<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR56795_5</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening Brielle 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Brielle</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-03-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Brielle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-21421.html">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>APV Brielle 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel149">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-03-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-12-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Stafafdeling BZM</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening Brielle 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Brielle;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 februari 2015,
                        volgnummer 10;</al><al/><al>gelet op het advies van de commissie bestuurlijke zaken en middelen van 19
                        februari 2015;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>de Algemene Plaatselijke Verordening Brielle 2015 vast te stellen. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                    manifestaties daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="b."><al>weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="c."><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="d."><al>beboouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld
                                    op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="e."><al> rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="f."><al> bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening daaronder
                                    wordt verstaan;</al></li><li nr="g."><al> gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                                    Woningwet daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="h."><al> handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen;</al></li><li nr="i."><al> bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
                                    een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld
                                    in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende
                                    omgevingsvergunning;</al></li><li nr="j."><al> college: het college van burgemeester en wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid,
                                of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en
                                onder a, of artikel 4:11.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is een termijn van zestien weken van
                                toepassing op een aanvraag om vergunning voor een categorie B- en
                                C-evenement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al> De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of
                            krachtens deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al> De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><al> a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                            verstrekt;</al><al> b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                            inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning,
                            intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de
                            belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is
                            vereist;</al><al> c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al><al> d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                            binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een
                            gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;</al><al> e. indien de houder dit verzoekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al> De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><al> a. de openbare orde;</al><al> b. de openbare veiligheid;</al><al> c. de volksgezondheid;</al><al> d. de bescherming van het milieu.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door
                                    uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die op een openbare plaats, </al><al>a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan
                                    of dreigen te ontstaan; </al><al>b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot
                                    toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen
                                    te ontstaan; of </al><al>c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; </al><al>is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                    lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                    vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                    samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>BETOGINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                    te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in
                                    artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft
                                    daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uur
                                    voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de
                                    burgemeester. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat: </al><al>a. naam en adres van degene die de betoging houdt; </al><al>b. het doel van de betoging; </al><al>c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip
                                    van aanvang en van beëindiging; </al><al>d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                    plaats van beëindiging; </al><al>e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en </al><al>f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om
                                    een regelmatig verloop te bevorderen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                    het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                    kennisgeving in behandeling nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis
                                    verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven
                                    stukken en afbeeldingen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>VERTONINGEN E.D. OP DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op
                                    door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen
                                    openbare plaatsen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10a:</nr><titel>Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg
                                    in strijd met de publieke functie van de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder voorafgaande vergunning de weg of een
                                    weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke
                                    functie daarvan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: </al><al>a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                    gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                    doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan
                                    vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; </al><al>b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                    verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                    welstand; </al><al>c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
                                    voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10b:</nr><titel>afbakeningsbepalingen en uitzonderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet
                                    voor: </al><al>a. evenementen als bedoeld in artikel 2.24; </al><al>b. terrassen als bedoeld in artikel 2.28; </al><al>c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5.18. </al><al>d. containers en steigers, voor zover deze niet langer dan 2
                                    dagen op de openbare weg worden geplaatst en waarbij een
                                    wegbreedte van 3,50 meter wordt vrijgehouden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt tevens
                                    niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                    worden geopenbaard. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerst lid van het vorige artikel geldt niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                    wegenreglement; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, van het vorige
                                    artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b, van het vorige
                                    artikel geldt niet voor bouwwerken; </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c, van het vorige
                                    artikel geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door de Wet milieubeheer. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10c:</nr><titel>vrij te stellen categorieën</titel></kop><al> Het college kan categeorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het
                                verbod in het eerste lid van artikel 2:10a niet geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> de vergunning wordt verleend:</al><al> a) als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
                                    activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                    beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
                                    of</al><al> b) door het college in de overige gevallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet indien in opdracht van
                                    een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden
                                    verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                    beheer Rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement,
                                    de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Op de vergunning bedoeld in het eerste lid paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg te
                                    maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande
                                    uitweg naar de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning
                                    slechts geweigerd: </al><al>a. Ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; </al><al>b. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een
                                    openbare parkeerplaats;</al><al>c. indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare
                                    wijze wordt aangetast; of </al><al>d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al
                                    door een andere uitweg wordt ontslo-ten, en de aanleg van deze
                                    tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of
                                    het openbaar groen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal
                                    wegenreglement Zuid-Holland.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>VEILIGHEID OP DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is
                                    verplicht deze</al><al>a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander
                                    herkenningsteken, en </al><al>b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de
                                    omgeving van dat bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een
                                    openbare plaats achter te laten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar
                                oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan
                                    wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter
                                    daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan,
                                    voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                    voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                    liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet
                                    voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende
                                    erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                    (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerleid wijze
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                    meter boven dat gedeelte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad
                                    of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m
                                    uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte
                                    delen van een afscheiding zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat
                                    artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld
                                    in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen
                                    aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                    Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>EVENEMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al><al> a. bioscoopvoorstellingen;</al><al> b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                    de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;</al><al> c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al><al> d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
                                    gelegenheid geven tot dansen;</al><al> e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
                                    Wet openbare manifestaties;</al><al> f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onder evenement wordt mede verstaan:</al><al> a. een herdenkingsplechtigheid;</al><al> b. een braderie;</al><al> c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                    2:3 van deze verordening, op de weg;</al><al> d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                    weg.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De volgende evenementen worden onderscheiden:</al><al> a. categorie 0-evenement: kleinschalig evenement zonder
                                    noemenswaardig risico;</al><al> b. categorie A-evenement: evenement met laag risico, waarbij
                                    sprake is van een beperkte impact op de omgeving;</al><al> c. categorie B-evenement: evenement met een verhoogd risico,
                                    waarbij sprake is van een verhoogde impact op de omgeving;</al><al> d. categorie C-evenement: risicovol evenement, waarbij sprake
                                    is van een grote impact op de omgeving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder evenementenoverzicht wordt verstaan de door het college
                                    jaarlijks vastgestelde kalender met categorie B en C evenementen
                                    voor het volgende - aankomende - evenementenjaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                                    de burgemeester een evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Geen vergunning is vereist voor een categorie 0-evenement,
                                    indien:</al><al> a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 50
                                    personen;</al><al> b. het evenement tussen 9.00 en 23.00 uur plaats vindt;</al><al> c. het evenement niet meer dan 2 straten omvat;</al><al> d. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na
                                    23.00 uur;</al><al> e. het evenement niet plaatsvindt op de doorgaande rijbaan,
                                    (brom)fietspad of anderszins een belemmering vormt voor het
                                    verkeer en de hulpdiensten;</al><al> f. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte
                                    van minder dan 10 m2 per object;</al><al> g. er een organisator is;</al><al> h. de organisator binnen 7 werkdagen voorafgaand aan het
                                    evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De burgemeester kan binnen 5 dagen na ontvangst van de melding
                                    besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het
                                    tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Toestemming voor een categorie 0-evenement is verleend
                                    indien:</al><al> a. na ontvangst van het kennisgevingsformulier door de
                                    burgemeester geen tegenbericht is verzonden, en;</al><al> b. de organisator een ontvangstbevestiging, van het feit dat
                                    hij een kennisgeving heeft gedaan, kan tonen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de
                                    aanvraag is gebleken, dienen door de organisator onverwijld aan
                                    de burgemeester te worden gemeld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op
                                    of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25 A</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 en 1:8 kan de burgemeester
                                de vergunning, geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor
                                onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel:</al><al> a. het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van
                                het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op
                                het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat de activiteiten worden
                                voortgezet;</al><al> b. de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt
                                nodig is;</al><al> c. de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid
                                noodzakelijke politie- en betreffende hulpverleningscapaciteit een
                                onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet;</al><al> d. tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke
                                maatregel is genomen;</al><al> e. de organisator in enig opzicht van slecht levensgedrag is;</al><al> f. de organisator de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft
                                bereikt;</al><al> g. de vooraankondiging van een categorie B- of C-evenement niet
                                voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het
                                evenementenoverzicht wordt vastgesteld is ingediend;</al><al> h. een categorie A-evenement niet ten minste acht weken voor
                                aanvang van het evenement is aangevraagd;</al><al> i. een categorie B- of C-evenement niet ten minste zestien weken
                                voor aanvang van het evenement is aangevraagd (12 weken indien het
                                evenement reeds eerder heeft plaats gevonden en op het
                                evenementenoverzicht is geplaatst);</al><al> j. een categorie B- of C-evenement waarvoor vergunning wordt
                                gevraagd niet is opgenomen op het evenementenoverzicht;</al><al> k. de inhoud of uitstraling van het evenement niet past in het
                                evenementenbeleid, het imago of de belangen van gemeente
                                Brielle.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordelijkheid bij evenementen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij evenementen die zijn aangewezen als
                                    collectieve festiviteit in de zin van artikel 4:2 op het daartoe
                                    aangewezen evenemententerrein gebruik te maken van glaswerk op
                                    de weg en op het bij een horecabedrijf behorende terras. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden voor bezoekers zich tijdens een evenement te
                                    gedragen of voorwerpen of stoffen mee te dragen of te voeren met
                                    het kennelijke doel de orde te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De burgemeester kan nadere regels stellen, ter aanvulling c.q.
                                    uitwerking van het gestelde in lid 3. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van
                                    ambtenaren van politie, brandweer en toezichthouders, zoals
                                    genoemd in artikel 6.2, in het belang van openbare orde of
                                    veiligheid terstond en stipt op te volgen. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><al>a. openbare inrichting: </al><al>I. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar,
                                    discotheek, buurthuis of clubhuis; </al><al>II. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                    waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                                    was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of
                                    rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of
                                    bereid; </al><al>b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare
                                    inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan
                                    worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden
                                    geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden
                                    bereid of verstrekt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de
                                    besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan
                                    waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                    vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor
                                    directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatievergunning openbare inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van
                                    de openbare inrichting in strijd is met een geldend
                                    bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de
                                    burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk
                                    weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                    woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting
                                    of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                                    beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die
                                    zich bevindt in:</al><al> a) een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet
                                    voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een
                                    nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;</al><al> b) een zorginstelling;</al><al> c) een museum;</al><al> d) een automatiek;</al><al> e) een broodjeszaak;</al><al> f) een cafetaria;</al><al> g) een croissanterie;</al><al> h) een koffiebar;</al><al> i) een lunchroom;</al><al> j) een ijssalon;</al><al> k) een snackbar;</al><al> l) een tearoom;</al><al> m) een traiteur; of</al><al> n) een bedrijfskantine of -restaurant,</al><al>o) een uitvaartcentrum,</al><al> tenzij er in die horecabedrijven alcohol wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in artikel 2.10a beslist de
                                    burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook
                                    betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende
                                    terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de
                                    ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Het bepaalde in het vijfde lid geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of het Zuid-Hollands wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste
                                    lid indien de houder geen verklaring omtrent gedrag overlegt die
                                    uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de
                                    vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al> Exploitatievergunningen worden verleend voor een periode van
                                    maximaal 3 jaar.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al> Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op
                                    de vergunning bedoeld om het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met
                                    vrijdag tussen 01.00 en 05.00 uur en op zaterdag en zondag
                                    tussen 02.30 en 05.00 uur (sluitingstijd). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bij de openbare inrichting behorende terras is gesloten op
                                    maandag tot en met vrijdag tussen 24.00 en 09.00 uur en op
                                    zaterdag en zondag tussen 01.00 en 09.00 uur (sluitingstijd).
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend
                                    te hebben, of bezoekers daar te laten verblijven na
                                    sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
                                </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde
                                    lid onder a en m, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de
                                    winkel. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het eerste, tweede en vierde lid zijn niet van toepassing in die
                                    situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                    voorzien. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op
                                    de ontheffing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen
                                    tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk
                                    sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin
                                    artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Verboden gedragingen</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting: </al><al>a) de orde te verstoren; </al><al>b) zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de
                                inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens
                                artikel 2:30, eerste lid; </al><al>c) op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die
                                geen gebruik maken van het terras. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel binnen openbare inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat
                                    een handelaar of een voor hem handelend persoon in die
                                    inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere
                                    wijze overdraagt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28
                                tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel/></kop><al>[gereserveerd]</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8A</nr><titel>BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE
                                DRANK- EN HORECAWET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34a</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><al>- alcoholhoudende drank, </al><al>- horecabedrijf, </al><al>- horecalocaliteit, </al><al>- inrichting, </al><al>- paracommerciële rechtspersoon, </al><al>- sterke drank, </al><al>- slijtersbedrijf en </al><al>- zwak-alcoholhoudende drank, </al><al>dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34b</nr><titel>Regulering paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten
                                    van sportieve aard verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank
                                    op:</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>maandag tot en met vrijdag na 10.00 uur en tot 23.00 uur;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>zaterdag en zondag na 10.00 uur en tot 19.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover er bij paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in
                                    het eerste lid wedstrijdactiviteiten plaatsvinden die eindigen
                                    tijdens de laatste uur vóór het verlopen of na afloop van de in
                                    dat lid genoemde schenktijden, is het deze paracommerciële
                                    rechtspersonen toegestaan, in aanvulling op de schenktijden
                                    genoemd in dat lid, alcoholhoudende drank te verstrekken tot 1
                                    uur na beëindiging van deze activiteiten. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Paracommerciële rechtspersonen waarbij het faciliteren van
                                    sociale interactie direct voortvloeit uit de doelstellingen,
                                    zoals studentenverenigingen, studentensportverenigingen en
                                    dorpshuizen, verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank na
                                    10.00 uur en tot 01.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend
                                    alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met 1 uur
                                    voor aanvang en eindigende met 1 uur na beëindiging van
                                    activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving
                                    van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34c</nr><titel>Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende
                                    drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en
                                    bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet
                                    rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende
                                    rechtspersoon betrokken zijn, wanneer dit leidt tot oneerlijke
                                    mededinging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Paracommerciële rechtspersonen, zoals bedoeld in artikel 2:34a
                                    lid 3 en 4 verstrekken alcoholhoudende drank tijdens ten
                                    hoogste:</al><al> a. 40 bijeenkomsten per jaar van persoonlijke aard of
                                    bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet
                                    rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende
                                    rechtspersoon betrokken zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk 5 werkdagen
                                    vóór een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid hiervan
                                    melding aan de burgemeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34d</nr><titel>Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke
                                    drank te verstrekken:</al><al> a. in inrichtingen:</al><al> 1° waarin onderwijs wordt gegeven;</al><al> 2° die geheel of voor een deel uitsluitend of in hoofdzaak in
                                    gebruik is bij sportorganisaties of –instellingen, met
                                    uitzondering van watersportverenigingen;</al><al> 3° die geheel of voor een deel uitsluitend of in hoofdzaak in
                                    gebruik is bij jeugdorganisaties of –instellingen;</al><al> 4° waarin, of in een onderdeel waarvan, uitsluitend of in
                                    hoofdzaak geringe etenswaren worden verkocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van
                                    de Drank- en Horecawet beperken tot het verstrekken van
                                    zwak-alcoholhoudende drank.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De burgemeester kan, op schriftelijk verzoek, ontheffing
                                    verlenen van het in lid 1 gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34e</nr><titel>Beperkingen voor andere detailhandel dan
                                    slijtersbedrijven</titel></kop><al> Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet
                                zwak-alcoholhoudende drank te verstrekken vanuit locaties als
                                bedoeld in artikel 18, tweede lid, of artikel 19, tweede lid, onder
                                a, van de Drank- en Horecawet:</al><al> a. gedurende de volgende tijdsruimten:</al><al> jaarlijks op 1 april, van 00.00 tot en met 24.00 uur;</al><al>en:</al><al> b. in de volgende gebieden:</al><al> 1° binnenstad Brielle;</al><al> 2° Thoelaverweg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34f</nr><titel>Koppeling toegang aan leeftijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden personen jonger dan 16 jaar toe te laten in
                                    horecalokaliteiten en op terrassen die een voor die dag geldende
                                    ontheffing hebben van de sluitingstijden als bedoeld in artikel
                                    2:29, derde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De leeftijd van degene die wenst te worden toegelaten wordt
                                    bepaald op de in artikel 20, vierde lid, van de Drank- en
                                    Horecawet bedoelde wijze.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34g</nr><titel>Verbod happy hours</titel></kop><al> Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de
                                openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet
                                alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse
                                tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is
                                dan 60% van de prijs die in de desbetreffende horecalokaliteit op of
                                het desbetreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN
                                NACHTVERBLIJF</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de
                                dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                    publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
                                    omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
                                    enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                    voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op:</al><al> a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                    eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is
                                    verleend;</al><al> b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de
                                    Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;</al><al> c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                    kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                    kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                    bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                    handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de
                                    kansspelen te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De burgemeester weigert de vergunning:</al><al> a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon-
                                    en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de
                                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed
                                    door de exploitatie van de speelgelegenheid;</al><al> b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is
                                    met een geldend bestemmingsplan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Kansspelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al> a. Wet: de Wet op de kansspelen;</al><al> b. kanspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                    c, van de Wet;</al><al> c. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                    30, onder d, van de Wet;</al><al> d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                    30, onder e, van de Wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee
                                    kansspelautomaten toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                    toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al><al> a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                    aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze
                                    aan te brengen of te doen aanbrengen;</al><al> b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                    afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen
                                    aanbrengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij
                                    zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,
                                    kleur of verfstof of verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                    niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatige
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats: </al><al>a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                    overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig,
                                    hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor
                                    niet bestemd straatmeubilair; </al><al>b. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of
                                    aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen
                                    onnodig overlast of hinder berokkent. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                    Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of al dan niet aangebroken flessen, blikjes en
                                    dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, met het
                                    kennelijke doel om deze daar te gaan gebruiken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: </al><al>a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Drank en Horecawet; </al><al>b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder
                                    a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de
                                    Drank- en Horecawet; </al><al>c. de duur van evenementen op het daartoe aangewezen
                                    evenemententerrein voor zover het evenement is aangewezen als
                                    een collectieve festiviteit in de zin van artikel 4:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden:</al><al> a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                    houden;</al><al> b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                    drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van een
                                    gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder
                                    redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik
                                    bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al> Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets
                                te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een
                                deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><al> a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of</al><al> b. daardoor die ingang versperd wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al><al> a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                    aangelijnd is;</al><al> b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                    zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of
                                    op een andere door het college aangewezen plaats;</al><al> c. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een
                                    ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet
                                    kennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De verboden genoemd in het eerste lid aanhef en onder a en b
                                    zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een
                                    hond:</al><al> a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                    sociale hulphond laat begeleiden; of</al><al> b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                    geleidehond of sociale hulphond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is
                                    verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond
                                    onmiddellijk worden verwijderd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder
                                    van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
                                    of sociale hulphond laat begeleiden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen plaatsen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58a</nr><titel>Verontreiniging door dieren op de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder eigenaar van een dier: de
                                    eigenaar, de houders, de verzorger, de berijder van een dier of
                                    degene die het dier feitelijk onder zijn hoede heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de eigenaar van een dier verboden dat dier als rijdier of
                                    trekdier binnen de bebouwde kommen van Brielle, Vierpolders en
                                    Zwartewaal op de weg te laten verblijven of lopen indien de
                                    uitwerpselen van dat dier niet adequaat kunnen worden
                                    opgevangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het tweede lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar van een dier
                                    er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden
                                    verwijderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die</al><al> a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van
                                    beide stoffen;</al><al> b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals
                                    is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet
                                    mogelijk is; en</al><al> c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                    afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek
                                    toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden
                                    aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: </al><al>a. aanwezig te hebben; </al><al>b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                    hen gestelde regels; </al><al>c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                    aanwijzing is aangegeven; of </al><al>d. te voeren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen,
                                    ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het
                                    eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden: </al><al>a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere
                                    gebouwen waar overdag mensen verblijven; </al><al>b. binnen een afstand van dertig meter van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen
                                    of gebouwen als bedoeld in dat lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                    door het Provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maat-regel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te
                                    nemen: </al><al>a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                    goed; </al><al>b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; </al><al>c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor
                                    zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; </al><al>d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het
                                    goed; en </al><al>e. de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                    verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De burgemeester kan bepalen dat de verplichting als bedoeld in
                                    artikel 1 tevens via het Digitaal Opkopersregister kan
                                    geschieden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze
                                    verplichtingen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                                    Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: </al><al>a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                stellen: </al><lijst><li nr="1."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding
                                        van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming
                                        behorende vestiging; </al></li><li nr="2."><al>van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde
                                        adressen; </al></li><li nr="3."><al>dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
                                    </al></li><li nr="4."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan; </al></li></lijst><al>b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register
                                ter inzage te geven; </al><al>c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar
                                zijn; </al><al>d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in
                                bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.</al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel/></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>VUURWERK</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op of aan de
                                    weg in: </al><al>a. de naaste omgeving van het Streekverpleeghuis De Plantage; </al><al>b. de naaste omgeving van het Catharina Gasthuis;</al><al> c. de naaste omgeving van de begraafplaatsen gelegen in
                                    Brielle, Vierpolders en Zwartewaal.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste, tweede en derde lid gestelde verboden zijn
                                    niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
                                </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>HHet college kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>DRUGSOVERLAST</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74a</nr><titel>Verzameling van personen in verband met drugs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg, aan een verzameling van meer
                                    dan vier personen deel te nemen indien deze verzameling van
                                    personen verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel
                                    in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de
                                    Opiumwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als
                                    in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend
                                    bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of
                                    zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74b</nr><titel>Weggooien van spuiten e.d.</titel></kop><al>Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals
                                naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op
                                of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met
                                het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN
                                CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in de artikelen 2.1, 2.10,2.11, 2.16, 2.19,
                                2.26, 2.47, 2.48, 2.49, 2.50, 2.73, en/of 5.35 van deze verordening
                                groepsgewijs niet naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
                                besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur
                                ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:78</nr><titel>Gebiedsontzegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
                                    degene die zich gedraagt in strijd met artikel 2:1, 2:48, 2:74,
                                    2:74a, 2:74b,, 2:74c en 3:9 en een verbod opleggen om zich
                                    gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van 24 uur te
                                    bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de
                                    nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad
                                    (verblijfsontzegging). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
                                    degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid
                                    is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het
                                    opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich
                                    opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde
                                    artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat
                                    verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te
                                    bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de
                                    nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
                                    degene aan wie eerder een verblijfsontzegging voor de duur van
                                    veertien dagen is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes
                                    maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat
                                    hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid
                                    genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in
                                    dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te
                                    bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de
                                    nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad.
                                </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester beperkt de in het eerste, tweede of derde lid
                                    genoemde verboden, indien dat in verband met de persoonlijke
                                    omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                    burgemeester opgelegd verbod. </al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al> a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al> b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten
                                van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al> c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                                was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                                erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                                worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder
                                tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                combinatie met elkaar;</al><al> d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan
                                in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al> e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                                particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;</al><al> f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon
                                of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf
                                exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van
                                die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of
                                personen;</al><al> g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in
                                een seksinrichting of escortbedrijf;</al><al> h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                uitzondering van:</al><al> 1. de exploitant;</al><al> 2. de beheerder;</al><al> 3. de prostituee;</al><al> 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al><al> 5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van
                                deze verordening;</al><al> 6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                                dringende redenen noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college
                                over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit
                                hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSWINKELS E.D.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al><al> a. de persoonsgegevens van de exploitant;</al><al> b. de persoonsgegevens van de beheerder; en</al><al> c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De exploitant en de beheerder:</al><al> a. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de
                                    ouderlijke macht of de voogdij;</al><al> b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al><al> c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant
                                    en de beheerder niet: </al><al>a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                    Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met
                                    toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter
                                    beschikking gesteld; </al><al>b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot
                                    een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer
                                    door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare
                                    lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en
                                    Sint-Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een
                                    misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige
                                    hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                    Strafvordering is toegelaten; </al><al>c. binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van </al><al>- bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                    vreemdelingen;</al><al> - de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                    249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                    417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; </al><al>- de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                    artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; </al><al>- de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet
                                    op de kansspelen; </al><al>- de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; </al><al>- de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al><al> a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel
                                    74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel
                                    76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro
                                    bedraagt;</al><al> b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
                                    wordt:</al><al> a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                    datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al><al> b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                    datum van de intrekking van deze vergunning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem ter zake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: </al><al>a. op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 05.00 uur; </al><al>b. op zaterdag en zondag tussen 02.30 uur en 05.00 uur. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke
                                    seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor
                                    zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de
                                    op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde
                                    belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit
                                    hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:</al><al> a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                    tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al><al> b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk
                                    de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting:</al><al> a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval
                                    de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden),
                                    XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX
                                    (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede
                                    Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet
                                    wapens en munitie; en</al><al> b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd
                                    met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                    Vreemdelingenwet bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al> Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotische-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al><al> a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                    bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                    aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    in gevaar brengt;</al><al> b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan
                                    in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    gestelde regels.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGSGRONDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf
                                    weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al><al> a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                    3:5 gestelde eisen;</al><al> b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                    beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit,
                                    stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; of</al><al> c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd
                                    met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij
                                    of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                    bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde
                                    escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8,
                                    de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden
                                    geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in
                                    artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang
                                    van:</al><al> a. het voorkomen of beperken van overlast;</al><al> b. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                    leefklimaat;</al><al> c. de veiligheid van personen of goederen;</al><al> d. de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al> e. de gezondheid of zedelijkheid; of</al><al> f. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                    exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het
                                    beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                    feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan
                                    het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>OVERGANGSBEPALING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al> [gereserveerd]</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>GELUIDHINDER EN VERLICHTING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al> a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                milieubeheer;</al><al> b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                Besluit;</al><al> c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;</al><al> d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één
                                of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al><al> e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden
                                is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al><al> f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van
                                artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende
                                bij de betreffende inrichting;</al><al> g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1
                                van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige
                                terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de
                                betreffende inrichting;</al><al> h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                versterkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet
                                    voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                    festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                    dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve
                                    van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel
                                    4.113, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het
                                    college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer van de volgende delen: de kern Brielle, de kern Vierpolders
                                    en de kern Zwartewaal.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van
                                    toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste
                                    twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                    daarvan in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    4.113 , eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits
                                    de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> Het maximaal aantal incidentele festiviteiten als bedoeld in
                                    het eerste en tweede lid wordt verminderd met de aangewezen
                                    collectieve festiviteiten, zoals bedoeld in artikel 4:2, indien
                                    deze gelden voor het gebied waarin een inrichting gevestigd is,
                                    alsmede met het aantal door de houder van de inrichting in de
                                    nabijheid van de inrichting georganiseerde evenementen in de zin
                                    van artikel 2:25.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al> [gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><al> [gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidshinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen
                                    of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                    geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de
                                    Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit
                                    of de Provinciale milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6a</nr><titel>(Geluid)hinder door dieren</titel></kop><al> Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                                de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een
                                omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder
                                veroorzaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6b</nr><titel>Mosquito</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat
                                    dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge
                                    pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden
                                    van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de
                                    burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een
                                    openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken
                                    ernstige overlast door jongeren op die plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar
                                    gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Een mosquito is alleen in werking op die tijdstipen dat
                                    overlast redelijkerwijs valt te verwachten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste
                                    3 maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een
                                    periode van ten hoogste 3 maanden verlengen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al> [gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al> Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al> Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al> a. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;</al><al> b. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op
                                    de stronk uitlopen;</al><al> c. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                    houtopstand;</al><al> d. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                    ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet.</al><al> e. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel
                                    Ophiostima ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.)
                                    C. Moreau);</al><al> f. iepenspintkever: het insekt, in elk ontwikkelingsstadium,
                                    behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus
                                    multistriatus (Marsh) en Scolytus pymaeus.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Kapverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag
                                    houtopstand te vellen of te doen vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor: </al><al>a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                    landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet- geknotte
                                    populieren of wilgen; </al><al>b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden; </al><al>c. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen
                                    als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde
                                    terreinen; </al><al>d. kweekgoed; </al><al>e. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; </al><al>f. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                    Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is
                                    buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige
                                    eenheid vormt die: </al><al>g. ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; </al><al>h. ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
                                    gerekend over het totale aantal rijen. </al><al>i. Houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                    plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het
                                    college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4:12d. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het verbod geldt eveneens niet voor</al><al> a. een gemeentelijke houtopstand met een omtrek welke kleiner
                                    is dan 30 centimeter, gemeten op 130 centimeter boven het
                                    maaiveld;</al><al> b. een niet-gemeentelijke houtopstand met een omtrek welke
                                    kleiner is dan 70 centimeter, gemeten op 130 centimeter hoogte
                                    boven het maaiveld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel
                                    met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door
                                    degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd
                                    is over de houtopstand te beschikken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Wanneer het bureau LASER aan het bevoegd gezag een afschrift
                                    heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in
                                    artikel 2 van de Boswet, beschouwt het bevoegd gezag dit
                                    afschrift mede als een vergunningaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12a</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al> De vergunning kan in elk geval worden geweigerd op grond van:</al><al> a. de natuurwaarde van de houtopstand;</al><al> b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al><al> c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;</al><al> d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al><al> e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al><al> f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12b</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
                                    het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                    overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen
                                    moet worden herplant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven,
                                    dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van
                                    feitelijk niet-gebruik tot het moment van definitief worden van
                                    de vergunning, oftewel tot het moment dat:</al><al> a. de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is verstreken
                                    zonder dat bezwaar of beroep is ingediend;</al><al> b. beslist is op een verzoek om een voorlopige
                                    voorziening;</al><al> c. beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot
                                    voorlopige voorziening is gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12c</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan,
                                    kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond
                                    waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit
                                    anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                    verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem
                                    te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan
                                    wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk
                                    gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan
                                    wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van
                                    voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om
                                    overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door
                                    hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die
                                    bedreiging wordt weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot
                                    en met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is
                                    verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12d</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al> Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4:11, artikel 4:12c of artikel 4:12d, schade
                                lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
                                zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet
                                anderszins is verzekerd, kent het bevoegd gezag hem op zijn verzoek
                                een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12e</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar
                                    het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor
                                    verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van
                                    iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door
                                    het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de
                                    aanschrijving vast te stellen termijn:</al><al> a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al><al> b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al><al> c. of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen
                                    of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met
                                    uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met
                                    een doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te
                                    hebben of te vervoeren. Het bevoegd gezag kan ontheffing
                                    verlenen van dit verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin
                                    van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de
                                    volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben:</al><al> a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                    voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al><al> b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al><al> c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen
                                    daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan
                                    geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een
                                    commercieel doel; of</al><al> d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil,
                                    een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                    landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een
                                    bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke
                                    ordening of de Provinciale Verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al> [gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                    maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging
                                    of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of
                                    ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                    milieubeheer. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15a</nr><titel>Verbod reclame-uitingen landelijke gebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de landelijke gebieden, waar de openheid als
                                    kwaliteit bescherming behoeft, opschriften, aankondigingen,
                                    afbeeldingen, kennelijk voor reclame- of promotiedoeleinden
                                    gebezigde objecten, constructies ten behoeve daarvan, of
                                    kennelijk voor reclame- of promotiedoeleinden gebezigde
                                    transportmiddelen te plaatsen of te doen plaatsen, welke
                                    zichtbaar zijn vanaf een openbare weg, een openbaar vaarwater,
                                    een spoorweg of een andere voor het publiek toegankelijke
                                    plaats. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de eigenaar, andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van
                                    enig onroerende zaak in de in het eerste lid bedoelde gebieden,
                                    verboden deze zaak geheel of ten dele, al dan niet door middel
                                    van enige daarop aanwezige roerende zaak aan te wenden of de
                                    aanwending daarvan te gedogen voor opschriften, aankondigingen,
                                    afbeeldingen, kennelijk voor reclame- of promotiedoeleinden
                                    gebezigde objecten, constructies ten behoeve daarvan, of
                                    kennelijk voor reclame- of promotiedoeleinden gebezigde
                                    transportmiddelen, welke zichtbaar zijn vanaf een openbare weg,
                                    een openbaar vaarwater, een spoorweg of een andere voor het
                                    publiek toegankelijke plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in lid 1 en 2 vervatte verboden zijn - mits geen knipperende
                                    of bewegende verlichting en ook geen bewegende onderdelen zijn
                                    aangebracht niet van toepassing op: </al><al/><al>a. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, welke zijn
                                    aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting, mits
                                    de wettelijk voorgeschreven maten niet worden overschreden of,
                                    indien geen maten zijn voorgeschreven, die opschriften,
                                    aankondigingen en afbeeldingen geen groter oppervlakte hebben
                                    dan 0,50 m2 en geen grotere afmeting in horizontale of verticale
                                    richting dan 1,00 meter, waarbij een bord waarop of een kader
                                    waarbinnen het opschrift, de aankondiging of de afbeelding is
                                    aangebracht, wordt meegerekend bij de bepaling van die
                                    oppervlakte en die afmeting, mits de bovenkant van het
                                    opschrift, de aankondiging of de afbeelding dan wel de
                                    constructie ten behoeve daarvan niet hoger is dan 2,00 meter
                                    boven het maaiveld; </al><al/><al>b. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, welke door of in
                                    opdracht van de overheid zijn aangebracht ingevolge een
                                    wettelijk toegekende bevoegdheid, mits de wettelijk
                                    voorgeschreven maten niet worden overschreden of, indien geen
                                    maten zijn voorgeschreven, die opschriften, aankondigingen en
                                    afbeeldingen geen grotere oppervlakte hebben dan 0,50 m2 en geen
                                    grotere afmeting in horizontale of verticale richting dan 1,00
                                    meter, waarbij een bord waarop of een kader waarbinnen het
                                    opschrift, de aankondiging of de afbeelding is aangebracht,
                                    wordt meegerekend bij de bepaling van die oppervlakte en die
                                    afmeting; </al><al/><al>c. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, welke zijn
                                    aangebracht op wegwijzers die in opdracht van een wegbeheerder
                                    zijn geplaatst of op borden van een uniform
                                    bewegwijzeringsysteem waaraan de overheid deelneemt; </al><al/><al>d. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, welke betrekking
                                    hebben op een campagne ten behoeve van de verkeersveiligheid,
                                    mits die opschriften, aankondigingen en afbeeldingen geen
                                    handelsreclame bevatten en geen grotere oppervlakte hebben dan
                                    6,00 m2 en geen grotere afmeting in horizontale of verticale
                                    richting dan 3,00 meter, waarbij een bord waarop of een kader
                                    waarbinnen het opschrift, de aankondiging of de afbeelding is
                                    aangebracht, wordt meegerekend bij die bepaling van die
                                    oppervlakte en die afmeting; </al><al/><al>e. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, welke met
                                    schriftelijke toestemming van een openbaar vervoersbedrijf zijn
                                    aangebracht aan een wachtruimte of in een voor reclame bestemde
                                    houder op een halteplaats van het openbaar vervoer; </al><al/><al>f. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, welke educatieve
                                    informatie verschaffen over het landschap, de natuur, de
                                    geografie, de cultuurhistorie, de monumenten, de archeologie, de
                                    landbouw of de recreatie in het gebied waarin zij zijn
                                    aangebracht, mits die opschriften, aankondigingen en
                                    afbeeldingen geen handelsreclame bevatten, </al><al/><al>- bij bosschages, de gevel van een gebouw, de ingang van een
                                    terrein of op een parkeerterrein verticaal zijn geplaatst, de
                                    constructie ten behoeve daarvan een in het landschap passende
                                    donkerbruine of donkergroene kleur heeft en niet breder dan 2,00
                                    meter en niet hoger dan 2,50 meter boven het maaiveld is en het
                                    opschrift, de aankondiging of de afbeelding die afmetingen niet
                                    overschrijdt;</al><al/><al>- in een open terrein horizontaal zijn geplaatst, de constructie
                                    ten behoeve daarvan een in het land-schap passende donkerbruine
                                    of donkergroene kleur heeft en niet hoger dan 1,00 meter boven
                                    het maaiveld is , het horizontale deel van die constructie geen
                                    grotere oppervlakte heeft dan 0,80 m2 en het opschrift, de
                                    aankondiging of de afbeelding die afmetingen niet
                                    overschrijdt;</al><al/><al>g. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen ter aanduiding
                                    van door of vanwege de overheid beheerde openbare voorzieningen,
                                    mits de bovenkant van het opschrift, de aankondiging of de
                                    afbeelding dan wel de constructie ten behoeve daarvan niet hoger
                                    is dan 2,00 meter boven het maaiveld; </al><al/><al>h. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, waardoor de weg
                                    wordt gewezen naar een in de nabijheid of in de omgeving
                                    uitgeoefend(e) beroep, bedrijf of dienst en waarvan het model is
                                    vastgesteld door de ANWB, of, indien zij zijn geplaatst langs
                                    een weg in beheer bij her Rijk, in de Richtlijn bewegwijzering,
                                    mits zij zijn geplaatst op de door de wegbeheerder daarvoor
                                    aangewezen plaats en hoogte langs een weg; </al><al/><al>i. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, betrekking
                                    hebbende op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst,
                                    uitgeoefend in of op de onroerende zaak of waarvoor die zaak is
                                    bestemd, mits zij geen grotere oppervlakte hebben dan 0,50 m2 en
                                    niet meer dan twee opschriften, aankondigingen of afbeeldingen
                                    bij het beroeps-, bedrijfs- of dienstgebouw, op het
                                    bedrijfsterrein of bij de inrit daarnaar worden aangebracht,
                                    waarbij een bord waarop of een kader waarbinnen het opschrift,
                                    de aankondiging of de afbeelding is aangebracht, wordt
                                    meegerekend bij de bepaling van die oppervlakte; </al><al/><al>j. twee aankondigingen op, aan of onmiddellijk bij een
                                    onroerende zaak, waarbij deze zaak geheel of gedeeltelijk te
                                    koop, te huur, of in pacht wordt aangeboden, voor zolang zij
                                    feitelijk betekenis hebben, mits elke aankondiging geen grotere
                                    oppervlakte heeft dan 1,5 m2, waarbij een bord waarop of een
                                    kader waarbinnen het opschrift, de aankondiging of de afbeelding
                                    is aangebracht, wordt meegerekend bij de bepaling van die
                                    oppervlakte; </al><al/><al>k. aankondigingen van tijdelijke aard ten behoeve van een niet
                                    vaker dan éénmaal per jaar in de gemeente waarin de aankondiging
                                    is aangebracht, te houden openbare wedstrijd, manifestatie,
                                    evenement of tentoonstelling, welke niet behoort tot de
                                    gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of
                                    dient, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, doch voor
                                    niet langer dan vijf weken, waarvan vier weken voor en één week
                                    na die openbare wedstrijd, die manifestatie, dat evenement of
                                    die tentoonstelling, en mits: </al><al>- die aankondigingen niet meer handelsreclame van sponsors
                                    bevatten dan tien procent van hun totale oppervlakte en geen
                                    grotere totale oppervlakte hebben dan 4,50 m2 en geen grotere
                                    afmeting in horizontale of verticale richting dan 3,00 meter,
                                    waarbij een bord waarop of een kader waarbinnen de aankondiging
                                    is aangebracht, wordt meegerekend bij de bepaling van die
                                    oppervlakte en die afmeting; </al><al>- niet meer dan vier aankondigingen per openbare wedstrijd,
                                    manifestatie, evenement of tentoonstelling worden aangebracht; </al><al>- de aankondigingen niet vaker dan eenmaal per jaar worden
                                    aangebracht en; </al><al>- de tijdelijke aard blijkt uit een datumaanduiding in de
                                    aankondigingen; </al><al/><al>l. tijdelijk opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, welke
                                    betrekking hebben op een werk in uitvoering, mits: </al><al>- die opschriften, aankondigingen en afbeeldingen geen grotere
                                    oppervlakte hebben dan 4,50 m2 en geen grotere afmeting in
                                    horizontale of verticale richting dan 3,00 meter of, indien zij
                                    zijn geplaatst langs een weg in beheer bij het Rijk, geen
                                    grotere oppervlakte hebben dan 25 m2, waarbij een bord waarop of
                                    een kader waarbinnen het opschrift, de aankondiging of de
                                    afbeelding is aangebracht, wordt meegerekend bij de bepaling van
                                    die oppervlakte en die afmeting; </al><al>- zij onmiddellijk bij het werk zijn geplaatst; </al><al>- zij niet langer aanwezig zijn dan de uitvoering van dat werk
                                    duurt;</al><al>- niet meer dan twee opschriften, aankondigingen of afbeeldingen
                                    per werk worden aangebracht;</al><al/><al>m. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen binnenshuis, voor
                                    zover het pand als bedrijf wordt gebruikt en die opschriften,
                                    aankondigingen en afbeeldingen betrekking hebben op dat bedrijf; </al><al/><al>n. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, welke dienen tot
                                    het openbaren van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel
                                    7, eerste lid, van de Grondwet, mits die opschriften,
                                    aankondigingen of afbeeldingen geen handelsreclame bevatten en
                                    geen grotere oppervlakte hebben dan 1,50 m2 en geen grotere
                                    afmeting in horizontale of verticale richting dan 1,00 meter,
                                    waarbij een bord waarop of een kader waarbinnen het opschrift,
                                    de aankondiging of de afbeelding is aangebracht, wordt
                                    meegerekend bij de bepaling van die oppervlakte en die afmeting; </al><al/><al>o. constructies ten behoeve van de onder a tot en met n bedoelde
                                    opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, mits de totale
                                    hoogte van die constructies en de daaraan bevestigde
                                    opschriften, aankondigingen en afbeeldingen niet hoger is dan
                                    2,50 meter boven het maaiveld, met uitzondering van de onder b,
                                    c en d bedoelde opschriften, aankondigingen en afbeeldingen en
                                    de constructies ten behoeve daarvan; </al><al/><al>p. de Wegenverordening Zuid-Holland 2010 inclusief bijbehorende
                                    beleidsregels. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in lid 1 en 2 vervatte verboden zijn - mits geen knipperende
                                    of bewegende verlichting en ook geen bewegende onderdelen zijn
                                    aangebracht - voorts niet van toepassing op: </al><al/><al>a. één opschrift per bedrijfsvestiging indien: </al><lijst><li nr="1."><al>uitsluitend de naam van het eigen bedrijf en/of het
                                            eigen product is/zijn vermeld; </al></li><li nr="2."><al>de lengte niet meer bedraagt dan een kwart deel van de
                                            lengte van de gevel, doch in elk geval niet meer dan
                                            vier meter; </al></li><li nr="3."><al>de hoogte niet meer bedraagt dan een halve meter; </al></li><li nr="4."><al>het opschrift haaks of plat tegen de gevel is bevestigd;
                                        </al></li><li nr="5."><al>het opschrift niet uitsteekt boven de goot- of dakrand;
                                        </al></li></lijst><al/><al>b. één opschrift per bedrijfsvestiging, indien; </al><lijst><li nr="1."><al>de oppervlakte niet meer dan 1,00 m2 bedraagt; </al></li><li nr="2."><al>het opschrift plat tegen de eigen gevel is bevestigd;
                                        </al></li><li nr="3."><al>het opschrift niet uitsteekt boven de goot- of dakrand;
                                        </al></li><li nr="4."><al>het opschrift is gericht naar de weg waarop de inrit van
                                            het bedrijf uitkomt; </al></li></lijst><al/><al>c. twee opschriften per bedrijfsvestiging, indien de opschriften
                                    zijn aangebracht op niet meer dan twee vlaggen, die niet
                                    uitsteken boven het dak; </al><al/><al>d. één opschrift per bedrijfsvestiging, indien; </al><lijst><li nr="1."><al>de oppervlakte niet meer dan 1,00 m2 bedraagt; </al></li><li nr="2."><al>de hoogte niet meer dan 1,50 meter boven het maaiveld
                                            bedraagt;</al></li><li nr="3."><al> het opschrift is geplaatst nabij de eigen inrit; </al></li><li nr="4."><al>het bedrijf niet zichtbaar is vanaf de openbare weg;
                                        </al></li><li nr="5."><al>het opschrift enkelzijdig is uitgevoerd; </al></li><li nr="6."><al>het opschrift evenwijdig aan de openbare weg is
                                            geplaatst; </al></li></lijst><al/><al>e. één afbeelding van een vignet, embleem of logo per
                                    bedrijfsvestiging, indien: </al><lijst><li nr="1."><al>de afbeelding is toegevoegd aan een onder a, b, c of d
                                            vermeld opschrift; </al></li><li nr="2."><al>het totaal van het opschrift en de afbeelding voldoet
                                            aan de onder a, b, c of d vermelde voorwaarden; </al></li></lijst><al/><al>f. één lichtuitstralend opschrift (lichtbak) per horecabedrijf,
                                    indien: </al><lijst><li nr="1."><al>de oppervlakte niet meer dan 1 m2 bedraagt; </al></li><li nr="2."><al>het opschrift haaks of plat tegen de eigen gevel is
                                            bevestigd;</al></li><li nr="3."><al> de verlichting ervan is gedoofd, wanneer het bedrijf is
                                            gesloten; </al></li></lijst><al/><al>g. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen van een
                                    verkoopstation voor motorbrandstoffen, indien; </al><lijst><li nr="1."><al>zij zijn uitgevoerd overeenkomstig de merkstandaard;
                                        </al></li><li nr="2."><al>zij zijn bevestigd aan het eigen verkoopstation; </al></li><li nr="3."><al>zij niet uitsteken boven het dak; </al></li><li nr="4."><al>de verlichting ervan is gedoofd, wanneer het station is
                                            gesloten; </al></li></lijst><al/><al>h. één opschrift per grootschalig project indien: </al><lijst><li nr="1."><al>het project een grootschalige en ingrijpende wijziging
                                            van het landschap ten gevolge heeft; </al></li><li nr="2."><al>de uitvoering van het project daadwerkelijk is begonnen;
                                        </al></li><li nr="3."><al>het opschrift niet langer blijft staan dan de
                                            werkzaamheden ter verwezenlijking van het project duren;
                                        </al></li><li nr="4."><al>uitsluitend informatie over het project wordt gegeven;
                                        </al></li><li nr="5."><al>de lengte en de hoogte niet meer bedragen dan 4 meter;
                                        </al></li><li nr="6."><al>de bovenzijde van het opschrift zich op een hoogte van
                                            niet meer dan 4 meter boven het maaiveld bevint; </al></li><li nr="7."><al>het opschrift is geplaatst evenwijdig aan de weg waarop
                                            de inrit van het project uitkomt; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in lid 1 en 2 vervatte verboden zijn niet van toepassing op
                                    de constructies ten behoeve van de in het 4e lid bedoelde
                                    opschriften, aankondigingen en afbeeldingen, mits die
                                    constructies niet hoger dan 1,50 meter hoog zijn boven het
                                    maaiveld en niet buiten het opschrift, de aankondiging of de
                                    afbeelding uitsteken met uitzondering van de onderkant daarvan.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningsplicht lichtreclame</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al> In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de
                                    beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit
                                    is bestemd of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen
                                    voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van:</al><al> a. de bescherming van natuur en landschap; of</al><al> b. de bescherming van een stadsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid onder a en
                                    b.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:20</nr><titel>(Slaap)verblijf op de weg</titel></kop><al>Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te
                                slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent,
                                caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het
                                kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen
                                dan wel gelegenheid daartoe te bieden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>PARKEEREXCESSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="1."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
                                        van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen; </al></li><li nr="2."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).
                                    </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                    verstaan:</al><al> a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                    lessen;</al><al> b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                    personen tegen betaling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend:</al><al> a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                    worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en
                                    dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze
                                    werkzaamheden;</al><al> b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid
                                    bedoelde persoon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><al> a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                    toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een
                                    straal van 25 meter met als middelpunt een van deze
                                    voertuigen;</al><al> b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al><al> a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                    plaatsen of te hebben binnen de bebouwde kom;</al><al> b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar
                                    dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien
                                    van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                    Provinciaal wegenreglement of de Provinciale
                                    landschapsverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren binnen de bebouwde kom, met uitzondering
                                    van de parkeerterreinen voor vrachtwagens op ‘t Woud, het
                                    Karremanplein en Seggelant , of op een andere door het college
                                    aangewezen plaats waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor
                                    het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op
                                    campers, kampeerauto’s, caravan’s en kampeerwagens, voor zover
                                    deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op
                                    de weg worden geplaatst of gehouden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al> [gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Dit verbod is niet van toepassing:</al><al> a. op de weg;</al><al> b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of
                                    vanwege de overheid;</al><al> c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                    terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op door het college, in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                    buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                    staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen
                                    of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde
                                    periode onafgebroken te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>COLLECTEREN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>VENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een
                                    openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onder venten wordt niet verstaan:</al><al> a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene
                                    die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al><al> b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                    dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als
                                    bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet
                                    of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22;</al><al> c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                    dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als
                                    bedoeld in artikel 5:17.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten: </al><al>a. op door het college in het belang van de openbare orde
                                    aangewezen openbare plaatsen; of </al><al>b. op door het college in het belang van de openbare orde
                                    aangewezen dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het
                                    tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten
                                    en gevoelens worden geopenbaard. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>STANDPLAATSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf
                                    een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen
                                    plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen,
                                    zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><al> a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                    Gemeentewet;</al><al> b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                    2:24.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al><al> a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband
                                    met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke
                                    welstand;</al><al> b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                    gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te
                                    verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een
                                    standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk
                                    verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al> Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    Milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het
                                    Provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt
                                    niet voor bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al> [gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>SNUFFELMARKTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt
                                    in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al><al> a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste
                                    lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al><al> b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>OPENBAAR WATER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin
                                    geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen aan de Put van Heenvliet, of op andere door het college
                                    aangewezen gedeelten van openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden met een woonschip een ligplaats in te nemen of
                                    te hebben dan wel een ligplaats voor een woonschip beschikbaar
                                    te stellen op het openbaar water binnen de gemeente Brielle, met
                                    uitzondering van het Kostverloren aan het Maarland Noordzijde.
                                    Het maximum aantal ligplaatsen aan het Kostverloren aan het
                                    Maarland Noordzijde is twee. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats, met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water: </al><al>a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                    gemeente; </al><al>b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of
                                    de Provinciale landschapsverordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het derde lid van artikel 5:25
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruiken van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruiken van een ligplaats op te volgen.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in de daarin geregelde
                                    onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement,
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale
                                    vaarwegenverordening, de Waterwet of de Havenverordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al> Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28a</nr><titel>Gebruik Put vanHeenvliet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden met een mechanisch voortbewogen vaartuig te
                                    varen in de Put van Heenvliet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Door het college kan ontheffing worden verleend van het in het
                                    eerste lid omschreven verbod voor zover het betreffen:</al><al> a. vaartuigen van de politie, Rijkswaterstaat, de Domeinen en
                                    andere rijksdiensten;</al><al> b. vaartuigen toebehorende aan of uitsluitend gebezigd voor
                                    werken ten behoeve van de gemeente Brielle, het waterschap
                                    "Hollandse Delta" en het recreatieschap "Groenvoorziening Zuid
                                    Holland";</al><al> c. bedrijfsvaartuigen van de gemeente Brielle.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al> Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement,
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan
                                    een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop
                                    of daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN
                                NATUURGEBIEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31a</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><al>- motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 ; </al><al>- bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste
                                lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994 . </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al><al> a. in het belang van het voorkomen of beperken van
                                    overlast;</al><al> b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                    van de omgeving en ter bescherming van andere
                                    milieuwaarden;</al><al> c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in
                                    het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het
                                    publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het
                                    Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld
                                    in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang
                                    van:</al><al> a. het voorkomen van overlast;</al><al> b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al><al> c. de veiligheid van het publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden:</al><al> a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                    hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid,
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister
                                    van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                    hulpverleningsdiensten;</al><al> b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                    exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al><al> c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                    wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al><al> d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                    percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste
                                    lid bedoeld;</al><al> e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging
                                    van de onder d bedoelde personen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><al> a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van
                                    de Wegenverkeerswet 1994;</al><al> b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                    'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                    motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn
                                    aangewezen als 'toestel'.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>VERBOD VUUR TE STOKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                    omgeving, is het verbod niet van toepassing op: </al><al>a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; </al><al>b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                    afvalstoffen worden verbrand; </al><al>c. vuur voor koken, bakken en braden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 1.
                                    Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
                                </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>VERSTROOIING VAN AS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al> In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Incidentele asverstrooiing is verboden:</al><al> a. op verharde delen van de weg;</al><al> b. op gemeentelijke begraafplaatsen en
                                    crematoriumterreinen;</al><al> c. op kinderspeelplaatsen, ligweiden en openbare sport- en
                                    spelterreinen</al><al> d. van 1 april tot en met 30 september tussen 09.00 en 21.00
                                    uur in openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al> Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al> Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op
                            grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, met
                            uitzondering van de artikelen 2:11, 4:11 en 2:10a, wordt gestraft met
                            hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                            categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al><al> - opsporingsambtenaren, zoals genoemd in artikel 141 en 142 Wetboek
                                van Strafvordering;</al><al> - de gemeentelijk toezichthouder;</al><al> - de controleur buitenruimte;</al><al> - de bij de gemeente Brielle in dienst zijnde ambtenaren die zijn
                                belast met bouw- en woningtoezicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al> Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Brielle 2013 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al> Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                            eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                            verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent,
                            gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij
                            is bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al> Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke
                            verordening Brielle 2015 of APV Brielle 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten door de gemeenteraad van Brielle in de openbare vergadering
                        van 10 maart 2015.</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, L.C.M. van Steijn</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, G.G.J. Rensen</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>