<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR57061_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-12-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">E3-journaal, 03-01-2001</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2001-01-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2001-01-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-12-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Bij besluit van 26 oktober 2011 heeft de gemeenteraad deze regeling geldend verklaard voor het gehele gebied dat vanaf 1 januari 2010 deel uitmaakt van de gemeente Venlo</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gelet op de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20tot%20samenvoeging%20van%20de%20gemeenten%20Venlo%2C%20Tegelen%20en%20Belfeld">Wet tot samenvoeging van de gemeenten Venlo, Tegelen en
                            Belfeld</extref>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>schoolbestuur: het bevoegd gezag van een volgens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs">Wet op het primair onderwijs</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra">Wet op de expertisecentra</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs">Wet op het voortgezet onderwijs</extref> bekostigde
                                    openbare of bijzondere school voor basisonderwijs, speciale
                                    school voor basisonderwijs, school voor speciaal voortgezet
                                    onderwijs, voor speciaal onderwijs/voor voortgezet speciaal
                                    onderwijs/voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs/voor
                                    voorbereidend wetenschappelijk onderwijs/voor algemeen
                                    voortgezet onderwijs/voor voorbereidend beroepsonderwijs, die
                                    gelegen is op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>advies: het advies van de Onderwijsraad als bedoeld in de
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs">Wet op het primair onderwijs</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra">Wet op de expertisecentra</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs">Wet op het voortgezet onderwijs</extref>;</al></li><li nr="c."><al>burgemeester en wethouders: het college van burgemeester en
                                    wethouders.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Overleg</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2.1 Overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Functie overlegorgaan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is een overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid waarin
                                        burgemeester en wethouders met de vertegenwoordigers van
                                        alle schoolbesturen overleg voeren over de voorbereiding en
                                        uitvoering van het lokaal onderwijsbeleid.</al></li><li nr="2."><al>In het overlegorgaan komen aan de orde: </al><lijst><li nr="a."><al>de onderwerpen waarop het op overeenstemming gericht
                                                overleg van toepassing is als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs">Wet op het primair onderwijs</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra">Wet op de expertisecentra</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs">Wet op het voortgezet onderwijs</extref>;</al></li><li nr="b."><al>de overige onderwerpen van overleg aangaande het
                                                lokaal onderwijsbeleid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op de onderwerpen, als genoemd in het tweede lid onder b, is
                                        artikel 9 niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Samenstelling overlegorgaan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De schoolbesturen kunnen zich laten vertegenwoordigen in het
                                        overlegorgaan. Een schoolbestuur wijst daartoe maximaal 3
                                        vertegenwoordigers aan, die namens dit schoolbestuur het
                                        overleg voeren.</al></li><li nr="2."><al>Schoolbesturen kunnen zich gezamenlijk laten
                                        vertegenwoordigen in het overlegorgaan. Ze wijzen daartoe
                                        maximaal 5 vertegenwoordigers per
                                        onderwijssoort/besturencluster aan.</al></li><li nr="3."><al>De portefeuillehouder onderwijs vertegenwoordigt
                                        burgemeester en wethouders in het overlegorgaan. De
                                        portefeuillehouder onderwijs fungeert als voorzitter van het
                                        overlegorgaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Derden</titel></kop><al>Derden kunnen, indien de voorzitter van het overlegorgaan of 1/3e
                                deel van de vertegenwoordigers van schoolbesturen, genoemd in
                                artikel 3, dit wenst, deelnemen aan een overleg.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2.2 Voorbereiding overleg</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5 Uitnodiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens burgemeester en wethouders een voorstel aan de raad
                                        doen over een onderwerp, zenden zij de voorgenomen inhoud
                                        van dit voorstel met een toelichting daarop en de
                                        inventarisatie, als bedoeld in artikel 7, toe aan alle
                                        schoolbesturen.</al></li><li nr="2."><al>De toezending geschiedt onder bekendmaking van de plaats, de
                                        datum en het tijdstip waarop het overleg hierover zal
                                        aanvangen. Tussen de datum van de toezending van het
                                        voorstel en de datum van het overleg liggen ten minste twee
                                        weken.</al></li><li nr="3."><al>De schoolbesturen die niet deelnemen aan het overleg kunnen
                                        voor de datum van dit overleg hun zienswijzen schriftelijk
                                        kenbaar maken aan burgemeester en wethouders. Burgemeester
                                        en wethouders stellen de deelnemers aan dit overleg hiervan
                                        in kennis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Secretariaat</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders voeren het secretariaat van het
                                overlegorgaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Voorbereiding</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een voorbereidend overleg tussen
                                vertegenwoordigers van de schoolbesturen en burgemeester en
                                wethouders instellen dat voorafgaat aan het overleg in het
                                overlegorgaan. Dit voorbereidend overleg wordt afgerond met een
                                inventarisatie van de onderwerpen waarover al dan niet
                                overeenstemming is bereikt. Per onderwerp wordt aangegeven of het
                                gaat om een onderwerp als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder
                                a.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Agendaoverleg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een agendaoverleg
                                        instellen. Hierin wordt nagegaan welke onderwerpen op welk
                                        tijdstip in het overlegorgaan aan de orde kunnen komen. Op
                                        grond hiervan stellen burgemeester en wethouders de agenda
                                        op.</al></li><li nr="2."><al>Aan het agendaoverleg nemen de portefeuillehouder onderwijs
                                        en maximaal 3 vertegenwoordigers van schoolbesturen
                                        deel.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2.3 Uitvoering overleg</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een of meer schoolbesturen of burgemeester en
                                        wethouders een advies wensen over een onderwerp waarop het
                                        op overeenstemming gericht overleg van toepassing is, maken
                                        ze dit uiterlijk kenbaar in het overleg waarin het onderwerp
                                        in finale zin aan de orde is. Dit gebeurt aan de hand van
                                        een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van het onderwerp
                                        waarover het advies wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het
                                        verband aangegeven tussen het onderwerp en de vrijheid van
                                        richting en de vrijheid van inrichting van het
                                        onderwijs.</al></li><li nr="2."><al>Alle vertegenwoordigers krijgen in het overleg de
                                        gelegenheid hun zienswijzen naar voren te brengen over het
                                        verzoek om advies.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders zijn belast met de indiening van
                                        een verzoek om advies. Zij doen dit uiterlijk twee weken na
                                        afloop van het overleg. Daarbij informeren zij tevens de
                                        Onderwijsraad over de in het tweede lid bedoelde
                                        zienswijzen.</al></li><li nr="4."><al>De wettelijke termijn voor het uitbrengen van het advies
                                        wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de
                                        Onderwijsraad burgemeester en wethouders uitnodigt het
                                        verzoek voor het uitbrengen van het advies aan te vullen met
                                        de gegevens die hij nodig heeft voor een goede vervulling
                                        van zijn taak, tot de dag waarop het verzoek is
                                        aangevuld.</al></li><li nr="5."><al>De raad neemt gedurende de termijn voor het uitbrengen van
                                        het advies geen besluit over het onderwerp waarover advies
                                        is gevraagd.</al></li><li nr="6."><al>Burgemeester en wethouders zenden zo spoedig mogelijk een
                                        afschrift van het uitgebrachte advies toe aan alle
                                        schoolbesturen. Indien het geheel of gedeeltelijk opvolgen
                                        van het advies zou leiden tot een of meer inhoudelijke
                                        bijstellingen van het voorstel over een onderwerp waarover
                                        advies is gevraagd, worden de schoolbesturen bij de
                                        toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor
                                        nader overleg.</al></li><li nr="7."><al>In alle andere gevallen beoordelen burgemeester en
                                        wethouders of nader overleg over het advies wenselijk is.
                                        Zij geven dit aan bij de toezending van het afschrift van
                                        het advies.</al></li><li nr="8."><al>Het overleg, als bedoeld in het vorige lid, vindt binnen
                                        twee weken plaats nadat het advies is uitgebracht.
                                        Burgemeester en wethouders informeren de raad over dit
                                        overleg in de vorm van een aanvulling op het verslag als
                                        bedoeld in artikel 10.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Verslaglegging; informeren raad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders maken een verslag van het
                                        overleg.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag bevat een overzicht van de besproken
                                        onderwerpen, waarbij per onderwerp wordt aangegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>of het bepaalde in artikel 2, tweede lid, onder a of
                                                b van toepassing is;</al></li><li nr="b."><al>of volledige, geen volledige of geen overeenstemming
                                                is bereikt;</al></li><li nr="c."><al>de in het overleg door de deelnemers naar voren
                                                gebrachte zienswijzen en - indien van toepassing -
                                                de zienswijzen als bedoeld in artikel 5, derde
                                                lid;</al></li><li nr="d."><al>de door de portefeuillehouder onderwijs in het
                                                overleg toegezegde wijzigingen in het
                                                oorspronkelijke voorstel.</al></li><li nr="Indien"><al>artikel 9, eerste lid van toepassing is, wordt
                                                hiervan eveneens een weergave opgenomen in het
                                                verslag.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het overlegorgaan stelt het verslag vast. In afwijking
                                        hiervan kunnen burgemeester en wethouders spoedheidshalve
                                        het verslag ter commentaar toezenden aan de schoolbesturen.
                                        Binnen 10 dagen na de dag waarop het conceptverslag is
                                        toegezonden, maken de schoolbesturen die deel hebben genomen
                                        aan het overleg schriftelijk hun opmerkingen over het
                                        concept van het verslag kenbaar. Burgemeester en wethouders
                                        stellen het verslag vast met inachtneming van de
                                        opmerkingen.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders brengen het verslag gelijktijdig
                                        met het voorstel over het onderwerp ter kennis van de raad.
                                        Voorzover burgemeester en wethouders afwijken van de tijdens
                                        het overleg naar voren gebrachte zienswijzen, wordt dit
                                        gemeld in het voorstel aan de raad. Daarbij geven zij de
                                        redenen aan van het niet of niet geheel overnemen van deze
                                        zienswijzen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Heropening overleg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien uit het oordeel van de betrokken raadscommissie over
                                        het voorgenomen voorstel aan de raad over een onderwerp
                                        blijkt dat de meerderheid van de raadscommissie of een deel
                                        van de raadscommissie dat volgens burgemeester en wethouders
                                        geacht wordt een meerderheid in de raad te
                                        vertegenwoordigen, van oordeel is dat het voorstel
                                        inhoudelijk bijstelling behoeft, dan kan een heropening van
                                        het overleg plaatsvinden. Burgemeester en wethouders
                                        beslissen daarover. Zij heropenen het overleg in ieder geval
                                        indien de inhoudelijke bijstelling betrekking heeft op een
                                        onderwerp als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a,
                                        waarover overeenstemming in het overlegorgaan was
                                        bereikt.</al></li><li nr="2."><al>Indien burgemeester en wethouders het overleg heropenen, dan
                                        roepen zij het overlegorgaan zo spoedig mogelijk bijeen,
                                        doch uiterlijk vóór het moment waarop de raad een definitief
                                        besluit neemt over het onderwerp. In dit overleg hebben de
                                        vertegenwoordigers de gelegenheid om hun zienswijze te geven
                                        op het oordeel van de raadscommissie. Burgemeester en
                                        wethouders informeren de raad over het resultaat van dit
                                        overleg in de vorm van een aanvulling op het verslag als
                                        bedoeld in artikel 10. De raad betrekt de in dit aanvullend
                                        verslag neergelegde zienswijzen bij zijn definitieve
                                        besluitvorming over het onderwerp.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12 Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen
                                waarin de verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslissen
                            burgemeester en wethouders, gehoord de vertegenwoordigers van de
                            schoolbesturen in het overleg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die
                                    waarop zij is bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Op dat tijdstip worden ingetrokken: </al><lijst><li nr="a."><al>de Verordening overleg lokaal onderwijs gemeente Venlo,
                                            vastgesteld door de gemeenteraad van Venlo;</al></li><li nr="b."><al>de Verordening overleg lokaal onderwijs gemeente
                                            Tegelen, vastgesteld door de gemeenteraad van
                                            Tegelen;</al></li><li nr="c."><al>de Verordening overleg lokaal onderwijs gemeente
                                            Belfeld, vastgesteld door de gemeenteraad van
                                            Belfeld.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening overleg lokaal
                            onderwijsbeleid”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al><vet>1. Goed overleg: belangrijk instrument voor lokaal
                    onderwijsbeleid</vet></al><al>Door de decentralisatie van een aantal rijkstaken op onderwijsgebied naar de
                    gemeenten zullen op lokaal niveau gemeenten en schoolbesturen in toenemende mate
                    met elkaar in overleg treden. Ze zijn de centrale partners in het lokaal
                    onderwijsbeleid. Daarnaast zijn andere hierbij betrokken, zoals de
                    schoolbegeleidingsdienst, welzijnsinstellingen en de jeugdhulpverlening.
                    Afhankelijk van de onderwerpen zullen ook zij bij het lokale overleg betrokken
                    worden.</al><al>Overleg is het belangrijkste instrument van het lokaal onderwijsbeleid. Overleg
                    maakt het mogelijk om van de beleidsontwikkeling een interactief proces te
                    maken. Een proces waarin de concrete vraagstukken die zich in de gemeente
                    voordoen, worden opgepakt. De gezamenlijke analyse en aanpak, dicht bij de
                    onderwijspraktijk, maken maatwerk in de vorm van op de lokale situatie
                    toegesneden oplossingen mogelijk. Uiteraard binnen het kader van de wet- en
                    regelgeving.</al><al>Daarin zit de meerwaarde van lokaal onderwijs.</al><al>Goed en constructief overleg veronderstelt dat de overlegpartners hun uiterste
                    best doen om tot consensus te komen. In de wet- en regelgeving rond het lokaal
                    onderwijsbeleid heeft de wetgever de consensusgedachte tot uiting gebracht door
                    de introductie van de terminologie van “op overeenstemming gericht overleg”. Zo
                    kan een gemeenteraad een vierjaarlijks plan voor de bestrijding van
                    onderwijsachterstanden pas vaststellen nadat daarover met de schoolbesturen op
                    overeenstemming gericht overleg is gevoerd. Het belang dat de wetgever hecht aan
                    goed en serieus overleg komt ook tot uiting in de wettelijke verplichting voor
                    gemeenten om voor de diverse domeinen van het lokaal onderwijsbeleid een
                    regeling vast te stellen voor het overleg met de schoolbesturen (zie ook
                    paragraaf 2). In deze regeling dienen met name procedurele en organisatorische
                    aspecten rond de inrichting van het overleg te worden vastgesteld.</al><al>In de voorliggende verordening is deze regeling vastgelegd. De verordening is
                    gebaseerd op de verordening “procedure overleg huisvesting onderwijs”, welke
                    door de raad op 30 oktober 1996 is vastgesteld. De laatstvermelde verordening is
                    daartoe “omgebouwd” tot een verordening die ziet op het overleg over de volle
                    breedte van het lokale overheidshandelen op onderwijsgebied.</al><al>Uitgangspunten bij de opzet van deze verordening zijn:</al><al>Samenhang</al><al>Er is gekozen voor de instelling van een overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid
                    waarin de hoofdlijnen van het lokaal beleid als geheel besproken kunnen worden.
                    Verkokering door opsplitsing in een afzonderlijk bestuurlijk overleg voor
                    bijvoorbeeld huisvesting, achterstandenbeleid en schoolbegeleiding moet worden
                    voorkomen. Voorbereiding en uitwerking van hoofdlijnen kunnen natuurlijk zinvol
                    zijn in aparte overleggremia (werkgroepen die ingesteld worden door het
                    overlegorgaan).</al><al>Representativiteit</al><al>De wetgeving schrijft voor dat de gemeente het op overeenstemming gericht
                    overleg voert met de besturen van alle scholen. Dit sluit niet uit dat gezocht
                    wordt naar een overlegvorm waarbij gesproken wordt met representatieve
                    vertegenwoordigingen van schoolbesturen. Om redenen van doelmatigheid is dit met
                    name van belang voor gemeenten waar een groot aantal schoolbesturen actief
                    is.</al><al>Helderheid gemeentelijke rol</al><al>De lokale overheid moet in alle gevallen duidelijk zijn over de hoedanigheid
                    waarin ze aan het overleg deelneemt: als lokale overheid of schoolbestuur.
                    Iedere gemeente bepaalt zelf hoe ze het openbaar onderwijs wil besturen. Wanneer
                    de rollen van schoolbestuur en lokale overheid niet worden gescheiden, dan is
                    het in elk geval wenselijk om de beide rollen in het lokaal overleg duidelijk te
                    onderscheiden. De toelichting op het artikel over de vertegenwoordiging in het
                    overleg (artikel 3 van de verordening) geeft een aantal mogelijkheden om dit
                    onderscheid aan te brengen.</al><al>Raamwerk</al><al>De voorbeeldverordening biedt een raamwerk voor het overleg. Alleen datgene
                    wordt geregeld wat noodzakelijk is voor een goede procedurele gang van zaken van
                    het overleg. Dit is om op lokaal niveau ook ruimte te laten voor de nodige
                    flexibiliteit.</al><al><vet>2. Wettelijk kader en reikwijdte verordening</vet></al><al>Evenals bij de decentralisatie van de onderwijshuisvesting het geval was, dienen
                    gemeenten een regeling vast te stellen voor het “op overeenstemming gericht
                    overleg” met schoolbesturen over het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
                    en de schoolbegeleiding. Het is te verwachten dat deze verplichting ook
                    terechtkomt in het wetsvoorstel waarin het onderwijs in allochtone levende talen
                    (OALT) wordt gedecentraliseerd naar de gemeenten.</al><al>Op welke “producten” van het handelen van de lokale overheid op het terrein van
                    het primair en voortgezet onderwijs is in formele zin de wettelijke formule van
                    het “op overeenstemming gericht overleg in samenhang met de mogelijkheid om een
                    advies te vragen van de Onderwijsraad” van toepassing?</al><al>Dit zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de wijziging van de verordening voor de onderwijshuisvesting[1];</al></li><li nr="-"><al>het gemeentelijk plan of besluit ter bestrijding van
                            onderwijsachterstanden;</al></li><li nr="-"><al>het gemeentelijk besluit om een deel van het budget voor
                            schoolbegeleiding specifiek te bestemmen voor doelstellingen van het
                            lokaal onderwijsbeleid en hiervoor criteria vast te stellen;</al></li><li nr="-"><al>het gemeentelijk plan of besluit voor de toekenning van
                            OALT-middelen.</al></li></lijst><al>In de wetgeving over de onderwijshuisvesting beperkt de wetgever zich tot de
                    opdracht aan de gemeenteraad om een procedure vast te stellen voor het
                    verplichte overleg met de schoolbesturen.</al><al>In de op 13 mei 1997 door de Eerst Kamer aangenomen wetsvoorstellen gemeentelijk
                    onderwijsachterstandenbeleid (EK 24 778) en regeling schoolbegeleiding (EK 24
                    683) bepaalt de wetgever over de inhoud van overlegprocedure tussen gemeente en
                    schoolbesturen:</al><al>De gemeenteraad stelt bij verordening een procedure vast voor het op
                    overeenstemming gericht overleg, met dien verstande dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf wanneer en tot welk moment het gemeentebestuur de Onderwijsraad
                            kan verzoeken een advies uit te brengen;</al></li><li nr="b."><al>dat de termijn voor het uitbrengen van het advies wordt opgeschort met
                            ingang van de dag waarop de Onderwijsraad het gemeentebestuur uitnodigt
                            het verzoek voor het uitbrengen van het advies aan te vullen met de
                            gegevens die de Onderwijsraad nodig heeft voor een goede vervulling van
                            diens taak, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld; en</al></li><li nr="c."><al>dat het gemeentebestuur gedurende de termijn voor het uitbrengen van het
                            advies geen besluit neemt over het onderwerp waarop de adviesaanvrage
                            betrekking heeft.</al></li></lijst><al>Goed beschouwd zijn de onderdelen b en c van deze wettelijke bepaling op zich al
                    duidelijk en behoeven ze niet of nauwelijks nog nadere uitwerking in een
                    gemeentelijke overlegverordening (zie ook artikel 9, vierde en vijfde lid van de
                    verordening). Over onderdeel a bepaalt de onderwijswetgeving elders al dat het
                    advies van de Onderwijsraad wordt aangevraagd tijdens het op overeenstemming
                    gericht overleg over een bepaald onderwerp. De wetgeving verlangt met het oog op
                    een goede procesgang dat in de verordening de periode wordt aangegeven gedurende
                    welke het gemeentebestuur een adviesaanvrage kan indienen bij de Onderwijsraad
                    (zie ook artikel 9, derde lid van de verordening).</al><al><vet>3. Eén verordening voor het onderwijsoverleg</vet></al><al>Een gemeente kan ervoor kiezen om per onderdeel van het lokaal onderwijsbeleid
                    een aparte verordening voor het overleg vast te stellen; een overlegverordening
                    voor de onderwijshuisvesting, het onderwijsachterstandenbeleid,
                    schoolbegeleiding etc. Dit is echter omslachtig en miskent het gegeven dat deze
                    zaken onderling grote samenhang vertonen en tezamen het lokaal onderwijsbeleid
                    vormen. Vandaar dat het voor de hand ligt om te kiezen voor een
                    procedureverordening voor het overleg dat ziet op alle facetten van het lokaal
                    onderwijsbeleid. In de voorliggende verordening is daarvan uitgegaan. Hierbij is
                    de verordening “procedure overleg huisvesting onderwijs” als vertrekpunt
                    genomen. De hierin neergelegde benadering is nu verbreed naar alle andere
                    onderwerpen van het lokaal onderwijsbeleid. Het betreft hier allereerst de
                    onderwerpen van de gemeentelijke besluitvorming over onderwijs waarvoor de
                    wetgever het verplichte “op overeenstemming gericht overleg” heeft
                    voorgeschreven (zie ook artikel 2, tweede lid, onder a van de verordening).
                    Hierbij is ervoor gekozen om de formulering algemeen te houden en niet te
                    verwijzen naar de specifieke vindplaatsen in de onderwijswetgeving. Dit heeft
                    als voordeel dat de verordening niet hoeft te worden aangepast wanneer de
                    wetgever zou besluiten om het op overeenstemming gericht overleg voor te
                    schrijven ten aanzien van nieuwe (te decentraliseren) taken.</al><al>Tevens kan de verordening ook worden toegepast voor die onderwerpen van het
                    lokaal onderwijsbeleid waarop de figuur van het op overeenstemming gericht
                    overleg formeel niet van toepassing is (zie artikel 2, tweede lid, onder b van
                    de verordening). Hierbij kan onder meer worden gedacht aan een eventuele
                    vaststelling van een gemeentelijke regeling over de materiële financiële
                    gelijkstelling of aan de uitvoering van de leerplicht en de bestrijding
                    voortijdig schoolverlaten.</al><al>Het bepaalde in de verordening is hierop echter niet ten volle van toepassing.
                    Een aantal bepalingen (zie artikel 9 van de verordening) blijft buiten
                    toepassing. Dit houdt verband met het gegeven dat de adviestaak van de
                    Onderwijsraad en de daarbij behorende processuele bepalingen alleen zien op
                    onderwerpen waarop het wettelijk voorgeschreven op overeenstemming gericht
                    overleg van toepassing is.</al><al><vet>4. Vaststelling nieuwe verordening</vet></al><al>De vaststelling kan op twee manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>de bestaande verordening “Procedure overleg huisvesting onderwijs” wordt
                            gewijzigd en daardoor qua reikwijdte verbreed tot de onderwerpen van het
                            lokaal onderwijsbeleid;</al></li><li nr="-"><al>de bestaande verordening “Procedure overleg huisvesting onderwijs” wordt
                            geheel ingetrokken en daarvoor in de plaats treedt de nieuwe verordening
                            overleg lokaal onderwijsbeleid.</al></li></lijst><al>In het voorstel is uitgegaan van de laatste benadering omdat de bestaande
                    verordening voor het overleg onderwijshuisvesting wordt verbreed naar andere
                    domeinen van het lokaal onderwijsbeleid en daardoor op een groot aantal plaatsen
                    zou moeten worden gewijzigd (inclusief de toevoeging van enkele nieuwe
                    artikelen).</al><al><vet>5. Delegatie raad aan burgemeester en wethouders</vet></al><al>De verordening heeft als uitgangspunt dat burgemeester en wethouders alle
                    uitvoerende aspecten van het overleg over het lokaal onderwijsbeleid voor hun
                    rekening nemen. Zo voeren zij het overleg met de schoolbesturen van alle scholen
                    in de gemeente, voeren het secretariaat en zijn belast met de indiening van het
                    verzoek om advies van de Onderwijsraad. Tevens is er in deze verordening voor
                    gekozen de wettelijke bevoegdheid van de raad om uit eigen beweging een advies
                    te vragen van de Onderwijsraad te delegeren aan burgemeester en wethouders. Dit
                    advies wordt immers volgens de wet tijdens het op overeenstemming gericht
                    overleg gevraagd. Burgemeester en wethouders voeren dit overleg. Met deze vormen
                    van delegatie wordt een betere aansluiting bereikt op de gangbare gemeentelijke
                    bestuurspraktijk. Hiermee wordt ook bereikt dat de in de wettelijke bepalingen
                    over het overleg gekozen term “gemeentebestuur” een eenduidige invulling
                    krijgt.</al><al>Impliciet betekent dit dat bij vaststelling van de verordening de raad een
                    aantal zaken delegeert aan burgemeester en wethouders. De basis voor deze
                    delegatie is neergelegd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=156">artikel 156 Gemeentewet</extref>. Met de vaststelling van de
                    overlegverordening bepaalt de raad dus wat hij aan bevoegdheden aan zich wil
                    houden en op welke onderdelen de uitoefening van bevoegdheden wordt gedelegeerd
                    aan burgemeester en wethouders.</al><al><vet>6. Geen nadere regeling voor stemverhoudingen</vet></al><al>In de verordening is ervan afgezien om een regeling te treffen voor het stemmen
                    in het overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid. Het gaat immers om een op
                    overeenstemming gericht overleg over (voorgenomen) gemeentelijke besluitvorming.
                    Partijen moeten zich tot het uiterste inspannen om tot overeenstemming te komen.
                    Er vindt echter geen (finale) besluitvorming plaats in het overlegorgaan.</al><al>De competentie voor de finale besluitvorming heeft de wetgever gelegd bij de
                    gemeenteraad, indachtig het principe van territoriale decentralisatie.</al><al>Indien in het bestuurlijk onderwijsoverleg volledige overeenstemming wordt
                    bereikt, zal de raad alleen goed gemotiveerd van dit standpunt kunnen afwijken.
                    Dit volgens de procedure die in artikel 11 van de verordening opgenomen is. Is
                    er geen of geen volledige overeenstemming in het overlegorgaan over een
                    onderwerp, dan wordt in de verslaglegging van het overleg aangegeven hoe de
                    meningsvorming in het overleg is verlopen en welke schoolbesturen bezwaren
                    hebben aangetekend dan wel een afwijkende zienswijze huldigen. Naast de
                    inhoudelijke argumentatie van deze bezwaren is het daarbij ook relevant voor de
                    raad om te beschikken over informatie aangaande het draagvlak binnen het
                    onderwijs voor dergelijke bezwaren. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van
                    het aantal scholen/ leerlingen dat wordt gerepresenteerd door de
                    vertegenwoordigers die een afwijkend standpunt innemen. Deze beide aspecten - de
                    kracht van de argumenten en het draagvlak dat daarvoor bestaat binnen het
                    onderwijsveld - zal de raad in onderlinge samenhang dienen te betrekken bij zijn
                    uiteindelijke besluitvorming over een van de onderwerpen in het kader van het
                    lokaal onderwijsbeleid.</al><al><vet>7. Relatie tot mogelijke gemeentelijke Algemene
                    Inspraakverordening</vet></al><al>Nagegaan is of niet kan worden voorzien in de wettelijke opdracht tot het
                    vaststellen van een regeling voor het op overeenstemming gericht overleg door de
                    inhoud van de eventueel bestaande gemeentelijke Algemene Inspraakverordening op
                    dit overleg van toepassing te verklaren. Dit is niet gewenst en niet
                    mogelijk.</al><al>Allereerst komt het nogal eens voor dat een inspraakverordening vormen van
                    inspraak ten aanzien van verordeningen - en dus ook een verordening voor het
                    lokaal onderwijsbeleid - uitsluit.</al><al>Daarnaast gaat de in de wet opgenomen formulering “van op overeenstemming
                    gericht overleg” verder dan hetgeen in de regel onder inspraak wordt
                    verstaan.</al><al>Tot slot is de kring van belanghebbenden in het kader van een Algemene
                    Inspraakverordening aanmerkelijk groter dan de partners waarmee wordt overlegd
                    over het lokaal onderwijsbeleid. De inspraak, en dus het overleg, zou moeten
                    worden uitgebreid tot alle belanghebbenden bij het lokaal onderwijsbeleid.
                    Behalve aan schoolbesturen moet dan met name gedacht worden aan de dagelijkse
                    gebruikers van schoolgebouwen: het onderwijspersoneel en de leerlingen. Dit is
                    alleen al uit praktisch oogpunt een ongewenste ontwikkeling.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Aanhef</vet></al><al>Hoewel de wet hiertoe niet verplicht, is het vanzelfsprekend dat voorafgaande
                    aan de vaststelling van de verordening overleg over lokaal onderwijsbeleid
                    plaatsvindt met (de vertegenwoordigers van) de schoolbesturen. Dit “overleg over
                    de overlegprocedure” is uiteraard niet gebonden aan de procedureregels uit de
                    verordening. Centraal hierbij staat echter wel dat de gemeente de betrokken
                    besturen voldoende gelegenheid biedt om hun inhoudelijk oordeel hierover te
                    geven en vervolgens dit oordeel zwaar te laten wegen bij de uiteindelijke
                    vaststelling van de verordening. Dit is vanuit de overweging dat een niet door
                    alle betrokken partijen onderschreven overlegprocedure contra-productief kan
                    werken in het latere inhoudelijke overleg dat op basis van deze procedure wordt
                    gevoerd.</al><al>De term “schoolbesturen” omvat ook het bestuur van het openbaar onderwijs. Het
                    is wenselijk om in het bestuurlijk overleg een zo helder mogelijk onderscheid
                    aan te brengen in de verantwoordelijkheden van de gemeente als lokale overheid,
                    respectievelijk bestuur van het openbaar onderwijs.</al><al>De wijze waarop het bestuur van het openbaar onderwijs vertegenwoordigd wordt in
                    het overleg, is afhankelijk van de bestuursvorm (zie verder de toelichting op
                    artikel 1 en 3).</al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>De schoolbesturen die worden uitgenodigd voor het bestuurlijk overleg, zijn de
                    bevoegde gezagsorganen van alle scholen die zijn gesitueerd op het grondgebied
                    van de gemeente, en vallen onder de reikwijdte van een onderwerp van lokaal
                    onderwijsbeleid waarop het overleg van toepassing is. Zo is bijvoorbeeld de
                    bepaling over de vaststelling van het onderwijsachterstandenplan van toepassing
                    op een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging van een school
                    (zie artikel 110b, vijfde lid, WBO). De verordening gaat uit van de territoriale
                    werking van de regelgeving, dat wil zeggen dat alle rijksbekostigde scholen en
                    nevenvestigingen die gelegen zijn op het grondgebied van de gemeente onder de
                    werking van de verordening vallen.</al><al>Deze benadering maakt het noodzakelijk dat de gemeente goed nagaat welke
                    schoolbesturen in aanmerking komen voor deelname aan het overleg.</al><al>Tijdens het op overeenstemming gericht overleg kan de gemeenteraad de
                    Onderwijsraad verzoeken om een advies uit te brengen over een onderwerp waarop
                    het op overeenstemming gericht overleg van toepassing is. De gemeenteraad moet
                    dit verzoek doen indien een schoolbestuur dit wenst (zie verder toelichting op
                    artikel 2 en 9).</al><al><vet>Artikel 2 Functie overlegorgaan</vet></al><al>In het overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid wordt tussen de gemeente en alle
                    schoolbesturen overleg gevoerd over de verschillende facetten van het lokaal
                    onderwijsbeleid. Met de instelling van het overlegorgaan wordt beoogd het
                    wettelijk voorgeschreven overleg te institutionaliseren. Dit is gezien het feit
                    dat dit overleg qua intensiteit en reikwijdte toeneemt door de decentralisatie
                    van bepaalde onderwijstaken naar de gemeente.</al><al>Er is voor gekozen om de verordening overleg over lokaal onderwijsbeleid niet
                    alleen te richten op de onderwerpen waarvoor wettelijk het op overeenstemming
                    gericht overleg is voorgeschreven, maar te kiezen voor een brede opzet. Gezien
                    de samenhang tussen de verschillende wetten en tevens uit oogpunt van
                    harmonisatie en effectiviteit heeft een brede overlegprocedure de voorkeur. Zo
                    kan de eventuele vaststelling van een verordening voor de materiële financiële
                    gelijkstelling een onderwerp van overleg zijn, hoewel hierbij het voeren van op
                    overeenstemming gericht overleg niet door de wetgever is voorgeschreven.</al><al>Daarnaast is ervoor gekozen om het overleg niet op te splitsen naar onderwerp of
                    schoolsoort: zo blijft de integraliteit van het beleid het best gewaarborgd. Dit
                    laat onverlet dat gegeven de lokale behoefte de voorbereiding van het finale
                    overleg plaats kan vinden in werkgroepen dan wel deeloverleggen. Ze kunnen
                    ingericht zijn naar onderwerp (bijvoorbeeld onderwijshuisvesting of
                    achterstandenbeleid) of schoolsoort (bijvoorbeeld basisonderwijs of voortgezet
                    onderwijs).</al><al>Het voorgeschreven op overeenstemming gericht overleg moet voldoen aan de
                    wettelijke eisen. Ze hebben betrekking op het advies van de Onderwijsraad
                    (artikel 9). Op de onderwerpen waarvoor het op overeenstemming gericht overleg
                    in de wet is voorgeschreven, is dit artikel exclusief van toepassing.</al><al>De wetgever heeft met het op overeenstemming gericht overleg een “zwaarder” type
                    van overleg willen creëren om tot consensus te komen. Het gemeentebestuur kan
                    immers door zijn wettelijke competenties dicht raken aan de autonomie van de
                    scholen.</al><al>Het karakter van het finale brede overleg is te allen tijde bestuurlijk. Dit is
                    ter onderscheiding van het technisch getinte voorbereidend overleg (artikel 7)
                    en het agendaoverleg (artikel 8). Het betreft immers een overleg tussen het
                    gemeentebestuur en de schoolbesturen.</al><al><vet>Artikel 3 Samenstelling overlegorgaan</vet></al><al>Een schoolbestuur is uiteraard vrij om al of niet deel te nemen in het
                    overlegorgaan. Indien een bestuur daarin plaatsneemt, wijst het hiervoor een of
                    meer vertegenwoordigers aan. Uiteraard dient de mogelijkheid te worden geboden
                    dat de vertegenwoordigers, net zo goed als dat het geval zal zijn bij
                    vertegenwoordigers van het gemeentebestuur, zich laten bijstaan door een of meer
                    adviseurs. Het schoolbestuur bepaalt door wie het zich laat vertegenwoordigen.
                    Dit kan door een of meer leden van het schoolbestuur zijn en/of door een of meer
                    door het schoolbestuur gemandateerde leden van het management. De
                    vertegenwoordiging hoeft overigens niet persoonsgebonden te zijn. Per onderwerp,
                    bijvoorbeeld gelet op de portefeuilleverdeling of de affiniteit met het
                    desbetreffende onderwerp, kan iemand anders worden afgevaardigd.</al><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid om de omvang van vertegenwoordiging van een
                    schoolbestuur - uit oogpunt van een effectief overleg - te binden aan een
                    maximum. In de verordening is dat aantal vastgesteld op maximaal 3 per
                    schoolbestuur. De beruchte “Poolse landdagen” dienen te worden voorkomen.</al><al>Wanneer het aantal schoolbesturen in de gemeente bijvoorbeeld zo groot is dat
                    het totaalaantal door al deze schoolbesturen aan te wijzen vertegenwoordigers
                    (ook al is dit maar één vertegenwoordiger per bestuur) een vruchtbaar overleg in
                    de weg staat, dan is het aan te bevelen om gebruik te maken van de optie van een
                    gezamenlijke vertegenwoordiging (zie het tweede lid).</al><al>Naast de in het model opgenomen opties zijn er ook nog andere varianten denkbaar
                    zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>een vertegenwoordiging per denominatie, waardoor de situatie kan
                            optreden dat niet ieder schoolbestuur rechtstreeks aan het overleg
                            deelneemt. Ook deze vertegenwoordiging kan worden gebonden aan een
                            bepaald maximumaantal vertegenwoordigers;</al></li><li nr="-"><al>het vooraf in de verordening aangeven van de maximumomvang van het
                            overleg (bijvoorbeeld 10 deelnemers namens de schoolbesturen). Aan de
                            gezamenlijke schoolbesturen wordt overgelaten om deze vertegenwoordiging
                            in te vullen. De representatie wordt daarbij zodanig ingevuld dat alle
                            schoolbesturen van alle op het grondgebied van de gemeente voorkomende
                            denominaties zich vertegenwoordigd weten in het overleg.</al></li></lijst><al>Aangezien volgens de wet het schoolbestuur zijn vertegenwoordiger aanwijst, is
                    het wel zaak om, ingeval de verordening uitgaat van een (imperatieve) vorm van
                    gezamenlijke vertegenwoordiging, het daarover met alle schoolbesturen eens te
                    zijn.</al><al>Voor een effectief overleg is het eveneens belangrijk dat de besturen hun
                    vertegenwoordigers voldoende mandaat geven voor het voeren van het overleg
                    (innemen standpunten/maken van afspraken). De gekozen formulering dat de
                    vertegenwoordiger namens zijn bestuur of een aantal besturen deelneemt aan het
                    overleg, is daarvan een uitdrukking.</al><al>De vertegenwoordigers dienen zich te vergewissen van voldoende mandaat door
                    middel van gestructureerd vooroverleg met de schoolbesturen die zij
                    vertegenwoordigen. Het mandaat zal inhoudelijk doorgaans betrekking hebben op de
                    standpuntbepaling over voorstellen die langs de reguliere weg zijn ingebracht in
                    het overleg. Wanneer zich tijdens of vlak voor het overleg nieuwe omstandigheden
                    aandienen, dan dient er uiteraard voldoende ruimte te zijn voor de
                    vertegenwoordigers om tussentijds terug te kunnen koppelen naar de
                    respectievelijke schoolbesturen of het college van burgemeester en wethouders. </al><al>Positionering openbaar onderwijs</al><al>Het verdient nadrukkelijk overweging om de vertegenwoordiging van het door de
                    gemeente bestuurde openbaar onderwijs (zowel bij de integrale bestuursvorm als
                    bij de bestuurscommissie ex <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=82">artikel 82 van de Gemeentewet</extref>) in het overleg zo helder mogelijk
                    te markeren. Dit kan door middel van aanwijzing van een of meer personen die op
                    titel van vertegenwoordiger van het openbaar onderwijs deelnemen aan het
                    overleg.</al><al>Het openbaar onderwijs dat bestuurd wordt door middel van een gemeenschappelijke
                    regeling is in het overleg vertegenwoordigd door een of meer personen die zijn
                    aangewezen door het openbaar lichaam van de gemeenschappelijke regeling.</al><al>De vertegenwoordiging van de door de gemeente instandgehouden scholen kan als
                    volgt plaatsvinden:</al><lijst><li nr="-"><al>bij de integrale bestuursvorm: vertegenwoordiger die goed op de hoogte
                            is van de stand van zaken binnen de openbare scholen, schooloverstijgend
                            kan denken en handelen, de belangen van het openbaar onderwijs goed kan
                            behartigen en wiens afvaardiging breed wordt ondersteund binnen het
                            openbaar onderwijs (bijvoorbeeld vanuit een gemeenschappelijk
                            directieoverleg openbaar onderwijs en vanuit de gemeenschappelijke
                            medezeggenschapsraad);</al></li><li nr="-"><al>bij de bestuurscommissie: voorzitter of secretaris van de
                            bestuurscommissie of een andere door de bestuurscommissie aangewezen
                            vertegenwoordiger.</al></li></lijst><al>In relatie tot het bepaalde in het derde lid zou de portefeuillehouder onderwijs
                    als vertegenwoordiger van het openbaar onderwijs uitgesloten moeten worden. De
                    voorgestelde wijze van vertegenwoordiging van met name het via de integrale
                    bestuursvorm bestuurde openbaar onderwijs laat onverlet dat de uiteindelijke
                    schoolbestuurlijke verantwoordelijkheid ligt bij het college van burgemeester en
                    wethouders en de raad.</al><al>Het duidelijk positioneren van het openbaar onderwijs in het overleg maakt wel
                    voor alle deelnemers in het overleg goed zichtbaar wanneer de lokale overheid
                    iets inbrengt vanuit de invalshoek van het schoolbestuur bij monde van de
                    aangewezen vertegenwoordiger voor het openbaar onderwijs, en wanneer de gemeente
                    in de hoedanigheid van lokale overheid bij monde van de voorzitter van het
                    overleg een standpunt inneemt. Hiermee wordt het bestaan van de dubbelrol niet
                    ontkend, maar wel een alternatief geboden om daarmee op voor alle partijen
                    waarneembare wijze om te gaan.</al><al>Indien het gemeentebestuur bij een integrale bestuursvorm hecht aan
                    vertegenwoordiging in het overleg van het openbaar onderwijs door de
                    portefeuillehouder onderwijs en tevens hecht aan een duidelijke scheiding in het
                    overleg van de dubbelrol, dan kan worden overwogen om de gemeente in de
                    hoedanigheid van lokale overheid te laten vertegenwoordigen door een of meer
                    raadsleden. Het betrokken raadslid kan ook als voorzitter fungeren van het
                    overleg. Dit is omdat het, gezien het onderwerp van het overleg (uiteindelijk
                    onder verantwoordelijkheid van de lokale overheid vast te stellen regelgeving),
                    voor de hand ligt om de vertegenwoordiger van de lokale overheid de
                    voorzittershamer te laten hanteren.</al><al>Overigens kunnen partijen ook beslissen dat in de persoon van de voorzitter van
                    het overleg niet de vertegenwoordiger van de lokale overheid is belichaamd. Zo
                    kan gekozen worden voor de formulering dat het overleg uit zijn midden een
                    voorzitter aanwijst of "van buiten" een onafhankelijke, technisch voorzitter
                    benoemt.</al><al>Uit het derde lid vloeit voort dat de raad de wettelijke opdracht tot het voeren
                    van overleg delegeert aan burgemeester en wethouders door middel van
                    afvaardiging van de portefeuillehouders onderwijs naar het overleg. De deelname
                    aan het overleg van burgemeester en wethouders in de persoon van de direct
                    verantwoordelijke portefeuillehouder benadrukt - ook vanuit de invalshoek van de
                    lokale overheid - het bestuurlijk karakter van het overleg. Er is daarom niet
                    gekozen voor een ambtelijk vertegenwoordiger.</al><al>Voor de Venlose situatie wordt het openbaar onderwijs in het overleg over het
                    lokaal onderwijsbeleid vertegenwoordigd door een afvaardiging van de
                    schooldirecties van de openbare basisscholen danwel de coördinerend directeur
                    van het openbaar basisonderwijs.</al><al><vet>Artikel 4 Derden</vet></al><al>Afhankelijk van het onderwerp van het overleg kunnen derden, niet te verwarren
                    met de adviseurs van de gemeente of de schoolbesturen (zie de toelichting bij
                    artikel 3), als deelnemer worden toegelaten tot het overleg. Denk bijvoorbeeld
                    aan de schoolbegeleidingsdienst of welzijnsinstellingen.</al><al>Kenmerkend verschil tussen de positie van de schoolbesturen en deze derden is
                    dat voor de laatsten de formule van het op overeenstemming gericht overleg in
                    relatie tot het advies van de Onderwijsraad niet opgaat. Wel dienen de
                    zienswijzen van de derden tot uiting te komen in het verslag van het overleg.
                    Hierdoor kan de raad ook deze zienswijzen betrekken bij zijn definitieve
                    besluitvorming over het betrokken onderwerp.</al><al><vet>Artikel 5 Uitnodiging</vet></al><al>De strekking van dit artikel is dat in procedurele zin wordt gewaarborgd dat de
                    schoolbesturen tijdig worden ingeschakeld in het traject dat moet leiden tot een
                    besluit over een onderwerp waarop het overleg van toepassing is.</al><al>Hierbij is gekozen voor een termijn van minimaal twee weken om ook de
                    schoolbesturen voldoende tijd te geven voor de voorbereiding van het overleg.
                    Overigens mag, ingeval er gewerkt wordt met een voorbereidend overleg, ervan
                    worden uitgegaan dat de besturen of de vertegenwoordigers van de besturen al in
                    een eerder stadium op de hoogte zijn van de inhoud van de voorstellen.</al><al>Tevens kan in dit voorbereidend overleg worden vastgesteld wat het geschiktste
                    tijdstip (voor schoolbestuurders meestal een tijdstip in de namiddag of avond)
                    voor het bijeenroepen van het overleg is. Bij het ontbreken van vormen van
                    vooroverleg spreekt het voor zich dat de gemeente zich ervan vergewist dat de
                    geplande datum van het overleg een geschikt tijdstip is voor de andere
                    overlegpartners.</al><al>De schoolbesturen die niet deel kunnen nemen aan het overleg, kunnen voor de
                    datum van het overleg hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan burgemeester
                    en wethouders.</al><al>De gemeente is gehouden om een “aangekleed” voorstel toe te zenden. In de vorm
                    van een toelichting wordt de overlegpartners inzicht gegeven in de achtergronden
                    van het voorstel. Tevens dient te worden aangegeven of het overleg over het
                    voorstel moet worden aangemerkt als een op overeenstemming gericht overleg.</al><al>De vertegenwoordigers van de schoolbesturen hebben uiteraard de mogelijkheid om
                    ook zelf stukken in te brengen voor het overleg.</al><al>Indien het overleg wordt voorbereid (zie artikel 7), dan verdient het
                    aanbeveling dat het voorstel ook vergezeld gaat van de uitkomst van dit
                    vooroverleg (bijvoorbeeld in de vorm van een inventarisatie van onderwerpen
                    waarover wel of niet overeenstemming bestaat).</al><al>De formulering dat het overleg op een bepaald tijdstip zal “aanvangen”,
                    impliceert dat het overleg niet in één ronde behoeft te worden afgerond. Vaak
                    zal het zo zijn dat voor het overleg meer dan één bijeenkomst nodig is. Er is in
                    het model voor gekozen om deze optie van vervolgoverleg niet te binden aan
                    nadere formele vereisten (behoudens de beschreven omstandigheden in artikel 9,
                    zesde lid, en artikel 11 van de verordening) over de uitnodiging en toezending
                    van stukken. De deelnemers kunnen hierover in het eerste overleg concrete
                    afspraken maken die inspelen op de feitelijke situatie die zich op dat moment
                    voordoet.</al><al><vet>Artikel 6 Secretariaat</vet></al><al>In formele zin zijn burgemeester en wethouders belast met het voeren van het
                    secretariaat van het overlegorgaan. De praktijk is dat het secretariaat - onder
                    verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders - wordt verzorgd door een of
                    meer gemeenteambtenaren. Het zal daarbij in de regel om ambtenaren gaan van de
                    afdeling Onderwijs, belast met aangelegenheden inzake het lokaal
                    onderwijsbeleid. Het verdient aanbeveling om aan de vertegenwoordigers in het
                    overleg duidelijk aan te geven wie feitelijk met het voeren van het (uitvoerend)
                    secretariaat is belast.</al><al><vet>Artikel 7 Voorbereiding</vet></al><al>De praktijk laat vaak zien dat een overleg wordt voorafgaan door het nodige
                    (technische) vooroverleg. Dit overleg heeft tot doel om onderwerpen in
                    inhoudelijke en technische zin voor te bereiden voor de bespreking in het
                    overlegorgaan.</al><al>Er zijn meerdere tijdstippen mogelijk om het voorbereidend overleg te laten
                    plaatsvinden.</al><al>Het kan voorafgaan aan het agendaoverleg als bedoeld in artikel 8. Indien een
                    onderwerp is voorbereid, kan het op de agenda geplaatst worden.</al><al>Men kan er ook voor kiezen om het voorbereidend overleg na het agendaoverleg te
                    houden. Indien een onderwerp op de agenda is geplaatst, kan het worden
                    voorbereid voor het overleg in het overlegorgaan.</al><al>Daarnaast kan ervoor gekozen worden om het voorbereidend overleg en het
                    agendaoverleg samen te voegen.</al><al>De bereikte overeenstemming en overgebleven verschillen van inzicht in het
                    vooroverleg vormen de basis van het overleg in het overlegorgaan. De
                    inventarisatie van de onderwerpen waarover al dan niet overeenstemming is
                    bereikt, vormt een hulpmiddel voor een efficiënt overleg. In het kader van het
                    op overeenstemming gericht overleg richt de aandacht zich meestal op de nog
                    resterende geschilpunten, waarbij in het kader van het op overeenstemming
                    gerichte karakter van het overleg gestreefd moet worden naar een oplossing. Dit
                    neemt niet weg dat in het overleg tevens een inhoudelijke discussie kan
                    plaatsvinden over de onderwerpen waarover, blijkens de inventarisatie, wel
                    overeenstemming bestond in het voorbereidend overleg.</al><al>Er is van afgezien om het voeren van het voorbereidend overleg te binden aan
                    procedurele voorschriften. Afhankelijk van de omvang van de problematiek dient
                    dit overleg met een grote mate van flexibiliteit te kunnen worden ingericht en
                    gevoerd. Het voorbereidend overleg kan bijvoorbeeld per onderwerp of schoolsoort
                    plaatsvinden. Deze flexibiliteit geldt ook voor de wijze van vertegenwoordiging
                    (ambtelijk dan wel op bestuurlijk niveau).</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen dit voorbereidend overleg instellen. Zij doen
                    dit uiteraard in nauw overleg met de vertegenwoordigers van de
                    schoolbesturen.</al><al><vet>Artikel 8 Agendaoverleg</vet></al><al>In het agendaoverleg kan onderzocht worden welke onderwerpen op welk tijdstip in
                    het op overeenstemming gericht overleg aan de orde kunnen komen en welke
                    onderwerpen op welk tijdstip in andere vormen van overleg.</al><al>De ratio is om te komen tot een vroegtijdige afstemming op bestuurlijk niveau
                    van welke zaken er in de tijd bezien aan de orde zullen komen. Alle partners
                    kunnen dan in de planning van hun werkzaamheden hiermee rekening houden.</al><al>Het bovenstaande gebeurt uit een oogpunt van planmatig werken. Dit laat onverlet
                    dat tijdens het overleg in het overlegorgaan de agenda op verzoek van een of
                    meer vertegenwoordigers kan worden aangepast.</al><al>Burgemeester en wethouders stellen dit overleg in. Zij doen dit, evenals bij het
                    voorbereidend overleg, in samenspraak met de vertegenwoordigers van de
                    schoolbesturen.</al><al>Het aantal vertegenwoordigers van schoolbesturen die deelnemen aan dit
                    agendaoverleg, kan per gemeente variëren. In de voorliggende verordening is dit
                    aantal gefixeerd op maximaal 3.</al><al><vet>Artikel 9 Advies Onderwijsraad</vet></al><al>Dit artikel betreft de rol van de Onderwijsraad. Daar waar het lokaal
                    onderwijsbeleid inzake huisvesting, schoolbegeleiding, achterstandenbeleid en
                    OALT de grondwettelijke vrijheid van richting en vrijheid van inrichting van het
                    onderwijs raakt, kan de Onderwijsraad in beeld komen. Niet als
                    geschillenbeslechter, maar als adviseur van de lokale overheid. Maar wel,
                    wanneer een schoolbestuur zich beroept op strijdigheid met deze grondwettelijke
                    aspecten van onderwijsvrijheid, in de vorm van een verplichting voor de gemeente
                    om advies te vragen. De wetgever beperkt de formulering doelbewust tot de
                    vrijheid van richting en inrichting. Het aspect van de bekostiging van het
                    openbaar en bijzonder onderwijs naar dezelfde maatstaf (gelijke behandeling) is
                    daarbij niet genoemd. Mocht een gemeente echter een ongerechtvaardigd
                    onderscheid aanbrengen tussen bijzonder en openbaar onderwijs en daardoor
                    scholen voor bijzonder onderwijs vanwege hun bijzonder zijn achterstellen bij
                    openbaar onderwijs, dan handelt deze gemeente in strijd met de vrijheid van
                    richting en inrichting. Er wordt immers een inbreuk gemaakt op de wezenlijke
                    aard van de bijzondere school. Een schoolbestuur kan via deze invalshoek de
                    gemeente verzoeken om advies te vragen van de Onderwijsraad.</al><al>Artikel 9 geeft in procedurele zin aan op welke wijze een of meer
                    overlegpartners, schoolbesturen en gemeentebestuur, kenbaar moeten maken dat ze
                    de Onderwijsraad willen inschakelen voor een advies over aspecten aangaande een
                    onderwerp waarop het op overeenstemming gericht overleg van toepassing is.
                    Uitgangspunt daarbij is dat de partij die om advies verzoekt, inhoudelijk en
                    gemotiveerd aangeeft wat de relatie is tussen deze aspecten en de vrijheid van
                    richting of vrijheid van inrichting. Dit gebeurt uiterlijk in het overleg dat is
                    bestempeld als het laatste, afrondende overleg over het desbetreffende
                    onderwerp. Het is aan te bevelen om het finale karakter van het overleg te
                    vermelden in de uitnodiging. Zowel de schoolbesturen als burgemeester en
                    wethouders zijn gebonden aan dit uiterste moment (zie artikel 9, eerste
                    lid).</al><al>Burgemeester en wethouders dienen het verzoek om advies in bij de Onderwijsraad.
                    Zij doen dit uiterlijk twee weken na afloop van het overleg. Deze termijn is
                    opgenomen vanwege het feit dat de wet met het oog op een goede procesgang
                    voorschrijft dat in de gemeentelijke verordening wordt opgenomen vanaf wanneer
                    en tot welk moment het gemeentebestuur de Onderwijsraad kan verzoeken een advies
                    uit te brengen.</al><al>Tevens is erin voorzien dat in het overleg van gedachten kan worden gewisseld
                    over de inhoud van het verzoek aan de Onderwijsraad. Dit is tegen de achtergrond
                    dat iedereen erbij gebaat is dat er minimaal duidelijkheid bestaat over de
                    beweegredenen van een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te
                    wenden. Deze gedachtewisseling laat uiteraard het recht van een individueel
                    schoolbestuur of de gemeente onverlet om de Onderwijsraad in te schakelen, ook
                    wanneer de andere overlegpartners daaraan geen behoefte hebben. Daarnaast zal
                    ook de Onderwijsraad in het kader van zijn advisering geïnformeerd willen worden
                    over de (mogelijk afwijkende) zienswijzen van alle partners uit het
                    overleg.</al><al>De adviestermijn bedraagt vier weken. De wettelijke bepalingen geven aan dat de
                    termijn van vier weken wordt opgeschort indien de Onderwijsraad op redelijke
                    gronden aanvullende gegevens nodig heeft voor een goede vervulling van zijn taak
                    (zie het vierde lid). Bij de formulering van de opschorting van de termijn is
                    aangesloten bij <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=4%3A15">artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> (Awb). Dat artikel
                    bevat een regeling voor opschorting van de termijn bij de aanvraag van een
                    beschikking.</al><al>De woorden “nodig voor een goede vervulling van diens taak” maken duidelijk dat
                    de Onderwijsraad gemotiveerd zal moeten aangeven welke gegevens hij nodig heeft.
                    De Onderwijsraad zal alleen aanvullende gegevens kunnen opvragen voorzover die
                    redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het uitbrengen van het advies.</al><al>Verder bepaalt de wet dat de gemeenteraad geen besluit neemt over een onderwerp
                    waarop het overleg van toepassing is alvorens de termijn is verstreken
                    waarbinnen de Onderwijsraad advies moet uitbrengen.</al><al>In het zesde lid wordt bepaald in welke situatie er in ieder geval nader overleg
                    plaatsvindt over het advies van de Onderwijsraad. Dit is aan de orde wanneer de
                    Onderwijsraad adviseert om inhoudelijke wijzigingen aan te brengen in het
                    voorstel over het desbetreffende onderwerp. In alle andere gevallen maken
                    burgemeester en wethouders de afweging of nader overleg noodzakelijk is. In het
                    model is voor deze formule gekozen in plaats van voor de benadering om ongeacht
                    de strekking en inhoud van het advies standaard te bepalen dat nader overleg
                    plaatsvindt over het uitgebrachte advies. Er kunnen zich namelijk situaties
                    voordoen waarin een dergelijk nader overleg geen toegevoegde waarde heeft,
                    bijvoorbeeld wanneer het advies het voorstel van burgemeester en wethouders
                    onderschrijft. Uiteraard is er niets op tegen wanneer op lokaal niveau hierbij
                    een andere benadering wordt gevolgd, zoals het standaard uitgaan van een nader
                    overleg of het bijeenroepen van een overleg indien een of meer overlegpartners
                    naar aanleiding van het toegezonden afschrift van het advies hierom vragen
                    binnen een bepaalde periode.</al><al>Overigens wordt nog opgemerkt dat de wettelijke bepalingen over de advisering
                    van de Onderwijsraad niets voorschrijven over een overlegmogelijkheid zoals
                    hiervoor is beschreven. Er wordt bepaald dat de Onderwijsraad advies uitbrengt
                    aan de gemeenteraad. Het advies wordt vervolgens bekendgemaakt, tezamen met het
                    besluit over het onderwerp waarop het overleg van toepassing is.</al><al>Om te voorkomen dat eventueel nader overleg over het uitgebrachte advies tot een
                    te grote vertraging in het besluitvormingsproces leidt, is in het zesde lid
                    uitgegaan van een vrij korte termijn waarbinnen een dergelijk overleg plaats zal
                    dienen te vinden. Om hierbij problemen te voorkomen verdient het aanbeveling om
                    aan de vooravond van de indiening van het verzoek om advies met de daarbij
                    behorende stukken bij de Onderwijsraad alvast in onderling overleg enkele data
                    te reserveren voor een eventueel nader overleg.</al><al>Op de advisering door de Onderwijsraad is hetgeen in algemene zin over
                    advisering is geregeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Awb</extref> van toepassing. In dit verband is met name het bepaalde in
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=3%3A6">artikel 3:6, tweede lid</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=3%3A7">artikel 3:7</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=3%3A50">artikel 3:50 Awb</extref> van belang. Zo kan op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=3%3A6">artikel 3:6</extref> de gemeenteraad een besluit nemen over een onderwerp
                    waarop het overleg van toepassing is indien de Onderwijsraad het advies niet
                    binnen vier weken uitbrengt. Op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=3%3A7">artikel 3:7</extref> is de gemeenteraad gehouden om, al dan niet op
                    verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft
                    voor het uitbrengen van het advies. Wanneer de gemeenteraad afwijkt van het
                    advies van de Onderwijsraad, worden ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=3%3A50">artikel 3:50 Awb</extref> de redenen daarvan vermeld in de motivering.</al><al><vet>Artikel 10 Verslaglegging; informeren raad</vet></al><al>De raad zal bij zijn besluitvorming over het onderwerp waarop het overleg van
                    toepassing is de argumenten en zienswijzen moeten wegen die in het overleg naar
                    voren zijn gebracht. Hiertoe is het van belang dat de raad zich een duidelijk
                    beeld kan vormen van de inhoud en strekking van hetgeen tijdens en voor het
                    overleg is aangevoerd. De raad wordt hierover op de hoogte gebracht via
                    toezending van het verslag van het overleg.</al><al>In het verslag wordt per onderwerp aangegeven of het op overeenstemming gericht
                    overleg van toepassing is. Daarnaast wordt per onderwerp aangegeven in hoeverre
                    er in het overlegorgaan overeenstemming over het onderwerp is bereikt.</al><al>Het verslag bevat uiteraard de zienswijzen die door de verschillende deelnemers
                    (vertegenwoordigers van schoolbesturen, derden en de gemeente) zijn ingebracht.
                    Voorzover deze zienswijzen niet of niet geheel zijn overgenomen in het voorstel
                    dat aan de raad is voorgelegd, wordt hiervan in het betrokken raadsvoorstel
                    melding gemaakt door burgemeester en wethouders. Daarbij wordt ook aangegeven op
                    welke gronden burgemeester en wethouders tot het desbetreffende oordeel zijn
                    gekomen.</al><al><vet>Artikel 11 Heropening overleg</vet></al><al>De uitkomst van het overleg vormt een belangrijk gegeven in de verdere
                    besluitvormingsprocedure (raadscommissie en raad) over een onderwerp waarop het
                    overleg van toepassing is.</al><al>In het voorstel van burgemeester en wethouders is aangegeven op welke wijze is
                    omgegaan met de gebrachte zienswijzen. Indien er in het verdere
                    besluitvormingsproces signalen komen dat vermoedelijk wordt afgeweken van het
                    voorstel van burgemeester en wethouders en dat daarmee de uitkomst van het
                    overleg in een ander licht komt te staan, komt de vraag aan de orde of de
                    mogelijkheid moet worden geboden om over de gewijzigde situatie het overleg te
                    heropenen.</al><al>Een eventueel hernieuwd overleg is in dit artikel gekoppeld aan het resultaat
                    van de bespreking van het voorstel van burgemeester en wethouders in de
                    raadscommissie waarin onderwijsaangelegenheden aan de orde komen. Indien de
                    raadscommissie of een deel daarvan dat een meerderheid vertegenwoordigt in de
                    raad aanleiding ziet voor een standpunt om te komen tot inhoudelijke
                    bijstellingen in het voorstel van burgemeester en wethouders, dan kan dit
                    aanleiding zijn om het overleg bijeen te roepen.</al><al>In één geval moeten burgemeester en wethouders het overleg heropenen, namelijk
                    indien dit oordeel betrekking heeft op inhoudelijke onderdelen van het voorstel
                    waarover in het op overeenstemming gericht overleg overeenstemming was bereikt.
                    Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat deze consensus een zwaarder gewicht
                    kan hebben dan een bereikte overeenstemming over een onderwerp waarover de
                    wetgever geen op overeenstemming gericht overleg heeft voorgeschreven.</al><al>Er kunnen zich in dit laatste geval naar aanleiding van de behandeling in de
                    raadscommissie verschillende situaties voordoen:</al><lijst><li nr="1."><al>over (onderdelen van) het voorstel dat burgemeester en wethouders hebben
                            ingebracht bestond in het overleg volledige overeenstemming. Het
                            afwijkende meerderheidsstandpunt van de raadscommissie daarover betekent
                            dus ook een afwijking van de bereikte consensus in het overleg. In een
                            dergelijk geval heropenen burgemeester en wethouders het overleg. Het
                            spreekt voor zich dat het daarbij dient te gaan om aspecten met een
                            zekere importantie. Vandaar dat gekozen is voor de formulering dat het
                            moet gaan om een “inhoudelijke” bijstelling. Het zou bijvoorbeeld
                            overdreven zijn om voor kleine technische bijstellingen een bestuurlijk
                            overleg bijeen te roepen;</al></li><li nr="2."><al>de afwijkende visie van de raadscommissie strookt met de afwijkende
                            zienswijzen zoals die gezamenlijk door de vertegenwoordigers van de
                            schoolbesturen zijn ingebracht in het overleg. In een dergelijke
                            situatie lijkt het opnieuw bijeenroepen van het overleg niet
                            noodzakelijk, tenzij burgemeester en wethouders dit dienstig vinden voor
                            hun standpuntbepaling over het meerderheidsstandpunt van de
                            raadscommissie;</al></li><li nr="3."><al>de afwijkende visie van de raadscommissie strookt met de zienswijze
                            zoals die door een deel van de schoolbesturen in het overleg naar voren
                            is gebracht. In deze situatie kan het bijeenroepen van het overleg
                            gewenst zijn in verband met de positie van de schoolbesturen die hun
                            zienswijze niet gehonoreerd zien. Burgemeester en wethouders bezien de
                            noodzaak daartoe.</al></li></lijst><al>Het voordeel van de in artikel 11 neergelegde procedure is dat het gemeentelijk
                    besluitvormingsproces voortgang kan vinden zonder het gewicht van het overleg
                    geweld aan te doen. Het voorstel van burgemeester en wethouders, al dan niet
                    bijgesteld naar aanleiding van de behandeling in de raadscommissie, kan namelijk
                    doorgaan naar de raad. Het resultaat van het heropende overleg kan vervolgens
                    ter kennis worden gebracht van de raad. Dit resultaat wordt door de raad
                    betrokken bij de uiteindelijke besluitvorming. Dit positioneert de raad ook als
                    hoogste bestuursorgaan in de gemeente, die alles afwegend een finale beslissing
                    neemt.</al><al><vet>Artikel 12 Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                        verordening niet voorziet</vet></al><al>Wanneer de verordening voor het overleg in bepaalde zaken niet voorziet, dan
                    nemen burgemeester en wethouders een beslissing. Aangezien dergelijke
                    beslissingen (de inrichting van) het overleg raken, is erin voorzien dat
                    burgemeester en wethouders hierover de andere partijen uit het overleg horen.
                    Daaruit zou bijvoorbeeld kunnen blijken dat het wenselijk wordt geacht om:</al><lijst><li nr="-"><al>bepaalde zaken nader te regelen (reglement van orde, huishoudelijk
                            reglement of iets dergelijks);</al></li><li nr="-"><al>bepaalde zaken via een aan de raad voor te leggen wijziging vast te
                            leggen in de verordening op het overleg.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 13 Citeertitel; inwerkingtreding</vet></al><al>Bij de inwerkingtreding van de verordening overleg over lokaal onderwijsbeleid
                    dient de verordening procedure overleg huisvesting onderwijs gemeente Venlo te
                    worden ingetrokken. Zoals bij artikel 2 al is vermeld, is gekozen voor een brede
                    overlegverordening waaronder ook het overleg over de inhoud van de verordening
                    voor de onderwijshuisvesting is begrepen.</al><al><vet>Noot</vet></al><al>[1] Volgens de wetgeving stelt de gemeente het huisvestingsprogramma vast na
                    overleg met de schoolbesturen. De terminologie van ‘op overeenstemming gericht
                    overleg’ wordt hierbij niet gebruikt (zie bijvoorbeeld <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20basisonderwijs/article=69">artikel 69, eerste lid, Wet op het basisonderwijs</extref>). De facto valt
                    dit overleg wel onder deze terminologie omdat tijdens het overleg over het
                    programma de overlegpartners om advies van de Onderwijsraad kunnen vragen (zie
                    bijvoorbeeld het achtste lid van genoemd artikel). Het overleg over het
                    programma is (vooralsnog) echter op praktische gronden buiten de reikwijdte van
                    de voorliggende verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente Venlo
                    gehouden, omdat de wet specifieke bepalingen kent voor dit overleg.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>