<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR57900_1</dcterms:identifier><dcterms:title>MAATREGELENVERORDENING NIEUWE WATERWEG NOORD 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2008-08-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening Nieuwe Waterweg Noord 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand art. 8 onderdeel b en 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-08-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-08-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging artikel 8 onder b, artikel 9 onderdeel c en artikel 14</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>regels met betrekking tot het kunnen verlagen van een uitkering vanwege tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>MAATREGELENVERORDENING NIEUWE WATERWEG NOORD 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld: 05 april 2004 VR2004/020</al><al>Inwerking: 01 juni 2004</al><al>Gewijzigd: 06 februari 2006 VR2006/011/inwerking 1 maart 2006</al><al>Gewijzigd : 10 juli 2008 VR2008/069/Inwerking 1 augustus 2008</al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    b, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende: de belanghebbende bedoeld in artikel 2 lid 1 van
                                    hoofdstuk 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);</al></li><li nr="d."><al>benadelingsbedrag: het bedrag bedoeld in artikel 58 lid 4 van de
                                    wet;</al></li><li nr="e."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="g."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    c, van de wet;</al></li><li nr="h."><al>inlichtingenplicht: de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel
                                    17 van de wet en de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid,
                                    van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                    inkomen;</al></li><li nr="i."><al>langdurigheidstoeslag: de langdurigheidstoeslag bedoeld in
                                    artikel 36 van de wet;</al></li><li nr="j."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van
                                    de wet;</al></li><li nr="k."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Schiedam.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28,
                                tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                verordening een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand of de
                                        langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de datum van aanvang van de
                            maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand
                            wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van
                            duur en de hoogte van de maatregel die volgt uit deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, met
                                        uitzondering van de gedraging die schending van de
                                        inlichtingenplicht inhoudt; of</al></li><li nr="c."><al>de gedraging die een schending van de inlichtingenplicht
                                        inhoudt langer dan vijf jaar geleden heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
                                daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd nadat het besluit tot het opleggen van
                                de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                                uitgegaan van de voor de betreffende maand geldende
                                bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de
                                langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, indien de inlichtingenplicht niet is
                                    nagekomenen de bijstand ten onrechte of tot
                                een te hoog bedrag is verleend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor een bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel
                                die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat het besluit bekend gemaakt is,
                                heroverwogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                verschillende verwijtbare gedragingen, wordt voor het bepalen van de
                                hoogte en de duur van de maatregel uitgegaan van cumulatie van de
                                percentages welke gelden voor de verschillende gedragingen, met een
                                maximum van 100% van de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld indien de belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee
                                een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid wordt met een besluit waarmee
                                een maatregel is opgelegd gelijkgesteld het besluit om daarvan af te
                                zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede
                                lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor een der verplichtingen op grond
                            van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al>Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                            werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen of het niet
                            tijdig laten verlengen van de registratie;</al><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college
                                    aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder b en
                                    artikel 10, eerste lid van de wet, voor zover dit niet heeft
                                    geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                    beëindiging van die voorziening;</al></li></lijst><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>1: het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in
                                    dienstbetrekking binnen een periode van zes maanden na
                                    beëindiging van de bijstandsuitkering n indien er sprake is
                                    geweest van een door het college aangeboden voorziening gericht
                                    op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>2: het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in
                                    dienstbetrekking voor zover er geen sprake is geweest van een
                                    door het college aangeboden voorziening gericht op
                                    arbeidsinschaling;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college
                                    aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10,
                                    eerste lid van de wet, voor zover dit heeft geleid tot het geen
                                    doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                    voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>De maatregel wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, vastgesteld
                            op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>vijfentwintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                                    bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de derde categorie onder b2;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij
                                    gedragingen van de derde categorie onder a, b1 en c.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende de inlichtingenplicht niet is nagekomen
                                door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of
                                de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe
                                gestelde termijn te verstrekken, maar wel binnen de hersteltermijn
                                als bedoeld in artikel 54 lid 2 van de wet, wordt onverminderd
                                artikel 2, tweede lid, een maatregel opgelegd van vijf procent van
                                de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van een maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar, te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verlenen van bijstand, bedraagt de maatregel vijf procent van de
                                bijstand gedurende een maand, onverminderd artikel 2, tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verstrekken
                                van inlichtingen tevens verstaan het na afloop van de
                                hersteltermijn, als bedoeld in artikel 54 lid 2 van de wet, alsnog
                                verstrekken van inlichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen
                                van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het
                                benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een
                                        benadelingsbedrag tot en met € 1000,--;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een
                                        benadelingsbedrag vanaf € 1000,-- tot en met € 2000,--;</al></li><li nr="c."><al>40% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een
                                        benadelingsbedrag vanaf € 2000,-- tot en met € 4000,--;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een
                                        benadelingsbedrag groter dan € 4000,--.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verstrekken
                                van inlichtingen tevens verstaan het na afloop van de
                                hersteltermijn, als bedoeld in artikel 54 lid 2 van de wet, alsnog
                                verstrekken van inlichtingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedragingen van de belanghebbende die niet vallen onder de artikelen
                                8 tot en met 12 van deze verordening, maar ook aangemerkt kunnen
                                worden als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als
                                bedoeld in artikel 18 van de wet, leiden tot een maatregel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan vaststellen welke gedragingen leiden tot een
                                maatregel, alsmede de hoogte en duur van de maatregel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, wordt onverminderd artikel
                            2, tweede lid, een maatregel opgelegd van twintig procent van de
                            bijstandsnorm gedurende een maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2004.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening Nieuwe
                            Waterweg Noord 2004.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>