<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR57600_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Ermelo</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ermelo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ermelo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">digitaal gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning, art. 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-06-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-11-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-11-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekken</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013-00277</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
            Ermelo</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen.</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Wet:</cursief> Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al><cursief>College:</cursief> het college van burgemeester en
                                    wethouders van de gemeente Ermelo;</al></li><li nr="c."><al><cursief>Besluit:</cursief> het Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning waarin alle (financiële) voorwaarden voor het
                                    verkrijgen van voorzieningen zijn vastgelegd;</al></li><li nr="d."><al><cursief>Normenboek:</cursief> het financiële Normenboek
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo met daarin
                                    opgenomen de geldende bedragen voor de verschillende soorten
                                    voorzieningen; </al></li><li nr="e."><al><cursief>Overeenkomst: </cursief>de schriftelijke overeenkomst
                                    gesloten tussen gemeente en betrokkene in het kader van een
                                    toegekend persoonsgebonden budget; </al></li><li nr="f."><al><cursief>Compensatiebeginsel:</cursief> de algemene verplichting
                                    aan het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen
                                    op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen
                                    een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij
                                    zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke
                                    participatie;</al></li><li nr="g."><al><cursief>Beperkingen:</cursief> moeilijkheden die een persoon
                                    heeft met het uitvoeren van activiteiten genoemd onder
                                        <cursief>h</cursief>;</al></li><li nr="h."><al><cursief>Persoon met beperkingen:</cursief> een persoon die ten
                                    gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en
                                    psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij
                                    het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van
                                    het huishouden, bij het normale gebruik van de woning; bij het
                                    verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen
                                    per vervoermiddel of bij het ontmoeten van medemensen en het op
                                    basis daarvan aangaan van sociale verbanden;</al></li><li nr="i."><al><cursief>Mantelzorger</cursief><cursief>:</cursief> een persoon,
                                    die mantelzorg verleent als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder
                                    b. van de wet;</al></li><li nr="j."><al><cursief>Zelfredzaamheid:</cursief> het lichamelijk,
                                    verstandelijk, geestelijk en financiële vermogen om
                                    voorzieningen te treffen die deelname aan het normale
                                    maatschappelijke verkeer mogelijk maken;</al></li><li nr="k."><al><cursief>Maatschappelijke participatie:</cursief> normale
                                    deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten het voeren
                                    van een huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich
                                    in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al></li><li nr="l."><al><cursief>Algemene voorziening:</cursief> een voorziening die
                                    wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een
                                    beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en
                                    adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                                    ondervindt;</al></li><li nr="m."><al><cursief>Individuele voorziening:</cursief> een voorziening die
                                    individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening
                                    geen adequate oplossing biedt;</al></li><li nr="n."><al><cursief>Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten:</cursief>
                                    een door het college van burgemeester en wethouders vast te
                                    stellen bijdrage, die bij respectievelijk de verstrekking van
                                    een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget (een
                                    eigen bijdrage) of een financiële tegemoetkoming (een eigen
                                    aandeel) betaald moet worden en waarop de regels van het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning van toepassing zijn;</al></li><li nr="o."><al><cursief>Voorziening in
                                        </cursief><cursief>natura</cursief><cursief>:</cursief> een
                                    voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm
                                    van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="p."><al><cursief>Persoonsgebonden budget:</cursief> een geldbedrag
                                    waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen
                                    voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening en
                                    het Besluit maatschappelijke ondersteuning te stellen regels van
                                    toepassing zijn;</al></li><li nr="q."><al><cursief>Financiële tegemoetkoming:</cursief> een tegemoetkoming
                                    in de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op
                                    het inkomen van de aanvrager;</al></li><li nr="r."><al><cursief>Algemeen gebruikelijk:</cursief> naar geldende
                                    maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel
                                    bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend;
                                </al></li><li nr="s."><al><cursief>Meerkosten:</cursief> kosten van een mogelijk krachtens
                                    de wet te verlenen voorziening, voor zover dit deel van de
                                    kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk
                                    te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="t."><al><cursief>Besparings</cursief><cursief>bijdrage</cursief><cursief>:</cursief>
                                    een door de aanvrager te betalen bijdrage, gelijk aan het bedrag
                                    dat ten gevolge van de verstrekking van een voorziening door de
                                    aanvrager wordt bespaard omdat deze verstrekte voorziening een
                                    algemeen gebruikelijke voorziening vervangt of kan
                                    vervangen;</al></li><li nr="u."><al><cursief>Huisgenoot:</cursief> iedere meerderjarige met wie de
                                    aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont;</al></li><li nr="v."><al><cursief>Budgethouder:</cursief> een persoon aan wie ingevolge
                                    deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die
                                    aan het college verantwoording over de besteding van het
                                    persoonsgebonden budget verschuldigd is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Beperkingen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                        gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in
                                        en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op
                                        basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te
                                        verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                        Ermelo;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik
                                        van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                        gebruikte materialen;</al></li><li nr="d."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
                                        op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li><li nr="e."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                        van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="f."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                        gemaakt;</al></li><li nr="g."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan
                                        deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen
                                        gehandicapten is verstrekt en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                        verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte
                                        voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                        die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen.</al></li><li nr="h."><al>voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling of
                                        enige privaatrechtelijke overeenkomst of verbintenis
                                        aanspraak op de voorziening bestaat;</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Keuzevrijheid.</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college
                            stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een
                            voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden
                            aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Ermelo neergelegde criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorziening in natura.</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            gemeente Ermelo van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Financiële tegemoetkoming.</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het <cursief>Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> en het
                            daarbij behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen maatschappelijk
                                ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> in de beschikking
                            opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Persoonsgebonden budget.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in <cursief>artikel 6
                                    van de wet</cursief>, zijn de volgende voorwaarden van
                                toepassing:</al><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van
                                individuele voorzieningen;</al><lijst><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde
                                        van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te
                                        verstrekken voorziening in natura, indien nodig aangevuld
                                        met een vergoeding voor instandhoudingkosten, zoals
                                        vastgelegd in het <cursief>Besluit maatschappelijke
                                            ondersteuning gemeente Ermelo</cursief>;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                        vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het
                                            <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                            Ermelo</cursief>;</al></li><li nr="d."><al>op het persoonsgebonden budget is de <cursief>Overeenkomst
                                            persoonsgebonden budget gemeente Ermelo</cursief> van
                                        toepassing;</al></li><li nr="e."><al>een voorziening aangeschaft met een persoonsgebonden budget
                                        kan, zodra deze voorziening niet meer wordt gebruikt, onder
                                        verrekening van eventueel ingebrachte eigen middelen, door
                                        het college worden opgehaald en voor herverstrekking
                                        beschikbaar worden gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de
                                omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beschikking wordt een program van eisen verstrekt waarin
                                aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget
                                te verwerven voorziening dient te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget
                                ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de
                                aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke
                                stukken, zoals genoemd in het <cursief>Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> op verzoek van het
                                college per omgaande te verstrekken. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden wordt door
                                het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden
                                budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond
                                        van de wet is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd
                                        of wordt de financiële tegemoetkoming afgestemd op het
                                        inkomen. Het college legt in het <cursief>Besluit
                                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo</cursief>
                                        en het daarbij behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen
                                            maatschappelijk ondersteuning gemeente Ermelo</cursief>
                                        de omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel
                                        vast.</al></li><li nr="2."><al>Het gestelde in lid 1 is niet van toepassing op het
                                        verstrekken van rolstoelen, zoals genoemd in artikel 28, lid
                                        1 en 2.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Hulp bij het huishouden.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden.</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                    huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Primaat van de algemene hulp bij het huishouden.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in <cursief>artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 4, 5 en 6 van de wet</cursief> kan voor de in artikel
                                8 onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                        of</al></li><li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf
                                        uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk
                                        maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en
                                        adequaat kan oplossen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder b. en c.
                                vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht als:</al><lijst><li nr="a."><al>de in artikel 8 onder a. genoemde voorziening een
                                        onvoldoende oplossing biedt of,</al></li><li nr="b."><al>niet beschikbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Gebruikelijke zorg.</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 9 komt een persoon als bedoeld
                            in <cursief>artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de
                                wet </cursief>niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als
                            tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer
                            huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te
                            verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden.</titel></kop><al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in klassen,
                            waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende uren kunnen worden
                            toegekend:</al><al>Klasse 1, 0 tot en met 1,9 uur per week;</al><al>Klasse 2, 2 tot en met 3,9 uur per week;</al><al>Klasse 3, 4 tot en met 6,9 uur per week;</al><al>Klasse 4, 7 tot en met 9,9 uur per week;</al><al>Klasse 5, 10 tot en met 12,9 uur per week;</al><al>Klasse 6, 13 tot en met 15,9 uur per week.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget.</titel></kop><al>De bedragen die per klasse in de vorm van een persoonsgebonden budget
                            worden verstrekt, worden jaarlijks door het college vastgesteld en
                            vastgelegd in het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Ermelo</cursief> en het daarbij behorende
                                <cursief>Normenboek Voorzieningen maatschappelijk ondersteuning
                                gemeente Ermelo.</cursief></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Woonvoorzieningen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen.</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op
                                    individuele woonvoorzieningen.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in <cursief>artikel 1, eerste
                                                lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de wet
                                            </cursief>kan voor de in artikel 13, onder a. vermelde
                                            voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                            aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                            een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en de
                                            algemene woonvoorziening dit snel en adequaat kan
                                            oplossen.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in <cursief>artikel 1, eerste
                                                lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de wet</cursief>
                                            kan voor de in artikel 13, onder b. c. en d. vermelde
                                            voorziening in aanmerking worden gebracht indien de in
                                            het vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of
                                            niet tot een snelle en adequate oplossing leidt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen.</titel></kop><al>De in artikel 13 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen
                            bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Primaat van de verhuizing.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in <cursief>artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet</cursief> kan voor een voorziening
                                als bedoeld in artikel 15 onder a. in aanmerking worden gebracht
                                wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het
                                normale gebruik van de woning belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in <cursief>artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet</cursief> kan voor een voorziening
                                als bedoeld in artikel 15 onder b. en c. in aanmerking worden
                                gebracht wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening niet
                                mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in <cursief>artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet</cursief> kan voor een voorziening
                                als bedoeld in artikel 15, onder d. in aanmerking worden gebracht
                                wanneer sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op
                                grond van ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig
                                ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen
                                kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Primaat van de losse woonunit.</titel></kop><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van
                            een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Uitsluitingen.</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen
                            van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters,
                            tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en
                            specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat
                            betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die
                            bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen
                            kunnen worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Hoofdverblijf.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van
                                maximaal twee woonruimtes van familieleden in de eerste graad dan
                                wel daaraan gelijk te stellen personen indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De woonvoorziening voor het bezoekbaar maken wordt slechts verleend
                                onder de voorwaarde, dat de gemeente waar de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft, verklaart dat haar niet bekend is dat te
                                behoeve van de aanvrager reeds eerder twee woningen bezoekbaar zijn
                                gemaakt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woonruimte(s) tot ten hoogste een vast te
                                leggen maximumbedrag zoals vermeld in het <cursief>Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> en het
                                daarbij behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen maatschappelijk
                                    ondersteuning gemeente Ermelo</cursief>.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager
                                de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Beperkingen.</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
                                    van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
                                    normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek
                                    geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden
                                    aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                    beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
                                    tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend
                                    door het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                    ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en
                                    extra trapleuningen;</al></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis
                                    van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat
                                    deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van
                                    een onverwacht optredende noodzaak;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is
                                    vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele
                                    jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een
                                    AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het
                                    verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen
                                    problemen met het normale gebruik van de woning zijn
                                    ondervonden;</al></li><li nr="f."><al>een bouwkundige woningaanpassing het maximale bedrag zoals
                                    genoemd in het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                        gemeente Ermelo </cursief> te boven gaat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop.</titel></kop><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening
                            heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij
                            verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na het gereed
                            melden van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het
                            college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het in het
                                <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Ermelo</cursief> en het daarbij behorende <cursief>Normenboek
                                Voorzieningen maatschappelijk ondersteuning gemeente
                                Ermelo</cursief> door het college vastgelegde afschrijvingsschema te
                            worden terugbetaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen.</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een collectieve vervoersvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="d."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening in natura.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Het recht op een vervoersvoorziening.</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld <cursief>in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                onderdeel 5 en 6 van de wet </cursief>kan voor de in artikel 22
                            vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                            beperkingen op grond van ziekte of gebrek:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Het primaat van het collectief vervoer.</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in <cursief>artikel 1, eerste lid, onder g.
                                onderdeel 5 en 6 van de wet </cursief>kan voor de in artikel 22,
                            onder c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht
                            wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                    gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 22,
                                    onder b., onmogelijk maken dan wel</al></li><li nr="b."><al>een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder b., niet
                                    aanwezig is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen.</titel></kop><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen
                            van gehuwde personen meer bedraagt dan 1,5 maal in het <cursief>Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> en het
                            daarbij behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen maatschappelijk
                                ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> voor de diverse categorieën
                            genoemde inkomensgrenzen, wordt het bezit van een personenauto algemeen
                            gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto vergelijkbare
                            voorziening, waaronder alle vervoersvoorzieningen genoemd in artikel 22,
                            onder lid b, c en d en de daarmee samenhangende gebruiks- en
                            onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of
                            vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                                vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                                uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe
                                woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij
                                zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een
                                bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf
                                bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager
                                noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                participatie door middel van lokale verplaatsingen met maximaal een
                                omvang per jaar van 2500 kilometer mogelijk maken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen.</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een algemene
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    sportrolstoel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel
                                    rolstoelgebruik en sportrolstoel.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in <cursief>artikel 1, eerste
                                                lid, onder g., onderdeel 5 en 6 van de wet</cursief>
                                            kan voor de in artikel 27, onder a. vermelde voorziening
                                            in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                            beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel
                                            zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk
                                            maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van
                                            de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere
                                            wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in <cursief>artikel 1, eerste
                                                lid, onder g., onderdeel 5 en 6 van de wet</cursief>
                                            kan voor de in artikel 27, onder b. en c. vermelde
                                            voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                            aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                            dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning
                                            noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden
                                            op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of
                                            een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing
                                            bieden.</al></li><li nr="3."><al>Een persoon als bedoeld in <cursief>artikel 1, eerste
                                                lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de wet</cursief>
                                            kan voor de in artikel 27, onder d. vermelde voorziening
                                            in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                            beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                            sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk
                                            maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners.</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 28, lid 2, komt een persoon
                            die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op
                            grond van de AWBZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Gebruik aanvraagformulier.</titel></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het
                            college ter beschikking gesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.</titel></kop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij een door het college nader te
                            bepalen instantie, bij welk loket / op welke plaats zowel aanvragen voor
                            voorzieningen inzake de wet alsook aanvragenzorg
                            inzake de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten kunnen worden
                            ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                        ondervragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie
                                om advies indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het handelt om een aanvraag een persoon betreffend, die nog
                                        niet eerder een aanvraag in het kader van deze verordening
                                        heeft ingediend en het een voorziening betreft waarvan de
                                        kosten naar verwachting het bedrag als genoemd in het
                                            <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                            Ermelo</cursief> en het daarbij behorende
                                            <cursief>Normenboek Voorzieningen maatschappelijk
                                            ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> te boven zal
                                        gaan;</al></li><li nr="b."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt dan wel
                                        zal worden afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) het
                                alleenrecht om de in het tweede lid bedoelde indicatieadviezen te
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hem aangewezen
                                adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen
                                die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de
                                International Classification of Functions, Disabilities and
                                Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking
                                bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                                de normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                                beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                                psychosociaal probleem.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Samenhangende afstemming.</titel></kop><al>Het college legt in het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Ermelo</cursief> regels vast omtrent de wijze waarop de
                            verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend wordt afgestemd
                            op de situatie van de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Wijzigingen in de situatie.</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>Intrekking van een voorziening.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening,
                                geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                        deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                        gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                        bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                                persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                                tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet
                                is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36.</nr><titel>Terugvordering.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan reeds
                                uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget
                                worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr><titel>Hardheidsclausule.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                                afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing
                                van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                                leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college voor zover dit
                                mogelijk is binnen de door de verordening aangegeven grenzen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een bouwkundige woningaanpassing het bedrag van € 45.378,00
                                te boven gaat, de noodzaak van deze aanpassing is vastgesteld en
                                weigering van deze voorziening gelet op het belang dat de wet beoogt
                                te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard,
                                kan het college ondanks het gestelde in artikel 20 sub f. besluiten
                                tot verstrekking van deze voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voorafgaande aan toepassing van het gestelde in het eerste t/m het
                                derde lid kan het college door een nader door het college aan te
                                wijzen indicatieorgaan advies vragen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Indexering.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                                verordening en het op deze verordening berustende <cursief>Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> en het
                                daarbij behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen maatschappelijk
                                    ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> geldende bedragen
                                verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex
                                volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks per 1 januari de hoogte van de bedragen
                                vast zoals deze worden vermeld in het <cursief>Normenboek
                                    Voorzieningen maatschappelijk ondersteuning gemeente
                                    Ermelo.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39.</nr><titel>Evaluatie.</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt voor de eerste maal
                            in 2008 geëvalueerd. De volgende evaluaties zullen voor wat betreft de
                            tijdstippen aansluiten bij het bij wet vastgelegde moment om
                            verantwoording af te leggen – in het zogeheten beleidsplan wat éénmaal
                            in de vier jaar moet worden vastgesteld - richting wetgever. Door middel
                            van deze evaluaties zal het college verslag doen aan de gemeenteraad
                            over de doeltreffendheid en de effectiviteit van de verordening in de
                            praktijk. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt de
                            verordening aangepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40.</nr><titel>Inwerkingtreding.</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41.</nr><titel>Citeertitel.</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo 2007.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><vet>Toelichting op de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                        gemeente Ermelo</vet></al><al/><al><vet><cursief>Inleiding.</cursief></vet></al><al>Het op 27 mei 2005 ingediende wetsvoorstel 30131 “Nieuwe regels betreffende
                    maatschappelijke ondersteuning” , de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO),
                    is op 14 februari 2006 in de Tweede Kamer aangenomen. Op dinsdag 27 juni heeft
                    ook de Eerste Kamer deze wet aangenomen. Aan deze bijna unanieme stemming is een
                    behandeling voorafgegaan die de wet een ander aanzicht heeft gegeven. De
                    consequenties hiervan zijn niet direct te overzien: ook de WMO is een wet die
                    verdere invulling behoeft en uiteindelijk door jurisprudentie een duidelijke
                    vorm zal krijgen. Bij de WMO is dan bovendien nog sprake van het gegeven dat het
                    kernbegrip van de wet, het zogenaamde compensatiebeginsel, bij amendement aan de
                    wet is toegevoegd, waardoor een begripsomschrijving van dit cruciale begrip
                    ontbreekt in de wet zelf, met het gevolg dat de toelichting op het amendement
                    uitgangspunt is voor de vormgeving van dit compensatiebeginsel.</al><al/><al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo 2007
                    geeft invulling aan de in de WMO gegeven opdracht regels te stellen bij
                    verordening. In deze verordening is vormgegeven aan het
                    compensatiebeginsel zonder de regels van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    (Wvg) en de regels rond de functie huishoudelijke verzorging uit de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geheel los te laten. Dit is van belang om niet
                    een vacuüm te laten ontstaan, te meer daar het overgangsrecht zoals geregeld in
                    de WMO bestaande cliënten maximaal één jaar het behoud van de oude rechten op
                    grond van de AWBZ of de Wet voorzieningen gehandicapten biedt.</al><al/><al>Het overgangsrecht gaat er ook van uit dat voor alle nieuwe aanvragers nog drie
                    maanden nadat de gemeentelijke verordening voorzieningen maatschappelijke
                    ondersteuning is vastgesteld de “oude” regels uit Wvg en AWBZ gelden. Gevolg
                    hiervan is dat een gemeente die vanaf 1 januari 2007 voor nieuwe aanvragers ook
                    direct nieuw beleid wil voeren, zijn verordening op 1 oktober 2006 door de
                    gemeenteraad moet hebben laten vaststellen.</al><al/><al>Dat betekent dat de gehele procedure van voorbereiding, inclusief inspraak,
                    voordien plaats moet hebben gehad. Dit heeft grote druk gezet op het zo snel
                    mogelijk schrijven van deze verordening. Dit is in het karakter van de
                    verordening terug te vinden: het is een verordening die sterk geënt is op het
                    aan de WMO voorafgaande beleid. Er is gebruik gemaakt van de modelverordening
                    van de VNG met tevens raadpleging van de huidige Wvg verordening. De tijdsdruk
                    bood niet de mogelijkheid tot een uitgebreide reflectie op andere vormen van
                    invulling.</al><al/><al>In de verordening is met name uitwerking gegeven aan de artikelen 4, 5, 6, 15,
                    19 en 26 WMO.</al><al/><al>In de WMO komen voorzieningen uit de Welzijnswet en voorzieningen uit de AWBZ en
                    de Wvg bij elkaar. Voorzieningen die tot 1 januari 2007 onder de Welzijnswet
                    vallen en na die datum onder de WMO, worden als voorliggende voorzieningen
                    aangeboden en worden daarom niet in deze verordening opgenomen. De in deze
                    verordening opgenomen algemene voorzieningen zijn in principe ook als
                    voorliggende voorzieningen te beschouwen, maar omdat de meeste algemene
                    voorzieningen voor het eerst een plaats vinden in deze verordening, zijn zij nog
                    wel benoemd en van een primaat voorzien. Het is niet ondenkbaar dat deze
                    algemene voorzieningen op termijn terug te vinden zullen zijn bij de onbenoemde
                    voorliggende voorzieningen zoals maaltijdvoorziening en personenalarmering.</al><al/><al>Alle bedragen en bijbehorende regelgeving worden opgenomen in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo. Ook worden beleidsregels
                    opgesteld in een zogeheten verstrekkingenboek.</al><al/><al><vet><cursief>Algemene toelichting.</cursief></vet></al><al>De kern van de WMO wordt gevormd door het begrip “compensatiebeginsel“. Dit
                    begrip is bij amendement 65 in de WMO opgenomen.</al><al>Het begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid
                    en Zorg. In hun briefadvies over de WMO staat het volgende:</al><al/><al><cursief>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke aanspraak op
                        maatschappelijke ondersteuning te relateren aan aard en ernst van de
                        beperking(en) van burgers, door gemeenten te verplichten zorg te dragen voor
                        compensatie van deze beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                        beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte
                        van de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                        resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente zelf mag
                        bepalen welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde
                        doel/resultaat te bereiken. Teneinde tevens recht te doen aan het
                        uitgangspunt dat daar waar mogelijk beroep gedaan wordt op de eigen
                        verantwoordelijkheid van burgers moet het mogelijk zijn om aan de aanspraak
                        op ondersteuning een inkomenstoets te koppelen. Omdat het om
                        maatschappelijke participatie gaat, is dit te rechtvaardigen. Daartoe dienen
                        op centraal niveau regels gesteld te worden.</cursief></al><al/><al><cursief>In het licht van de voorgestelde ‘compensatieplicht’ heeft het de
                        voorkeur van de Raad om alleen individuele voorzieningen over te hevelen
                        naar de WMO, zodat de wet een eenduidig karakter kan krijgen. In deze visie
                        blijft naast de WMO een Welzijnswet bestaan, waarin de collectieve
                        (gemeenschapsgerichte) voorzieningen worden ondergebracht. Deze
                        voorzieningen zijn immers algemeen van aard en bedoeld voor iedere
                        ingezetene van de gemeente, ongeacht diens eventuele beperkingen. Voor deze
                        voorzieningen acht de Raad het niet gewenst een wettelijke aanspraak in het
                        leven te roepen. Deze aanbeveling heeft betrekking op het niveau van de
                        aanspraak (c.q.voorziening), niet op het niveau van de uitvoering. Op het
                        tweede niveau kan immers, ook bij een individuele aanspraak (bijvoorbeeld
                        vervoer) een ‘collectieve’ voorziening worden aangewend (bijvoorbeeld
                        openbaar vervoer).</cursief></al><al/><al><cursief>Door de aanspraak op ondersteuning niet te verankeren in een
                        verplichting om bepaalde met name te noemen voorzieningen te verstrekken
                        (zorgplicht), maar te omschrijven in termen van het te bereiken resultaat
                        (compensatieplicht), kan onzekerheid ontstaan over wat nu precies als recht
                        geldt. Om die reden is het volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf op
                        te nemen wanneer sprake is van een gelijkwaardige uitgangspositie van
                        burgers. Dat is immers het resultaat waarop de gemeente, ook in rechte, kan
                        worden aangesproken. Dit betekent dat geoperationaliseerd moet worden wat de
                        termen ‘zelfredzaamheid’ en ‘maatschappelijke participatie’ betekenen: welke
                        activiteiten moet iemand daarvoor tenminste kunnen uitvoeren?</cursief></al><al/><al><cursief>Door het te bereiken resultaat (de compensatie) als aangrijpingspunt te
                        nemen is het volgens de Raad niet noodzakelijk in de wet zelf criteria op te
                        nemen voor de indicatiestelling.”</cursief></al><al/><al>Dit begrip is “vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het is met name
                    de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de
                    wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt:</al><al/><al><cursief>“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien
                        in met name genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde
                        artikel ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om
                        beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een
                        huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per
                        vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in
                        dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en
                        financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het
                        normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. </cursief></al><al/><al/><al><cursief>Onder normale deelname aan het maatschappelijke verkeer wordt in ieder
                        geval verstaan het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik van
                        een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig
                        kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale,
                        bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van
                        andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                        manier te kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven.
                    </cursief></al><al/><al><cursief>Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International
                        Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                        classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                        behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te
                        stellen.</cursief></al><al/><al><cursief>De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen wordt met dit
                        artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt overeenkomstig de
                        bestuurlijke structuur van de wet op het lokale niveau bepaald met
                        inachtneming van alle bepalingen over de totstandkoming van het lokale
                        beleid en de betrokkenheid van burgers en cliënten daarbij.”</cursief></al><al/><al>Omdat er geen begripsomschrijving van het begrip compensatiebeginsel in het
                    amendement is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving opgenomen
                    zoals deze is geformuleerd in de Modelverordening van de VNG , in artikel 1.1.
                    aanhef en onder b.</al><al/><al>Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet
                    aan, voor de onderdelen: </al><lijst><li nr="1."><al>een huishouden te voeren,</al></li><li nr="2."><al>zich te verplaatsen in en om de woning, </al></li><li nr="3."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en </al></li><li nr="4."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan. </al></li></lijst><al/><al>Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging
                    uit de AWBZ naar de WMO worden de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze
                    modelverordening als volgt uitgewerkt:</al><lijst><li nr="1."><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met
                            name de woonvoorzieningen (hoofdstuk 4:<vet> woonvoorzieningen</vet>),
                            als de eerdere functie huishoudelijke verzorging, in deze verordening
                            hulp bij het huishouden genoemd (hoofdstuk 3: <vet>hulp bij het
                                huishouden</vet>);</al></li><li nr="2."><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend)
                            de sportrolstoel (hoofdstuk 6: <vet>de
                            rolstoelvoorzieningen</vet>);</al></li><li nr="3."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit
                            de Wvg (hoofdstuk 5: <vet>de vervoersvoorzieningen</vet>);</al></li></lijst><al>Het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale
                    verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                    verstrekkingenterreinen. Dit onderdeel van de compensatieplicht keert daarom
                    niet als afzonderlijk hoofdstuk in de verordening terug.</al><al/><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van de
                    compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus niet dat het steeds om
                    individuele voorzieningen moet gaan. Om te voorzien in het snel en regelarm
                    treffen van veel voorkomende eenvoudige voorzieningen is in deze verordening het
                    begrip "algemene voorzieningen" opgenomen. Dit type voorziening komt in de Wvg
                    voor onder de noemer “collectief vervoer”. In deze verordening wordt het begrip
                    algemene voorziening geïntroduceerd voor alle onderdelen van het
                    compensatiebeginsel. De mogelijkheid wordt geschapen voor algemene
                    woonvoorzieningen, algemene hulp bij het huishouden, algemene
                    vervoersvoorzieningen en algemene rolstoelvoorzieningen. </al><al/><al>Wat houden deze algemene voorzieningen concreet in? Het kan gaan om
                    scootermobielpools, rolstoelen voor incidenteel gebruik (rolstoelpools),
                    collectief vervoer, klussen- en boodschappendiensten, enzovoort. Deze opsomming
                    is uitdrukkelijk niet limitatief, aangezien het een nieuw type voorziening
                    betreft, waarvoor de komende jaren nieuwe invullingen zullen ontstaan. Met name
                    op het terrein van hulp bij het huishouden is het – landelijk gezien - een nieuw
                    begrip. In Ermelo kennen we dit begrip alleen bij het collectief vervoer.</al><al/><al>Kenmerkend voor algemene voorzieningen is dat de gemeente deze voorzieningen
                    organiseert, inkoopt en ter beschikking stelt, los van of vooruitlopend op
                    individuele aanvragen ter zake. Het zal in de regel gaan om steunpunten, depots,
                    pools, waar de betreffende voorzieningen op voorraad worden gehouden, al of niet
                    op wijkniveau. </al><al/><al>Algemene voorzieningen zullen in de regel met een minimum aan procedures kunnen
                    worden aangeboden: met geen of slechts een lichte toegangstoets en zonder eigen
                    bijdragen.</al><al/><al>De voordelen van deze algemene voorzieningen zijn een snelle en simpele
                    oplossing van de problemen, zonder bureaucratie en zonder eigen bijdragen. In
                    plaats van de soms complexe advisering wordt in dit kader van het veel lichtere
                    begrip toegangsbeoordeling gebruik gemaakt. Het is uitdrukkelijk niet de
                    bedoeling van deze algemene voorzieningen om daarmee de mogelijkheid van de
                    aanvrager tot het kiezen voor een PGB in te perken.</al><al/><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende hoofdstukken
                    behandeld. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele
                    aspecten.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting.</vet></al><al/><al><cursief><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen.</vet></cursief></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen.</vet></al><al/><al><cursief>Ad a. Wet.</cursief></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de WMO opgenomen
                    citeertitel van de wet.</al><al/><al><cursief>Ad b. College.</cursief></al><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo.</al><al/><al><cursief>Ad c. Besluit.</cursief></al><al>Het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo. In dit besluit zijn
                    bij elkaar gebracht alle financiële voorwaarden, die op basis van de verordening
                    moeten worden vastgesteld. Daarnaast zijn alle regels waarvoor de verordening
                    een delegatiebepaling voor het college bevat in dit besluit ingevuld.</al><al/><al><cursief>Ad d. Normenboek.</cursief></al><al>In het financiële Normenboek maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo zijn
                    de door het betreffende jaar geldende bedragen voor de verschillende soorten
                    voorzieningen opgenomen.</al><al/><al><cursief>Ad e. Overeenkomst.</cursief></al><al>In een schriftelijke overeenkomst gesloten tussen gemeente en betrokkene in het
                    kader van een toegekend persoonsgebonden budget worden de nadere voorwaarden
                    voor het omgaan met een persoonsgebonden budget vastgelegd.</al><al/><al><cursief>Ad f. Compensatiebeginsel.</cursief></al><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement - Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65)
                    aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving
                    van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een
                    begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel ontbreekt.
                    Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de
                    verordening. </al><al>Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies van de Raad
                    voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het compensatiebeginsel.
                    Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is gebruik gemaakt van de
                    toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft de termen
                    zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Het onderdeel “aantoonbare
                    beperkingen op grond van ziekte of gebrek” is afkomstig uit artikel 1, lid 1,
                    onder a. van de Wvg.</al><al/><al><cursief>Ad g. Beperkingen.</cursief></al><al>De term “beperkingen”is ontleend aan de ICF, de
                    International Classification of Functioning, Disability, and Health, opgesteld
                    door de Wereld Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van
                    de Verenigde Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel
                    genoemde amendement - Miltenburg stelt over de ICF: <cursief>“Voor de
                        gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of
                        Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform
                        begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen
                        in individuele gevallen vast te stellen.”</cursief></al><al/><al><cursief>Ad h. Persoon met beperkingen.</cursief></al><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is
                    vanuit de Wvg het onderdeel “aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of
                        gebrek”toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing
                    van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft
                    jurisprudentie op grond van de Wvg ten aanzien van dit onderdeel op dit begrip
                    van toepassing.</al><al>Aan deze formulering is de nieuwe doelgroep “personen met een chronisch
                    psychisch of psychosociaal probleem” toegevoegd. Deze doelgroep is afkomstig uit
                    de AWBZ - regelgeving (Besluit zorgaanspraken).</al><al/><al><cursief>Ad i. Mantelzorger.</cursief></al><al>De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van “mantelzorg”in de wet (artikel 1,
                    lid 1 onder b, van de wet). </al><al/><al><cursief>Ad j. Zelfredzaamheid.</cursief></al><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds genoemde
                    amendement - Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                    toegevoegd.</al><al/><al><cursief>Ad k. Maatschappelijke participatie.</cursief></al><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan de
                    toelichting op het amendement - Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan
                    de wet heeft toegevoegd.</al><al/><al><cursief>Ad l. Algemene voorziening.</cursief></al><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een
                    minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een
                    scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief
                    vervoer, scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en
                    voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De
                    verstrekkingprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                    beperkte toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en geen
                    eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende
                    voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk
                    van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt
                    worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op
                    verzoek zal er aan de aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven,
                    zodat rechtsbescherming gewaarborgd is.</al><al/><al><cursief>Ad m. Individuele voorziening.</cursief></al><al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op
                    individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                    worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt.
                    Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt
                    uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. Door het
                    college vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal
                    een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang
                    zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat,
                    kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze
                    verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen
                    worden tot de groep voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en
                    personenalarmering.</al><al/><al><cursief>Ad n. Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten.</cursief></al><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet. Deze
                    kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van artikel
                    15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels kunnen
                    worden gesteld. Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt door middel van het
                    vaststellen van het Besluit maatschappelijke ondersteuning (<cursief>NOTA BENE:
                        het ontwerp - Besluit maatschappelijke ondersteuning is op 22 mei 2006 naar
                        de Tweede Kamer gezonden; d.d. 13 juni 2006 is in de agenda van de Tweede
                        Kamer op 22 juni 2006 hierover een algemeen overleg gepland. De exacte
                        citeertitel en datum van deze AMvB zijn derhalve op het moment van schrijven
                        van deze toelichting nog niet bekend, zullen later worden
                        toegevoegd</cursief>). In de AMvB wordt bepaald wat de ruimte is die
                    gemeenten hebben voor het vaststellen van eigen bijdragen.</al><al/><al><cursief>Ad o. Voorziening in natura.</cursief></al><al>Natura voorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening.</al><al/><al><cursief>Ad p. Persoonsgebonden budget.</cursief></al><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder door het college
                    bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn
                    keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende
                    voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in
                    het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> en
                    het daarbij behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen maatschappelijk
                        ondersteuning gemeente Ermelo.</cursief></al><al/><al><cursief>Ad q. Financiële tegemoetkoming.</cursief></al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet persé een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. </al><al/><al><cursief>Ad r. Algemeen gebruikelijk.</cursief></al><al>Evenals onder de Wvg het geval was, is het ook onder de WMO niet de bedoeling
                    dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager,
                    gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou
                    kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk
                    beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen
                    is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de
                    aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor
                    verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel
                    specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen
                    gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de
                    wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de
                    jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om
                    voorzieningen:</al><lijst><li nr=""><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr=""><al>die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></li><li nr=""><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                            hetzelfde doel.</al></li></lijst><al/><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de AWBZis geformuleerd in beleidsregels.
                    Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de WMO terug, zie hieronder, onder
                        u.</al><al/><al><cursief>Ad s. Meerkosten.</cursief></al><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1,
                    lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager
                    vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft
                    deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen
                    noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor
                    een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet
                    gericht.</al><al/><al><cursief>Ad t. Besparingsbijdrage.</cursief></al><al>Wanneer een voorziening wordt verstrekt waar een algemeen gebruikelijk deel
                    onderdeel van uitmaakt (er wordt een driewielfiets verstrekt, de fiets is
                    algemeen gebruikelijk en maakt daar onderdeel van uit: men hoeft zelf geen fiets
                    meer te kopen) zou sprake kunnen zijn van besparing: er hoeft immers geen
                    algemeen gebruikelijke voorziening meer aangeschaft te worden. Aangezien
                    verstrekking binnen de wet zich beperkt tot de meerkosten, kan in die situatie
                    van de aanvrager het bedrag dat bespaard wordt, gevraagd worden als
                    besparingsbijdrage. Dit is geen vorm van eigen bijdrage of eigen aandeel, zodat
                    de regels daaromtrent niet van toepassing zijn.</al><al/><al><cursief>Ad u. Huisgenoot.</cursief></al><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol Gebruikelijke
                    zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling
                    Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ -
                    indicatiestelling voor huishoudelijke zorg. Het is op enkele punten aangepast om
                    te voorkomen dat problemen die in de AWBZ met dit begrip speelden ook naar de
                    wet overgaan. Zo is in plaats van ‘volwassenen’ de term ‘meerderjarigen’
                        opgenomenen is het begrip ‘gemeenschappelijke
                    huishouding voeren’ vervangen door het begrip ‘gemeenschappelijk een woning
                    bewonen’.</al><al/><al><cursief>Ad v. Budgethouder.</cursief></al><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient
                    te leggen.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Beperkingen.</vet></al><al/><al><cursief>Artikel 2. lid 1.</cursief></al><al/><al><cursief>Ad a. Langdurig noodzakelijk.</cursief></al><al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de (Model)verordening Wvg en aan de
                    wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete
                    situatie. </al><al/><al>Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die
                    in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in
                    situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. </al><al/><al>Kenmerk is in beide genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de
                    stand van de medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is.
                    Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de
                    aanvrager. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose
                    dat de betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen
                    zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een
                    wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval
                    opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. </al><al/><al>De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraagof
                    er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende
                    voorziening een belangrijke rol. </al><al/><al>Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft,
                    bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van
                    voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze
                    verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de
                    hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader
                    van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel
                    gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is
                    verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig ligt zal
                    van situatie tot situatie verschillen. </al><al/><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden.
                    </al><al/><al><cursief>Ad b. Goedkoopst adequaat.</cursief></al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten <cursief>zowel adequaat als de meest
                        goedkope</cursief> voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat
                    met het begrip <cursief>adequaat</cursief> bedoeld wordt: <cursief>volgens
                        objectieve maatstaven nog toereikend</cursief>. Hoewel datgene wat de
                    aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het
                    adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn,
                    de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling
                    van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om
                    gemeenschapsgeld. </al><al/><al>Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer
                    adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen.
                    Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet
                    alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het
                    denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer
                    meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. </al><al/><al>Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan
                        worden,moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord,
                    maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard
                    wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de
                    goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil
                    uit eigen middelen te betalen. </al><al/><al>Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen
                    het beleid. </al><al/><al><cursief>Ad c. Individueel gericht.</cursief></al><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd.
                    Dat individueleprobleem staat dan ook centraal bij de
                    beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de
                        wet.</al><al/><al><cursief>Artikel 2. lid 2.</cursief></al><al/><al><cursief>Ad a. Algemeen gebruikelijk.</cursief></al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn
                    voorzieningenwaarover een met de aanvrager vergelijkbare
                    persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Deze
                        voorzieningenhoeven niet te worden verstrekt. </al><al/><al>Dit beginsel wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving
                    (AAW/WAO, voormalige Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie
                    geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen
                    in artikel 1, onder r. van deze verordening. </al><al/><al>Wat in een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van
                    de aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de -financiële- situatie
                    van de aanvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op
                    het moment van de aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager
                    kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt
                    immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de
                    aanvrager – mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn
                    beperking, onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te
                    geraken. </al><al/><al>Een andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende
                    handicap moeten vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou
                    zonder die handicap immers ook niet gebeuren.</al><al/><al><cursief>Ad b. Woonachtig in Ermelo.</cursief></al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wvg, geen specifieke
                    bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in
                    de gemeente woonachtige personen, hoewel artikel 11 van de wet spreekt over
                    ingezetenen. Dit artikel moet opgenomen worden om te voorkomen dat er aanvragen
                    binnenkomen bij gemeenten waar de aanvrager niet woonachtig is.</al><al/><al><cursief>Ad c. Aard van de materialen.</cursief></al><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de (Model)verordening Wvg, en is bedoeld
                    voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen
                        zorgen.</al><al/><al><cursief>Ad d. Uitrustingsniveau sociale woningbouw.</cursief></al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit
                    2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in
                    beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet
                    te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld
                    vallen daarom niet onder dit niveau.Alleen in die gevallen
                    dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het
                    college hierop een uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten
                    moeten in een concrete situatie afspraken gemaakt worden. </al><al/><al>Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze bepaling een rol. Indien
                    bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het feit dat men in
                    een veel grotere ofmeer luxe woning woont, geeft deze
                    bepaling een duidelijke grens aan.</al><al/><al><cursief>Ad e. Aantoonbare meerkosten.</cursief></al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het
                    optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden
                    tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich
                    meebrengt. Daarvoor is deze onder e. genoemde bepaling bedoeld.</al><al/><al><cursief>Ad</cursief><cursief>f. Kosten gemaakt voor de aanvraag.</cursief></al><al>In artikel 2 lid 2, onder f. en g. geeft de verordening een tweetal gronden voor
                    weigering aan. Onder f. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een
                    voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                    aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de
                    voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                    invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de
                    voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing over
                    de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden
                    gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de
                    aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit
                    genomen over de te treffen voorziening.</al><al/><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst
                    adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee
                    laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een
                    beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse
                    woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.</al><al/><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding
                    heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is
                    verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest
                    adequaat is kan de aanvragertot verhuizen overgaan. Met
                    deze voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de
                        aanvragerreeds is verhuisd, met een claim voor een
                    verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde gevallen kan het
                    echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de woning anders
                    aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente
                    gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. </al><al/><al/><al>Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de verhuizing
                    schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het hoeft hier
                    uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin
                    men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een
                    verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of erfpachtovereenkomst inzake
                    de te betrekken woning. </al><al/><al><cursief>Ad</cursief><cursief>g. Kosten gemaakt voor eerder verstrekte
                        voorziening.</cursief></al><al>Onder g. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden
                    als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                    plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is
                    gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
                    indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor
                    het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><al/><al><cursief>Ad h. Aanspraken via andere wettelijke regelingen.</cursief></al><al>Hierdoor wordt aangegeven dat deze voorzieningen niet worden verstrekt indien er
                    een andere wettelijke regeling bestaat, op grond waarvan men aanspraak kan maken
                    op de aangevraagde voorziening. Hetzelfde geldt voor privaatrechtelijke
                    overeenkomsten. </al><al/><al><cursief><vet>Hoofdstuk 2. Vorm van te verstrekken individuele
                            voorzieningen.</vet></cursief></al><al/><al><vet>Artikel 3. Keuzevrijheid.</vet></al><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget en
                    een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren bestaan
                    om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget. Het
                    college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van
                    bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te
                    verstrekken. Een duidelijk voorbeeld hiervan is deelname aan het collectief
                    vervoer. </al><al/><al>Naast deze keuzevrijheid bestaat er, voor wat betreft de hulp bij het
                    huishouden, nog een tweede vorm van keuzevrijheid: namelijk de vrijheid om bij
                    voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere aanbieders. </al><al/><al>Regels in verband met het bovenstaande zullen niet in deze verordening worden
                    uitgewerkt, maar in het beleidsplan / verstrekkingenboek maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Ermelo.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Voorziening in natura</vet><vet>.</vet></al><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    college en de aanvrager. Deze bepaling ziet op de situatie waarin het college
                    eigenaar blijft van de verstrekte naturavoorziening of het college de zorg in
                    natura zelf geregeld heeft. Artikel 10 van de wet stelt weliswaar dat het
                    verlenen van maatschappelijke ondersteuning zo veel mogelijk aan derden moet
                    worden overgelaten,maar als dat redelijkerwijs niet
                    mogelijk is kan gekozen worden voor het door de gemeente zelf verlenen van de
                    maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt is er uiteraard niet een
                    dergelijke overeenkomst nodig.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Financiële tegemoetkoming.</vet></al><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet. Deze bepaling,
                    die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 7 van deze
                        verordening,biedt daartoe de
                        mogelijkheid.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Persoonsgebonden budget.</vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder <cursief>lid 1, onder
                        a</cursief>., van dit artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en
                    sluit aan op de bepaling in artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat
                    alleen bij toekenning van individuele voorzieningen in beginsel de keuze
                        vooreen persoonsgebonden budget moet worden geboden.
                    Algemene voorzieningen vallen niet onder deze eis.</al><al/><al><cursief>Onder b.</cursief> is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden
                    budget is gekoppeld aan de tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopst adequate
                    voorziening. Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het
                    persoonsgebonden budget kan worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een
                    objectief vaststelbaar referentiepunt. Voorts kan een aanvullend bedrag worden
                    vastgesteld voor de instandhoudingkosten van de voorziening. </al><al/><al>Voor de diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling moeten worden
                    gegeven in het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Ermelo</cursief> en het daarbij behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen
                        maatschappelijk ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> dat door het college
                    moet worden vastgesteld. </al><al/><al><cursief>Lid 1, onder c.</cursief> bepaalt dat het college de omvang van een
                    persoonsgebonden budget bepaalt. Het zal immers gaan om een veelheid van
                    verschillende persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen.
                    Daarbij zullen, ter bevordering van de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen
                    noodzakelijk zijn. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het
                        <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> en
                    het daarbij behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen maatschappelijk
                        ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> en de beleidsregels. </al><al/><al/><al><cursief>Lid 1, onder d.</cursief> bepaalt dat er, om misverstanden zoveel
                    mogelijk te voorkomen, een overeenkomst wordt getekend omtrent de voorwaarden
                    waaronder het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.</al><al/><al><cursief>Lid 1, onder e, </cursief>bepaalt dat indien een persoonsgebonden
                    budget gebruikt is om een voorziening aan te schaffen en deze voorziening niet
                    meer wordt gebruikt, vanwege verhuizing naar een andere gemeente, overlijden van
                    betrokkene of als er verder geen noodzaak meer is, de voorziening kan worden
                    teruggehaald. De voorziening is immers met gemeenschapsgeld aangeschaft en het
                    kan niet de bedoeling zijn dat de opbrengst van de voorziening ten gunste komt
                    van de gebruiker. Door de voorziening terug te halen is het college in staat tot
                    herverstrekking van deze voorziening, waardoor het gemeenschapsgeld optimaal
                    wordt gebruikt.</al><al>De budgethouder is verplicht meldingen over het niet meer gebruiken van
                    voorzieningen aan het college te verstrekken. Deze plicht vloeit voort uit
                    artikel 34 van de verordening.</al><al>Uiteraard worden extra eigen middelen, door de budgethouder besteed bij de
                    aanschaf van de voorziening, op afschrijvingsbasis, terugbetaald.
                        </al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de
                    periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke
                    beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt
                    vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden
                    budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het program van eisen is dus een
                    belangrijk document; als niet aan het program van eisen wordt voldaan kan dat
                    gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget. </al><al/><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Lid 4 van artikel 6 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het
                    persoonsgebonden budget. Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen
                    door het college nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling
                    in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij het huishouden of in situaties waarin er
                    twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de
                    gemeente worden beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge
                    terugvorderingbedragen.</al><al/><al><vet>Lid 5 en 6</vet></al><al>De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding
                    van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te
                    stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun persoonsgebonden
                    budgets besteden conform de toekenningvoorwaarden. Het is dus aan de raad en het
                    college om te bepalen hoe die controle plaatsvindt en daarbij de afweging te
                    maken tussen volledige controle en steekproefsgewijze controle.</al><al/><al>Volledige controle is belastend voor de burger, arbeidsintensief en houdt het
                    gevaar van een bureaucratische benadering in zich. Weliswaar bestaat bij een
                    steekproefsgewijze benadering het risico van misbruik of oneigenlijk gebruik,
                    doch door het feit dat aan de verstrekking van de voorziening enige vorm van
                    indicatiestelling is gekoppeld is dit risico gering en wordt gekozen voor een
                    steekproefsgewijze controle.</al><al/><al>Dit is opgenomen in deze artikelleden, waarbij een bepaald gedeelte van de
                    toegekende persoongebonden budgetten wordt gecontroleerd via het opvragen van
                    gegevens bij de budgethouders. </al><al/><al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                    persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de in
                    hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd. </al><al/><al><vet>Artikel 7. Eigen bijdragen en eigen aandeel. </vet></al><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19
                    van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te
                    stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt
                    verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van
                    deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 van de
                    wet. Bovendien wordt bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het
                    college in het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Ermelo</cursief> en het daarbij behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen
                        maatschappelijk ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> wordt vastgelegd. </al><al/><al>De Raad heeft hierbij ingevolge de Algemene Maatregel van Bestuur de
                    mogelijkheid binnen de grenzen die de Algemene Maatregel van Bestuur stelt de
                    verschillende bedragen vast te stellen. Deze (eventueel) afwijkende bedragen
                    kunnen in het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Ermelo</cursief> en het daarbij behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen
                        maatschappelijk ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> worden
                    opgenomen.</al><al/><al>Bovenstaande is met uitzondering van rolstoelen, zoals genoemd in artikel 28,
                    lid 1 en 2. Op 7 juli 2006 heeft de Tweede Kamer een motie van die strekking met
                    algemene stemmen aangenomen (de motie Verbeet c.s.)</al><al/><al><cursief><vet>Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden.</vet></cursief></al><al/><al><vet>Artikel 8. Vormen van hulp bij het huishouden.</vet></al><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan
                    te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                    verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In
                        <cursief>hoofdstuk 3</cursief> van deze verordening gaat het om de
                    voorziening “hulp bij het huishouden”, in <cursief>hoofdstuk 4</cursief> om
                    “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip “voeren van een
                    huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan hebben aan hulp
                    bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem geschikte woning is
                    gesitueerd. Vandaar dat de onder de Wvg bestaande woonvoorzieningen onder dit
                    begrip zijn gebracht. </al><al/><al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te
                    geven dat onder de WMO sprake is van een eigen begrip wordt in deze verordening
                    het begrip <vet>‘hulp bij het huishouden’ </vet>geïntroduceerd.</al><al/><al>Hulp bij het huishouden kan in drie vormen als voorziening worden aangeboden. </al><al/><al><vet>Lid 1. onder a</vet></al><al>Onder a. wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en eenvoudige
                    dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en
                    aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het
                    huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt, met name voor eenvoudige
                    werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte. Het is aan
                    een gemeente om te bezien of zij deze vorm van hulp bij het huishouden in hun
                    verstrekkingenpakket wil opnemen.</al><al/><al><vet>Lid 1. onder b</vet></al><al>Onder b. wordt genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Ook hier gaat het
                    om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als bij de onder a. genoemde
                    vorm. Het verschil zit echter in de toekenningsprocedure, die meer op de persoon
                    is afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor de wat grotere en
                    langduriger behoefte aan hulp.</al><al/><al><vet>Lid 1. onder c</vet></al><al>Onder c.is genoemd het persoonsgebonden budget (Pgb) voor
                    hulp bij het huishouden. Met dit Pgb moet de aanvrager zelf hulp inhuren.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Primaat van de algemene hulp bij het huishouden.</vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In artikel 9 lid 1 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik kan
                    maken van een algemene voorziening voor hulp bij het huishouden, indien deze in
                    de gemeente voorhanden is. </al><al/><al>In aanmerking komen in eerste instantie personen met een aantoonbare beperking
                    ten gevolge van ziekte of gebrek. Verder komen in aanmerking mantelzorgers in
                    het kader van dezogenaamde ‘respijtzorg’, dat wil zeggen
                    dat de noodzaak aanwezig is om mantelzorgers te ontlasten. Nota bene:
                        <cursief>het is daarbij niet de bedoeling van de wetgever dat het huishouden
                        van de mantelzorger wordt overgenomen, maar overname van het huishouden van
                        degene die de mantelzorg ontvangt is wel degelijk mogelijk.</cursief></al><al/><al>Algemeen aangeboden hulp bij het huishouden is in de vorm van een primaat in
                    deze verordening neergelegd. Dat houdt in dat in eerste instantie wordt bezien
                    of deze vorm van hulp bij het huishouden het probleem op adequate wijze kan
                    oplossen. </al><al/><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als de in het vorige lid genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat is
                    of niet aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het
                    huishouden aan de orde. <cursief>Lid 2 moet dus in samenhang met lid 1 worden
                        gelezen</cursief>. De individuele voorziening kan bestaan uit een
                    voorziening in natura of uit een persoongebonden budget. Het college bepaalt
                    wanneer iemand voor een persoonsgebonden budget in aanmerking kan komen. Deze
                    criteria zijn vastgelegd in het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning
                        gemeente Ermelo</cursief> en het daarbij behorende <cursief>Normenboek
                        Voorzieningen maatschappelijk ondersteuning gemeente Ermelo.</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 10. Gebruikelijke zorg.</vet></al><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de
                    problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de
                    AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de
                    vorige eeuw. Voor zover de ondervonden problemen door middel van dergelijke
                    gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het
                    huishouden. In de door het college vast te stellen beleidsregels wordt bepaald
                    hoe er rekening wordt gehouden met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van
                    een aanspraak op een voorziening voor hulp bij het huishouden.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Omvang van de hulp bij het huishouden.</vet></al><al>In de AWBZ werd tot de invoering van de wet geïndiceerd in klassen. Klassen zijn
                    te vergelijken met standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan minimaal en
                    een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. Indien men
                    bijvoorbeeld een indicatie heeft voor 1,5 uur hulp, wordt men ingedeeld in
                    klasse 1. Mocht de behoefte aan hulp van de aanvrager enigszins stijgen of dalen
                    binnen de bandbreedte van de toegekende klasse, dan hoeft daarvoor niet opnieuw
                    geïndiceerd en beschikt te worden. Voor de gemeente is dat een administratief
                    voordeel, voor aanvragers ook. </al><al/><al>Materieel kan het voor aanvragers binnen de speelruimte van de klasse echter
                    enigszins negatief of positief uitpakken, afhankelijk van de daadwerkelijk
                    noodzakelijke uren zorg. Als die zorgbehoefte, uitgedrukt in uren, zich onderaan
                    de bandbreedte bevindt, is men voordelig uit; is de behoefte aan uren gelegen
                    vlak onder het plafond van de klasse, is het voordeel minder. Zolang de
                    objectief vastgestelde behoefte echter binnen de bandbreedte blijft, is er
                    sprake van een toereikende voorziening. </al><al/><al>Voor zover hulp bij het huishouden nodig is die klasse 6 overstijgt, is het
                    mogelijk additionele uren aan deze hoogste klasse toe te voegen. In het
                        <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> en
                    het daarbij behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen maatschappelijk
                        ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> wordt door het college jaarlijks het
                    daarbij passende uurbedrag vastgelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Omvang van het persoonsgebonden budget.</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich en sluit nauw aan op de tweede optie, genoemd in
                    artikel 11. Jaarlijkse vastlegging houdt verband met prijsindexering, zoals
                    genoemd in artikel 38.</al><al/><al><cursief><vet>Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen.</vet></cursief></al><al/><al><vet>Artikel 13. Woonvoorzieningen.</vet></al><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al><al/><al><cursief>Ad a de algemene woonvoorziening.</cursief></al><al>Hierbij moet worden gedacht aan een mogelijkheid om snel oplossingen voor vaak
                    minder complexe woonproblemen te krijgen. Te denken valt aan klussendiensten,
                    snel beschikbare voorzieningen uit depot en mogelijk andere, nog te ontwikkelen
                    voorzieningen;</al><al/><al><cursief>Ad b een woonvoorziening in natura.</cursief></al><al>Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in de vorm van financiële
                            tegemoetkoming<vet><cursief> -</cursief></vet>op individuele basis-
                    verstrekt, bijvoorbeeld de losse tillift of een douchestoel;</al><al/><al><cursief>Ad c het persoonsgebonden budget.</cursief></al><al>Hierbij gaat het om bijvoorbeeld een verhuiskostenvergoeding;</al><al/><al><cursief>Ad d de financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf
                        huren en soms ook rechtspersoon zijn.</cursief></al><al>Deze financiële tegemoetkoming wordt genoemd in artikel 7 lid 2 van de wet.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Primaat collectieve woonvoorzieningen en recht op individuele
                        woonvoorzieningen.</vet></al><al>In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden opgelost
                    met een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij het zoeken
                    naar een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem, dus een probleem
                    bij het normale gebruik van de woning, zie de toelichting op het amendement dat
                    leidde tot artikel 4 van de wet (amendement Miltenburg c.s., 30 131, nr. 65).
                    Als een algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is
                    in de gemeente, moet het probleem middels een individuele voorziening worden
                    opgelost; dat kan zijn een woonvoorziening in natura of een persoonsgebonden
                    budget.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Soorten woonvoorzieningen.</vet></al><al><cursief>Ad a. een tegemoetkoming in de verhuis- en
                        herinrichtingskosten.</cursief></al><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en
                    inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper
                    aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning. Het college maakt de afweging
                    tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een
                    woningaanpassing. </al><al/><al>Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is, volgens de
                    Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor
                    situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband staan
                    met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf.
                    Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast enzovoort,
                    zijn dus niet van belang. </al><al/><al>Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt
                    gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de gemeente.</al><al/><al><cursief>Ad b. een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening.</cursief></al><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de
                    woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de bewoner met een beperking. </al><al/><al><cursief>Ad c. een niet bouwkundige of niet woontechnische
                        woonvoorziening.</cursief></al><al>Onder een woonvoorziening waarbij geen sprake is van een ingreep van bouw- of
                    woontechnische aard zal in de praktijk met name een persoonsgebonden budget voor
                    woningsanering i.v.m. CARA verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden
                    begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchenwelke niet
                    nagelvast aan de woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze
                    laatste twee categorieën roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van
                    een voorziening in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur,
                    zodat hergebruik mogelijk is.</al><al/><al><cursief>Ad d. een uitraasruimte.</cursief></al><al>Omdat met de WMO niet wordt beoogd om het inhoudelijke beleidsterrein ten
                    opzichte van de vervallen Wvg te verbreden, noch om dat te versmallen, is de
                    uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die
                    op basis van het vervallen artikel 1, lid 1, onder e. van de Wvg kan worden
                    gedefinieerd als <cursief>een verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge
                        vaneen beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig
                        ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan
                    komen</cursief>. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die alleen op basis
                    van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke beperking kan worden
                    verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en prikkelarme
                    ruimte.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Primaat van de verhuizing.</vet></al><al>Al onder de Wvg gold de regel dat bij een aanvraag voor een woningaanpassing
                    eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning een oplossing kon bieden.
                    Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In feite gaat het om een
                    uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor de goedkoopst
                    adequate voorziening. </al><al/><al>De mogelijkheid tot het hanteren van het primaat van de verhuizing is onder de
                    Wvg in de jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke voorwaarden
                    zijn gesteld. </al><al/><al>In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen van de verhuizing voor de
                    woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen, een eis die ook onder
                    de wet gesteld kan worden. Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing in de
                    vorm van een verhuizing kan worden gerealiseerd binnen een uit het advies
                    blijkende medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat het
                        collegezicht moet hebben op de woningvoorraad om een
                    indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om binnen die medisch
                    verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte aangepaste of
                    goedkoper aan te passen woning. </al><al/><al>Ook diverse andere relevante aspecten, nader uit te werken in de gemeentelijke
                    beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de
                    afweging omtrent het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet
                    geval. </al><al/><al><vet>Artikel 17. Primaat van de losse woonunit.</vet></al><al>Onder de Wvgkonden gemeenten woningaanpassingen duurder dan
                    € 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie van
                    Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de WMO vervalt deze mogelijkheid en
                    zullen de kosten voor rekening van de gemeenten komen. Als het gaat om grote
                    aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw kunnen worden verhuurd voor de
                    huisvesting van mensen met beperkingen, kan de investering over een langere
                    periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat niet speelt, wordt in
                    principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In concrete situaties
                    waarin deze mogelijkheid kan bestaan, wordt aan het
                    gebruikvan een dergelijke unit voorrang gegeven middels
                    deze bepaling<cursief>. </cursief>Een en ander zal nader uitgewerkt worden in de
                    gemeentelijke beleidsregels / verstrekkingenboek.</al><al/><al><vet>Artikel 18. Uitsluitingen.</vet></al><al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen
                    van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als
                    zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als
                    zodanig aangemerkt worden. Eenuitzondering hierop zijn
                    aanpassingen aan recreatiewoningen waarvoor op grond van het door de gemeente
                    gehanteerde beleid een gedoogstatus is afgegeven; hoe hiermee om te gaan zal
                    apart worden geregeld in de gemeentelijke beleidsregels / verstrekkingenboek.
                    Ook voor het aanpassen van woonwagens zullen regels worden opgenomen. </al><al/><al>Verder worden geen woonvoorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van
                    woongebouwen voor ouderen of gehandicapten of voorzieningen die in dergelijke
                    gebouwen, ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder
                    noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Dit beleid werd ook in het
                    kader Wvg toegepast.</al><al/><al><vet>Artikel 19. Hoofdverblijf.</vet></al><al>In tegenstelling tot de Wvg wordt in de wet niet expliciet vermeld dat de
                    gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor de inwoners van de gemeente.
                    Artikel 11 van de wet geeft echter wel een aanwijzing in die richting door
                    vermelding van “ingezetenen”, mede gezien het feit dat er met de wet geen
                    inhoudelijke uitbreiding van de werking van de Wvg is beoogd. </al><al/><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel. Voor
                    bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders
                    kunnen aanhouden. <cursief>De gemeente waar de aanvrager van de voorziening
                        daadwerkelijk verblijft heeft de verplichting tot compensatie van
                        beperkingen</cursief>. Dit beleid werd ook in het kader Wvg toegepast. In
                    het geval van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen betrekking op de
                    woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of
                    zalhebben' op te nemen voor situaties waarin de aanvrager
                    naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten
                    bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken, zie ook artikel
                    20, onder b.</al><al/><al>Onder de Wvg waren AWBZ-bewoners uitgesloten van het recht op woonvoorzieningen.
                    Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd in deze gemeente gemaakt voor het
                    zogenaamde bezoekbaar maken van twee woonruimtes voor bezoek aan ouders of
                    andere familieleden in de eerste graad. Omdat met de wet niet wordt beoogd om de
                    omvang van de onder de Wvg geregelde zorgplicht in te krimpen of uit te breiden,
                    is de optie van het bezoekbaar maken ook weer in de verordening opgenomen in
                    artikel 19. Verdere verplichtingen dan hier genoemd in de verordening heeft de
                    gemeente derhalve niet. “Bezoekbaar maken” wordt in de verordening daarom
                    gelimiteerd tot het bereikbaar maken van de woonruimte zelf en enkele essentiële
                    ruimten daarin, en kan bovendien in financiële zin worden gemaximeerd, zie lid
                    5. </al><al/><al><vet>Artikel 20. Beperkingen.</vet></al><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet ereen
                    duidelijke samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking
                    die men heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere
                    factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van artikel
                    20.</al><al/><al><cursief>Ad a. verhuizing zonder noodzaak.</cursief></al><al>Onder a. wordt de verhuizing zonder een medische noodzaak als weigeringgrond
                    voor woonvoorzieningen opgenomen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woningis dan de
                    voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft
                    voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke
                    reden, maar gewoon omdat men daar zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is
                    de zogeheten “belangrijke reden”. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing
                    vanwege samenwoning, huwelijk, uitbreiding van de gezinssituatie of het
                    aanvaarden van werk elders.</al><al/><al><cursief>Ad. b. verhuizing naar niet adequate woning.</cursief></al><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening
                    voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens
                    niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare
                    handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het
                    tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie ook artikel 19, lid 1,
                    waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende
                    woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben”. </al><al/><al>Voor de toepassing van deze weigeringgrond geldt dat ook de gemeente ervoor zal
                    moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te passen
                    woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de vrije sector en
                    zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente haar burgers goed
                    moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan
                    kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is verhuisd naar de voor zijn
                    situatie meest geschikte woning.</al><al/><al>Het bovenstaande werd onder het Wvg-beleid toegepast in goede samenwerking met
                    de grootste verhuurder in Ermelo, woningstichting De Groene Zoom. Daarbij dient
                    het regionale woningtoewijzingsbeleid als uitgangspunt.</al><al/><al><cursief>Ad c. aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten.</cursief></al><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in
                        hoofdzaakzijn gericht op het individu, worden in
                    beginsel geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen
                    verstrekt. Evenals onder de Wvg gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in
                    de verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijk ruimten. De opsomming
                    is limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden verstrekt dan er
                    in de verordening is genoemd.</al><al/><al><cursief>Ad d. verhuizen in andere (gebruikelijke)
                    situaties.</cursief></al><al>Onder d. wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen; veel verhuizingen
                    zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men
                    heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk huis naar een
                    zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren naar een kleinere woning, omdat
                    de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds zelfstandig
                    wonen.</al><al/><al><cursief>Ad e. verhuizen van / naar AWBZ instellingen.</cursief></al><al>Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de aanvrager
                    buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers niet meer
                    zelfstandig participeren en hebben dus geen aanspraak op woonvoorzieningen, ook
                    al omdat ze die onder de Wvg ook al niet hadden. Als er in de te verlaten woning
                    geen problemen bij het normale gebruik van de woning werden ervaren, is de
                    verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men
                    verhuisd naar een inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals
                    onder de Wvg geen aanspraak op woonvoorzieningen, hetgeen al meermaals door de
                    Centrale Raad van Beroep is bevestigd.</al><al/><al><cursief>Ad f. grote bouwkundige woningaanpassingen.</cursief></al><al>Woonvoorzieningen van bouwkundige aard kunnen in principe tot een maximaal
                    bedrag, opgenomen in het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning
                        gemeente Ermelo</cursief> en het daarbij behorende <cursief>Normenboek
                        Voorzieningen maatschappelijk ondersteuning gemeente Ermelo</cursief>,
                    verstrekt worden. Boven dit maximale bedrag zijn aanpassingen in uitzonderlijke
                    situaties mogelijk. Er dient dan gebruik gemaakt te worden van de in artikel 37
                    opgenomen hardheidsclausule, waarbij het college kan besluiten nader advies in
                    te winnen. Dit beleid wordt nu ook in het kader Wvg toegepast.</al><al/><al><vet>Artikel 21. Terugbetaling bij verkoop.</vet></al><al>De Modelverordening Wvg bevatte een zogenaamde anti-speculatiebepaling. In het
                    gemeentelijke Wvg - beleid was deze bepaling niet opgenomen. Het lijkt, met oog
                    op de verantwoordelijkheid voor de ‘grote’ woningaanpassingen onder de WMO,
                    relevant deze bepaling hier op te nemen. Deze bepaling heeft als doel het door
                    de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de waardestijging, die het
                    gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond van de wet. De datum
                    van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum reeds vaststaat wat de
                    verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten gevolge van de aanpassing
                    is. </al><al/><al>Het is aan het college om te bepalen of en in hoeverre in een concrete situatie
                    gebruik van deze bepaling wordt gemaakt, aangezien er een afweging dient plaats
                    te vinden tussen de kosten van het effectueren van deze bepaling (taxatie,
                    administratieve lasten) in relatie tot de te verwachten baten. Dit vergt in
                    ieder geval een individuele afweging.</al><al/><al><cursief><vet>Hoofdstuk 5. Het zich lokaal verplaatsen per
                        vervoermiddel.</vet></cursief></al><al/><al><vet>Artikel 22. Vormen van te verstrekken voorzieningen.</vet></al><al><cursief>Ad a. Een algemene voorziening.</cursief></al><al>Onder algemene voorzieningen kan worden gedacht aan de mogelijkheden voor het
                    opzetten van scootermobiel- en/of rolstoelpools, zoals in sommige
                    verzorgingshuizen al op basis van de Wvg gebeurde. Verdere mogelijkheden zullen
                    verder moeten worden ontwikkeld.</al><al/><al><cursief>Ad b. Een collectieve vervoersvoorziening.</cursief></al><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer (hier bekend onder de naam Regiotaxi Noordwest Veluwe),
                    zoals dat zich vanaf 1994, landelijk en in deze gemeente vanaf 2001, onder de
                    Wvg heeft ontwikkeld.</al><al/><al><cursief>Ad c. Een vervoersvoorziening in natura.</cursief></al><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                    vervoermiddelen, evenals onder de Wvg. In de beleidsregels c.q. het
                    verstrekkingenboek wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden men voor een bepaald
                    soort voorziening in aanmerking komt.</al><al/><al><cursief>Ad d. Een persoongebonden budget te besteden aan een
                        vervoersvoorziening in natura.</cursief></al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wvg is het persoonsgebonden budget.
                    De vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget door het college
                    wordt in het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Ermelo</cursief> en het daarbij behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen
                        maatschappelijk ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> uitgewerkt.</al><al/><al><vet>Artikel 23. Het recht op een algemene voorziening.</vet></al><al>Door deze formulering is bepaald dat <cursief>louter de aantoonbare beperkingen
                        van de persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande
                        vervoerssystemen</cursief> bepalend zijn voor de vraag of, en zo ja in
                    hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor een voorziening ter zake. </al><al/><al>Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel is
                    het <cursief>ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken dan wel niet
                        kunnen bereiken van het openbaar vervoer</cursief>. Die regel stamt uit de
                    aan de Wvg voorafgaande Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en wordt in de
                    praktijk beoordeeld door onder andere te kijken naar de loopafstand van een
                    aanvrager (de bekende 800-metergrens). Ook als bijvoorbeeld de streekbus voor
                    iemand met een functionele beperking niet toegankelijk is, heeft men recht op
                    een vervoersvoorziening. </al><al/><al>Psychische problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de
                    trein) zijn daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening.
                    Hier moet een adequate voorziening getroffen worden. Deze kan wellicht beter
                    gevonden worden buiten de wet, door middel van een therapie waardoor de blokkade
                    opgeheven kan worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan was
                    de problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht niet onder de wet, bij
                    gebrek aan een langdurige noodzaak. </al><al/><al>Anders wordt het als blijkt dat het probleem niet therapeutisch opgelost kan
                    worden. Dan is wel een langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een
                    vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.</al><al/><al><vet>Artikel 24. Het primaat van de collectieve vervoersvoorziening.</vet></al><al>Artikel 24 geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de
                    individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. en c. van artikel 22. Men kan
                    voor individuele verstrekkingen in aanmerking komen: </al><lijst><li nr="1."><al>indien men door de aard van de beperking geen gebruik kan maken van een
                            algemene voorziening waaronder een
                            collectievevervoersvoorziening of;</al></li><li nr="2."><al>indien er geen algemene voorziening aanwezig is.</al></li></lijst><al/><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een
                    collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het
                    collectief systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak heeft
                    niet volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep onder de Wvg van bijzonder belang bij mensen die slechts zeer beperkt
                    mobiel zijn (mensen met een loopafstand van maximaal 100 meter). Alleen
                    collectief vervoer is voor deze categorie mensen geen adequate voorziening. </al><al/><al>Voor welke soorten vervoersvoorzieningen en onder welke voorwaarden iemand
                    daarvoor in aanmerking kan komen zal verder worden uitgewerkt in de
                    gemeentelijke beleidsregels c.q. het verstrekkingenboek.</al><al/><al><vet>Artikel 25. Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen.</vet></al><al>Onder de Wvg is in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep bepaald dat
                    het stellen van een inkomensgrens voor een forfaitaire tegemoetkoming in
                    vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 x de bijstandsnorm niet in strijd was met
                    de geldende zorgplicht. Iemand met een dergelijkinkomen
                    wordt geacht de kosten van het lokaal vervoer of bezit en gebruik van een auto
                    zelf te kunnen dragen. Er is een duidelijke relatie met het begrip “algemeen
                    gebruikelijk”; indirect worden de kosten van vervoer in relatie tot het inkomen
                    algemeen gebruikelijk geacht. </al><al/><al><vet>Artikel 26. Omvang in gebied en in kilometers.</vet></al><al>Onder de Wvg is de zorgplicht voor vervoer beperkt tot verplaatsingen in het
                    kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving; de wet
                    spreekt nu in artikel 4 lid 1, onder c. over “het zich lokaal verplaatsen per
                    vervoermiddel”. Dit lijkt beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de Wvg, maar
                    aangezien met de WMOniet is beoogd de reikwijdte van de Wvg
                    te beperken of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat alleen de
                    letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in
                    artikel 26, conform de onder de Wvg gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van
                    de eigen woon- of leefomgeving, met als uitzondering de bovenregionale
                    zorgplicht, zoals die ook in de Wvg-jurisprudentie is omschreven.</al><al/><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    onder de Wvg in dat een vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen
                    de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis minimaal 1.500 – 2.000 kilometer af
                    te leggen.</al><al/><al>Ermelo had ervoor gekozen deze zorgplicht te beperken tot het gebied wat gelijk
                    is aan een straal van ± 25 km. rondom Ermelo, gelijk aan het bereik van het
                    collectief vervoerssysteem (Regiotaxi). Vertaald naar de individuele
                    vervoersvoorzieningen betekent dit dat deze gemeente gekozen heeft geldelijke
                    voorzieningen te treffen tot maximaal 2.500 km. Hiervoor hanteert deze gemeente
                    een gedifferentieerd systeem. </al><al/><al>Daar het uitgangspunt is dit huidige beleid voort te zetten lijkt het logisch
                    het huidige systeem voort te zetten – voorlopig voor de duur van twee jaar in
                    aansluiting op de beleid voor hulp bij het huishouden - en dit verder uit te
                    werken in de gemeentelijke beleidsregels c.q. het verstrekkingenboek.</al><al/><al><cursief><vet>Hoofdstuk 6. Verplaatsen in en rond de
                    woning.</vet></cursief></al><al/><al><vet>Artikel 27. Diverse typen rolstoelvoorzieningen.</vet></al><al>Onder de Wvg waren rolstoelen in de wet zelf als aparte categorie voorzieningen
                    opgenomen. In de WMO is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet niet
                    wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wvg te
                    verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd als de enige
                    voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond de woning in het
                    kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een definitie van een rolstoel is
                    niet te geven, daarom wordt hier onder het begrip “rolstoel” een rolstoel
                    begrepen te worden de rolstoel zoals iedereen die kent. Deze rolstoel kan zowel
                    handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. </al><al/><al>Een (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op
                    grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de Regeling
                    Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. </al><al/><al>Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen
                    als voor buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat
                    lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken
                    voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of
                    onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel
                    vallen eveneens onder de wet.</al><al/><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                    therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij
                    valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en
                    andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch
                    noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.</al><al/><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel. Onder de Wvg was de sportrolstoel, meestal verstrekt in de vorm van
                    een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een bovenwettelijke voorziening die
                    alleen op basis van de verordening werd verstrekt.</al><al/><al>Bij artikel 27 is gekozen voor de mogelijkheden een rolstoel in de vorm van een
                    algemene voorziening te verstrekken als het gaat om een rolstoel voor
                    incidenteel gebruik. Deze rolstoelen voor incidenteel gebruik hoefden onder de
                    Wvg formeel niet te worden verstrekt, hoewel dat in de praktijk wel vaak
                    gebeurde. </al><al/><al>Deze optie geeft een regeling waarbij wel incidenteel noodzakelijke rolstoelen
                    worden verstrekt, maar dan via <cursief>een algemene
                        rolstoelvoorziening</cursief>. </al><al>Dit is geregeld <cursief>onder a.</cursief> Het betreft dan situaties waarbij
                    soms een rolstoel nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen in en om de woning
                    zonder rolstoel plaatsvindt. Het recht op een dergelijke rolstoel kan in die
                    situaties ingevuld worden via een rolstoelpool waarop de betrokkene een beroep
                    op kan doen. Hierdoor wordt voorkomen dat een groot aantal rolstoelen weinig
                    frequent wordt gebruikt. De rolstoelen uit de rolstoelpool worden daarentegen
                    wel frequent gebruikt. Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk zijn een
                    rolstoel uit de pool te lenen. De pool moet dan ook voldoende geschikte
                    rolstoelen op voorraad hebben. </al><al/><al><cursief>Onder b. en c.</cursief> betreft het de individuele rolstoel voor
                    dagelijks zittend gebruik, terwijl <cursief>onder d. de sportrolstoel wordt
                        genoemd.</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 28. Incidenteel, dan wel dagelijks rolstoelgebruik en
                        sportrolstoel.</vet></al><al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel uit een
                    rolstoelpool in aanmerking kan komen als het gaat om incidenteel gebruik van de
                    rolstoel, terwijl een rolstoel in natura of in de vorm van een persoonsgebonden
                    budget verstrekt zal worden als de rolstoel voor het dagelijks zittend
                    verplaatsen in en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is. </al><al/><al>Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of
                    andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het
                    verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt
                    worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks
                    noodzakelijk is. </al><al/><al>De nadere verstrekkingcriteria worden vastgelegd in de gemeentelijk
                    beleidsregels c.q. het verstrekkingenboek.</al><al/><al>Indien de rolstoel niet noodzakelijk is voor incidenteel gebruik, maar voor
                    dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning kan de rolstoel verstrekt
                    worden als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget. Een rolstoel
                    uit de rolstoelpool is dan immers geen
                    adequatevoorziening.</al><al/><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een persoonsgebonden
                    budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel sportbeoefening niet
                    mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip sportrolstoel
                    uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere sportvoorzieningen
                    worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een sportrolstoel zoals een
                    handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet voor het lokaal verplaatsen
                    nodig is.</al><al/><al><vet>Artikel 29. Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor
                    AWBZ-bewoners.</vet></al><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat
                    alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie
                    “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een
                    AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een
                    AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt
                    op grond van de WMO. </al><al/><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor
                    de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie
                    “behandeling”als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende
                    instelling. </al><al/><al>Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende situatie,
                    waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden “genoten”, maar de
                    instelling zelf geen erkenning heeft voor beide AWBZ-functies, maar alleen voor
                    de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen recht op een AWBZ-rolstoel
                    bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide functies op die
                    verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende AWBZ-instelling worden
                    verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen, waarbij de ene
                    instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere instelling.
                        </al><al/><al><cursief><vet>Hoofdstuk 7. Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten.</vet></cursief></al><al/><al><vet>Artikel 30. Gebruik aanvraagformulier.</vet></al><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een
                    aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij
                    bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een
                    eerste handeling van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een
                    aanvraag worden ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus
                    niet verwachten dat vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar
                    richting wordt ondernomen. </al><al/><al>In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op een daartoe
                    beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Zodra de techniek daartoe, inclusief
                    digitale handtekening, gewaarborgd aanwezig is wordt hieronder ook een digitaal
                    aanvraagformulier verstaan. De aanvraag in het kader van de wet die niet op het
                    beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan echter niet zonder meer
                    buiten behandeling worden gelaten. De Awb bepaalt immers dat de aanvraag in
                    ieder geval naam en adres van de aanvrager en een aanduiding van de beschikking
                    die gevraagd wordt, dient te bevatten en verder ondertekend moet zijn.
                    Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier, dat overigens niet is
                    ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de overige benodigde bescheiden
                    daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor de hand in een dergelijke situatie te
                    verzoeken om aanvulling van de gegevens.</al><al/><al><vet>Artikel 31. Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                        (AWBZ).</vet></al><al>Op basis van het amendement - Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54 ) is in
                    artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                    individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen
                    en zorg als bedoeld in de AWBZ is geregeld.</al><al/><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2, onder a.
                    ertoe strekt dat <cursief>“de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang
                        van toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot
                        zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het
                        gebied van wonen is geregeld”,</cursief> wordt gedoeld op de zogenaamde
                        <vet>één - loketgedachte</vet>. </al><al/><al>Wetsbepaling en toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de
                    wetsbepaling “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de
                    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als vallend onder de AWBZ)
                    worden genoemd, terwijl in de toelichting op het amendement waarop de
                    wetsbepaling is gebaseerd onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot
                    zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ en toegang tot voorzieningen op het gebied
                    van het wonen. Verder wordt er, zoals hierboven al geciteerd, in de toelichting
                    geen onderscheid meer gemaakt tussen raad en college, slechts “de gemeente”
                    wordt genoemd. </al><al/><al>Praktisch gezien zal de concrete uitvoering van activiteiten in het zorgloket en
                    de werking ervan een typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard
                    vallen onder de verantwoordelijkheid van het college. </al><al/><al>De door de raad vast te stellen verordening beperkt zich daarom tot het
                    aanwijzen van het loket, waarbij de nadere uitwerking daarvan via het college
                    geregeld moeten worden. </al><al/><al><vet>Artikel 32. Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking.</vet></al><al><cursief>Lid 1 onder a. en b</cursief>. van dit artikel in de Verordening
                    bepaalt dat het college bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te
                    verschijnen en te ondervragen op een door het college te bepalen plaats en
                    tijdstip en te laten onderzoeken en/of ondervragen door een of meer daartoe
                    aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet
                    zijn van de aanvraag.</al><al/><al>Afdeling 3:3 van de Awb, geeft in een zestal artikelen enige algemene bepalingen
                    over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Awb geeft aan dat in deze afdeling
                    onder <cursief>adviseur</cursief> verstaan wordt: <cursief>een persoon of
                        college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren
                        inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder
                        verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan</cursief>. </al><al/><al>In tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de Wvg is in de wet niet geregeld
                    dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de
                    uitvoering van de wet echter onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer
                    adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen.</al><al/><al>De details over wie als adviseur zal worden aangewezen, wanneer en in welke
                    situaties advies gevraagd zal worden, zullen nader worden uitgewerkt in de
                    gemeentelijke beleidsregels c.q. het verstrekkingenboek. </al><al/><al>Altijd zal advies worden gevraagd wanneer het een eerste aanvraag door de
                    betrokkene betreft en de voorziening naar verwachting meer gaat bedragen dan een
                    nog vast stellen bedrag wat zal worden opgenomen in het <cursief>Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo</cursief> en het daarbij
                    behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen maatschappelijk ondersteuning
                        gemeente Ermelo.</cursief></al><al/><al>Door dit te koppelen aan de hoogte van de gevraagde voorziening geeft dit de
                    mogelijkheid om eenvoudige indicaties zelf te kunnen afdoen.</al><al/><al>In het geval dat de gevraagde voorziening meer gaat kosten lijkt het om meerdere
                    redenen logisch advies te vragen. </al><al/><al>Bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het wellicht om een progressief
                    ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit proces reeds eerder ingrijpender
                    maatregelen getroffen dienen te worden dan op hetmoment van
                    de aanvraagnodig lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf
                    het begin duidelijk geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien speelt bij de
                    betrokken aanvrager. Het spreekt voor zich dat bij overgang van AWBZ en Wvg naar
                    deze wet voor diegenen die al een voorziening hadden niet gesproken wordt van
                    eerste aanvraag. Van eerste aanvraag wordt gesproken als een aanvrager in
                        zijngeheel niet bekend is bij deze wet.</al><al/><al>Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                    onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom
                    van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij
                    verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de
                    aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het
                    bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare
                    aandoeningen.</al><al/><al>Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld <cursief>onder b</cursief>.,
                    kan uiteraard alleen maar op basis van een medisch advies. Dit lijkt op zich
                    vreemd omdat een advies voorafgaat aan een besluit en dus bij de intake
                    beoordeeld zou moeten worden of er een negatief besluit genomen gaat worden. De
                    praktijk zal leren hoe hiermee om te gaan. </al><al/><al>Tot slot vraagt het college, zoals bedoeld <cursief>onder c</cursief>, advies,
                    indien dit overigens gewenst wordt geacht. Het zal duidelijk zijn dat hier een
                    scala aan argumenten op te voeren valt. Door deze bepaling is het echter te
                    allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is verstandig hierbij te (kunnen)
                    motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het oog op een eventuele
                    beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen spelen. </al><al/><al>De gemeente Ermelo kiest ervoor om het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) het
                    externe deskundige advies te laten uitvoeren Toegevoegd is daarom lid 3 waarin
                    deze organisatie het alleenrecht krijgt voor het uitbrengen van adviezen. </al><al/><al>De bepaling in <cursief>lid 4</cursief> spreekt voor zich; het is duidelijk dat
                    gegevens inzake de medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei
                    andere gegevens noodzakelijk kunnen zijn om eenaanvraag te
                    kunnen beoordelen. Er is een duidelijke praktische samenhang met artikel 32 lid
                    1 van deze verordening, inzake het gebruik van een door het college te
                    verstrekken formulier. Door middel van het gebruik van een formulier kunnen de
                    procedures inzake de gegevensverstrekking worden gestroomlijnd.</al><al/><al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen
                    van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3 Awb. Weigert de
                    aanvrager echter de voor het nemen van het besluit noodzakelijke gegevens te
                    verstrekken, dan rest het college niets anders dan de aanvraag volgens de
                    procedure van artikel4:5 Awb buiten behandeling te laten. </al><al/><al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                    gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                    bescherming persoonsgegevens (Wbp). </al><al/><al><cursief>Lid 5</cursief> geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet
                    worden van de zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld
                        Gezondheidsorganisatie.Deze bepaling is in de
                    verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement 65,
                    waarin staat<cursief>“Voor de gemeentelijke
                        uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                        Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader
                        dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                        gevallen vast te stellen.”</cursief></al><al/><al>Mede omdatbij de indicatiestelling van de diverse functies
                    in de AWBZ eveneens van deze classificatie gebruik wordt gemaakt kan het gebruik
                    van de ICF-classificatie afstemming tussen de AWBZ en deze wet
                    vergemakkelijken.</al><al/><al><cursief>Lid 6</cursief> vertaalt de opdracht van artikel 26 lid 1 van de wet
                    naar de verordening en bepaalt dat de beschikking dient te vermelden <cursief>op
                        welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen
                        van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van
                        mensen met een beperkingof een chronisch psychisch probleem en van
                        mensen met een psychosociaal probleem</cursief>.</al><al/><al><vet>Artikel 33. Samenhangende afstemming.</vet></al><al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                    verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen
                    samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager. Deze bepaling is
                    bedoeld om, naast de toepassing van algemene bestuursrechtelijke
                    zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit
                    cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Evenals het genoemde in de
                    toelichting op artikel 31 van deze verordening, gaat het hier naar zijn aard om
                    uitvoeringsbeleid, vandaar de delegatiebepaling. </al><al>Een en ander zal nader worden omschreven in het <cursief>Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo.</cursief></al><al/><al><vet>Artikel34. Wijzigingen in de situatie.</vet></al><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in
                    al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te verstrekken
                    voorzieningen.</al><al/><al><vet>Artikel35. Intrekking van een voorziening</vet></al><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                    Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage
                        <cursief>“waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed
                        zijn op het recht op een voorziening”, </cursief>van groot belang om de
                    beschikkingsvoorwaarden duidelijk te vermelden in een beschikking. Het is daarom
                    raadzaam om een belanghebbende te wijzen op <cursief>de voorwaarden</cursief>
                    die het recht op de voorziening met zich meebrengen. </al><al/><al>Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de
                    verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht
                    er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende
                    voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking
                    een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening,
                    omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de
                    feiten.</al><al/><al>Het bovenstaande maakte onderdeel uit van het hier gevoerde Wvg - beleid.</al><al/><al><vet>Artikel36. Terugvordering</vet></al><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden
                    is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te
                    vorderen.Indien er, naar later blijkt, ten onrechte is
                    uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan het
                        collegede voorziening geheel of gedeeltelijk
                    terugvorderen. </al><al/><al>Over terugvordering in dit kader wordt in de Modelverordening voorzieningen
                    maatschappelijk ondersteuning van de VNG het volgende gezegd:</al><al/><al><cursief>“Het besluit tot herziening van het recht op de voorziening en de
                        daaraan gekoppelde terugvordering biedt echter geen executoriale titel,
                        zoals bijvoorbeeld in de Wet werk en bijstand het geval is bij
                        terugvordering. Er is wel sprake van een civielrechtelijke vordering op
                        grond van onverschuldigde betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6
                        artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de gerechtelijke procedure
                        zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de vordering hoger is dan
                        € 5.000,- en dus een procedure met procureurstelling bij de rechtbank
                        noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige
                        dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte
                        procureurstelling.</cursief></al><al/><al><cursief>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder
                        geval gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de
                        aanvragersprake is van verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust
                        verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan
                        terugvordering van een voorziening in natura aan de orde zijn wanneer de
                        aanvragerin gebreke blijft zijn eigen bijdrage binnen de gestelde
                        termijn en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam vooraf een inschatting
                        te maken van de kosten en te verwachten baten, gezien de mogelijke kosten
                        van een civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen gekeken worden
                        naar de kosten van inschakeling van een procureur, maar ook naar mogelijke
                        invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling van een
                        deurwaarder.</cursief></al><al/><al><cursief>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde
                        vergoeding binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de
                        bekostiging van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling
                        ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de
                        uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de
                        voorziening voorafgaat. </cursief></al><al><cursief>Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de
                        uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd.
                        Artikel 36 is dus niet van toepassing op woningaanpassingen.”</cursief></al><al/><al>Dit lijkt zo op het oog een heilloze weg. Het bovenstaande, terugvorderen van
                    ten onrechte uitbetaalde bedragen, maakte deel uit van het hier gevoerde Wvg -
                    beleid. In de praktijk leidde dit zelden, zo nooit tot gerechtelijke stappen.
                    Indien nodig zal aansluiting gezocht worden bij het gemeentelijke
                    terugvorderingbeleid.</al><al/><al><cursief><vet>Hoofdstuk 8. Slotbepalingen.</vet></cursief></al><al/><al><vet>Artikel 37. Hardheidsclausule.</vet></al><al>Artikel 37 onder <cursief>lid 1</cursief>bepaalt dat het college in bijzondere
                    gevallen ten gunste van de aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze
                    verordening, en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Dit afwijken
                    kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de betrokken persoon met
                    beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. </al><al/><al>Bij de woningeigenaar, bijvoorbeeld een corporatie, kan gedacht worden aan een
                    situatie waar het van belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden
                    leeg staat, omdat bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor
                    wie de aangepaste woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een
                    revalidatiecentrum te worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn
                    om een langere periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken.
                    Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de
                    hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                    regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk
                    aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken.</al><al/><al>Onder<cursief> lid 2 </cursief>is eenrestclausule opgenomen die het
                    college de mogelijkheid biedt in alle niet - voorziene situaties te handelen
                    naar bevind van zaken. Omdat ook deze beslissingen onderworpen zijn aan de
                    voorgeschreven bezwaar - en beroepsprocedures, dient ook in deze gevallen de
                    beslissing gemotiveerd genomen te worden.</al><al/><al>L<cursief>id 3</cursief> handelt over de mogelijkheid woonvoorzieningen van
                    bouwkundige aard welke het maximale bedrag te boven gaan toch te verstrekken,
                    als daar op basis van aanwezige hardheid aanleiding toe bestaat. </al><al/><al>In <cursief>lid 4</cursief> is aangegeven dat het college zo nodig extern advies
                    kan vragen om de noodzaak af te wijken nader vast te stellen. Dit zal een ander
                    adviesorgaan moeten zijn dan de aangewezen adviseur. Dit om de onafhankelijkheid
                    te waarborgen. </al><al/><al><vet>Artikel 38. Indexering.</vet></al><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    verordening gebaseerde <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Ermelo</cursief> en het daarbij behorende <cursief>Normenboek Voorzieningen
                        maatschappelijk ondersteuning gemeente Ermelo</cursief>, te indexeren. </al><al/><al>Indexering voor de meeste van de op deze verordening gebaseerde normbedragen
                    vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. </al><al/><al>De Algemene Maatregel van Bestuur zoals op 22 mei 2006 naar de Tweede Kamer
                    gezonden bepaalt in artikel 4.5. lid 1 dat ook de bedragen van de eigen
                    bijdragen jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie
                    worden gewijzigd bij ministeriële regeling (<cursief>NOTA BENE: na algemeen
                        overleg d.d. 22 juni 2006 van Tweede Kamer met staatssecretaris Ross kan de
                        concept AMvB nog wijzigen</cursief>). Het ligt voor de hand wijzigingen in
                    bedragen in de lokale verordening tegelijkertijd hiermee door te voeren.</al><al/><al><vet>Artikel 39. Evaluatie.</vet></al><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd te
                    worden. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad
                    neergelegd in de verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de
                    bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie
                    daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het voorzieningenniveau te hoog of
                    te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te leiden tot aanpassing van de
                    verordening of van de beleidsregels.</al><al/><al>Logisch en wenselijk lijkt het om na één jaar uitvoering te evalueren en zonodig
                    het beleid bij te stellen. Dit houdt in dat een eerste evaluatie in 2008 zal
                    moeten plaatsvinden. De volgende evaluaties zullen voor wat betreft de
                    tijdstippen aansluiten bij het bij wet vastgelegde moment om verantwoording af
                    te leggen – in het zogeheten beleidsplan wat éénmaal in de vier jaar moet worden
                    vastgesteld - richting wetgever. </al><al/><al><vet>Artikelen 40. en 41. Inwerkingtreding en citeertitel.</vet></al><al>Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>