is. Het lijkt daarom reëel om per 2017 de doelgroep
                    garantiebanen te verbreden met de overige doelgroepen van de gemeenten, waarbij
                    de hoogte van de loonwaarde uitgangspunt wordt. </al><al>Een uitzondering wordt gemaakt voor jongeren met een beperking die vanuit
                    onderwijs/stage een reële en concrete mogelijkheid hebben om direct door te
                    stromen naar een baan, waarbij deze kans zonder inzet van LKS/Garantiebaan
                    verloren gaat. Deze regel geldt ook voor jongeren met een beperking die geen
                    uitkering ontvangen. </al><al/><al><vet>Artikel 34: </vet></al><al>Om de hoogte van een loonkostensubsidie te bepalen, is de loonwaarde van een
                    werknemer bepalend. Om deze vast te stellen dient de loonwaarde gemeten te
                    worden. De loonwaardemeting vindt plaats op het mo-ment dat de werkzoekende een
                    relatie heeft (of aangaat) met een werkgever. De loonwaarde moet op de werkplek
                    gemeten worden. De loonwaarde is het percentage van het geldende loon voor de,
                    door een persoon die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, verrichte
                    arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie van een
                    werknemer in dezelfde functie die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie
                    behoort. Wanneer iemand bijvoorbeeld 40% loonwaarde heeft, is hij in staat om
                    40% van het voor hem geldende loon te verdienen, afgezet tegen dat van iemand
                    die zonder beperking diezelfde functie verricht: de norm functie. </al><al>In de Werkkamer is vastgesteld dat een loonwaardebepaling aan minimumvereisten
                    moet voldoen. Als instrument kan de gemeente de proefplaatsing inzetten. Deze is
                    gekoppeld aan de loonkostensubsidie. Een proefplaatsing houdt in dat de
                    werkgever een werknemer (met een beperking) voor een beperkte periode met behoud
                    van uitkering werk aanbiedt. Deze proefplaatsing mag niet langer duren dan 3
                    maanden. Met behoud van uitkering werkt de werknemer tijdens de proefplaatsing
                    bij de werkgever die kan bezien welke ondersteuning eventueel moet worden
                    geboden en wat de loonwaarde van iemand is. Gemeenten kunnen dit instrument
                    inzetten voor mensen uit de gemeentelijke doelgroep. </al><al/><al><vet>Artikel 35:</vet></al><al> De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling. De no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen
                    bij werkgevers weg te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen.
                    De no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever compensatie ontvangt voor de
                    loonkosten, wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. </al><al>Een werkgever komt niet in aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van
                    de Ziektewet van toepassing is. De no-riskpolis is een verzekering waarbij de
                    werkgever bij ziekte van de werknemer die een structurele functionele of andere
                    beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in
                    aanmerking komt voor de no-riskpolis. </al><al>De werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis wanneer hij een
                    dienstverband aangaat met een persoon die behoort de doelgroep, bedoeld in
                    artikel 4, en hij/ zij een structurele functionele of andere beperking heeft of
                    ten behoeve van hem de werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel
                    10d van de Participatiewet ontvangt. Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn
                    woonplaats moet hebben binnen de gemeente. </al><al>De gemeente sluit ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                    verzekering af met verzekeringsmaatschappij Achmea. De gemeente treedt op als
                    verzekeringsnemer. </al><al>De werkgever is de begunstigde. Het college vergoedt de no-riskpolis tot 24
                    maanden na indiensttreding van de werknemer bij de werkgever. </al><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet
                    van toepassing zijn. </al><al>Geen aanspraak op een no-riskpolis bestaat indien sprake is van een voorliggende
                    voorziening welke naar het oordeel van het college in voldoende mate bijdraagt
                    aan de participatie van belanghebbende. </al><al/><al><vet>Artikel 36: </vet></al><al>Schuldbemiddeling en kinderopvang zijn flankerende voorzieningen, omdat deze
                    niet direct toeleiden naar participatie, maar wel vaak randvoorwaardelijk zijn
                    aan het slagen van re-integratie. Als zodanig zijn deze voor-zieningen
                    onlosmakelijk verbonden aan re-integratie voor de groepen die dit nodig hebben
                    en worden deze instrumenten als flankerende voorzieningen opgenomen binnen deze
                    verordening. Voor schuldbemiddeling geldt dat dit onderdeel kan uitmaken van een
                    re-integratietraject. Budgettering kan een onderdeel vormen van een
                    schuldbemiddelingstraject, of kan als preventief instrument worden ingezet ter
                    voorkoming van schuldsituaties. Overigens, kan schuldbemiddeling ook worden
                    aangeboden aan inwoners met financiële problemen zonder uitkering. </al><al>De Wet Kinderopvang is de basisvoorziening voor (bekostiging van) kinderopvang,
                    die in bepaalde gevallen niet passend en toereikend is. Dit is met name het
                    geval wanneer op zeer korte termijn opvang moet worden geregeld, zoals bij Work
                    First of bij het accepteren van arbeid met een ingangsdatum op korte termijn. Om
                    re-integratie te bevorderen en/of uitstroom mogelijk te maken, is kinderopvang
                    daarom opgenomen in deze verordening. </al><al>Een flankerende voorziening als bedoeld in het derde lid, is een losstaande
                    voorziening met een meer randvoorwaardelijk karakter. Het betreft een
                    voorziening voor het wegnemen van een belemmering van belanghebbende, die niet
                    wordt aangepakt binnen de overige re-integratievoorzieningen. </al><al/><al><vet>Artikel 37: </vet></al><al>Binnen re-integratie is innovatie een belangrijk onderdeel. Zonder innovatie zal
                    bijvoorbeeld een (blijvende) daling van het Participatiewet klantenbestand niet
                    mogelijk zijn. Niet alleen re-integratiebedrijven, maar ook de gemeente zelf zal
                    daarom moeten experimenteren met (voor deze gemeente) nieuwe vormen van
                    re-integratie in de meest brede zin van het woord. Deze verordening mag aan die
                    innovatie niet in de weg staan. Daarom is gekozen het college ruimte te laten
                    voor vernieuwing binnen het voorzieningenaanbod door middel van experimenten. De
                    enige beperking die hieraan is opgelegd, is een beperking in duur, te weten twee
                    jaar. Dit maakt het mogelijk een gedegen experiment te voeren, zonder dat de
                    nieuwe voorzieningen impliciet onderdeel gaat uitmaken van het reguliere aanbod. </al><al>Een experiment kan plaatsvinden zonder dat de gemeentelijke aanbestedingsregels
                    van toepassing zijn. Dit vanwege het vaak unieke karakter van een experiment,
                    waardoor er geen regulier marktaanbod is. De experimenten mogen uiteraard de
                    Europese aanbestedingsgrens niet overschrijden, tenzij het een experiment
                    betreft waarvoor vrijstelling van de Europese aanbestedingsregels geldt. </al><al/><al><vet>Artikel 38: </vet></al><al>De WIW en het Besluit I/D-banen zijn vervallen. Wel zijn er dienstbetrekkingen,
                    arbeidscontracten of arbeidsplaatsen die vanuit deze wet en regeling voortduren.
                    In deze overgangsbepaling wordt geregeld op welke wijze bestaande overeenkomsten
                    blijven bestaan en / of worden afgebouwd. </al><al/><al><vet>Artikel 39: </vet></al><al>In artikel 156 van de Gemeentewet is een algemene bepaling opgenomen dat de raad
                    bevoegdheden kan delegeren aan het college, tenzij de aard van de bevoegdheid
                    zich daartegen verzet. Uit de oorsprong en strekking van dit artikel en de
                    gehele systematiek van delegatie, blijkt dat ook delegatie van medebewindtaken
                    mogelijk is. Dit geldt voor zowel de Participatiewet als Wet inburgering. Het
                    onderstaande is een voorbeeld van de toepassing dit artikel. Artikel 8a van de
                    Participatiewet geeft de raad de opdracht tot het opstellen van een verordening
                    met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van
                    voorzieningen. In artikel 7 van de Participatiewet is bepaald dat het college
                    verantwoordelijk is voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voor het
                    bepalen en aanbieden van re-integratievoorzieningen. De bepaling ‘overeenkomstig
                    de verordening’ zoals wel opgenomen in het wetsartikel over afstemming,
                    ontbreekt hier. </al><al>Gezien deze bepalingen zien wij geen belemmeringen in het creëren van de
                    bevoegdheid voor het college om algemeen verbindende voorschriften op te stellen
                    met betrekking tot bepalingen in deze participatieverordening. De meeste
                    voorzieningen vergen nadere uitwerking, voorbeelden hiervan zijn het PRB,
                    werkgeversvoor-zieningen en flankerende voorzieningen. </al><al/><al><vet>Artikel 40, 41 en 42: </vet></al><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>