<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR57032_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Dwangsom bij niet tijdig beslissen 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">E3-journaal</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Dwangsom bij niet tijdig beslissen 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">Gemeentewet, art. 147 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=149">Gemeentewet, art. 149 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-06-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Dwangsom bij niet tijdig beslissen 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=gemeentewet/article=147">artikel 147</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=149">149 van de Gemeentewet</extref>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bestuursorgaan: de raad, het college van burgemeester en
                                    wethouders of de burgemeester van de gemeente Venlo;</al></li><li nr="b."><al>beschikking op aanvraag: een beschikking op een aanvraag als
                                    bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Algemene wet bestuursrecht</extref> met inbegrip van een
                                    beslissing op bezwaar;</al></li><li nr="c."><al>tijdig: het geven van een beschikking op aanvraag binnen de
                                    termijn die daarvoor geldt op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref> of een ander wettelijk
                                    voorschrift met inachtneming van de toepasselijke
                                    uitzonderings-, verdagings- en verschoningsgronden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Toepassingsbereik</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op alle aanvragen om een beschikking
                            die binnen de eventueel daartoe gestelde termijn bij de gemeente Venlo
                            worden ontvangen en waarop een bestuursorgaan van de gemeente Venlo
                            bevoegd is om te beslissen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Dwangsom bij niet tijdig beslissen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 Verschuldigdheid van de dwangsom</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven,
                                    verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor
                                    elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.
                                    De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20termijnenwet">Algemene termijnenwet</extref> is op laatstgenoemde termijn
                                    niet van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De dwangsom bedraagt de eerste 14 dagen € 20,00 per dag, de
                                    daaropvolgende 14 dagen € 30,00 per dag en de overige dagen €
                                    40,00 per dag.</al></li><li nr="3."><al>De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag
                                    waarop 2 weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor
                                    het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan
                                    van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft
                                    ontvangen.</al></li><li nr="4."><al>Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de
                                    dwangsom niet op.</al></li><li nr="5."><al>Geen dwangsom is verschuldigd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is
                                            gesteld,</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager geen belanghebbende is,</al></li><li nr="c."><al>de aanvraag kennelijk niet ontvankelijk of kennelijk
                                            niet gegrond is,</al></li><li nr="d."><al>de aanvrager schriftelijk met uitstel van de
                                            beslistermijn heeft ingestemd, of</al></li><li nr="e."><al>het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een
                                            beschikking te geven.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder
                                    van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Vaststellen en betalen van de dwangsom</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de
                                    dwangsom bij beschikking vast binnen 2 weken na de laatste dag
                                    waarover de dwangsom verschuldigd was.</al></li><li nr="2."><al>De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op
                                    de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Kortsluiting</titel></kop><al>Het bezwaar tegen de beschikking op de aanvraag heeft mede betrekking op
                            een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom,
                            voorzover de belanghebbende deze beschikking betwist.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Verrekening en verjaring van de dwangsom</titel></kop><al>Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde dwangsommen terugvorderen
                            voor zover na de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 4, eerste
                            lid, is vastgesteld, nog geen 5 jaren zijn verstreken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Overgangsrecht</titel></kop><al>Deze verordening is niet van toepassing op het niet tijdig beslissen op
                            een aanvraag of bezwaarschrift, ingediend voor het tijdstip waarop deze
                            verordening in werking is getreden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Evaluatie</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor een jaarlijkse evaluatie van deze
                            verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Aanvullende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De "Verordening Dwangsom bij niet tijdig beslissen 2007",
                                    vastgesteld bij raadsbesluit van 27 juni 2007, treedt in werking
                                    op 1 januari 2008.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening Dwangsom bij
                                    niet tijdig beslissen 2007".</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al>Het komt voor dat bestuursorganen er niet in slagen om binnen de wettelijke
                        beslistermijnen een beslissing te nemen op aanvraag of op een ingediend
                        bezwaarschrift. Deze verordening wil klanten een effectiever rechtsmiddel
                        geven tegen te trage besluitvorming door het bestuur. De verordening beoogt
                        een financiële prikkel te geven aan de bestuursorganen om binnen de daartoe
                        gestelde wettelijke termijnen een besluit te nemen.</al><al>Kort samengevat betekent dit het volgende. Indien een bestuursorgaan niet
                        binnen de in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref> of een ander wettelijk voorschrift
                        gestelde termijn (een en ander met inachtneming van de uitzonderings-,
                        verdagings- en verschoningsgronden) een beschikking geeft op een aanvraag,
                        heeft het bestuursorgaan niet tijdig een besluit genomen. De klant kan het
                        bestuursorgaan dan binnen een redelijke termijn een ingebrekestelling
                        sturen, waarna het bestuursorgaan een termijn van 2 weken heeft om alsnog
                        een besluit te nemen. Doet het dit niet, dan verbeurt het vanaf de dag nadat
                        de termijn van 2 weken verstreken is een dwangsom aan de klant. Deze
                        dwangsom kan via een glijdende schaal oplopen tot maximaal € 1.260. Naast
                        deze regeling blijft voor de klant de mogelijkheid openstaan om bezwaar of
                        beroep in te dienen vanaf het moment dat het bestuursorgaan verzuimd heeft
                        tijdig een besluit te nemen. Het bestuursorgaan bepaalt zelf of het een
                        dwangsom verschuldigd is en wat de hoogte van de dwangsom is. In de
                        verordening zijn een aantal uitzonderingen opgenomen waarin geen dwangsom
                        verschuldigd is.</al><al>Daarnaast krijgt de gemeenteraad met dit initiatiefvoorstel bestuurlijke
                        informatie over de kwaliteit en efficiëntie van dienstverlening van de
                        gemeentelijke organisatie op basis waarvan de raad kan bijsturen.</al><al>De Verordening Dwangsom bij niet tijdig beslissen is geïnspireerd door het
                        wetsvoorstel van de leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal Wolfsen
                        (PvdA) en Luchtenveld (VVD) tot aanvulling van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Algemene wet bestuursrecht</extref> met de mogelijkheid van een
                        dwangsom bij niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan (Wet dwangsom bij
                        niet tijdig beslissen [29934]).</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>Dit artikel bevat een aantal definities. Daardoor geldt deze verordening op
                        het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag als bedoeld in de
                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>, met inbegrip van een beslissing op
                        bezwaar, voor een bestuursorgaan van de gemeente Venlo. Het niet tijdig
                        geven van een beschikking op aanvraag is het niet geven van een beschikking
                        binnen de termijn die daarvoor geldt op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Algemene wet bestuursrecht</extref> of een ander wettelijk voorschrift,
                        een en ander met inachtneming van de uitzonderings-, verdagings- en
                        verschoningsgronden die op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref> of enig ander wettelijk voorschrift
                        in de omstandigheden van het geval van toepassing zijn.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>Dit artikel regelt dat de verordening van toepassing is op alle aanvragen om
                        een beschikking waarop een bestuursorgaan van de gemeente Venlo moet
                        beslissen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al>Dit artikel bevat de kern van de dwangsomregeling. Het regelt de
                        verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom. De regeling is, mede gelet op
                        de definitiebepalingen, van toepassing op beschikkingen op aanvraag en op
                        beslissingen op bezwaar die een beschikking zijn. De toepasselijkheid op
                        beschikkingen op aanvraag is in dit artikel geregeld. De toepasselijkheid op
                        beslissingen op bezwaar vloeit voort uit de definitiebepaling. Wat betreft
                        de primaire beschikkingen gaat het om een scala aan beschikkingen, waarbij
                        gedacht kan worden aan milieuvergunningen en -ontheffingen (o.a. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Milieubeheer">Wet Milieubeheer</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20bodembescherming">Wet bodembescherming</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inzake%20de%20luchtverontreiniging">Wet inzake de luchtverontreiniging</extref>), bouwvergunningen (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet">Woningwet</extref>) en subsidieaanvragen.</al></divisie><divisie><kop><titel>• Eerste en tweede lid</titel></kop><al>Een bestuursorgaan is in gebreke zodra het een beschikking op aanvraag ‘niet
                        tijdig’ geeft. Op welk moment dit het geval is, kan worden afgeleid uit de
                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A13">artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Algemene wet
                            bestuursrecht.</extref><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A13">Artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</extref>
                        bepaalt dat een beschikking gegeven moet worden binnen de bij wettelijk
                        voorschrift bepaalde termijn of, als er geen wettelijke termijn is, binnen
                        een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. In de gevallen waarin
                        een wettelijke termijn geldt, is de situatie in beginsel duidelijk: er is
                        dan niet tijdig beslist in wanneer het bestuursorgaan de in het betreffende
                        wettelijk voorschrift genoemde termijn heeft overschreden. Geeft het
                        wettelijk voorschrift een mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn,
                        dan zal daarvan binnen de oorspronkelijke beslistermijn gebruik moeten
                        worden gemaakt. Indien het bestuursorgaan pas van zijn mogelijkheid tot
                        verlening gebruik maakt nadat de oorspronkelijke beslistermijn is
                        verstreken, dan is de beslistermijn niet verlengd en kan de klant via een
                        ingebrekestelling aanspraak maken op een dwangsom.</al><al>In dit verband is nog van belang dat <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A14">artikel 4:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</extref>
                        uitdrukkelijk niet beoogt om (extra) verlenging van de beslistermijn
                        mogelijk te maken. Deze bepaling verplicht het bestuursorgaan uitsluitend om
                        de aanvrager te informeren indien een beschikking niet binnen de wettelijke
                        termijn kan worden gegeven en hem daarbij ook te informeren over het
                        tijdstip waarop de beschikking wel genomen zal worden. Het gaat hier dus
                        niet om verlenging, maar juist om een uitdrukkelijke erkenning door het
                        bestuursorgaan dat het in gebreke is. Voor de aanvrager is dit onder andere
                        van belang in verband met de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Ook de
                        toepassing van de dwangsomregeling zal door deze mededelingsplicht
                        vereenvoudigd worden.</al><al>Een bijzondere variant van de wettelijke termijn is het geval waarin de
                        betrokken wet bepaalt dat een aanvraag bij overschrijding van de in de wet
                        gestelde termijn van rechtswege is gehonoreerd of geweigerd (zie
                        bijvoorbeeld <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=46">artikel 46, vierde lid, Woningwet</extref> voor de bouwvergunning). In
                        zo’n geval komt het per definitie niet voor dat een bestuursorgaan te laat
                        beslist. Er is in die gevallen (van rechtswege) immers een beschikking
                        uiterlijk op het tijdstip dat de beslistermijn afloopt. Daarna is het
                        bestuursorgaan ook niet meer tot beslissen bevoegd. De mededelingsplicht van
                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A14">artikel 4:14, eerste lid</extref>, geldt in dit geval ook niet (zie
                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A14">artikel 4:14, tweede lid</extref>).</al><al>Wanneer er geen wettelijke termijn geldt, dient het bestuursorgaan te
                        beslissen binnen de redelijke termijn van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A13">artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</extref>.
                        De lengte van die termijn kan zeer variëren afhankelijk van vooral de
                        complexiteit van de besluitvorming en het belang dat de aanvrager heeft bij
                        een snelle beslissing. Voor de toepassing van de dwangsomregeling hoeft dit
                        een minder groot bezwaar te zijn dan dit op het eerste gezicht lijkt. In de
                        praktijk zal de aanvrager namelijk houvast hebben aan de voorschriften van
                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A13">artikel 4:13, tweede lid, en 4:14, derde lid, van de Algemene wet
                            bestuursrecht.</extref> Daaruit volgt als hoofdregel dat het
                        bestuursorgaan de aanvrager dient te informeren over de redelijke termijn
                        die zal worden gehanteerd. Dit informeren moet binnen 8 weken na ontvangst
                        van de aanvraag gebeuren en mag alleen achterwege blijven als binnen die
                        acht weken de beschikking zelf al genomen wordt. Een ingebrekestelling
                        wegens niet tijdig beslissen zal bij het ontbreken van een wettelijke
                        termijn dus in elk geval mogelijk zijn zodra de door het bestuur meegedeelde
                        redelijke termijn is verstreken of - als het bestuur geen mededeling doet -
                        zodra acht weken zijn verstreken na ontvangst van de aanvraag door het
                        bestuursorgaan. Naast of in plaats van een ingebrekestelling blijft ook
                        bezwaar en beroep wegens niet tijdig beslissen mogelijk (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A2">artikel 6:2, onderdeel b van de Algemene wet bestuursrecht</extref>).
                        Dat kan met name zinvol zijn indien er onenigheid bestaat over de
                        redelijkheid van de door het bestuur gehanteerde termijn. Zie over de
                        samenloop van dwangsom en bezwaar ook het vierde lid van artikel 3 en de
                        toelichting daarop.</al><al>Als de vertraging veroorzaakt wordt doordat de aanvrager een aanvraag heeft
                        ingediend die onvolledig is of die zonder vertaling of samenvatting niet
                        beoordeeld kan worden, moet het bestuursorgaan de aanvrager in de
                        gelegenheid stellen de aanvraag aan te vullen. Ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=4%3A15">artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> kan het
                        bestuursorgaan alsdan de beslistermijn opschorten met ingang van de dag
                        waarop het bestuursorgaan om aanvulling van de aanvraag heeft verzocht, tot
                        de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de voor aanvulling gestelde
                        termijn ongebruikt is verstreken. Opschorting van de beslistermijn kan in
                        sommige gevallen ook uit andere wettelijke bepalingen voortvloeien. Zo
                        worden wettelijke termijnen krachtens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20bevordering%20integriteitsbeoordelingen%20door%20het%20openbaar%20bestuur/article=31">artikel 31 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen</extref>
                        door het openbaar bestuur (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20bevordering%20integriteitsbeoordelingen%20door%20het%20openbaar%20bestuur">Wet Bibob</extref>) opgeschort indien een bestuursorgaan zich gehouden
                        voelt een zogenaamd Bibob-advies te vragen teneinde de betrouwbaarheid van
                        de aanvrager vast te stellen.</al><al>Wanneer de bestuursrechter een eerder besluit van het bestuursorgaan heeft
                        vernietigd en het bestuursorgaan een nieuw besluit moet nemen, gelden
                        daarvoor dezelfde termijnen als voor het oorspronkelijke besluit (zie
                        bijvoorbeeld Vz CBB 30 januari 2004, JB 2004/138), tenzij de rechter in zijn
                        uitspraak een termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit. In
                        het laatste geval is de door de rechter gestelde termijn uiteraard
                        maatgevend voor de beoordeling van de tijdigheid van het nieuwe
                        besluit.</al><al>De regeling ziet door de definitiebepaling ook op beslissingen op
                        bezwaarschriften tegen beschikkingen. Daarbij is het dus niet van belang of
                        die - primaire - beschikkingen al of niet op aanvraag zijn gegeven. Het
                        bezwaarschrift is immers zelf een aanvraag in de zin van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref> (Parl. Gesch. Awb I, blz. 282).
                        Voor de toepassing van de dwangsomregeling bij beslissing op bezwaar geldt
                        daarom hetzelfde als hetgeen wordt opgemerkt over de toepassing bij
                        beschikkingen op aanvraag. De regeling van de beslistermijn voor de
                        beslissing op bezwaar in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=7%3A10">artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> verdient hier
                        nog aparte vermelding. Daarin is de mogelijkheid opgenomen om met instemming
                        van de indiener van het bezwaarschrift de beslissing op het bezwaar verder
                        uit te stellen dan de eenmalige verdagingsmogelijkheid die het artikel al
                        biedt (zie het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=7%3A10">derde en vierde lid van artikel 7:10 van de Algemene wet
                            bestuursrecht</extref>). Die instemming moet dan wel gevraagd worden
                        binnen de reguliere beslistermijn of de termijn waarmee (tijdig) is
                        verdaagd. De instemming hoeft niet in alle gevallen ook uitdrukkelijk te
                        zijn verleend. De rechtspraak pleegt uit de omstandigheden van het geval af
                        te leiden of het bestuursorgaan ervan mocht uitgaan dat de instemming
                        aanwezig was (recent bijvoorbeeld ABRvS 26 mei 2004, LJN AP0019). Dit kan
                        soms ook uit de ‘proceshouding’ van de bezwaarmaker worden afgeleid (zoals
                        in Vz CBB 28 december 1998, LJN AA3411). Heeft de indiener van het
                        bezwaarschrift met verder uitstel ingestemd, dan kan hij het bestuursorgaan
                        tijdens de uitstelperiode niet ineens en zonder bijzondere aanleiding toch
                        voor de rechter dagen wegens niet tijdig beslissen (zie bijvoorbeeld CRvB 3
                        januari 2001, JB 2001/52). Hetzelfde zal opgaan voor een ingebrekestelling
                        ter inleiding van een dwangsom.</al><al>Om aanspraak te kunnen maken op een dwangsom, moet de aanvrager het
                        bestuursorgaan schriftelijk in gebreke stellen. Daarbij dient hij het
                        bestuursorgaan nog enige tijd te gunnen om alsnog te beslissen, anders heeft
                        de ingebrekestelling immers geen zin. Ter wille van de duidelijkheid is deze
                        termijn in het tweede lid gefixeerd op 2 weken. De termijn van 2 weken vangt
                        aan op de dag na die waarop de ingebrekestelling door het bestuursorgaan is
                        ontvangen. Indien het bestuursorgaan bijvoorbeeld op maandag 2 augustus een
                        ingebrekestelling ontvangt, is de eerste dag van de termijn dinsdag 3
                        augustus. De laatste dag van de termijn is dan maandag 16 augustus, zodat op
                        dinsdag 17 augustus voor de eerste keer de dwangsom wordt verbeurd, indien
                        nog steeds geen besluit is genomen. De ingebrekestelling moet schriftelijk
                        gebeuren.</al><al>Het is gebruikelijk om dwangsommen te limiteren. Zo ook hier. Het maximaal
                        verschuldigde bedrag is gesteld op € 1.260 wat overeenkomt met 42 dagen na
                        afloop van de ingebrekestellingstermijn. Met de glijdende schaal zal het
                        bestuursorgaan geprikkeld worden om tijdig of, althans met een zo kort
                        mogelijke termijnoverschrijding beslissingen te nemen. Indien het
                        bestuursorgaan binnen die 42 dagen op de aanvraag beslist, is de dag waarop
                        de beschikking aan de aanvrager is verzonden, de laatste dag waarover nog
                        betaald moet worden. Bij het berekenen van de dwangsom wordt geen
                        onderscheid gemaakt tussen werkdagen en weekenddagen en feestdagen, ook niet
                        aan het einde van de gestelde periode. Daarom is de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20Termijnenwet">Algemene Termijnenwet</extref> niet van toepassing op de termijn van 42
                        dagen, want deze wet geldt niet voor termijnen, bepaald door terugrekening
                        vanaf een tijdstip of een gebeurtenis. De ‘eerste 14 dagen’ zijn de eerste
                        14 dagen waarop de dwangsom verschuldigd is. Dat betekent dat deze periode
                        van 14 dagen ingaat op het tijdstip genoemd in het tweede lid van artikel
                        3.</al><al>Aan de inhoud van de ingebrekestelling zijn geen bijzondere eisen gesteld.
                        Het spreekt echter voor zich dat van een ingebrekestelling in de zin van
                        deze verordening slechts sprake kan zijn, indien voldoende duidelijk is op
                        welk te nemen besluit zij betrekking heeft. Als de aanvrager wegens het niet
                        tijdig beslissen bezwaar instelt (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A2">artikel 6:2, onderdeel b van de Algemene wet bestuursrecht</extref>) of
                        daarover een schriftelijke klacht indient bij het bestuursorgaan (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=9%3A4">artikel 9:4 van de Algemene wet bestuursrecht</extref>), is daar mee
                        tevens voldaan aan het vereiste van schriftelijke ingebrekestelling. Een
                        bestuursorgaan dat de wettelijke termijn voor het geven van een beschikking
                        op aanvraag overschrijdt, is zelf verplicht de aanvrager daarop te wijzen en
                        daarbij een zo kort mogelijke termijn te noemen waarbinnen de beschikking
                        alsnog zal worden gegeven (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A14">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:14</extref>). Naar aanleiding van
                        deze informatie kan de aanvrager beslissen of hij het bestuursorgaan al dan
                        niet in gebreke zal stellen.</al></divisie><divisie><kop><titel>• Derde lid</titel></kop><al>Zoals aangegeven dient de aanvrager, alvorens aanspraak te kunnen maken op
                        een dwangsom, het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke te stellen indien
                        deze niet tijdig heeft beslist. Hierna heeft het bestuursorgaan nog twee
                        weken de tijd om alsnog een beslissing te nemen op aanvraag. Het is daarom
                        niet mogelijk om bij het indienen van een aanvraag het bestuursorgaan al bij
                        voorbaat in gebreke te stellen voor het geval niet tijdig zal worden
                        beslist. Dan zou de ingebrekestelling immers haar functie verliezen om
                        alsnog het bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen alvorens hier
                        financiële gevolgen aan verbonden worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>• Vierde lid</titel></kop><al>Deze bepaling stelt buiten twijfel dat de dwangsom doorloopt indien de
                        aanvrager tevens bezwaar of beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig
                        beslissen. Weliswaar is het bestuursorgaan in de periode dat het bezwaar
                        aanhangig is, niet wettelijk verplicht een (primair) besluit op de aanvraag
                        te nemen (zie <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A20">artikel 6:20, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet
                            bestuursrecht),</extref> maar deze uitzondering is uitsluitend gemaakt
                        om het bestuursorgaan de keuze te bieden om de beslissing al of niet te
                        incorporeren in de beslissing op bezwaar, en niet om extra uitstel te
                        bewerkstelligen. De dwangsom eindigt uiteraard wel in het geval een
                        bestuursorgaan niet langer verplicht is om een primair besluit op de
                        aanvraag te nemen omdat de beslissing op de aanvraag reeds is vervat in de
                        beslissing op het ingestelde bezwaar (vgl. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A20">artikel 6:20, tweede lid, onderdeel b van de Algemene wet
                            bestuursrecht</extref>). Het komt wel voor dat een bestuursorgaan dat in
                        gebreke is tijdig een primaire beschikking te nemen op de aanvraag, opnieuw
                        in gebreke is bij het tijdig beslissen op een daartegen ingesteld bezwaar.
                        In dat geval kan het bestuursorgaan uit hoofde van deze regeling niet alleen
                        een dwangsom verschuldigd zijn wegens het uitblijven van de primaire
                        beschikking, maar daarnaast opnieuw wegens het niet tijdig beslissen op het
                        bezwaar. Voor dat laatste is dan wel opnieuw een ingebrekestelling
                        vereist.</al></divisie><divisie><kop><titel>• Vijfde lid</titel></kop><al>Het vijfde lid geeft een aantal uitzonderingen op de dwangsomregeling.</al><al>Ten eerste is geen dwangsom verschuldigd als het bestuursorgaan onredelijk
                        laat in gebreke is gesteld (onderdeel a). Een overeenkomstige bepaling is
                        opgenomen in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A12">artikel 6:12, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht</extref>
                        voor het bezwaar of beroep tegen niet tijdig beslissen. Wat onredelijk laat
                        is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder
                        meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is
                        ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld
                        tussen aanvrager en bestuursorgaan (Zie bijvoorbeeld CRvB 26 februari 2004,
                        LJN AO4639, en ABRvS 20 februari 2002, JB 2002/113).</al><al>Ook is geen dwangsom verschuldigd indien de aanvrager geen belanghebbende is
                        in de zin van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht (onderdeel b)</extref> of indien de aanvraag
                        (of het bezwaar) kennelijk niet-ontvankelijk is of kennelijk ongegrond
                        (onderdeel c). Wie huursubsidie aanvraagt terwijl hij in een koophuis woont,
                        ontvangt geen dwangsom als het bestuursorgaan daar te laat achter komt. Het
                        is immers niet de bedoeling dat de dwangsomregeling tot gevolg heeft dat het
                        lucratief wordt om maar zoveel mogelijk beschikkingen aan te vragen en
                        bezwaren in te dienen in de hoop dat er zo hier en daar wel een - met dit
                        soort aanvragen en bezwaren overladen - bestuursorgaan niet tijdig zal
                        kunnen beslissen. Deze bepaling strekt er vooral toe misbruik te
                        voorkomen.</al><al>In het wetsvoorstel Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt aan <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A15">artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht</extref> onder andere een
                        tweede lid toegevoegd, waarin een aantal gevallen worden opgesomd waarin het
                        bestuursorgaan de beslistermijn voor het geven van een beschikking op de
                        aanvraag mag opschorten. Deze gevallen worden in deze verordening genoemd
                        als gronden waardoor het bestuursorgaan geen dwangsom is verschuldigd bij
                        het overschrijden van de beslistermijn (onderdeel d en e).</al><al>Ingevolge onderdeel d van artikel 3 lid 5 van de verordening is geen
                        dwangsom verschuldigd, indien de aanvrager schriftelijk met uitstel akkoord
                        is gegaan. Deze uitzondering spreekt voor zich: wie zelf met een periode van
                        uitstel instemt, bijvoorbeeld opdat nader onderzoek kan worden gedaan, moet
                        vervolgens niet een ingebrekestelling kunnen sturen binnen die periode.</al><al>Tenslotte is geen dwangsom verschuldigd, indien het bestuursorgaan door
                        overmacht niet in staat is een beschikking te geven (onderdeel e). Doel van
                        de dwangsom is het onder druk zetten van het bestuursorgaan teneinde verdere
                        vertraging te voorkomen. Dit karakter van drukmiddel is inherent aan elke
                        dwangsom. Het gaat hier dus niet om een genoegdoening, al zal het door de
                        aanvrager wel mede zo gevoeld kunnen worden. Dit betekent ook dat een
                        dwangsom geen zin heeft als daarmee het doel ervan met geen mogelijkheid
                        bereikt kan worden doordat het bestuursorgaan zich in een overmachtsituatie
                        bevindt (vgl. maar dan voor de omgekeerde situatie: Voorzitter ABRvS 25
                        februari 1999, JM 1999/66). Dat van overmacht sprake is, zal overigens niet
                        snel mogen worden aangenomen. Het zal dan in elk geval moeten gaan om een
                        onmogelijkheid om te beslissen die veroorzaakt wordt door abnormale en
                        onvoorziene omstandigheden buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en ook
                        buiten zijn risicosfeer. Daarvan zal bijvoorbeeld wel sprake kunnen zijn
                        wanneer het gemeentehuis is afgebrand of onder water gelopen, maar uit de
                        jurisprudentie inzake termijnoverschrijdingen kan worden afgeleid dat
                        ziekteverzuim en administratieve of organisatorische problemen binnen de
                        invloedssfeer van het bestuursorgaan niet een beroep op overmacht
                        rechtvaardigen, ook niet als zij van structurele aard zijn (bijvoorbeeld Vz
                        CBB 28 april 1995, JB 1995/136, en Rechtbank Roermond 9 februari 1996, JB
                        1996/102), evenmin als het niet tijdig ter beschikking komen van informatie
                        van een ander bestuursorgaan (CBB 25 november 2003, LJN AO1044), het willen
                        afwachten van een rechterlijke beslissing in een andere zaak (ABRvS 5
                        november 2003, JB 2004/11), of een verzoek van de Europese Commissie (Vz CBB
                        30 januari 2004, JM 2004/87 en JB 2004/138).</al></divisie><divisie><kop><titel>• Zesde lid</titel></kop><al>In het zeldzame geval dat een aanvraag door meer dan één aanvrager is
                        ingediend, wordt de dwangsom niet evenzoveel keer uitgekeerd, doch evenredig
                        over de aanvragers verdeeld. Per aanvraag zal dus in elk geval nooit meer
                        dan eenmaal de maximale dwangsom van het eerste lid verschuldigd zijn. Voor
                        de goede orde: deze bepaling heeft dus niet betrekking op de situatie dat er
                        meerdere aanvragers zijn die elk - min of meer gelijktijdig - een eigen en
                        dus afzonderlijke aanvraag hebben ingediend, bijvoorbeeld een aanvraag om
                        een financiële bijdrage in het kader van subsidieverlening. In dat geval
                        moet immers op elke aanvraag afzonderlijk worden beschikt en geldt dus ook
                        dat degene die een aanvraag heeft gedaan afzonderlijk een ingebrekestelling
                        kan versturen, waarvoor elk van die beschikkingen afzonderlijk dat een
                        dwangsom verschuldigd kan zijn. Slechts indien er meerdere aanvragers samen
                        één aanvraag indienen zal er sprake zijn van het verdelen van de dwangsom.
                        Dit geldt ook als het gaat om bezwaarschriften.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><al>Het bestuursorgaan moet de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom
                        eigener beweging bij beschikking vaststellen (eerste lid). Wanneer het
                        bestuursorgaan alsnog een beschikking heeft genomen op de aanvraag of op het
                        bezwaar, zal het de hoogte van de dwangsom in veel gevallen tegelijk met die
                        beschikking kunnen vaststellen en bekend maken. Is dit niet mogelijk, dan
                        zal het dit in elk geval moeten doen binnen 2 weken na de dag waarop de
                        alsnog genomen beschikking aan de aanvrager is verzonden. Die dag is immers
                        de laatste dag waarover in dat geval de dwangsom verschuldigd is, tenzij al
                        eerder het maximumbedrag van € 1.000 werd bereikt. In dat laatste geval moet
                        de vaststellingsbeschikking genomen worden binnen 2 weken na de dag waarop
                        het maximum is bereikt. De termijn waarbinnen betaald moet worden is gesteld
                        op 6 weken (tweede lid). Deze bepaling is gelijkluidend aan artikel 4.4.1.3
                        uit het wetsvoorstel vierde tranche Awb (Kamerstukken II 2003-2004, 29 702,
                        nrs. 1-2). De lengte van de betalingstermijn is daarmee gelijk aan die voor
                        het instellen van bezwaar of beroep in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A7">artikel 6:7 Awb</extref>. Ook het tijdstip van ingang van de
                        betalingstermijn wordt in beginsel op dezelfde wijze bepaald als bij de
                        bezwaar- en beroepstermijn, doordat in aansluiting op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A8">artikel 6:8, eerste lid</extref>, de betalingstermijn gaat lopen nadat
                        de beschikking</al><al>op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De betaling moet binnen de
                        gestelde termijn geschieden. Bij overschrijving op een bank- of girorekening
                        betekent dit, overeenkomstig hetgeen ook in het privaatrecht geldt, dat
                        tijdig is betaald indien het verschuldigde bedrag binnen de termijn op de
                        rekening van de aanvrager is bijgeschreven. Indien de aanvrager het niet
                        eens is met de berekening van de hoogte van de dwangsom, kan hij daartegen
                        op de normale wijze bezwaar of beroep instellen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al>Dit artikel bewerkstelligt dat de aanvrager, in het geval hij bezwaar heeft
                        ingesteld tegen de beschikking op de aanvraag, zijn eventuele bezwaren tegen
                        de beschikking ter vaststelling van de hoogte van de dwangsom in die
                        procedure kan inbrengen. Hij hoeft daarvoor dan dus</al><al>niet een afzonderlijke procedure te starten. Deze bepaling dient de
                        proceseconomie.</al><al>Vergelijkbare bepalingen zijn in het wetsvoorstel voor de vierde tranche Awb
                        opgenomen voor gevallen van samenloop van met elkaar verband houdende
                        beschikkingen (zie de in dat wetsvoorstel voorgestelde artikelen 4.4.5.1,
                        5:31c en 5:39 en de daarop gegeven toelichting).</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><al>In dit artikel is met zoveel woorden bepaald dat het bestuursorgaan
                        onverschuldigd betaalde dwangsommen kan terugvorderen. Gevolg van deze
                        bepaling is dat terugvorderingsbesluiten die voortvloeien uit een eerder
                        besluit tot vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van een
                        dwangsom, vatbaar zijn voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter. Met
                        het oog op de rechtszekerheid bevat dit artikel een verjaringstermijn van
                        vijf jaar, die aanvangt de dag nadat de hoogte en verschuldigdheid van de
                        dwangsom bij beschikking zijn vastgesteld. Vergelijk <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A57">artikel 4:57 Awb</extref>, dat eenzelfde bepaling bevat voor
                        onverschuldigd betaalde subsidiebedragen.</al><al>In de praktijk zal deze situatie zich overigens niet snel voordoen, omdat
                        bij onenigheid tussen bestuursorgaan en belanghebbende over het algemeen en
                        uit de aard der zaak door het bestuursorgaan niet meer betaald zal worden
                        dan het bedrag dat het zelf meent verschuldigd te zijn. Het kan echter een
                        enkele keer voorkomen dat de bestuursrechter in eerste aanleg een dwangsom
                        verschuldigd acht of een hoger bedrag voor een verschuldigde dwangsom
                        bepaalt, waarna dit door de rechter in hoger beroep weer ongedaan wordt
                        gemaakt. In dat geval moet het teveel betaalde teruggevorderd kunnen
                        worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><al>Deze bepaling regelt het overgangsrecht. De verordening is alleen van
                        toepassing op het niet tijdig beslissen op een aanvraag om een subsidie of
                        een bezwaarschrift ingediend op of na de dag waarop deze verordening in
                        werking is getreden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><al>Gelet op artikel IIA lid 2 van het wetsvoorstel vervalt deze verordening van
                        rechtswege op het tijdstip waarop artikel 4:16 van het wetsvoorstel vervalt,
                        evenals de bevoegdheid tot het maken van zulke verordeningenten aanzien van
                        dit onderwerp</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>