<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR57059_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">E3-journaal, 02-02-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=155a">Gemeentewet, art. 155a tot en met 155f </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-01-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-02-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gelet op de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=155a">artikelen 155a tot en met 155f Gemeentewet</extref>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Instellen van het onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad kan besluiten tot het doen van een vooronderzoek naar de
                                zin, passendheid, mogelijke gevolgen en kosten van een mogelijk in
                                te stellen onderzoek naar het door het college van burgemeester en
                                wethouders of de burgemeester gevoerde bestuur. De raad stelt
                                hiertoe een voorbereidingscommissie in.</al></li><li nr="2."><al>Op basis van de resultaten van het vooronderzoek kan de raad op
                                voorstel van een of meer van zijn leden besluiten tot het instellen
                                van een onderzoek.</al></li><li nr="3."><al>Het besluit tot het instellen van een onderzoek omvat een
                                omschrijving van het onderwerp van onderzoek, de onderzoeksvraag,
                                alsmede een toelichting.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde omschrijving kan, hangende het
                                onderzoek, al dan niet op verzoek van de in artikel 2 genoemde
                                onderzoekscommissie, door de raad worden gewijzigd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Onderzoekscommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De uitvoering van het besluit tot het instellen van een onderzoek
                                wordt opgedragen aan hetzij een reeds door de raad ingestelde
                                onderzoekscommissie, hetzij aan een in de eerstvolgende
                                raadsvergadering na dit besluit daartoe in te stellen
                                onderzoekscommissie.</al></li><li nr="2."><al>De onderzoekscommissie bestaat uit minimaal vijf en maximaal zeven
                                raadsleden. Voor ieder lid kan een plaatsvervanger worden
                                aangewezen. Bij de samenstelling van deze commissie zorgt de raad
                                voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad
                                vertegenwoordigde groeperingen.</al></li><li nr="3."><al>De onderzoekscommissie kan de bij deze verordening of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">Gemeentewet</extref> verleende bevoegdheden uitsluitend
                                uitoefenen, indien tenminste drie van haar leden of als zodanig
                                optredende plaatsvervangende leden tegenwoordig zijn.</al></li><li nr="4."><al>De onderzoekscommissie besluit met meerderheid van stemmen. Indien
                                de stemmen staken beslist de stem van de voorzitter.</al></li><li nr="5."><al>De bevoegdheid en de werkzaamheden van de onderzoekscommissie worden
                                door het aftreden van de raad niet geschorst.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Bekendmaking besluiten</titel></kop><al>Het besluit tot het instellen van een onderzoek, het besluit van
                        samenstelling van de onderzoekscommissie en het besluit zoals bedoeld in
                        artikel 1, vierde lid, worden in een huis-aan-huis blad geplaatst en treden
                        in werking een dag na bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Voorzitter / plaatsvervangend voorzitter</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De leden van de onderzoekscommissie kiezen uit hun midden een
                                voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter is belast met: </al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de beraadslaging en hoorzitting;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van bij of krachtens deze verordening
                                        gestelde regels;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen deze verordening hem verder opdraagt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Beëindiging lidmaatschap onderzoekscommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de raad besluit tot opheffing van de
                                        onderzoekscommissie;</al></li><li nr="b."><al>een lid ophoudt lid te zijn van de raad;</al></li><li nr="c."><al>de onderzoekscommissie besluit een lid van haar commissie te
                                        horen;</al></li><li nr="d."><al>een lid ontslag neemt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen.
                                Hiervan brengt hij de raad en de voorzitter van de
                                onderzoekscommissie zo spoedig mogelijk schriftelijk op de
                                hoogte.</al></li><li nr="3."><al>In openstaande vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.</al></li><li nr="4."><al>Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing
                                op de plaatsvervangende leden.</al></li><li nr="5."><al>De raad ontslaat de leden van de onderzoekscommissie na bespreking
                                van haar eindrapport en heft de commissie op.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Beraadslagingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt op de door haar te bepalen dagen
                                en in bijzondere gevallen, indien tenminste twee leden, onder opgaaf
                                van redenen, dat nodig achten.</al></li><li nr="2."><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt achter gesloten deuren.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter roept de leden schriftelijk of per e-mail in
                                vergadering bijeen onder opgaaf van de punten die behandeld zullen
                                worden en zorgt dat stukken die op de agenda betrekking hebben
                                tijdig aan de leden worden toegezonden of tijdig voor de leden ter
                                inzage worden gelegd.</al></li><li nr="4."><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter van het bepaalde in de
                                vorige leden afwijken.</al></li><li nr="5."><al>De commissiegriffier maakt een beknopt verslag van de vergadering,
                                dat de onderzoekscommissie in de eerstvolgende vergadering ter
                                vaststelling wordt aangeboden.</al></li><li nr="6."><al>De onderzoekscommissie kan bepalen dat uit een beraadslaging geen
                                mededelingen mogen worden gedaan, totdat de onderzoekscommissie een
                                rapport aan de raad presenteert.</al></li><li nr="7."><al>Een commissie kan in een besloten vergadering, op grond van een
                                belang, genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbaarheid%20van%20bestuur/article=10%20">artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur</extref>,
                                omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en
                                omtrent de inhoud van de stukken die aan de commissie worden
                                overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een
                                besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering
                                opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling
                                aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis
                                dragen, in acht genomen totdat de commissie haar opheft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Ambtelijke ondersteuning en bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle activiteiten van de leden en de aan de onderzoekscommissie
                                toegevoegde medewerkers vallen onder de politieke
                                verantwoordelijkheid van de commissie.</al></li><li nr="2."><al>De raad benoemt ter ondersteuning van de onderzoekscommissie een
                                commissiegriffier en een plaatsvervangend commissiegriffier.</al></li><li nr="3."><al>De taak van de commissiegriffier is te zorgen voor inhoudelijke en
                                organisatorische ondersteuning van de commissie onder
                                verantwoordelijkheid van de raadsgriffier.</al></li><li nr="4."><al>De commissiegriffier is bij iedere vergadering van de
                                onderzoekscommissie aanwezig en bij iedere hoorzitting.</al></li><li nr="5."><al>De in het tweede lid bedoelde ondersteuning wordt in beginsel
                                gevonden binnen de raadsgriffie en zonodig aangevuld met
                                ondersteuning vanuit het ambtelijk apparaat.</al></li><li nr="6."><al>De verordening ambtelijke bijstand is niet van toepassing.</al></li><li nr="7."><al>Zo spoedig mogelijk na instelling van de onderzoekscommissie en de
                                vaststelling van de onderzoeksopdracht stelt de voorzitter van de
                                commissie in overleg met de raadsgriffier en gemeentesecretaris,
                                voor zover een beroep wordt gedaan op zijn ambtelijk apparaat, een
                                concept plan van aanpak op waarin zij in ieder geval aandacht
                                besteden aan: </al><lijst><li nr="-"><al>de uitvoering van de onderzoeksopdracht;</al></li><li nr="-"><al>de eerste planning van de uit te voeren taken;</al></li><li nr="-"><al>de taakverdeling;</al></li><li nr="-"><al>de nadere invulling van de wenselijke ondersteuning, waarbij
                                        aandacht wordt besteed aan de wettelijke
                                        aansprakelijkheid;</al></li><li nr="-"><al>het vrijstellen van interne medewerkers ten behoeve van het
                                        onderzoek;</al></li><li nr="-"><al>de plaats en de omvang van de werkruimten;</al></li><li nr="-"><al>de noodzaak van een informatieprotocol;</al></li><li nr="-"><al>het communicatieplan voor de presentatie van het
                                        onderzoeksrapport;</al></li><li nr="-"><al>de archivering en classificering;</al></li><li nr="-"><al>de geheimhoudings- en beveiligingsaspecten;</al></li><li nr="-"><al>de vertrouwelijkheid van de informatie in de verschillende
                                        fasen van het onderzoek;</al></li><li nr="-"><al>de contacten met de pers;</al></li><li nr="-"><al>de contacten met derden.</al></li></lijst></li><li nr="8."><al>Indien de onderzoekscommissie besluit de uitvoering van bepaalde
                                delen van het onderzoek neer te leggen bij derden, vindt deze
                                uitvoering plaats onder haar verantwoordelijkheid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Verplichte medewerking aan onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met ingang van de inwerkingtreding van de besluiten tot instelling
                                van een onderzoek en tot instelling van de onderzoekscommissie zijn
                                leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen
                                burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen
                                leden van een door de raad, het college van burgemeester en
                                wethouders of de burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren of
                                gewezen ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld
                                of daaraan ondergeschikt, verplicht te voldoen aan een vordering van
                                de onderzoekscommissie tot het verschaffen van inzage in, het geven
                                van afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle
                                bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk
                                oordeel van de onderzoekscommissie inzage, afschrift of kennisneming
                                anderszins voor het doen van onderzoek als bedoeld in <extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-1-instellen-van-het-onderzoek">artikel 1</extref> nodig is.</al></li><li nr="2."><al>Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft
                                op bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de Europese
                                Unie of van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door de
                                onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan
                                schaden, wordt niet dan met toestemming van de minister van
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de vordering
                                voldaan.</al></li><li nr="3."><al>Ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of
                                daaraan ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek alle door
                                de onderzoekscommissie gevorderde medewerking als bedoeld in het
                                eerste lid te verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Vrijwillige medewerking aan onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De onderzoekscommissie kan buiten de in artikel 8, eerste lid,
                                genoemde personen tevens anderen verzoeken om medewerking aan het
                                onderzoek te verlenen. Laatstgenoemde medewerking geschiedt op
                                vrijwillige basis.</al></li><li nr="2."><al>Een ieder die over informatie denkt te beschikken die van belang kan
                                zijn voor het onderzoek kan zich uit eigener beweging melden of
                                wordt uitgenodigd zich te melden bij de voorzitter van de
                                onderzoekscommissie. De commissie publiceert een dergelijke
                                uitnodiging met een omschrijving van het onderwerp van het onderzoek
                                overeenkomstig de in artikel 1, vierde lid genoemde wijze. De
                                commissie besluit of van deze informatie gebruik wordt gemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De onderzoekscommissie kan in het belang van het onderzoek in
                                beslotenheid met een ieder informatieve gesprekken voeren, welke als
                                zodanig geen onderdeel van het onderzoek uitmaken. Er bestaat
                                hiertoe geen plicht tot medewerking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Verplichtingen getuigen en deskundigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Personen als bedoeld in <extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-8-verplichte-medewerking-aan-onderzoek">artikel 8, eerste lid</extref>, zijn verplicht te voldoen aan
                                een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of deskundige
                                te worden gehoord.</al></li><li nr="2."><al>Een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt
                                gehoord is niet tevens lid van de onderzoekscommissie.</al></li><li nr="3."><al>De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen.</al></li><li nr="4."><al>De deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar beste
                                weten als zodanig te verlenen.</al></li><li nr="5."><al>De onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden
                                verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Zij leggen dan in
                                de vergadering van de onderzoekscommissie, in handen van de
                                voorzitter, de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets
                                dan de waarheid zullen zeggen.</al></li><li nr="6."><al>Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten
                                bijstaan. Om gewichtige redenen kan de commissie besluiten, dat een
                                getuige zonder bijstand wordt gehoord.</al></li><li nr="7."><al>Een deskundige kan zich tijdens het verhoor laten bijstaan, indien
                                de onderzoekscommissie daarmee instemt.</al></li><li nr="8."><al>Verklaringen die zijn afgelegd voor de onderzoekscommissie kunnen,
                                behalve in het geval van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht%20/article=207">artikel 207, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht</extref>, niet als bewijs in rechte gelden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Openbare hoorzitting getuigen en deskundigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verhoren van getuigen en deskundigen worden door de
                                onderzoekscommissie in het openbaar gehouden op een plaats waar zij
                                dit meest wenselijk oordeelt.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter van de onderzoekscommissie bepaalt plaats en tijdstip
                                van de zitting en brengt die ter openbare kennis.</al></li><li nr="3."><al>De schriftelijke aantekening van de afgelegde verklaringen of
                                gegeven berichten wordt aan de getuigen of deskundigen voorgelezen
                                of ter inzage verstrekt en door dezen ondertekend.</al></li><li nr="4."><al>De commissie kan ter voorbereiding op de openbare verhoren
                                informatieve gesprekken voeren in beslotenheid.</al></li><li nr="5."><al>De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een
                                verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. De
                                leden en plaatsvervangende leden van de commissie bewaren
                                geheimhouding over hetgeen hun tijdens een besloten zitting ter
                                kennis komt</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Oproeping getuigen en deskundigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter roept de leden van de onderzoekscommissie, getuigen en
                                deskundigen schriftelijk op.</al></li><li nr="2."><al>De getuigen of deskundigen dienen de oproeping tenminste tien dagen
                                voor de dag van het verhoor te ontvangen. De brief, houdende de
                                oproeping, wordt aangetekend verzonden of tegen gedagtekend
                                ontvangstbewijs uitgereikt.</al></li><li nr="3."><al>Binnen drie werkdagen na verzending van de oproep kunnen de getuigen
                                en deskundigen onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                                tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></li><li nr="4."><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één
                                week voor het tijdstip van de zitting aan de betrokken getuige of
                                deskundige medegedeeld.</al></li><li nr="5."><al>De onderzoekscommissie kan bevelen dat getuigen en deskundigen die,
                                hoewel opgeroepen in overeenstemming met het tweede lid, niet zijn
                                verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan
                                hun verplichting te voldoen. De onderzoekscommissie stelt de getuige
                                of deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de in het tweede lid
                                bepaalde wijze. In de beschikking wordt een termijn gesteld
                                waarbinnen de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door
                                alsnog aan zijn verplichting te voldoen.</al></li><li nr="6."><al>Op een beschikking als bedoeld in het tweede en vijfde lid is
                                    <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=7%3A1">artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> niet van
                                toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Niet verschijnen getuige of deskundige</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de behoorlijk opgeroepen getuige of deskundige niet
                                verschijnt, ook niet na toepassing van <extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-12-oproeping-getuigen-en-deskundigen">artikel 12, vijfde lid</extref>, wordt van het niet verschijnen
                                een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk een nauwkeurige omschrijving
                                van de oproeping geeft en door de aanwezige leden van de
                                onderzoekscommissie wordt ondertekend.</al></li><li nr="2."><al>Het proces-verbaal wordt door de onderzoekscommissie, wanneer zij
                                het nodig acht, in handen gesteld van het openbaar ministerie bij de
                                rechtbank van het arrondissement waarin de in gebreke gebleven
                                getuige of deskundige woont.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Weigering getuige of deskundige</titel></kop><al>Wanneer een getuige of deskundige, hetzij vrijwillig, hetzij op de oproeping
                        verschenen of door de openbare macht gebracht zijnde, weigert te antwoorden
                        of de eed of belofte af te leggen, wordt daarvan proces-verbaal opgemaakt,
                        hetwelk de redenen van die weigering, zo die gegeven zijn, inhoudt en door
                        de aanwezige leden van de onderzoekscommissie wordt ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Verschoningsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Niemand kan genoodzaakt worden aan de onderzoekscommissie geheimen
                                te openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou worden
                                toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep, dan
                                wel aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij
                                hij werkzaam is of is geweest.</al></li><li nr="2."><al>Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot
                                geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af
                                te leggen, doch uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de
                                wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage,
                                afschrift of kennisneming anderszins weigeren van bescheiden of
                                gedeelten daarvan tot welke hun plicht tot geheimhouding zich
                                uitstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Geheimhouding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen in verband met de
                                bescherming van de in artikel 8, eerste lid genoemde personen of van
                                een belang, bedoeld in <extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-17-strijd-met-openbaar-belang">artikel 17</extref>, besluiten aan haar overgelegde bescheiden
                                of gedeelten daarvan niet openbaar te maken.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de onderzoekscommissie bewaren geheimhouding omtrent de
                                inhoud van de bescheiden of gedeelten daarvan, die ingevolge een
                                besluit, bedoeld in het eerste lid, niet openbaar worden
                                gemaakt.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de in het tweede lid bedoelde bescheiden deel uitmaken
                                van het onderzoeksverslag van de onderzoekscommissie, worden deze
                                ter inzage of anderszins ter kennisneming gelegd van de leden van de
                                gemeenteraad. De leden bewaren omtrent de inhoud van zodanige
                                bescheiden geheimhouding.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Strijd met openbaar belang</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen
                                wethouders, leden en gewezen leden van een door het college of de
                                burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren,
                                door of vanwege het college aangesteld of daaraan ondergeschikt,
                                zijn niet verplicht aan <extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-8-verplichte-medewerking-aan-onderzoek">artikel 8, eerste lid</extref> en <extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-10-verplichtingen-getuigen-en-deskundigen">artikel 10, eerste en derde lid</extref>, te voldoen, indien
                                het verstrekken van de inlichtingen in strijd is met het openbaar
                                belang.</al></li><li nr="2."><al>De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep als bedoeld in
                                het eerste lid op strijd met het openbaar belang wordt bevestigd
                                door het college van burgemeester en wethouders, of, voor zover de
                                inlichtingen betrekking hebben op het door de burgemeester gevoerde
                                bestuur, door de burgemeester.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Toehoorders en de pers</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend
                                op de voor hen bestemde plaatsen openbare zittingen bijwonen.</al></li><li nr="2."><al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                                verstoren van de orde is verboden.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter is bevoegd toehoorders die op enigerlei wijze de orde
                                van de vergadering verstoren, te doen vertrekken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die tijdens de zitting geluid- dan wel beeldregistraties willen
                        maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn
                        aanwijzingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Verslaglegging hoorzitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissiegriffier draagt zorg voor de verslaglegging van de
                                zitting.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid
                                voor zover van belang.</al></li><li nr="3."><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer
                                is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></li><li nr="4."><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden en
                                feitenbeschrijvingen, die aan het verslag kunnen worden
                                gehecht.</al></li><li nr="5."><al>Voorafgaande aan vaststelling wordt het verslag in concept
                                voorgelegd aan betrokkenen, als wederhoor.</al></li><li nr="6."><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de
                                commissiegriffier.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Tussentijdse informatie aan de raad</titel></kop><al>De voorzitter van de onderzoekscommissie informeert de raad maandelijks over
                        de voortgang van het onderzoek op de wijze, neergelegd in de in artikel 2,
                        derde lid bedoelde nadere uitwerking van de onderzoeksopdracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Rapportage aan de raad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De onderzoekscommissie stelt betrokkenen in de gelegenheid om binnen
                                een door haar te stellen termijn, die tenminste twee weken bedraagt,
                                hun zienswijze op het concept onderzoeksrapport aan de
                                onderzoekscommissie kenbaar te maken. Betrokkenen zijn in elk geval
                                degenen wier taakuitvoering (mede) voorwerp van onderzoek is of is
                                geweest. De onderzoekscommissie bepaalt wie verder als betrokkenen
                                worden aangemerkt.</al></li><li nr="2."><al>Na vaststelling door de onderzoekscommissie worden het
                                onderzoeksrapport, de conclusies en aanbevelingen, de verslagen van
                                de openbare hoorzittingen en de zienswijze van betrokkenen op het
                                rapport zo spoedig mogelijk, onder toezending van een afschrift aan
                                het college van burgemeester en wethouders, aan de raad
                                aangeboden.</al></li><li nr="3."><al>Het rapport wordt besproken in de raad op een door de raad te
                                bepalen tijdstip.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Schadeloosstelling</titel></kop><al>De getuigen en deskundigen ontvangen op hun daartoe strekkend verzoek
                        schadeloosstelling, door de onderzoekscommissie op vertoon van de
                        schriftelijke oproeping te begroten overeenkomstig het bepaalde omtrent
                        getuigen en deskundigen krachtens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20tarieven%20in%20burgerlijke%20zaken/article=57%20">artikel 57 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken</extref>.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Kosten onderzoek</titel></kop><al>De raad stelt een raming vast van de kosten die naar zijn oordeel voor een
                        bepaald onderzoek vereist zijn. Deze kosten worden geboekt ten laste van de
                        post onvoorzien.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25 Archivering onderzoeksbescheiden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Na beëindiging van het onderzoek van een door hem ingestelde
                                commissie besluit de raad, dat de processen-verbaal en de overige
                                bescheiden van het onderzoek worden vernietigd, dan wel gedurende
                                een door hem te bepalen periode worden bewaard in het
                                gemeentearchief.</al></li><li nr="2."><al>Bescheiden en aantekeningen, die ingevolge een besluit van de
                                onderzoekscommissie geheim dienen te worden gehouden, maken geen
                                deel uit van dit archief.</al></li><li nr="3."><al>De onderzoekscommissie bepaalt waar de in het tweede lid bedoelde
                                bescheiden worden bewaard en gedurende welke periode zij geheim
                                zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Informatieverstrekking aan de pers</titel></kop><al>De onderzoekscommissie verstrekt alle door de pers gevraagde informatie,
                        tenzij deze informatie op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbaarheid%20van%20bestuur/article=10%20">artikelen 10</extref>en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbaarheid%20van%20bestuur%20/article=11%20">11 van de Wet openbaarheid van bestuur</extref>kan of moet worden
                        achtergehouden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Evaluatie van onderzoek en verordening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verloop van het onderzoek wordt na afsluiting geëvalueerd.</al></li><li nr="2."><al>De toepassing van deze verordening wordt na afsluiting van elk
                                onderzoek geëvalueerd en zonodig aangepast door de raad.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 februari 2005.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op het onderzoeksrecht
                        van de raad.</al></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting op de Verordening op het onderzoeksrecht van
                        de raad</titel></kop><al>Het onderzoeksrecht van de raad is een exclusief recht van de raad dat ingevolge
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=156">artikel 156, tweede lid, van de Gemeentewet</extref> niet overdraagbaar
                    is.</al><al><vet>Artikel 1 Instellen van onderzoek</vet></al><al>Met betrekking tot een in te dienen voorstel tot het houden van een onderzoek is
                    het bepaalde omtrent het initiatiefvoorstel in artikel 36 van het Reglement van
                    orde voor de gemeenteraad van toepassing.</al><al>Een raadsonderzoek richt zich op een specifiek onderwerp van lokaal belang met
                    als doel het vergaren van informatie en het verkrijgen van kennis en inzicht.
                    Het onderzoek is het ultieme controlemiddel en wordt pas ingezet als is komen
                    vast te staan dat andere controlemiddelen van de raad (vragenrecht, recht van
                    interpellatie, inlichtingenplicht college, gedragscodes, uitvoering
                    rekenkamerfunctie, controle in het kader van begroting en jaarstukken,
                    financiële en controleverordeningen) niet toereikend zijn om de benodigde
                    informatie boven tafel te krijgen. Vertaling van de omschrijving van het
                    onderwerp van onderzoek in een onderzoeksvraag, eventueel met specifieke
                    deelvragen, is noodzakelijk. Ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=155a">artikel 155a, tweede lid Gemeentewet</extref> kan de raad de omschrijving
                    hangende het onderzoek wijzigen.</al><al>Een onderzoek is gericht op het door het college of de burgemeester gevoerde
                    bestuur. Het handelen van derden kan niet worden onderzocht, maar kan wel ter
                    sprake komen, doch kan alleen in directe relatie tot het handelen van het
                    college of de burgemeester worden gerapporteerd. Het spreekt vanzelf dat hierbij
                    zorgvuldigheid geboden is (denk aan schadeclaims e.d. bij onjuiste
                    uitlatingen).</al><al>Gebruikmaking van het onderzoeksrecht van de raad brengt een mogelijke spanning
                    met zich mee tussen actualiteit en gewenste zorgvuldigheid.</al><al><vet>Artikel 2 Onderzoekscommissie</vet></al><al>Om een stevige onderzoekscommissie te kunnen neerzetten is gekozen is voor een
                    bezetting met minimaal vijf en maximaal zeven raadsleden. De onderzoekscommissie
                    mag haar wettelijke bevoegdheden alleen uitoefenen indien tenminste drie van
                    haar leden aanwezig zijn (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=155a">artikel 155a, 5e lid Gemeentewet</extref>). Dit geldt echter niet voor
                    bevoegdheden die niet in de wet zijn geregeld. Zo zouden bijvoorbeeld twee leden
                    van de onderzoekscommissie samen een verhoor kunnen voorbereiden met een
                    (potentiële) getuige.</al><al>Aan het einde van een raadsperiode en het aftreden van de raad wordt het
                    onderzoek in beginsel voortgezet door dezelfde leden van de onderzoekscommissie
                    als bij de instelling, mits dezen uiteraard ook in de nieuwe raad zijn herkozen.
                    De nieuwe raad kan besluiten om het onderzoek tussentijds te stoppen of
                    wijziging aan te brengen in de samenstelling van de onderzoekscommissie of
                    onderzoeksvraag. Alleen in het geval dat de gehele raad aftreedt en een geheel
                    nieuwe raad aantreedt dient een geheel nieuwe onderzoekscommissie benoemd te
                    worden.</al><al>De onderzoekscommissie is een bestuursorgaan in de zin van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbaarheid%20van%20bestuur">Wet openbaarheid van bestuur</extref>.</al><al><vet>Artikel 3 Bekendmaking besluiten</vet></al><al>Bekendmaking van besluiten vindt haar basis in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=139">artikelen 139</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=140">140</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=141%20">Gemeentewet</extref>.</al><al><vet>Artikel 6 Beraadslagingen</vet></al><al>Beraadslaging vindt plaats achter gesloten deuren omdat de inhoud zich mogelijk
                    niet voor openbaarheid leent. Het kan dan bijvoorbeeld gaan over
                    ondervragingsmethoden, het vrij kunnen spreken over personen en hetgeen door hen
                    naar voren is gebracht.</al><al><vet>Artikel 7 Ambtelijke ondersteuning en bijstand</vet></al><al>Het is niet ondenkbaar dat de griffie onvoldoende is toegerust om de
                    onderzoekscommissie bij te staan, gelet op het feit dat het bij
                    onderzoeksondersteuning om intensieve piekbelasting gaat. Bij onvoldoende
                    menskracht binnen de griffie wordt een beroep gedaan op ondersteuning vanuit de
                    ambtelijke organisatie.</al><al>Voor gemeenteambtenaren geldt de plicht (zie ook artikel 8, eerste en derde lid)
                    medewerking te verlenen waar het gaat om zaken als bijvoorbeeld het opstellen
                    van een overzicht van betrokken personen, een inventarisatie van de relevante
                    wet- en regelgeving of een beschrijving van het verloop van een
                    besluitvormingsprocedure. Het is uiteraard niet verstandig als ambtelijke
                    ondersteuning wordt geleverd door ambtenaren die als getuige of deskundige
                    worden opgeroepen. In algemene zin dient te worden vermeden dat ambtenaren, die
                    dicht op de zaak hebben gezeten, worden ingeschakeld voor het raadsonderzoek.
                    Voorstelbaar is dat de raad helemaal geen beroep doet op het ambtelijk apparaat,
                    maar met het oog op de objectiviteit en onafhankelijkheid uitsluitend tijdelijke
                    krachten van buiten inhuurt.</al><al><vet>Artikel 8 Verplichte medewerking aan onderzoek (artikel 155b
                        Gemeentewet)</vet></al><al>Onder deze kring van personen worden ook politie-ambtenaren gerekend, die onder
                    het gezag van de burgemeester vallen. Een politieambtenaar die in verband met de
                    handhaving van de openbare orde onder het gezag van de burgemeester valt, moet
                    als ondergeschikt aan het gemeentebestuur worden aangemerkt (op basis van
                    jurisprudentie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State).</al><al>Het uitbreiden van de wettelijke kring van personen die aan een onderzoek
                    medewerking moeten verlenen via voorwaarden in contracten of bij vergunningen of
                    subsidies is onverenigbaar met de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">Gemeentewet</extref>.</al><al><vet>Artikel 10 Verplichtingen getuigen en deskundigen</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Een deskundige kan niet onder ede worden gehoord, een getuige echter
                            wel.</al></li><li nr="De"><al>getuige die onder ede wordt verhoord en niet de waarheid spreekt kan
                            strafrechtelijk worden vervolgd wegens het plegen van meineed. De
                            onderzoekscommissie kan zelf bepalen wanneer een verhoor onder ede
                            gewenst is, doch mag hierbij geen onderscheid maken tussen de
                            verschillende getuigen.</al></li><li nr="-"><al>Anderen dan de in artikel 8, eerste lid genoemde personen kunnen
                            weliswaar worden gevraagd om als getuigen op te treden, doch medewerking
                            geschiedt dan geheel vrijwillig.</al></li><li nr="-"><al>Het verschil verplichte/niet verplichte getuige is bij de verdere
                            invulling niet meer relevant. Op het moment dat iemand (al dan niet
                            vrijwillig) getuige is gelden alle verplichtingen.</al></li><li nr="De"><al>mogelijkheid van inschakeling van derden als getuigen zal meer theorie
                            dan praktijk zijn, aangezien artikel 9 de mogelijkheid geeft tot het
                            vergaren van benodigde informatie onder derden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 12 Oproeping getuigen en deskundigen</vet></al><al><vet>Artikel 13 Niet verschijnen getuigen en deskundigen</vet></al><al>Het besluit van de onderzoekscommissie om de politie in te schakelen is een
                    besluit in de zin van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>. De mogelijkheid om tegen dit besluit
                    bezwaar te maken bij de onderzoekscommissie is echter in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20">Gemeentewet</extref> expliciet uitgesloten. Wel kan men in beroep bij de
                    bestuursrechter.</al><al><vet>Artikel 14 Weigering getuige of deskundige</vet></al><al>In tegenstelling tot het bepaalde in artikel 13 kan de onderzoekscommissie niet
                    de politie inschakelen bij het ter zitting weigeren te antwoorden door getuigen
                    of deskundigen.</al><al>Wel is het zo, dat het niet voldoen aan een wettelijke verplichting om als
                    getuige te verschijnen of te getuigen strafbaar is op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=192%20">artikel 192 van het Wetboek van Strafrecht</extref>. De onderzoekscommissie
                    zou dus, zo zij daartoe een noodzaak ziet, het Openbaar Ministerie kunnen
                    inschakelen.</al><al><vet>Artikel 15 Verschoningsrecht</vet></al><al>Als de onderzoekscommissie twijfelt aan de gegrondheid van het inroepen van een
                    van de genoemde verschoningsgronden kan zij het Openbaar Ministerie verzoeken
                    een strafvervolging op basis van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht%20/article=192%20">artikel 192 Wetboek van Strafrecht</extref> in te stellen.</al><al><vet>Artikel 17 Strijd met openbaar belang</vet></al><al>Alleen personen die belast (geweest) zijn met een bestuurstaak waarvoor zij door
                    de raad ter verantwoording kunnen worden geroepen en hun (ex-)ondergeschikten,
                    kunnen bij (aantoonbare) zwaarwegende omstandigheden een beroep doen op het
                    openbaar belang.</al><al>(Ex-)raadsleden en (ex-) medewerkers van de griffie kunnen zich bij een
                    raadsonderzoek niet hierop beroepen.</al><al><vet>Artikel 22 Rapportage aan de raad</vet></al><al>Een onderzoek is gericht op het door het college of de burgemeester gevoerde
                    bestuur.</al><al>Het handelen van derden kan niet worden onderzocht, maar kan wel ter sprake
                    komen, doch kan alleen in directe relatie tot het handelen van het college of de
                    burgemeester worden gerapporteerd. Het spreekt vanzelf dat hierbij
                    zorgvuldigheid geboden is (denk aan schadeclaims e.d. bij onjuiste
                    uitlatingen).</al><al>De wijze van debatteren in de raad wordt door de raad bepaald. De raad kan
                    kiezen voor bijvoorbeeld een eerste debat in afwezigheid van de wethouders of
                    voor een eerste schriftelijke reactie door het college of de burgemeester.</al><al>Van belang is dat er voldoende tijd wordt ingeruimd tussen de verschijning van
                    het rapport en het raadsdebat, om de raadsleden voldoende tijd te geven de
                    materie te bestuderen.</al><al><vet>Artikel 23 Schadeloosstelling</vet></al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20tarieven%20in%20burgerlijke%20zaken%20/article=57%20">Artikel 57 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken</extref> bepaalt dat
                    getuigen en deskundigen recht hebben op vergoeding van werkzaamheden,
                    tijdverzuim en daarmee verband houdende noodzakelijke kosten, en reis- en
                    verblijfkosten.</al><al><vet>Artikel 24 Kosten onderzoek</vet></al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=155f%20">Artikel 155f Gemeentewet</extref> schrijft expliciet voor dat de kosten
                    voor onderzoek in een bepaald jaar door het college in de ontwerpbegroting
                    worden opgenomen. Het is tevoren niet te zeggen of en wanneer er een onderzoek
                    in het verschiet ligt.</al><al><vet>Artikel 25 Evaluatie van onderzoek en verordening</vet></al><al>De ervaringen die worden opgedaan tijdens een raadsonderzoek kunnen ertoe leiden
                    de verordening aan te passen. Een goede op de ervaring afgestemde verordening
                    komt de effectiviteit van een raadsonderzoek ten goede.</al><al><vet>Artikel 26 Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening bevat geen algemeen verbindende voorschriften. De verplichting
                    voor bepaalde categorieën personen om medewerking te verlenen aan een
                    raadsonderzoek vloeit immers niet voort uit de verordening, maar rechtstreeks
                    uit de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">Gemeentewet</extref>. De verordening kan daarom op een door de raad te
                    bepalen datum in werking treden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>