<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR57401_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad van Kerkrade 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zuid-Limburger 27-07-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad van Kerkrade 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 155a 8e lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-07-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-07-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>05Rb034</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad van Kerkrade 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Kerkrade </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al> a. onderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 155a, eerste lid, van de Gemeentewet;</al><al> b. onderzoekscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid van de Gemeentewet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Instellen van het onderzoek/onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op voorstel van een of meer van zijn leden kan de raad besluiten een onderzoek in te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na dit besluit stelt de raad een onderzoekscommissie in van tenminste drie leden, waarbij iedere in de raad vertegenwoordigde fractie de mogelijkheid heeft één lid te leveren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad wijst een genoegzaam aantal plaatsvervangende leden aan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de instelling van de onderzoekscommissie stelt de raad nadere regels vast met betrekking tot de rapportage van de onderzoekscommissie aan de raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van de onderzoekscommissie kiezen uit hun midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter is belast met: </al><al>a. het leiden van de beraadslaging en zitting; </al><al>b. het handhaven van de orde; </al><al>c. het doen naleven van bij of krachtens deze verordening gestelde regels; </al><al>d. hetgeen deze verordening hem verder opdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging van het lidmaatschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt indien: </al><al>a. de raad besluit tot opheffing van de onderzoekscommissie; </al><al>b. een lid ophoudt lid te zijn van de raad; </al><al>c. de onderzoekscommissie besluit een lid van zijn commissie te horen; d. een lid ontslag neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen. Hiervan brengt hij de raad en de voorzitter van de onderzoekscommissie zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In openstaande vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende leden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bevoegdheden van de onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit alvorens het eerste getuigenverhoor plaats vindt of getuigen uitsluitend verhoord worden na het afleggen van de eed of belofte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan buiten de in artikel 155b, eerste lid, van de Gemeentewet genoemde personen tevens anderen verzoeken om medewerking aan het onderzoek te verlenen. Laatstgenoemde medewerking geschiedt slechts op vrijwillige basis.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan besluiten derden in te schakelen voor het uitvoeren van opdrachten die zij in het kader van de onderzoeksopdracht en de uitoefening van haar taak nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan in het belang van het onderzoek in beslotenheid met een ieder informatieve gesprekken voeren, welke als zodanig geen onderdeel van het onderzoek uitmaken. Er bestaat hiertoe geen plicht tot medewerking.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan de bovengenoemde bevoegdheden uitsluitend uitoefenen indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit met meerderheid van stemmen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De verordening op de raadscommissies is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ambtelijke bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad benoemt ter ondersteuning van de onderzoekscommissie een commissiegriffier en een plaatsvervangend commissiegriffier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissiegriffier of diens plaatsvervanger is bij iedere zitting aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verordening ambtelijke bijstand is niet van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Zittingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissievoorzitter bepaalt tijdstip van de zitting en brengt die ter openbare kennis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter roept de leden van de onderzoekscommissie, getuigen en deskundigen ten minste twee weken voor de zitting op.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen drie werkdagen na verzending van de oproep kunnen de getuigen en deskundigen onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week voor het tijdstip van de zitting aan de betrokken getuige of deskundige medegedeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare zittingen bijwonen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geven van tekenen van goed-of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is verboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd, toehoorders die op enigerlei wijze de orde van de vergaderingen verstoren, te doen vertrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die tijdens de zitting geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verslaglegging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissiegriffier draagt zorg voor de verslaglegging van de zitting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid voor zover van belang.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de commissiegriffier en getuige of deskundige.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beraadslagingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt indien een lid dat nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt achter gesloten deuren. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Afronding onderzoek</titel></kop><al>Na afronding van het onderzoek door de onderzoekscommissie worden haar bevindingen voorgelegd aan de raad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na openbare bekendmaking ervan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening op het onderzoeksrecht van de raad van Kerkrade 2005”. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering van 21 juli 2005.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, de secretaris,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel><vet>A</vet><vet>lgemene en artikelsgewijze toelichting ”Verordening op het  onderzoeksrecht van de raad van Kerkrade 2005” </vet></titel></kop><al><vet>Algemeen  </vet></al><al>Het onderzoeksrecht van de raad is uitvoerig geregeld in  de artikelen 155a tot en met 155f van de Gemeentewet. Deze verordening, die in  nauwe samenhang met de artikelen uit de Gemeentewet moet worden gelezen, bevat  nadere regels met betrekking tot dit onderzoeksrecht. Het onderzoeksrecht is een  exclusief recht van de raad dat ingevolge artikel 156, tweede lid, Gemeentewet  niet overdraagbaar is.  </al><al/><al><vet>Artikelsgewijs </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al> Dit artikel spreekt voor zich.  </al><al/><al><vet>Artikel 2 Instellen van het onderzoek  </vet></al><al>Ter verduidelijking wordt  hier nogmaals aangegeven dat op voorstel van leden van de raad, bij  raadsbesluit, een onderzoek kan worden ingesteld naar het door het college of de  burgemeester gevoerde bestuur. Met betrekking tot voorstellen is het bepaalde  omtrent het initiatiefvoorstel in artikel 36 Reglement van orde van toepassing.  </al><al/><al>Indien de raad tot een onderzoek besloten heeft dient tevens besloten te  worden omtrent het aantal leden dat in de onderzoekscommissie plaats zal nemen  en welke leden dat zijn (samenstelling).  </al><al>De Gemeentewet bepaalt hieromtrent  in artikel 155a, derde en vierde lid, dat de onderzoekscommissie uit ten minste  drie (raads)leden bestaat en dat de raad bij de samenstelling zorgdraagt voor  een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde  groeperingen. Omdat de onderzoekscommissie ingevolge artikel 5 van deze  verordening besluit met meerderheid van stemmen verdient het aanbeveling om een  oneven aantal leden te benoemen. Op deze  wijze kan het staken van stemmen  worden voorkomen.  </al><al>Het derde lid voorziet in de benoeming van  plaatsvervangende leden. Het aantal plaatsvervangende leden is afhankelijk van  de omvang van de onderzoekscommissie. Omdat de uitoefening van bevoegdheden van  de onderzoekscommissie gekoppeld is aan de aanwezigheid van tenminste drie leden  kan benoeming van plaatsvervangende leden bij een omvangrijke commissie  achterwege blijven.  </al><al/><al>Het vierde lid bepaalt dat er bij de instelling van de onderzoekscommissie  wordt bepaald hoe en op welk moment deze commissie aan de raad rapporteert,  bijvoorbeeld dat de voorzitter in elke raadsvergadering een kort verslag doet  omtrent de vorderingen. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter  </vet></al><al>In deze  verordening is ervoor gekozen dat de onderzoekscommissie haar voorzitter en  plaatsvervangend voorzitter benoemt. De voorzitter maakt tevens deel uit van de  onderzoekscommissie en is derhalve niet slechts (technisch) voorzitter.  </al><al/><al><vet>Artikel 4 Beëindiging van het lidmaatschap</vet></al><al>  In artikel 155a, zesde  lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de bevoegdheden en werkzaamheden van een  onderzoekscommissie niet worden geschorst door het aftreden van de raad. Nu een  onderzoekscommissie slechts mag bestaan uit leden van de raad brengt dat met  zich mee dat bij het aantreden van een nieuwe raad de samenstelling van de  onderzoekscommissie wel zal moeten worden aangepast. Indien een individueel lid  van de onderzoekscommissie ophoudt lid te zijn van de raad eindigt derhalve zijn  lidmaatschap van eerder genoemde commissie van rechtswege.  </al><al>Voorts eindigt  een lidmaatschap bij opheffing van de onderzoekscommissie en bij het nemen van  ontslag. De raad kan tevens, indien dit wenselijk wordt geacht, de  onderzoekscommissie tussentijds opheffen. Daarnaast eindigt het lidmaatschap  indien de onderzoekscommissie besluit een van haar leden te horen. Artikel 155c,  tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt namelijk dat een getuige of deskundige  die door de onderzoekscommissie wordt gehoord, niet tevens lid is van de  onderzoekscommissie. Het bepaalde is uiteraard tevens van toepassing op de  plaatsvervangende leden.  </al><al/><al><vet>Artikel 5 Bevoegdheden van de onderzoekscommissie</vet></al><al>De  onderzoekscommissie heeft op basis van de bepalingen uit de Gemeentewet reeds  een aantal bevoegdheden. Zo bepaalt artikel 155c, vijfde lid, van de Gemeentewet  dat de onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden  verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Omdat het tengevolge hiervan  niet mogelijk is om de ene getuige wel en andere niet onder ede te horen is in  artikel 5, eerste lid, van deze verordening bepaald dat de onderzoekscommissie  hieromtrent een besluit neemt alvorens de eerste getuige of deskundige  gehoord  is.  </al><al/><al>Artikel 155b, eerste lid, Gemeentewet bepaalt de groep van personen die  verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek en jegens wie dwangmiddelen  kunnen worden ingezet. Dit laat onverlet de mogelijkheid om personen buiten deze  groep te horen, zij het op vrijwillige basis. Deze personen zijn niet verplicht  om een verklaring onder ede af te leggen.  Indien een onderzoekscommissie  derhalve bepaald heeft dat alle getuigen en deskundigen onder ede gehoord  worden, zijn deze personen hiervan uitgezonderd. Naast het horen op vrijwillige  basis kan een onderzoekscommissie ook informele (informatieve) gesprekken voeren  met getuigen en deskundigen, bijvoorbeeld om vast te stellen of horen ter  zitting nuttig is. Tenslotte bestaat de mogelijkheid om, bijvoorbeeld bij gebrek  aan deskundigheid, opdrachten uit te besteden aan derden. Ingevolge artikel 155f  Gemeentewet dient het college de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek  in een bepaald jaar op te nemen in de ontwerpbegroting. Voorstelbaar is dat hier  tevens een post wordt opgenomen met betrekking tot deze (mogelijke) inschakeling  van externen. Tot het aangaan van eventuele overeenkomsten met derden ter  ondersteuning van de onderzoekscommissie moet het college beslissen.  </al><al/><al>De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155a, vijfde lid, Gemeentewet,  de haar bij die wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen indien  tenminste drie van haar leden aanwezig zijn. Met betrekking tot de bevoegdheden  op basis van deze verordening, is gekozen voor hetzelfde regime. Daarnaast zegt  het zesde lid dat de onderzoekscommissie beslist met een meerderheid van  stemmen. Om deze reden wordt ook een oneven aantal leden benoemd.  </al><al/><al>De verordening op de raadscommissies is hier buiten toepassing verklaard  omdat hierin zaken en bevoegdheden geregeld worden die bij het onderzoek niet  toepasbaar dan wel onwenselijk zijn. Hierbij valt te denken aan zaken als  spreekrecht voor burgers enz.  </al><al/><al><vet>Artikel 6  Ambtelijke bijstand</vet></al><al> Artikel 155a, achtste lid, van de  Gemeentewet, bepaalt dat de raad, alvorens tot een onderzoek besloten wordt, bij  verordening nadere regels stelt met betrekking tot deze onderzoeken. Hierin  dienen in ieder geval regels opgenomen te worden over de wijze waarop ambtelijke  bijstand wordt verleend aan de onderzoekscommissie. Artikel 6 van deze  verordening voorziet in de benoeming van een commissiegriffier, waarmee  aangesloten wordt bij de modelverordening ambtelijke bijstand. Voor een nadere  toelichting bij dit artikel wordt naar deze verordening en bijgaande toelichting  verwezen. </al><al/><al><vet>Artikel 7 Zitting  </vet></al><al>Artikel 155d, eerste lid, van de Gemeentewet  voorziet in de schriftelijke oproeping van getuigen en deskundigen die ter  zitting dienen te verschijnen. Deze zitting dient te worden onderscheiden van de  beraadslaging van de onderzoekscommissie, die ingevolge artikel 11 van de  verordening achter gesloten deuren plaatsheeft. Op de zitting vinden de verhoren  van getuigen en deskundigen plaats ex artikel 155c, zesde lid, van de  Gemeentewet en zijn in beginsel openbaar. De onderzoekscommissie kan ingevolge  artikel 155c, zevende lid, van de Gemeentewet om gewichtige redenen echter  besluiten dat een verhoor of een gedeelte ervan niet in het openbaar  plaatsvindt. De leden bewaren geheimhouding over hetgeen hen tijdens een  besloten zitting ter kennis komt. De redenen om besloten te vergaderen zijn  hierbij anders dan die genoemd in artikel 86, eerste lid van de Gemeentewet. In  artikel 86, eerste lid, wordt immers gesproken over belangen als bedoeld in  artikel 10 Wet openbaarheid van bestuur. Dat is bij besloten vergaderingen in  het kader van het onderzoeksrecht niet van belang. Slechts van belang is er of  naar het oordeel van de onderzoekscommissie sprake is van ‘gewichtige redenen’.  Het bepaalde in artikel 86, eerste lid, is derhalve op de onderzoekscommissie  niet van toepassing.  </al><al/><al><vet>Artikel 8 Toehoorders en de pers  </vet></al><al>Artikel 26, eerste en tweede lid,  van de Gemeentewet regelen dat de voorzitter van de raad toehoorders die de orde  verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan  ontzeggen.  Voor de onderzoekscommissie ontbreekt een dergelijke bepaling in  de Gemeentewet, het derde lid voorziet hierin.  </al><al/><al><vet>Artikel 9 Geluid- en beeldregistraties  </vet></al><al>Aangezien de zittingen van  een onderzoekscommissie in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations  geluids- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een  besloten zitting betreft. De voorzitter kan aanwijzingen geven met betrekking  tot bijvoorbeeld plaats en opstelling.  </al><al/><al><vet>Artikel 10 Verslaglegging zitting</vet></al><al> Het verdient aanbeveling om  tijdens de verhoren een geluidsband mee te laten draaien of op andere wijze het  gezegde exact vast te leggen. Op deze wijze ontstaat achteraf nooit discussie  over hetgeen wel of niet gezegd is.  </al><al/><al><vet>Artikel 11 Beraadslaging  </vet></al><al>Beraadslaging vindt plaats achter  gesloten deuren omdat de inhoud van een beraadslaging zich mogelijk niet voor  openbaarheid leent. Het is namelijk zeer wel denkbaar dat er beraadslaagd wordt  omtrent ondervragingsmethoden, tactieken en dergelijke, welke in het belang van  het onderzoek niet naar buiten mogen worden gebracht. Daarnaast moet er vrij  gesproken kunnen worden over personen en hetgeen door hen naar voren is  gebracht.  De raad kan op basis van artikel 2, derde lid, van deze  verordening, nadere regels stellen omtrent deze beraadslagingen in verband met  de rapportage naar de raad. </al><al/><al><vet>Artikel 12 Afronding onderzoek  </vet></al><al>Indien de onderzoekscommissie haar  werkzaamheden heeft afgerond legt zij haar bevindingen voor aan de raad. De vorm  waarin dit geschiedt wordt hier niet nader bepaald en is aan de raad in het  kader van de nadere regels als genoemd in artikel 2, derde lid, van deze  verordening. Hierbij zijn verschillende vormen mogelijk, variërend van een  rapport tot een voorstel aan de raad. De vraag luidt hierbij wat de raad onder  bevindingen wenst te verstaan. Is dit slechts een feitenrelaas van de  onderzoekscommissie waarover de raad zich een oordeel vormt of dient er door de  commissie ook zelf een oordeel gevormd te worden alvorens de raad zich erover  buigt.  </al><al/><al><vet>Artikel 13 Inwerkingtreding  </vet></al><al>De onderliggende verordening bevat  geen algemeen verbindende voorschriften. De verplichting voor bepaalde  categorieën personen om medewerking te verlenen aan een door de raad in te  stellen onderzoek vloeit immers niet voort uit de verordening, maar rechtstreeks  uit de wet. De verordening kan derhalve op een door de raad te bepalen datum in  werking treden.  </al><al/><al><vet>Artikel 14 Citeertitel</vet></al><al> Deze verordening kan worden aangehaald als:  Verordening op het onderzoeksrecht van de raad van Kerkrade 2005.  </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>