<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR56827_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Winterswijkse Weekkrant, 26-10-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Winterswijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, art. 100</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-06-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010, nr. IX-9 sub b</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>2010, nr. IX-9 sub b</al><al/><al>De raad van de gemeente Winterswijk;</al><al/><al>gezien het advies van commissie Burger en Samenleving;</al><al/><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al/><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de
                        Wet op de expertisecentra, artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en
                        het voortgezet onderwijs bij verordening te regelen;</al><al/><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders van 6 september 2010,
                        nr. IX-9 sub b;</al><al/><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de: </al><al/><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en
                                    Wetenschappen;</al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school,
                                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al>school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d."><al>- school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale
                                    school voor basisonderwijs als bedoeld in van de Wet op het
                                    primair onderwijs;</al></li><li nr=""><al>- school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor
                                    speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet
                                    speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                    expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet
                                    speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de
                                    expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs
                                    als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr=""><al>- school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap
                                    voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
                                    middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
                                    beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in
                                    artikel 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs.</al></li><li nr="e."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                                    ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra of
                                    artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor
                                    bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="f."><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                    bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="h."><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding
                                    van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding
                                    van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze
                                    verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="j."><al>aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="k."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in van deze verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk
                                    is;</al></li><li nr="l."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="m."><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp
                                    en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren
                                    als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="n."><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="o."><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening;</al></li><li nr="p."><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                    vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                    richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel
                                    95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op
                                    de expertisecentra, artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="q."><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al></li><li nr="r."><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet
                                    op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de
                                    expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="s."><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde
                                    staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van
                                    de Wet op het primair onderwijs, artikel 108, tweede lid van de
                                    Wet op de expertisecentra, artikel 76u, tweede lid van de Wet op
                                    het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="t."><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van
                                    de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</label></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                            dezelfde locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                            gebouw ten behoeve van de huisvesting van een
                                            school;</al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                            behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor de realisering van een
                                            onder a sub 1o tot en met 4o omschreven
                                            voorziening;</al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket voor zover deze nog
                                            niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege
                                            in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                            aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
                                            medegebruik van een gymnastiekruimte;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
                                    zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of
                                    meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket en meubilair ingeval van bijzondere
                                    omstandigheden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen</label></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a1 kan een
                            aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding. Hierop
                            is het bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of
                                    bij toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld
                                    in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte
                                    van de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf
                                    genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk
                                    voorziene kosten per geval.</al></li><li nr="2."><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                    inachtneming van het bepaalde in Bijlage IV, deel A. De
                                    vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                    worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage
                                    IV, deel B.</al></li><li nr="3."><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                    bedoeld in artikel 2, onder a1, a2, a4, a6 en a7.</al></li></lijst><al>Deel B van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld
                            in artikel 2, onder a3, a5, a8 en b tot en met e.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Informatieverstrekking</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                    verordening.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                    gegevensverstrekking.</al></li><li nr="3."><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door
                                    het college vastgesteld formulier.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> HOOFDSTUK 2 Programma en overzicht</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.1 Aanvragen programma</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6 Indiening aanvraag</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het
                                        programma wordt voor 1 februari van het jaar van
                                        vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd
                                        gezag ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik
                                        gemaakt van een door het college vastgesteld
                                        aanvraagformulier.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste
                                        lid, neemt het college niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De aanvraag vermeldt in ieder geval: </al><al>a. de naam en het adres van de aanvrager; </al><al>b. de dagtekening; </al><al>c. de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                    gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd; </al><al>d. welke voorziening wordt aangevraagd; </al><al>e. de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                    voorziening; </al><al>f. de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                    aanvraag vergezeld van: </al><al>a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                    school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten,
                                    tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2,
                                    onder a onderdelen 6° tot en met 8° en artikel 2, onder d, e en
                                    f; </al><al>b. de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet
                                    worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als
                                    bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1° tot en met 4°; </al><al>c. een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt, indien
                                    het een voorziening betreft bestaande uit: </al><al>1. nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                    gebouw; </al><al>2. onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs
                                    of van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, of; </al><al>3. herstel van een constructiefout. </al><al>Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
                                    vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname'. </al><al>d. een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
                                    voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                    voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin van toepassing is; </al><al>e. een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                    indien de aanvraag volgt op een toekenning van een vergoeding
                                    van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                    de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de
                                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
                                    Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt,
                                    neemt het college de aanvraag niet in behandeling. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een
                                    afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat
                                    ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het
                                    afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft
                                    ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld
                                    het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien het afschrift
                                    niet binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is
                                    verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen</label></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft
                                daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                                genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en overzicht</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe
                                    te lichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                    aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel
                                    4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college
                                    van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in
                                    het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en
                                    het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van
                                    de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming
                                    is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college
                                    geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag
                                    aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan
                                    bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label> Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk
                                    in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                    voorgenomen inhoud van het voorstel. Zij worden hierbij tevens
                                    in kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het
                                    voorstel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                    tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en
                                    van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar
                                    tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt
                                    aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt
                                    verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen
                                    deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                    overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te
                                    brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                    beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg.</al><al>In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                    bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                    noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van
                                    het afschrift van het advies van de Onderwijsraad.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                                    bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.3 Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11 Tijdstip vaststelling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                        vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                        bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                        bedragen per onderwijssoort of per voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op
                                        uiterlijk 31 december van het jaar waarin de datum genoemd
                                        in artikel 6 valt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Inhoud programma</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                    plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels
                                    toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                            bedoeld in bijlage III. Van de voor plaatsing op het
                                            programma in aanmerking komende voorzieningen neemt het
                                            college, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld
                                            in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het
                                            programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als
                                            bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                    college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                    bijlage V.Ten aanzien van de in het programma opgenomen
                                    voorzieningen wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                    aangegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A
                                            voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                            gesteld;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                            volzin;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Inhoud overzicht</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet
                                        op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                        voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                        bekostigingsplafond, het programma en het overzicht
                                        geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling
                                        door toezending door het college van de besluiten aan de
                                        aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het
                                        college schriftelijk mededeling over de besluiten aan de
                                        overige bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden
                                        tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.4 Uitvoering programma</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt
                                        het college in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                        uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening.
                                        In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is
                                        voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor
                                        zover van toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het
                                                primair onderwijs, de Wet op de Expertisecentra en
                                                de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                                begroting door de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                                inachtneming van het beschikbaar te stellen
                                                bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de
                                                toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede
                                                aan de toetsing in verband met wettelijke
                                                voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als
                                                bedoeld in artikel 16;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording
                                                over de besteding van de beschikbaar te stellen
                                                middelen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                        voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin, dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de
                                        aanbesteding van de uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij
                                        worden, voor zover van toepassing, gezien de aard van de
                                        voorziening, de gestelde richtlijnen als bedoeld in bijlage
                                        IV, deel B in acht genomen.</al></li><li nr="3."><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het
                                        overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het
                                        college schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen
                                        vier weken na afloop van het overleg ter kennis van de
                                        aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk instemt
                                        met het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet
                                        schriftelijk heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de
                                        inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming
                                        of geen overeenstemming te zijn bereikt.</al></li><li nr="4."><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                        16, vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                        overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                        beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                        aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="5."><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in
                                        het derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier
                                        weken nadat het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee
                                        aan de aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de
                                        bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen
                                        aanvang zal nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16 Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overlegging offertes</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid,
                                    is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college
                                    over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende
                                    begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                                    aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet
                                    binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn
                                    verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de
                                    bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven
                                    tijdstip.</al><al>Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    een aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de
                                    beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het
                                    college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden
                                    komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in
                                    aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is
                                    van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven
                                    als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                    overleg als bedoeld in artikel 15.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin.</al><al>De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid
                                    betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij
                                    zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                    ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                    hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                                    lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes
                                    voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist
                                    binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag
                                    dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van
                                    de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                    aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de
                                    datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                    offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Aanvang bekostiging</label></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a1,
                                        a2, a4, a6 en a7 geldt dat de aanspraak op bekostiging van
                                        een voorziening vervalt, indien de aanvrager niet vóór 1
                                        oktober van het jaar volgend op de vaststelling van het
                                        programma een bouwopdracht heeft verleend, dan wel een
                                        koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een
                                        afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het
                                        college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                        bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum
                                        van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal
                                        werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in
                                        de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn
                                        onherroepelijk. Een huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt
                                        de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de
                                        overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum van
                                        aankoop.</al></li><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                        veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet
                                        aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1
                                        september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot
                                        verlenging van de termijn, als bedoeld in het eerste lid,
                                        bij het college heeft ingediend.</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek als
                                        bedoeld in het eerste lid tot verlenging van de termijn.
                                        Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit
                                        aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het
                                        eerste lid wordt verlengd.</al></li><li nr="4."><al>Voor de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a3,
                                        a5, a8 en b tot en met e geldt dat de aanspraak op
                                        bekostiging van een voorziening vervalt indien de aanvrager
                                        niet vóór 31 december van het jaar van de vaststelling van
                                        het programma een bouwopdracht heeft verleend, dan wel een
                                        koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een
                                        afschrift hiervan niet voor 31 december aan het college is
                                        gezonden. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is
                                        onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en
                                        de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                        waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin
                                        bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                                        erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding,
                                        alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst
                                        vermeldt de datum van aankoop.</al></li><li nr="5."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de termijn als bedoeld in het vierde lid
                                        veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet
                                        aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1
                                        december een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging
                                        van de termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij het
                                        college heeft ingediend.</al></li><li nr="6."><al>Het college beslist voor 31 december op het verzoek als
                                        bedoeld in het vierde lid tot verlenging van de termijn.
                                        Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit
                                        aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het
                                        eerste lid wordt verlengd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> HOOFDSTUK 3 Aanvragen met spoedeisend karakter</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3.1 Aanvraag</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 19 Indiening aanvraag</label></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20 Inhoud aanvraag</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld
                                        in artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de
                                        aanvrager de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                                voorziening in de huisvesting spoedeisend
                                                maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting
                                                niet kon worden aangevraagd in het kader van een nog
                                                vast te stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen
                                                60 tot en met 80 en artikel 2 onder d, e en f;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de
                                                uitvoering indien het een voorziening betreft als
                                                bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                                volzin.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens
                                        als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen
                                        twee weken na datum van indiening van de aanvraag
                                        schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager
                                        wordt in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens
                                        binnen twee weken na ontvangst van de mededeling in te
                                        dienen bij het college. Indien de aanvrager de vereiste
                                        ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                        bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                        aanvraag niet te behandelen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3.2 Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 21 Tijdstip beslissing</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                        aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens
                                        zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee
                                        weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager
                                        hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het
                                        college.</al></li><li nr="2."><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                        gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                        noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
                                        beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22 Inhoud beslissing</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het
                                        college heeft vastgesteld dat het treffen van de
                                        voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen
                                        uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                        voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                        toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de
                                        regels toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage
                                                I</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld
                                                in bijlage III.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de
                                        gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde
                                        voorziening omvatten.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                        bepaalde in bijlage IV, deel A voor de toegewezen
                                        voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het
                                        geraamde bedrag is indien het een voorziening betreft als
                                        bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. Bij de
                                        beschikking stelt het college vast voor welke datum een
                                        bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                        erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum
                                        een afschrift daarvan aan de raad moet zijn toegezonden.
                                        Binnen vier maanden na de datum van de beschikking door het
                                        college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een
                                        koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23 Uitvoering beslissing</label></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
                                termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een
                                termijn van drie weken geldt. Hiervoor moet worden gelezen drie
                                weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                        tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                        huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                        daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                        bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht,
                                        dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde
                                        in artikel 18, eerste lid van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door
                                        bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn
                                        toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor
                                        het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd
                                        verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van
                                        de termijn.</al></li><li nr="3."><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op
                                        bekostiging op totdat het college op het verzoek beslist.
                                        Indien het college het verzoek inwilligt, noemt de raad een
                                        nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt.
                                        Indien het college het verzoek afwijst, geldt de datum van
                                        beslissing op het verzoek als vervaldatum, met dien
                                        verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke
                                        vervaldatum kan vallen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> HOOFDSTUK 4 Bekostiging bouwvoorbereiding</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 25 Aanvraag</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen
                                    voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik
                                    bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan
                                    voorafgaand een aanvraag voor bekostiging van de
                                    bouwvoorbereiding indienen bij het college. Het betreft de
                                    voorbereiding voorafgaand aan het moment van aanbesteding van
                                    die voorziening.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar
                                    voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst.
                                    Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                            wordt gewenst;</al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                            gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                            voorziening;</al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten;</al></li><li nr="g."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de
                                            vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter
                                            vervanging van een bestaand gebouw. Bij de rapportage
                                            wordt gebruik gemaakt van het door het college
                                            vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname';</al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste
                                            lid, indien de bekostiging bouwvoorbereiding is
                                            aangemerkt als een voorziening bedoeld in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het
                                    derde lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk
                                    mee aan de aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15
                                    maart de gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7,
                                    derde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of
                                    het overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige lid, is
                                    het bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg
                                    met de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10,
                                    tweede, derde en vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27 Beschikking op aanvraag</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
                                    tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten
                                            van bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                            vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                            gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in
                                            aanmerking kan worden gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                    welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                    bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden
                                    gesteld, echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager
                                    aan zijn financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft
                                    ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager
                                    en het college maken afspraken over de daadwerkelijke
                                    beschikbaarstelling van het bedrag.</al></li><li nr="4."><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                    aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de
                                    plaatsing van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 28</label></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> HOOFDSTUK 5 Medegebruik en verhuur</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5.1 Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 29 Aanduiding omstandigheden</label></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 30 Omschrijving leegstand</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                                basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal
                                                onderwijs, indien uit de vergelijking van het aantal
                                                vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                                berekend op basis van, deel B en de capaciteit van
                                                het gebouw in vierkante meters
                                                bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis
                                                van bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste
                                                een aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                                ter grootte van de in bijlage III, deel C genoemde
                                                drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde
                                                school of scholen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                                voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van
                                                de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van
                                                bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw
                                                zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A
                                                blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters
                                                bruto-vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op
                                                basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                                lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat er
                                                binnen het overschot aan vierkante meters
                                                bruto-vloeroppervlakte geen sprake is van
                                                onderbenutting van de onderwijsruimten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt
                                                door een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                                (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van
                                                het aantal klokuren gebruik dat door het college
                                                wordt vergoed minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het een gebouw betreft van een school voor
                                                voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op
                                                basis van bijlage III, deel B blijkt dat benutting
                                                van het gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het
                                                bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de
                                                lesroosters voor het lopende of eerstkomende
                                                schooljaar aantoont dat dit niet het geval is;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt
                                                door een of meer scholen voor basisonderwijs, voor
                                                (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet
                                                onderwijs, indien de som van de berekeningswijzen
                                                genoemd onder a en b een aantal klokuren lager dan
                                                40 oplevert.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                        medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het
                                        gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden
                                        in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen
                                        ten behoeve van het onderwijs aan die school of
                                        scholen.</al></li><li nr="2."><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                        het gebruik van die andere school of scholen kan
                                        plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking
                                        staande huisvestingscapaciteit.</al></li><li nr="3."><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                        wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                                in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd
                                                gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het
                                                vorderen van leegstand in een ander gebouw een
                                                betere oplossing biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw
                                                waarin een school van dezelfde richting is
                                                gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                                het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de
                                                school ten behoeve waarvan de vordering
                                                plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken
                                        bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel
                                        geval van de in het derde lid opgenomen volgorde
                                        afwijken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32 Overleg en mededeling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering van leegstand in een lesgebouw of
                                        gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg met het
                                        bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met
                                        het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit
                                        overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
                                        artikel 10.</al></li><li nr="2."><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                        bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk
                                        mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan
                                        gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als
                                        dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen
                                        bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in
                                        artikel 19, voert het college daarover zo spoedig mogelijk
                                        overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met
                                        het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. 4.
                                        Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige
                                        lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                        vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van
                                        deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                        het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering
                                        te hebben.</al></li><li nr="5."><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in
                                        het tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten
                                                behoeve waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve
                                                waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                                onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal
                                                klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                                betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten
                                                dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de
                                                ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33 Vergoeding</label></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel
                                C.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5.2 Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden</label></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 35 Overleg en mededeling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college
                                        overleg met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                                wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met
                                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                                school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                                voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                                gevestigde school hinder van het medegebruik
                                                ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd
                                                gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik
                                                is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                                aanvang kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in
                                        het eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van
                                        de vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien
                                        het overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling
                                        in ieder geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot
                                        overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de
                                        beslissing van het college over deze punten. Indien het
                                        bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar te
                                        hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke
                                        mededeling als hier bedoeld worden afgezien.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5.3 Verhuur</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 36 Toestemming college</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt
                                        het toestemming voor de verhuur aan het college.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en
                                        bevat een aanduiding van de huurder, en de bestemming van de
                                        te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is
                                                met bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                                onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                                voortgezet onderwijs of;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                                school.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 6 Einde gebruik gebouwen en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig
                                    heeft voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik
                                    ervan zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum
                                    genoemd in de door het college en het bevoegd gezag ondertekende
                                    gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door
                                    gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil over de
                                    totstandkoming van een gezamenlijke akte.</al></li><li nr="2."><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is
                                    van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in
                                    het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                                    gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats
                                    vindt, een staat van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het
                                    college na overleg met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing,
                                    vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd
                                    gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het
                                    college betaald wordt. Indien het overleg niet tot
                                    overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwijze
                                    gevolgd wordt.</al></li><li nr="5."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien
                                    dit naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> HOOFDSTUK 7 Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 38 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroostering gebruik</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks
                                    voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave
                                    van de voor dat schooljaar voor de school gewenste
                                    onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de
                                    volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt
                                            in een aantal klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin
                                            het gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                            schoolweek wordt gewenst.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                    gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd
                                    als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande
                                    dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde
                                    in dit artikel van toepassing is.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                    daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                    voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door
                                    scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                                    van de op het grondgebied van de gemeente gelegen
                                    gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik
                                    afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de
                                    gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit
                                    van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></li><li nr="4."><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                    inroostering het volgende in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                            onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals
                                            opgenomen in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                            gehouden school dat eige-naar is van een
                                            gymnastiekruimte wordt voor de betreffende school het
                                            eerste ingeroosterd voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel
                                            mogelijk ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                    basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                    gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                            ingeroosterd in een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de
                                            tijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                            gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                            gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                            aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel
                                            bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs voor bekostiging door de
                                            gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel
                                            klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van
                                            de school. Het college neemt het aantal klokuren als
                                            bedoeld in dit lid onder d slechts op in het voorstel
                                            tot inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit
                                            beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het
                                            totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door de
                                            gemeente in aanmerking komt.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                    weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen
                                    voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De
                                    bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een
                                    overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee
                                    weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de
                                    vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de
                                    gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel tot
                                    inroostering.</al></li><li nr="7."><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen
                                    stelt het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in
                                    het derde lid, de definitieve inroostering vast van het ge-bruik
                                    van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het
                                    college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als
                                    bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan
                                    wordt dit gemotiveerd.</al></li><li nr="8."><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen
                                    de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke
                                    mededeling van het college over de inroostering in de
                                    beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                                    staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze
                                    mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van
                                    artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin
                                    van artikel 32, vierde lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> HOOFDSTUK 8 Overgangs- en slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 39 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet</label></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 40 Indexering</label></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 41 Citeertitel; inwerkingtreding</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Winterswijk.</al></li><li nr="2."><al>De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                                    Winterswijk, vastgesteld bij raadsbesluit van 27 februari 1997,
                                    nr. II-5, en de Verordening procedure overleg huisvesting
                                    onderwijs gemeente Winterswijk, vastgesteld bij raadsbesluit van
                                    19 december 1996, worden ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.</ondertekening><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Winterswijk in </ondertekening><ondertekening>zijn openbare vergadering gehouden op 16 september 2010,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label> BIJLAGE, BEHOORT BIJ RAADSBESLUIT 2010, IX-9 sub b.</label></kop><al/><divisie><kop><label>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</label></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                        voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                        bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van
                        aangevraagde voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><al>-deel A: lesgebouwen;</al><al>- deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al><al/><al>DEEL A Lesgebouwen</al><al/><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, en 1.9c worden niet
                        noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                        bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het
                        bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.</al><al/><al>1.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                        bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b. 1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                        en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al> 2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                        dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                        maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                        hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al/><al>1.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                        zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld in
                        artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen
                        redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                        levensduurverlenging);</al><al>b. 1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn)
                        en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al> 2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                        voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
                        vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                        leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                        maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                        hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al/><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>a. vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                        beoordeling van het college;</al><al>b. vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                        herschikkingsoperatie;</al><al>c. vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                        noodzakelijk is.</al><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat
                        het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten
                        plaats.</al><al/><al>1.3 Uitbreiding</al><al/><al>1.3.1 Uitbreiding algemeen</al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><al>a. het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn,
                        dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B,
                        de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                        A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde
                        overschrijdt, en</al><al>b. 1 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een
                        voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen)
                        worden verwacht of</al><al>2 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een voor
                        tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden
                        verwacht of </al><al>3 het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                        aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                        aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                        gehuisvest en</al><al>c. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                        maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                        hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                        realiseren.</al><al>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een
                        speellokaal</al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><al>a. het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                        worden toegelaten;</al><al>b. het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                        uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal blijven
                        bestaan en</al><al>c. het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al><al>d. medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                        hemelsbreed niet mogelijk is en</al><al>e. evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de
                        mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de
                        feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde bruto-oppervlakte,
                        zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, inpandig een
                        speellokaal te maken.</al><al>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a.1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                        bekostiging in aanmerking brengt of</al><al> 2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                        aanmerking komt, terwijl</al><al>b.1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                        voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                        vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren
                        deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al> 2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                        voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                        vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                        leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c.er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                        medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al><al>d. er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                        is of op korte termijn beschikbaar komt en</al><al>e. de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                        verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de
                        kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><al>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al>a. er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                        tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin
                        beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                        meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al><al>b. er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                        medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en</al><al>c. de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                        een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde
                        tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al>1.6 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                        verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                        uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                        toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                        voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                        blijkt uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in
                        de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                        huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                        2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van
                        een speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal
                        basisonderwijs uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><al>1.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                        leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond
                        van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op
                        grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C
                        genoemde drempelwaarde overschrijdt.</al><al>1.9 Aanpassing</al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><al>a. wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                        niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in
                        bijlage III, delen A en D;</al><al>b. een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                        afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                        basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al><al>c. creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor speciaal
                        basisonderwijs;</al><al>d. voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                        regelgeving;</al><al>e. vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al><al>f. het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                        aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen;</al><al>g. aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen.</al><al>Ad a</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van
                        het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                        genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                        huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel
                        tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te
                        verwezenlijken zijn.</al><al>Ad b</al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te
                        kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal
                        leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat
                        binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte
                        aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier-
                        en vijfjarigen of zes- tot twaalfjarigen.</al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een speciale
                        school voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger dan
                        zes jaar worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt
                        is voor het onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.</al><al>Ad c</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale school
                        voor basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte
                        groter dan 56 m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een
                        speellokaal van een school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast is de
                        noodzaak afhankelijk van het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen
                        jonger dan zes jaar worden toegelaten.</al><al>Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een
                        uitbreiding, zulks ter beoordeling van het college, op grond van bijlage IV,
                        deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</al><al>Ad d</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                        gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte
                        termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad e</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                        noodzakelijk is.</al><al>Ad f</al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                        gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                        voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                        traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige
                        organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op
                        de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn
                        en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                        dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in
                        stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende
                        aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs,
                        terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de
                        aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening
                        mogelijk is.</al><al>Ad g</al><al>De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat:</al><al>a. de aanpassing nog niet eerder is toegekend, en</al><al>b. bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met onderwijskundige
                        vernieuwingen, en</al><al>c. het een permanent gebouw betreft, en</al><al>d. et om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat.</al><al>1.10 Onderhoud</al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>a. onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                        overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al><al>b. (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang-
                        en sluitwerk);</al><al>c. algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor
                        centrale verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                        II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                        indien:</al><al>a. het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                        II gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar voor de school nodig is;
                        en</al><al>b. voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                        medegebruik binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed.</al><al>1.11 Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout.</al><al>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                        geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                        onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen.Slechts in
                        bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het
                        bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.</al><al>2.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                        het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b. 1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                        en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                        dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                        maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                        hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>2.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                        zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                        artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                        redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de verlenging van
                        de levensduur);</al><al>b. 1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn)
                        en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al> 2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                        voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                        vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                        leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                        maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                        hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>a. vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                        beoordeling van het college;</al><al>b. vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                        herschikkingsoperatie;</al><al>c. vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                        noodzakelijk is.</al><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat
                        het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten
                        plaats.</al><al>2.3 Uitbreiding</al><al>2.3.1 Uitbreiding algemeen</al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><al>a. het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn,
                        dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B,
                        de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                        A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde
                        overschrijdt, en</al><al>b. 1 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een
                        voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden
                        verwacht of</al><al> 2 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een voor
                        tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden
                        verwacht of</al><al> 3 het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                        aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                        aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                        gehuisvest en</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                        maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                        hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                        realiseren.</al><al>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</al><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><al>a. het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar
                        worden toegelaten;</al><al>b. het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                        uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal blijven
                        bestaan en</al><al>c. het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al><al>d. medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                        motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is en,</al><al>e. evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de
                        mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de
                        feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte,
                        zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of
                        gedeeltelijk inpandig een speellokaal te maken.</al><al>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a.1 het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                        het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of</al><al> 2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                        aanmerking komt, terwijl</al><al>b.1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                        voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                        vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren
                        deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al> 2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                        voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                        vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                        leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c. er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                        medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al><al>d. er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                        is of op korte termijn beschikbaar komt en</al><al>e. de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                        verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de
                        kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><al>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al>a. er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                        tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin
                        beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                        meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al><al>b. er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                        medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en</al><al>c. de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                        een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde
                        tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al>2.6 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                        verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                        uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                        toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                        voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                        blijkt uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in
                        de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                        huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                        2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van
                        een speellokaal blijkt uit het feit dat de school uitgebreid wordt met een
                        speellokaal.</al><al>2.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                        leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond
                        van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op
                        grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C
                        genoemde drempelwaarde overschrijdt.</al><al>2.9 Aanpassing</al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><al>a. wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                        niet geschikt is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs gelet op de eisen
                        als gesteld in bijlage III, delen A en D;</al><al>b. verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten;</al><al>c. verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw;</al><al>d. functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze voor een ander
                        vak (alleen voortgezet speciaal onderwijs);</al><al>e. voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                        regelgeving;</al><al>f. vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; en</al><al>g. het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                        aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al><al>Ad a</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van
                        het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                        genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                        huisvestingseisen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel
                        tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te
                        verwezenlijken zijn.</al><al>De noodzaak voor deze activiteit kan ook aanwezig zijn indien een gebouw in
                        gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort. De voorzieningen die
                        dan noodzakelijk zijn, zijn de specifieke voorzieningen voor die
                        onderwijssoort, die nog niet in het gebouw aanwezig zijn.</al><al>Ad b</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal
                        leerlingen zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden
                        beëindigd omdat binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte aanwezig is,
                        terwijl dit gebouw niet is ingericht voor het desbetreffende onderwijs.</al><al>Ad c</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer dan 60
                        leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens de prognose als
                        vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste vijftien jaren
                        aanwezig zullen zijn en de dislocatie voor vijftien jaren of meer - gelet op
                        de bouwkundige staat - als hoofdgebouw kan dienen.</al><al>Ad d</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor een
                        ander vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is
                        goedgekeurd.</al><al>Ad e</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                        gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte
                        termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad f</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                        noodzakelijk is.</al><al>Ad g</al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                        gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                        voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                        traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige
                        organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op
                        de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn
                        en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                        dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in
                        stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende
                        aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs,
                        terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de
                        aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening
                        mogelijk is.</al><al>2.10 Onderhoud</al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>a. onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                        overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al><al>b. (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang-
                        en sluitwerk);</al><al>c. algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor centrale
                        verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                        gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                        indien:</al><al>a. de noodlokalen op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                        gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig zijn; en</al><al>b. voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                        medegebruik elders.</al><al> 2.11 Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout.</al><al>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al><al>3 School voor voortgezet onderwijs</al><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht
                        voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere
                        omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag
                        en ter beoordeling van het college.</al><al>3.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                        bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b. 1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                        en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                        dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                        maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                        hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>3.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat:</al><al>a. voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de
                        bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in zo'n
                        slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                        resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                        levensduurverlenging);</al><al>b. 1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                        een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                        de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                        jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al> 2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                        gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                        bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal
                        leerlingen kan worden verwacht en</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                        maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                        hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>a. vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                        beoordeling van het college;</al><al>b. vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                        herschikkingsoperatie;</al><al>c. vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                        noodzakelijk is.</al><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat
                        het oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten
                        plaats.</al><al>3.3 Uitbreiding</al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><al>a. het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met
                        tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen, vastgesteld
                        volgens de regels in bijlage III, deel A - voor de aanwezige capaciteit en
                        bijlage III, deel B - voor de ruimtebehoefte -, aangeeft en de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding of
                        gedurende ten minste vier jaren voor uitbreiding met een voor tijdelijk
                        gebruik bestemde voorziening deze aantallen leerlingen kunnen worden
                        verwacht en</al><al>b. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                        maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                        hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a.1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                        bekostiging in aanmerking brengt of</al><al> 2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                        aanmerking komt, terwijl</al><al>b.1 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                        voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                        aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                        jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al> 2 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                        voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c. er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                        medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al><al>d. er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                        is of op korte termijn beschikbaar komt en</al><al>e. de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                        verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de
                        kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><al>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al>a. er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                        tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                        beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                        meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al><al>b. er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                        medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en</al><al>c. de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                        een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                        dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al>3.6 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                        verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                        uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                        toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                        voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</al><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair
                        bestaat wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                        huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                        huisvestingscapaciteit van de school.</al><al>Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting- en
                        hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing
                        een andere ruimtesoort wordt gecreëerd.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra inrichting leer-
                        en hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie
                        groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie
                        deelnemende scholen.</al><al>3.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                        leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit
                        is. De capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij
                        3.3.a.</al><al>3.9 Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout.</al><al>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al><al>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>1.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                        bekostiging in aanmerking brengt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of
                        meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                        komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                        waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is
                        aanwezig (zullen) zijn.</al><al>1.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                        zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                        artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                        redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                        levensduurverlenging) en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of
                        meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                        komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                        waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is
                        aanwezig (zullen) zijn.</al><al>1.3 Uitbreiding</al><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                        m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd wordt
                        en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of
                        meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                        komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                        waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is
                        aanwezig (zullen) zijn.</al><al>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a.1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                        aanmerking brengt of</al><al> 2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij
                        1.2 onder a, in aanmerking komt en</al><al>b. et afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of
                        meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                        komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                        vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al><al>d. de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                        verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de
                        kosten van vervangende bouw.</al><al>1.5 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                        uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                        school is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                        eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                        verstrekt.</al><al>1.7 Eerste inrichting meubilair</al><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                        school is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                        eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>a. het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor
                        de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                        (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al><al>1.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                        vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen
                        de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al><al>1.9 Aanpassing</al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><al>1. het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                        ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                        mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>2. het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                        gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                        gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                        gymnastiekruimte;</al><al>3. wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                        niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                        bijlage III, delen A en D;</al><al>4. voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al><al>5. vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><al>Ad 1</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al>Ad 2</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad 3</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                        gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                        noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                        gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                        kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad 4</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                        gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit
                        verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad 5</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                        noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn
                        en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                        dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in
                        stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende
                        aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs,
                        terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de
                        aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening
                        mogelijk is.</al><al>1.10 Onderhoud</al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>a. onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                        overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al><al>b. (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang-
                        en sluitwerk);</al><al>c. algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor centrale
                        verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                        II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig is.</al><al>1.11 Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout.</al><al>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>2.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                        het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                        hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet
                        speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                        minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                        gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van
                        een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                        beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                        waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is
                        aanwezig (zullen) zijn.</al><al>2.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                        zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                        artikel 7, tweede lid onder d, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                        redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                        levensduurverlenging) en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                        hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet
                        speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                        minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                        gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van
                        een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                        beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                        waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is
                        aanwezig (zullen) zijn.</al><al>2.3 Uitbreiding</al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                        m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt
                        en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                        hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet
                        speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                        minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                        gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van
                        een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                        beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                        waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is
                        aanwezig (zullen) zijn.</al><al>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a.1 het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het eerst voor
                        bekostiging in aanmerking brengt of</al><al> 2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde in
                        2.2 onder a, in aanmerking komt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                        noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                        hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet
                        speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                        minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                        gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van
                        een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                        beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                        vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al><al>d. de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                        verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de
                        kosten van vervangende bouw.</al><al>2.5 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                        uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                        school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                        eerste onderwijsleerpakket is verstrekt.</al><al>2.7 Eerste inrichting meubilair</al><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                        school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                        eerste inrichting meubilair is verstrekt.</al><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>a. het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor
                        de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                        het specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al><al>2.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                        getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                        huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><al>2.9 Aanpassing</al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><al>1. het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                        ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                        mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>2. het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                        gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                        gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                        gymnastiekruimte;</al><al>3. wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                        niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                        bijlage III, delen A en D;</al><al>4. voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al><al>5. vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><al>Ad 1</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al>Ad 2</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad 3</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van
                        het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                        genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                        inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het (voortgezet) speciaal
                        onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling
                        van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad 4</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                        gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit
                        verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad 5</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                        noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn
                        en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                        dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in
                        stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende
                        aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs,
                        terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de
                        aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening
                        mogelijk is.</al><al>2.10 Onderhoud</al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>a. onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                        overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al><al>b. (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang-
                        en sluitwerk);</al><al>c. algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor centrale
                        verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                        gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig is.</al><al>2.11 Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout.</al><al>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al><al>3 School voor voortgezet onderwijs</al><al>3.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                        bekostiging in aanmerking brengt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                        gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                        redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                        gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.</al><al>3.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                        zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                        artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                        redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                        levensduurverlenging) en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                        gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                        redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                        gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><al>3.3 Uitbreiding</al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                        m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt
                        en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                        gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                        redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                        gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><al>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a.1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                        aanmerking brengt of</al><al> 2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij
                        3.2 onder a, in aanmerking komt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                        gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                        redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                        gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en</al><al>d. het feit dat de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                        redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                        opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al><al>3.5 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                        uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</al><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit:</al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                        school is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                        inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al>3.7 Medegebruik</al><al>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte</al><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                        klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in
                        gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><al>3.7.2 Huur van een sportterrein</al><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit:</al><al>a. het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd
                        gezag niet beschikt over een eigen sportveld en</al><al>b. er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander
                        bevoegd gezag.</al><al>3.8 Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout.</al><al>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al><al> I-1</al><al>Overzicht 'Onderhoud PO'</al><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud:</al><al>- Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al><al>- Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al><al>- Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al><al>- Vervangen brandtrap.</al><al>- Vervangen erfscheiding.</al><al>- Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al><al>- Vervangen binnenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                        (renovatieactiviteit).</al><al>- Vervangen buitenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                        (renovatieactiviteit).</al><al>- Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie-activiteit).</al><al>- Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al><al>- Vervangen boeiboorden.</al></divisie><divisie><kop><label> Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses</label></kop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als
                        bedoeld in artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en
                        artikel 25, derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste
                        vijftien jaren te starten met het gewenste jaar van bekostiging.</al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                        welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                        voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                        terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk
                        zijn om het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                        korte-termijnprognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen
                        van de school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden
                        met:</al><al>a. het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al><al>b. de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al><al>c. de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                        uitbreiding van het voedingsgebied;</al><al>d. de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                        als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al><al>e. de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                        woningvoorraad;</al><al>f. de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                        school en</al><al>g. het onderwijs dat wordt gegeven.</al><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een
                        periode van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar
                        voorafgaand aan de indiening van de aanvraag.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel
                        van de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                        basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd
                        van het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor
                        basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet
                        onderwijs kan, indien het voedingsgebied zich over de gemeentegrens
                        uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het
                        voedingsgebied worden gerekend. Bij aanlevering van een prognose dienen de
                        relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode op
                        papier te zijn afgedrukt.</al><al>Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
                        aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g,
                        waarop de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                        stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen.
                        Voorafgaand aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels
                        onderwerp van overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in
                        artikel 2, tweede lid onder b van de Verordening overleg lokaal
                        onderwijsbeleid Winterswijk.'</al></divisie><divisie><kop><label> Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling</label></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><al>- deel A: de bepaling van de capaciteit;</al><al>- deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al><al>- deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al><al>- deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al><al>DEEL A De bepaling van de capaciteit</al><al>1 School voor basisonderwijs en speciale school voor basisonderwijs</al><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens
                        onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met
                        het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met
                        onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe
                        beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige,
                        culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) en recreatieve
                        doeleinden.</al><al>Het college heeft in samenspraak met het bevoegd gezag van de betreffende
                        scholen besloten om voor een zevental scholen een fictief
                        brutovloeroppervlakte te hanteren. </al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="30*"/><colspec colname="col2" colwidth="18*"/><colspec colname="col3" colwidth="5*"/><colspec colname="col4" colwidth="29*"/><colspec colname="col5" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>school</al></entry><entry colname="col2"><al>fictief Bvo</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>school</al></entry><entry colname="col5"><al>fictief Bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bargerpaske</al></entry><entry colname="col2"><al>2241</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>t Walien</al></entry><entry colname="col5"><al>932</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Stegeman</al></entry><entry colname="col2"><al>1527</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Miste/Corle</al></entry><entry colname="col5"><al>600</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kon. Wilhelmina</al></entry><entry colname="col2"><al>1289</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Woold</al></entry><entry colname="col5"><al>600</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Juliana</al></entry><entry colname="col2"><al>1051</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en B-dislocaties
                        met een permanente of tijdelijke bouwaard</al><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de
                        bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie
                        voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in
                        het primair onderwijs'.</al><al>Basisschool</al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het
                        bruto vloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een
                        permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden
                        afzonderlijk vastgesteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                        overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt
                        dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                        geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                        oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                        schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling
                        van een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de
                        capaciteitsbepaling.</al><al>Speciale school voor basisonderwijs</al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter, een
                        eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling wordt
                        meegenomen. Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de
                        voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 1.3.2, wordt op
                        het bruto vloeroppervlak 90 m2 in mindering gebracht.</al><al>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt
                        het gestelde onder 1.1.</al><al> 1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                        gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                        daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                        rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van
                        een school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer
                        dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de
                        rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het
                        ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde
                        opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden
                        toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw is het
                        gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het meest geschikt
                        is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het
                        grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                        doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te
                        beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de
                        dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                        grootste capaciteit.</al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                        school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie
                        betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde
                        scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als
                        dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij
                        na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het
                        college anders beslist.</al><al>1.4 Terrein</al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                        kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                        terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van
                        het Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                        schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                        terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>1.5 Inventaris</al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen
                        voor (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                        onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is
                        de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige
                        inventaris.</al><al>1.6 Gymnastiekruimten</al><al>1.6.1 Gymnastiekruimte</al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                        klokuren.</al><al>1.6.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                        Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen
                        op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                        geregistreerd.</al><al>1.6.3 Inventaris</al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                        zijn.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                        onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan
                        in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot
                        vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                        indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve
                        van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang)
                        of recreatieve doeleinden.</al><al>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is
                        de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de
                        'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
                        schoolgebouwen in het primair onderwijs'.</al><al>De capaciteit van een gebouw voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                        vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw. De capaciteit van
                        het gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke
                        bouwaard worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al>Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de voorwaarden
                        zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 2.3.2 sub a. en sub b, wordt
                        op de bruto-vloeroppervlakte 90 m2 in mindering gebracht.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                        overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt
                        dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                        geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                        oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                        schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling
                        van een fictief bruto/vloeroppervlakte als grondslag voor de
                        capaciteitsbepaling.</al><al>2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een
                        tijdelijke bouwaard</al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor scholen voor
                        (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde onder 2.1.</al><al>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                        gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                        daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                        rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een
                        of meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld.
                        Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van
                        het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde
                        opnieuw moet worden vastgesteld, omdat nieuwe gebouwen moeten worden
                        toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld.</al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor
                        de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met
                        de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijk
                        bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al><al>Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                        staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te
                        dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij
                        na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het
                        college anders beslist.</al><al>2.4 Terrein</al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                        kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                        terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van
                        het Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                        schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                        terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>2.5 Inventaris</al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen
                        voor (voortgezet) speciaal onderwijs in de gemeente zijn voorzien van
                        voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto-vloeroppervlakte van de
                        school is de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige
                        inventaris.</al><al>2.6 Gymnastiekruimten</al><al>2.6.1 Gymnastiekruimte</al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal
                        onderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al>2.6.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                        Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen
                        op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                        geregistreerd.</al><al>2.6.3 Inventaris</al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                        zijn.</al><al>3 School voor voortgezet onderwijs</al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs
                        wordt vastgelegd in gegevens over:</al><al>- de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;</al><al>- het aantal specifieke ruimten;</al><al>- het aantal werkplaatsen;</al><al>- het aantal gymnastieklokalen.</al><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school
                        besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde
                        capaciteit, indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet
                        ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><al>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of een
                        tijdelijke bouwaard</al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is
                        de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de
                        'Meetinstructie voor het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het
                        voortgezet onderwijs'.</al><al>Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal gymnastieklokalen'
                        moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal specifieke ruimten en
                        werkplaatsen' indien en voorzover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                        aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven
                        'aantal specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden
                        onderscheiden zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen.
                        Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                        overheidsmiddelen, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw
                        gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                        gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                        daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                        rangordenummer. Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een
                        hoofdgebouw (of nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de
                        rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                        vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het ministerie van
                        Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden
                        vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de
                        rangorde als volgt vastgesteld.</al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor
                        de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met
                        de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke
                        bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het bovenstaande tenzij
                        na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het
                        college anders beslist.</al><al>3.3 Terrein</al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                        kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                        terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van
                        het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de
                        grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen
                        bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>3.4 Inventaris</al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle
                        instellingen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De
                        bruto vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                        werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang
                        van de aanwezige inventaris.</al><al>3.5 Gymnastiekruimten</al><al>3.5.1 Gymnastiekruimte</al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs
                        bedraagt 40 uur.</al><al>3.5.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                        Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen
                        op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                        geregistreerd.</al><al>3.5.3 Inventaris</al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                        zijn.</al><al>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>1.1 Lesgebouwen</al><al>Basisschool</al><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend
                        voor de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte
                        wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                        nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt
                        voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke
                        school.</al><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                        verband met de gewichtensom.</al><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de
                        formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al>B = basisruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond
                        op hele vierkante meters.</al><al>, en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop
                        de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij</al><al>T=toeslag in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                        vierkante meters en G=gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><al>- bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                        gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al><al>- verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van
                        6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom niet
                        kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een
                        geheel getal;</al><al>- als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het aantal
                        ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80 % van het
                        aantal ingeschreven leerlingen.</al><al>Speciale school voor basisonderwijs</al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen
                        bepalend voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte
                        wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                        nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt
                        voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke
                        school.</al><al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend
                        met de formule:</al><al>R= 250+7,35*L, waarbij</al><al>R= ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte,rekenkundig afgerond op hele
                        vierkante meters, en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop
                        de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                        m2.</al><al>1.2 Gymnastiekruimten</al><al>Basisschool</al><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal
                        klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                        formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging
                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                        onderwijs.</al><al>Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                        gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                        voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                        leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                        bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn
                        ingeschreven.</al><al>Speciale school voor basisonderwijs</al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen
                        bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen
                        jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek
                        indien de school niet de beschikking heeft over een speellokaal. Per
                        gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal
                        2,25 klokuur gymnastiek.</al><al>Het aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door
                        de 'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor
                        voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal
                        wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is
                        dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe
                        gymaccommodatie voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het
                        aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage
                        II.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>2.1 Lesgebouwen</al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs is
                        de onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type
                        vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de
                        huisvestingsbehoefte.</al><al>De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                        berekend met de formule:</al><al>R=V+f*L, waarbij</al><al>R = ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op
                        hele vierkante meters, en</al><al>V = vaste voet in m2 bruto-vloeroppervlakte. Voor hoofdvestigingen voor alle
                        onderwijssoorten 370 m2 behalve voor VSO-ZMLK. Voor VSO-ZMLK is de vaste
                        voet 250 m2. Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van toepassing,
                        en</al><al>f = factor (m2 bruto-vloeroppervlakte per leerling) volgens onderstaande
                        tabel, en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop
                        de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De tabel geeft een overzicht van f (m2 bruto-vloeroppervlakte per leerling),
                        per onderwijssoort. </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="93*"/><colspec colname="col2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colwidth="4*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>m2 brutovloeroppervlakte per leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Slechthorende kinderen (SH)/ Kinderen met ernstige
                                            spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot dove of
                                            slechthorende kinderen (ES) - Visueel gehandicapten
                                            (VISG) - Langdurig zieke kinderen (LZ) - Zeer moeilijk
                                            opvoedbare kinderen (ZMOK) - Kinderen in scholen
                                            verbonden aan pedologische instituten (PI)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Dove kinderen (DO) - Lichamelijk gehandicapte kinderen
                                            (LG) - Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)*</al></entry><entry colname="col2"><al>13,8</al></entry><entry colname="col3"><al>15,5 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>9,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en
                        Wetenschappen de N-factor anders dan 7 is vastgesteld. Voor SO-MG met N = 2
                        geldt 56,75, voor VSO-MG met N = 2 geldt 57,5, voor SO-MG met N = 3 geldt
                        56,75 en voor VSO-MG met N = 3 geldt 57,5.</al><al>Voor een school met zowel SO als VSO binnen een onderwijssoort, is de vaste
                        voet slechts eenmaal van toepassing.</al><al>Voor een school met meer onderwijssoorten is voor elk van de schoolsoorten
                        de vaste voet van toepassing.</al><al>De bepaling van de ruimtebehoefte van een SOVSO-school of een SO-school
                        waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende
                        onderwijssoorten afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde
                        ruimtebehoeften worden gesommeerd.</al><al>Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een additionele
                        ruimtebehoefte van 90 m2.</al><al>2.2 Gymnastiekruimten</al><al>Het aantal gymgroepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het
                        aantal gymgroepen wordt bepaald op basis van de modelbeleidsregel voor
                        bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                        onderwijs:</al><al>Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal
                        3,75 klokuur gymnastiek indien de school of nevenvestiging niet de
                        beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6
                        jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                        wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld
                        in bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO-school of
                        een SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de
                        verschillende schooltypen afzonderlijk plaats.</al><al>3 School voor voortgezet onderwijs</al><al>3.1 Lesgebouwen</al><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                        Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag
                        van een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee
                        componenten, te weten:</al><al>1. een leerlinggebonden component;</al><al>2. een vaste voet.</al><al>ad 1 Een leerlinggebonden component</al><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de
                        leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen
                        bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                        leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort
                        onderwijs, leerweg of sector die de leerling volgt.</al><al>ad 2 Een vaste voet</al><al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de
                        vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                        onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De
                        vaste voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het
                        onderwijsaanbod binnen de beroepsgerichte leerweg.</al><al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                        bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling
                        en, indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in
                        bruto vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling.</al><al>Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet
                        niet in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch
                        centrum (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van leerlingen op
                        de scholen die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die
                        gebruikmaken van de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen
                        ingeschreven bij reguliere scholen voor voortgezet onderwijs.</al><al>Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen
                        bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                        Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                        basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een
                        gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colwidth="15*"/><colspec colname="col3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>Tabel 7.1.a. Berekening van de leerlingafhankelijke
                                            ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Leerweg</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>BVO/leerling</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col2"><al>3,06</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col2"><al>2,10</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>4,71</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col2"><al>4,22</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>4,85</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col2"><al>5,53</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col2"><al>0,78</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>5,37</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col2"><al>2,34</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>5,03</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col2"><al>4,69</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>4,41</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col2"><al>7,72</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO= leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="64*"/><colspec colname="col2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling
                                            ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                                            onderwijs</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Vaste voet</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke
                        wordt toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een
                        nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking
                        komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt
                        een aanvullende vaste voet van 550 m2 BVO. Indien van toepassing worden
                        vaste voeten behorende bij die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg
                        wordt aangeboden toegekend op de vestiging waar de beroepsgerichte
                        leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een vaste voet voor die vestiging
                        waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig is.</al><al>3.2 Gymnastiekruimten</al><al>De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
                        gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto
                        vloeroppervlakten vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de
                        voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="56*"/><colspec colname="col2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte
                                            gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet> Leerweg</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet> BVO/leerling</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</al><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                        noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de
                        financiële consequenties vast te stellen.</al><al>1 School voor (speciaal) basisonderwijs</al><al>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening:</al><al>- nieuwbouw, dan wel</al><al>- vervangende nieuwbouw</al><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                        noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                        wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van
                        bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven
                        genoemde ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven
                        bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de
                        hierboven ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal
                        blijven bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening:</al><al>- uitbreiding, dan wel</al><al>- uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al><al>- ingebruikneming dan wel</al><al>- medegebruik</al><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                        beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven
                        in deel B van deze bijlage.</al><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><al>- 55 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik bestemde
                        voorziening basis-onderwijs;</al><al>- 40 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening basis-onderwijs;</al><al>- 50 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend of tijdelijk gebruik
                        bestemde voorzie-ning voor een school voor speciaal basisonderwijs.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                        genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er
                        is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven
                        genoemde verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal
                        blijven bestaan.</al><al>Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de
                        bruto-vloeroppervlakte van een speellokaal 90 m2 bvo.</al><al>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel
                        uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke
                        terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de
                        bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte
                        en het gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                        gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding
                        van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, en meubilair wordt
                        bepaald door de omvang in m2 bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde
                        voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald
                        door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                        het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan
                        het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval
                        van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die
                        minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>1.3 Gymnastiekruimten</al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw,
                        wordt bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in
                        onderdeel D van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria
                        voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het
                        onderdeel uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten
                        die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het
                        onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                        wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                        gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te
                        realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen
                        met betrekking tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                        meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                        gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van
                        het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte
                        oorspronkelijk is bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                        voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel
                        van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                        bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                        noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>2.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening:</al><al>- nieuwbouw, dan wel</al><al>- vervangende nieuwbouw</al><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                        noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                        wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van
                        bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven
                        genoemde ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven
                        bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de
                        hierboven ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal
                        blijven bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening:</al><al>- uitbreiding, dan wel</al><al>- uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al><al>- ingebruikneming dan wel</al><al>- medegebruik</al><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                        beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven
                        in deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste 50 m2
                        bruto-vloeroppervlakte bedragen.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                        genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er
                        is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven
                        genoemde verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal
                        blijven bestaan.</al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs bedraagt de omvang van een
                        speellokaal 90 m2 bvo.</al><al>2.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, terrein, dan wel
                        uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke
                        terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de
                        bij of krachtens de wet gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de
                        terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                        van het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door de omvang in m2
                        bruto- vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende)
                        nieuwbouw of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing wordt bepaald
                        door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt
                        te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                        het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, onderhoud wordt bepaald
                        door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                        het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorziening, herstel van constructiefouten en herstel van schade
                        aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in
                        geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die
                        minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>2.3 Gymnastiekruimten</al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw,
                        wordt bepaald door de minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in
                        onderdeel D van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria
                        voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het
                        onderdeel uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten
                        die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het
                        onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                        wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                        gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te
                        realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen
                        met betrekking tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                        meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                        gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van
                        het meubilair voor andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte
                        oorspronkelijk is bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                        voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel
                        van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                        bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                        noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al> 3 School voor voortgezet onderwijs</al><al>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                        aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar
                        noodzakelijk is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de
                        hand van het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van
                        deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                        uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                        tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                        huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die
                        aanwezig is.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                        gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor
                        huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte
                        wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van
                        deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in
                        de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de
                        ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst
                        bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent
                        verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het
                        feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare
                        onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in
                        te roosteren lessen.</al><al>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                        leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan
                        vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp
                        van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                        'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        uitbreiding, dan weluitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                        wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het
                        aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan
                        vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit
                        van de beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m2 bruto
                        vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                        ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                        bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                        gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor
                        huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                        en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting.
                        De ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals
                        beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                        ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in
                        de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de
                        ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst
                        bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent
                        verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het
                        feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare
                        onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in
                        te roosteren lessen.</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                        huisvesting verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                        leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan
                        vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit
                        van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp
                        van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                        'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</al><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door
                        de minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                        inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van
                        de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van
                        leer- en hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste
                        aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang
                        van de toegekende voorziening in de huisvesting.</al><al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen
                        en meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene
                        of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte
                        bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de
                        bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren
                        ruimte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan
                        het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval
                        van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die
                        minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>3.4 Gymnastiekruimten</al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw,
                        wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in
                        de toelichting bij deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                        leerlingen, waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk
                        is (te bepalen met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de
                        gymnastiekruimte die aanwezig is.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                        wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                        gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te
                        realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen
                        met betrekking tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                        meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                        gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van
                        het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte
                        oorspronkelijk is bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel
                        van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                        bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                        noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                        uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                        behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2
                        van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2
                        bvo gym) : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste
                        formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 322.</al><al>Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in
                        mindering gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1).</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten
                        hoogste acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor
                        vergoeding wordt gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met
                        als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel
                        berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. Voor het Lwoo
                        en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal
                        leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 322.</al><al>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>- minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3
                        m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan worden
                        volstaan met 600 m2 netto;</al><al>- minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al><al>- voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van
                        84m2 voor een speellokaal.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>- minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3
                        m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan worden
                        volstaan met 600 m2 netto;</al><al>- een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m2;</al><al>- minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto.</al><al>3 School voor voortgezet onderwijs</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>theorielokaal:</al></entry><entry colname="col2"><al>42 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>theorievaklokaal:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal lassen:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal meten:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>werkplaats:</al></entry><entry colname="col2"><al>115 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>restaurant:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>4 Gymnastiekruimten</al><al>- De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.</al><al>- De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                        was-/douchegelegenheid.</al><al>III-1</al><al>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte
                        van de schoolgebouwen in het primair onderwijs'</al><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                        voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN 2580, met
                        de volgende aantekeningen:</al><al>- de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                        buitenaf be-reikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                        gerekend;</al><al>- de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                        gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al><al>- bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                        gymnastiek-lokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart van
                        de scheidingsconstructie.</al><al>- bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte
                        of andere ruimte, wordt het bruto vloeroppervlak bepaald door de
                        nettovloeroppervlakte van het deel van de ruimte met een vrije hoogte van
                        ten minste 2,6 m te vermenigvuldigen met een factor 1.1;</al><al>- voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als
                        berging, -euken, reproruimte of werkkast telt deze niet mee voor de
                        berekening van de bruto-vloeroppervlakte</al><al>III-2</al><al>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte
                        van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'</al><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                        situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                        ministerie van OCenW.</al><al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte
                        van alle tot het gebouw behorende 'beloopbare' binnenruimten. De
                        bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek
                        van de opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</al><al>Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens:</al><al>- de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                        vloerniveau;</al><al>- de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan
                        0,5 m2.</al><al>Uitzonderingen:</al><al>- De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten
                        ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de
                        vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft luifels,
                        dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen,
                        fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en dergelijke.</al><al>- Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                        de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.</al><al>- - Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></divisie><divisie><kop><label> Bijlage IV Financiële normering 2008</label></kop><al>De financiële normering valt uiteen in drie delen:</al><al>- deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</al><al>- deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al><al>- deel C: bepaling medegebruikstarief.</al><al>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen</al><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is
                        tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding
                        omvat 8% (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2)
                        respectievelijk 5% (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag.
                        Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding van een op het programma
                        geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de
                        toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in
                        mindering gebracht.</al><al>Alle in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW.</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><al>- nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al><al>- uitbreiding (paragraaf 1.2);</al><al>- tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al><al>- eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                        1.4);</al><al>- aanpassing (paragraaf 1.5) en</al><al>- gymnastiek (paragraaf 1.6).</al><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van
                        de vergoedingen voor 2009. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1
                        juli 2008 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2009 (3% voor de
                        huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 3.75% voor onderhoud,
                        eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                        prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4.</al><al>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</al><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal
                        kostencomponenten, te weten:</al><al>- kosten voor terrein;</al><al>- bouwkosten;</al><al>- toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                        bouw;</al><al>- alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag voor een
                        speellokaal.</al><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van
                        een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals
                        opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente
                        bouwaard).</al><al>Kosten voor terreinen</al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                        gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop)
                        stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een
                        terrein dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden
                        gemaakt ten behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van
                        gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening
                        tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de
                        terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het
                        terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van
                        waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal benodigde oppervlakte van
                        het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D.</al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                        behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                        terreinen.</al><al>Bouwkosten</al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                        inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag,
                        waarin inbegrepen een aantel m2 en een bedrag per m2 voor de overige m2.bvo.
                        Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                        bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350 m2
                                            bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 786.808,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.346,45</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="87*"/><colspec colname="col2" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding speciale basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670 m2
                                            bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.274.865,77</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                            speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.409, 91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120,961,80</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw
                        op dezelfde plaats</al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                        desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                        verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is
                        gebaseerd op een vast bedrag per m2 bvo, afhankelijk van het type
                        huisvesting dat gesloopt dient te worden.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                        basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding (speciale) basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 54,58</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37,46</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2
                        brutovloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven.
                        Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële
                        normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</al><al>Kosten voor terrein</al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien
                        uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de
                        kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw
                        (paragraaf 1.1).</al><al>Bouwkosten</al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en
                        inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                        startbedrag en een bedrag per m2. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet
                        de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden
                        gerealiseerd.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Bedragen vergoeding basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of
                                            groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 115.220,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 76.813,46</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.534,85</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="89*"/><colspec colname="col2" colwidth="11*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding speicale basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m2 bvo of
                                            groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 118,488,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 78.992,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet
                                            begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.565,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                            m2 bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 138.137,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal
                                            (90 m2 bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de
                                            school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 253,973,40</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw
                        op dezelfde plaats</al><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente
                        bouwaard).</al><al>1.3 Tijdelijke voorziening</al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten
                        behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is
                        onderscheid gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of
                        uitbreiding van een permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een
                        bestaande tijdelijke voorziening.. Daarnaast wordt ingegaan op realisering
                        van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk
                        gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat
                        een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden
                        gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling
                        van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie</al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze
                        bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de
                        toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige
                        aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                        basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding (speciale) basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44,807,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29.871,63</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.101,13</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze
                        bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de
                        toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                        basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding (speciale) basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.186,62</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.791,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.153,79</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                        gehuurd.</al><al>In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en
                        huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                        werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke
                        kosten)</al><al>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>Basisschool</al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                        bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna opgenomen
                        bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2. Bij
                        uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het
                        verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder
                        uitbreiding.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 35.845,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 125.39</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Speciale school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding speciale basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 76.050,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 129.73</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van
                        een speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt €
                        6.939,99.</al><al>1.5 Aanpassing</al><al>Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B:
                        vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al>1.6 Gymnastiek</al><al>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</al><al>Nieuwbouw</al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor
                        zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                        bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 827.134,08 (op het
                        schoolterrein) respectievelijk € 843,863,35 (op afzonderlijk terrein). Deze
                        vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de
                        inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk
                        van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="67*"/><colspec colname="col2" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding o.b.v.. paallengte</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.636,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 22.934,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.210,94</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding</al><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten
                        bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                        bruto-vloeroppervlakte van 455 m2.</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van
                        140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte
                        van 252 m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor
                        zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als
                        volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Uitbreiding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 192.174,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 233.614,08</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is,
                        wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="45*"/><colspec colname="col2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colwidth="27*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding o.b.v. paallengte</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>112-120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>121-150 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.448,05</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9.313,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.900,44</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16.121,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.090,80</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 26.363,50</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                        gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale school
                        voor basisonderwijs € 48.021,61.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><al>- nieuwbouw (paragraaf 2.1);</al><al>- uitbreiding (paragraaf 2.2);</al><al>- tijdelijke voorziening (paragraaf 2.3);</al><al>- eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 2.4)
                        en</al><al>- gymnastiek (paragraaf 2.5).</al><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van
                        de vergoedingen voor 2009. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1
                        juli 2008 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2009 (3% voor de
                        huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 3,75% voor onderhoud,
                        eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                        prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4.</al><al>2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</al><al>De financiële normering valt uiteen in een vijftal kostencomponenten, te
                        weten:</al><al>- kosten voor terrein;</al><al>- bouwkosten;</al><al>- toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</al><al>- toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie;</al><al>- toeslag voor het herstel van terreinen en verhuiskosten bij vervangende </al><al> bouw.</al><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van
                        een gebouw ter vervanging van een ander gebouw en in het geval van nieuwbouw
                        van een nevenvestiging, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële
                        normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><al>Kosten voor terreinen</al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                        gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                        juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                        dient te worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt
                        ten behoeve van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                        terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                        gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen
                        zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt
                        aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van
                        terreinen. Voor de bepaling van de minimale omvang van het terrein wordt
                        verwezen naar bijlage III, deel D.</al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                        behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                        terreinen.</al><al>Bouwkosten</al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                        inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag
                        waarin inbegrepen een aantel m² en een bedrag per m² voor de overige m² bvo.
                        Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                        bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in
                        euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="87*"/><colspec colname="col2" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding bouwkosten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 m²
                                            bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.226.852,15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                            speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.401,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m² bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120.961,80</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor liftinstallatie</al><al>Indien bij nieuwbouw van een school een liftinstallatie wordt aangebracht
                        geldt het volgende vergoedingsbedrag:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="69*"/><colspec colname="col2" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding nieuwbouw lift</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 118.892,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw
                        op dezelfde plaats</al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                        desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                        verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is
                        gebaseerd op een vast bedrag per m² bvo, afhankelijk van het type
                        huisvesting dat gesloopt dient te worden.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding vervangende nieuwbouw</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 62,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 31,32</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in een permanente bouwaard tot 1000 m²
                        bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven.
                        Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële
                        normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). Dit geldt
                        ook voor de nieuwbouw van een nevenvestiging.</al><al>Kosten voor terreinen</al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien
                        uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de
                        kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw
                        (paragraaf 2.1).</al><al>Bouwkosten</al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                        inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                        startbedrag, een bedrag per m2. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de
                        in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in
                        euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="89*"/><colspec colname="col2" colwidth="11*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding bouwkosten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m2 bvo of
                                            groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 107.315,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 71.543,51</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet
                                            begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.568,54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                            m2 bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120.961,80</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal
                                            (90 m2 bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de
                                            school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 253.973,40</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag liftinstallatie</al><al>Indien bij uitbreiding van het gebouw tevens een liftinstallatie wordt
                        aangebracht kan aanspraak worden gemaakt op de volgende vergoeding:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="69*"/><colspec colname="col2" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Toeslag liftinstallatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 142.907,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw
                        op dezelfde plaats</al><al>Voor deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw
                        (permanente bouwaard).</al><al>2.3 Tijdelijke voorziening</al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten
                        behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is
                        onderscheid gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of
                        uitbreiding van een permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een
                        bestaande tijdelijke voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering
                        van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijke
                        gebruik bestemde voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan
                        dat een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan
                        worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de
                        beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw
                        (paragraaf 2.1).</al><al>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie</al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze
                        bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting
                        van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                        bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding nieuwbouw</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46,962,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 31.735,68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.078,85</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                        alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                        worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij
                        nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze
                        bedragen zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor herstel en
                        inrichting van terreinen.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in
                        euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding uitbreiding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.538,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 17.025,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.140,65</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                        alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                        worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij
                        nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                        gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een
                        noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden
                        vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten)</al><al>2.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                        bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen
                        bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m². Bij
                        uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het
                        verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder
                        uitbreiding</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="36*"/><colspec colname="col2" colwidth="45*"/><colspec colname="col3" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Basisbedrag</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Voor elke </vet><vet>m2 </vet><vet>bvo</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 128.138,54</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 223,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-sh</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 116.403,66</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 289,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 108.468,28</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 144,14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 153.938,08</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 275,12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lz</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 98.164,51</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 135,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 115.567,26</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 264,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 96.639,88</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 114,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 94.329,81</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 132,20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 995.163,67</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 143,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 117.011,90</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 117,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van
                        een speellokaal bedraagt € 6.939,99.</al><al>2.5 Gymnastiek</al><al>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</al><al>Nieuwbouw</al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met
                        een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 827.134,08 (op het
                        schoolterrein) en € 843.863,35 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding
                        omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het
                        terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen.</al><al>Voor LG-scholen en MG-scholen met een LG- of MLK/ZMLK-component is er een
                        toeslag van 50 m2 (grotere entree en kleed- en doucheruimte). Met deze
                        toeslag is een bedrag gemoeid van € 82,973,51. Indien paalfundering
                        noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven. Indien extra ruimte voor LG en
                        MG-scholen van 50 m2 beschikbaar is gesteld, geldt een hogere toeslag
                        (tussen haakjes vermeld). De vergoeding wordt bepaald op basis van de
                        volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Vergoeding o.b.v.paallengte</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.636,89</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 20.976,74)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 22.934,81</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 229.051,15)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.210,94</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 41.809,49)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding</al><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten
                        bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                        bruto-vloeroppervlakte van 455 m2.</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van
                        140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte
                        van 252 m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen er als
                        volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Uitbreiding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 192.174,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 233.614,08</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is,
                        wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="45*"/><colspec colname="col2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>112-120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>121-150 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.448,05</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9.313,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.900,44</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16.121,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21,090,80</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 26.363,50</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>OLP/meubilair</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>OLP/Meubilair</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Schoolsoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bedrag in euro</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.294,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.069,68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.089,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 50.486,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.211,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.211,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.137.16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44,895,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.076,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 54.804,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 56.224,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.246,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.246,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 39.498,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.492,90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 49.839,61</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 56.873,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 57.754,91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.018,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.018,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 39.946,87</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3 School voor voortgezet onderwijs</al><al>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld
                        in:</al><al>- nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);</al><al>- tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);</al><al>- eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3);
                        en</al><al>- gymnastiek (paragraaf 3.4).</al><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van
                        de vergoedingen voor 2009. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1
                        juli 2008 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2009 (3% voor de
                        huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 3,75% voor onderhoud,
                        eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                        prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4.</al><al>3.1 Nieuwbouw en uitbreiding</al><al>Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en
                        uitbreiding. Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande
                        gebouw plaats (zie voor de vaststelling van het bedrag voor de component
                        'aanpassing' deel B).</al><al>De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een
                        tweetal kostencomponenten:</al><al>- kosten van terreinen;</al><al>- bouwkosten.</al><al>Kosten van terreinen</al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                        gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                        juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                        dient te worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt
                        ten behoeve van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                        terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                        gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen
                        zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt
                        aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van
                        terreinen.</al><al>Bouwkosten</al><al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op
                        staal, alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag
                        voor de vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te
                        weten een vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding
                        voor de sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan
                        uit bedragen per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten
                        van een schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand
                        van de hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals
                        opgenomen in Bijlage III, deel B.</al><al>De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2
                        bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening,
                        alsmede een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen
                        sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk
                        opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2
                        bruto-vloeroppervlakte.</al><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel op de volgende bladzijde met vaste
                        bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening.
                        Voor de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten
                        worden de benodigde aantallen m2 per type ruimte van de goedgekeurde
                        huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C,
                        vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de
                        vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van
                        de algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de
                        werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op
                        basis van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De
                        vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de
                        sectie-afhankelijke kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste
                        normkosten.</al><al>Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m² (in euro)</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><colspec colname="col3" colwidth="14*"/><colspec colname="col4" colwidth="14*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>&lt;460 m</vet><vet>2 </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>460&lt;2500 m</vet><vet>2 </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>&gt;=25002</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>2.106,53</al></entry><entry colname="col3"><al>1.250,16</al></entry><entry colname="col4"><al>1.220,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.057,47</al></entry><entry colname="col3"><al>1.664,33</al></entry><entry colname="col4"><al>1.664,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>2.498,40</al></entry><entry colname="col3"><al>2.105,26</al></entry><entry colname="col4"><al>2.105,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte:</al><al>- (uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                        gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al><al>- handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                        etaleren.</al><al>Werkplaatsen:</al><al>- techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                        elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                        voertuigentechniek;</al><al>- consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al><al>- grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al><al>- landbouw: groen-praktijk;</al><al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al><al>Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening (in euro)</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colwidth="30*"/><colspec colname="col3" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Ruimteafhankelijke kosten per bruto m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>&lt; 460 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 460 &lt; 2500 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>&gt;= 2500 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al>132.917,29</al></entry><entry colname="col3"><al>132.917,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemene sectie</al></entry><entry colname="col2"><al>260.906,59</al></entry><entry colname="col3"><al>364.285,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet werkplaatssectie</al></entry><entry colname="col2"><al>48.242,50</al></entry><entry colname="col3"><al>48.242,50</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek,
                        machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek,
                        grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                        motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de
                        algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen
                        en tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie
                        algemeen.</al><al>Aanvullende normkosten</al><al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van
                        een standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden
                        kunnen extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt
                        een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal
                        aspecten, te weten fundering en bemaling.</al><al>In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op
                        staal. In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het
                        criterium voor toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te
                        stellen sonderingsrapport.</al><al>De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de
                        bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de
                        hand van de volgende formules:</al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &gt; 1000 m2</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="61*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><colspec colname="col3" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Nieuwbouw en uitbreiding &gt; 1000 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.874,72</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 20,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.125,13</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 34,39</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.605,57</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 61,54</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="61*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><colspec colname="col3" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.731,73</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7.12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.171,77</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 18,84</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 9.372,34</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 37.36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                        grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter
                        onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2
                        goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend.</al><al>De vergoeding bedraagt € 13,20 per m2 terrein.</al><al>3.2 Tijdelijke voorziening</al><al>Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet
                        onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type
                        voorziening.</al><al>De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden:</al><al>- nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</al><al>- huur van tijdelijke lokalen.</al><al>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen</al><al>Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met
                        tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende
                        formule:</al><al>€ 670,32 * A + € 46.085,63</al><al>A = het toegekende aantal m² bruto-vloeroppervlakte aan tijdelijke
                        huisvesting.</al><al>Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle
                        directe en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening
                        moeten worden bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die
                        kosten behoren onder meer het aansluiten van de tijdelijke
                        huisvestingsvoorziening op nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken
                        van het terrein inclusief fundering voor de te plaatsen tijdelijke
                        huisvestingsvoorziening.</al><al>Huur van tijdelijke lokalen</al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                        gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een
                        noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden
                        vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten).</al><al> 3.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</al><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris
                        (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de
                        huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw),
                        uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging
                        van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van
                        overheidswege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar
                        medegebruik is toekenning van inventaris slechts van toepassing indien
                        inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt dan wel niet
                        geschikt is.</al><al>De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat wordt
                        gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto
                        vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto vloeroppervlakte
                        per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de
                        in onderstaande tabel genoemde bedragen.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="15*"/><colspec colname="col2" colwidth="77*"/><colspec colname="col3" colwidth="8*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>147.93</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie
                                            Handel/verkoop/administratie Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>345.74 211,50 283,97</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen Consumptief Grafische techniek
                                            Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al>362,73 702,44 1.342,96 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte:</al><al>- (uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde,
                        uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al><al>- handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                        etaleren;</al><al>- praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken</al><al>Werkplaatsen:</al><al>- techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                        elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                        voertuigentechniek;</al><al>- consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al><al>- grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al><al>- landbouw: groen-praktijk;</al><al>- praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al><al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al><al>3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs</al><al>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met
                        een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 827.134,07 (op het
                        schoolterrein) respectievelijk € 843.863,35 (op afzonderlijk terrein).</al><al>De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal-
                        en ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het
                        terrein. De kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk
                        van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de
                        volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="67*"/><colspec colname="col2" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.636,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 22.934,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.210,94</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal</al><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                        mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik
                        van een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een
                        commerciële exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is
                        de school voor voortgezet onderwijs de volgende vergoeding
                        verschuldigd:</al><al>a. Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet
                        onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het
                        klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de hoogte
                        van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de
                        klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al><al>Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt
                        gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag
                        vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de
                        gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26
                        klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de 26
                        klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te vergoeden.</al><al>b. Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de
                        school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan
                        exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de
                        hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel
                        van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al><al>c. Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                        gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs
                        (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan de
                        school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De hoogte
                        van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen huurbedrag
                        en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het aantal uren
                        gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt aangesloten bij het
                        vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair
                        onderwijs.</al><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c
                        wordt het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                        onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van
                        het op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het
                        totale vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet
                        onderwijs moet vergoeden.</al><al>Huur sportvelden</al><al>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een
                        vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten
                        bedraagt € 19,59 per klokuur.</al><al>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair</al><al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en
                        ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand
                        gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is
                        bekostigd, bestaat aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer-
                        en hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                        medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                        hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende
                        gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in
                        euro):</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><colspec colname="col3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>Eerste inrichting L.h.m./meubilair</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Meubilair</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>L.h.m</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Totaal</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eerste lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>1.014.21</al></entry><entry colname="col3"><al>60.479,18</al></entry><entry colname="col4"><al>61.494,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweede lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>1.014.21</al></entry><entry colname="col3"><al>47.178,35</al></entry><entry colname="col4"><al>48,192,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Derde lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>1.014.21</al></entry><entry colname="col3"><al>20.510,94</al></entry><entry colname="col4"><al>21.525,15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>13.356,72</al></entry><entry colname="col4"><al>13.356,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>1.541,85</al></entry><entry colname="col4"><al>1.541,85</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>4 Indexering</al><al>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn afgeleid van het prijspeil van
                        1 juli 1996. Jaarlijks worden door het college de werkelijke
                        prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling
                        ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar
                        van uitvoering van het programma bekendgemaakt.</al><al>Werkelijke prijsontwikkeling</al><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke
                        prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk
                        jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli
                        het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als
                        prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer
                        'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100 (inclusief btw)', gepubliceerd in
                        de 'Maandstatistiek bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van
                        het lopende jaar en het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande
                        jaar.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek wordt als
                        prijsbijstellingscijfer aangehouden het CBS-indexcijfer 'Consumentenindex
                        van alle huishoudens' (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de
                        prijzen' van het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand
                        juli van het daaraan voorafgaande jaar.</al><al>Indien de CBS-indexcijfers 'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100' over
                        het tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn,
                        worden de CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede
                        kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><al>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</al><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het
                        programma wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken
                        van het werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma.
                        Dit is noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het
                        programma en het moment van vergoeding vast te stellen.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer
                        het MEV-cijfer (Macro-economische verkenning) 'bruto investeringen door
                        bedrijven in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in
                        september.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het
                        MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals
                        bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al><al>DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</al><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                        vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op
                        basis van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen,
                        ingevolge artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van
                        feitelijke kosten, dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen
                        aanbestedingsregels te worden voldaan.</al><al>Europese aanbesteding</al><al>Indien de omvang van een opdracht of contract boven een bepaald bedrag
                        uitkomt, worden ingevolge het Besluit overheidsaanbestedingen de richtlijnen
                        van de Europese Unie (2004/18/EG) toegepast. Deze richtlijnen gelden vanaf
                        de volgende bedragen:</al><al>- 211.000 euro (exclusief BTW) voor leveringen en diensten;</al><al>- 5.278.000 euro (exclusief BTW) voor werken.</al><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder
                        de definitie 'werken'. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of
                        onderwijsleerpakket valt onder 'leveringen'. Bij aankoop van gebouwen en
                        terreinen is de richtlijn uiteraard niet van toepassing.</al><al>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag</al><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen, zoals
                        vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing.</al><al>Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken
                        gemaakt over de wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat
                        op basis van het vastgestelde gemeentelijk beleid bepaald wordt op welke
                        wijze een opdracht wordt aanbesteed, tenzij het college na overleg anders
                        beslist.</al><al>DEEL C Bepaling medegebruikstarieven</al><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor (voortgezet)
                        speciaal onderwijs, voor voortgezet onderwijs alsmede een instelling als
                        bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs betaalt voor het
                        onderwijsgebruik van een lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een
                        vergoeding. Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij
                        meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de
                        groepsafhankelijke programma's van eisen voor het basisonderwijs, zoals
                        jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                        Wetenschap.</al></divisie><divisie><kop><label> Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</label></kop><al>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</al><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                        criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden
                        ter samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in
                        volgorde van prioriteit.</al><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><al>1. voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III
                        op te heffen;</al><al>2. voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                        i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;</al><al>3. voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                        gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                        capaciteitsuitbreiding inhouden;</al><al>4. voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                        inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen
                        aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al><al>Ad 1</al><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                        voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                        inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                        toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook
                        vergroting van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening
                        bijvoorbeeld door nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze
                        hoofdprioriteit. Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw
                        inclusief de noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze
                        hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan capaciteit op te
                        heffen.</al><al>Ad 2</al><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een
                        ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het
                        primair onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van
                        schade in bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een
                        oliegestookte verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de
                        tweede hoofdprioriteit.</al><al>Ad 3</al><al>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                        (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                        verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</al><al>Ad 4</al><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                        onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                        activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of
                        vervanging van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet
                        spoedeisend is.</al><al>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteiten</al><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit
                        de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten,
                        namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald
                        afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere
                        voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de
                        subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast.</al><al>Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen
                        en gymnastiekruimten.</al><al>Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige
                        nevenruimten binnen het gebouw.</al><al>Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en
                        voorzieningen aan het terrein.</al><al>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als
                        bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het
                        programma in aanmerking:</al><al>a. als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                        kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                        schoolgebouwen;</al><al>b. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                        kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                        schoolgebouwen en</al><al>c. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                        kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al><al>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                        onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                        aanmerking:</al><al>a. als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het bouwkundige
                        rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                        kwaliteit wordt toegekend;</al><al>b. vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                        volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                        de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al><al>c. vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                        waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2
                        onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al><al>d. vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                        bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste
                        score qua kwaliteit wordt toegekend;</al><al>e. vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                        bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste
                        score qua kwaliteit wordt toegekend.</al><al>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan
                        bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor
                        zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt voor plaatsing op het
                        programma in aanmerking:</al><al>a. als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                        regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                        bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al><al>b. vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                        voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                        volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                        is;</al><al>c. vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                        dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                        conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                        minste is;</al><al>d. vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de
                        wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport
                        zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al><al>e. vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                        wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport
                        zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al><al>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg
                        van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                        aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                        onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</al><al>a. als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                        vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal groepen
                        leerlingen het hoogst is;</al><al>b. vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                        percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het
                        hoogst is;</al><al>c. vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                        waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                        beleid geldt het hoogst is;</al><al>d. vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in gebruik
                        wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                        onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al><al>e. vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden,
                        waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al><al>f. vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                        aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst is.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>