<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR57142_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Veendam</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Veendam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Veendammer,</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=44">Gemeentewet, art. 44, tweede en derde lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=95">Gemeentewet, art. 95 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=96">Gemeentewet, art. 96</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=97">Gemeentewet, art. 97</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=98">Gemeentewet, art. 98</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=99">Gemeentewet, art. 99</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-09-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-03-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>632/Griffie</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raad- en commissieleden gemeente Veendam </intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Nummer: 632/Griffie </vet></al><al>De raad van de gemeente Veendam, in vergadering bijeen op 25 september
                        2006,</al><al>Gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van
                        de Gemeentewet,</al><al>Gelet op het “Rechtspositiebesluit wethouders” en het “Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden”,</al><al><vet>Besluit:</vet></al><al>Vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden gemeente
                            Veendam </vet></al><al/><al>luidende als volgt:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk I: Begripsbepalingen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="e."><al>Reisbesluit binnenland: het Koninklijk Besluit van 1 maart 1993,
                                    Stb. 144;</al></li><li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="g."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="h."><al>Verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk Besluit van 6
                                    oktober 1989, Stb. 424;</al></li><li nr="i."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="j."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>Aan het raadslid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend
                            die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                            wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid wordt een onkostenvergoeding voor aan de
                                uitoefening van het raadslidmaatschap verbonden kosten toegekend die
                                gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, derde lid, van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, wordt in afwijking van het eerste lid een
                                onkostenvergoeding toegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld
                                in artikel 2, vierde lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden, zoals dat bedrag jaarlijks door de minister van
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                    <onderstreept>ter uitvoering van een beslissing van het
                                    gemeentebestuur</onderstreept> vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester bepaalt namens de raad of in een concreet geval
                                sprake is van de in lid 1 bedoelde uitvoering van een beslissing van
                                het gemeentebestuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de
                            Regeling rechtspositie wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van belang is in verband met de vervulling van het
                                raadslidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent het raadslid voor de uitoefening van het
                                raadslidmaatschap een tegemoetkoming in de kosten van aanschaf of
                                vervanging van een computer (of laptop), inktpatronen, papier en de
                                aanleg en abonnementskosten van een internet-verbinding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegemoetkoming bedraagt € 750 per jaar (netto).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onder lid 2 bedoelde tegemoetkoming geldt als een belastbare
                                vergoeding en de uitkering wordt derhalve gebruteerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uitbetaling van de tegemoetkoming geschiedt in maandelijkse
                                termijnen, gelijktijdig met de uitbetaling van de overige vaste
                                vergoedingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>Deze voorziening wordt aan raadsleden niet geboden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Spaarloonregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan op
                                aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel geldende
                                spaarloonregeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                raadslid gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling als
                                bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien op een
                                andere wijze (via een andere werkgever)reeds van deze mogelijkheid
                                gebruik wordt gemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>Op aanvraag verlaagt het college de vergoeding voor de werkzaamheden,
                            bedoeld in artikel 2, in het geval een raadslid een uitkering ontvangt
                            in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                                30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt een onkostenvergoeding toegekend voor overige aan
                            de uitoefening van het ambt verbonden kosten die gelijk is aan het
                            bedrag, vermeld in artikel 25, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit
                            wethouders, zoals dit bedrag jaarlijks door de minister van Binnenlandse
                            Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De wethouder wordt voor het reizen tussen zijn woning en zijn plaats van
                            tewerkstelling een tegemoetkoming in de kosten van het reizen verleend
                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de Regeling
                            rechtspositiebesluit wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
                                14 vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in
                                artikel 14 bedoelde reizen ten behoeve van de gemeente gemaakt. De
                                vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                        bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs
                                        gemaakte kosten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen
                                        van de wethouder gesaldeerd overeenkomstig artikel 4a van de
                                        Reisregeling binnenland, artikel 2a van de Reisregeling
                                        buitenland en artikel 13a van de krachtens het
                                        Verplaatsingskostenbesluit 1989 vastgestelde
                                        Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><al>Deze voorziening wordt aan wethouders niet geboden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De wethouder worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                            verblijfkosten ter zake van reizen, bedoeld in artikel 16 volledig
                            vergoed. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van belang is in verband met de uitoefening van het
                                ambt van wethouder. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder wordt ten laste van de gemeente voor de uitoefening van
                                het ambt een computer, bijbehorende apparatuur en software in
                                bruikleen ter beschikking gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover er sprake is van belastingheffing in verband met een ten
                                laste van de gemeente ter beschikking gestelde computer,
                                bijbehorende apparatuur en software als bedoeld in het eerste lid
                                ontvangt de wethouder ten laste van de gemeente per jaar een
                                tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde daarvan voor een
                                periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan
                                van de aanschafwaarde van de computer, bijbehorende apparatuur en
                                software welke aan de wethouders in bruikleen ter beschikking worden
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De wethouder worden de aanleg- en abonnementskosten voor de
                                internetverbinding voor de in het eerste of tweede lid genoemde
                                computerapparatuur vergoed.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De wethouder ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                                met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Mobiele telefoon (ook voor privé-gebruik)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor de uitoefening van zijn ambt een
                                mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld die mede
                                gebruikt mag worden voor privé doeleinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de netto bezoldiging dan wel de netto onkostenvergoeding van de
                                wethouder die de mobiele telefoon voor meer dan 10% mede gebruikt
                                voor privé doeleinden, wordt een bedrag ingehouden dat gelijk is aan
                                het bedrag dat op grond van de artikelen 38 respectievelijk 39 van
                                de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 tot het loon wordt
                                gerekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk
                                personeel geldende spaarloonregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                wethouder gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling als
                                bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 22, tweede
                                    lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de ministeriële
                                    regeling als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>De wethouder ontvangt een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                            die in verband met de vervulling van het ambt van wethouder noodzakelijk
                            is, overeenkomstig de ter zake voor het gemeentelijk personeel geldende
                            kinderopvangregeling.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de
                                vergaderingen van een commissie en haar subcommissies een vergoeding
                                die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
                                hogere vergoeding vaststellen, zulks tot ten hoogste X% van het in
                                het eerste lid bedoelde bedrag van de vergoeding, ten aanzien van </al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en</al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding
                                        niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan
                                        tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reis- en verblijfskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>aan raadscommissieleden wordet deze voorziening niet geboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan leden van de commissie bezwaren en klachten en aan leden van de
                                monumentencommissie (zie ook bijlage 1 bij deze verordening) worden
                                de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen van de
                                commissie(s) vergoed. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding betreft:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer: een volledige
                                vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reiskosten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van de in
                                redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig het
                                bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling rechtspositie
                                wethouders;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door
                                of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van belang is in verband met de vervulling van het
                                commissielidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Computer en internetverbinding.</titel></kop><al>Deze voorziening wordt aan commissieleden niet geboden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente; of</al></li><li nr="c."><al>een gemeentelijke creditcard.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 16,
                                18, 19, 24 en 27 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid
                                dient het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, 18, 19, 20
                                en 24 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord ondertekende
                                factuur aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Gebruik creditcard</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten als bedoeld in de artikelen 14, 16, 17 en
                                23 kan plaatsvinden door gebruikmaking van de gemeentelijke
                                creditcard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een gemeentelijke creditcard wordt de wethouder op aanvraag in
                                bruikleen ter beschikking gesteld voor het doen van uitgaven die
                                voor vergoeding of tegemoetkoming ten laste van de gemeente in
                                aanmerking komen. Aan de verstrekking van de creditcard kunnen
                                voorwaarden worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeentesecretaris draagt zorg voor de aanvraag, verstrekking en
                                intrekking van gemeentelijke creditcards. Bij de aanvraag wordt
                                aangegeven of een persoonlijke pincode voor het opnemen van contant
                                geld gewenst wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het begeleidingsformulier en de factuur worden binnen 2 maanden
                                ingediend bij de gemeentesecretaris of de door hem aangewezen
                                ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij beëindiging van het ambt van wethouder wordt de creditcard
                                onverwijld ingeleverd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Verlies of diefstal van de creditcard wordt direct gemeld bij de
                                betreffende creditcardmaatschappij en zo spoedig mogelijk ook bij de
                                gemeente. Het eigen risico bij verlies en diefstal komt mits is
                                voldaan aan de daarvoor geldende regels, voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>Vl</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verordening “Voorzieningen geldelijke voorzieningen raads- en
                                commissieleden 2000”, zoals vastgesteld op 25-9-2000, laatstelijk
                                gewijzigd op 23-6-2003, wordt ingetrokken per 1-10-2006;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De “Regeling kosten en vergoedingen wethouders” (= bijlage 1 bij
                                hoofdstuk 43 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Veendam),
                                zoals vastgesteld op 1-10-1996, zijnde onderdeel van de laatstelijk
                                op 20-12-1999 gewijzigde “Uitkerings- en pensioenverordening
                                wethouders” wordt ingetrokken per 1-10-2006.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt (inclusief bijlage 1) in werking op 1-10-2006 en
                            werkt voor wat betreft de artikelen 1 tot en met 13 en 26 tot en met 30
                            terug tot en met 16 maart 2006 en voor wat betreft de artikelen 16 tot
                            en met 25 ten aanzien van de op 3-4-2006 beëdigde wethouders terug tot
                            en met de dag van hun beëdiging. De artikelen 31 tot en met 33 werken
                            voor zover het betreft de leden van de raad en commissieleden terug tot
                            en met 16 maart 2006. De artikelen 31 tot en met 34 werken voor zover
                            het de op 3-4-2006 beëdigde wethouders betreft terug tot en met de dag
                            van hun beëdiging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden gemeente Veendam 2006”.</al><al>Besloten in de openbare vergadering van 25 september 2006.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>A.Meijerman </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>J.B. Wassink </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>van de 'Verordening rechtspositie wethouders, raads-
                        en commissieleden gemeente Veendam 2006'</titel></kop><al>als volgt vast te stellen:</al><lijst><li nr=""><al>a.de commissie voor bezwaarschriften en klachten</al></li><li nr="-"><al>Vaste vergoeding voor elk lid en plaatsvervangend lid van € 330 per
                            jaar.</al></li><li nr="-"><al>Een vergoeding per bijgewoonde vergadering van € 140 bruto voor de leden
                            en van € 180 bruto voor de voorzitter.</al><al>b.De Monumentencommissie</al></li><li nr="-"><al>Vergoeding van € 92 per uur voor het bijwonen van vergaderingen in eigen
                            uren.</al><al/></li></lijst><al>Besloten in de openbare vergadering van 25 september 2006</al><al/><al>De raad voornoemd,</al><al/><al>De voorzitter, De griffier,</al><al>A.Meijerman J.B. Wassink</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Algemene toelichting </label></kop><al>De gemeenteraad moet voor het verkrijgen van wettelijke aanspraken van
                    raadsleden, commissieleden en wethouders een verordening vast stellen. Sinds
                    2002 is een aantal bepalingen in de rechtspositiebesluiten aangepast aan
                    gewijzigde wet en regelgeving op zowel het rechtspositionele terrein als ook op
                    het vlak van belastbaarheid van voorzieningen. Het meest bekend zijn het
                    vervallen van de pc-privéregeling, de bepalingen over de</al><al>belastbaarheid van een in bruikleen ter beschikking gestelde computer en de
                    mobiele telefoon en het vervallen van de mogelijkheid voor wethouders om te
                    kiezen voor de status van fiscaal zelfstandige. Naast deze veranderingen hebben
                    gebruikerservaringen in de gemeenten voor de VNG een reden gevormd om de
                    voorbeeldverordening uit 2002 te actualiseren. Vanwege de introductie in 2004
                    van de (ministeriële) van de “Regeling rechtspositie wethouders” als uitwerking
                    van enkele artikelen uit het “Rechtspositiebesluit wethouders” is ervoor gekozen
                    de naamgeving van deze verordening daaraan aan te passen. De citeertitel is
                    daarom gewijzigd in “<cursief>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                        commissieleden Veendam 2006”.</cursief></al><al/><al/><al><onderstreept>In de modelverordening van de VNG zijn niet meer
                        opgenomen:</onderstreept></al><al/><al>1. <cursief>Artikel 10 Uitkering bij aftreden van raadsleden</cursief></al><al>In artikel 9 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden wordt de
                    mogelijkheid geboden dat de gemeenteraad bij verordening kan bepalen dat een lid
                    van de raad met ingang van de dag van zijn aftreden een uitkering ten laste van
                    de gemeente ontvangt. In het genoemde artikel zijn strikte voorwaarden genoemd
                    waaraan de bepalingen in de verordening moeten voldoen zoals een maximumduur van
                    twee jaar, een gemaximeerde hoogte en beëindiging van de uitkering bij het
                    bereiken van de 65-jarige leeftijd.</al><al>Over het algemeen wordt alleen in de grootste gemeenten van deze mogelijkheid
                    gebruik gemaakt.</al><al/><al>2. <cursief>Artikel 11 Voorziening ouderdom, arbeidsongeschiktheid en overlijden
                        raadsleden</cursief></al><al>In artikel 10 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is de
                    mogelijkheid opgenomen dat de raad bij verordening kan bepalen dat het college
                    ten behoeve van de raad een of meer collectieve verzekeringen afsluit waarbij
                    wordt voorzien in de opbouw van een ouderdomspensioen en in geldelijke
                    voorzieningen bij invaliditeit en overlijden.</al><al/><al>3. <cursief>Artikel 15 Scholing</cursief></al><al>In artikel 13 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden wordt de
                    mogelijkheid geboden dat een raadslid ten laste van de gemeente een
                    tegemoetkoming ontvangt ter zake van de kosten voor scholing in verband met de
                    vervulling van het raadslidmaatschap.</al><al>Scholing vallende onder de begrippen cursussen en congressen vallen sinds 1
                    januari 2001 onder de gemeentelijke bedrijfsvoering. In de praktijk worden
                    scholing en congresbezoek collectief aangeboden aan alle raadsleden. Scholing
                    van de fractie wordt in het algemeen bekostigd uit de fractievergoeding waarin
                    een afzonderlijke verordening voorziet.</al><al/><al>Gemeenteraden die er voor kiezen bovengenoemde voorzieningen toch aan te bieden,
                    moeten deze beschikbaar stellen op basis van een verordening. Dat kan in de vorm
                    van een afzonderlijke verordening dan wel door opname van een daartoe bestemd
                    artikel in hoofdstuk II van de modelverordening.</al><al/><al/><al><onderstreept>Nieuwe / gewijzigde bepalingen</onderstreept></al><al>Hierna is een overzicht opgenomen van bepalingen die nog niet in de
                    voorbeeldverordening van 2002 waren opgenomen dan wel gewijzigd zijn als gevolg
                    van veranderingen in de wet- en regelgeving of naar aanleiding van reacties van
                    gemeenten.</al><al/><al>1. Artikel 9 en 25: <cursief>kinderopvang raadsleden en wethouders</cursief>,
                    overeenkomstig die voor het</al><al>gemeentelijk personeel, echter met dien verstande dat ook en wellicht met name
                    gedurende de avond kinderopvang wordt gefaciliteerd;</al><al/><al>2. Artikel 11: <cursief>verlaging vergoeding werkzaamheden voor een raadslid met
                        een</cursief></al><al><cursief>arbeidsongeschiktheidsuitkering </cursief>zoals mogelijk gemaakt in het
                    nieuwe artikel 12, derde lid van het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden;</al><al/><al/><al>3. Artikel 12: <cursief>compensatie korting werkloosheidsuitkering raadsleden
                    </cursief>die in oude</al><al>voorbeeldverordening aangegeven als P.M.-bepaling was aangeduid;</al><al/><al>4. Artikel 13: <cursief>vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                        gemeenteraad door een</cursief></al><al><cursief>raadslid </cursief>conform het nieuwe artikel 8a van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden);</al><al/><al>5. Artikel 22: <cursief>mobiele telefoon </cursief>waarin aansluiting gezocht
                    met de belastingregelgeving waardoor concreet gemaakt kan worden of een
                    inhouding noodzakelijk is en zo ja hoe deze moet plaatsvinden.</al><al>Voor een mobiele telefoon die als tweede telefoon kan worden aangemerkt is geen
                    inhouding verschuldigd.</al><al/><al>6. Artikel 24: <cursief>Reis-, pension- en verhuiskosten wethouders
                    </cursief>conform nieuwe artikel 22 in het</al><al>Rechtspositiebesluit wethouders. Sinds de dualisering van het gemeentebestuur
                    kunnen personen van buiten de gemeente wethouder worden. In dat geval geldt een
                    verhuisplicht en kunnen daarmee samenhangende kosten worden vergoed.</al><al/><al/><al><onderstreept>Overige niet opgenomen bepalingen</onderstreept></al><al>Naast de bovengenoemde onderwerpen zijn in de voorbeeldverordening geen
                    bepalingen opgenomen met betrekking tot een toelage voor fractievoorzitters en
                    commissievoorzitters. De formele reden is dat het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden niet in deze mogelijkheid voorziet waardoor het, gelet op artikel
                    99 van de Gemeentewet, niet is toegestaan daarvoor de mogelijkheid van een
                    toelage toe te kennen. De VNG heeft tijdens het bestuurlijk overleg met de
                    minister van BZK over het advies van de Commissie Dijkstal voor deze toelagen
                    gepleit. Het kabinet heeft echter in haar standpunt t.a.v. het genoemde advies
                    aangegeven deze niet noodzakelijk te vinden gegeven de substantiële verbetering
                    van de materiële rechtspositie die het gevolg is van de overname van het advies
                    van de</al><al>Commissie Dijkstal over de beloningsverhoudingen politieke ambtsdragers. De VNG
                    heeft in haar reactie van mei 2006 op het kabinetsstandpunt aan de Tweede Kamer
                    laten weten deze opvatting niet te delen en opnieuw gepleit voor een toelage
                    voor fractie- en commissievoorzitters. Zolang hiervoor geen grondslag is
                    opgenomen in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is het niet
                    toegestaan aan fractievoorzitters en commissievoorzitters in welke vorm dan ook
                    een tegemoetkoming te verstrekken voor de extra inspanningen. </al><al/><al>Voor wethouders zijn de opties voor bruikleen van een mobiele telefoon
                    toegevoegd.</al><al/><al>Voorbeeldverordening Outplacement gewezen wethouders</al><al>Bij ledenbrief van 15 maart 1994, ARZ/501848, Lbr. 95/45, is aan de gemeenten
                    een modelregeling outplacement gewezen wethouders gezonden. Deze regeling
                    voorziet in de mogelijkheid aan gewezen wethouders outplacementfaciliteiten toe
                    te kennen.</al><al>In het verlengde van de recente wisseling van colleges is meermalen de vraag
                    gesteld of een aftredende wethouder aanspraak heeft op outplacementfaciliteiten.
                    Gelet hierop is besloten de gemeenten opnieuw op deze reeds bestaande
                    mogelijkheid te attenderen.</al><al>Deze regeling is tot stand gekomen ten tijde van het bestaan van de voormalige
                    Uitkerings- en pensioenverordening wethouders. Aangezien de laatstgenoemde
                    verordening met ingang van 15 augustus 2001 van rechtswege is komen te vervallen
                    en vervangen door de rechtstreekse werking van de Algemene pensioenwet politieke
                    ambtsdragers (Appa) is de verwijzing aangepast. De faciliteiten mogen, gelet op
                    artikel 44 van de Gemeentewet, niet worden aangeboden aan zittende wethouders.
                    Om deze reden is in de naamgeving van de regeling ook het woord ‘gewezen’
                    opgenomen en is ook in de begripsbepaling van belanghebbende erin voorzien dat
                    deze zich beperkt tot gewezen wethouders.</al><al>Om redenen van harmonisatie van de begrippen ‘regeling’ en ‘verordening’ die
                    door het college respectievelijk de gemeenteraad worden vastgesteld, is de
                    citeertitel aangepast en gewijzigd in “V<cursief>erordening outplacement gewezen
                        wethouders”.</cursief></al></bijlage><bijlage><kop><label>Toelichting op de verordening</label></kop><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al/><al><onderstreept>Wettelijke regelingen </onderstreept></al><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en gemeentelijke verordening.
                    Wettelijk is voor wethouders in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                    (Appa) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is
                    aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van wethouders, raads-
                    en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn totstandgekomen
                    het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn die voor
                    rijksambtenaren, maar voor hen in verschillende regelingen zijn opgenomen
                    waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn om pragmatische redenen opgenomen
                    in een ministeriële regeling, de Regeling rechtspositie wethouders. In deze
                    wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde
                    onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de
                    bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, zijn in beide
                    rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. <vet>Voor
                        secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling voor de
                        kinderopvang en de uitkering bij aftreden als raadslid, geldt dat de
                        gemeente de vrijheid heeft om deze voorzieningen te treffen.</vet></al><al/><al><onderstreept>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening </onderstreept></al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De grondslag
                    hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten.
                    Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de wethouders
                    als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente
                    (artikel 44 van de Gemeentewet). Een soortgelijke bepaling is in artikel 99 van
                    de Gemeentewet opgenomen voor raads- en commissieleden. Het tweede lid van die
                    bepaling voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en
                    commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en
                    tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van de
                    minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) vereist. </al><al/><al><onderstreept>De verordening bevat bepalingen inzake:</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                            (artikelen 2 en 26), waarbij is op te merken dat voor wethouders niets
                            is opgenomen omdat hun bezoldiging uitputtend is geregeld in het
                            Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="2."><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor wethouders en raadsleden
                            (artikelen 3 en 14);</al></li><li nr="3."><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en commissieleden,
                            waarbij voor wethouders een onderscheid is gemaakt tussen
                            woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen 5, 6, 15 t/m 19, 27 en
                            28);</al></li><li nr="4."><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                            verhuisplichtige wethouder (artikel 24)</al></li><li nr="5."><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                            wethouders en raadsleden (artikelen 8, 21 en 22) en faciliteiten in de
                            vorm van deelname van wethouders en raadsleden aan cursussen, congressen
                            e.d. (artikelen 7 en 20);</al></li><li nr="6."><al>een aantal secundaire voorzieningen voor raadsleden, zoals voor zowel
                            wethouders als raadsleden zoals de spaarloonregeling of
                            levensloopregeling (artikelen 10 en 23) en de kinderopvangregeling
                            (artikelen 9 en 25);</al></li><li nr="7."><al>een procedure van declareren (artikelen 31 t/m 34).</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>De arbeidsverhouding van de wethouder en het
                        raadslid</onderstreept>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de
                    gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat
                    zij niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet,
                    Ziektewet en WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin
                    van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet geen recht op
                    vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding verschuldigde
                    inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de basisverzekering. Eigen
                    voorzieningen zijn er op die onderdelen getroffen in het Rechtspositiebesluit
                    raads- en commissieleden en in onderhavige verordening. Omdat er geen
                    dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet onder de Wet op de
                    loonbelasting 1964 </al><al/><al/><al>maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan
                    een raadslid opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het fictief
                    werknemerschap (zie hieronder).</al><al/><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge de
                    Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en vallen
                    onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het materiële
                    ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders. Hun
                    rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke wet-
                    en regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing van
                    de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding die als
                    dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders direct onder de
                    werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Er is sinds de dualisering van
                    het gemeentebestuur derhalve geen mogelijkheid meer om wel of niet voor de
                    loonbelasting te opteren. Wethouders vallen niet onder de werking van de
                    Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de
                    pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en
                    nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet
                    politieke ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in de zin van de
                    Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet recht op vergoeding
                    door de gemeente van de over hun bezoldiging verschuldigde inkomensafhankelijke
                    bijdrage in de kosten van de basisverzekering.</al><al/><al/><al><onderstreept>De loon- en inkomstenbelasting </onderstreept></al><al/><al>a. Opting in regeling</al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                    gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in
                    regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat
                    wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                    verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt
                    geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het
                    loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de
                    Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het
                    woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de
                    sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook
                    geen premies sociale zekerheid ingehouden. </al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval
                    geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden
                    afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde vergoedingen
                    onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar
                    stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en de
                    zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn ook vergoedingen die
                    niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd
                    toegekend waardoor na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding
                    resteert.Ook kan betrokkene deelnemen in de spaarloonregeling die er voor het
                    gemeentelijk personeel is. </al><al/><al/><al>b. Fiscale standaardpositie</al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het raadslid dat
                    hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet.
                    In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                    ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                    mindering brengen. Zij kunnen niet deelnemen aan de spaarloonregeling. </al><al/><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                    opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de
                    hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel
                    of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                    toelichting op artikel 3).</al><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor
                    de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om
                    voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt
                    en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene
                    als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode.
                    Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te
                    gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende
                    periode.</al><al/><al><onderstreept>De vergoedingssystematiek</onderstreept></al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend
                    te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen
                    vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke
                    middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die
                    overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de
                    gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter
                    behoefte blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende
                    wijze van redeneren:</al><lijst><li nr=""><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al></li><li nr=""><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                            maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al></li><li nr=""><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                            aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr=""><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                            (bruto) vergoeding worden verstrekt.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het
                        volgende.</onderstreept></al><al>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering:</al><lijst><li nr=""><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al></li><li nr=""><al>zakelijk gebruik van dienstauto’s; </al></li><li nr=""><al>deelname aan cursussen en congressen e.d. </al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de wethouder of
                    het raadslid, maar worden direct door de gemeente voldaan en de voorzieningen
                    worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de
                    vergoedingssfeer. </al><al/><al><onderstreept>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast
                        kunnen worden vergoed.</onderstreept></al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het
                    systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de wethouder of het raadslid
                    op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan aan de
                    gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed. </al><al/><al><onderstreept>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet
                        onbelast kunnen worden vergoed. </onderstreept></al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto) kostenvergoeding
                    verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 14 is aangegeven om welke
                    beroepskosten het gaat.</al><al/><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde
                    systematiek, maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen
                    en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen
                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al><al/><al/><al><vet><onderstreept>Controle en verantwoording</onderstreept></vet></al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het
                    daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of
                    voorzieningen door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                    belasting. </al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder
                    te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele
                    uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en
                    administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent
                    de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al/><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie
                    van vooruit betaalde kosten en het gebruik van creditcards. Daarnaast zijn er in
                    de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van
                    computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de
                    uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode
                    ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Daarbij gaat het onder
                    meer om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen voor
                    bespreking en zonodig besluitvorming in het college. In die gedragscode is ook
                    het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging van zakendiners met derden
                    opgenomen. Verder zijn er aanvullende administratieve procedures beschreven over
                    de afwikkeling van declaraties en facturen en de daarbij te hanteren verdeling
                    van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie- of
                    meningsverschillen. </al><al/><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</vet></al><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden
                    voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                    wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit
                    het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. In
                    artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. De
                    gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de minister
                    vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op twee manieren:</al><lijst><li nr=""><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een
                            percentage tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde
                            maximum;</al></li><li nr=""><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald
                            als presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de raadsvergoeding
                            zijn.</al></li><li nr=""><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden vast.</al></li></lijst><al/><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                    raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt voor
                    alle raadsleden.</al><al/><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt
                    jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                    overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in
                    de verordening in algemene zin is aangegeven of de raadsvergoeding gelijk is aan
                    het door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan. </al><al/><al/><al><vet>Artikelen 3 en 14 vaste onkostenvergoeding</vet></al><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q. aan
                    het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van
                    de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr="1."><al>representatie</al></li><li nr="2."><al>vakliteratuur</al></li><li nr="3."><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="4."><al>telefoonkosten</al></li><li nr="5."><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="6."><al>zakelijke giften</al></li><li nr="7."><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="8."><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="9."><al>excursies.</al></li></lijst><al/><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                    cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke
                    voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8, 27 en 28). De onkostenvergoeding
                    is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts bijgesteld. </al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden
                    verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te houden is
                    het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft
                    echter geen betrekking op raadsleden die niet hebben geopteerd voor het
                    loonbelastingregime. Voor hen blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk
                    gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste
                    kostenvergoeding zonder de brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen
                    onderbouwen, blijft de raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond,
                    zal alsnog worden belast bij de aangifte Inkomstenbelasting.</al><al/><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald.
                    Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden het maximale
                    bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en 14 is de hoogte
                    van de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Ook de
                    onkostenvergoeding kan door de raad op een lager bedrag worden bepaald, dat
                    echter niet lager mag zijn dan 80% van het door de minister vastgestelde
                    maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                    januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de
                    gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in de verordening in algemene
                    zin is aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister te
                    bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 5, 6 en 27 reis- en verblijfkosten raads- en
                    commissieleden</vet></al><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werk-verkeer’ voor
                    raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads-
                    en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor
                    reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing
                    van het gemeentebestuur. </al><al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet
                    echter wel een vergoeding worden gegeven de reis- en verblijfkosten in verband
                    met reizen binnen de gemeente.</al><al>In de verordening is voor wat betreft de hoogte van de vergoedingen aansluiting
                    gezocht bij de vergoedingen uit de Regeling rechtspositie wethouders. Tot 2004
                    werd in de rechtspositiebesluiten verwezen naar, in dit geval, de Reisregeling
                    binnenland en de Reisregeling buitenland zoals die voor de sector Rijk zijn
                    vastgesteld. Sinds 1 januari 2004 is voor wethouders de Regeling rechtspositie
                    wethouders en voor burgemeesters de Regeling rechtspositie burgemeesters
                    ingevoerd. De vergoedingen in deze regelingen zijn in principe dezelfde als in
                    de genoemde reisregelingen zijn opgenomen, maar de minister van Binnenlandse
                    Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door deze specifieke regelingen voor
                    politieke ambtsdragers de mogelijkheid meer op het ambt toegespitste
                    vergoedingen vast te stellen. Om deze reden wordt in de artikelen 5, 6 en 27 van
                    de verordening verwezen naar Regeling rechtspositie wethouders.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><al/><al>Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen
                    vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel geldt
                    (in 2006: € 0,28 bij gebruik van de eigen auto). De vergoeding van de reiskosten
                    met het openbaar vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is voor € 0,19
                    onbelast, ongeacht het gebruikte vervoermiddel. In het Handboek loonheffingen
                    2006 wordt over de kilometervergoeding opgemerkt:</al><al><cursief>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer
                        betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en
                        tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het
                        inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik
                        wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen
                        voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen
                        vallen onder de eindheffing. </cursief></al><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel
                    belast.</al><al/><al><vet>Artikelen 7 en 20 Cursus, congres, seminar of symposium</vet></al><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht
                    en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn in
                    verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een onderscheid is
                    gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege de gemeente in het
                    gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen e.d. waaraan het
                    individuele raadslid in verband met de vervulling van het raadslidmaatschap op
                    eigen initiatief deelneemt. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden
                    gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en een
                    kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol spelen. In het
                    aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter de aanvraag
                    ondersteunt.</al><al/><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                    karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                    verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet hebben
                    geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                    de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                    opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende
                    randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al/><al><vet>Artikelen 8, 21 en 30 Computer en internetverbinding </vet>Voor de
                    uitoefening van het raadslidmaatschap, het ambt van wethouder of het
                    lidmaatschap van een commissie wordt op aanvraag om niet een computer met
                    bijbehorende apparatuur en software in bruikleen beschikbaar gesteld.
                    Bijbehorende apparatuur is apparatuur die is bestemd om aan de computer te
                    worden gekoppeld om informatie uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn een
                    modem, </al><al>een printer, een fax en een digitale fotocamera. De nadere voorwaarden zijn
                    geregeld in de bruikleenovereenkomst die het raadslid en de wethouder met de
                    gemeente sluit. Het model van die overeenkomst is door het college vastgesteld. </al><al>In de Nota naar aanleiding van het verslag (Tweede-Kamerstuk 29 767, nr. 14,
                    blz. 22) wordt hierover het volgende opgemerkt:</al><al><cursief>‘Er is juist omwille van de eenvoud gekozen voor het criterium geheel
                        of nagenoeg geheel. Op deze wijze blijven computers die louter zakelijk
                        worden gebruikt buiten de heffing. Het aanvullende criterium 'nagenoeg
                        geheel' zorgt ervoor dat de werkgever bij zeer incidenteel privé-gebruik
                        niet meteen de gehele computer in de heffing hoeft te betrekken. De
                        werkgever dient aannemelijk te maken dat de computer geheel (of nagenoeg
                        geheel) zakelijk wordt gebruikt om deze onbelast te kunnen vergoeden,
                        verstrekken of ter beschikking te stellen. Hierbij geldt de vrije
                        bewijsleer. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties
                        waarin technische voorzieningen zijn aangebracht aan de computer die
                        privé-gebruik als zodanig bemoeilijken, de werknemer via de computer toegang
                        heeft tot het intranet van de werkgever, hij via de computer geen vrije
                        internettoegang heeft, er op de computer geen software anders dan
                        bedrijfsmatige software op staat, de werknemer ook niet de mogelijkheid
                        heeft er software op te zetten en hij geen eigen randapparatuur kan
                        aansluiten.’</cursief></al><al/><al>Omwille van het creëren van een compensatie voor de belastingheffing, wordt er
                    in de respectievelijke rechtspositiebesluiten en de verordening van uitgegaan
                    dat betrokkenen de computer niet geheel of nagenoeg geheel voor zakelijk gebruik
                    bestemmen.</al><al/><al>De grondslag voor deze faciliteit is te vinden in de rechtspositiebesluiten voor
                    wethouders en raads- en commissieleden. </al><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software alleen
                    onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld indien deze geheel
                    of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. Er wordt van uitgegaan dat
                    wethouders en raadsleden de computer niet geheel of nagenoeg geheel zakelijk
                    zullen gebruiken. Dat betekent dat zowel de vergoeding, de verstrekking als de
                    terbeschikkingstelling van computerapparatuur en de daaraan gekoppelde
                    tegemoetkoming zal worden belast. In verband hiermee vindt er gedurende de
                    afschrijvingsperiode van drie jaar voor de door de gemeente beschikbaar gestelde
                    computer een fiscale bijtelling plaats van 30% van de waarde in het economisch
                    verkeer op het moment van eerste ingebruikneming. Na het derde jaar wordt de
                    waarde op nihil gesteld. Geregeld is dat de gemeente op aanvraag 30% van de
                    aanschafprijs vergoedt gedurende de drie jaar dat i.v.m. het beschikbaar stellen
                    van de computer belasting is verschuldigd. Deze vergoeding is overigens belast.
                    Indien een computer tijdens het kalenderjaar wordt verstrekt geldt in het eerste
                    en vierde kalenderjaar een vergoeding naar evenredigheid van het aantal
                    kalendermaanden waarin de computer beschikbaar is gesteld. Het is ook mogelijk
                    om een dergelijke vergoeding te geven voor de aanschaf of het gebruik van een
                    eigen computer.</al><al>De gemeente bepaalt zelf de hoogte van de vergoeding. Als norm kan daarvoor
                    worden uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer die de gemeente ter
                    beschikking stelt. </al><al/><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen ten laste van
                    de gemeente. Hier is er eveneens van uitgegaan dat de internetverbinding niet
                    geheel of nagenoeg geheel voor zakelijk gebruik is. De verstrekte vergoeding is
                    dan ook belast. Ook hierbij kan de gemeente zelf een normbedrag vaststellen
                    uitgaande van bijvoorbeeld de laagste of de gemiddelde kosten,</al><al/><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd. De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van
                    commissieleden de toepassing van de opting-in-regeling.</al><al/><al><vet>Artikelen 9 en 25 Kinderopvang</vet></al><al>Een goede kinderopvangvoorziening is belangrijk. Hierdoor wordt bevorderd dat
                    wethouders en raadsleden hun politieke werk goed kunnen combineren met het
                    ouderschap. Vanaf 1 januari 2005 is er een wettelijke regeling (Wet
                    kinderopvang). Aan deze wet kunnen ook wethouders en raadsleden aanspraken
                    ontlenen in de vorm van een (inkomensafhankelijke) rijksbijdrage. De
                    rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden maken het mogelijk om hen
                    ten laste van de gemeente in aanvulling op de rijksbijdrage een tegemoetkoming
                    te verlenen in de kosten van noodzakelijke kinderopvang. De artikelen 9 en 25
                    voorzien hierin. Daarin is geregeld dat voor wethouders en raadsleden de voor
                    het gemeentepersoneel geldende kinderopvangregeling van overeenkomstige
                    toepassing is. </al><al>De gemeentelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang kan aan de wethouder en
                    aan het raadslid dat heeft geopteerd voor de loonbelasting onbelast worden
                    verstrekt. Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd zal
                    de tegemoetkoming bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden
                    verantwoord en kunnen de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                        arbeidsongeschiktheid</vet></al><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient te vormen. Om
                    deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te blijven, worden
                    weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat indien een persoon
                    inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of
                    intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een
                    dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid
                    ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor raads- en commissieleden
                    kan dit ertoe leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door een raads-
                    of commissievergoeding een grote teruggang betekent voor de hoogte van de
                    wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de
                    anticumulatieregeling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van
                    een raads- of commissiezetel of bij verhoging van de vergoeding voor de
                    werkzaamheden. Op grond van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                    kunnen gemeenten hiervoor een voorziening treffen. Die is te vinden in artikel
                    11 van de verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag een raadslid een
                    lagere vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de
                    anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</vet></al><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                    iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                    werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in
                    de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en
                    onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit
                    de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve iemand tot
                    raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren
                    dat het UWV voor het raads- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze
                    verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden
                    zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is
                    geregeld in artikel 12 van de verordening</al><al/><al><vet>Artikel 13 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                        gemeenteraad</vet></al><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van de
                    gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt
                    waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan ook een ander
                    raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten. In overeenstemming
                    met het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in artikel 13 van de
                    verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen
                    het betreffende raadslid over de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag
                    van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en van de vaste
                    onkostenvergoeding.</al><al/><al><vet>Artikelen 15 en 16 Reiskosten woon/werk en zakelijke reiskosten</vet></al><al>Voor wethouders is in artikel 15 een belastingvrije vergoeding voor het
                    woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                    Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie wethouders. Bij
                    gebruik van de eigen personenauto bedraagt de vergoeding in 2006 € 0,14 per
                    afgelegde kilometer. </al><al>Ingevolge artikel 16 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                    openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                    gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto in 2006 € 0,28 per
                    afgelegde kilometer. De kilometervergoeding is, voor zover die meer bedraagt dan
                    € 0,19, belast. </al><al>Voor zakelijke kilometers (waaronder mede te verstaan de kilometers voor het
                    woon/werkverkeer) kan, zoals gezegd, een onbelaste vergoeding worden verleend
                    van maximaal € 0,19 per kilometer, ongeacht het gebruikte vervoermiddel.
                    Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere deel belast. In het
                    Handboek loonheffingen 2006 wordt over de kilometervergoeding opgemerkt:</al><al><cursief>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer
                        betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en
                        tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het
                        inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik
                        wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen
                        voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen
                        vallen onder de eindheffing. </cursief></al><al/><al>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende doeleinden
                    te salderen. </al><al>Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de verstrekte reiskostenvergoeding voor
                    dienstreizen hoger is dan de fiscaalwettelijk vastgestelde belastingvrije
                    vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer een verstrekte lagere vergoeding
                    dan € 0,19 voor woon/werkverkeer daarop in mindering mag worden gebracht. Die
                    salderingsmogelijkheid moet wel in een formele vergoedingsregeling zijn
                    vastgelegd. Die is opgenomen in artikel 16, tweede lid. Indien voor het
                    gemeentelijk personeel een salderingsregeling geldt wordt daarbij aangesloten.
                    Ontbreekt een dergelijke regeling, dan geldt de salderingsregeling voor het
                    rijkspersoneel. In het volgende voorbeeld wordt toegelicht wat het vorenstaande
                    betekent voor het salderen en de berekening van de loonheffing over het
                    bovenmatig deel van reiskostenvergoedingen.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><al>Betrokkene krijgt in een kalenderjaar van zijn werkgever een
                    reiskostenvergoeding van in totaal € 2.240, bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>een vergoeding voor 10.000 woon/werkkilometers x € 0,14 = € 1.400
                            en</al></li><li nr="2."><al>een vergoeding voor 3.000 kilometers wegens dienstreizen x € 0,28 = €
                            840.</al></li></lijst><al>Als er geen salderingsregeling is moet de inhoudingsplichtige in ieder tijdvak
                    het bovenmatig bedrag van de vergoeding voor de dienstreizen in de heffing
                    betrekken (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270). Als er wel een
                    salderingsregeling is mag de inhoudingsplichtige deze heffing uitstellen (dit is
                    niet verplicht). Saldering leidt dan tot het volgende resultaat: totale
                    reiskostenvergoeding € 2.240 gedeeld door het totaal aantal kilometers 13.000 =
                    gemiddelde vergoeding per km van € 0,17 per kilometer. Na saldering blijft de
                    vergoeding onder de € 0,19 per km waardoor de totale reisvergoeding onbelast
                    blijft. Indien de werkgever het “bovenmatige’ gedeelte van € 0,09 van de
                    dienstreiskilometers reeds heeft belast (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270)
                    mag de inhoudingsplichtige uiterlijk in de eerste maand van het nieuwe
                    kalenderjaar in zijn loonadministratie als negatief loon opnemen: € 270. </al><al>Reiskostenvergoedingen mogen dus ook onderling worden gesaldeerd. Kilometers die
                    betrekking hebben op het reizen per openbaar vervoer waarvoor een vergoeding in
                    geld is ontvangen, alsmede kilometers die als meerijder zijn afgelegd zonder dat
                    sprake is van vervoer vanwege de werkgever en zonder dat de betrokkene daarvoor
                    een vergoeding heeft ontvangen, mogen eveneens bij de saldering worden
                    betrokken. Saldering, respectievelijk belastingheffing over het bovenmatig deel
                    dat na saldering overblijft, mag worden uitgesteld. Afrekening met de fiscus op
                    basis van saldering kan na afloop van een bepaald loontijdvak, maar dient
                    uiterlijk plaats te vinden in de eerste maand van het nieuwe kalenderjaar.
                    Saldering na afloop van een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of heel
                    kalenderjaar is mogelijk zolang de vergoeding niet definitief is toegekend. In
                    verband daarmee wordt de reiskostenvergoeding in eerste instantie bij wijze van
                    voorschot uitbetaald. Voor de berekening van de loonheffing over het bovenmatig
                    deel van de in een gekozen periode uitbetaalde reiskostenvergoedingen dient te
                    worden uitgegaan van alle daadwerkelijk afgelegde dienstkilometers, vermeerderd
                    met de daadwerkelijk afgelegde woon/werkkilometers. </al><al/><al>Voor wethouders is nog van belang dat een vergoeding of verstrekking van
                    maximaal 80 maaltijden per kalenderjaar onbelast is als de vergoeding of
                    verstrekking een meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft. Daarvan is niet
                    zonder meer sprake bij deelname aan raads- en commissievergaderingen, maar wel
                    bij tot in de avond doorlopende vergaderingen waardoor men niet op de gewone
                    tijd kan eten, alsmede tijdens dienstreizen. Voor zover het aantal maaltijden
                    per kalenderjaar meer dan 80 is (vergoedingen en verstrekkingen samen), moet een
                    normbedrag bij het loon worden geteld. Als de vergoeding of verstrekking
                    gedeeltelijk tot het loon moet worden gerekend kan eindheffing plaatsvinden op
                    basis van het tabeltarief. </al><al>Als het zakelijk karakter van niet meer dan bijkomstig belang is moet de
                    vergoeding of de waarde in het economisch verkeer van de verstrekking tot het
                    loon worden gerekend. Bij verstrekkingen in de vorm van maaltijden in
                    bedrijfskantines met een privé-karakter wordt de waarde van een kantinemaaltijd
                    vastgesteld op een forfaitair bedrag. Als de maaltijd in de bedrijfskantine een
                    meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft geldt de hoofdregel. De vergoeding
                    of verstrekking van maximaal 80 maaltijden per kalenderjaar is dan
                    onbelast.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 17 Dienstauto</vet></al><al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de gemeente een dienstauto met of
                    zonder chauffeur voor zakelijk gebruik beschikbaar stellen aan wethouders. De
                    dienstauto kan ook voor het woon-werkverkeer worden gebruikt. In dat geval vindt
                    wel een korting plaats op de tegemoetkoming in de reiskosten woon/werk. De
                    dienstauto kan ook worden gebruikt voor de vervulling van een q.q.-nevenfunctie.
                    De eventueel uit hoofde van die nevenfunctie ontvangen vergoeding van reiskosten
                    ter zake wordt in dat geval in de gemeentelijke kas gestort. De dienstauto is
                    niet beschikbaar voor privé-gebruik.</al><al/><al><vet>Artikelen 19 en 28 Buitenlandse dienstreis</vet></al><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder
                    de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed.
                    De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn
                    daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode zijn nadere gedragsregels
                    vastgesteld. Daarbij gaat het om expliciete besluitvorming in het college over
                    buitenlandse reizen en over uitnodigingen daartoe op kosten van derden. </al><al>Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf (zowel
                    inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en het combineren van
                    een dienstreis met een (direct voorafgaande of aansluitende) privé-reis.</al><al/><al>Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk belang
                    excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet
                    toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege
                    de gemeente georganiseerd. Hetgeen hierboven is geschreven over buitenlandse
                    dienstreizen van wethouders geldt mutatis mutandis ook voor buitenlandse
                    excursies en reizen van de gemeenteraad of raadscommissies.</al><al/><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><al/><al><vet>Artikel 22 mobiele telefoon</vet></al><al>Ie ook de overdruk uit het handboek loonheffingen 2006 aan het einde van de
                    toelichting.</al><al/><al><onderstreept>Optie 1:</onderstreept></al><al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de wethouder voor overwegend zakelijk
                    gebruik (90% of meer) overeenkomstig het geen daarover in artikel 40 van de
                    Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is bepaald, belastingvrij een mobiele
                    telefoon als 2<sup>e</sup> telefoon om niet ter beschikking worden gesteld. De
                    vraag of er sprake is van een eerste of een tweede telefoon moet worden
                    beantwoord vanuit de positie van de werknemer. Als de werknemer thuis in privé
                    al een abonnement op een telefoonaansluiting heeft en de gemeente verstrekt
                    daarnaast bijvoorbeeld een mobiele telefoon, dan kan de mobiele telefoon als
                    tweede telefoon worden beschouwd.<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Xopus.aspx?id=57142&amp;xml=RegelingXML.ashx?id=57142#_ftn1">[1]</extref> De abonnementskosten en de (zakelijke) gesprekskosten komen
                    dan voor rekening van de gemeente. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de
                    bruikleenovereenkomst die de wethouder met de gemeente sluit. Het model van die
                    overeenkomst is door het college vastgesteld. Het verdient aanbeveling in de
                    bruikleenovereenkomst de voorwaarde op te nemen dat de telefoon uitsluitend
                    gebruikt mag worden ten behoeve van zakelijk verkeer.</al><al>Aangezien de component telefoonkosten in de onkostenvergoeding belast is, blijft
                    deze verder ongemoeid.</al><al/><al><onderstreept>Optie 2: </onderstreept></al><al>De mobiele telefoon kan mede voor privé-doeleinden worden gebruikt. In dat geval
                    komen ook de privé-gesprekskosten voor rekening van de gemeente. Als het
                    privé-gebruik meer dan 10% is, vindt er een fiscale bijtelling plaats. Daarvoor
                    geldt een forfaitair bedrag van € 22,69 per maand (2006). De fiscale regeling
                    geldt alleen als de waarde in het economisch verkeer van het privé-gebruik van
                    de mobiele telefoon niet meer is dan € 454 op jaarbasis (2006). Is dat wel het
                    geval dan kan slechts de vergoeding van het abonnement plaatsvinden, waarvoor
                    dan een inhouding moet plaatsvinden van € 19,66 (2006) per maand. De
                    gesprekskosten dienen tussen de wethouder en de gemeente verrekend te
                    worden.<sup>1</sup></al><al/><al>In de vaste kostenvergoeding zit een component telefoonkosten. Bij optie 2 zal
                    een bedrag forfaitair bedrag tot het loon moeten worden gerekend. Door dit
                    bedrag maandelijks in mindering te brengen op de netto bezoldiging dan wel op de
                    netto onkostenvergoeding is voldaan aan de voorschriften die zijn opgenomen in
                    de artikelen 38 respectievelijk 39 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting
                    2001. Het is echter wel noodzakelijk deze inhouding als zodanig zichtbaar te
                    laten zijn op de salarisspecificatie. Dat is geregeld in artikel 22, vierde lid. </al><al>Deze wijze van verrekening is toegestaan op grond van artikel 23, tweede lid,
                    van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001</al><al/><al><vet>Artikel 23 Spaarloonregeling/levensloopregeling</vet></al><al>Een wethouder is een werknemer en kan dientengevolge gebruik maken van de
                    spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. wanneer de wethouder gebruik
                    maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet toegestaan een
                    levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te verstrekken. De opbouw van de
                    levensloopvoorziening mag uitsluitend ten laste van de wethouderswedde
                    plaatsvinden. Aangezien wethouders geen verlof kennen, is het slechts mogelijk
                    dat de opgebouwde voorziening bij de beëindiging van het wethouderschap wordt
                    meegenomen naar een volgende werkgever of dat uitbetaling ineens plaatsvindt. </al><al/><al><vet>Artikel 24 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</vet></al><al/><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de
                    gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet
                    in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet verplicht om te
                    gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden. In artikel 24 is
                    geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen voor een
                    verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten
                    in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast.</al><al/><al><vet>Artikel 26 Vergoeding voor het bijwonen van
                    commissievergaderingen</vet></al><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                    commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder
                    onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie
                    zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                    belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                    gemeentelijk belang dient. </al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. De
                    minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1
                    januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid. </al><al>In artikel 26, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de vergoeding te
                    bepalen op het door de minister vastgestelde maximum. De raad kan ook een lager
                    bedrag vaststellen. </al><al> Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de
                    mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde
                    gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder
                    bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 26, vierde lid, van de
                    verordening.</al><al/><al/><al><vet>Artikelen 31 t/m 34 De procedure van declaratie</vet></al><al>In artikel 31 zijn de drie wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 37
                    t/m 39 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de
                    orde is en welke procedurevoorschriften in achtgenomen moeten worden. </al><al/><al>Declaratie van vooruitbetaalde kosten. Daarbij gaat het om vergoeding van de
                    volgende kosten:</al><lijst><li nr="1."><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al></li><li nr="2."><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders</al></li><li nr="3."><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders</al></li><li nr="4."><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr="5."><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies</al></li></lijst><al/><al>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</al><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in de
                    volgende gevallen:</al><lijst><li nr=""><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door raadsleden
                            en wethouders;</al></li><li nr=""><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr=""><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al></li><li nr=""><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders.</al></li></lijst><al/><al>Gebruik creditcard</al><al>Aan wethouders kan onder voorwaarden een creditcard beschikbaar worden gesteld
                    voor functionele uitgaven ten laste van de gemeente. Gebruik van creditcards is
                    mogelijk in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr=""><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr=""><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders;</al></li><li nr=""><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikelen 35 t/m 37 Citeertitel en inwerkingtreding</vet></al><al>Gekozen is voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de gewijzigde
                    bepalingen tot en met het aantreden van de nieuwe gemeenteraad. In de meeste
                    gemeenten echter zijn de wethouders pas later benoemd. Ter voorkoming van
                    overgangsbepalingen voor de oude wethouders is gekozen voor intrekking van de
                    oude verordening. Deze intrekking vindt echter pas plaats op het moment van het
                    van kracht worden van de nieuwe verordening. De oude bepalingen hebben daardoor
                    nog steeds werking gehad tot en met het moment van aftreden van de wethouders
                    uit het oude college.</al><al/><al>Bij de inwerkingtreding kan er voor worden gekozen deze bepalingen terugwerkende
                    kracht te verlenen tot het moment dat de nieuwe gemeenteraad werd beëdigd
                    respectievelijk de nieuwe wethouders zijn benoemd en beëdigd. Aangezien in de
                    meeste gemeenten de beëdiging van de nieuwe raad en de nieuwe wethouder niet in
                    dezelfde raadsvergadering heeft plaatsgevonden, is gekozen voor een
                    driedeling:</al><lijst><li nr=""><al>inwerkingtreding voor de raads- en commissieleden met terugwerkende
                            kracht tot en met 16 maart 2006;</al></li><li nr=""><al>inwerkingtreding voor de nieuwe wethouders met terugwerkende kracht tot
                            en met de dag van hun beëdiging. Voor deze formulering is gekozen zodat
                            voor de aftredende wethouders die op dezelfde dag van rechtswege zijn
                            ontslagen als hun opvolgers de benoeming hebben aangenomen, de oude
                            bepalingen van kracht blijven;</al></li><li nr=""><al>om dezelfde reden is een splitsing gemaakt voor de inwerkingtreding van
                            hoofdstuk V over de procedure van declaratie.</al></li></lijst><al/><al>Terugwerkende kracht is alleen toegestaan wanneer de nieuwe aanspraken geen
                    verslechtering inhouden van de op dat moment vigerende verordening. De nieuwe
                    verordening kent geen verslechteringen, ook niet ten aanzien van de bepalingen
                    over de computer. Immers de bepalingen daaromtrent uit de vorige verordening
                    zijn van rechtswege buiten toepassing mede als gevolg van de terugwerkende
                    kracht die is verleend aan de wijziging van de grondslag voor artikel 27a uit
                    het Rechtspositiebesluit wethouders en artikel 7a uit het Rechtspositiebesluit
                    raads- en commissieleden (Stb. 2006, 8).</al><al/><al>Sinds 20 februari 2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit wethouders ook de
                    (ministeriële) Regeling rechtspositie wethouders. In lijn met die gehanteerde
                    benaming is gekozen voor een nieuwe naam van de verordening: Verordening
                    rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2006. </al><al><vet>Overdruk uit het handboek loonheffingen 2006</vet></al><al/><al>17.45 Telefoon</al><al>Vergoedingen en verstrekkingen voor een telefoon kunnen geheel of gedeeltelijk
                    vrijgesteld zijn. De hoofdregel is dat een vergoeding of verstrekking van een
                    eerste telefoonabonnement altijd belast is. Zakelijke gesprekskosten mag u
                    onbelast vergoeden.</al><al>Er gelden speciale regelingen voor een telefoonabonnement met meer dan één
                    aansluiting of nummer, voor tweede en volgende abonnementen, voor de (mobiele)
                    telefoon van de werknemer en voor de tweede en volgende (mobiele) telefoon die
                    voor 90% of meer wordt gebruikt voor de dienstbetrekking. De kosten voor
                    eenheadset tellen mee als telefoonkosten. Er kan onderscheid gemaakt worden
                    tussen</al><al>regelingen die gelden voor abonnementen en regelingen voor abonnementen en
                    gesprekskosten samen.</al><al/><al>Let op!</al><al><cursief>De vraag of er sprake is van een eerste of tweede telefoon moet worden
                        beantwoord vanuit de positie</cursief></al><al><cursief>van de werknemer. Als de werknemer thuis in privé al een abonnement op
                        een telefoonaansluiting</cursief></al><al><cursief>heeft en u verstrekt daarnaast bijvoorbeeld een mobiele telefoon, dan
                        kan de mobiele telefoon als</cursief></al><al><cursief>tweede telefoon worden beschouwd.</cursief></al><al/><al>Er zijn twee regelingen die alleen gelden voor abonnementen:</al><al>– Voor een telefoonabonnement van de werknemer met meer dan één aansluiting</al><al>of nummer (bijvoorbeeld een ISDN-abonnement) geldt dat een bedrag voor
                    eigen</al><al>rekening van de werknemer komt. Dit is: € 19,66 per maand of € 4,50 per
                    week</al><al>en € 0,90 per dag. Alleen het bedrag daarboven kan vrij worden vergoed. Bij
                    een</al><al>verstrekking van een dergelijk abonnement moeten de genoemde bedragen tot</al><al>het loon worden gerekend. Voorwaarde voor deze gedeeltelijke vrijstelling is
                    dat</al><al>het zakelijk karakter van het abonnement van meer dan bijkomstig belang is,
                    dat</al><al>wil zeggen dat het zakelijk gebruik meer dan 10% van het totale gebruik is.</al><al>– Het tweede en volgende (gewone) telefoonabonnement kan geheel
                    belastingvrij</al><al>worden vergoed of verstrekt. Ook daarvoor geldt de voorwaarde dat het
                    zakelijk</al><al>karakter van het abonnement van meer dan bijkomstig belang is.</al><al/><al><onderstreept>Schema telefoonabonnement</onderstreept></al><al>Gebruik dit algemene schema als u alleen een telefoonabonnement vergoedt of
                    verstrekt</al><al/><al/><al/><al/><al>Er zijn ook twee regelingen die gelden voor abonnementen en gesprekskosten
                    samen:</al><al>– Als u een (mobiele) telefoon aan de werknemer ter beschikking stelt, die
                    onder</al><al>andere wordt gebruikt voor het werk, dan moet u voor het totale
                    privé-gebruik</al><al>van de telefoon een bedrag bij het loon van de werknemer optellen. Dit is:</al><al>€ 22,69 per maand of € 5,22 per week en € 1,04 per dag. Deze regeling geldt
                    ook</al><al>voor vergoedingen. De vergoeding van de telefoon is slechts vrijgesteld
                    voorzover</al><al>deze bedragen voor rekening van de werknemer komen. Het kan hier ook gaan</al><al>om een telefoon met meer dan één aansluiting. Deze gedeeltelijke vrijstelling
                    is</al><al>niet van toepassing als de waarde van het privé-gebruik van de telefoon
                    (inclusief</al><al>het abonnement) hoger is dan € 454 per jaar. In dat geval moet u niet de
                    eerdergenoemde</al><al>bedragen tot het loon rekenen, maar het werkelijke privé-voordeel.</al><al>Hierna vindt u een rekenvoorbeeld.</al><al>Een tweede of volgende (mobiele) telefoon van de werknemer kan geheel vrij</al><al>vergoed of verstrekt worden, als de telefoon voor 90% of meer wordt
                    gebruikt</al><al>voor de dienstbetrekking.</al><al/><al>Voorbeeld</al><al>U geeft een vergoeding voor abonnements- en gesprekskosten van een
                    ISDN-aansluiting.</al><al>De telefoonaansluiting wordt meer dan bijkomstig voor de dienstbetrekking
                    gebruikt (de zakelijke gesprekskosten belopen meer dan 10% van de totale
                    gesprekskosten). Eerst moet u bepalen of het privé-gebruik niet meer bedraagt
                    dan € 454 op jaarbasis. Daarvoor moet u de omvang van kosten van het abonnement
                    en de privé-gesprekskosten vaststellen. Voor de abonnementskosten bij ISDN neemt
                    u € 19,66 per maand (€ 235,92 per jaar) in aanmerking. Als de kosten van de
                    privégesprekken op jaarbasis niet meer dan € 218,08 (€ 454 - € 235,92) bedragen,
                    geldt het normbedrag van € 22,69 per maand. Dit bedrag telt u bij het loon. Als
                    het privé-gebruik meer is dan € 218,08 per jaar, dan mag u de regeling voor
                    abonnementen en gesprekskosten niet toepassen. Wel kunt u de regeling voor
                    alleen abonnementen toepassen.</al><al>U mag de werkelijke zakelijke gesprekskosten onbelast vergoeden en daarnaast de
                    werkelijke abonnementskosten, verminderd met € 19,66 per maand. Tot het loon
                    rekent u de werkelijke kosten van de privé-gesprekken en € 19,66 per maand van
                    de abonnementskosten.</al><al/><al/><al/><al><onderstreept>Schema telefoon</onderstreept></al><al>Gebruik dit algemene schema als u een telefoon (telefoonabonnement en
                    gesprekskosten)</al><al>vergoedt of verstrekt.</al><al/><al/><al/><al>bijlage 2a bij ledenbrief U200600890</al><al/><al><vet>Voorbeeldovereenkomst inzake bruikleen van computer- en
                        communicatieapparatuur aan een wethouder</vet></al><al/><al>Partijen </al><al>De gemeente (naam), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door (naam) hierna te
                    noemen de 'gemeente' en </al><al/><al>De heer/mevrouw (naam), wethouder in de gemeente (naam), hierna te noemen
                    ‘wethouder',</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 27a van het Rechtspositiebesluit wethouders en
                    de artikelen 8 en 21 van de Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                    commissieleden 2006 </al><al/><al>komen overeen als volgt Artikel 1: algemeen </al><al>De gemeente geeft ingaande de datum van ontvangst de wethouder op zijn woonadres
                    de in de bijlage omschreven apparatuur en programmatuur om niet in bruikleen. </al><al>Bij de aflevering van de apparatuur en programmatuur ondertekent de wethouder
                    een verklaring dat hij die in goede staat en zonder zichtbare beschadiging van
                    de gemeente in ontvangst heeft genomen. </al><al>De wethouder gebruikt de apparatuur en programmatuur voor de uitoefening van
                    zijn ambt. </al><al>De wethouder is verplicht als een goed huisvader voor de apparatuur en
                    programmatuur zorg te dragen. </al><al>De wethouder houdt zich aan de gedragsregels die gelden voor het gebruik van
                    E-mail, internet en intranet. </al><al>De wethouder stelt de volgende faciliteiten in de directe omgeving van de
                    werkplek op het genoemde adres ter beschikking: </al><al>220v-aansluiting met randaarde; </al><al>telefoon-, ISDN-, ADSL- of kabelaansluiting. </al><al>De gemeente blijft eigenaar van de apparatuur en programmatuur gedurende de
                    looptijd van de overeenkomst. </al><al/><al>Artikel 2: mobiele telefoon</al><al>Optie 1:</al><al>De mobiele telefoon mag uitsluitend worden gebruikt voor zakelijke
                    doeleinden;</al><al>Desgevraagd dient de wethouder in verband met de vaststelling van het belastbaar
                    loon aantoonbaar te maken dat aan het bepaalde in het eerste lid is
                    voldaan.</al><al/><al>Optie 2:</al><al>De mobiele telefoon mag ook voor privé doeleinden worden gebruikt.</al><al>In verband met de toepassing van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt
                    op de netto bezoldiging dan wel de netto onkostenvergoeding een bedrag
                    ingehouden overeenkomende met het bepaalde in artikel 38 respectievelijk 39 van
                    genoemde regeling.</al><al>De gesprekskosten van het privé gebruik worden maandelijks in rekening gebracht
                    bij de wethouder.</al><al> Artikel 3: duur van de overeenkomst </al><al>Deze overeenkomst vangt aan op de dag van aflevering van de apparatuur en geldt
                    voor de duur van de benoeming als wethouder. </al><al>Ingeval de wethouder na afloop van de duur van de benoeming als wethouder direct
                    aansluitend wederom tot wethouder wordt benoemd, wordt in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid, deze overeenkomst geacht stilzwijgend te zijn
                    verlengd met de duur van de opvolgende benoeming tot wethouder. </al><al> Artikel 4: Beëindiging </al><al>Bij beëindiging van het ambt zonder direct aansluitende herbenoeming als bedoeld
                    in artikel 2, tweede lid, is de wethouder verplicht de apparatuur en
                    programmatuur binnen 14 dagen aan de gemeente te retourneren. </al><al>De gemeente is bevoegd tussentijds de bruikleenovereenkomst zonder enige
                    opzeggingstermijn op te zeggen en van de wethouder de onmiddellijke teruggave
                    van de apparatuur en programmatuur te verlangen, indien deze de apparatuur en
                    programmatuur verwaarloost, misbruikt, of op enigerlei andere wijze in strijd
                    handelt met de bepalingen van deze overeenkomst of van de artikelen 1777 tot en
                    met 1790 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover hiervan niet in de onderhavige
                    overeenkomst is afgeweken. </al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de wethouder bij beëindiging
                    van het ambt de apparatuur en programmatuur tegen betaling van de gemeente in
                    eigendom verkrijgen. Het hiertoe door de wethouder te betalen bedrag wordt als
                    volgt berekend … … … </al><al> Artikel 5: Gebruik en plaatsing </al><al>De initiële kosten van plaatsing van de apparatuur zijn voor rekening van de
                    gemeente. </al><al>Bij schade aan de apparatuur, bij het optreden van storingen in het gebruik
                    ervan alsmede bij het constateren van computervirussen dient de wethouder zo
                    snel mogelijk contact op te nemen met ……… </al><al>Reparatie en onderhoud van de apparatuur geschiedt uitsluitend door of in
                    opdracht van de gemeente. De daaraan verbonden kosten zijn voor rekening van de
                    gemeente, tenzij wordt geconstateerd dat sprake is van een onzorgvuldig gebruik
                    van de ter beschikking gestelde apparatuur en programmatuur. </al><al>De gemeente is bevoegd de in bruikleen gegeven apparatuur en programmatuur te
                    vervangen. </al><al>Het is de wethouder niet toegestaan de in bruikleen gegeven apparatuur en
                    programmatuur te vervreemden, te verpanden, te verhuren, uit te lenen of aan
                    anderen in gebruik af te staan. </al><al>De wethouder zal de apparatuur en programmatuur niet zonder toestemming van de
                    gemeente naar een ander adres dan zijn woonadres verplaatsen. Dit geldt niet bij
                    gebruik van een laptop of mobiele telefoon. </al><al> Artikel 6: aansprakelijkheid </al><al>De wethouder is niet aansprakelijk voor schade aan of verlies van de door de
                    gemeente ter beschikking gestelde apparatuur en programmatuur, behalve in geval
                    van schade als gevolg van grove schuld of opzet van de zijde van de wethouder. </al><al>Indien de wethouder een uitkering uit verzekering ontvangt met betrekking tot
                    schade aan of verlies van de apparatuur en programmatuur, zal hij deze uitkering
                    binnen 14 dagen na ontvangst afdragen aan de gemeente. </al><al>Elke verdere aansprakelijkheid van de gemeente uit hoofde van deze overeenkomst
                    is uitgesloten, tenzij sprake is van grove schuld of opzet van de zijde van de
                    gemeente. </al><al> Artikel 7: geschillen </al><al>Bij geschillen tussen de gemeente en de wethouder over deze overeenkomst wordt
                    het advies ingewonnen van gemeentelijke commissie voor ... </al><al>Ingeval van technische geschillen wordt een door de partijen aan te wijzen
                    deskundige om een bindend advies gevraagd. </al><al/><al>Aldus overeengekomen op …………</al><al/><al>De gemeente,</al><al/><al>…………………, burgemeester …………………, wethouder</al><al/><al/><al/><al>bijlage 2b bij ledenbrief U200600890</al><al/><al><vet>Voorbeeldovereenkomst inzake bruikleen van computers en
                        communicatieapparatuur aan een raadslid </vet></al><al>Partijen </al><al>De gemeente (naam), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door (naam) hierna te
                    noemen de 'gemeente' en </al><al>De heer/mevrouw (naam) raadslid in de gemeente (naam), hierna te noemen
                    'raadslid/commissielid’,</al><al>gelet op artikel 7a en 14 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                    en artikel 8 respectievelijk 30 van de Verordening rechtspositie wethouders,
                    raads- en commissieleden2006 </al><al/><al>komen overeen als volgt: </al><al> Artikel 1: algemeen </al><al>De gemeente geeft ingaande de datum van ontvangst het raadslid op zijn woonadres
                    de in de bijlage omschreven apparatuur en programmatuur om niet in bruikleen. </al><al>Het raadslid ondertekent bij de aflevering van de apparatuur en programmatuur
                    een verklaring dat hij die in goede staat en zonder zichtbare beschadiging van
                    de gemeente in ontvangst heeft genomen. </al><al>Het raadslid gebruikt de apparatuur en programmatuur voor de uitoefening van het
                    raadslidmaatschap. </al><al>Het raadslid is verplicht als een goed huisvader voor de apparatuur en
                    programmatuur zorg te dragen. </al><al>Het raadslid houdt zich aan de gedragsregels die gelden voor het gebruik van
                    E-mail, internet en intranet. </al><al>Het raadslid stelt de volgende faciliteiten in de directe omgeving van de
                    werkplek op het genoemde adres ter beschikking: </al><al>220v-aansluiting met randaarde; </al><al>telefoon-, ISDN-, ADSL of kabelaansluiting. </al><al>De gemeente blijft eigenaar van de apparatuur en programmatuur gedurende de
                    looptijd van de overeenkomst. </al><al> Artikel 2: duur van de overeenkomst </al><al>Deze overeenkomst vangt aan op de datum van van aflevering van de apparatuur en
                    geldt voor de duur van het raadslidmaatschap. </al><al>Ingeval het raadslid na afloop van het raadslidmaatschap direct aansluitend
                    wederom tot raadslid wordt gekozen, wordt in afwijking van het bepaalde in het
                    eerste lid, deze overeenkomst geacht stilzwijgend te zijn verlengd met de duur
                    van het daarop volgende nieuwe raadslidmaatschap. </al><al> Artikel 3: beëindiging </al><al>Bij beëindiging van het raadslidmaatschap zonder een direct aansluitend nieuw
                    raadslidmaatschap als bedoeld in artikel 2, tweede lid, is het raadslid
                    verplicht de apparatuur en programmatuur binnen 14 dagen aan de gemeente te
                    retourneren. </al><al>De gemeente is bevoegd tussentijds de bruikleenovereenkomst zonder enige
                    opzeggingstermijn op te zeggen en van het raadslid de onmiddellijke teruggave
                    van de apparatuur en programmatuur te verlangen, indien deze de apparatuur en
                    programmatuur verwaarloost, misbruikt, of op enigerlei andere wijze in strijd
                    handelt met de bepalingen van deze overeenkomst of van de artikelen 1777 tot en
                    met 1790 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover hiervan niet in de onderhavige
                    overeenkomst is afgeweken. </al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het raadslid bij beëindiging
                    van het raadslidmaatschap de apparatuur en programmatuur tegen betaling van de
                    gemeente in eigendom verkrijgen. Het hiertoe door het raadslid te betalen bedrag
                    wordt als volgt berekend … … … </al><al> Artikel 4: gebruik en plaatsing </al><al>De initiële kosten van plaatsing van de apparatuur zijn voor rekening van de
                    gemeente. </al><al>Bij schade aan de apparatuur, bij het optreden van storingen in het gebruik
                    ervan alsmede bij het constateren van computervirussen dient het raadslid zo
                    snel mogelijk contact op te nemen met ……… </al><al>Reparatie en onderhoud van de apparatuur geschiedt uitsluitend door of in
                    opdracht van de gemeente. De daaraan verbonden kosten zijn voor rekening van de
                    gemeente, tenzij wordt geconstateerd dat sprake is van een onzorgvuldig gebruik
                    van de ter beschikking gestelde apparatuur en programmatuur. </al><al>De gemeente is bevoegd de in bruikleen gegeven apparatuur en programmatuur te
                    vervangen. </al><al>Het is het raadslid niet toegestaan de in bruikleen gegeven apparatuur en
                    programmatuur te vervreemden, te verpanden, te verhuren, uit te lenen of aan
                    anderen in gebruik af te staan. </al><al>Het raadslid zal de apparatuur en programmatuur niet zonder toestemming van de
                    gemeente naar een ander adres dan zijn woonadres verplaatsen. Dit geldt niet bij
                    gebruik van een laptop. </al><al> Artikel 5: aansprakelijkheid </al><al>Het raadslid is niet aansprakelijk voor schade aan of verlies van de door de
                    gemeente ter beschikking gestelde apparatuur en programmatuur, behalve in geval
                    van schade als gevolg van grove schuld of opzet van de zijde van het raadslid. </al><al>Indien het raadslid een uitkering uit verzekering ontvangt met betrekking tot
                    schade aan of verlies van de apparatuur en programmatuur, zal hij deze uitkering
                    binnen 14 dagen na ontvangst afdragen aan de gemeente. </al><al>Elke verdere aansprakelijkheid van de gemeente uit hoofde van deze overeenkomst
                    is uitgesloten, tenzij sprake is van grove schuld of opzet van de zijde van de
                    gemeente. </al><al> Artikel 6: geschillen </al><al>Bij geschillen tussen de gemeente en de wethouder over deze overeenkomst wordt
                    het advies ingewonnen van gemeentelijke commissie voor ... </al><al>Ingeval van technische geschillen wordt een door de partijen aan te wijzen
                    deskundige om een bindend advies gevraagd. </al><al/><al>Aldus overeengekomen op …………</al><al/><al>De gemeente,</al><al/><al/><al>…………………, burgemeester …………………, raadslid/commissielid </al><al/><al><vet>bijlage 3 bij ledenbrief U200600890</vet></al><al/><al><vet>Voorbeeldverordening outplacement gewezen wethouders </vet></al><al>De raad van de gemeente ….</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van …</al><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet,</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening</al><al/><al>Verordening outplacement gewezen wethouders 2006</al><al/><al>Artikel 1 Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: </al><al>belanghebbende: hij die ophoudt wethouder te zijn en in het genot is van een
                    uitkering op grond van artikel 131 tot en met 136 van de Algemene pensioenwet
                    politieke ambtsdragers; </al><al>outplacementbureau: bureau of organisatie bij voorkeur aangesloten bij een
                    brancheorganisatie voor outplacement en loopbaanbegeleiding. </al><al> Artikel 2 Toekenning outplacementfaciliteiten</al><al/><al>Burgemeester en wethouders besluiten op aanvragen omtrent de toekenning van
                    outplacementfaciliteiten. </al><al>De kosten van de outplacementfaciliteiten komen voor rekening van de gemeente.
                    Burgemeester en wethouders sluiten daartoe een schriftelijke overeenkomst met
                    het outplacementbureau. </al><al>Eventuele reis-, verblijf- en verwervingskosten komen voor rekening van
                    belanghebbende. </al><al> Artikel 3 Maximale toekenningsduur</al><al> De outplacementfaciliteiten worden toegekend voor de periode van ten hoogste
                    één jaar. Artikel 4 Uitleg regeling In de gevallen waarin deze regeling niet of
                    niet in redelijkheid voorziet zijn burgemeester en wethouders bevoegd een
                    voorziening te treffen. Artikel 5 Slotbepalingen Deze regeling kan worden
                    aangehaald als: 'Verordening outplacement gewezen wethouders 2006'.</al><al/><al><vet>Toelichting op de Voorbeeldverordening outplacement gewezen
                        wethouders</vet></al><al>Inleiding </al><al> In de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is bepaald dat hij die
                    ophoudt wethouder te zijn, met ingang van de dag van aftreden en voor zover hij
                    nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, recht heeft op een uitkering.
                    Deze uitkering komt ten laste van de gemeente. De uitkering is gekoppeld aan de
                    duur dat betrokkene wethouder is geweest met dien verstande dat de minimumduur
                    twee jaar is. De maximale duur van de uitkering is zes jaar. Indien de betrokken
                    wethouder bij zijn aftreden 50 jaar of ouder is én hij ten minste tien jaar
                    zonder onderbreking wethouder is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot het
                    tijdstip waarop hij 65 jaar wordt. De hoogte van de uitkering bedraagt het
                    eerste jaar 80% van de laatstelijk genoten bezoldiging. Gedurende de rest van de
                    uitkeringsperiode bedraagt de hoogte van de uitkering 70% van de laatstgenoten
                    bezoldiging. </al><al> Outplacementbegeleiding Outplacementbegeleiding is een professionele
                    begeleiding van, in dit geval, de gewezen wethouder waarbij deze zich op eigen
                    kracht en onder eigen verantwoordelijkheid een nieuwe functie elders verwerft.
                    Deze vorm van begeleiding kan voor zowel de gemeente als de gewezen wethouder
                    een aantrekkelijk alternatief zijn. Betrokkene heeft uitzicht op een andere
                    betrekking en voor de gemeente blijven de uitkeringskosten beperkt. Beletselen
                    In het derde lid van artikel 44 van de Gemeentewet is bepaald dat de wethouders,
                    buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend, geen inkomsten, in
                    welke vorm ook, genieten ten laste van de gemeente. Deze bepaling geldt niet
                    voor gewezen wethouders. Het toekennen van outplacementfaciliteiten aan een
                    gewezen wethouder is dan ook niet in strijd met de Gemeentewet. Het aanbieden
                    van faciliteiten in welke vorm ook gedurende het wethouderschap is wél in strijd
                    met de Gemeentewet. Voorbeeldverordening Deze verordening voorziet erin dat in
                    beginsel iedere gewezen wethouder outplacementfaciliteiten kan aanvragen. De
                    raad stelt als budgethouder de verordening vast, mede gelet op de financiële
                    voordelen die dit in de sfeer van uitkeringen aan gewezen wethouders kan hebben.
                    Burgemeester en wethouders beslissen vervolgens op een aanvraag om
                    outplacementfaciliteiten. Het toekennen van faciliteiten is een discretionaire
                    bevoegdheid van burgemeester en wethouders. </al><al>Bij de besluitvorming omtrent de aanvraag zijn de volgende factoren van belang.
                    Zoals gezegd kan het toekennen van faciliteiten voor alle partijen (financieel)
                    voordeel opleveren. In die zin zal in de meeste gevallen het verzoek van de
                    gewezen wethouder worden ingewilligd. Er zijn situaties denkbaar dat een
                    aanvraag wordt geweigerd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de gewezen
                    deeltijdwethouder die elders nog een betrekking heeft. Een andere weigeringgrond
                    kan zijn indien de gewezen wethouder een zogenaamde terugkeergarantie heeft. In
                    dit geval ligt de primaire verantwoordelijkheid bij de oorspronkelijke
                    werkgever. Het is natuurlijk mogelijk om gezamenlijk outplacementfaciliteiten
                    toe te kennen waarbij de gemeente en de oorspronkelijke werkgever een deel van
                    de kosten voor hun rekening nemen. Een dergelijke afspraak kan ook reeds bij
                    aanvaarding van de wethoudersfunctie worden gemaakt. De aanvraag ter zake van
                    het toekennen van outplacementfaciliteiten dient schriftelijk te worden
                    ingediend. Overig De modelregeling verstaat onder een outplacementbureau een
                    bureau of organisatie bij voorkeur aangesloten bij de brancheorganisatie. In het
                    geval een bureau of organisatie niet daarbij is aangesloten adviseren wij u
                    vooraf te informeren naar de algemene voorwaarden die gehanteerd worden.
                    Bijvoorbeeld of de in dienst zijnde psychologen lid zijn van het Nederlands
                    instituut van psychologen (NIP). De modelregeling gaat er verder van uit dat de
                    gemeente een overeenkomst sluit met het betreffende outplacementbureau. Hierdoor
                    wordt voorkomen dat het toekennen van faciliteiten aan de gewezen wethouder door
                    de fiscus wordt aangemerkt als loon in natura.</al><al/><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>