<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR57620_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Veere</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Veere</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Veere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Faam, 29-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Veere</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art.8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Gewijzigde regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10b.06121</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Medebewind.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Tekst zoals deze luidt na de 2e wijziging.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Veere</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>BOUWVERORDENING</al><al>GEMEENTE VEERE</al><al>Tekst zoals deze luidt na de 2e wijziging</al><al> Vastgesteld : 13 november 20081e wijziging : 30 september 20102e wijziging
                        : 16 december 2010.</al><al>Bouwverordening gemeente Veere (incl. 13e serie wijzigingen) (versie geldig
                        vanaf 01-10-2010)</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Nieuw Hoofdstuk</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: - asbest: hetgeen
                                daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van het
                                Asbestverwijderingsbesluit 2005;- bevoegd gezag: bestuursorgaan, als
                                bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan
                                wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit
                                artikellid, burgemeester en wethouders;- bouwbesluit: de algemene
                                maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet;-
                                bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de
                                Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en
                                woningtoezicht;- bouwwerk: elke constructie van enige omvang van
                                hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om
                                ter plaatse te functioneren;- deskundig bedrijf als bedoeld in
                                hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste
                                lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;- gebruiksoppervlakte:
                                de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit;- hoogte van
                                de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester
                                en wethouders is vastgesteld;- NEN: een door de Stichting Nederlands
                                Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;- NVN: een door de Stichting
                                Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;-
                                Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van
                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;- Omgevingsvergunning voor
                                het slopen: vergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in
                                artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht;- straatpeil: a. voor een bouwwerk, waarvan de
                                hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter
                                plaatse van die hoofdtoegang;b. voor een bouwwerk, waarvan de
                                hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;- weg:
                                alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of
                                paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de
                                tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan
                                de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:bouwwerk: een gedeelte
                                van een bouwwerkgebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente: a. het gebied binnen de bebouwde kom;b. het gebied buiten
                                de bebouwde kom.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt de grens, zoals deze door de
                                gemeenteraad is aangewezen op grond van de wegenverkeerswet
                                1994.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: a. de
                                    resultaten van vooronderzoek NEN 5725 uitgave 2009,(historisch
                                    onderzoek), en / of b. de resultaten van een recent
                                    milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740,
                                    uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat
                                    volgt uit figuur 1.c. Indien op basis van het vooronderzoek
                                    aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede
                                    begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                    is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                    NEN 5707, uitgave 2003.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt
                                    niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
                                    aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                    Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                    verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                    de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
                                    artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
                                    voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
                                    bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan
                                    voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als
                                    bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het
                                    in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                    historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
                                    locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                                    volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                    rechtvaardigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel/></kop><al>Bodemonderzoeken dienen geheel overeenkomstig vastgestelde
                                protocollen en NEN normen en overeenkomstig het hoofdstuk KWALIBO
                                uit het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd. De
                                onderzoeksbureaus moeten erkend zijn en in de lijst van erkende
                                bedrijven op internet staan. Niet van toepassing is het bepaalde in
                                dit lid voor onderzoeken van voor juli 2007.De rapportage moet als
                                volgt ingediend worden:- een ondertekende papieren rapportage in
                                2-voud- een digitaal exemplaar in pdf-bestand- een digitaal
                                exemplaar in Sikb-0101 xml bestand (recentste versie).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:a.
                                waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor
                                het bouwen is vereist; enc. 1. dat de grond raakt, of2. waarvan het
                                bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                                gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport
                                en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond
                                van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld: a. een breedte hebben van ten
                                    minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn
                                    verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                    ten minste 4,2 m;b. zijn verhard op een wijze die geschikt is
                                    voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                    zijn voorzien van de nodige kunstwerken; enc. op doeltreffende
                                    wijze kunnen afwateren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                    dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het vierde lid,
                                    indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich
                                    daarvoor lenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds: a. een woning of een
                                    woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit ;b.
                                    een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                    toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                    Bouwbesluit;en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                    gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:
                                    a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn;b. geen kleinere vrije
                                    doorgang mogen hebben dan 0,85 m; enc. ten hoogste een
                                    hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                                    plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                    bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die: a. vanaf de hoogte van het erf
                                    tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn;b. niet
                                    toegankelijk zijn.Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf
                                    of op het aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing
                                    gelaten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                    mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij
                                    te laten ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 12 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht zijn
                                    niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van
                                    het af te scheiden erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist, dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
                                    Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden
                                    met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                    hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                    nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor
                                    het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, worden
                                    gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van: a. het bepaalde in het eerste lid voor wat
                                    betreft de afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning
                                    van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;b. het
                                    bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6
                                    meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde
                                    ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: a.
                                    indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80
                                    m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;b. indien
                                    de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                                    gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting
                                    aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m
                                    bedragen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid: a.
                                    indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                    omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; ofb. voor zover op
                                    andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel
                                    laad- of losruimte wordt voorzien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:a. indien het
                                bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde
                                leiding van het distributienet is gelegen; ofb. indien het bouwwerk
                                op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding
                                van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting
                                voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                van 50 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:a. indien het bouwwerk op
                                ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat
                                distributienet is gelegen; ofb. indien het bouwwerk op grotere
                                afstand is gelegen van de leiding van het
                                elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 100 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                    openbare distributienet voor aardgas: a. indien het bouwwerk op
                                    ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van
                                    dat distributienet is gelegen; ofb. indien het bouwwerk op
                                    grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                                    aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                    aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                    bij een afstand van 40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in
                                    dit lid op woningen, waarin voor het kunnen koken een andere
                                    energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen
                                    individuele aansluiting voor gastoevoer nodig is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid: a. voor woningen
                                    met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m²;b. voor woningen
                                    die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;c. voor woningen met
                                    een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke
                                    voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                    Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet
                                    van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen
                                    openbare riolering aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>2. De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    hemelwater van niet verontreinigde oppervlakken moet worden
                                    afgevoerd naar oppervlaktewater, een grijswatersysteem of
                                    geïnfiltreerd worden in de bodem</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Niet van toepassing is het bepaalde in het vorige lid indien
                                    geen oppervlaktewater of grijswatersysteem in de directe
                                    nabijheid aanwezig is en/of de hoedanigheid van het gebied
                                    zodanig is dat infiltratie ongewenst is. In dat geval kan
                                    aangesloten worden op het openbaar riool en kunnen de
                                    afvoerleidingen voor faecaliën en hemelwater, indien geen
                                    gescheiden rioolstelsel aanwezig is, buiten het bouwwerk aan de
                                    zijde van het openbaar riool gekoppeld worden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bepaalde in lid 1 en 2 is niet van toepassing indien in
                                    bepaalde delen van de gemeente geen openbare riolering aanwezig
                                    is of zal worden aangelegd. In dat geval moet een schriftelijke
                                    verklaring van het Waterschap Zeeuwse Eilanden overgelegd
                                    worden, waaruit blijkt op welke wijze overeenstemming bereikt is
                                    over de lozingssituatie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:a op welke
                                    plaats en op welke hoogte de voor het maken van de aanslui¬ting
                                    noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw, dan
                                    wel de grens van het erf of terrein moet of moeten kruisen;b of
                                    er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten
                                    worden tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van
                                    afvalwater en fecaliën, ingeval de leiding te laag gelegen is om
                                    op natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen;c de plaats
                                    van koppeling van het gescheiden stelsel, indien het bepaalde in
                                    lid 3 van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al
                                    dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluit¬leiding moeten
                                    worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of
                                    de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorko¬ming
                                    van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                    inge¬val de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                    daartoe aan¬leiding geeft.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan vergunning verlenen in afwijking van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op andere wijze,
                                    zonder verontrei¬niging van water, bodem en lucht mogelijk is.
                                    a. Voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                    openbaar riool zijn gelegen;b. Voor agrarische bedrijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar riool worden
                                    aangesloten, gelden de volgende bepalingen: a. leidingen voor
                                    faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten
                                    lozen op een rottingput met overstort;b. leidingen voor
                                    faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten
                                    lozen op een mestkelder of een beerput zonder overstort, een
                                    gierput of een rottingput met overstort;c. leidingen voor de
                                    afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                    rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van
                                    water, bodem en lucht kan optreden;d. leidingen voor de afvoer
                                    van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                    rottingput.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    hemelwater moeten: a. zodanig lozen dat geen verontreiniging van
                                    water, bodem en lucht kan optreden; enb. zijn aangesloten aan
                                    een in de grond aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorziening
                                    van voldoende capaciteit, welke voorziening in verband met de
                                    grootte van de te ontwateren oppervlakken en de bodemgesteldheid
                                    ter plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand van de
                                    perceelgrenzen en de bebouwing op het perceel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking: a. van het bepaalde in het eerste lid, indien de
                                    afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem
                                    en lucht mogelijk is;b. van het bepaalde in het tweede lid,
                                    indien de bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse,
                                    dan wel de omvang van het perceel de infiltratie van hemelwater
                                    niet toelaten en bovendien de afvoervoorziening voor hemelwater
                                    niet wordt aangesloten aan een rottingput.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                    scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                    haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                    aangewerkt;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                    leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de
                                    dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                    zetting van het bouwwerk of de buitenriolering;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                    aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                    rottingputten voorkomen;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                    geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                    vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                    waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                    beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                    wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 2007;</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                    voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter
                                    plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse
                                    middellijn hebben van ten minste 125 mm;</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                    van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                    moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen
                                    die zijn opgenomen in bijlage 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:a. de omgevingsvergunning voor het bouwen;b. andere
                            toestemmingen;c. het bouwveiligheidsplan;d. een besluit ingevolge
                            artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b van de Woningwet, dan wel een
                            besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                            dwangsom.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor omgevingsvergunning voor het
                            bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen
                            alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:a. het
                            straatpeil is aangegeven;b. de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het
                            bouwterrein zijn uitgezet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd het
                                bepaalde in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld: a.
                                de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder
                                begrepen;b. de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                slaan van proefpalen daaronder begrepen;c. de aanvang van de
                                grondverbeteringwerkzaamheden;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen: a. de tijdelijke elektrische
                                installaties ten behoeve van de uitvoering van het bouw- en
                                grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat
                                het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan
                                daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;b. machines
                                en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat
                                deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan
                                de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                                ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                                verbieden;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                gebruiken krachtwerktuig: a. uitsluitend een bepaalde brandstof
                                wordt gebezigd, en/ofb. de aandrijving elektrisch geschiedt, en/ofc.
                                het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden
                                gebruikt;</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties: a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen
                                van hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                blz. 9);b. steenwol, mits dit meer dan 1 m³ per bouwproject
                                bedraagt;c. glaswol, mits dit meer dan 1 m³ per bouwproject
                                bedraagt;d. overig afval;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m³, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Van het gereedkomen: a. van putten en van grond- en
                                huisaansluitleidingen van de riolering, alsmede van
                                leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                                straatpeil;b. van de thermische isolatie in de spouw van wanden,
                                alsmede van de thermische isolatie in andere besloten
                                constructiesmoet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van
                                de onder a en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden
                                gesteld;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht
                                tot kennisgeving van voltooiing is bepaald;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het
                                einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld;</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van:
                                a. het niet verwerken van bevroren materialen;b. het verkrijgen van
                                een goede binding en verharding;c. de bescherming van het
                                desbetreffende werk na de voltooiing tegen vorstschade, zolang het
                                nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden
                                Celsius is;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                            nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het
                            bouwtoezicht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van: a. drassigheid;b.
                                    stank;c. verontreiniging;d. aanwezigheid van schadelijk of
                                    hinderlijk gedierte;e. aanwezigheid van begroeiing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd
                                    van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang
                                    en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en
                                    het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld: a. een breedte hebben van ten
                                    minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn
                                    verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                    ten minste 4,2 m;b. zijn verhard op een wijze die geschikt is
                                    voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                    zijn voorzien van de nodige kunstwerken; enc. op doeltreffende
                                    wijze kunnen afwateren;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                    dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen;</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds: a. een woning of een
                                    woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;b.
                                    een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                    toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                    Bouwbesluit ;en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                    gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                    zijn;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:
                                    a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn; enb. geen kleinere vrije
                                    doorgang mogen hebben dan 0,85 m; enc. ten hoogste een
                                    hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                                    plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                    bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding:a.
                                indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; ofb. indien het
                                bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde
                                leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 50 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:a. indien het bouwwerk op
                                ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat
                                distributienet is gelegen; ofb. indien het bouwwerk op grotere
                                afstand is gelegen van de leiding van het
                                elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 100 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40
                                m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet
                                is gelegen; ofb. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen
                                van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.Niet van toepassing is
                                voorgaande eis op:a. woningen, waarin voor het kunnen koken een
                                andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen
                                individuele aansluiting van gastoevoer nodig is;b. woningen met een
                                gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m²;c. woningen die niet worden
                                verhuurd;d. woningen met een aansluiting op het
                                stadsverwarmingnet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn
                                    aangesloten aan een openbaar riool;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: a. in
                                    delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                    is;b. op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                    openbaar riool zijn gelegen;c. voor zover uitsluitend hemelwater
                                    wordt geloosd;d. op agrarische bedrijven waarin de faecaliën
                                    voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende
                                    ruime mestkelder, gier- of beerput aanwezig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in, tweede lid, van toepassing is, gelden de
                                volgende bepalingen:a. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit
                                toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met
                                een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                gebruikt;b. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput
                                met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende
                                aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op
                                andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van
                                water, bodem of lucht kan optreden;c. leidingen voor de afvoer van
                                hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën,
                                alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen
                                verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;d. leidingen
                                voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                                zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m²
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens</titel></kop><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                                woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m²
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken
                                of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en
                                wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met:a.
                                bouwvalligheid van het bouwwerk;b. bouwvalligheid van een in de
                                nabijheid gelegen bouwwerk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het
                                bouwwerk te staken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel>Hinder</titel></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze
                                rook, roet, walm of stof wordt verspreid;b. overlast wordt of kan
                                worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf
                                of terrein;c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze
                                stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische
                                trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk
                                gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of
                                terrein;d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt
                                veroorzaakt.Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor
                                zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet
                                milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing
                                is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                                schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                                gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het
                                Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de
                                aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren,
                                zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te
                                    slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                    gezag;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m³, tenzij het slopen mede betreft het
                                    verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor
                                    het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de
                                    Woningwet , dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                    of oplegging van een last onder dwangsom.Het bevoegd gezag kan
                                    aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde
                                    lid;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen slechts voorschriften over: a. de veiligheid tijdens het
                                    slopen;b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;c. het
                                    scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het
                                    sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie
                                    asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig
                                    afval;d. het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden
                                    overleggen van de gegevens als bedoeld in 7.2 onder b. van de
                                    Regeling omgevingsrecht.;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd
                                    gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met
                                    betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed
                                    maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de
                                    termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden;</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld
                                    over het slopen van het tijdelijke bouwwerk</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd
                                indien:a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is
                                gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                voldoende peil kan worden gewaarborgd;b. de bescherming van
                                nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is
                                gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                voldoende peil kan worden gewaarborgd;c. een vergunning met
                                betrekking tot de archeologische monumenten ingevolge de
                                Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke
                                monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;d. een
                                vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet
                                op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht van
                                de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft behouden,
                                is vereist en deze niet is verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                                indien:a. de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                onvolledige opgave van gegevens;b. binnen 26 weken na het
                                onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het slopen
                                geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;c. tussen het begin en
                                het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan
                                een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                                het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                    omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan
                                    in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel
                                    slopen van: a. geschroefde , asbesthoudende platen waarin de
                                    asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een
                                    woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw,
                                    voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de
                                    uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld
                                    zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te
                                    verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig
                                    vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al><al>b. asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                    vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die
                                    woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                                    niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf
                                    worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de
                                    oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking
                                    of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                    kadastraal perceel bedraagt;mits het voornemen tot dit slopen is
                                    gemeld bij burgemeester en wethouders en door burgemeester en
                                    wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld is
                                    medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is
                                    vereist;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                    worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                    burgemeester en wethouders vastgesteld formulier;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in3-voud
                                    worden ingediend;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld;</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                    aard en het gebruik van het bouwwerk;</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden
                                    of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld;</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                    mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan,
                                    is de mededeling van rechtswege gedaan;</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld
                                    in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                    verwijdering, opslag en afvoer van asbest;</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                    zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister
                                    van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer
                                    uitgegeven publicatie ter zake van het slopen van asbest
                                    bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder
                                    verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede
                                    de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van
                                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                    nemen;</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                    sloop vrijkomt is niet toegestaan;</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                    tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen,
                                    stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft
                                    gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te
                                    geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                    omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor
                                zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in
                                het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of
                                gedeeltelijk verwijderen van:a. geklemde vloerplaten onder
                                verwarmingstoestellen;b. verwijderen van beglazingskit dat is
                                verwerkt in de constructie van kassen;c. rem- en
                                frictiematerialen;d. pakkingen uit verbrandingsmotoren;e. pakkingen
                                uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met
                                een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>Het bepaalde in artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                                toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of
                                een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                                last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan
                                het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                    slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan
                                    een deskundig bedrijf;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                    afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                    bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                    uitvoeren;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten
                                    minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het
                                    bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en
                                    tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op
                                    asbest, zal plaatsvinden;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt
                                    binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het
                                    bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de
                                    eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor
                                    het slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het
                                    slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht
                                    hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en
                                    woningtoezicht;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                    aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk
                                    op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde
                                    van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt,
                                    moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                    artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden
                                    in de navolgende fracties: a. de als gevaarlijk aangeduide
                                    afvalstoffen van hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij
                                    de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                    2001, nr. 158, blz. 9);b. steenachtig sloopafval, zonder
                                    inbegrip van gips;c. bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;d.
                                    met PAKS verontreinigde materialen;e. asfalt;f. dakgrind;g.
                                    overig afval;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter, een
                                vast lid en één reservelid, waarvan alle leden deskundig zijn op het
                                gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                                cultuurhistorie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de voorzitter en leden worden plaatsvervangers aangewezen die
                                hen bij afwezigheid kunnen vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien de
                                voorzitter en het vaste lid aanwezig zijn. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>de voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk
                                ten opzichte van het gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens
                                plaatsvervanger.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                welstandscommissie en hun plaatvervangers worden op voorstel van
                                burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9
                                bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:-
                            op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                            welstandsnota;- de werkwijze van de welstandscommissie;- op welke wijze
                            uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;- de aard van
                            de beoordeelde plannen;- de bijzondere projecten.De welstandscommissie
                            kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het
                            gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                            aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                betrekking heeft op een deel van project of een gefaseerde aanvraag
                                betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en
                                wethouders daarom is verzocht;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van
                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op
                                verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                                behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning
                                voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het
                                reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij
                                deze verordening is vastgesteld, geeft aan hoe de plantoelichting is
                                bedoeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening bij mandaat</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De
                                aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                                verondersteld;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog
                                voor aan de welstandscommissie;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen.Zie bijlage 9.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het
                                daartoe strekkende besluit niet dan nadat: a. op het voornemen
                                inspraak is verleend;b. het advies van de welstandscommissie is
                                ingewonnen;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de tweede dag na die waarop
                                zij is afgekondigd;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:a. de
                                bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 3 juli 1997 en
                                alle daarin aangebrachte wijzigingen;b. de
                                brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit van 10
                                februari 2005 en alle daarin aangebrachte wijzigingen, voor zover
                                deze brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig gebruik
                                van bouwwerken stelt;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'bouwverordening
                                2008'.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 13 november 2008.De
                        voorzitter, De griffier,</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><label/><nr>1</nr><titel/></kop><al>Bijlage 7</al><al>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en
                    terreinenBijlage als bedoeld in artikel 2.7.6De NEN-normen, bedoeld in artikel
                    2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:a. NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal
                    gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979);b. NEN
                    7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                    correctieblad d.d. december 1979);c. NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken
                    van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen';d. NEN-EN 1401-1, uitgave
                    2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering -
                    Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het
                    systeem' (Engelstalig;e. NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en
                    hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met
                    inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en
                    A3, uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig);f. NEN-EN 295-2, uitgave
                    1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering
                    onder vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel
                    2. Kwaliteitscontrole en monstername' (Engelstalig);g. NEN-EN 295-3, uitgave
                    1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering
                    onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden' (Engelstalig).</al></bijlage><bijlage><kop><label/><nr>2</nr><titel/></kop><al>Bijlage 9</al><al>Reglement van orde op de welstandcommissie Veere</al><al>1. Advisering door de welstandscommissie</al><al><vet>Artikel 1 Onafhankelijkheid</vet>1. De welstandscommissie is een door de
                    gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan de Burgemeester en
                    wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de
                    plaatsing van een bouwwerk of standplaats,waarvoor een aanvraag om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is ingediend, in strijd is met redelijke
                    eisen van de welstand.2. De welstandscommissie voert haar taken uit in
                    onafhankelijkheid.3. De welstandscommissie is beleidsmatig gebonden aan het
                    gemeentelijk welstandsbeleid en baseert haar advies uitsluitend op de in de
                    welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al><al><vet>Artikel 2 Taakomschrijving</vet>1. De welstandscommissie is belast met
                    wettelijk verplichte en niet–wettelijk verplichte taken. De wettelijk verplichte
                    taken worden uitgevoerd op grond van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht.2. De welstandscommissie adviseert Burgemeester en wethouders
                    over de welstandsaspecten van de aanvragen voor vergunningplichtige bouwwerken
                    als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht.3. De welstandscommissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar
                    een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden. </al><al><vet>2. Samenstelling van het welstandscommissie.</vet></al><al><vet>Artikel 3 Samenstelling</vet>1. De welstandscommissie bestaat uit tenminste
                    twee leden.2. De leden van de welstandscommissie worden voorgedragen door
                    Burgemeester en wethouders.3. Burgemeester en wethouders dragen een
                    plaatsvervanger voor die deze leden bij afwezigheid kan vervangen. </al><al><vet>Artikel 4 Profielschets van alle commissieleden</vet>1. De leden van de
                    welstandscommissie moeten geïnteresseerd zijn in Veere en de gemeente kennen of
                    willen leren kennen.2. De leden van de welstandscommissie zijn bereid zich te
                    verdiepen in het ruimtelijk kwaliteitsbeleid in de brede zin van de gemeente en
                    baseren zich bij de beoordeling van bouwplannen uitsluitend op welstandscriteria
                    zoals opgenomen in de gemeentelijke welstandsnota.3. De leden van de
                    welstandscommissie moeten in staat zijn bouwplantekeningen te lezen en cultureel
                    besef en kennis hebben van de (geschiedenis van de) bouwkunst.4. De leden van de
                    welstandscommissie zijn onpartijdig, dat betekent dat zij geen persoonlijk
                    belang mogen hebben bij de door Burgemeester en wethouders te nemen beslissingen
                    en dat zij hun taak niet met vooringenomenheid mogen vervullen.5. De leden van
                    de welstandscommissie mogen geen professionele opdrachten aanvaarden en
                    uitvoeren binnen de gemeente.6. De leden van de welstandscommissie moeten in
                    staat zijn hun oordeel begrijpelijk te verwoorden, met respect voor allen die
                    bij de advisering een rol spelen. Dit vraagt van alle commissieleden zekere
                    communicatie vaardigheden.7. De leden van de welstandscommissie hebben een
                    geheimhoudingsplicht inzake aan hen voorgelegde plannen en
                    beleidsdocumenten.</al><al><vet>Artikel 5 Profielschets van de voorzitter</vet>1. De voorzitter is
                    verantwoordelijk voor het functioneren van de welstandscommissie en bewaakt de
                    deugdelijkheid van de welstandsadvisering in de brede zin.2. De voorzitter geeft
                    leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang van de agenda. In de
                    discussies draagt hij of zij er zorg voor dat alle commissieleden hun mening
                    voldoende naar voren te kunnen brengen. Na de discussie geeft de voorzitter een
                    korte, heldere samenvatting van het te brengen advies, als basis voor de
                    schriftelijke uitwerking.3. De voorzitter organiseert met de commissie een
                    jaarlijkse, inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De uitkomsten van het
                    evaluatiegesprek wordt opgenomen in het jaarverslag van de
                    welstandscommissie.</al><al><vet>Artikel 6 Profielschets van het architectlid</vet>1. Het architectlid is
                    verantwoordelijk voor de inhoudelijke kwaliteit van de welstandsadviezen.2. Het
                    architectlid is een geregistreerd architect die zich door opleiding en ervaring
                    kwalificeert om zitting te nemen in de welstandscommissie.3. Het architectlid
                    heeft een eigen, actieve beroepspraktijk en heeft ervaring met het beoordelen
                    van ontwerpen van (aanstaande) collega’s in bijvoorbeeld onderwijssituaties of
                    jury’s.</al><al><vet>3. Benoeming en zittingduur</vet></al><al><vet>Artikel 7 Benoemingsprocedure</vet>1. De leden van de welstandscommissie
                    worden op voorstel van Burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                    gemeenteraad. </al><al><vet>Artikel 8 Zittingsduur</vet>1. Benoemingen gelden voor een periode van drie
                    jaar met een mogelijkheid tot herbenoeming voor een periode van nog eens drie
                    jaar. Omwille van de continuïteit van de welstandsadvisering worden de leden van
                    de welstandscommissie in beginsel benoemd en herbenoemd in een alternerend
                    systeem.2. Burgemeester en wethouders dragen om de drie jaar aan de Raad een
                    nieuw lid (of verzoek tot herbenoeming) voor om in de welstandscommissie zitting
                    te nemen. </al><al><vet>Artikel 9 Voortijdige beëindiging van de benoeming van
                    commissieleden</vet>1. De leden van de welstandscommissie kunnen ten allen tijde
                    kenbaar maken hun benoeming te willen beëindigen. Zij geven hiervan schriftelijk
                    drie maanden tevoren kennis aan de gemeenteraad.2. De gemeenteraad kan in
                    voorkomende gevallen de benoeming van een lid of van alle leden van de
                    welstandscommissie voortijdig beëindigen, wanneer het betreffende commissielid
                    of de betreffende commissieleden naar zijn oordeel niet naar behoren
                    functioneert of functioneren. Dit oordeel wordt met argumenten omkleed. </al><al><vet>4. Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al><vet>Artikel 10 Jaarverslag</vet>1. De welstandscommissie stelt ter uitvoering
                    van artikel 12b, lid 3, Woningwet jaarlijks voor de gemeenteraad een verslag op
                    van haar werkzaamheden, genoemd het ‘jaarverslag’.2. In dit jaarverslag komt ten
                    minste aan de orde op welke wijze de welstandscommissie toepassing heeft gegeven
                    aan de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Het
                    jaarverslag signaleert waar de welstandsnota als beleidskader voldoende dan wel
                    onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en geeft aan
                    waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid.3. Voorts
                    kan de welstandscommissie in haar jaarverslag aandacht besteden aan de werkwijze
                    van de commissie, op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                    vergaderen, de aard van de beoordeelde plannen en bijzondere projecten. De
                    welstandscommissie kan in haar verslag aanbevelingen doen ten aanzien van het
                    ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en het welstandsbeleid in het
                    bijzonder.4. Het verslagjaar loopt van januari tot en met december. Het
                    vastgestelde jaarverslag wordt jaarlijks aangeboden aan de gemeenteraad.5.
                    Bespreking van het jaarverslag in de gemeenteraad wordt gecombineerd met de
                    jaarlijkse op te stellen rapportage over de uitvoering van het welstandstoezicht
                    door Burgmeester en wethouders.</al><al><vet>5. Termijn van advisering van vooroverleg</vet></al><al><vet>Artikel 11 Termijn van advisering bij de bouwaanvraag</vet>1. De
                    welstandscommissie dan wel een namens haar gemandateerd lid is bij de
                    beoordelingen van aanvragen omgevingsvergunning voor het bouwen gebonden aan de
                    in de Bouwverordening genoemde termijn voor het uitbrengen van advies.2. Binnen
                    de in de Bouwverordening genoemde termijnen voor het uitbrengen van advies kan
                    de welstandscommissie dan wel het namens haar gemandateerde lid het
                    welstandsadvies aanhouden indien meer informatie of een toelichting van de
                    ontwerper wenselijk is.</al><al><vet>Artikel 12 Overschrijding van de termijn</vet>1. Indien de
                    welstandscommissie dan wel het namens haar gemandateerde lid niet binnen de
                    Bouwverordening gestelde termijn tot een advies komt, beoordelen Burgemeester en
                    wethouders zelf of een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft niet in
                    strijd is met de redelijke eisen van de welstand. Daarbij nemen zij de in de
                    welstandsnota opgenomen criteria in acht. De welstandscommissie wordt van deze
                    van beoordeling in kennis gesteld.</al><al><vet>Artikel 13 Vooroverleg over principeaanvraag</vet>1. De gemeente biedt de
                    mogelijkheid om, voorafgaand aan het indienen van een aanvraag
                    omgevingsvergunning voor het bouwen door middel van het indienen van
                    principeaanvraag vooroverleg te plegen met de welstandscommissie dan wel een
                    namens haar gemandateerd lid, over interpretatie van de welstandscriteria in het
                    concrete geval van het bouwplan.2. De welstandscommissie dan wel het namens haar
                    gemandateerd lid draagt uiterste zorg voor consistente beoordelingen in
                    verschillende planfasen.3. Het vooroverleg vindt in principe niet plaats in het
                    openbaar, tenzij de planindieners, het bevoegd gezag en de welstandscommissie
                    van mening zijn dat openbare behandeling geen belangen schaadt en de
                    transparantie van het welstandstoezicht ten goede komt.4. Van het vooroverleg
                    wordt altijd verslag gemaakt, dat men de besproken bescheiden wordt opgenomen in
                    dossier. De welstandscommissie dan wel het namens haar gemandateerde lid geeft
                    aan in welke fase het plan werd beoordeeld en op welke wijze de aanvraag
                    omgevingsvergunning voor het bouwen uiteindelijk zal worden beoordeeld.</al><al><vet>Artikel 14 Beëindiging vooroverleg</vet>1. Als een principeaanvraag tijdens
                    de vooroverlegfase drie keer negatief wordt beoordeeld door de
                    welstandscommissie dan wel het namens haar gemandateerde lid en er tijdens het
                    proces geen noemenswaardige vooruitgang wordt geconstateerd, kan de
                    welstandscommissie het vooroverleg beëindigen en via de ambtelijk secretaris
                    contact opnemen met de portefeuillehouder om de (politieke) consequenties
                    hiervan te bespreken.</al><al><vet>Artikel 15 Geldigheidstermijn welstandsadvies principeaanvraag</vet>1. Een
                    welstandsadvies over principeaanvraag blijft zes maanden van kracht. Deze
                    termijn geldt niet indien de welstandscommissie en de planindiener schriftelijk
                    een andere termijn overeenkomen.</al><al><vet>6. Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting.</vet></al><al><vet>Artikel 16 Openbare behandelingen van bouwaanvragen</vet>1. De behandeling
                    van aanvragen omgevingsvergunningen voor het bouwen door de welstandscommissie
                    dan wel door een gemandateerd lid van de commissie is openbaar tenzij de
                    planindiener, het bevoegd gezag of de welstandscommissie van mening zijn dat er
                    op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende redenen
                    zijn voor geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als
                    voor het formuleren van de conclusie c.q. het welstandsadvies.2.
                    Belangstellenden en belanghebbenden kunnen de vergadering van de
                    welstandscommissie bijwonen.3. Belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de
                    Algemene wet bestuursrecht kunnen voor het begin van de vergadering spreektijd
                    aanvragen bij de voorzitter. De voorzitter stelt, mede afhankelijk van de
                    agenda, de maximale spreektijd van een ieder vast. Spreektijd kan slechts worden
                    gebruikt voor het geven van visie op de welstandsaspecten van het plan. Een
                    belangenafweging of beoordeling, anders dan op basis van de vastgestelde
                    welstandscriteria vindt niet plaats tijdens de welstandsbeoordeling.4.
                    Goedgekeurde notulen van de behandeling van bouwaanvragen zijn openbaar.</al><al><vet>Artikel 17 Bekendmaking van de agenda</vet>1. De data, het tijdstip en de
                    locatie van de welstandsvergaderingen worden door de ambtelijke secretaris ter
                    kennis gesteld.2. Uiterlijk één dag voorafgaand aan de vergaderingen van de
                    welstandscommissie wordt bekend gemaakt dat de agenda ter inzage ligt. </al><al><vet>Artikel 18 Plantoelichting door indiener en/of ontwerper</vet>1. Als een
                    planindiener en/of ontwerper hierom bij het indienen van het plan heeft
                    verzocht, wordt deze door de ambtelijk secretaris uitgenodigd voor het geven van
                    een toelichting tijdens de vergadering waarin het plan wordt behandeld.2. Indien
                    de welstandscommissie dan wel een namens haar gemandateerd lid een nadere
                    toelichting gewenst acht dan wordt de planindiener en/of ontwerper door de
                    ambtelijk secretaris uitgenodigd voor het geven van een toelichting tijdens de
                    vergadering waarin het plan wordt behandeld.3. Een plantoelichting is bedoeld
                    voor een korte toelichting op de planfilosofie en de gemaakte keuzes in relatie
                    tot de welstandscriteria, door de planindiener en/of ontwerper. </al><al><vet>7. Afdoening bij mandaat</vet></al><al><vet>Artikel 19 Mandaat namens de welstandscommissie</vet>1. De
                    welstandscommissie kan een lid schriftelijk mandateren om bepaalde taken uit te
                    voeren. De gemandateerde voert de taak uit onder verantwoordelijkheid en namens
                    de commissie, wat moet blijken uit bijvoorbeeld de ondertekening.2. Eén van de
                    taken die door de welstandscommissie aan één of meer leden kunnen worden
                    gemandateerd is het uitbrengen van het welstandsadvies voor bouwplannen van
                    relatief geringe ruimtelijke betekenis of van bouwplannen waar de mening van de
                    welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. De gemandateerde heeft
                    hierbij een volledig mandaat, dat wil zeggen dat zowel positieve als negatieve
                    adviezen kunnen worden gegeven.3. Eén van de taken die door de
                    welstandscommissie aan één of meer van haar leden kunnen worden gemandateerd is
                    het voeren van vooroverleg met de planindieners en/of ontwerpers. Dit kan
                    zelfstandig gebeuren dan wel door deelname in een ‘kwaliteitsteam’. Bij het
                    gemandateerd vooroverleg moet altijd minstens eenmaal een welstandsbeoordeling
                    door de commissie plaatsvinden. Daarbij doet de gemandateerde verslag van wat er
                    tijdens het vooroverleg (namens de commissie) is besproken en besloten. De
                    commissie geeft daarna, binnen dit kader haar oordeel.4. Bij enige vorm van
                    twijfel legt de gemandateerde het betreffende bouwplan alsnog voor aan de
                    commissie.5. Voor behandeling van bouwplannen onder mandaat gelden verder
                    dezelfde reglementen als voor behandeling van bouwplannen door de
                    commissie.</al><al><vet>8. Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al><vet>Artikel 20 Inhoud van het advies</vet>1. Het welstandsadvies wordt
                    opgesteld door de welstandscommissie, dan wel door een gemandateerd lid van deze
                    commissie.2. Het welstandsadvies geeft aan of het uiterlijk en de plaatsing van
                    een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te
                    verwachten ontwikkeling daarvan, al dan niet in strijd is met redelijke eisen
                    van welstand, uitsluitend te beoordelen aan de hand van de criteria zoals
                    opgenomen in de welstandsnota.3. Het welstandsadvies is niet gericht op zaken
                    die geen betrekking hebben op het welstandstoezicht. 4. Het welstandsadvies kan
                    worden gecombineerd met suggesties voor beleid of procedurele zaken die naar
                    mening van de commissie in acht genomen zouden moeten worden. Deze suggesties
                    zijn vrijblijvend en staan duidelijk los van de conclusie van het
                    welstandsadvies zelf.5. Het welstandsadvies mag nooit zodanig zijn geformuleerd
                    dat één der betrokkenen zich daardoor beledigd of in goede naam of eer aangetast
                    kan voelen.</al><al><vet>Artikel 21 Conclusie van het advies</vet>1. Het welstandsadvies kan de
                    volgende conclusies hebben:- Niet strijdig: het plan voldoet naar de mening van
                    de welstandscommissie volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria aan
                    redelijke eisen van welstand. Dit advies kan worden gecombineerd met suggesties
                    om het plan op een (nog) hoger niveau te tillen. Deze suggesties zijn
                    vrijblijvend en staan duidelijk los van de conclusie van het welstandadvies
                    zelf.- Strijdig tenzij wordt voldaan aan de opmerkingen: het plan voldoet naar
                    mening van de welstandscommissie volgens de van toepassing zijnde
                    welstandscriteria niet aan de redelijke eisen van welstand, tenzij het op
                    ondergeschikte punten wordt aangepast. Deze punten worden ondubbelzinnig
                    genotuleerd of op de tekening aangegeven. De ambtelijk secretaris nodigt daarna
                    de planindiener uit om binnen de wettelijke afhandelingtermijn een aangepast
                    plan in te dienen dat vervolgens door een gemandateerd lid van de
                    welstandscommissie wordt beoordeeld.- Strijdig: het plan voldoet naar de mening
                    van de welstandscommissie volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria
                    niet aan de redelijke eisen van welstand. Dit betekent dat ingrijpende
                    wijzigingen in het planconcept of de uitwerking van het onderwerp noodzakelijk
                    zijn.</al><al><vet>Artikel 22 Schriftelijk motivering</vet>1. De welstandscommissie adviseert
                    en motiveert haar advies schriftelijk.2. Het welstandsadvies wordt door de
                    ambtelijk secretaris opgemaakt aan de hand van de bevindingen van de
                    welstandscommissie.3. Bij positieve advisering kan een expliciete motivering
                    achterweg blijven, tenzij het bevoegd gezag daarom verzoekt of er bezwaar tegen
                    het bouwplan wordt ingediend.4. Een positief advies wordt altijd schriftelijk
                    gemotiveerd als er sprake is van een bijzondere situatie waarbij wordt
                    geadviseerd om een plan, in afwijking van de van toepassing zijnde
                    gebiedsgerichte c.q. objectgerichte welstandscriteria, goed te keuren.</al><al><vet>Artikel 23 Toelichting op het welstandsadvies</vet>1. De planindiener en/of
                    de ontwerper kan verzoeken om een mondelinge toelichting op het
                    welstandsadvies.2. Deze toelichting wordt in eerste instantie gegeven door de
                    ambtelijk secretaris.3. Indien de planindiener en/of ontwerper vervolgens een
                    nadere toelichting wenst wordt een afspraak gemaakt met de welstandscommissie
                    dan wel met een namens haar gemandateerd lid.</al><al><vet>9. Welstandsoordeel van B &amp; W</vet></al><al><vet>Artikel 24 Welstandsoordeel van Burgemeester en Wethouders</vet>1. De
                    bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de omgevingsvergunning
                    voor het bouwen ligt bij het bevoegd gezag. Burgemeester en wethouders hebben
                    een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan
                    de hand van de in de welstandsnota opgenomen welstandscriteria.2. Burgemeester
                    en wethouders vragen bij elke aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen
                    advies aan de welstandscommissie, tenzij bij voorbaat vaststaat dat de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen reeds op een andere grond moet worden
                    geweigerd.3. Burgemeester en wethouder vergewissen zich ervan dat het
                    welstandsadvies waarop zij hun welstandsadvies baseren, naar inhoud en wijze van
                    totstandkoming deugdelijk is.</al><al><vet>Artikel 25 Afwijken op inhoudelijke grond</vet> 1. Het bevoegd gezag kunnen
                    op inhoudelijke grond afwijken van het welstandsadvies met inachtneming van
                    artikel 2.10 lid 1, sub d van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht indien
                    zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van toepassing zijnde
                    criteria niet juist heeft geïnterpreteerd,of de commissie naar hun oordeel niet
                    de juiste criteria heeft toegepast.2. Indien Burgemeester en wethouders op
                    inhoudelijke grond tot een ander oordeel komen dan de welstandscommissie, dan
                    kunnen zij voordat het besluit op de vergunningsaanvraag wordt genomen een
                    second opinion vragen.3. Indien het bevoegd gezag op inhoudelijke grond afwijken
                    van het welstandsadvies wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de
                    omgevingsvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de
                    hoogte gesteld. </al><al><vet>Artikel 26 Afwijken van de welstandscriteria</vet>1. Burgemeester en
                    wethouders kunnen, op basis van artikel 4:84 van de Algemene wetbestuursrecht en
                    op advies van de welstandscommissie, afwijken van de in de gemeentelijke
                    welstandsnota opgenomen gebiedsgerichte of objectgerichte welstandscriteria. Dit
                    kan gebeuren bij plannen die niet voldoen aan ofwel de gebiedsgerichte, ofwel de
                    objectgerichte welstandscriteria. Voorwaarde is wel dat er voor het overige wel
                    aan de redelijke eisen van welstand wordt voldaan. Burgemeester en wethouders
                    zullen uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat
                    plannen in principe moet passen in hun omgeving. De regeling is nadrukkelijk
                    bedoeld voor afwijkende plannen van uitzonderlijke kwaliteit.2. Deze afwijking
                    wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. </al><al><vet>Artikel 27 Afwijken om andere redenen</vet>1. Het bevoegd gezag kan, op
                    basis van artikel 2.10, lid 1, sub d. van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen ondanks
                    strijdigheid van dat plan met redelijke eisen van welstand, indien zij van
                    oordeel zijn dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of
                    maatschappelijke aard.2. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag
                    van de omgevingsvergunning gemotiveerd.</al><al>3. Het bevoegd gezag zal uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze
                    mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit ook van algemeen belang is.</al><al><vet>Artikel 28 Bezwaar en beroep</vet>1. Belanghebbenden in de zin van artikel
                    1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen binnen zes weken bezwaar indienen
                    tegen de beslissing van het bevoegd gezag op de aanvraag voor een
                    omgevingsvergunning.2. In de bezwaarschriftenprocedure heroverweegt het bevoegd
                    gezag het besluit nadat belanghebbenden tijdens een hoorzitting hun standpunten
                    nader hebben kunnen toelichten.3. In de bezwaarschriftenprocedure kan het
                    bevoegd gezag een second opinion vragen.4. Belanghebbenden die het met de
                    heroverweging van het bevoegd gezag niet eens zijn kunnen hiertegen in beroep
                    gaan.</al><al><vet>Artikel 29 Jaarlijkse rapportage door B&amp;W</vet>1. Burgemeester en
                    wethouders stellen, ter uitvoering van artikel 12c van de Woningwet jaarlijks
                    een rapportage op voor de gemeenteraad over de wijze waarop zij met hun
                    verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het welstandstoezicht zijn
                    omgegaan.2. In de rapportage komen in ieder geval de volgende punten aan de
                    orde:de wijze waarop Burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                    welstandsadviezen; op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben
                    gegeven aan de welstandscriteria; in welke categorieën van gevallen zij tot
                    aanschrijving op grond van ‘ernstige strijdigheid met redelijke eisen van
                    welstand’ (in de zin van artikel 13a van de Woningwet) zijn overgegaan en of zij
                    na die aanschrijving zijn overgegaan tot bestuursdwang.3. Het verslagjaar loopt
                    van januari tot en met december. De rapportage wordt jaarlijks aangeboden aan de
                    gemeenteraad4. Bespreking van de rapportage in de gemeenteraad wordt
                    gecombineerd met het jaarverslag van de welstandscommissie.5. De ambtelijk
                    secretaris is redacteur van de rapportage. De ambtelijk secretaris verzamelt de
                    gegevens, schrijft de teksten, selecteert de afbeeldingen en biedt de
                    conceptrapportage aan ter vaststelling door Burgemeester en wethouders. </al><al><vet>10. Advisering over bijzondere plannen</vet></al><al><vet>Artikel 30 Advisering over plannen betreffende een beschermd
                    monument</vet>1. Indien voor een bouwactiviteit een omgevingsvergunning voor
                    zowel het bouwen als voor het slopen, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen
                    van een beschermd monument benodigd is, vindt advisering op grond van artikel 11
                    van de Monumentenwet geïntegreerd plaats met advisering op grond van artikel 12
                    van de Woningwet.2. De gemeente heeft de welstandscommissie en de
                    monumentencommissie juridisch geïntegreerd zodat deze commissie de bevoegdheid
                    heeft te adviseren op grond van de Monumentenwet en de Woningwet. De commissie
                    brengt een integraal advies uit, waarin echter een duidelijke scheiding is
                    aangebracht tussen het welstandsadvies en het advies ten aanzien van het
                    monument. </al><al><vet>Artikel 31 Advisering bij plannen onder supervisie</vet>1. De gemeente kan
                    voor bepaalde (nieuw te ontwikkelen) gebieden een supervisor aanstellen met als
                    taak de ruimtelijke kwaliteit te stimuleren en planindieners en ontwerpers in de
                    vroege fasen van het planvorming reeds te informeren te begeleiden.2. Bij het
                    aanstellen van een supervisor zal de afdeling Vergunningen en Handhaving zorg
                    dragen voor een heldere taakomschrijving en een goede afstemming tussen
                    supervisie en welstandsbeoordeling. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:
                    de supervisor formuleert de welstandscriteria voor het gebied; de
                    welstandscriteria gelden na vaststelling door de gemeenteraad als leidraad voor
                    de planbegeleiding door de supervisor én als kader voor de welstandsbeoordeling;
                    tijdens het planvormingsproces is de supervisor verantwoordelijk voor tijdige
                    rapportage aan de welstandscommissie. Controversiële kwesties kunnen leiden tot
                    vooroverleg van de welstandscommissie met de ontwerper, de planindiener en/of de
                    supervisor.3. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen vindt de
                    definitieve welstandsbeoordeling door de welstandscommissie plaats waarbij de
                    commissie rekening houdt met wat er tijdens het begeleidingsproces is besproken
                    en besloten. </al><al><vet>Artikel 32 Advisering over ruimtelijke plannen en Beleidsnota’s</vet>1. De
                    welstandscommissie brengt op verzoek van Burgemeester en wethouders advies uit
                    over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen,
                    stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken.2. De
                    welstandscommissie brengt binnen drie maanden schriftelijk advies uit aan
                    Burgemeester en wethouders over de aan haar voorgelegde ruimtelijke plannen en
                    beleidsnota’s.3. In haar advies beperkt de welstandscommissie zich tot de
                    raakvlakken van het betreffende plan of nota met het welstandstoezicht. De
                    welstandscommissie onderzoekt de consequenties van het plan of de nota voor het
                    welstandstoezicht, signaleert eventuele tegenstrijdigheden of hiaten in relatie
                    tot het welstandsbeleid.4. Na vaststelling van het plan of de nota ontvangt de
                    welstandscommissie een definitief exemplaar en een reactie op haar eerder
                    uitgebrachte advies. </al><al><vet>11. Ondersteuning van de welstandscommissie </vet></al><al><vet>Artikel 33 Ondersteuning vanuit de gemeentelijke organisatie</vet>1.
                    Burgemeester en wethouders wijzen een ambtelijk secretaris aan.2. De ambtelijk
                    secretaris ondersteunt de welstandscommissie op zodanige wijze dat deze optimaal
                    kan functioneren bij de uitoefening van haar taken als onafhankelijk
                    adviesorgaan van het gemeentebestuur.3. De ambtelijk secretaris is op geen
                    enkele wijze betrokken bij of verantwoordelijk voor de inhoud van de
                    beraadslagingen en de advisering door de welstandscommissie.4. De ambtelijk
                    secretaris legt over de inhoud van het werk uitsluitend verantwoording af aan
                    welstandscommissie.5. De ambtelijk secretaris legt wat betreft de
                    organisatorische en budgettaire aspecten verantwoording af aan de Burgemeester
                    en wethouders.6. De ambtelijk secretaris is aanwezig bij alle vergaderingen van
                    de welstandscommissie en fungeert als dagelijks aanspreekpunt van de
                    commissie.7. De ambtelijk secretaris onderhoudt de contacten met de ambtelijke
                    diensten (met name afdeling Vergunningen en Handhaving), neemt de advies
                    aanvragen voor bouwplannen in en bereidt de behandeling van de bouwplannen in de
                    welstandscommissie voor. Hij of zij controleert of de bouwplannen (inclusief de
                    bouwplannen die worden aangeboden voor vooroverleg) zijn voorzien van de voor de
                    welstandstoets benodigde bescheiden, zoals omschreven in de Ministeriële
                    Regeling Omgevingsrecht als bedoeld in § 4.2 van het Besluit Omgevingsrecht.8.
                    De ambtelijk secretaris verzorgt de agendering en draagt zorg voor dat de
                    welstandscommissie kan adviseren binnen de voorgeschreven beslistermijn.9.
                    Tijdens de vergadering introduceert de ambtelijk secretaris de bouwplannen. Hij
                    of zij neemt geen deel aan de beoordeling maar informeert de commissie over alle
                    relevante aspecten van het bouwplan.10. De ambtelijk secretaris stelt het
                    schriftelijk welstandsadvies op aan de hand van de bevindingen van de
                    welstandscommissie. Hij heeft geen enkele invloed op de inhoud van geschreven
                    advies.11. De ambtelijk secretaris stelt de vergadernotulen op en zorgt voor de
                    administratieve verwerking van de welstandsadviezen.12. De ambtelijk secretaris
                    maakt de afspraken tussen planindieners en/of ontwerpers en de
                    welstandscommissie.13. De ambtelijk secretaris treed op als gastheer of –vrouw
                    voor planindieners, ontwerpers of andere bezoekers.14. De ambtelijk secretaris
                    verzamelt de kwantitatieve gegevens voor de rapportage van</al><al>Burgemeester en wethouders en neemt deel aan het evaluatiegesprek tussen het
                    gemeentebestuur en de welstandscommissie. </al><al><vet>Artikel 34 Adviseur</vet>1. Indien de aard van een te beoordelen plan dan
                    wel het beleid daartoe aanleiding geeft kunnen Burgemeester en wethouders en de
                    welstandscommissie in overleg treden over de mogelijkheid om op ad hoc of
                    permanente basis specifieke deskundigen als adviseur van de commissie te
                    raadplegen.2. De adviseur is geen lid van de commissie maar wordt voorafgaand
                    aan de beraadslaging in de gelegenheid gesteld zijn of haar visie op het plan te
                    geven. De adviseur neemt geen deel aan de beraadslaging en heeft geen stem in de
                    eindbeoordeling.3. De aanwezigheid van een adviseur wordt altijd vermeld in de
                    vergadernotulen. </al><al><vet>12. vergaderorde</vet></al><al><vet>Artikel 35 Vergadering</vet>1. De welstandcommissie vergadert tenminste om
                    de twee weken volgens een jaarlijks vast te stellen vergaderrooster waarin ook
                    de vergaderlocatie wordt vastgelegd.2. De welstandscommissie kan slechts
                    adviezen uitbrengen indien twee leden of hun plaatsvervangers aanwezig
                    zijn.</al><al><vet>Artikel 36 Stemming</vet>1. Alle aanwezige commissieleden brengen één stem
                    uit omtrent het uit te brengen advies.2. De commissie beslist omtrent het uit te
                    brengen advies bij meerderheid van stemmen.3. Bij staking van de stemmen wordt
                    de zienswijzen van de voor– en tegenstanders schriftelijk aan Burgemeester en
                    wethouders meegedeeld. </al><al><vet>Artikel 37 Vervanging</vet>1. Bij verhindering van de voorzitter kiest de
                    commissie uit de aanwezige leden een voorzitter.2. Bij verhindering van de
                    ambtelijk secretaris wordt deze vervangen door een door burgemeester en
                    wethouders aan te wijzen plaatsvervanger.</al><al><vet>Artikel 38 Onderzoek ter plaatse</vet>1. De welstandscommissie stelt een
                    onderzoek ter plaatse in, indien zij bij beoordeling van een bouwplan van
                    oordeel is dat dit onderzoek redelijkerwijs voor de vervulling van haar taak
                    nodig is. </al><al><vet>Artikel 39 Notulen</vet>1. De ambtelijk secretaris maakt notulen van de
                    vergadering van de commissie.2. De notulen bevatten de samengevatte
                    welstandsadviezen over aan de commissie voorgelegde bouwplannen (zowel de
                    aanvragen omgevingsvergunning voor het bouwen als de principeaanvragen).3. De
                    notulen bevatten tevens een verslag van alle andere gespreksonderwerpen van de
                    welstandscommissie.4. De notulen worden gesplitst in het gedeelte betreffende de
                    behandeling van aanvragen omgevingsvergunning voor het bouwen en het gedeelte
                    betreffende de overige behandelingen en gespreksonderwerpen.</al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>Toelichting Bouwverordening gemeente Veere (incl. 13e serie wijzigingen)(versie
                    geldig vanaf 01-10-2010)Inhoudsopgave</al><al><vet>Hfdst. 1 Inleidende bepalingen </vet>Art. 1.1 Begripsomschrijvingen 1.3
                    Indeling van het gebied van de gemeente</al><al><vet>Hfdst. 2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al>Par. 1 Gegevens en bescheiden</al><al>Art. 2.1.5 Bodemonderzoek Par. 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                    grond Art. 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond 2.4.2 Voorwaarden
                    omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>Par. 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard Art. 2.5.2
                    Anti-cumulatiebepaling 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                    wegverkeer.Brandblusvoorzieningen 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                    gehandicapten</al><al>2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse
                    hoogspanningslijnen enondergrondse hoofdtransportleidingen 2.5.30
                    Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bijof in gebouwen</al><al>Par. 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de
                    waterleiding 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet 2.7.3 Eis tot
                    aansluiting aan het aardgasnet 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                    riolering 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering 2.7.6 Kwaliteit
                    en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</al><al><vet>Hfdst. 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                        ingebruikneming van een bouwwerk </vet>Art. Algemeen</al><al>4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van
                    bouwwerkzaamheden,4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden 4.4 Het
                    uitzetten van de bouw 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start
                    van(onderdelen van) de bouwwerkzaamheden 4.6 Opmetingen, ontgravingen,
                    opbrekingen en onder-zoekingen 4.7 Bemalen van bouwputten 4.8 Veiligheid op het
                    bouwterrein 4.9 Afscheiding van het bouwterrein 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen
                    en het voorkomen van hinder 4.11 Bouwafval 4.12 Gereedmelding van (onderdelen
                    van) de bouwwerk-za¬am¬he¬den 4.14 Verbod tot ingebruikneming</al><al><vet>Hfdst. 5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidinstallaties,
                        aansluiting op de nutsvoorzieningen en hetweren van schadelijk en hinderlijk
                        gedierte</vet></al><al>Par. 1 Staat van open erven en terreinen Art. 5.1.1 Staat van onderhoud van open
                    erven en terreinen 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                    wegverkeer.Brandblusvoorzieningen 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                    gehandicapten</al><al>Par. 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen Art. 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de
                    waterleiding 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet 5.3.3 Eis tot
                    aansluiting aan het aardgasnet 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                    riolering 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>Par. 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid Art. 5.4.1
                    Preventie</al><al><vet>Hfdst. 7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al>Par. 1 Overbevolking Art. 7.1.1 Overbevolking van woningen 7.1.2 Overbevolking
                    van woonwagens en woonketen</al><al>Par. 2 Staken van het gebruik Art. 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
                    7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheiden gebrek aan hygiëne</al><al>Par. 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Art. 7.3.1 Vervallen
                    7.3.2 Hinder</al><al>Par. 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.Reinheid Art. 7.4.1
                    Preventie</al><al>Par. 5 Watergebruik Art. 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al>Par. 6 Installaties Art. 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al><vet>Hfdst. 8 Slopen </vet></al><al>Par. 1 Omgevingsvergunning voor het slopen Art. 8.1.1 Omgevingsvergunning voor
                    het slopen 8.1.6 Weigeren sloopvergunning 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</al><al>Par. 2 Sloopmelding Art. 8.2.1 Sloopmelding 8.2.2 Overige uitzonderingen op het
                    vereiste van sloopvergunning</al><al>Par. 3 Verplichtingen tijdens het slopen 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein
                    8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden 8.3.3 Plichten van de
                    houder van de sloopvergunning 8.3.4 Plichten van degene die sloopt 8.3.5 Wijze
                    van slopen, verpakken en opslaan van asbest Par. 4 Vrij slopen 8.4.1 Sloopafval
                    algemeen</al><al><vet>Hfdst. 9 Welstand </vet></al><al>Art. 9.1 De advisering door de welstandscommissie 9.2 Samenstelling van de
                    welstandscommissie 9.3 Benoeming en zittingsduur 9.4 Jaarlijkse verantwoording
                    9.5 Termijn van advisering 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                    toelichting 9.7 Afdoening bij mandaat 9.8 Vorm waarin het advies wordt
                    uitgebracht 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                    standplaatsen </al><al><vet>Hfdst. 10 Overige administratieve bepalingen </vet></al><al>Art. 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                    anderevoorschriften</al><al><vet>Hfdst. 11 Handhaving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</vet>Art. 11.1
                    Stilleggen van de bouw 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming 11.3
                    Stilleggen van het slopen 11.4 Onderzoek naar een gebrek</al><al><vet>Hfdst. 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al>Wet algemene bepalingenomgevingsrecht12.1 Strafbare feiten 12.2
                    Overgangsbepaling bodemonderzoek 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de
                    staatvan open erven en terreinen 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                    gebruiksvergunning12.5 Overgangsbepaling (aanvragen om) sloopvergunning,
                    sloopmelding 12.1 Strafbare feiten 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek Lijst
                    van vervallen artikelen en vindplaats van de betreffende voorschriften</al><al>Vervallen artikel: voorschriften: zie:</al><al>12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staatvan open erven en terreinen
                    12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning12.5 Overgangsbepaling
                    (aanvragen om) sloopvergunning, sloopmelding Bijlage 5 Activiteiten
                    samenhangende met slopen en bedreigingen</al><al>Bijlage 6 Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve
                    van opsteller van het sloopveiligheidsplan</al><al>Bijlage 7 Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><al>Bijlage 8 Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop</al><al>Bijlage 10 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                    vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al><al>Toelichting op de Model-bouwverordening (MBV) Bijlage 2.</al><al>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>AsbestHet Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder
                    asbest: de vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet
                    (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel
                    (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet
                    (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten
                    zijn verwerkt.Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de daarbij behorende toelichting.</al><al>Regeling omgevingsrecht (Mor)Met de inwerkingtreding van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vervalt het Besluit indieningsvereisten
                    aanvraag bouwvergunning (Biab). Hiervoor komt in de plaats de Regeling
                    omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de indieningsvereisten voor de aanvraag van
                    een omgevingsvergunning.</al><al>Besluit omgevingsrecht (Bor)Bij de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit
                    omgevingsrecht (Bor) vervalt het Besluit bouwvergunningvrije en licht
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). De categorie licht
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken verdwijnt geheel. De vergunningvrije
                    bouwwerken staan in bijlage II van het Bor.</al><al>Bevoegd gezagIn verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en wethouders’
                    gewijzigd in ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de begripsomschrijving voor
                    bevoegd gezag opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst van het
                    gewijzigde artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de Woningwet. De bevoegdheden
                    voor het verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen, als bedoeld in de
                    bouwverordening, blijven gelijk. De meldingen vallen buiten de reikwijdte van de
                    Wabo. Dit betekent dat de sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening
                    niet wordt afgestemd met de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het
                    bouwtoezicht, die moeten worden gedaan door de vergunninghouder, of namens deze
                    door degene die bouwt of sloopt, blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het
                    kader van het Gebruiksbesluit wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar
                    deaanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. In het geval dit bestuursorgaan
                    niet burgemeester en wethouders is, zendt het bestuursorgaan de melding door
                    naar burgemeester en wethouders.</al><al>Bouwbesluit 2003Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van
                    het geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan
                    het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de
                    technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                    opgenomen.</al><al>BouwtoezichtDe Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan
                    burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de
                    woningwet. Op grond van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en
                    wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van
                    het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de
                    Woningwet.Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op
                    rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau).Alle bestuurslagen kunnen in
                    beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de
                    toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen
                    onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al>GebruiksoppervlakteHet begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het
                    Bouwbesluit, artikel 1, lid 2 begripsbepalingen. De gebruiksoppervlakte is van
                    belang bij de bepalingen omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de
                    MBV.</al><al>Bouwwerk en gebouwDe definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt
                    gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term
                    bouwwerk wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de
                    jurisprudentie.De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen
                    gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in
                    artikel 1 van de Woningwet.</al><al>Deskundig bedrijfHet begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de
                    toepassing van hoofdstuk 8 van deze verordening.Het begrip is gekoppeld aan
                    hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van
                    een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het
                    Arbeidsomstandighedenbesluit.Voor een uiteenzetting over de certificering van
                    bedrijven wordt verwezen naar de algemene toelichting op het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. Zie hiervoor www.ascert.nl</al><al>OmgevingsvergunningIn de MBV worden de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het
                    bouwen’ en ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ gebruikt voor de in de
                    begripsomschrijving genoemde activiteiten. Uiteraard bestaat maar één
                    omgevingsvergunning, geen twee</al><al>Vergunningvrij bouwenMet de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend
                    gewijzigd.Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is
                    vereist staat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is
                    gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningvrije en licht
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).Op hoofdlijnen omvat de verruiming van
                    het vergunningvrije bouwen de volgende onderdelen:- De categorie lichte
                    bouwvergunning komt te vervallen. Een activiteit, zoals het bouwen, is nu
                    vergunningvrij of vergunningplichtig;- De categorie ‘omgevingsvergunningvrije’
                    bouwwerken wordt verder verruimd waarbij twee categorieën vergunningvrij bouwen
                    worden onderscheiden: 1. een categorie waarop de bebouwingsregeling van het
                    bestemmingsplan of de beheersverordening (of andere planologische regelingen)
                    wel van toepassing is (art. 3) en 2. een categorie waarop de bebouwingsregeling
                    van het planologisch regime niet van toepassing is. Een en ander hangt samen met
                    het in de Wabo opgaan van planologische afwijkingsbesluiten;- Alle uitbreidingen
                    van en bijgebouwen bij een hoofdgebouw worden onder een nieuw begrip
                    ‘bijbehorend bouwwerk’ gebracht;- Vergunningvrij bouwen wordt mogelijk bij alle
                    typen gebouwen (was alleen bij woningen en woongebouwen);- Vervallen maximale
                    maatvoering van 2,5 m voor diepte van een aan- of uitbouw;- Bouwen in, aan, op
                    of bij een monument blijft vergunningplichtig;</al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeenteAlgemeenSinds 1 juli 2008
                    geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de daarvoor geldende
                    Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de nieuwe wet ook een
                    bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom.Ook bestaat de
                    mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor het betreffende
                    gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een beheersverordening vervangt
                    een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht dient uiterlijk op 1 juli 2013
                    een bestemmingsplan nieuwe stijl of beheersverordening te gelden voor alle
                    gebieden van de gemeente.De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de
                    stedenbouwkundige bepalingen voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt.
                    Artikel 9 van de Woningwet bevat een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan
                    en bouwverordening. Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor de
                    bebouwde kom van kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het
                    vaststellen van een bestemmingsplan voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben
                    voor dit artikel en de daarop gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde
                    kom een bestemmingsplan wordt vastgesteld, dient te worden bezien of en in
                    hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet worden afgestemd of
                    wellicht overbodig is geworden.Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor
                    verschillende gebieden binnen de gemeente een ander alternatief uit de MBV vast
                    te stellen met voor elk gebied een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook
                    paragraaf 2.5 van deze toelichting.In de gemeente Veere is geen - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en is ook
                    geen gebied vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>AlgemeenRegeling omgevingsrecht.In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen
                    verzameld die betrekking hebben op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor
                    het bouwen. De indieningsvereisten staan in de Regeling omgevingsrecht. Deze
                    Regeling vervangt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning.</al><al>Wet BIBOBDe Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
                    (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180
                    zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat
                    na ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door
                    het bevoegd gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitadvies
                    wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie
                    van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de
                    aanvrager -zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de
                    gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor
                    het bevoegd gezag aanleiding zijn deomgevingsvergunning te weigeren.Het vragen
                    van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een advies bij het
                    Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van de
                    aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met maximaal acht weken
                    op.</al><al>AwbDe Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het
                    rechtsverkeer tussen burger en overheid.Ook de rechtsbescherming tegen besluiten
                    van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van
                    besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de
                    gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure
                    (uov) van toepassing is.</al><al>WroOp 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                    vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).De Invoeringswet Wro gaf
                    aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele
                    stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft
                    het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor
                    voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de
                    bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een
                    even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan
                    worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat
                    de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan.
                    De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde
                    probleem is opgelost.</al><al>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het
                    bouwenDe aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van
                    art. 3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken
                    bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond
                    van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                    beoordeling van het ingediende bouwplan.De gegevens die de gemeente inwint op
                    grond van de Wet BIBOB liggen niet ter inzage. Deze gegevens hebben een
                    persoonlijk karakter. Zij betreffen de antecedenten van de aanvrager, van degene
                    die bouwt en van degene die in het te bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten
                    onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig voor misbruik en liggen niet ter
                    inzage.</al><al>WaboDe Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                    omgevingsvergunning. De bouwvergunning en de sloopvergunning op grond van
                    hoofdstuk 8 MBV maken deel uit van de omgevingsvergunning en worden in de MBV
                    aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1 Wabo) en
                    omgevingsvergunning voor het slopen (art. 2.2, lid 1, onder a. Wabo). De Wabo
                    heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De
                    MBV is met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde
                    behandeling van een vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals bekend
                    onder de Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van de
                    omgevingsvergunning.</al><al>Voorwaarden voor bouwafval in de omgevingsvergunning voor het bouwenAan de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen voorwaarden worden verbonden over de
                    wijze van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en
                    over het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden
                    dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11.Veelal is het nodig
                    voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke (chemische) stoffen niet bij
                    elkaar mogen.Een voorwaarde voor de opslag kan betreffen het in een afgesloten
                    ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en de afvoer kan gedacht worden aan
                    een voorwaarde voor de verpakking.</al><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheidenArtikel 2.1.5 BodemonderzoekInleidingDe
                    artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat
                    niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot
                    bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting
                    geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van
                    toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit
                    de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.De hierna vermelde toelichting per
                    artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat
                    vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in
                    combinatie met elkaar te lezen.</al><al>Lid 1Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het
                    milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt
                    uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het
                    formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het
                    terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid
                    uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het
                    derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het
                    verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest
                    in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in
                    grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.Niet
                    langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een beoordeling
                    van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit
                    beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en
                    waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of
                    dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                    organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft
                    uitbesteed.</al><al>Lid 3In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                    bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. De afwijking vindt plaats door deze op
                    te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het
                    afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                    omgevingsvergunning te regelen.</al><al>Lid 4Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn,
                    van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze
                    categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht
                    tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid
                    ontwikkelen.</al><al>Lid 5De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek
                    plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten
                    gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet
                    wordt gesignaleerd.Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet
                    altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                    bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen
                    worden ingediend.</al><al>Lid 6In verband met echtheid van de stukken dient in 2-voud een papieren
                    exemplaar van het bodemonderzoeksrapport te worden ingediend.Het digitale
                    bestand in pdf dient voor opname in het gemeentelijke GISBIS.Sikb-101xml
                    (recentste versie) maakt het mogelijk om de gegevens te kunnen inlezen in het
                    gemeentelijke GISBIS. Bovenstaande maakt uitwisselbaarheid van de gegevens op
                    provinciaal en landelijk niveau mogelijk. Tevens zijn de gegevens via websites
                    te raadplegen.</al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</al><al>AlgemeenIn het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan.De
                    indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan
                    in de Regeling omgevingsrecht.De structuur is als volgt:- Bij de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de
                    bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling
                    omgevingsrecht.- Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en
                    bescheiden waarover het bevoegd gezag reeds beschikt, niet opnieuw behoeven te
                    worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in
                    de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als
                    archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de
                    Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel
                    gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en
                    bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze reeds in
                    het bezit van het bevoegd gezag zijn. - Indien blijkt dat de ingediende
                    bescheiden (waaronder het bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek
                    niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de
                    vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb in
                    de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. - Indien de aard
                    van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag in een
                    voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en
                    bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden
                    begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding
                    welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht.
                    De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het
                    milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. Met de
                    inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze wet
                    verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en
                    sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo</al><al>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensenWat verstaan moet worden onder
                    'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven'
                    wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet
                    inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809,
                    nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende
                    enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te
                    geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur
                    van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee
                    of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één
                    dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.Gebouwen
                    voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land-
                    en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals
                    elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden
                    in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet
                    voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in
                    deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten
                    van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden,
                    maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het
                    verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-
                    1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt
                    dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder
                    het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt,
                    terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.</al><al>Bouwwerken die de grond niet rakenHierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en
                    het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van
                    toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen,
                    werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld.
                    Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter
                    onverminderd bodemonderzoek worden geëist.</al><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                    bodemverontreinigingBurgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag voor de
                    vraag of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd.
                    Al dan niet onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden
                    getroffen.Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                    gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten die daartoe
                    zijn aangewezen (zie website ministerie VROM site:
                    www.vrom.nl/pagina.html?id=24354&amp;term=wet+bodembescherming; Besluit
                    aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming) volgens de Wet
                    bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen.</al><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijkIndien noch uit een bodemonderzoek
                    noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op
                    de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van
                    verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een
                    verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de
                    gebruikers van het bouwwerk.Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan
                    kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde
                    voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2
                    van MBV.Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwenNiet ernstige
                    gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag
                    toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad, zijn meestal
                    overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van
                    saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingprobleem
                    kan worden ondervangen.In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie,
                    dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen.In de voorwaarden van de omgevingsvergunning
                    voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet
                    worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden
                    valt te denken aan:- de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en
                    dampremmende laag wordt aangebracht;- de voorwaarde, dat een bepaald deel van de
                    bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone
                    bodemlaag; - de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het
                    grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming
                    van het bouwwerk in stand wordt gehouden.Er wordt op gewezen, dat sanering in
                    deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager
                    zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                    het bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze
                    de sanering denkt te laten plaatsvinden.Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van
                    een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel
                    worden afgedaan.</al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                    bereikbaarheidseisen</al><al>AlgemeenOp 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                    vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf
                    aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele
                    stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft
                    het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor
                    voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de
                    bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een
                    even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan
                    worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolghiervan is dat de
                    stedenbouwkundige voorschriften van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog
                    blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan
                    totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die
                    dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn
                    geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening
                    terug (art. 9 Woningwet).</al><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplanArtikel 9 van de
                    Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze paragraaf van de MBV
                    alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden is, of indien het
                    desbetreffende bestemmingsplan niet vergelijkbare voorschriften van
                    stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een slechts ten dele
                    goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud bestemmingsplan
                    of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen
                    of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de
                    MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2
                    (slot): '..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.' Het
                    primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg
                    van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt
                    duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is van
                    onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten worden. Is
                    een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige bepalingen
                    (inclusief het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het bestemmingsplan
                    aan.Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de
                    bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden
                    uitgevoerd:a. bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een
                    onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord
                    ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of, b. het
                    bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien van het
                    desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp expliciet
                    uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte
                    te worden bezien of, c. de voorschriften van de bouwverordening niet
                    overeenstemmen met de voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat
                    aanvullende werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                    gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel
                    teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende werking van de
                    bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te
                    worden afgewezen.</al><al>Wet ruimtelijke ordening (Wro)De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen
                    voor paragraaf 2.5. van de bouwverordening. In de algemene toelichting bij
                    hoofdstuk 2 onder Wro is hierop ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van de
                    artikelen 3.5.3 (Bereikbaarheid bouwwerken voor wegverkeer;
                    brandblusvoorzieningen), 2.5.3A ( Bereikbaarheid van gebouwen voor
                    gehandicapten) en 2.5.30 (parkeren) wijzen wij op het uitstel van de
                    inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid Invoeringswet Wro. Zoals uit de
                    eerder vermelde toelichting blijkt, blijven deze artikelenvooralsnog in de MBV
                    bestaan.</al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepalingDeze bepaling dient om te voorkomen dat,
                    indien in de bouwverordening dan wel in een bestemmingsplan bij een bepaald
                    gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het
                    beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis
                    wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te
                    hebben.</al><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</al><al>Lid 1Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het
                    verblijf van mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's
                    niet alleen gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen
                    gebouw zijnde, zoals de tribunes van sportvelden.Indien de maat in het eerste
                    lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt bepaald, dan correspondeert deze
                    metde maat, bij overschrijding waarvan - ingevolge artikel 5, lid 4 van de
                    Postregeling 2009 dat op artikel 20 van de Postwet 2009 berust - een brievenbus
                    aan het tuinhek moet worden aangebracht in plaats van aan de voordeur, een zgn.
                    buitenbus. De maat van 10 meter verdient uit een oogpunt van brandbestrijding
                    eveneens de voorkeur, omdat anders de lengte van de blusslangen te groot
                    wordt.Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in
                    de zin van het eerste lid, moet de omgevingsvergunning voor het bouwen worden
                    geweigerd. Eventueel kan de omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend
                    met de voorwaarde dat met bouwen pas mag worden begonnen, wanneer de
                    totstandkoming van een weg die aan de eisen voldoet, voldoende is gewaarborgd.
                    Een en ander kan betekenen dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen eerst moet zorgen dat hij beschikt over een toestemming tot aanleg van de
                    verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op het wegennet.</al><al>Een publiekrechtelijke regeling (met een meldingsplicht voor het aanleggen van
                    wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene
                    plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke
                    toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke toestemming tot uitwegen
                    is - gelet op artikel 14 van de Wegenwet - niet nodig voor het aansluiten, c.q.
                    uitwegen op openbare wegen.</al><al>Lid 2De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik
                    door gangbare vrachtauto's, zoals verhuisauto's, vuilnisauto's, brandweerauto's
                    e.d., zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De eis voor het
                    draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een sloot of iets
                    dergelijks s eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde gangbare
                    vrachtauto's.</al><al>Lid 4Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden
                    aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk.Zulke opstelplaatsen
                    behoeven echter niet te worden verhard, indien de plaatselijke brandweer
                    overblusvoertuigen voor terreingebruik beschikt.</al><al>Lid 5De openbare bluswatervoorziening is geregeld op grond van artikel 1 van de
                    Brandweerwet 1985. B&amp;W hebben de zorg voor de openbare (brand)veiligheid en
                    zijn op grond van deze wet verantwoordelijk voor de openbare
                    bluswatervoorziening. De gemeente zelf moet hierin voorzien.In de
                    bouwverordening staat dat bij gebrek aan een openbare bluswatervoorziening (de
                    bouwer) moet zorg dragen voor een niet openbare bluswatervoorziening. Te denken
                    valt aan een huisje op de hei. In zo'n geval kan van de gemeente geen
                    bluswaterleiding worden gevraagd, dit gaat de zorgplicht te boven. De bouwer
                    moet dit zelf regelen.</al><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicaptenHet onderhavige
                    artikel is complementair aan de bepalingen van het Bouwbesluit die betrekking
                    hebben op de toegankelijkheid van gebouwen. In genoemde bepalingen is tevens
                    geregeld, wanneer de eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet
                    beschikken.</al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerkenDeze bepaling is bedoeld om het ontstaan
                    van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende
                    terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen
                    geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te
                    plaatsen als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren.
                    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid, indien de smalle open ruimte voldoende voor
                    onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening
                    in de zijgevel van het gebouw.</al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransportleidingenHet eerste lid strekt tot bescherming van het
                    vergunningplichtige bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers
                    daarvan. Het tweede lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse
                    hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas,
                    olie, chemische producten e.d. Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te
                    kunnen bepalen in hoeverre het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het
                    artikel geredigeerd als een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken.
                    Redenen om af te wijken zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de
                    veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van storingen
                    in de goede werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en
                    deaanwezigheid van het bouwwerk.Indien het onderhavige artikel moet worden
                    toegepast, verdient het aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de
                    hoogspanningslijn of de hoofdtransportleiding.Langs privaatrechtelijke weg heeft
                    menige eigenaar / beheerder een recht van opstal gevestigd, als bedoeld in
                    artikel 5, lid 3, sub b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft
                    dit een gebied van 2 x 30 meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag
                    worden gebouwd, met uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties
                    e.d.Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een
                    dergelijk recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt
                    de daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een
                    bestemmingsplan geen betekenis.In veel bestemmingsplannen zijn voor
                    uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen
                    overlappen.</al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen</al><al>AlgemeenMet de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                    parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking
                    hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8,
                    vijfde lid van de Woningwet vervalt.In verband met wetstechnische problemen is
                    besloten dit deel van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen
                    treden. Een nieuwe datum van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat
                    onder meer het ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook
                    indien op grond van de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin
                    niet is voorzien in een regeling over het parkeren.</al><al>Lid 1Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te
                    overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per
                    omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van onder
                    meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten
                    aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van
                    openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers
                    gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens
                    is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals
                    dat is neergelegd het lokale verkeer- en vervoerplan.Voor kencijfers betreffende
                    in het algemeen aanbevelenswaardige minimum aantallen parkeerplaatsen,
                    uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de
                    uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV
                    2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en
                    Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting
                    CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een
                    verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het
                    bouwen worden bepaald. Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan,
                    zoals gezegd, per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een
                    verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige
                    lid is - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit
                    in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om
                    in een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking
                    naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar
                    vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 2Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze
                    voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte
                    naleving van lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op
                    eigen terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door
                    alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te
                    maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden -
                    artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het
                    Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                    bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van
                    maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende
                    maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en
                    stoklopers.</al><al>Lid 3De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 4, ad aDe mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in
                    afwijking van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende
                    omvang op eigen terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor
                    omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden.
                    Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden worden gesteld.</al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleidingDe plicht tot aansluiting
                    aan het distributienet van de waterleiding houdt niet in dat het
                    waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is en evenmin voor
                    de aangeslotene de plicht tot het betrekken van drinkwater. De plicht tot
                    aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts de verplichting in tot het
                    doen treffen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater
                    mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is afhankelijk van een met het
                    waterleidingbedrijf te sluiten contract. De voorwaarden waaronder dit contract
                    wordt gesloten, zijn veelal vervat in een afzonderlijke verordening op de
                    levering van drinkwater. In feite zal deaansluiting ook veelal door het
                    waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen de aansluiting van de
                    binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de levering van drinkwater vaak
                    in hetzelfde contract zijn geregeld. Overigens moet men zich realiseren dat het
                    onderhavige voorschrift geen aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt
                    in geval een binnenhuisinstallatie voor drinkwater - als bedoeld in het genoemde
                    artikelnummer van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepaling van het Bouwbesluit ertoe leidt dat
                    het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                    drinkwater wordt toegestaan.Voor de wijze van meten van de afstand tot de
                    dichtst bij zijnde leiding van het openbare distributienet, zie artikel
                    2.7.7.</al><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                    kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid. Zie
                    voorts de toelichting op artikel 2.7.1. Hetgeen daar is gesteld over de
                    waterleiding geldt mutatis mutandis voor de aansluiting aan het
                    elektriciteitsnet’</al><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>Lid 1De niet-vantoepassingverklaring is bedoeld voor woningen, waarin niet op
                    gas wordt gekookt en voor verwarming geen individuele toevoer van gas nodig is.
                    In de praktijk betreft dit vaak woningen voor ouderen of gehandicapten, waar
                    wordt aangenomen dat elektrisch koken veiliger is dan op gas koken.</al><al>Lid 2, onder bHet verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid is denkbaar voor koopwoningen, indien de
                    eigenaar-bewoner geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot
                    hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad
                    geschiktheid van de woning voor het stoken en koken op de meest economische
                    brandstof noodzakelijk acht.</al><al>Lid 2, onder cVan het bepaalde in het eerste lid hoeft niet afgeweken te worden
                    bij woningen die worden aangesloten op de stads-, wijk- of blokverwarming,
                    indien een gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op
                    aardgas.Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening
                    voor verwarmingKostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject
                    kunnen botsen met de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is
                    een titel gewenst om de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te
                    kunnen afdwingen, ook al is er reeds voorzien in een aansluiting op het
                    aardgasnet.</al><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>AlgemeenDe gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het
                    doelmatig transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen,
                    is neergelegd in artikel 10.33 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, de
                    Wet Milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Waterwet richten zich op de
                    lozers van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van deze
                    regelgeving. Voor een uitgebreidere uiteenzetting verwijzen wij naar het
                    Handboek Water: www.infomil.nl/handboekwater.Met het oog op vermindering van de
                    belasting van het milieu en van het bestaande rioleringsnet kan in bepaalde
                    gebieden of in een hele gemeente verplicht worden gesteld dat hemelwaterafvoer
                    wordt afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel. Deze plicht is niet gebaseerd
                    op de bouwverordening, maar staat in een afzonderlijke gemeentelijke
                    verordening. De VNG heeft hiervoor de Modelverordening afvoer hemelwater en
                    grondwater opgesteld en per ledenbrief van 16 juli 2009, Lbr. 09/091 aan de
                    gemeentebesturen toegezonden. Deze verordening is gebaseerd op artikel 10.32a
                    van de Wet milieubeheer. Binnen de gemeente Veere blijft de afkoppeling van
                    hemelwater in de bouwverordening geregeld.</al><al>Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel 2.7.4
                    van de MBV. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in artikel
                    5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 2.1 van de Wabo
                    gegeven vergunningplicht voor het bouwen en het herziene artikel 13 van de
                    Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te verplichten om aan
                    te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de openbare riolering en het
                    dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of minder bedraagt.</al><al>Vanaf begin 2008 worden lozingen zoveel mogelijk geregeld met algemene regels
                    (amvb’s). Deze amvb’s zijn gebaseerd op bovengenoemde wetten en regelen alle
                    lozingsroutes: rioolstelsels, oppervlaktewater en bodem. Dit betreft drie
                    amvb’s, die zich richten tot een bepaalde doelgroep:1. Het besluit lozing
                    afvalwater huishoudens (Stb. 2007, 468), dat uitsluitend van toepassing is op
                    lozingen vanuit particuliere huishoudens,2. het Activiteitenbesluit (Stb. 2007,
                    415), dat zich richt tot inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, en 3.
                    het Besluit lozen buiten inrichtingen (Scr., 2009, 12902) waarin het grootste
                    deel van de resterende lozingen in geregeld worden. Dit besluit is nog in
                    ontwerp en zal in 2010 van kracht worden. Een aantal lozingen, met name die van
                    grotere bedrijven, worden nog geregeld met vergunningen. Bij lozing in het
                    oppervlaktewater is dat de watervergunning, bij lozing in het riool de
                    Wabo-vergunning. Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de
                    omvang van de lozing) staan de besluiten een directe lozing in het
                    oppervlaktewater of de bodem toe. In deze besluiten zijn de voorwaarden voor
                    deze lozingen opgenomen, voor kleinschalige lozingen van huishoudelijk
                    afvalwater kan dan bijvoorbeeld een Iba (Individuele Behandeling van Afvalwater)
                    worden toegepast.</al><al>Lid 1In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dient de afvoerleiding
                    het huishoudelijk afvalwater te worden aangesloten op het vuilwaterriool. De
                    afvoer van het hemelwater van dak en terrein kan afhankelijk van het
                    gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP),
                    geloosd worden in het oppervlaktewater, de bodem of een speciaal daartoe
                    aangelegd hemelwaterstelsel. De voorwaarden waar deze lozingen aan moeten
                    voldoen staan in de hiervoor genoemde besluiten onder ‘Algemeen’.Vooruitlopend
                    op de ontwikkelingen in de toekomst moet bij nieuwbouw altijd een gescheiden
                    rioolstelsel aangebracht worden. De aanvrager van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen kan de onder b genoemde uitzondering op de aansluitplicht aan het
                    gemeenteriool bovendien (laten) gebruiken om het hemelwater op te slaan en in
                    het kader van het duurzaam bouwen te consumeren, waar drinkwater niet
                    noodzakelijk is, zoals voor de toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van
                    de tuin. Zie bijvoorbeeld in de losbladige uitgaven van het Nationaal pakket
                    Duurzaam bouwen, uitgegeven en regelmatig herzien door de Stichting Bouwresearch
                    (SBR) te Rotterdam, specificatieblad S 445.</al><al>Lid 2 en 3Bij hemelwater afkomstig van daken en niet verontreinigde oppervlakken
                    moet eerst onderzocht worden of het water op de volgende manieren afgevoerd kan
                    worden:- naar oppervlaktewater;- infiltratie in de bodem (indien de bodem
                    daarvoor geschikt is); - aansluiten op een gescheiden stelsel. Indien dit niet
                    mogelijk is, kunnen de beide stelsels gekoppeld worden. Onder niet
                    verontreinigde gevallen vallen bijvoorbeeld dakoppervlakken, terrassen,
                    tuinpaden, etc. Voor lozing op oppervlaktewater is echter een vergunning vereist
                    op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet veront¬reiniging
                    oppervlakte¬wateren.</al><al>Lid 4Op grond van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater en het
                    Lozingenbesluit bodembescher¬ming zijn nieuwe lozingen van (huishoudelijk)
                    afvalwater op oppervlaktewater altijd vergunningplichtig. Aanvragen op grond van
                    de Wvo worden behandeld door het Waterschap. Indien geen vergunnning verleend
                    wordt of overeenstemming bereikt wordt over de wijze van lozing kan er een
                    probleem ontstaan wanneer de bouwvergunning toch verleend zou worden. Daarom
                    dient er vooraf duidelijkheid over de lozingssituatie te zijn. Indien niet
                    voldaan is aan het gestelde in dit lid is er een weigeringsgrond voor de
                    aanvraag om bouwvergunning.</al><al>Lid 5, onder aVoor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire
                    toestellen bevin¬den, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                    rioolwater¬pomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan
                    tevens voorzie¬ningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden getroffen,
                    waarbij moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van
                    aangroeiing meestal een onvoldoende voorziening is.</al><al>Lid 5, onder bIngevolge de Wet milieubeheer, laatst gewijzigd per 1 maart 1996,
                    geldt als hoofdregel dat het verboden is om afvalwater op een openbaar riool te
                    lozen. Uitzonderingen gelden voor:a afvloeiend hemelwater;b huishoudelijk
                    afvalwater dat afkomstig is van normaal huishoudelijk gebruik;c
                    bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk afvalwater
                    en dat afkomstig is van normaal huishoudelijk gebruik.Voor lozingen die niet
                    onder deze uitzonderingen vallen, gelden standaard¬voorschriften krachtens de
                    Wet milieubeheer of een vergunningsvereiste op grond van die wet. Indien zelfs
                    afscheiding, verdunning, voorzuivering, koeling of dergelij¬ke niet tot het
                    gewenste resultaat leiden, of de af te voeren hoeveelheden zo groot zijn dat
                    verstoring van de goede werking van de openbare riole¬ring of de
                    zuiveringsin¬stallatie te verwachten is, kan worden geëist dat op andere wijze
                    wordt geloosd dan op het openbaar riool.</al><al>Lid 5, onder cDe plaats van de koppeling moet in overleg met het bouwtoezicht
                    gebeuren. In de regel zal de plaats van koppeling zo dicht mogelijk bij de
                    perceelsgrens aan de zijde van het riool moeten plaatsvinden.</al><al>Lid 6In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is bepaald wat het
                    bevoegd gezag is ten aanzien van de geldende of te stellen
                    lozingsvoor¬schriften. In het algemeen zijn dit voor de complexe categorieën
                    bedrijven niet langer burgemeester en wethouders, zoals tot 1 maart 1996 het
                    geval was onder de werking van de toenmalige gemeentelijke lozingsverordeningen
                    riolering.</al><al>Lid 7 Indien bij een agrarisch bedrijf waar men de afvalstoffen voor
                    bedrijfs¬doeleinden kan gebruiken, een voldoende ruime gier- of beerput wordt
                    gemaakt, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing van de verplich¬ting tot
                    aansluiting aan het openbare riool verlenen. Een andere mogelijkheid is het
                    lozen in een gesloten bak, die regelmatig naar een plaats op hert riool moeten
                    worden afgevoerd.</al><al>Lid 5 Naast het geven van aanwijzingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn
                    van de te realiseren aasluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk
                    bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift bevoegd:a. om te verbieden
                    dat een hemelwaterafvoer op een druk- of vacuümriolering wordt aangesloten;b. om
                    te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd voor
                    enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de vuilwaterafvoer, indien in het
                    desbetreffende deel van de gemeente een gescheiden gemeentelijk rioolstelsel
                    aanwezig is.</al><al>Lid 6Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen
                    bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                    rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan tevens
                    voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden getroffen, waarbij
                    moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van aangroeiing
                    meestal een onvoldoende voorziening is.</al><al>Bij het tussenschakelen van voorzieningen nodig voor de goede werking van het
                    riool kan worden gedacht aan terugslagkleppen, ontluchting e.d. Door de 'hogere
                    regelgeving' – hiervoor genoemd onder ‘Algemeen’ - is nog meer dan voorheen
                    duidelijk dat de bouwverordening niet gaat over het lozen, maar uitsluitend over
                    de aansluitplicht.</al><al>Lid 7 onder aDeze lozingen in oppervlaktewater of bodem zijn geregeld in
                    bovenstaande besluiten. In bepaalde gevallen, genoemd in die besluiten, moet
                    gemeld worden.</al><al>Lid 7 onder bHet bevoegd gezag kan afwijking toestaan van de verplichting tot
                    aansluiting aan het openbare riool. Een gebruikelijke praktijk bij agrarische
                    bedrijven is dat het huishoudelijk afvalwater geloosd wordt in de mestkelder en
                    gezamenlijk met de mest wordt uitgereden over het land onder de
                    meststoffenregelgeving.</al><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>Lid 2, onder bDe voorgeschreven verplichting om het hemelwater niet op
                    traditionele wijze af te voeren naar het gemeenteriool of naar oppervlaktewater,
                    maar naar een op het eigen erf of terrein aan te leggen opvang- en
                    bezinkingsvoorziening, berust op milieuhygiënische overwegingen ('duurzaam
                    bouwen'). Hiermee wordt beoogd om het hemelwater aan de bodem toe te voegen om
                    op deze wijze zo veel mogelijk bij te dragen aan de instandhouding van het
                    grondwaterpeil en het tegengaan van verdroging van het milieu.Afhankelijk van de
                    grootte van het erf en de bodemgesteldheid ter plaatse kan bedoelde
                    infiltratievoorziening bestaan uit een in de grond aangebrachte infiltratieput,
                    een drainage, een grindbak, een bezinkingsvijver of een daarmee gelijk te
                    stellen voorziening. Richtlijnen voor dergelijke voorzieningen kunnen worden
                    ontleend aan ISSO-publicatie nr. 70-1, Hemelwater binnen de perceelsgrens -
                    Ontwerp en uitvoering van voorzieningen ten behoeve van opvang, gebruik en
                    infiltratie van hemelwater binnen de perceelsgrens,
                    (www.isso.nl/producten/isso-winkel/).De aanvrager van de omgevingsvergunning
                    dient van tevoren te (laten) onderzoeken welke van de genoemde
                    infiltratievoorzieningen, gelet op de ter plaatse aanwezige bodemgesteldheid en
                    grondwaterstand, voor zijn bouwplan geschikt is. Bij het ontwikkelen van een
                    bestemmingsplan of grootschalig bouwproject zal een dergelijk onderzoek in de
                    praktijk reeds in het kader van het vooronderzoek door de projectontwikkelaar
                    zijn verricht en/of kunnen de uitkomsten van gemeentewege beschikbaar worden
                    gesteld.</al><al>Lid 3, onder bOm verzakking van de te stichten of reeds aanwezige bouwwerken,
                    alsmede wateroverlast voor de belendende percelen te voorkomen moet de
                    infiltratievoorziening voor hemelwater zodanig op het eigen erf kunnen worden
                    gesitueerd dat voldoende afstand tot genoemde bouwwerken en de perceelgrenzen in
                    acht wordt genomen. Die afstand is geen vast gegeven, maar hangt af van de
                    hoeveelheid te lozen hemelwater in relatie tot de aard van de
                    infiltratievoorziening en de bodemgesteldheid ter plaatse. Op grond van de ter
                    zake overgelegde of bij de gemeente aanwezige gegevens kan het bevoegd gezag
                    afwijking toestaan van de verplichting tot het aanbrengen van een
                    infiltratievoorziening, indien de bodemgesteldheid, de grondwaterafvoer en/of de
                    geringe afmetingen van het erf daartoe aanleiding geven. Bij de keuze van een
                    meer traditionele wijze van hemelwaterafvoer is overigens van belang dat
                    terwille van eengoede werking van een rottingsput (septic tank) daarop geen
                    afvoerleidingen voor hemelwater mogen worden aangesloten.</al><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en
                    terreinen</al><al>Lid 3In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een
                    gemeentelijk rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt
                    afgevoerd, moet er - met het oog op het in goede staat houden van dat
                    rioolstelsel en de goede werking van de zuiveringsinstallatie - op worden
                    toegezien dat er in de huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d.
                    voorkomen.</al><al>Lid 4Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                    praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                    onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                    verschenen. Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 2007, 'Binnenriolering
                    in woningen en woongebouwen – Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts
                    toepasbaar is op binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat
                    de dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en anderzijds de
                    daarop aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet
                    zijn. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de 'huis'-aansluitleidingen van niet
                    tot bewoning bestemde gebouwen.</al><al>Lid 5De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                    huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                    rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                    voorgeschreven.</al><al>Lid 6Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                    NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met
                    overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband daarmee
                    vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.</al><al>Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                    ingebruikneming van een bouwwerkAlgemeenDit hoofdstuk bevat een serie
                    uiteenlopende plichten die in tegenstelling tot de voorgaande hoofdstukken geen
                    betrekking hebben op de vergunning(procedure), maar uitsluitend op de fasen van
                    bouwen, voltooien en in gebruik nemen van een bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en
                    met 4.11 en 4.13 hebben betrekking op alle bouwactiviteiten, dus zowel
                    vergunningvrij als vergunningplichtig.Artikel 7b Woningwet bevat verplichtingen
                    in de vorm van algemene verbodsbepalingen met betrekking tot de voorschriften
                    uit de bouwverordening die van toepassing zijn op onder meer het bouwen en het
                    gebruik van een bouwwerk of een open erf of terrein. In de artikelen 2.1., 2.2
                    en 2.3 van de Wabo staat (onder meer) het verbod te bouwen zonder of in strijd
                    met een voorschrift van de omgevingsvergunning. Voorts kan worden opgetreden
                    tegen de instandhouding van een (deel van een) bouwwerk dat is gebouwd zonder of
                    in afwijking van een omgevingsvergunning.</al><al>Structuur van de voorschriftenHet merendeel van de voorschriften in dit
                    hoofdstuk betreft preventieve handelingen of het nalaten van handelingen
                    teneinde (tijdige) controle door het bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken.
                    Dit betreft de artikelen 4.1 tot en met 4.6 en 4.13.Andere bepalingen van dit
                    hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van nadelige effecten van het bouwen op
                    de omgeving (bijv. veiligheid, grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein)
                    in casu de artikelen 4.7 tot en met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek
                    gericht op het bouwafval.Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met
                    artikel 4.12 over de gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een
                    bouwwerk wordt geregeld in artikel 7b Woningwet jo 4.14 MBV.De
                    veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden ingevolge
                    artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein.</al><al>Handhaving van de voorschriftenDe voorschriften uit dit hoofdstuk zijn op grond
                    van artikel 7b van de Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de
                    algemene toelichting bij Hoofdstuk 11.Het niet verrichten van opmetingen,
                    ontgravingen enz. als bedoeld in artikel 4.6 kan grond zijn voor het toepassen
                    van bestuursdwang.Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de
                    omgeving. Deze bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden.
                    Daarvoor gelden andere regels en met de handhaving daarvan is de
                    Arbeidsinspectie belast.</al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheidenHoewel de instantie
                    die toeziet op de naleving van verleende vergunningen op de hoogte kan zijn van
                    de inhoud van deze bescheiden is toch de plicht opgenomen om op het bouwterrein
                    deze bescheiden aanwezig te hebben en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage
                    te geven. Het verplicht aanwezig zijn van deze bescheiden voorkomt discussie
                    over wat in die bescheiden is voorgeschreven. De tekst is immers voorhanden en
                    voorkomt dat de uitvoerder op het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden
                    niet te kennen.</al><al>Sub aOnder het begrip ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ in de zin van dit
                    artikel vallen tevens de bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen,
                    berekeningen e.d., die niet strijdig zijn bevonden met de voorschriften en dus
                    moeten worden gehanteerd bij de bouwwerkzaamheden.</al><al/><al>Sub bDeze toestemmingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze bouwkundige
                    consequenties hebben. Deze vergunningen kunnen betrekking hebben op bij
                    voorbeeld beschikkingen van de rijks- of provinciale overheid.</al><al>Sub dHet aanwezig hebben van een besluit ingevolge de artikelen 13, 13a en 14,
                    tweede lid, onder b. van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom is nodig, omdat voor
                    bouwen op grond van deze besluiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is
                    vereist (art. 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en art. 2.1, derde
                    lid van de Wabo). Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet
                    ingevolge artikel 8.3.2 ook de sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein
                    aanwezig zijn.</al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouwDe woorden 'voor zover nodig' zijn
                    opgenomen, omdat er ook gevallen voorkomen, waarin geen behoefte bestaat aan het
                    aangeven van de rooilijnen, bij voorbeeld bij een verbouwing.</al><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamhedenDe strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te
                    geven tot tijdige controle.</al><al>Lid 1, sub aIndien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd, verdient het
                    aanbeveling het regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te
                    lichten ter voorkoming van schade aan leidingen. Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet
                    Informatieuitwisseling Ondergrondse Netten (WION), ook wel genoemd
                    ‘Grondroerdersregeling’. Het Kadaster is belast met de uitvoering van deze wet.
                    Zie: www.kadaster.nl/KLIC .</al><al>Lid 3In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt
                    geadviseerd terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door
                    vergunninghouder en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te
                    verlangen.</al><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingenDit artikel
                    heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het bouwtoezicht vermoedt, dat
                    ondeugdelijke constructies of materialen aan het oog zijn onttrokken of
                    ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de kosten van de hier
                    bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te verrichten of te doen
                    verrichten, voor diens rekening komen. Degene die bouwt heeft het immers zelf in
                    de hand om voor de aanvang van bepaalde werkzaamheden tijdig het bouwtoezicht te
                    informeren en overigens conform de vergunning, het Bouwbesluit en de
                    bouwverordening te werken. Specifieke controlewerkzaamheden buiten dit artikel
                    om komen voor rekening van de controlerende instantie, c.q. de gemeente. Dit
                    artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het verrichten van
                    onderzoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om
                    bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt dit artikel
                    van de bouwverordening toegepast.</al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputtenHet belang dat hier wordt gediend is de
                    kwaliteit van funderingen en daarmee de veiligheid van bouwwerken.Dit is een
                    publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in
                    privaatrechtelijke zin. Het motief van het bepaalde in dit artikel is aanvullend
                    op de doelstelling van de Waterwet.De Grondwaterwet is per 22 december 2009
                    vervangen door de Waterwet. Een belangrijk gevolg van de invoering van de
                    Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke
                    waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning: de
                    watervergunning.In veel gevallen is een watervergunning niet nodig omdat veel
                    activiteiten onder algemene regels vallen. In de regel komt dit neer op een
                    meldingsplicht in plaats van de vergunningenprocedure.Bevoegd gezag voor de
                    verlening van de watervergunning zijn het waterschap voor het regionale
                    watersysteem, Rijkswaterstaatvoor het hoofdwatersysteem en de provincies vor
                    drie specifieke categorieën grondwateronttrekkingen en infiltraties. Als de
                    aanvraag om een watervergunning betrekking heeft op handelingen waarvoor
                    verschillende bestuursorganen bevoegd zijn, wordt de beslissing op de aanvraag
                    in beginsel genomen door het hoogste bevoegde gezag. De Waterwet geeft
                    Rijkswaterstaat, de provincies en de waterschappen wel de mogelijkheid in
                    voorkomende gevallen te regelen dat een ander bestuursorgaan bevoegd gezag
                    wordt. Hiertoe is een handreiking ontwikkeld (‘Handreiking samenloop
                    bevoegdheden Waterwet’) De watervergunning en de omgevingsvergunning worden niet
                    geïntegreerd. Het zijn afzonderlijke vergunningen die wel bij hetzelfde
                    overheidsloket, Omgevingsloket online, kunnen worden aangevraagd. De gemeente
                    isaangemerkt als het overheidsloket van Nederland, dus in principe ook voor de
                    watervergunning, ook al is zij hiervoor geen bevoegd gezag. De aanvraag voor een
                    watervergunning kan echter ook rechtstreeks bij het bevoegde gezag op grond van
                    de Waterwet worden ingediend (Rijkswaterstaat, provincie of waterschap).
                    Overigens kan ook de aanvraag om een omgevingsvergunning bij de provincie worden
                    ingediend als niet de gemeente maar de provincie bevoegd is op die aanvraag te
                    beslissen. De aanvrager heeft dus alle vrijheid, daarom is het verstandig dat
                    waterbeheerders, provincies en gemeenten afspraken maken over de onderlinge
                    afstemming. De wettelijke termijnen moeten immers in acht worden genomen,
                    waardoor snel handelen noodzakelijk is. Zo zal een via de gemeente binnengekomen
                    aanvraag om een watervergunning direct aan de waterbeheerder of de provincie
                    moeten worden doorgezonden. Zie ook: www.helpdeskwater.nl en
                    www.waterwet.nl</al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterreinDit voorschrift betreft de veiligheid
                    van voorbijgangers en belendingen. Zie ook artikel 2.4 van de Regeling
                    omgevingrecht (Mor) dat regels bevat over het indienen van een
                    bouwveiligheidsplan.</al><al>Lid 1De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen,
                    die bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een
                    heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van
                    bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft de
                    veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010.</al><al>Leden 2 en 3Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de
                    schakelapparatuur zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die)
                    gedurende de bedoelde tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.</al><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterreinHet afscheiden van een bouwterrein
                    dient ertoe onbevoegden van het terrein te weren en te voorkomen dat mensen - en
                    vooral spelende kinderen - op een bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief
                    geldt ook voor de eis in het derde lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein
                    moet worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over
                    de vorm van de bewaking: permanent aanwezig zijn of surveillance door een
                    bewakingsdienst, beslist het bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met
                    de bouwer. De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te
                    zijn gewaarborgd.</al><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinderDe bepaling
                    beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder voor de omgeving
                    te voorkomen.</al><al>Artikel 4.11 BouwafvalAlgemeenDit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met
                    bouwafval. De Woningwet eist geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel
                    toe dat de bouwverordening dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het
                    sloopafval.Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats
                    scheiden van afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving
                    als gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering
                    bij de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor
                    hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met
                    ander afval.</al><al>a Gevaarlijke afvalstoffenGevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk
                    voorschrift apart worden gehouden. Een anti-mengclausule in het derde lid van
                    artikel 4 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL), verbiedt het
                    mengen van gevaarlijk afval met ander afval (zgn. verdunnen). Eenmaal gescheiden
                    afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te blijven. Daartoe verplicht de
                    Regeling scheiden en gescheiden houden die is gebaseerd op de Wet milieubeheer.
                    De doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden gevaarlijk (chemisch) afval thuis in
                    de chemobox doen en op deze wijze gescheiden afvoeren via de van gemeentewege
                    georganiseerde inzameling van klein chemisch afval van huishoudens.</al><al>b en c Glaswol en steenwolGlaswol en steenwol (minerale wol) worden door of
                    vanwege de leverancier ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een
                    zogeheten 'big bag' (een stevige zak met een inhoud van 1 m3) of een zak van 200
                    liter. De ondergrens van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige
                    kosten te veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het geheel
                    van bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde omgevingsvergunning is
                    verleend.Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de
                    plicht tot scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal
                    zijn.</al><al>d Overig afvalVoor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls
                    aanwezig die bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties
                    plaatsvindt. De onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar
                    een inrichting die op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in
                    ontvangst te nemen.</al><al>Wanneer is iets afval?Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden
                    gedeponeerd in een afvalbak is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen
                    en stoffen die apart worden gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus
                    (nog) geen afval.Acceptatievoorwaarden en marktwerkingDe verplicht uit het
                    bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden als ondergrens. Het staat
                    degene die bouwt dus vrij een verdergaande scheiding toe te passen. De
                    marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen veelal op basis van economische
                    motieven besluiten tot een verdergaande scheiding. Hierbij zullen prijzen worden
                    vergeleken en zal bij een verdergaande scheiding dikwijls een gunstiger prijs-
                    en kostenverhouding gelden. Indien een verdergaande scheiding plaatsvindt, geldt
                    onverkort het voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een
                    bewerkingsinrichting die bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie
                    overig afval moet in het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting.
                    Als sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam
                    overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het
                    overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is tot
                    ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q. milieustraten
                    zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen. Om de marktpartijen niet
                    voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer gedetailleerde regelgeving.
                    Tevens zou de effectiviteit van de regeling in het gedrang komen, wanneer in de
                    voorschriften andere verplichtingen zouden worden opgelegd dan die voortvloeien
                    uit de acceptatievoorwaarden van de ontvanger (bewerker, sorteerder, inzamelaar
                    enz.). Het verdient dan ook aanbeveling om nauwkeurig kennis te nemen van de
                    acceptatie-eisen en de eventuele veranderingen daarin.</al><al>Afvoeren en overdragen van bouwafvalDe formulering 'gescheiden houden op de
                    bouwplaats' heeft vooral ten doel om het mengen van reeds uitgesorteerde
                    fracties bij het gereed maken voor transport vanaf het werk te verbieden. Voor
                    een wijze van vervoer die bevorderlijk is voor het hergebruik van materialen,
                    geldt andere wetgeving dan de bouwverordening, waarbij met name te denken valt
                    aan de provinciale milieuverordening. Uit dien hoofde moet het bouwafval worden
                    afgevoerd naar een bewerkings- of verwerkingsinrichting, respectievelijk een
                    inzamelaar die op grond van de Wet milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te
                    ontvangen. De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks
                    vanaf de bouwplaats. Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk een
                    stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval. Particulieren die geringe
                    hoeveelheden bouw- en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij
                    sorteerbedrijven en gemeentelijkemilieustraten, veelal ook op
                    zaterdagmorgen.Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt
                    voor asbest, waarvoor juist een stortplicht geldt.Asbest is in het onderhavige
                    artikel over bouwafval niet genoemd, omdat het als bouwmateriaal niet meer is
                    toegelaten.</al><al>Terugleveren aan de leverancier of fabrikantEr zijn enkele bouwstoffen waarvan
                    het restant/afval wordt teruggeleverd aan de fabrikant c.q. de leverancier. Voor
                    deze situatie geldt een uitzondering op de regel dat op de bouwplaats gescheiden
                    fracties naar een bewerkingsinrichting of anders naar een sorteerinrichting
                    moeten worden afgevoerd. Rechtstreekse retourlevering waarbij het product dient
                    als grondstof voor nieuwe producten wordt zinvol geacht.</al><al>SorteerinrichtingAfvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie
                    overig afval, is - voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat - alleen
                    toegestaan naar een sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende
                    afvalstoffen ongesorteerd te ontvangen.Een sorteerbedrijf dient zich in het
                    algemeen naast de beoordelingsrichtlijn voor de certificering van
                    sorteerbedrijven te houden aan de Regeling niet-herbruikbaar bouw- en
                    sloopafval. Hierin worden de volgende afvalstromen aangeduid als herbruikbaar:
                    harde steenachtige materialen, ferro en non-ferro metalen, massief
                    niet-verduurzaamd hout, papier/karton, LDPE-folie, kunststofgevelelementen of
                    delen daarvan en kunststofleidingbuizen. Voor deze stromen ligt uitsortering
                    voor de hand, hetzij aan de bron, hetzij achteraf in een sorteerinrichting.Voor
                    papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij een
                    sorteerbedrijf volledigoperationeel. Voor de retourname van reststoffen van
                    gipsblokken en gipskartonplaten heeft de Nederlandse Branchevereniging voor Gips
                    (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden en schoon
                    afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins operationeel
                    en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het nietoperationeel
                    zijn van een retoursysteem . Overigens geldt voor zowel steenwol als EPS dat zij
                    meestal slechts in geringe mate in bouwafval voorkomen. Voor diverse specifieke
                    kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen ontwikkeld. Bij de aflevering aan
                    bouwbedrijven kunnen transporteurs van aangeschafte bouwmaterialen de inname
                    aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via de Stichting KNAPZAK (www.knapzak.nl)
                    nemen enkele kunststofverwerkers deze kunststoffen zowel van transporteurs als
                    van sorteerbedrijven in voor reclycing. De thermoplasten PVC, PE en PP
                    (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven voor verwerking worden aangeboden
                    aan twee leden van de Vereniging van Kunststofleidingsystemen (FKS) te
                    Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen kunnen sorteerbedrijven gebruik maken
                    van het recyclingsysteem van de Stichting Recycling VKG te Zoetermeer. Een
                    verwerkingssysteem voor kitkokers, verfverpakking en snoerband (PPmaterialen) is
                    operationeel bij B &amp; R Recycling BV te Middelharnis.</al><al>Mee terugnemen naar de werfUitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig
                    bouwwerkzaamheden verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee
                    terug mag nemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit
                    aan op de bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot
                    praktisch nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een
                    omgevingsvergunning is vereist op grond van de Wabo. De term tijdelijke opslag
                    duidt erop dat dit afval vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd
                    naar een sorteerbedrijf. De plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden
                    van andere stoffen, de anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht,evenals de
                    plicht tot het afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen aan een
                    inzamelaar die voor de inname van deze stoffen bevoegd is.</al><al>Enkele specifieke begrippenMet de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt
                    gedoeld op de aanwezigheid van een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo.Onder
                    'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in te zamelen
                    met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent. Voor enkele
                    deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem. Zie de
                    toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en recyclingsystemen
                    voor kunststoffen.</al><al>Lid 1De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het
                    terrein - worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                    scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                    verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet milieubeheer.
                    De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen het gevaarlijk afval
                    gaat moet beschikken over een adequate omgevingsvergunning op grond van de Wabo.
                    Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf wordt afgevoerd. In de praktijk komt
                    het bepaalde in dit lid erop neer dat gevaarlijk bouwafval niet naar een
                    stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn vrijwel nooit bevoegd de hier bedoelde
                    stoffen in ontvangst te nemen. Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen
                    isverbranden de beste oplossing.Voor de handhaving is het van belang dat het
                    begrip 'gevaarlijk' uniform wordt uitgelegd. De verwijzing naar de als
                    gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Regeling Europese
                    afvalstoffenlijst (EURAL) voorziet hierin. In artikel 1.1 van de Wet
                    milieubeheer wordt verwezen naar dit besluit.</al><al>Vergunningvoorwaarden. Het is niet toegestaan voorwaarden aan de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen te verbinden die ertoe strekken nog andere
                    fracties verplicht op de bouwplaats te scheiden dan die vermeld staan in het
                    eerste lid. In het algemeen komt men dan in strijd met het vierde lid van
                    artikel 2.22 Wabo.Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen
                    niet bij elkaar. Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen)
                    niet combineren met een brand- of explosiebron (houtverduurzamingsmiddelen,
                    lijmen, verven, verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.),
                    logen, basen en zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met een
                    ontstekingsbron noch met een brand- of explosiebron. Omdat bouw- en sloopafval
                    veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling bij het lezen van deze
                    toelichting ook (delen van) de toelichting op hoofdstuk 8, het slopen, te
                    betrekken.</al><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamhedenDe
                    gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen spoedig
                    daarna controles uit te voeren. Artikel 7b van de Woningwet bevat het verbod een
                    bouwwerk te gebruiken of te laten gebruiken anders dan in overeenstemming met de
                    op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede
                    lid, onderdeel a. Uit dit artikel uit de Woningwet vloeit voort dat de
                    voorschriften omtrent het gebruik in de bouwverordening geen betrekking kunnen
                    hebben op het gebruik in planologische zin, doch uitsluitend op het veilig en
                    verantwoord gebruik van gebouwen.</al><al>Lid 1Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een
                    latere fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra
                    graafwerkzaamheden mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke melding. Het
                    controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte overeenkomstig de
                    uitkomst van de berekening van de energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de
                    desbetreffende categorie gebouwen voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is
                    eveneens slechts effectief mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is
                    onttrokken door het opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het
                    afpleisteren van de isolatie of het aanbrengen van een andere
                    afwerkconstructie.</al><al>Lid 2Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden, is een termijn
                    van twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de
                    noodzakelijke of gewenste controles uitvoert.</al><al>Lid 3Voor zover in de voorwaarden van de omgevingsvergunning niet anders is
                    gesteld, geldt ook hier de termijn van twee dagen.</al><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruiknemingOp aandrang vanuit de praktijk en gelet
                    op de uitspraak rechtbank Leeuwarden van 22 september 2008, LJN BF2263 wordt het
                    verbod tot ingebruikneming van een bouwwerk dat niet is gereed gemeld opnieuw
                    ingevoerd. Hierbij is uitgegaan van de oude tekst van artikel 4.14 uitsluitend
                    ten aanzien van het niet gereed melden. Gereedmelding is aan de orde bij de in
                    artikel 4.12 MBV genoemde gevallen. Voorkomen moet worden dat onveilige
                    situaties ontstaan als gevolg van het in gebruik nemen van onvoltooide
                    bouwwerken of bouwwerken waarin niet alle noodzakelijke bouwtechnische
                    voorzieningen zijn aangebracht (ABRvS, 23 december 2009, LJN: BK7451).</al><al>Hoofdstuk 5 Staat van open ervan en terreinen, aansluiting op de
                    nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</al><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinenAlgemeenIn deze verordening is in
                    aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid gemaakt in de eisen die gelden
                    voor het bouwen en de eisen die gelden voor bestaande bouwwerken, zo ook de
                    staat waarin open erven en terreinen behoren te verkeren. Overtreding van de
                    bepalingen van dit hoofdstuk is een reden voor het opleggen van een plicht tot
                    het treffen van voorzieningen op grond van de artikelen 13, 13a en 14, tweede
                    lid van de Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van
                    een last onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden voor het in werking
                    treden van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen of de verlangde
                    voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het alsnog opleggen van een plicht
                    tot het treffen van die voorzieningen redelijk is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3
                    zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. Op die plek fungeren de eisen
                    als een toets voor aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. De
                    bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de staat of toestand van een open
                    erf of terrein en niet op het gebruik daarvan.Het gebruik van open erven en
                    terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7.Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij
                    artikel 7.3.2.</al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinenVan een onvoldoende
                    staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake, indien een open erf
                    of terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan een gevolg zijn van het
                    gebruik van een ander terrein of van een gebrek aan een bouwwerk. De onvoldoende
                    staat van een terrein kan ook worden veroorzaakt door overvloedige begroeiing,
                    waardoor de lichttoetreding tot een gebouw wordt belemmerd of de veiligheid van
                    het verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt</al><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                    BrandblusvoorzieningenZie de toelichting op artikel 2.5.3.</al><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicaptenZie de toelichting
                    op artikel 2.5.4.</al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleidingZie de toelichting op
                    artikel 2.7.1.</al><al>Het onderhavige voorschrift vormt geen grondslag voor een besluit ingevolge de
                    artikelen 13, 13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel tot toepassing van
                    bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom waarin het bevoegd
                    gezag het maken van een aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt
                    vanuit een pand waarin een binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde
                    artikelnummers van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt
                    dat het bevoegd gezag de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het
                    betrekken van drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende
                    welput, regenbak of watertank.Voor de wijze van meten van de afstand tot de
                    dichtst bij zijnde leiding van het openbare distributienet, zie artikel
                    5.3.7.</al><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnetZie de toelichting op
                    de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnetZie de toelichting op de
                    artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare rioleringZie de toelichting op
                    de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.Het is zinloos om door middel van
                    een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel tot toepassing van
                    bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom te verplichten tot het
                    aansluiten op het openbaar riool, zolang - op grond van het Lozingenbesluit
                    bodembescherming - het afvalwater in de bodem mag worden geloosd met behulp van
                    in dat besluit voorgeschreven voorzieningen (zuiveringssysteem en
                    infiltratievoorziening) en de genoemde voorzieningen - in financiële zin - nog
                    niet afgeschreven zijn. Immers, een regeling van de rijksoverheid zoals het
                    Lozingsbesluit bodembescherming prevaleert ten opzichte van een gemeentelijke
                    verordening, in casu de bouwverordening.</al><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare rioleringZie de toelichting
                    op artikel 2.7.5.</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 5.4.1 PreventieOnreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken
                    van een bouwwerk is geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat
                    waarin een bouwwerk zich moet bevinden. Dit artikel heeft rechtstreekse werking
                    en leidt in geval van geconstateerde gebreken tot een besluit ingevolge artikel
                    13 Woningwet dan wel een besluit tot 36 toepassing van bestuursdwang of het
                    opleggen van een last onder dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk het
                    bouwwerk onvoldoende onderhoudt. Het artikel is bedoeld om excessen tegen te
                    gaan.</al><al>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingenAlgemeenDe Woningwet (artikel 8, tweede
                    lid) eist dat de bouwverordening voorschriften bevat over het gebruik van
                    woningen, andere gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde. De wet noemt
                    onderwerpen die in elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen dus ook
                    andere onderwerpen in de bouwverordening worden geregeld over het gebruik. In
                    artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van gemeentelijke
                    verordeningen in wier onderwerp door onder meer een algemene maatregel van
                    bestuur wordt voorzien vanrechtswege zijn vervallen. Het Besluit brandveilig
                    gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) voorziet in dit onderwerp. De overige
                    gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk.</al><al>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningenAlgemeenDit artikel berust op artikel 8,
                    tweede lid van de Woningwet. Het is bedoeld om in uitzonderlijke gevallen waarin
                    vooral de hygiëne dit vereist, van gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen
                    nemen tot een gedwongen beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een
                    gebouw, te realiseren binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde
                    doel van het kunnen optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de
                    normstelling uit het onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te
                    beoordelen, of een woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een
                    bepaald aantal bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan het
                    onderhavige voorschrift voor het opstellen van een regeling op het gebied van de
                    woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van huisvesting ten
                    behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de normstelling 1,5 à 2 maal zo
                    zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van de overbevolking te
                    balanceren.Zie voor dit onderwerp ook de Huisvestingswet. Overigens kunnen
                    lokale omstandigheden voor een gemeenteraad aanleiding vormen tot het opnemen
                    van een afwijkende normstelling in zijn bouwverordening.</al><al>Artikel 7.1.1 zou bij voorbeeld ook als volgt kunnen luiden:'Het is verboden een
                    woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan
                    één persoon per 9 m2 gebruiksoppervlakte, met dien verstande dat voor de eerste
                    persoon van het totale aantal bewoners ten minste 12 m2 gebruiksoppervlakte
                    aanwezig dient te zijn.'Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende
                    het binnentreden van woningen door toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving
                    van deze artikelen in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen
                    klachten of anderszins gerezen vermoedens van overtreding. Voor permanent
                    bewoonde kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger
                    toezicht wenselijk en mogelijk.</al><al>NormstellingDe normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale
                    plaatsings- en gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of
                    opklapbedden. Het niet baseren van de normstelling op het gebruik van
                    stapelbedden is mede ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit
                    over de minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                    eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het Bouwbesluit
                    blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in grotere
                    verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo gekozen, dat in
                    principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan verblijfsruimten,
                    respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten.Zie voor het begrip
                    'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1.</al><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagensDe normstelling in dit artikel is
                    gebaseerd op de maximale plaatsings- en gebruiksmogelijkheden van stapelbedden.
                    Overigens is de lagere getalwaarde in dit artikel ten opzichte van het vorige
                    artikel vergelijkbaar met het verschil in getalwaarde tussen artikel 4.25 en
                    artikel 4.30 van het Bouwbesluit.</al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al>Artikelen 7.2.1 en 7.2.2 Verbod tot gebruik en staken van gebruikAanvullend op
                    de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de Woningwet is het
                    voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen tot het gebruik of een
                    plicht in het leven te roepen tot het staken van het gebruik. Artikel 7.2.1
                    biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het gebruik van een bouwvallig
                    bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een verbod gesteld worden tot het
                    gebruik van een bouwwerk wat nabij een bouwvallig bouwwerk is gelegen.Het staken
                    van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in artikel 7.2.2 is
                    afhankelijk gesteld van een beschikking van het bevoegd gezag. De mededeling als
                    bedoeld in artikel 7.2.1 is te beschouwen als een mededeling van feitelijke
                    aard.</al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinenArtikel 7.3.1
                    Vergunningsplicht nachtverblijfArtikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad
                    de mogelijkheid om van het in artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel a, genoemde
                    aantal personen af te wijken. De raad kan indien afwijking van dit artikel is
                    gewenst, een nieuw artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf in de
                    bouwverordening vaststellen.</al><al>Artikel 7.3.2 HinderArtikel 7.3.2 is gebaseerd op de Woningwet en rechtstreeks
                    handhaafbaar op grond van artikel 7b van die wet.Artikel 7.3.2 kan onder meer
                    worden toegepast in de volgende gevallen: het plaatsen van voorwerpen of
                    voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen van tot bewoning bestemde
                    gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio- en televisietoestellen), het
                    veroorzaken van radio- en televisiestoringen, voor zover niet geregeld in andere
                    wettelijke voorschriften, het opslaan van stankverwekkende stoffen, het op
                    gevaarlijke wijze stapelen van materiaal (bij voorbeeld voor kinderen bereikbare
                    vaten die kunnen gaan rollen), het verwijderen van asbest bevattende materialen
                    of restanten hiervan die zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van
                    verspreiding van asbestvezels of –stof te vrezen valt.Door weersinvloeden en
                    door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende materialen die zich aan de
                    buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een erf of terrein zijn opgeslagen
                    zodanige verwering of slijtage vertonen dat de vezels gemakkelijk losraken en
                    door de wind worden verspreid. Deze asbestvezels vormen een risico voor de
                    gebruikers van het bouwwerk en het erf of terrein en de aangrenzende percelen.
                    Het Asbestverwijderingsbesluit ziet op de situatie van sloop en is niet
                    toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Een overtreding van het
                    Bouwbesluit is niet aanwezig of is onvoldoende aantoonbaar.In een dergelijke
                    situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                    last onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van artikel 7.3.2 MBV juncto
                    artikel 13 van de Woningwet. Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het
                    eerste en derde lid van dit artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin
                    voldoende aangetoond om maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van
                    asbestvezels en - stof te rechtvaardigen.</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 7.4.1 PreventieDit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen
                    voor het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de
                    algemene reinheid. Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van
                    excessen. Voor de duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze bepaling
                    onmisbaar. Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</al><al>Paragraaf 5 Watergebruik</al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van waterHet hier bedoelde verbod treedt pas in
                    werking nadat het bevoegd gezag de beschikking heeft genomen. Zie de toelichting
                    bij de artikelen 7.2.1 en 7.2.2.</al><al>Paragraaf 6 InstallatiesArtikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installatiesIn
                    het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar of de
                    gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden en
                    gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan over
                    nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als een
                    privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                    gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is, ligt
                    dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het onderhoud
                    en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve installaties voor
                    portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische ventilatie, drukverhoging
                    in de waterleiding (hydrofoor) e.d. Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te
                    verrichten onderhoud aan terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op
                    in de grond aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater.N.B.
                    Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de veiligheidsaspecten
                    van gewone personenliften, in principe geregeld in het Warenwetbesluit liften,
                    dat op de Warenwet berust.</al><al>Hoofdstuk 8 SlopenAlgemeenHet hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het
                    bepaalde in artikel 8, tweede lid, letter d, van de Woningwet, en van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. Dit hoofdstuk gaat over de omgevingsvergunning
                    voor het slopen. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden gericht
                    op het specifieke sloopproject. Het voornaamste motief voor een uitgebreide
                    sloopregeling in de bouwverordening is gelegen in een bewuster omgaan met
                    afvalstoffen en het zoveel mogelijk hergebruiken van deze stoffen. Een regeling
                    met hetzelfde motief gericht op het bouwafval staat in artikel 4.11. Naar de
                    artikelsgewijze toelichting daarop verwijzen wij hier.De aanvraag voor een
                    omgevingsvergunning voor het slopen wordt geregeld in hoofdstuk 4 van het
                    Besluit omgevingsrecht. De indieningsvereisten staan in artikel 7.2 van de
                    Mor.</al><al>Planologische sloopvergunningDe Wet ruimtelijke ordening (Wro) introduceert een
                    sloopvergunning, die wij hier ter onderscheiding van andere ‘sloopvergunningen’
                    – uit de bouwverordening en uit de Monumentenwet – aanduiden als ‘planologische
                    sloopvergunning’. De planologische sloopvergunning kan door de raad van een
                    gemeente in een bestemmingsplan worden opgenomen. De wet stelt niets verplicht,
                    maar biedt deze mogelijkheid. Deze vergunning ziet op de planologische gevolgen
                    van sloopactiviteiten en de eventuele bouwplannen op de locatie die door het
                    slopen vrij komt.</al><al>AsbestHet Asbestverwijderingsbesluit 2005 is gebaseerd op de Wet
                    milieugevaarlijke stoffen en op de Woningwet. Dit besluit bevat regels voor de
                    verwijdering van asbest bij het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen
                    van objecten. Het besluit heeft voor zover het betreft het slopen van bouwwerken
                    geen directe werking voor de burger. Het besluit bevat een opdracht aan de
                    gemeenteraad tot regelgeving in de plaatselijke bouwverordening. De
                    voorschriften van de bouwverordening zijn bindend voor de burger.Het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota van
                    toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een selectie uit
                    deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van de
                    bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te raadplegen,
                    in het bijzonder het deelAlgemeen (blz. 15 t/m 32). Voor meer informatie en
                    publicaties over dit onderwerp wordt verwezen naar www.infomil.nl\asbest</al><al>IncidentHet optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als
                    calamiteit), zoals een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3,
                    derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in
                    geval van een calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak
                    asbestbranden”.Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak.
                    Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten die
                    tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                    asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met de
                    bij hetincident passende spoed te gebeuren.</al><al>CertificeringDe certificering voor de bouw valt onder het ministerie van SZW. De
                    instantie die zich bezig houdt met de certificering is de Stichting Certificatie
                    Asbest, www.ascert.nl De oude Beoordelingsrichtlijnen (BRL) die van toepassing
                    waren op de sloop van asbest zijn vervangen door certificeringsschema’s voor
                    asbestinventarisatie (SC 540) en asbestverwijdering (SC 530) (Gepubliceerd in
                    Stcrt. 2008, nr. 57, p. 9).Voor een uiteenzetting over de certificering van
                    bedrijven wordt verwezen naar de algemene toelichting op het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>RisicoklasseBij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                    arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in risicoklassen
                    ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van de arbo-regels.
                    Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning.De verplichte meldingen van de
                    aannemer en vergunninghouder aan de arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover
                    de gemeente gewend was meldingen te doen aan de arbeidsinspectie blijft dit
                    ongewijzigd.</al><al>Intensivering van de handhavingLangs verschillende kanalen wordt aangedrongen op
                    een intensivering van de handhaving van desloopvoorschriften. Voor diverse
                    publicaties wordt verwezen naar www.infomil.nlLedenbrieven van de VNG over dit
                    onderwerp treft u aan op www.vng.nl .</al><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopenDe Woningwet en het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische basis voor
                    deomgevingsvergunning voor het slopen. De Wabo brengt met zich mee, dat de term
                    sloopvergunning wordt vervangen door omgevingsvergunning voor het slopen of
                    wanneer het uitsluitend over het verwijderen van asbest gaat omgevingsvergunning
                    voor het slopen van asbest.</al><al>Ontvangstbevestiging en mededeling procedure De huidige praktijk van het
                    plaatsen van een datumstempel op de aanvraag als bewijs van ontvangst is niet
                    langer voldoende. Artikel 3.1, tweede en derde lid Wabo stelt verplicht dat na
                    ontvangst van een aanvraag onverwijld de bevestiging wordt verzonden en dat
                    eveneens onverwijld een mededeling over de te volgen procedure wordt
                    verzonden.</al><al>Lid 1Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt
                    afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen
                    asbest bevattend - minder dan 10 m3 - een algemene eis geformuleerd in artikel
                    8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van niet-ingrijpende
                    interne verbouwingen. Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op
                    grond van dit artikel of meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt
                    daarom nooit onder de vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1.</al><al>Lid 2Een ondergrens van 10 m3 voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor zover
                    het te slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met een
                    gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op de
                    sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter plekke niet te
                    controleren. Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net
                    onder de 10 m3 komen is een te opvallende methode van ontduiking van de
                    vergunningplicht om kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is dit
                    een overtreding wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning voor het
                    slopen. Onder 10 m3 sloopafval wordt verstaan: los gestort sloopafval.</al><al>Lid 3Uit dit lid blijkt dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden
                    verbonden. Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de
                    vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met d.
                    Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het
                    scheiden en gescheiden houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere
                    detaillering.Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de
                    onderwerpen genoemd in het derde en vierde lid van dit artikel.</al><al>Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen
                    bouwwerkenHier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de
                    artikelen 4.8 tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van
                    overeenkomstige toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein
                    enz. staat wordt uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen
                    veiligheid op het bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid van
                    hulpmiddelen en het voorkomen van hinder zijn als directe norm geformuleerd. Dit
                    betekent dat deze eisen ook gelden indien het vergunningvereiste niet geldt.
                    Uiteraard behoeft datgene wat via deze vantoepassingverklaring al van toepassing
                    is, niet nogmaals als voorwaarde te worden opgenomen in een vergunning. Mede
                    afhankelijk van de sloopmethode en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de
                    directe omgeving van het te slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld.
                    Van veel belang is te bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De
                    veiligheid voor degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de
                    sfeer van de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie.
                    Een sloopveiligheidsplan wordt, voor zover nodig, verlangd en ingediend bij de
                    aanvraag om een vergunning. De regeling daarvoor staat in artikel 8.1.2, tweede
                    lid. Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas
                    wanneer de gekozen methode leidt totstrijd met de bepalingen van dit hoofdstuk,
                    bij voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het uitvoeren van
                    bodemonderzoek, worden aan de vergunning voorschriften verbonden ter voorkoming
                    van deze strijdigheid.</al><al>Ad c Het scheiden en gescheiden afvoerenHet is de houder van de vergunning die
                    kiest naar welke bewerkings- of verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan
                    welke inzamelaar of transporteur het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen
                    hierbij de voorschriften van de vergunning en andere regels, bij voorbeeld die
                    over het vervoer van gevaarlijk afval, in acht te worden genomen. In de praktijk
                    komt dit erop neer dat alleen mag worden samengewerkt met vergunninghoudende
                    inzamelaars en transporteurs voor het gevaarlijk afval en alleen mag worden
                    toegeleverd aan bewerkings- en verwerkingsinrichtingen die beschikken over een
                    vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. De voorschriften in de vergunning
                    mogen geen 'gedwongen winkelnering' inhouden, dus niet verplichten tot het
                    afvoeren naar bedrijf X, terwijl voor dat afval de bedrijven Y en Z ook
                    vergunninghouder zijn. De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld
                    in de vergunningvoorschriften. De keuze van de fracties hangt af van de
                    hoeveelheid en samenstelling van het te verwachten afval en van de
                    acceptatievoorwaarden van in de regio aanwezige bewerkings- en
                    verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest minimale scheiding vastgelegd die
                    voortvloeit uit landelijke regelgeving.Naast deze drie 'onvermijdelijke'
                    fracties - gevaarlijke afvalstoffen, asbest en overig afval - verdient het
                    aanbeveling om ten minste de volgende fracties als voorwaarde in de vergunning
                    op te nemen:- steenachtig sloopafval, met uitzondering van gips;- bitumineuze en
                    teerhoudende dakbedekking;- met PAKS verontreinigde materialen;- asfalt;-
                    dakgrind;- glas (vlakglas) voor zover een inzamelstructuur beschikbaar is.De
                    opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer.Wanneer de
                    sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het bepaalde in
                    artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in artikel 5 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. Een opdrachtgever doet er verstandig aan een
                    sloopaannemer te kiezen die is gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt
                    aanbesteed. Voor grotere sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd
                    bedrijf.</al><al>Welke voorschriften, wanneer en waarvoorWelke voorschriften over het scheiden in
                    fracties uiteindelijk in een vergunning worden opgenomen is afhankelijk van de
                    gegevens over het te slopen bouwwerk en de slooplocatie (welke soorten afval
                    komen vrij en in welke hoeveelheden en welke mogelijkheden zijn er voor het
                    plaatsen van containers) en voorts van de in de regio beschikbare
                    verwijderingstructuren, waaronder bewerkings- en verwerkingscapaciteit. Er is
                    voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende inzamelstructuren en
                    bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk regionaal of lokaal
                    kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. Het is daarom
                    noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van de
                    vergunningaanvraag, op dehoogte is van de lokale en regionale
                    verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen. Het is van
                    belang dat voordat een aanvraag om vergunning wordt getoetst de
                    hergebruikmogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij moeten
                    de volgende aspecten worden nagegaan:</al><al>- wat kan worden hergebruikt;- wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie;-
                    kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet;- aan welke kwaliteit dient het
                    herbruikbaar materiaal te voldoen;- wat zijn de acceptatievoorwaarden van
                    bewerkers, verwerkers, sorteerders en inzamelaars.</al><al>OnderzoekVoordat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen kan
                    worden ingediend moeten de volgende onderzoeken plaatsvinden:- Onderzoek naar
                    het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen gedeelte daarvan laatstelijk
                    isgebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede lid, letter f);- Indien op grond van het
                    historisch gebruik te verwachten valt dat een te slopen bouwwerk of een te
                    slopen gedeelte daarvan is verontreinigd met gevaarlijke afvalstoffen, dient een
                    onderzoek teworden ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het
                    rapport met de uitslag van ditonderzoek bij de aanvraag om vergunning worden
                    gevoegd (MBV artikel 8.1.2, derde lid);- Indien moet worden aangenomen dat in
                    het te slopen bouwwerk asbest aanwezig is, moetenovereenkomstig het gestelde in
                    artikel 8.1.2, daarover bij het indienen van een aanvraag om
                    eenomgevingsvergunning voor het slopen gegevens worden ingediend. Op grond van
                    artikel 3 van hetAsbestverwijderingsbesluit 2005 geldt een onderzoeksplicht naar
                    de aanwezigheid van asbest dooreen deskundig, dat wil zeggen daartoe
                    gecertificeerd bedrijf.Achter in deze toelichting is als bijlage 8 van de
                    toelichting opgenomen een Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij
                    sloop. Deze keuzetabel biedt de houder van de omgevingsvergunning voor het
                    slopen een handreiking voor een verdergaande scheiding dan normaliter in de
                    voorwaarden van deze omgevingsvergunning verplicht is gesteld om op de
                    slooplocatie uit te voeren. Uiteraard kan genoemde houder voor een verdergaande
                    scheiding zowel financiële als milieuhygiënische overwegingen in zijn
                    beschouwing betrekken.</al><al>Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffenKunststoffen is een verzamelnaam
                    voor uiteenlopende stoffen. Door de producenten van kunststofgevelelementen
                    (verenigd in de VKG) en de producenten van kunststofleidingsystemen (verenigd in
                    de FKS) zijn voor deze twee deelstromen inzamel- en recyclingsystemen
                    ontwikkeld.De VKG heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten
                    over de inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en deuren. De
                    FKS heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                    volledige inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                    kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene die
                    sloopt een container kan huren waarin de afval geworden kunststofleidingen
                    worden verzameld.Gestreefd wordt naar een gesloten ketenbeheer, functionerend
                    voor het gehele land. Andere kunststoffen dan hier genoemd kunnen niet worden
                    afgevoerd via met dit inzamelsysteem.</al><al>Andere inzamelsystemenAndere inzamelsystemen die zijn opgezet door de
                    leverancier van het product en die erop zijn gericht de desbetreffende
                    afvalstoffen weer geschikt te maken voor hergebruik zijn die voor steenwol en
                    glaswol (minerale wol) en voor aluminium. De informatie over deze
                    inzamelsystemen is te verkrijgen bij de leverancier en bij de
                    brancheorganisatie.</al><al>Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediendDe gegevens die
                    nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen van een aanvraag om
                    vergunning behoren te worden ingediend bij de aanvraag. De artikelen 8.1.2 en
                    8.1.3 regelen dit. De naam en het adres van degene die met het slopen zal worden
                    belast - gewoonlijk de aannemer - zijn dikwijls nog niet bekend ten tijde van
                    het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het slopen. Deze
                    gegevens spelen bovendien geen rol bij de beoordeling van het in behandeling
                    nemen. In de vergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende dat
                    uiterlijk ... (bij voorbeeld twee) dagen voor de aanvang van de
                    sloopwerkzaamheden de naam en het adres van degene die met de
                    sloopwerkzaamhedenis belast worden overgelegd aan het bevoegd gezag of de
                    directeur van het (gemeentelijk) bouwtoezicht.</al><al>Het gebruik van een mobiele puinbrekerIn de meeste provincies bevat de
                    provinciale milieuverordening een regeling voor de toelaatbaarheid van mobiele
                    puinbrekers op slooplocaties. Een dergelijke regeling maakt voorschriften ter
                    zake in de gemeentelijke bouwverordening overbodig. In een concreet geval
                    raadplege men de desbetreffende provinciale griffie over de vraag of, en zo ja
                    welke, provinciale voorschriften terzake gelden. In de bouwverordening van de
                    gemeenten die in de overige provincies liggen, blijven de voorschriften voor het
                    gebruik van een mobiele puinbreker echter zinvol. Op verzoek van de aanvrager
                    van de omgevingsvergunning voor het slopen kan, onder in de vergunning te
                    stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de sloopplaats het beton en
                    metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde mobiele
                    puinbreekinrichting.Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ bevat alle
                    voorschriften ten aanzien van mobiele brekers en is in werking getreden op 1
                    maart 2004. Vanaf deze datum zijn de in enkele gemeentelijke bouwverordeningen
                    nog bestaande voorschriften over mobiele brekers van rechtswege vervallen. De
                    hogere regeling treedt in de plaats van de lagere regeling.Onder bepaalde
                    condities zoals voorgeschreven in genoemd besluit is het toelaatbaar op de bouw-
                    of slooplocatie dan wel in de directe nabijheid daarvan een mobiele puinbreker
                    op te stellen waar het steenachtige bouw- en sloopafval wordt bewerkt, gedurende
                    een aaneengesloten periode van ten hoogste drie maanden. Het is verboden om met
                    een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te bewerken dat afkomstig is van
                    andere bouw- of slooplocaties dan die waarbij de breker is opgesteld.</al><al>Lid 4Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                    derde lid waarover in de vergunning voorschriften worden gesteld. Afhankelijk
                    van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of bepaalde
                    handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk afval zware
                    eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag ervan. De tweede
                    zin verplicht het bevoegd gezag een voorschrift in de vergunning op te nemen
                    over het afzonderlijk gereed maken voor de afvoer van het sloopproject van
                    asbest en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren. Deze verplichting staat in
                    artikel 10, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Lid 5Voor seizoengebonden bouwwerken, welke naar hun aard slechts tijdelijk een
                    plek staan en meestal jaarlijks op dezelfde plek opnieuw worden geplaatst, geldt
                    een andere regeling. Het betreft hier meestal het uit elkaar nemen van het
                    bouwwerk totdat dit opnieuw wordt opgebouwd. Hierbij wordt gedacht aan
                    strandpaviljoens, bouwwerken voor jaarlijks terugkerende evenementen e.d.</al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopenAd a en bMeestal kan
                    door het verbinden van voorschriften aan de vergunning, als bedoeld in artikel
                    8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid tijdens het slopen en de
                    bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende is gewaarborgd. Indien ook
                    door het stellen van voorschriften geen voldoende niveau van veiligheid c.q.
                    bescherming kan worden gewaarborgd, moet de vergunning worden geweigerd. Meestal
                    zal in overleg met de aanvrager - vaak al vóór de indiening van de aanvraag om
                    vergunning - worden gezocht naar een voor de gegeven situatie veilige
                    sloopmethode en zodanige maatregelen dat voldoende bescherming van nabijgelegen
                    bouwwerken is verzekerd. De weigeringgronden ad a en b strekken ertoe een
                    onveilige sloopwijze of een onvoldoende bescherming van andere bouwwerken te
                    kunnen tegenhouden. Het doel is niet om het slopen onmogelijk te maken. Er moet
                    van worden uitgegaan dat ooit ieder bouwwerk een keer wordt gesloopt.</al><al>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopenVoordat wordt
                    besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van die vergunning te
                    worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien de houder aannemelijk
                    kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd met de werkzaamheden begint, of
                    deze voortzet, kan dit een reden zijn een besluit tot intrekking nog niet te
                    nemen. De Wabo verhindert niet dat in een verordening, waarbij de
                    vergunningplicht is ingesteld, criteria op te nemen over het intrekken van de
                    vergunning.</al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van de omgevingsvergunning voor het
                    slopen</al><al>Artikel 8.2.1 SloopmeldingAlgemeenDe sloopmelding is geformuleerd als een
                    afwijking van de vergunningplicht. Dit betekent dat indien wordt gesloopt zonder
                    mededeling naar aanleiding van een melding, terwijl deze wel is vereist,
                    overtreding plaatsvindt van artikel 8.2.1 juncto artikel 8.1.1 van de
                    bouwverordening.Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de
                    mededeling van het college van burgemeester en wethouders. Deze mededeling is
                    een beschikking en vatbaar voor bezwaar en beroep in de zin van de Algemene wet
                    bestuurrecht. Dit betekent onder meer dat de melding schriftelijk moet worden
                    ingediend bij burgemeester en wethouders. Ingevolge het tweede lid moet worden
                    gebruik gemaakt van de door het college van burgemeester en wethouders
                    vastgestelde formulieren.In het achtste lid is bepaald dat aan de mededeling
                    voorschriften kunnen worden verbonden. Degene die een mededeling als hiervoor
                    bedoeld heeft ontvangen mag zelf de sloopwerkzaamheden verrichten.</al><al>Bij het opstellen van de regels is gekeken naar de risico’s voor de gene die
                    sloopt, naar de risico’s voor degenen die in de woning verblijven en naar de
                    externe veiligheid (gezondheid). Naast de voorschriften bij de mededeling, staan
                    in de artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks
                    werkende voorschriften waaraan degene die asbest verwijdert anders dan in het
                    kader van beroep of bedrijf – dus de burger - zich moet houden. Op grond van het
                    tweede lid van artikel 8 van dit Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in
                    het kader van de bescherming van mens en milieu tegen emissie van asbestvezels,
                    aanvullende regels te stellen voor de door particulieren toegestane verwijdering
                    van asbest. Deze voorschriften gelden dan naast artikel 7 en naast de
                    voorschriften bij de mededeling. Van deze mogelijkheid zal blijkens de
                    toelichting bij artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts
                    gebruik gemaakt worden als uit praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7
                    opgenomen voorschriften onvoldoende zijn.</al><al>Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest staan thans drie mogelijkheden
                    open: zelf afvoeren naar een stortplaats of depot, door een aannemer laten
                    afvoeren en, indien de gemeente daarvoor een mogelijkheid aanbiedt, meestal
                    tegen betaling, meegeven met de inzameldienst op vergelijkbare wijze als het
                    grof huisvuil. Om te voorkomen dat asbest 'zoek raakt' verdient het aanbeveling
                    dat de gemeente voor het asbest afkomstig van particulieren een
                    inzamel-structuur creëert, waardoor ten minste op een van de vorenstaande wijzen
                    de particulier zich van dit afval kan ontdoen.</al><al>Lid 1Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest
                    verwijdert. Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de
                    bijgebouwen of met de woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de
                    woning ook genoemd het logiesverblijf (recreatiewoning) alsmede de op het
                    daarbij behorende erf staande bijgebouwen.Het door de burger verwijderen van
                    geschroefde asbesthoudende platen, van asbesthoudende loertegels en van
                    niet-gelijmde asbesthoudende vloerbedekking is in artikel 4, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 gebonden aan een maximum van 35 m2 per
                    kadastraal perceel.Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot
                    woningen en bijgebouwen bij woningen. De begripsbepaling voor woning in het
                    tweede lid van artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit geeft hiervoor geen
                    oplossing, omdat onduidelijk is wat daar onder ‘mede’ wordt verstaan en omdat in
                    de Woningwet het begrip woning niet is omschreven. Voor zover bedoeld is met dit
                    Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in het beleid noch in de
                    uitvoering van de regels te brengen, mag worden geconcludeerd dat onder woning
                    mede wordt verstaan een een logiesverblijf zoals is genoemd in het eerste lid
                    van art. 8.2.1 MBV. De tekst van het derde lid van artikel 4 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende
                    golfplaten op een schuurtje bij een woning vergunningvrij door de burger
                    verwijderd mogen worden onder het Asbestverwijderingsbesluit 2005.Er staat
                    ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn,
                    niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die woning staand
                    bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de
                    uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                    gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende
                    platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                    bedraagt’.Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten
                    niet letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is
                    – net als onder de regeling van vóór het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit
                    wel mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat een wijziging
                    is bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van artikel 4: ‘De in
                    het onderhavige besluit opgenomen uitzonderingen zijn gebaseerd op de
                    uitzonderingen die zijn opgenomen in de modelbouwverordening van de VNG, die
                    door het merendeel van de gemeenten in hun regelgeving zijn overgenomen.’ Daarom
                    heeft de VNG thans bij de implementatie van meergenoemd derde lid in de
                    model-bouwverordening, de bestaande toevoegingen van meteen woning gelijk te
                    stellen bouwwerken ‘logiesverblijf’ gehandhaafd. Beleidsmatig verdient het de
                    voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het is beter dan de andere uitleg, dat
                    een burger het verwijderen van het asbest van een schuurtje niet zelf mag doen.
                    De kans is groot dat dan toch door de burger het asbest golfplaten dakje van de
                    schuur wordt verwijderd, maar illegaal. En illegaal verwijderd asbest kun je
                    moeilijk legaal inleveren, dus bestaat kans dat dit eveneens illegaal wordt
                    weggewerkt. Met de voorgestelde ruime uitleg is de burger legaal bezig en kan
                    hij de asbestplaten legaal inleveren. Op grond van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet meer toegestaan om anders dan in het
                    kader van beroep of bedrijf over te gaan tot het verwijderen van:- gelijmde,
                    asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met betrekking tot het
                    verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken zodanig complex dat ze voor
                    particulieren niet goed waren na te leven. Minder vergaande voorschriften leiden
                    echter tot een risico op blootstelling aan asbestvezels. - dakleien. Bij het
                    werken met deze leien is het risico van breuk groot. Bij breuk van
                    asbesthoudende dakleien komen asbestvezels vrij, hetgeen leidt tot een
                    onaanvaardbaar risico op inademing van asbestvezels en verontreiniging van het
                    milieu met deze vezels.</al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Lid 9De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende
                    voorschriften' die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van
                    asbest bevattende vloerbedekking en andere afvalstoffen die hij zelf mag
                    verwijderen na een melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld de
                    voorschriften over het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden aan de
                    ophaaldienst voor grof huisvuil of die over het aanbieden van deze afvalstoffen
                    bij de gemeentewerf of andere inzamelplaats.</al><al>Lid 10Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen
                    mogen niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind
                    opdat zij in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel
                    worden onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij voorafgaand
                    aan verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten onder hoge
                    druk.</al><al>Lid 11De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de
                    procedure van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing is:
                    Indien de aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kunnen burgemeester en
                    wethouders besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan pas als
                    de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag binnen een door
                    burgemeester en wethouders te stellen termijn aan te vullen. In dit artikellid
                    is ervoor gekozen die termijn kort te houden (één week).Artikel 8.2.2 Overige
                    uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopenDit
                    artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder een omgevingsvergunning voor
                    het slopen als bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als bedoeld in
                    artikel 8.2.1 mag gebeuren. Deze uitzonderingen hebben geen betrekking op andere
                    regelingen waarin bepaalde sloophandelingen mogelijk aan een vergunning of
                    melding zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of monumentenverordening.In
                    gevolge het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is ook het verwijderen van
                    beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen vergunningvrij. Ook
                    wel aangeduid als voegkit.Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede
                    lid, letter a, Asbestverwijderingsbesluit 2005 bedoelde waterleidingbuizen,
                    gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen, voor zover zij deel
                    uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water- en rioolleidingnet. Het
                    verwijderen van gas-, water-, riool- en mantelbuizen in bouwwerken moet wel
                    plaatsvinden door een deskundig asbestverwijderingsbedrijf. Bij het verwijderen
                    van deze buizen die zich in (of in de kruipruimte van) een bouwwerk bevinden is
                    geen sprake van routinematig verwijderen met een beheersbaar risico.</al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopenArtikel 8.3.1 Veiligheid op het
                    sloopterreinZie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel
                    8.1.1.</al><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheidenDeze eis is
                    nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de aanwezigheid van de
                    vergunning of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                    last onder dwangsom dat leidt tot het slopen mag degene die de werkzaamheden
                    verricht - in de regel een ander dan de houder van de vergunning - geacht worden
                    de voorwaarden te kennen.Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de
                    omgevingsvergunning voor het slopen, indien deze mede betrekking heeft op
                    asbest, een afschrift van deze vergunning ter hand stelt aan de
                    sloopaannemer.</al><al>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 AsbestDe artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben
                    betrekking op het slopen van asbest. De betekenis van de artikelen kan als volgt
                    worden onderscheiden. Artikel 8.3.3 schept verplichtingen voor de houder van de
                    omgevingsvergunning voor het slopen. Artikel 8.3.4 geldt voor de gevallen dat
                    vooraf de aanwezigheid van asbest niet bekend was. Deze situatie kan zich
                    voordoen in alle gevallen dat wordt gesloopt. Artikel 8.3.5 geldt voor alle
                    situaties dat asbest wordt gesloopt, dus zowel op grond van een
                    omgevingsvergunning voor het slopen als op grond van een mededeling naar
                    aanleiding van een melding. De eis dat bij het slopen de beste bestaande
                    technieken worden toegepast geldt krachtens het derde lid van dit artikel echter
                    niet voor het slopen op grondvan een mededeling.</al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                    slopenDe leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10,
                    letters k, l, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden
                    bevatten verplichtingen voor de houder van de omgevingsvergunning voor het
                    slopen.Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat degene die opdracht geeft tot het
                    slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift van het
                    asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht.
                    Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar staat
                    op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de
                    bouwverordening.</al><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die slooptLid 1Het kan gebeuren dat tijdens
                    sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt aangetroffen. Dit artikel stelt
                    een meldingplicht in. Vanaf het moment dat asbest wordt gevonden moet voor het
                    (verder) slopen daarvan een daarop gerichte vergunning of mededeling naar
                    aanleiding van een melding aanwezig zijn. Die moet er eerst komen, voordat het
                    asbest mag worden gesloopt.Handhaving van deze bepaling kan geschieden door
                    middel van het stilleggen van de loopwerkzaamheden door toepassing van
                    bestuursdwang.</al><al>Lid 2De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven
                    tot tijdige controles tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk.Indien het
                    bevoegd gezag de ontvangst van een melding van de voltooiing van een sloopwerk
                    bevestigt, bijv. door de melding af te stempelen en van de ontvangstdatum te
                    voorzien, is die bevestiging een administratieve handeling die niet meer inhoudt
                    dan een bewijs dat er is gesloopt. De gemeente aanvaardt daarmee geen
                    aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden bij het slopen en het scheiden
                    en gescheiden houden van het sloopafval.</al><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbestArtikel 7 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de voorschriften voor de wijze van
                    slopen, verpakken en opslaan van asbest voorzover dit gebeurt anders dan in de
                    uitoefening van een beroep of bedrijf. Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig
                    verrichten van deze handelingen gelden regels op basis van het
                    Arbeidsomstandighedenbesluit en de desbetreffende certificering.</al><al>Voor degenen die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een
                    handeling als hiervoor bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 een vergelijkbare verplichting. Van de
                    bevoegdheid om op grond van het tweede lid van artikel 8 een ministeriële
                    regeling te doen uitgaan heeft de minister van VROM tot nog toe geen gebruik
                    gemaakt.</al><al>De leden 1 en 2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding van
                    asbest wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de minister
                    op grond van het tweede lid van artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding hogere en lagere regelgeving
                    vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking.</al><al>Paragraaf 4 Vrij slopenArtikel 8.4.1 Sloopafval algemeenZoals hiervoor bij
                    artikel 8.1.1 toegelicht, zijn er redenen om de plicht tot het hebben van een
                    vergunning te koppelen aan een ondergrens van 10 m3 sloopafval. Dit betekent
                    niet dat al het sloopafval dat minder dan 10 m3 bedraagt, niet gescheiden zou
                    behoeven te worden.De fracties waarin het sloopafval verplicht moet worden
                    gescheiden, uiteraard voor zover die stoffen daarin voorkomen, betreffen
                    gevaarlijke of verontreinigde stoffen die niet mogen worden gemengd met het
                    overige afval. In de opsomming is asbest niet opgenomen, omdat dit immers nooit
                    zonder vergunning of zonder melding mag worden verwijderd. Preventief toezicht
                    op de naleving van het onderhavige artikel is niet voorzien. De handhaving vindt
                    bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet meer dan 10 m3, uitsluitend
                    repressief plaats. </al><al>Transponeringstabel artikelen Asbestverwijderingsbesluit 2005 en MBV incl. 11e
                    serie wijzigingenAsbestverwijderingsbesluit 2005 MBV inclusief 11e serie
                    wijzigingen </al><table summary=""><title/><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al>Asbestverwijderingsbesluit 2005</al></entry><entry><al>MBV inclusief 11e serie wijzigingen</al></entry></row><row><entry><al>Art.3</al></entry><entry><al>H 8, Toelichting Algemeen</al></entry></row><row><entry><al>Art.3, lid 3</al></entry><entry><al>H 8, Telichting calamiteit</al></entry></row><row><entry><al>Art. 4, lid 1, sub a</al></entry><entry><al>8.1.2, lid 3, sub c</al></entry></row><row><entry><al>Art. 4, lid 1, sub b</al></entry><entry><al>8.2.2, lid 1, sub c</al></entry></row><row><entry><al>Art. 4 lid 2, sub b,c,d en e</al></entry><entry><al>8.2.2., lid 1, sub a,b,d en e</al></entry></row><row><entry><al>Art. 4, lid 3, sub a,b, en c</al></entry><entry><al>8.2.1, lid 1, sub a en b</al></entry></row><row><entry><al>Art. 5</al></entry><entry><al>8.3.3, lid 3 vervallen</al></entry></row><row><entry><al>Art. 6</al></entry><entry><al>1.1 (Begripsbepalingen)</al></entry></row><row><entry><al>Art. 7</al></entry><entry><al>H.8 Toelichting Algemeen brochure VROM nog niet gereed</al></entry></row><row><entry><al>Art. 8, lid 1</al></entry><entry><al>8.3.5, lid 1 en 2</al></entry></row><row><entry><al>Art. 8, lid 2</al></entry><entry><al>Min. Besluit is er nog niet</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10 letter a</al></entry><entry><al>8.1.1</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10 letter b</al></entry><entry><al>8.1.2, lid 3, sub c</al></entry></row><row><entry><al>Art.10, letter c</al></entry><entry><al>8.2.1</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter d</al></entry><entry><al>8.2.1, lid 7</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter e</al></entry><entry><al>8.2.1, lid 8</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter f</al></entry><entry><al>8.2.1, lid 9</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter g</al></entry><entry><al>8.2.1, lid 8</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter h</al></entry><entry><al>8.1.2, lid 12</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter i</al></entry><entry><al>8.1.4, lid 2</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, letter j</al></entry><entry><al>8.1.2, lid 4</al></entry></row><row><entry><al>Art. 10, lettters k,l,m en n</al></entry><entry><al>8.3.3, lid 1 t/m 4</al></entry></row><row><entry><al>Art. 11</al></entry><entry><al>12.1, lid 1 en 2</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezichtAlgemeenIn hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel
                    procedurele als inhoudelijke artikelen met betrekking tot het welstandstoezicht
                    opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde lid van de Woningwet bevat de
                    bouwverordening voorschriften over de samenstelling, inrichting en werkwijze van
                    de welstandscommissie. De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet
                    concreet uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen
                    nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien
                    een gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke
                    keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de provinciale
                    welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief te nemen en is het
                    aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze te onderschrijven. Het is
                    noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale situatie of
                    een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te stellen als
                    bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk reglement
                    niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel dezelfde
                    procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke bouwverordening.</al><al>Welstandscriteria en welstandsnotaAlleen als in een welstandsnota aan de hand
                    van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand
                    kan het bevoegd gezag een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van
                    welstand en kan de welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken
                    waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan
                    minimale welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen
                    burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in
                    strijd is met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op
                    te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen.
                    Zonder nota met criteria is geen welstandstoezicht mogelijk.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend
                    deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                    verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van
                    de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van
                    landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De
                    bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste
                    gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                    aanleiding om en behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist
                    verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake
                    van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                    zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt
                    gevolgd.Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen
                    buiten toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al>Relatie bestemmingsplan en welstandDe jurisprudentie op basis van de Woningwet
                    gaat uit van de voorrangsregel uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de
                    welstandstoets zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende
                    bestemmingsplan biedt.Het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van de
                    Woningwet omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De
                    voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing.
                    De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is
                    blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999,
                    356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119). In lijn met artikel 9 Woningwet
                    is de voorrang van het bestemmingsplan op de welstandseisen geregeld in artikel
                    12, derde lid van de Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook de
                    stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening boven de welstandseisen
                    prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet
                    vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekken
                    bij de advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument
                    waarmee, langs de in de Wet op de ruimtelijke ordening aangegeven en met
                    bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de
                    daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit
                    betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële
                    verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het
                    bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n.
                    A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate
                    het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te
                    realiseren. Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid
                    Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan
                    en welstand.</al><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissieOnder het regime van de
                    Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een welstandsnota is
                    vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder
                    redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het bevoegd gezag
                    beslist.</al><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie een
                    stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                    voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de stadsbouwmeester.De
                    adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel
                    provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor de
                    welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale welstandsorganisatie,
                    die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een
                    privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een
                    provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                    welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                    artikel 9.2.</al><al>Voor de welstandsadvisering kan worden gebruikgemaakt van de diensten van een
                    provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan hebben van een
                    gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze vereniging of
                    stichting dient dan door de gemeenteraad als welstandscommissie te worden
                    aangewezen. De vereniging of stichting draagt uit haar midden personen voor aan
                    b&amp;w om door de gemeenteraad te worden benoemd. De welstandscommissie
                    adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissieOnafhankelijkheidVoor elk
                    afzonderlijk lid van deze commissie geldt het onafhankelijkheidsvereiste.
                    Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden van de commissie niet
                    ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het raadzaam bij de selectie
                    van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op mogelijk tegenstrijdige
                    belangen. Deelneming van leden van het college van burgemeester en wethouders of
                    van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een aanvraag voor een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie voor de eigen
                    gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten neemt, is in
                    dit verband uitgesloten.</al><al>Deskundigen en burgersIn de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend
                    'deskundigen' zitting te hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door
                    ervaring en opleiding kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie.
                    Van deskundige commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen,
                    actieve beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking
                    verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de
                    gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het gemeentebestuur in de
                    welstandscommissie kunnen worden benoemd. De gemeenteraad beslist over de
                    benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke verplichting om niet-
                    deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie.</al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris is
                    geen lid van de welstandscommissie.</al><al>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduurHet vierde lid van artikel 12b van de
                    Woningwet beperkt de zittingsduur van de leden van de welstandscommissie tot ten
                    hoogste drie jaar met een eenmalige mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens
                    maximaal drie jaar in de commissie die in de desbetreffende gemeente werkzaam
                    is. Daarmee wordt beoogd de doorstroming van de leden van de welstandscommissie
                    te bevorderen. Kennelijk is op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking
                    van de zittingsduur in concrete situaties de continuïteit van de commissies in
                    gevaar kan brengen.Het is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de
                    benoemingsprocedure voor (deskundige) leden op te nemen in de MBV. Een reglement
                    van orde dat als bijlage 9 bij de bouwverordening dient te worden vastgesteld en
                    toegesneden is op de lokale situatie, is hiervoor geschikter. In een dergelijk
                    reglement van orde lijkt het zinvol om onder meer een benoemingsboekhouding te
                    regelen om in geval van bezwaren en beroepen tegen onbevoegd gegeven
                    welstandsadviezen zittingstermijnen van leden/voorzitter aan te kunnen
                    tonen.</al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoordingJaarverslag welstandscommissieEen
                    jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota als
                    beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling
                    en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in specifieke gevallen is
                    afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van de
                    welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet. Het
                    jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van het
                    gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota.
                    Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het jaarverslag
                    tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan uitgaande dat
                    de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt behandeld, zou
                    het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni.</al><al>Jaarverslag burgemeester en wethoudersTeneinde de politieke verantwoordelijkheid
                    voor de uitoefening van het welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid
                    van de raad bij de welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en
                    wethouders ingevolge artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd
                    jaarverslagen omtrent de toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan
                    de gemeenteraad. In dit jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:-
                    op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                    welstandsadviezen;- op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                    vergaderen;- in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben
                    genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                    dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als
                    bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan
                    zijn overgegaan.Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen
                    jaarverslag over ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.Tezamen met het
                    jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het gemeentelijk
                    welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat bevorderd.In de
                    Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en wethouders
                    opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al>Artikel 9.5 Termijn van adviseringDe termijnen voor de behandeling van
                    bouwplannen ter verkrijging van een omgevingsvergunning voor het bouwen staan in
                    de Wabo. Deze termijnen zijn beduidend korter dan voorheen in de Woningwet.
                    Hierdoor ontstaat voor de welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel
                    is de advisering binnen de Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een
                    verlenging van de adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo
                    de beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd. De mogelijkheid van
                    beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele voorprocedure blijft
                    mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de ontvangst van verzoek om
                    vergunning. Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten
                    aanzien waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het
                    raadzaam gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de
                    beslistermijn.</al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichtingOpenbaar
                    vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat nu voor de
                    welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de Woningwet. De
                    wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in openbaarheid.
                    Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een beroep doet op
                    artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige aangelegenheden
                    aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te
                    weigeren. Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de
                    welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben
                    op de geagendeerde aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ter
                    inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking.
                    De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.Met betrekking tot de
                    openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een onderscheid te worden gemaakt
                    tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager van de omgevingsvergunning en
                    anderzijds andere belanghebbenden.Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte
                    verplichting dat de mogelijkheid tot toelichting van het bouwplan ten overstaan
                    van de welstandscommissie dient te worden geboden aan de aanvrager van de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen.Desondanks is het inbouwen van een moment
                    voor de aanvrager om zijn aanvraag toe te lichten zeer zinvol. Bij de
                    aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig - wellicht eerder tot
                    alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de noodzaak om een
                    hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind. Indien er in het kader
                    van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt geboden aan anderen dan de
                    aanvrager, is het zinvol de kring van spreekgerechtigden te beperken tot
                    belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat
                    allerlei personen tijdens de vergadering van de welstandscommissie kunnen
                    inspreken, terwijl die in een eventuele rechterlijke procedure tegen de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht van spreken' hebben omdat zij
                    geen belanghebbenden zijn. De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op
                    het tijdstip waarop de vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd.
                    Dat tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende
                    tijd hebben om zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht
                    toegekend, dan kan de termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige
                    voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake is. De verplichting tot
                    openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het
                    welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel
                    vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal door een of
                    meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd. De
                    potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient.</al><al>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaatIn de praktijk kan, gelet op de korte
                    beslistermijnen, behoefte bestaan aan mandaat.De meest voorkomende vorm van
                    mandaat aan één persoon komt neer op de afdoening van een welstandsadvies door
                    een gemandateerde bij plannen waarvan de mening van de welstandscommissie als
                    bekend mag worden verondersteld.Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook
                    kiezen voor mandatering met betrekking tot bepaalde categorieën
                    bouwwerken.Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten.
                    Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen onder
                    mandaat vraagt met name ten aanzien van de openbaarheid enige aandacht. Met name
                    in geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine
                    bouwwerken zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen
                    door de gemandateerde bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per
                    bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden
                    voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebrachtLid 1Het eerste lid van
                    artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt vast, namelijk het
                    motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is
                    opgenomen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat bij positieve
                    welstandsadvisering een expliciete motivering achterwege blijft. Volgens vaste
                    jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de (voorheen)
                    bouwvergunning wordt ingediend.</al><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerkenIndien de raad een
                    gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van welstandstoezicht, stelt de raad
                    alternatief 3 of alternatief 4 van de MBV vast. Het desbetreffende gebied is
                    aangeduid op de kaartbijlage als bedoeld in artikel 1.3 MBV.</al><al>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriftenHet onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's). </al><al/><al>Hoofdstuk 11 HandhavingAlgemeenHet niet naleven van de voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003, de bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor
                    bestaande bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van
                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden,
                    zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist
                    is. Het Bouwbesluit 2003 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor
                    de bouwverordening krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor
                    het welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet.
                    Met het generieke handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de
                    Awb kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander
                    bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2003,
                    dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk
                    niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld
                    naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota. Tenzij sprake is van
                    spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb met zich mee dat een
                    belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben tegen een
                    voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld zijn
                    zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient vervolgens
                    zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het Bouwbesluit 2003
                    het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in strijd is en met
                    welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of ander bouwwerk weer
                    in overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen
                    de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan
                    overeenkomstig artikel 5:24, vierde lid, van de Awb de toepassing van
                    bestuursdwang voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid, van de
                    Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.Tegen een handhavingsbesluit staan
                    de normale rechtsmiddelen open die de Awb in samenhang met de Wet op de Raad van
                    State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep en daarnaast de mogelijkheid om een
                    voorlopige voorziening te vragen).Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet
                    blijft de mogelijkheid bestaan om met toepassing van bestuursdwang of op grond
                    van artikel 5:32 van de Awb met een last onder dwangsom, handhavend op te treden
                    tegen illegale bouw- en sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van
                    deze werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een
                    vereiste vergunning wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende
                    aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel
                    5:24, vijfde lid Awb. Het direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw-
                    of sloopwerkzaamheden is er immers opgericht te voorkomen dat de illegale
                    situatie verder in omvang toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk
                    voor voldongen feiten worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden
                    verwezen naar de uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11
                    juni 2003 (BR 2003, 893). </al><al>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingenAlgemeenAlle artikelen van deze
                    verordening op overtreding waarvan straf is gesteld steunen op artikel 7b van de
                    Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op de economische
                    delicten.</al><al>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                    terreinenDe artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor
                    bestaande situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen
                    voldoen en redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe
                    situaties - dat wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze
                    voorschriften - lijkt de eis wel redelijk. Wanneer een bestaand gebouw, dat
                    krachtens deze overgangsbepaling niet aan de nieuwe voorschriften behoeft te
                    voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een vergunning nodig is op grond van artikel
                    40 van de Woningwet, kunnen in die vergunning eisen omtrent de bereikbaarheid
                    van dat gebouw worden gesteld. Dit om te voorkomendat een eenmaal bestaand
                    gebouw nimmer aan meer eigentijdse eisen van bereikbaarheid zou behoeven te
                    voldoen. </al><al/><al>Bijlagen bij de toelichting Bijlage 5Activiteiten samenhangende met slopen en
                    bedreigingen </al><al/><table summary=""><title/><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al>Activiteiten samenhangende met sloopproject</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>Sloopmethode</vet></al></entry><entry><al><vet>Bedreiging</vet></al></entry></row><row><entry><al>Beulen (slopen met behulp van slingeren, zwaaien, vallen van
                                        bal)</al></entry><entry><al>- onvoldoende afstand tot gebouwen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- stof bij insorten</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- overmatige trillingen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry><al>Omduwen/omtrekken (uitoefenen kracht haaks op lengterichting
                                        met als gevolg breuk)</al></entry><entry><al>- stof bij instorten</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- wegspatten dommekracht (hefboom)</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry><al>Expanderen (sloopmethode die gebruik maakt van bepaalde
                                        stoffen die een aanzienlijke volumevergroting vertonden;
                                        o.a. explosieven)</al></entry><entry><al>- rondvliegend puin</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- opslag e.d.</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- trillingen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- verzakkingen</al></entry></row><row><entry><al>Afhijsen (knijpen)</al></entry><entry><al>- vallend materiaal/onvoldoende afstand</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- omvallen kraan/maximum hijslast</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- afbreken hijslast</al></entry></row><row><entry><al>Trekken (uitoefen kracht in de lengterichting)</al></entry><entry><al>- kantelen trekapparatuur</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- stapelen palen</al></entry></row><row><entry><al>Overige methoden:</al></entry><entry><al> Slopen in het algmeen met de hand vanaf stellingen, al dan
                                        niet met behulp van werktuigen. Hierbij kan indien het
                                        bouwhek niet vergenoeg staan puin, gereedschap e.e. buiten
                                        het sloopterrein vallen.</al></entry></row><row><entry><al>Materieel (bouwkranen, mobiele puinbrekers)</al></entry><entry><al>- aan- en afvoer</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- op- en afbouw</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- afbreken hijslast of delen daarvan</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- omvallen kraan</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- overschrijden max. wegbelasting</al></entry></row><row><entry><al>Sloopobject</al></entry><entry><al>- omvallen bouwdelen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- wegspattend/vallend puin en gereedschap</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- verontreinigd sloopmateriaal</al></entry></row><row><entry><al>Activiteit samenhangende met sloopproject</al></entry><entry><al>Bedreiging</al></entry></row><row><entry><al>Sloopterrein</al></entry><entry><al>- afkalven, instorten bouwputten</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- opslag van materialen en amterieel</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- onvoldoende afgrenzing</al></entry></row><row><entry><al>Bouwputten en -sleuven</al></entry><entry><al>- instorten/afkalven bouwputten en sleuven</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>- onjuiste bemaling</al></entry></row><row><entry><al>Bodemverontreiniging en afvoer van sloopmaterialen</al></entry><entry><al>Veiligheidsaspecten reeds gedekt: p-bladen arbeidsinspectie
                                        en APV's</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bijlage 6 Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve
                    van de opsteller van het sloopveiligheidsplan</al><al/><table summary=""><title/><tgroup cols="4"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><colspec colname="col4"/><tbody><row><entry><al>Bedreigde functies en objecten</al></entry><entry><al>Mogelijke maatregelen (bron-, pad- en objectgericht</al></entry><entry><al>aanbevelingen</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Belendingen</al></entry><entry><al>Bouwkundige staat</al></entry><entry><al>- constructie scheiden</al></entry><entry><al>overleg met eigenaar /beheerder</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- trillingsarm slopen belendingen (in extremo: met de
                                        hand)</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- stutten/stempelen bouwputtne- en sleuven</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- gecontroleerd bemalen</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- voorzieningen i.v.m. gemeenschappelijke bouwmuren en
                                        funderingen</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>Gebruikers</al></entry><entry><al>- trillingsarm slopen</al></entry><entry><al>Voorlichting gebruikers</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- slopen op bepaalde dagen/tijden</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- in extreme situaties (calamiteiten): ontruimen</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- rekening houden met verontreinigd sloopmateriaal, zoals
                                        asbest</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>Gebruiksfuncties</al></entry><entry><al>- vrijhouden/ toegankelijk houden belendende gebouwen</al></entry><entry><al>Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan
                                        verkeersciculatieplan</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>- aangepaste werktijden</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>Gedeeltelijk te slopen objecten</al></entry><entry><al>Bouwkundige staat resterende constructie</al></entry><entry><al>- toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat
                                        betreft veiligheid. Zie ook bouwkundige staat
                                        belendingen</al></entry><entry><al>Getoetst dient te worden aan de regelgeving met betrekking
                                        tot veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voor bestaande
                                        situaties. Voor mogelijke maatregelen een aanbevelingen zie
                                        "belendingen"</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>Gebruikers resterende constructie</al></entry><entry><al>- toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening wat betreft
                                        veiligheid en gezondheid. Zie ook gebruikers
                                        belendingen.</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>Gebruiksfuncties reseterende constructie (school,
                                        ziekenhuis, e.d.)</al></entry><entry><al>- toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening wat betreft
                                        bruikbaarheid. Zie ook gebruiksfuncties belendingen</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>Infrastructuur</al></entry><entry><al>Kabels, leidingen en rioleringen</al></entry><entry><al>- aangepaste sloopmethode</al></entry><entry><al>Regelen in vooroverleg met betreffende nutsbedrijven</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- stutten</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- beschermen</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- (afdekken)</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- afsluiten</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- omleggen</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- hijsplan bij grote hijsklussen</al></entry><entry><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table summary=""><title/><tgroup cols="4"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><colspec colname="col4"/><tbody><row><entry><al>Bedreigde functies en objecten</al></entry><entry><al>Mogelijke maatregelen (bron-, pad- en object-gericht)</al></entry><entry><al>Aanbevelingen</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>Straatmeubilair (lantaarnpalen e.d.)</al></entry><entry><al>- beschermen</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- afsluiten</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- verwijderen</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- afdekken (schotten, rijplaten, zand)</al></entry><entry><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>- aangepaste sloopmethode</al></entry><entry><al>-</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>Waterkundige werken (kanalen, sluizen, dijken e.d.)</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>Overig (tunnels e.d.)</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instantie</al></entry></row><row><entry><al>Verkeerssituatie</al></entry><entry><al>Voetgangers en fietsers</al></entry><entry><al>- afdoende afgrenzen sloopterrein</al></entry><entry><al>Bij complexe situaties: verkeersciculatieplan. Regelen in
                                        vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> -</al></entry><entry><al> - uitstekers (valschermen)</al></entry><entry><al> -</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> -</al></entry><entry><al> - voetgangerstunnels</al></entry><entry><al> -</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> -</al></entry><entry><al> - afzetten weggedeelte met hekwerk</al></entry><entry><al> -</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> -</al></entry><entry><al> - (tijdelijk) afzetten van de gehele weg</al></entry><entry><al> -</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> Overig wegverkeer (openbaar vervoer, auto's)</al></entry><entry><al> - afdoende afgrenzen sloopterrein</al></entry><entry><al> Bij complexe situaties:</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> -</al></entry><entry><al> - vrijhouden en waarborgen veiligheid boven leidingen trams
                                        en trolleys</al></entry><entry><al> Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> -</al></entry><entry><al> - uitstekers</al></entry><entry><al> -</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> -</al></entry><entry><al> - afzetten verkeersciculatieplan</al></entry><entry><al> -</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> Routes voor brandweer- en ziekenhuis auto"s e.d.</al></entry><entry><al> - vrijhouden weg</al></entry><entry><al> Bij complexe situaties: verkeersciculatieplan</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> -</al></entry><entry><al> - aangepaste sloopmethode</al></entry><entry><al> Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> -</al></entry><entry><al> - beperken overige verkeersstroom</al></entry><entry><al> -</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> Spoorwegen</al></entry><entry><al> Regelen in vooroverleg met NS</al></entry><entry><al> -</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> Scheepvaart</al></entry><entry><al> Regelen in vooroverleg met waterbeheerder (RWS, provincie,
                                        waterschap en gemeente)</al></entry><entry><al> -</al></entry></row><row><entry><al> Bijzondere omstandigheden</al></entry><entry><al> Veel omstanders</al></entry><entry><al> - aanbrengen extra voorzieningen</al></entry><entry><al> Vooraf informeren omwonenden</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> -</al></entry><entry><al>- afzetten wegen </al></entry><entry><al> Bij grote manifestaties overleg met gemeente</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> Calamiteiten (slopen na brand, explosies e.d)</al></entry><entry><al> - afzetten weg</al></entry><entry><al> Overleg met deskundige instanties</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> -</al></entry><entry><al> - ontruimen belendende percelen</al></entry><entry><al> -</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al>Vandalen en daklozen</al></entry><entry><al> - extra afscheiding</al></entry><entry><al> -</al></entry></row><row><entry><al> -</al></entry><entry><al> -</al></entry><entry><al> - verscherpt toezicht</al></entry><entry><al> -</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Bijlage 7 Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplanVoorbeeld
                    inhoudsopgave sloopveiligheidsplan1. Naam en correspondentieadres van de
                    aannemer2. Ligging van het te slopen perceel3. Doel en opzet
                    sloopveiligheidsplan4. Beschrijving werkzaamheden5. Beschrijving toe te passen
                    sloopmethode(n) en materialen, materieel en hulp- en beveiligingsmiddelen6.
                    Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met betrekking tot externe
                    veiligheid7. Betrokken instanties8. Dagindeling werkzaamheden9. Instructies aan
                    werknemers10. Instructies/voorlichting omwonenden11. Voorgenomen
                    veiligheidsmaatregelen12. Uitvoering toezicht op maatregelen13. LogboekBijlagen
                    bij het sloopveiligheidsplana. belangrijke telefoonnummersb. tekening waarop
                    staat aangegeven: - de situering van het sloopobject;- de plaats van de
                    bouwkranen;- de aan- en afvoerwegen;- de laad-, los- en hijszones;- de plaats
                    van de bouwketen;- de situering van het sloopobject ten opzichte van
                    aangrenzende wegen, bouwwerken e.d.;- de grenzen van het sloopterrein,
                    waarbinnen alle sloopwerkzaamheden, het laden en lossen daaronder begrepen,
                    plaatsvinden;- de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige leidingen;- de
                    plaats van ander hulpmaterieel. De schaal van deze tekening mag niet kleiner
                    zijn dan 1:1.000. (indien nodig bij detailleringen niet kleiner dan 1:100).c.
                    controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de werkend. transportroutes
                    afkomende materialen </al><al><vet>Bijlage 8 Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop</vet></al><al/><table summary=""><title/><tgroup cols="4"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><colspec colname="col4"/><tbody><row><entry><al>Niveau I minimumscheiding</al></entry><entry><al>niveau I - plus minimumscheiding</al></entry><entry><al>niveau II</al></entry><entry><al>niveau III maximumscheiding</al></entry></row><row><entry><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch
                                        verontreinigde afvalstromen)</al></entry><entry><al>gevaalrijk afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch
                                        verontreinigde afvalstromen)</al></entry><entry><al>olieporducten overig gevaarlijk afval</al></entry><entry><al>afgewerkte olie brandstofrestanten</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>batterijen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>accu's</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>schoorsteenkanalen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>rookkanalen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>overig chemisch belast puin</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>verontreinigde leidingen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>oliehoudende elementen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>coatiings, kitten</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>bitumineuze materialen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>zeefzand</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>tl-buizen/starters</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>halogeen lampen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>niet uitputtende lijst, voor overzicht zie EURAL</al></entry></row><row><entry><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al></entry><entry><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al></entry><entry><al>asbestproducten golfplaat</al></entry><entry><al>spouwbladen brandwerende platen isolatiemateriaal producten
                                        niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopfval</al></entry><entry><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopfval</al></entry></row><row><entry><al>metalen</al></entry><entry><al>metalen</al></entry><entry><al>ferro</al></entry><entry><al>constructiebalken e.d</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>metalen trappen e.d</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>betonijzer</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>schroot</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>tanks, silo's</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>non ferro</al></entry><entry><al>aluminium (kozijnen, instructies) lood (buis, slabben)</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>zink (regenpijp dakgoot) koperbuis</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>non ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>elektriciteitskabels</al></entry><entry><al>kabels 220 V</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>kabels &gt; 220 V</al></entry></row><row><entry><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al></entry><entry><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al></entry><entry><al>beton</al></entry><entry><al>gewapend beton</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>schuimbeton</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>gasbeton</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>staalvezelbeton</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>hoge sterkte betonproducten</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>beton niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>metselwerk</al></entry><entry><al>metselwerkpuin</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>metselmortel</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>kalkzandsteen</al></entry><entry><al>metselwerkpuin</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>bouwblokken</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>dakpannen/bedekking (beton, keramiek, leisteen)</al></entry><entry><al>intacte dakpannen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>gebroken dakpannen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>dakleien</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>keramiek</al></entry><entry><al>wandtegels</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>plavuizen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>sanitair</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>gipshoudende elementen</al></entry><entry><al>gipsplaat</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>stucwerk</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>anhydriet</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>vloeren</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>gipsvezelplaat</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>gipshoudende elementen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>asfalt</al></entry><entry><al>asfaltbeton</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>asfaltpuin</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>freesafval</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>steenwol</al></entry><entry><al>steenwol</al></entry><entry><al>steenwol</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>glaswol</al></entry><entry><al>glaswol</al></entry><entry><al>glaswol</al></entry></row><row><entry><al>massief hout (zonder verduurzamingsmiddelen, direct
                                        herbruikbaar)</al></entry><entry><al>massief hout (zonder verduurzamingsmiddelen, direct
                                        herbruikbaar)</al></entry><entry><al>massief hout (direct herbruikbaar)</al></entry><entry><al>balken</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>vloerdelen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>trapelementen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>dakbeschot</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>regels/tengels</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>pallets</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>schoon hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>geverfd/gelakt hout</al></entry><entry><al>gevelelementen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>kozijnen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>deuren</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>parketvloeren</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>geverfd/gelakt hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>verlijmd hout (plaatmateriaal)</al></entry><entry><al>spaanplaat</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>mulitplex</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>hardboard</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>vezelplaat</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>houtwolcementplaat</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>bekistingsplaat</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>vloerplaat</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>plaatmateriaal niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>geïmpregneerd hout</al></entry><entry><al>tuinhout</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>bielzen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>geïmpregneerd hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry><al>overig afval</al></entry><entry><al>kunstof gevelelementen</al></entry><entry><al>kunststof gevelelementen</al></entry><entry><al>kunststof gevelelementen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>PVC- en PE- leidingen</al></entry><entry><al>PVC</al></entry><entry><al>leidingssystemen (riolering, afvoer)</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>PP en PE</al></entry><entry><al>leidingssystemen (riolering, afvoer)</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>dakfolies</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>wandfolies</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>vlak glas</al></entry><entry><al>vlak gas</al></entry><entry><al>vlak gas</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>draadgles</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>spiegelglas</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>dubbelglas</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>HR- en LE-glas</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>papier en karton</al></entry><entry><al>papier en karton</al></entry><entry><al>papier</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>karton</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>overig afval</al></entry><entry><al>LDPE/HDPE</al></entry><entry><al>dakfolies</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>wandfolies</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>leidingssystemen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>XPS/EPS</al></entry><entry><al>vloerisolatie</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>dakisolatie</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>wandisolatie</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>PUR</al></entry><entry><al>isolatieplaten</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>PUR-producten niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>overige kunststoffen gemengd</al></entry><entry><al>EPDM</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>overige kunststoffen gemengd</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>cellulose isolaties</al></entry><entry><al>cellulose isolaties</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>textiel</al></entry><entry><al>gordijnen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>vloerbedekking</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>door vuil hergebruik ongeschikte materialen</al></entry><entry><al>folies met aanhangend papier/karton met aanhangend vuil
                                        textiel met aanhangend vuil glas met kitresten</al></entry></row><row><entry><al>composiet-materialen</al></entry><entry><al>beton met PS-platen sandwichpanelen metwelwerk met
                                        stucwerk</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>beton met stucwerk</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>thermohardende kunststoffen</al></entry><entry><al>meterkasten</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>deurknoppen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>overig afval</al></entry><entry><al>overig afval</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Toelichting tabelIn de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I en
                    niveau I-plus staan voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in artikel
                    8.4.1. Dit minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de vereiste
                    minimumscheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee niveaus,
                    respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeenteraad bij de vaststelling
                    van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee alternatieven.Niveau III
                    geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een maximale
                    scheiding.Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder
                    inzicht wordt verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De
                    verschillende categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden
                    onderscheiden, kunnen niet worden opgevat als definitieve oplossingen met
                    betrekking tot scheiden.Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel kan
                    worden gebruikt als hulpmiddel.- Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch
                    belaste afvalstromen:Op het gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing
                    gevaarlijke afvalstoffen van toepassing (EURAL). Het scheiden van de
                    herbruikbare componenten uit het gevaarlijke afval heeft alleen zin indien deze
                    gescheiden worden op niveau III.- Asbest en asbesthoudende afvalstromenHet
                    scheiden van asbestproducten tot op niveau III is niet zinvol. Volstaan kan
                    worden met het apart houden van asbest en asbesthoudende producten in één
                    afvalstroom, omdat asbest altijd moet worden gestort.- Overige afvalstromenHet
                    scheiden van de diverse componenten is alleen zinvol indien hiermee een
                    afvalstroom wordt verkregen die in aanmerking komt voor hergebruik en waarvoor
                    inzamel- en verwerkings- of bewerkingscapaciteit bestaan.Voor sommige
                    componenten betekent dit dat gescheiden dient te worden tot niveau III
                    (bijvoorbeeld bepaalde betonproducten, steenachtige isolatiematerialen,
                    dakpannen, metalen, kunststoffen, glas, schoon hout). Voor andere componenten
                    kan ook worden volstaan met scheiding op niveau II (asfalt, metselwerk,
                    kalkzandsteen, geverfd en gelakt hout, verlijmd hout, papier en karton, textiel,
                    kabels).- Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q. chemisch verontreinigde)
                    afvalstromenIn verband met het stortverbod voor bouw- en sloopafval, moet ook
                    deze categorie worden beschouwd als overig afval en worden afgevoerd naar de
                    sorteerinrichting.De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij
                    het bepalen van de mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de
                    sloopvergunning.Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de
                    verschillende inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat
                    deze regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig
                    zijn.Het is daarom noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar,
                    verantwoordelijk voor de controle van de vergunningaanvraag, op de hoogte is van
                    de lokale en regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende
                    afvalstromen.Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen.
                    Grond die tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan
                    dus geen onderwerp zijn in een voorschrift van de sloopvergunning. Toch verdient
                    het aanbeveling alert te zijn op de afvoer van (verontreinigde) grond. </al><al>Bijlage 10 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                    vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al><al/><table summary=""><title/><tgroup cols="4"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><colspec colname="col4"/><tbody><row><entry><al><vet>Product</vet></al></entry><entry><al><vet>Mogelijk toegepast in</vet></al></entry><entry><al><vet>Mate waarin het is toegepast</vet></al></entry><entry><al><vet>Uiterlijk</vet></al></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, vlakke plaat</al></entry><entry><al>Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen</al></entry><entry><al>Vaak</al></entry><entry><al>Griijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan een kant
                                        "wafelstructuur"</al></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating</al></entry><entry><al>Decoratieve buitengevels, galerij</al></entry><entry><al>Vrij algemeen in flats</al></entry><entry><al>Als vlakke plaat maar met een kant gekleurde geëmailleerde
                                        of gespoten coating</al></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal</al></entry><entry><al>Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen</al></entry><entry><al>Vaak</al></entry><entry><al>Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat</al></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, bloembak</al></entry><entry><al>Zowel buiten als binnen, balkons</al></entry><entry><al>Vaak</al></entry><entry><al>In diverse vormen, verder als plaat, meestal dunner dan
                                        betonnen bak</al></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, golfplaat</al></entry><entry><al>Daken van schuren en garages</al></entry><entry><al>Vaak</al></entry><entry><al>Als golplaat, in diverse dikten</al></entry></row><row><entry><al>Asbestcement met cellulosevezels (asbestboard)</al></entry><entry><al>Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen,
                                        inpandige kasten</al></entry><entry><al>Soms</al></entry><entry><al>Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard</al></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, dakdelen</al></entry><entry><al>Imitatieleien</al></entry><entry><al>In Nederland weinig toegepast</al></entry><entry><al>Vlakke plaatjes, aan één zijde gecoat</al></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, standleidingen</al></entry><entry><al>Afvoer toilet</al></entry><entry><al>Vaak</al></entry><entry><al>Als luchtkanaal, maar dikker</al></entry></row><row><entry><al>Asbestcement, imitatiemarmer</al></entry><entry><al>Vensterbanken en schoorsteenmantels</al></entry><entry><al>Soms</al></entry><entry><al>Als marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels
                                        zichtbaar</al></entry></row><row><entry><al>Harde asbesthoudende vinyltegels</al></entry><entry><al>Toiletten, keukens</al></entry><entry><al>Soms, meestal bij de bouw gelegd</al></entry><entry><al>Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toelichting tabelHerkennen van asbestAlleen in een laboratorium kan met 100
                    procent zekerheid worden vastgesteld of een materiaal of een product asbest
                    bevat. Wel kunt u materialen herkennen waarin mogelijk asbest zit. Het
                    bovenstaande overzicht helpt daarbij. Dit overzicht is niet volledig.Voor de
                    herkenning van vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de volksmond zeil)
                    waarin mogelijk asbest zit, kan de volgende informatie worden gegeven:-
                    Asbesthoudende vinylvloertegelsTot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te
                    koop, die verstevigd zijn met asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al
                    tijdens de bouw gelegd. Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige
                    ruimten, zoals toiletten en keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje
                    glanzend, vaak met een wit 'gevlamde' decoratie.- Asbesthoudende
                    vinylvloerbedekkingVinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te
                    koop. Het is veel gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in
                    de onderlaag zit asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is
                    lichtgrijs tot lichtbeige en soms lichtgroen.Asbest zit bijna nooit in de
                    volgende soorten vloerbedekking: vloerbedekking van textiel (tapijt);
                    ondertapijt van vilt; breekbaar, dun zeil met een doffe, zwarte of wijnrode
                    onderkant; stijve, zeilachtige vloerbedekkingen met een harde, ruwe onderzijde
                    met daarin een grofmazig juteweefsel, zoals linoleum; buigzaam zeil met een
                    dikke, bruine, harige onderzijde; soepel zeil met een onderkant van kunststof
                    (plastic) of foam (schuim).Ten slotte is het van belang het volgende te weten:
                    Toepassing en verkoop van asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na 1983
                    is vrijwel geen losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren zijn ook
                    asbestvrije cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De in Nederland
                    gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT aan de
                    onderzijde van de plaat. </al></nota-toelichting><bijlage><al>Inhoudsopgave</al><al>Hfdst. 1 Inleidende bepalingen Art. 1.1 Begripsomschrijvingen1.3 Indeling van
                    het gebied van de gemeente</al><al/><al>Lijst van vervallen artikelen en vindplaats van de betreffende
                    voorschriften</al><al>Vervallen artikel: voorschriften: zie: Hfdst. 1 Inleidende bepalingen 1.2
                    Termijnen Wet algemene bepalingenomgevingsrecht</al><al>Hfdst. 2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Wet algemene
                    bepalingenomgevingsrecht/Ministeriële Regeling OmgevingsrechtArt. 2.1.1 Aanvraag
                    bouwvergunning 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens 2.1.3 Bij de aanvraag
                    in te dienen bescheiden 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                    vergunningaanvragen 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bijde
                    aanvraag om bouwvergunning 2.1.7 Bouwregistratie 2.1.8 Bijzondere bepalingen
                    omtrent de aanvraag ombouwvergunning woonwagens en standplaatsen</al><al>Par. 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning Wet algemene
                    bepalingenomgevingsrecht Art. 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag 2.2.2 Samenloop
                    met vrijstelling ruimtelijke ordening 2.2.3 Bekendmaking van termijnen 2.2.4 In
                    behandeling name en fasering bouwvergunningverlening¬ 2.2.5 In behandeling nemen
                    en bodemonderzoek 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                    bouwvergunning</al><al>Par. 3 Welstandstoetsing Welstandsnota Art. 2.3.1 Welstandscriteria</al><al>Par. 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard Bestemmings- en
                    bereikbaarheidseisen plannen2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van vrijstelling
                    van de stedenbouwkundige bepalingen 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn 2.5.6
                    Verbod tot bouwen met overschrijding van devoorgevelrooilijn 2.5.7 Toegelaten
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen
                    van devoorgevelrooilijn 2.5.9 Bouwen op de weg 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel
                    ten opzichte van devoorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken 2.5.11
                    Ligging van de achtergevelrooilijn 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding
                    van deachtergevelrooilijn 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                    achter-gevelrooilijn 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen 2.5.16 Erf bij
                    overige gebouwen 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn 2.5.21
                    Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn 2.5.22 Toegelaten hoogte van
                    zijgevels tegenover eenachtergevelrooilijn </al><al>Vervallen artikel: voorschriften: zie: 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                    achtergevel-rooilijnen 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken 2.5.25
                    Hoogte van bouwwerken op niet aan een weggrenzende terreinen 2.5.26 Wijze van
                    meten van de hoogte van bouwwerken 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de
                    toegelaten bouwhoog¬te 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van detoegelaten
                    bouwhoogte 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnenen van de
                    toegelaten bouwhoogte in geval van voor-bereiding van een bestemmingsplan</al><al>Par. 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en Besluit
                    brand-vluchtrouteaanduidingen veilig gebruik bouwwerken 2.6.1 Beginsel inzake
                    brandmeldinstallatie 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallatie 2.6.3 Omvang
                    van de bewaking door brandmeldinstallaties 2.6.4 Kwaliteit van
                    brandmeldinstallaties 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsinstallaties 2.6.6
                    Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties 2.6.7 Kwaliteit van
                    ontruimingsalarminstallaties 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen 2.6.9
                    Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen 2.6.10 Kwaliteit van
                    vluchtrouteaanduidingen 2.6.11 Gelijkwaardigheid</al><al>Hfdst. 3 De melding ---- Art. 3.1 De wijze van melden 3.2 Welstandscriteria
                    Hfdst. 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw enbij ingebruikneming
                    van een bouwwerk4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie -----</al><al>Hfdst. 5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids-installaties,
                    aansluiting op de nutsvoorzieningen en hetweren van schadelijk en hinderlijk
                    gedierte</al><al>Par. 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtroute- Besluit
                    brand-aanduidingen veilig gebruikbouwwerken 5.2.1 Voorschriften inzake
                    brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen 5.2.2 Aanwezigheid van
                    brandveiligheidsinstallaties in gebouwen niet zijnde woningen, woongebouwen,
                    logies-¬verblij¬ven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen 5.2.3 Aanwezigheid van
                    brandveiligheidinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard 5.2.4
                    Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in logiesverblijven en
                    logiesgebouwen 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                    kantoorge¬bouwen</al><al>Hfdst. 6 Brandveilig gebruik Besluit brand- veilig gebruikbouwwerkenPar. 1
                    Gebruiksvergunning Art. 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk 6.1.2 Aanvraag
                    gebruiksvergunning 6.1.4 Termijn van beslissing</al><al>Vervallen artikel: voorschriften: zie:</al><al>6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning 6.1.7
                    Verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Par. 2 Het voorkomen van brand en het beperken van branden brandgevaar Art.
                    6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken 6.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben
                    6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</al><al>Par. 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen vanongevallen bij brand Art.
                    6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen 6.3.2 Gebruik middelen en
                    voorzieningen</al><al>Hfdst. 7 Overige gebruiksbepalingen7.2.3 Staken van het gebruik van een
                    woonwagen ----</al><al>Hfdst. 8 Slopen Wet algemene bepalingenomgevingsrecht8.1.2 Aanvraag
                    sloopvergunning 8.1.3 In behandeling nemen 8.1.4 Termijn van beslissing 8.1.5
                    Samenloop van slopen en bouwen 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                    tuinbouwkassen</al><al>Hfdst. 10 Overige administratieve bepalingen Wet algemene
                    bepalingenomgevingsrecht10.1 De aanvraag om woonvergunning 10.2 De aanvraag om
                    vergunning tot hergebruik van eenontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of
                    woonwagen 10.3 Overdragen vergunningen 10.4 Overdragen mededeling 10.5 Het
                    kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningenen woonwagens alsmede onbruikbaar
                    verklaarde stand-plaatsen</al><al>Hfdst. 11 Handhaving Wet algemene bepalingen omgevingsrechtArt. 11.1 Stilleggen
                    van de bouw 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming 11.3 Stilleggen
                    van het slopen 11.4 Onderzoek naar een gebrek</al><al>Hfdst. 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen Wet algemene
                    bepalingenomgevingsrecht12.1 Strafbare feiten 12.2 Overgangsbepaling
                    bodemonderzoek 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staatvan open erven
                    en terreinen 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning12.5
                    Overgangsbepaling (aanvragen om) sloopvergunning, sloopmelding 12.1 Strafbare
                    feiten 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</al><al/><al>12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staatvan open erven en terreinen
                    12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning12.5 Overgangsbepaling
                    (aanvragen om) sloopvergunning, sloopmelding</al><al>Bijlage 1. behorende bij de artikelen 2.1.1 en 3.1'Gegevens en bescheiden
                    aanvraag bouwvergunning' Wet algemene bepalingenomgevingsrecht/Ministeriële
                    Regeling OmgevingsrechtBijlage 2. behorende bij artikel 6.1.2 Wet algemene
                    'Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning'
                    bepalingenomgevingsrecht/Ministeriële Regeling Omgevingsrecht</al><al>Bijlage 3. behorende bij artikel 6.2.1, eerste lid Besluit brand- 'Gebruikseisen
                    voor bouwwerken' veilig gebruikbouwwerken </al><al>Bijlage 4. behorende bij artikel 6.2.1, tweede lid Besluit brand- 'Gebruikseisen
                    voor bouwwerken' veilig gebruik'Gebruikseisen voor bouwwerken niet zijnde
                    woonwagens, woningen bouwwerkenen woongebouwen, uitgezonderd woonwagens,
                    woningen en woon-gebouwen waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van
                    bewoners, in combinatie met permanent toezicht op en begeleiding van de bewoners
                    Bijlage 5. behorende bij artikel 6.2.2 Besluit brand-'Toegestane hoeveelheid
                    brandgevaarlijke stoffen' veilig gebruikbouwwerken</al><al>Bijlage 6. behorende bij artikel 6.2.3 Besluit brand-'Opslag brandgevaarlijke
                    stoffen' veilig gebruikbouwwerken</al><al>Bijlage 8. behorende bij artikel 8.1.2 Checklist voor de visuele inspectie van
                    woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al><al>Bijlage 10. behorende bij artikel 2.6.1 Besluit brand-brandmeldinstallaties
                    veilig gebruikbouwwerken</al><al>Bijlage 11. behorende bij artikel 2.6.5 Besluit brand-ontruimingsinstallaties
                    veilig gebruikbouwwerken</al><al>Bijlage 12. behorende bij artikel 2.6.8 Besluit brand- vluchtrouteaanduiding
                    veilig gebruikbouwwerkenHfdst. 2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het
                    bouwen</al><al>Par. 1 Gegevens en bescheidenArt. 2.1.5 Bodemonderzoek </al><al>Par. 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grondArt. 2.4.1 Verbod tot
                    bouwen op verontreinigde grond2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                    bouwen</al><al>Par. 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aardArt. 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling
                    2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.Brandblusvoorzieningen2.5.4
                    Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten2.5.17 Ruimte tussen
                    bouwwerken2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse
                    hoogspanningslijnen enondergrondse hoofdtransportleidingen2.5.30
                    Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bijof in gebouwen</al><al>Par. 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen2.7.1 Eis tot aansluiting aan de
                    waterleiding2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet2.7.3 Eis tot
                    aansluiting aan het aardgasnet2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                    riolering2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering2.7.6 Kwaliteit
                    en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen2.7.7 Wijze van
                    meten van de afstand tot de leidingen van het openba¬re net van de
                    nutsvoorzieningen </al><al>Hfdst. 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw enbij ingebruikneming
                    van een bouwwerkArt. 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                    tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden 4.2 Op het bouwterrein verplicht
                    aanwezige bescheiden 4.4 Het uitzetten van de bouw4.5 Kennisgeving aan het
                    bouwtoezicht van start van(onderdelen van) de bouwwerkzaamheden4.6 Opmetingen,
                    ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen 4.7 Bemalen van bouwputten 4.8
                    Veiligheid op het bouwterrein4.9 Afscheiding van het bouwterrein </al><al/><al>Inhoudsopgave</al><al>4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen vanhinder4.11 Bouwafval4.12
                    Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerk-za¬am¬he¬den4.13 Melden van het
                    werken bij lage temperaturen4.14 Verbod tot ingebruiknemingHfdst. 5 Staat van
                    open erven en terreinen, brandveiligheids-installaties, aansluiting op de
                    nutsvoorzieningen en hetweren van schadelijk en hinderlijk gedierte</al><al>Par. 1 Staat van open erven en terreinenArt. 5.1.1 Staat van onderhoud van open
                    erven en terreinen5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                    wegverkeer.Brandblusvoorzieningen5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                    gehandicapten</al><al>Par. 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningenArt. 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de
                    waterleiding5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet5.3.3 Eis tot
                    aansluiting aan het aardgasnet5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                    riolering5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering5.3.6 Kwaliteit
                    en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen5.3.7 Wijze van
                    meten van de afstand tot de leidingen van het openba¬re net van de
                    nutsvoorzieningen</al><al>Par. 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. ReinheidArt. 5.4.1
                    Preventie</al><al>Hfdst. 7 Overige gebruiksbepalingen</al><al>Par. 1 Overbevolking Art. 7.1.1 Overbevolking van woningen7.1.2 Overbevolking
                    van woonwagens en woonketen</al><al>Par. 2 Staken van het gebruik Art. 7.2.1 Verbod tot gebruik bij
                    bouwvalligheid7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheiden gebrek aan
                    hygiënePar. 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinenArt. 7.3.1
                    Vervallen7.3.2 Hinder</al><al>Par. 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.ReinheidArt. 7.4.1
                    Preventie</al><al>Par. 5 WatergebruikArt. 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al>Par. 6 InstallatiesArt. 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al>Hfdst. 8 Slopen</al><al>Par. 1 Omgevingsvergunning voor het slopenArt. 8.1.1 Omgevingsvergunning voor
                    het slopen8.1.6 Weigeren sloopvergunning</al><al>Inhoudsopgave</al><al>8.1.7 Intrekking sloopvergunning</al><al>Par. 2 SloopmeldingArt. 8.2.1 Sloopmelding8.2.2 Overige uitzonderingen op het
                    vereiste van sloopvergunning</al><al>Par. 3 Verplichtingen tijdens het slopen8.3.1 Veiligheid op het
                    sloopterrein8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden8.3.3
                    Plichten van de houder van de sloopvergunning8.3.4 Plichten van degene die
                    sloopt8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbestPar. 4 Vrij
                    slopen8.4.1 Sloopafval algemeen</al><al>Hfdst. 9 WelstandArt. 9.1 De advisering door de welstandscommissie9.2
                    Samenstelling van de welstandscommissie9.3 Benoeming en zittingsduur9.4
                    Jaarlijkse verantwoording9.5 Termijn van advisering9.6 Openbaarheid van
                    vergaderen en mondelinge toelichting 9.7 Afdoening bij mandaat9.8 Vorm waarin
                    het advies wordt uitgebracht9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                    bouwwerken of standplaatsen</al><al>Hfdst. 10 Overige administratieve bepalingenArt. 10.6 Herziening en vervanging
                    van aangewezen normen en anderevoorschriften</al><al>Hfdst. 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingenArt. 12.6 Slotbepaling</al><al>Bijlagen:</al><al>Bijlage 7. behorende bij artikel 2.7.6'Kwaliteitseisen voor buizen en
                    hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen'</al><al>Bijlage 9. reglement van orde van de welstandscommissie</al></bijlage></regeling></body></cvdr>