<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR56783_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beheersverordening begraafplaatsen gemeente Kerkrade 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zuid-Limburger 20-10-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beheersverordening begraafplaatsen gemeente Kerkrade 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de lijkbezorging, artikel 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10Rb037</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Uitvoeringsbesluit graven</al><al>Uitvoeringsbesluit grafbedekking</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Beheersverordening begraafplaatsen gemeente Kerkrade 1999</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beheersverordening begraafplaatsen gemeente Kerkrade 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Kerkrade, </al><al>gelezen het voorstel van het college van 27 juli 2010, nr. 10n00302; </al><al>gelet op artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging en artikel 149 van de Gemeentewet; </al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al>Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats(en) voor de gemeente Kerkrade 2010 </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a. begraafplaats(en): de begraafplaats(en) Bleijerheide, Chevremont, Hambos, Holz, Kaalheide en Kerkrade-Kom; </al><al>b. graf: een zandgraf of keldergraf; </al><al>c. grafkelder: een betonnen of gemetselde constructie waarin een of meerdere lijken worden begraven of asbussen worden bijgezet; grafkelders kunnen onderdeel zijn van een bovengrondse muur of wand; </al><al>d. asbus: een bus ter berging van as van een overledene;</al><al> e. urn: een voorwerp ter berging van een of meer asbussen; </al><al>f. particulier graf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: </al><al>1.het doen begraven en begraven houden van lijken; </al><al>2. het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; 3. het doen verstrooien van as. </al><al>g. algemeen graf: een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van lijken; </al><al>h. particulier urnengraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: </al><al>1. het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; 2. het doen verstrooien van as. </al><al>i. verstrooiingsplaats: een plaats waarop as wordt verstrooid; </al><al>j. grafbedekking: gedenkteken en grafbeplanting op een graf of verstrooiingsplaats;</al><al>k. beheerder: de ambtenaar die belast is met de dagelijkse leiding van de begraafplaats(en) of degene die hem vervangt;</al><al> l. rechthebbende: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een uitsluitend recht is verleend op een particulier graf of een particulier urnengraf, dan wel degene die redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden; </al><al>m. gebruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een recht tot gebruik van een ruimte in een algemeen graf is verleend, dan wel degene die redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Uitbreiding begrip particulier graf</titel></kop><al>Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt, voor zover van belang onder 'particulier graf' mede verstaan: particulier urnengraf.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openstelling, orde en rust op de begraafplaats</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Openstelling begraafplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De begraafplaats(en) is (zijn) voor eenieder dagelijks toegankelijk tussen zonsopgang en zonsondergang.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter handhaving van de orde en rust op de begraafplaats(en) kunnen de toegangen tijdelijk worden gesloten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaats(en) niet voor het publiek geopend is (zijn), zich daarop te bevinden, anders dan voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Ordemaatregelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bezoekers, personeel van uitvaartondernemingen en personen die werkzaamheden op de begraafplaats(en) hebben te verrichten, zijn verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden aan de aanwijzingen van de beheerder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beheerder kan personen die zich niet aan de in het eerste lid bedoelde aanwijzing houden van de begraafplaats verwijderen of laten verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden met motorrijtuigen op de begraafplaats(en) te rijden: a. elders dan op de daartoe aangewezen rijwegen; motorrijtuigen zijn buiten de rijwegen (slechts) toegestaan voor begrafenissen of voor het vervoer van materialen; </al><al>b. sneller dan 10 km per uur. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in de aanhef en onder a van het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Plechtigheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Herdenkingsbijeenkomsten, onthullingen van gedenktekens en dergelijke plechtigheden op de begraafplaats kunnen slechts plaatsvinden nadat deze ten minste zes werkdagen tevoren zijn gemeld aan de ambtenaar burgerlijke stand. Datum en uur van de plechtigheid en de wijze waarop deze zal plaatsvinden worden in overleg met de aanvrager door de ambtenaar burgerlijke stand vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De deelnemers aan de plechtigheid, bedoeld in het eerste lid zijn verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden aan de aanwijzingen van de beheerder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opgravingen en ruimten</titel></kop><al>Bij het opgraven van lijken en de ruiming van graven zijn geen andere personen aanwezig dan degenen die door de beheerder met deze werkzaamheden zijn belast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorschriften voor lijkbezorging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Kennisgeving begraven en asbezorging, openen en sluiten van het graf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die wil doen begraven, as wil doen bijzetten of as wil doen verstrooien, geeft daarvan uiterlijk om 12.00 uur van de werkdag voorafgaande aan die waarop de begraving, bijzetting of verstrooiing zal plaatsvinden, schriftelijk kennis aan de ambtenaar burgerlijke stand. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Indien de burgemeester toestemming heeft gegeven om het lijk binnen 36 uur na het overlijden te begraven moet de kennisgeving aan de ambtenaar burgerlijke stand zo tijdig mogelijk worden gedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het openen van een graf ter begraving of voor het bezorgen van as, en het daarna sluiten van een graf, alsmede het bedienen van de hulpmiddelen mag uitsluitend geschieden door het personeel van de begraafplaats op aanwijzingen en onder toezicht van de beheerder. Degene die wil doen begraven, as wil doen bijzetten of as wil doen verstrooien kan deze werkzaamheden onder toezicht van de beheerder geheel of gedeeltelijk zelf verrichten indien hij zijn wens daartoe uiterlijk om 12.00 uur van de voorafgaande werkdag mondeling of schriftelijk aan de ambtenaar burgerlijke stand heeft kenbaar gemaakt. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Bij deze werkzaamheden dienen de aanwijzingen van de beheerder op te worden gevolgd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Over te leggen stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot begraving wordt niet overgegaan dan nadat het verlof tot begraven is overgelegd aan de ambtenaar burgerlijke stand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de begraving of de bezorging van as in een particulier graf zal plaatsvinden, dient een machtiging daartoe aan de ambtenaar burgerlijke stand te worden overgelegd ondertekend door de rechthebbende of, indien deze is overleden, door degene die in de uitvaart voorziet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Begraving of bijzetting in een particulier graf waarvan de uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de alsdan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de wettelijke minimum grafrusttermijn. De verlenging dient te worden aangevraagd door de rechthebbende.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar boven toe afgerond op gehele jaren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar burgerlijke stand onderzoekt of de overgelegde stukken toereikend zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Tijden van begraven en asbezorging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De tijd van begraven en het bezorgen van as is: van maandag tot en met zaterdag, niet zijnde een officieel erkende feestdag, van 9.00 tot 16.00 uur; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen van deze tijden afwijken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Indeling en uitgifte van graven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Indeling graven en asbezorging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Op de begraafplaats(en) kunnen worden uitgegeven particuliere graven en particuliere urnengraven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nader vast te stellen regels hoeveel lijken en hoeveel asbussen met of zonder urnen er kunnen worden bijgezet in de particuliere graven en hoeveel verstrooiingen van as er op de particuliere graven kunnen plaatshebben. Het college bepaalt tevens de afmetingen en de uitgifteduur van de particuliere graven. De uitgifteduur kan niet korter zijn dan de minimumtermijn vastgesteld in de Wet op de lijkbezorging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Aantal overleden in algemene graven</titel></kop><al>In de algemene graven kan een door het college te bepalen aantal lijken worden begraven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Volgorde van uitgifte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De particuliere graven worden slechts voor directe begraving en conform het grafuitgifteplan uitgegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een particulier graf toewijzen anders dan voor directe begraving en in afwijking van het grafuitgifteplan, indien dit wegens de situatie op de begraafplaats(en) niet bezwaarlijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Categorieen</titel></kop><al>Het college kan bij nader vast te stellen regels de algemene en particuliere graven onderverdelen in categorieën. Het college bepaalt voor de verschillende categorieën de situering en oppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Termijnen particuliere graven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent, voor zover de daartoe bestemde ruimte van de begraafplaats(en) dat toelaat, op een daartoe bij hen schriftelijk in te dienen aanvraag, voor de tijd van twintig of dertig jaar recht op een particulier graf. De termijn begint te lopen op de datum waarop het particuliere graf is uitgegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde recht wordt op aanvraag van de rechthebbende verlengd telkens met een termijn van tien of twintig jaar, mits de aanvraag voor het verstrijken van de lopende termijn wordt ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Grafkelder</titel></kop><al>Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning verlenen tot het daarin voor eigen rekening doen aanbrengen van een grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen voorwaarden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Overschrijving van verleende rechten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning verlenen tot het daarin voor eigen rekening doen aanbrengen van een grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na het overlijden van de rechthebbende kan het recht op het particuliere graf worden overgeschreven op naam van een natuurlijk persoon of rechtspersoon, indien de aanvraag daartoe wordt gedaan binnen zes maanden na het overlijden van de rechthebbende. Indien de overleden rechthebbende in het graf dient te worden begraven, of indien de asbus met zijn resten in het graf dient te worden bijgezet, dient het verzoek tot overschrijving daaraan voorafgaand te worden gedaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien na het overlijden van de rechthebbende de aanvraag tot overschrijving aan het college niet wordt gedaan binnen de in het tweede lid van dit artikel gestelde termijn van zes maanden, is het college bevoegd het recht op het particuliere graf te doen vervallen</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na het verstrijken van de in het tweede lid genoemde termijn van zes maanden kan het college het particuliere graf alsnog op naam stellen van een nieuwe rechthebbende, tenzij dit recht betrekking heeft op een particulier graf dat inmiddels is geruimd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Afstand doen van graven</titel></kop><al>Zonder aanspraak te kunnen maken op enige vergoeding kan de rechthebbende schriftelijk afstand doen ten behoeve van de gemeente van het recht op het particuliere graf. Van de ontvangst van zodanige verklaring doet het college schriftelijk mededeling aan de rechthebbende.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Grafbedekkingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vergunning grafbedekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het hebben van een grafbedekking is een schriftelijke vergunning nodig van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende van een particulier graf vraagt de vergunning voor het hebben van een grafbedekking aan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen omtrent de wijze van aanvragen van de vergunning, de aard en de afmetingen van de grafbedekking en de wijze van aanbrengen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan de vergunning weigeren indien: </al><al>a. niet voldaan wordt aan de vastgestelde nadere regels, genoemd in het derde lid; </al><al>b. de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats;</al><al>c. de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is;</al><al> d. de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Onderhoud door rechthebbende of gebruiker</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen van de grafbedekking geschiedt door, voor rekening van en voor risico van de rechthebbende of de gebruiker.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende of de gebruiker is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien de rechthebbende of de gebruiker nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele grafbedekking doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien weken ter beschikking van de rechthebbende of de gebruiker en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verwijdering vindt niet plaats dan nadat het college de rechthebbende of de gebruiker door middel van een verklaring schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de grafbedekking. Wanneer het adres van de rechthebbende of de gebruiker niet bekend is maakt het college de verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende of de gebruiker per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen binnen de door het college gestelde termijn indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de beschadiging van de grafbedekking gevaar op levert voor derden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Niet blijvende grafbeplanting</titel></kop><al>Niet-blijvende beplanting op een graf die in een verwaarloosde staat verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding. Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen, wanneer zij verwelkt zijn, door de beheerder worden verwijderd. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende dertien weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende of, wanneer het een algemeen graf betreft, van de belanghebbende indien deze daartoe tevoren een aanvraag heeft ingediend bij de beheerder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Verwijdering grafbedekking na verstrijken van de termijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De grafbedekking kan na het verstrijken van de termijn van uitgifte van het graf door het college worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking maakt het college ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd per brief aan de rechthebbende of, wanneer het een algemeen graf betreft, aan de belanghebbende bekend. Wanneer het adres van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats bekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien de grafbedekking niet binnen dertien weken na de verwijdering is afgehaald, vervalt deze aan de gemeente, zonder dat de gemeente tot enige vergoeding verplicht is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Ruiming van graven, urnengraven en urnennissen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Ruiming, bezorging van overblijfselen en as</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het voornemen van het college om een graf te ruimen wordt ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop het graf geruimd zal worden per brief aan de rechthebbende of, wanneer het een algemeen graf betreft, aan de belanghebbende bekend gemaakt. Wanneer het adres van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend is maakt het college het voornemen tot ruiming van het graf gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip van ruiming door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beheerder draagt er zorg voor dat met de bij de ruiming van het graf nog aanwezige menselijke resten te allen tijde respectvol wordt omgegaan en dat bezoekers van de begraafplaats niet met menselijke resten worden geconfronteerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bij de ruiming van het graf nog aanwezige menselijke resten worden begraven en de as wordt verstrooid op een van de daartoe bestemde gedeelten van de begraafplaats(en).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabestaanden van een overledene die begraven is in een algemeen graf kunnen gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn bij de ambtenaar burgerlijke stand een aanvraag indienen om bij ruiming de menselijke resten, indien mogelijk, bijeen te doen brengen voor crematie of voor herbegraving elders. Nabestaanden van een overledene waarvan een asbus al of niet met een urn is bijgezet in een algemeen graf kunnen bij de ambtenaar burgerlijke stand een aanvraag indienen om deze ter beschikking te houden voor herbegraving of verstrooiing elders.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De rechthebbende op een particulier graf kan bij de ambtenaar burgerlijke stand een aanvraag indienen om de menselijke resten te doen verzamelen om deze opnieuw in dezelfde grafruimte te doen plaatsen dan wel om deze te cremeren of elders opnieuw te doen begraven. De rechthebbende op een particulier urnengraf kan bij de ambtenaar burgerlijke stand een aanvraag indienen de asbus ter beschikking te houden om elders bij te zetten of om de as te doen verstrooien.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>In stand houden historische graven en opvallende grafbedekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Lijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt een lijst bij van graven die van historische betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit heeft. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alvorens tot ruiming van graven wordt overgegaan onderzoekt het college of er graven zijn die in aanmerking komen om op de lijst te worden bijgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeenteraad beslist over het ruimen van graven en het verwijderen van grafbedekkingen die op de in het eerste lid bedoelde lijst staan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Inrichting register</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Voorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt voorschriften vast voor het register van de begraven lijken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het register wordt bijgehouden door de ambtenaar burgerlijke stand.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De beheersverordening begraafplaatsen gemeente Kerkrade 1999, vastgesteld op 16 december 1998, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de beheersverordening begraafplaatsen gemeente Kerkrade 1999 gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om vergunning op grond van de beheersverordening begraafplaatsen gemeente Kerkrade 1999 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet op de aanvraag is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die handelt in strijd met de artikelen 3, derde lid, 4 tweede lid, van de verordening wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overtreding van artikel 3, derde lid, 4 tweede lid, van de verordening kan worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de datum van bekendmaking. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 29</label><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Kerkrade 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 29 september 2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, de griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><al><vet>T</vet><vet>OELICHTING BEHEERSVERORDENING BEGRAAFPLAATSEN GEMEENTE  KERKRADE 2010 </vet></al><al/><al><vet>A. ALGEMENE TOELICHTING </vet></al><al/><al><vet>Inleiding </vet></al><al>De bestaande beheersverordening begraafplaatsen dateert  van 1999. Nieuwe ontwikkelingen maken een nieuwe verordening noodzakelijk. Hier  dient de wijziging van de Wet op de lijkbezorging van 12 juni 2009 te worden  genoemd, naast andere nieuwe of gewijzigde wet- en regelgeving, zoals de  Europese Dienstenrichtlijn. Hoofdstuk 3 van de Algemene toelichting gaat hier  nader op in.  </al><al/><al><vet>1. De verordenende bevoegdheid</vet></al><al>In artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald  dat gemeentelijke verordeningen door de raad worden vastgesteld voor zover de  bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het  college of burgemeester is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet  maakt de raad de verordening die de raad in het belang van de gemeente nodig  acht. Sinds de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur op 7  maart 2002 zijn in de gemeente de bevoegdheden van de raad en het college  ontvlecht. In het kader hiervan zijn de bestuursbevoegdheden van de Gemeentewet  geconcentreerd bij het college en zijn de kaderstellende en controlerende  bevoegdheden van de raad versterkt.  </al><al>De grondslag voor de verordenende bevoegdheid voor  begraafplaatsen berust op artikel 149 van de Gemeentewet. Daarnaast moet worden  genoemd artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging dat een verordening eist voor  de dagen en uren dat de gemeente gelegenheid moet geven tot begraven.  </al><al/><al><vet>2. Gemeentelijk begraafplaatsenbeleid</vet></al><al>De beheersverordening begraafplaatsen bevat verschillende  regels die de gemeenten hanteren voor de instandhouding van en de  dienstverlening op de gemeentelijke begraafplaatsen. In dit hoofdstuk schenken  wij aandacht aan enkele van deze regels.  </al><al>De burgers hebben vaak een emotionele betrokkenheid met de  begraafplaatsen en alles wat zich daarop afspeelt. Daarbij stelt de  dienstverlening hen voor financiële lasten. Dit maakt het nodig om de rechten en  verplichtingen duidelijk vast te leggen. Er is naar gestreefd om overbodige  regelgeving te voorkomen en procedures kort te houden. De beheerder van de  begraafplaats kan worden aangewezen voor contacten met de burgers, bijvoorbeeld  voor het in ontvangst nemen van diverse aanvragen.  </al><al>De verantwoordelijkheid van de gemeente voor de  begraafplaats kan worden vergeleken met de verantwoordelijkheid die zij heeft  bij de zorg voor andere collectieve voorzieningen zoals wandelgebieden en  fietspaden.  </al><al>De beheersverordening geeft het college de bevoegdheid om  de graven in te delen in categorieën.    </al><al/><al><vet>3. Wijzigingen in wet- en regelgeving </vet></al><al/><al><vet>3.1. Wet op de lijkbezorging </vet></al><al>De Wet op de lijkbezorging is op 12 juni 2009 gewijzigd.  De wijziging werd van kracht op 1 januari 2010.  De wijzigingen die  aanpassing van de eerdere verordening noodzakelijk maken betreffen de volgende  wetsartikelen:  </al><al>Artikel 16: ‘Begraving of verbranding geschiedt niet  eerder dan 36 uren na het overlijden en uiterlijk op de zesde werkdag na het  overlijden.’  </al><al>In de oude wetstekst werd als laatst mogelijke dag de  vijfde dag na het overlijden genoemd. De verlenging van deze termijn heeft  gevolgen voor de termijn van aanmelding van herdenkingsbijeenkomsten e.d. op de  begraafplaats, die doorgaans niet kunnen samenvallen met een begrafenis. Dit  wordt geregeld in artikel 5 (‘Plechtigheden’) van de nieuwe beheersverordening.   </al><al>Artikel 23, tweede lid: ‘Begraving geschiedt in een  algemeen graf, waarbij de houder van de begraafplaats bepaalt wie daarin wordt  begraven, dan wel in een particulier graf, zijnde een graf waarop een  uitsluitend recht is gevestigd, waarbij de rechthebbende bepaalt wie daarin  wordt begraven.’  </al><al>De term ´algemeen graf´ kwam in de oude wetstekst niet  voor, de nieuwe verordening volgt de terminologie van de gewijzigde wet.  </al><al>Artikel 27a. In dit nieuwe artikel wordt bepaald dat de  houder van de begraafplaats ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden  voor het verstrijken van de termijn van uitgifte van een algemeen graf  schriftelijk mededeling daarvan doet aan de belanghebbende bij het graf. Nu dit  bij wet is geregeld is de noodzaak dit op te nemen in de beheersverordening  vervallen.  </al><al>Artikel 28. Het eerste lid van dit artikel is gewijzigd in  die zin, dat de minimumtermijn voor verlening van het uitsluitend recht op een  graf van twintig jaar is teruggebracht tot tien jaar.  </al><al>De laatste zin van dit lid betreft de verlenging en luidt:  ‘Het voor bepaalde tijd verleende recht wordt op verzoek, mits gedaan binnen  twee jaar voor het verstrijken van de termijn, telkens verlengd, met dien  verstande dat de houder van de begraafplaats kan bepalen dat een periode van  verlenging niet korter is dan vijf jaar en niet langer is dan twintig jaar.’   </al><al>Een en ander heeft gevolgen voor artikel 15 (‘Termijnen  particuliere graven’) van de beheersverordening.  </al><al>Het vierde, vijfde, zesde en zevende lid van artikel 28  bevatten nieuwe bepalingen betreffende kennelijke verwaarlozing van het  onderhoud van een graf:  </al><al>Lid 4: ‘In geval van kennelijke verwaarlozing van het  onderhoud van een particulier graf, kan de houder van de begraafplaats, voor  zover de plicht tot onderhoud niet bij hem ligt, deze verwaarlozing vastleggen  in een schriftelijke verklaring, die hij toezendt aan de rechthebbende, die  binnen één jaar na ontvangst in het onderhoud voorziet.’  </al><al>Lid 5: ‘Indien de ontvangst van de verklaring, bedoeld in  het vierde lid, niet bevestigd wordt, maakt de houder van de begraafplaats de  verklaring bekend bij het graf en bij de ingang van de begraafplaats, gedurende  een periode van vijf jaar dan wel totdat in die periode in het onderhoud is  voorzien.’  </al><al>Lid 6: ‘Indien toepassing is gegeven aan het vierde of  vijfde lid en niet alsnog in het onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het  recht op het graf op het moment dat de periode van één dan wel vijf jaar,  bedoeld in het vierde respectievelijk vijfde lid, is verstreken.’  </al><al>Lid 7: ‘Indien het recht op het graf nog geen twintig jaar  is gevestigd op het moment dat de periode, bedoeld in het vijfde lid is  verstreken, blijft de bekendmaking in stand totdat de periode van twintig jaar  is verstreken dan wel totdat in die periode in het onderhoud is voorzien. Indien  niet voordien in het onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het recht op  het graf zodra de termijn van twintig jaar is verstreken.’  </al><al>Deze bepalingen geven de houders van de begraafplaatsen de  mogelijkheid de grafrechten van verwaarloosde graven vijf jaar na constatering  en bekendmaking te laten vervallen, met dien verstande dat de minimale  uitgiftetermijn (tien jaar) wordt gerespecteerd. Vóór de wetswijziging kon het  recht pas dertig jaar na de laatste begraving vervallen. Voor de  beheersverordening heeft dit overigens geen directe gevolgen. Wel wordt de  formulering van de wijze van bekendmaking steeds gevolgd in de verordening.   </al><al>Artikel 32. Dit artikel gaf in de ongewijzigde wet de  minister de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen  omtrent de wijze van begraven, de inrichting van het graf en de afstand van de  graven onderling. Dit is uitgebreid met de mogelijkheid regels te stellen  omtrent het ruimen van de graven, het verwijderen van de grafmonumenten en de  teraardebestelling van de overblijfselen der lijken. Deze wijziging kwam tot  stand nadat was gebleken dat de samenleving behoefte had aan bepaalde  richtlijnen voor met name het ruimen en de teraardebestelling van de  overblijfselen.  </al><al>Met het oog hierop is in de beheersverordening een lid  toegevoegd aan het artikel betreffende de ruiming en de bezorging van  overblijfselen (artikel 22). Volgens dit lid heeft de beheerder de plicht er  zorg voor te dragen dat er altijd met respect en piëteit wordt omgegaan met  menselijke resten.  </al><al>Artikel 32a. In dit nieuwe artikel wordt bepaald dat  gedurende de periode dat een graf niet geruimd mag worden het artikel 20, eerste  lid, aanhef en onder e en f, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek niet van  toepassing is op hetgeen op het graf is geplaatst. Dit artikel van het  Burgerlijk Wetboek betreft de natrekking. In 2002 heeft de Hoge Raad de  uitspraak gedaan dat graftekens (van graven met uitsluitend recht als bedoeld in  artikel 28 Wet op de lijkbezorging) middels natrekking in eigendom toebehoren  aan de eigenaar van de grond. De consequentie van deze uitspraak was dat de  begraafplaats als eigenaar van grafmonumenten aansprakelijk was voor de schade  die het grafmonument aan een ander grafmonument of aan een ander object, mens of  dier aanbrengt (risicoaansprakelijkheid). Het nieuwe wetsartikel legt de  eigendom en daarmee ook de risicoaansprakelijkheid van de graftekens bij de  rechthebbende.  </al><al/><al><vet>3.2. Vermindering administratieve lasten</vet></al><al>Vele zaken zijn in het model geregeld door middel van een  meldingsplicht, zoals het houden van plechtigheden (art. 5), het doen begraven  en het doen bijzetten of doen verstrooien van as en het door de nabestaanden  zelf openen en sluiten van een graf (art.7). Een melding genereert weinig  administratieve lasten.  </al><al>Slechts in twee gevallen dient in het model een vergunning  te worden aangevraagd, i.e. voor het aanbrengen van een grafkelder (art. 15) en  voor het hebben van een grafbedekking (art. 18).  </al><al>De vergunningsplicht voor het hebben van een grafbedekking  is in de nieuwe verordening gehandhaafd. Controle achteraf met als uiterste  consequentie correctie is, juist bij grafbedekkingen, ongewenst. Het ontwerpen,  de aanschaf en de plaatsing van een grafmonument gaat doorgaans met emoties  gepaard. Wanneer achteraf blijkt dat het monument niet aan de eisen voldoet is  het ondoenlijk om nabestaanden alsnog te vragen het gedenkteken aan te passen of  te verwijderen.  De toestemming van het college, zoals vereist voor  steenhouwers, hoveniers etc. die werkzaamheden op de begraafplaats willen  verrichten (art. 4 eerste lid van de oude verordening) heeft geen toegevoegde  waarde. De beheerder heeft immers al de bevoegdheid tegen ongewenste praktijken  op te treden, volgens artikel 4 eerste en tweede lid van de nieuwe  beheersverordening. Afschaffing van de toestemmingsvereiste leidt tot  vermindering van administratieve en bestuurlijke lasten.  </al><al/><al><vet>3.3. Lex silencio positivo</vet></al><al>In een voorgestelde nieuwe wijziging van de Wet op de  lijkbezorging wordt in artikel 29 voor de vergunning tot opgraving een Lex  silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)  opgenomen. Dat wil zeggen dat wanneer op een aanvraag tot opgraving niet op tijd  wordt beslist, de vergunning van rechtswege is verleend.  </al><al>Bij de beide vergunningen die deze beheersverordening  regelt (i.e. voor het grafmonument en voor de grafkelder) is niet voor een Lex  silencio positivo gekozen. Op zich is hier tegen een Lex silencio positivo  weinig bezwaar. De vergunningen worden doorgaans tijdig verleend of afgewezen.  Daarbij kunnen ook van tevoren regels worden gesteld die voor een vergunning van  rechtswege gelden (bijvoorbeeld over maatvoering en materiaalgebruik). Bij  gemeenten bestaat echter veel zorg over het ontstaan van situaties waarbij toch  niet aan deze regels wordt voldaan, zoals hiervoor al is uiteengezet. Gemeenten  wensen één situatie te allen tijde te vermijden, namelijk dat nabestaanden  worden geconfronteerd met een handhavingactie waarbij een grafmonument (of  kelder) weer moet worden verwijderd omdat het niet aan de regels voldoet. Om die  reden is in deze verordening afgezien van de Lex silencio positivo.  </al><al/><al><vet>3.4. Europese Dienstenrichtlijn </vet></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG)  schrijft de Lex silencio positivo dwingend voor bij vergunningsstelsels die  onder de reikwijdte van deze richtlijn vallen. Dat is bij de vergunningen die in  deze verordening zijn opgenomen echter niet het geval. Het al dan niet toepassen  van de Lex silencio positivo is dus een autonome keuze van de gemeente.  </al><al>De vorige verordening bevatte één bepaling die zich  specifiek tot dienstverleners richtte, namelijk tot steenhouwers, hoveniers en  anderen die op de begraafplaats werkzaamheden verrichten (artikel 4, eerste  lid). Om te voorkomen dat de volle lasten van de Dienstenrichtlijn op deze  bepaling zouden komen te rusten (screening en notificatie) is besloten de  bepaling te schrappen. Bovendien is voor de ordelijke gang van zaken deze  bepaling niet noodzakelijk, zoals hierboven is uiteengezet.  </al><al/><al><vet>3.5. Verouderde regels</vet></al><al>Artikel 28 van de verordening betreft de inwerkingtreding  van de verordening. In het oude model werd de inwerkingtreding gesteld op de  eerste dag na het verstrijken van een termijn van zes weken na de datum van  uitgifte van het gemeenteblad waarin de verordening is geplaatst. De  beheersverordening begraafplaatsen behoorde tot de verordeningen waarover op  grond van de Tijdelijke referendumwet (Trw) een referendum kon worden gehouden.  De termijn van zes weken was voorgeschreven in art. 22 van de Trw. De Trw is  echter per 1 januari 2005 vervallen. Vanaf dat tijdstip geldt artikel 142 van de  Gemeentewet: Alle verordeningen treden in werking op de achtste dag na  bekendmaking, tenzij daarvoor een ander tijdstip was aangewezen.  </al><al/><al><vet>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. </vet></al><al>In dit artikel worden de gebruikte begrippen gedefinieerd.   </al><al>b en c. Grafkelders worden in de praktijk steeds vaker  gebruikt. Deze constructies kunnen ook bovengronds worden geplaatst, als  onderdeel van een muur of wand.  </al><al>Wanneer een of meerdere lijken worden begraven of asbussen  worden bijgezet in een grafkelder, spreekt men van een keldergraf, in  tegenstelling tot een zandgraf.  </al><al>f. Een particulier graf werd in de oude verordening  aangeduid als ‘eigen’ graf. Ook in het algemeen spraakgebruik wordt de term  ‘eigen graf’ nog altijd gebezigd. De nieuwe verordening volgt echter de  terminologie van de Wet op de lijkbezorging.  </al><al>f. en h. De mogelijkheid wordt geboden as te doen  verstrooien in of op de particuliere graven. Bij keldergraven, zeker wanneer  deze onderdeel zijn van een muur of wand, is dit niet goed mogelijk.  g.  Volgens artikel 23, tweede lid van de Wet op de lijkbezorging is het aan de  houder van de begraafplaats te bepalen wie in een algemeen graf wordt begraven.   </al><al>l. en m. De termen rechthebbende en gebruiker zijn nader  gedefinieerd.  </al><al/><al><vet>Artikel 2.</vet></al><al>Voor een particulier graf en een particulier urnengraf  gelden vrijwel dezelfde rechten en plichten.  </al><al/><al><vet>Artikel 3.</vet></al><al>Dit artikel maakt het de beheerder tevens mogelijk de  begraafplaats geheel of gedeeltelijk te sluiten wanneer dit voor het ruimen van  graven noodzakelijk is.  </al><al/><al><vet>Artikel 4.</vet></al><al>De verordening bevat gedragsvoorschriften voor hen die van  de begraafplaats gebruik maken, in het belang van orde, rust en netheid. Tegen  overtreding van de voorschriften is straf bedreigd. De politie kan als gevolg  van de strafbedreiging tegen ordeverstoringen optreden en zo nodig proces  verbaal opmaken.  </al><al>De in oude verordening opgenomen bepaling dat personen die  werkzaamheden aan grafbedekkingen op de begraafplaats hebben te verrichten  daarvoor toestemming van het college dienen te vragen is geschrapt. De eis was  gesteld in het kader van de openbare orde: Steenhouwers en hoveniers moeten zich  er steeds van bewust zijn dat hun werkzaamheden storend kunnen zijn voor  rouwenden en tijdens uitvaartplechtigheden. De bevoegdheid van de beheerder om  personen weg te sturen als zij zich niet aan zijn aanwijzingen houden biedt  echter, samen met de verbodsbepalingen, voldoende mogelijkheden om tegen  ongewenste activiteiten op te treden. Denkbaar is dat men ter controle een  bewijs moet kunnen overleggen dat men in opdracht van de rechthebbende van het  graf aan het werk is.  </al><al>Aan een uitzondering op de regel als bedoeld in het derde  lid onder a bestaat behoefte omdat men soms dichtbij een graf moet kunnen komen  met een motorrijtuig. Aangezien een dergelijke handeling niet overeenstemt met  het beeld van orde en rust dient met het verlenen van de ontheffing uiterst  terughoudend te worden omgegaan. De situatie kan uiteraard per begraafplaats  verschillen.  </al><al/><al><vet>Artikel 5.</vet></al><al>Met dit artikel wordt beoogd plechtigheden ordelijk te  doen verlopen. Door te eisen dat de mededeling zes werkdagen vooraf moet  plaatshebben, kan worden voorkomen dat de plechtigheid samenvalt met een  begrafenis. Een begrafenis dient volgens de wet uiterlijk op de zesde werkdag na  het overlijden te geschieden.  </al><al>Bijeenkomsten die het karakter van een plechtigheid te  buiten gaan, kunnen het karakter hebben van een openbare manifestatie. Hiervan  moet vooraf kennisgeving worden gedaan aan de burgemeester volgens de Wet  openbare manifestaties van 1988 en mogelijk van toepassing zijnde  APV-bepalingen.  </al><al/><al><vet>Artikel 6.</vet></al><al>Uitdrukkelijk is gesteld dat bij opgraving van een lichaam  of bij ruiming van een of meer graven alleen de personen aanwezig mogen zijn die  met de werkzaamheden zijn belast.  </al><al/><al><vet>Artikel 7. </vet></al><al>Een schriftelijke kennisgeving is nodig omdat duidelijk  vast moet liggen wat voor graf er wordt gevraagd.  </al><al>De as kan volgens artikel 62 van de Wet op de  lijkbezorging worden bijgezet in of op een graf. Urnennissen zijn op de  gemeentelijke begraafplaatsen niet aanwezig.  </al><al>In de oude verordening was de bepaling opgenomen dat het  lijk bij aankomst op de begraafplaats of in het crematorium voorzien diende te  zijn van een identiteitskenmerk. Deze bepaling is geschrapt, aangezien dit  vereiste volgt uit artikel 8 van de Wet op de lijkbezorging.  </al><al>Indien de nabestaanden alle of bepaalde werkzaamheden zelf  willen verrichten zijn, ook om redenen van veiligheid, toch de aanwijzingen en  de hulp van het personeel van de begraafplaats nodig. Het gaat dan vooral om het  openen en sluiten van het graf. De werkzaamheden kunnen eventueel door de  nabestaanden en het personeel van de begraafplaats samen worden verricht. Zo  kunnen de nabestaanden bijvoorbeeld een begin maken. Vervolgens kan het  personeel de handelingen verrichten waar ervaring voor nodig is of die van de  nabestaanden te zware lichamelijke inspanning vragen. Werkzaamheden als het  aanbrengen van de grafranden ter stutting van de grond om het geopende graf en  het verwijderen van die randen voor het sluiten van het graf zullen door het  personeel moeten worden verricht.  </al><al/><al><vet>Artikel 8.</vet></al><al>De Wet op de lijkbezorging schrijft voor dat de  behandelende arts of de gemeentelijke lijkschouwer een verklaring van overlijden  afgeeft aan de ambtenaar van de burgerlijke stand (artikel 12). Vervolgens geeft  deze schriftelijk verlof tot begraven of cremeren (artikel 11). Dit verlof dient  te worden overlegd aan de ambtenaar burgerlijke stand. Door de medewerking aan  de begrafenis te weigeren wanneer dit verlof niet in zijn bezit is voldoet de  ambtenaar burgerlijke stand aan de wettelijke vereisten.  </al><al>Vanuit het oogpunt van vermindering van administratieve  lasten verdient het aanbeveling het hierboven genoemde traject zo soepel  mogelijk te doen verlopen.  </al><al>De bezorging van as omvat zowel het bijzetten als de  verstrooiing.  </al><al>Er mag van worden uitgegaan dat het stoffelijk overschot  van de rechthebbende zelf in het particuliere graf mag worden bijgezet (lid 2).  Het verzoek tot overschrijving van het recht dient in dit geval wel vóór de  bijzetting te worden gedaan volgens artikel 16, tweede lid.  </al><al>De wettelijke minimum grafrusttermijn (lid 3) is de  termijn dat een lijk volgens de wet ten minste begraven moet blijven voordat het  mag worden geruimd. Het is voorgekomen dat in particuliere graven begravingen of  bijzettingen betrekkelijk kort voor het aflopen van de uitgiftetermijn  plaatsvonden. Daarom is vastgelegd dat in dergelijke gevallen begraving of  bijzetting alleen kan plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de  uitgiftetermijn. Uiteraard zal die verlenging dan een periode moeten omvatten  die de alsdan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk maakt aan de  wettelijke minimum grafrusttermijn, i.e. 10 jaar.  </al><al/><al><vet>Artikel 9.</vet></al><al>Artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging verplicht tot de  mogelijkheid van begraven op iedere dag gedurende een bij gemeentelijke  verordening te bepalen tijd, met uitzondering van zon- en feestdagen.  </al><al>In de verordening blijven de tijden zoals die reeds golden  van kracht en wordt de tijd op zaterdag uitgebreid van tot 16.00 uur (was 12.00  uur). Het college kan in bijzondere gevallen afwijken.  </al><al/><al><vet>Artikel 10.</vet></al><al>Dit artikel noemt de verschillende soorten van  voorzieningen op de begraafplaats. Op de gemeentelijke begraafplaatsen zijn  vooralsnog geen particuliere urnennissen of particuliere gedenkplaatsen  aanwezig, zodat deze ook niet kunnen worden uitgegeven.   </al><al/><al><vet>Artikel 11.</vet></al><al>Het Besluit op de lijkbezorging van 4 december 1997 bevat  in artikel 5 de bepaling dat er ten hoogste drie lijken boven elkaar mogen  worden begraven.  </al><al/><al><vet>Artikel 12.</vet></al><al>Een graf zal alleen in afwijking van het grafuitgifteplan  worden toegewezen als dit niet bezwaarlijk is voor de situatie op de  begraafplaats. Hierbij kan worden gedacht aan het aanzien van de begraafplaats  en de gesteldheid van de bodem.  </al><al/><al><vet>Artikel 13.</vet></al><al>Een indeling in categorieën is nodig als het college  verschillende regels wil vaststellen voor de grafbedekkingen op de graven die  liggen op de verschillende delen (categorieën) van de begraafplaats.  </al><al/><al><vet>Artikel 14.</vet></al><al>Volgens artikel 28, eerste lid van de Wet op de  lijkbezorging kan het recht op een graf voor ten minste tien jaar worden  verleend. Voorts kan, wanneer sprake is van verlenging, de houder van de  begraafplaats bepalen dat de periode van verlenging niet korter is dan vijf jaar  en niet langer dan twintig jaar.  In deze verordening is gelet op de  ervaringen in de praktijk gekozen om rechthebbenden voor wat betreft de  uitgiftetermijn de mogelijkheid te geven te kiezen voor een periode van twintig  of dertig jaar. Voor de verlenging is de mogelijkheid gegeven te kiezen voor een  periode van tien of twintig jaar.  </al><al>Soms verkeren rechthebbenden in de onjuiste  veronderstelling dat de uitgiftetermijn pas begint te lopen op het moment van de  eerste begraving of bijzetting. Daarom is de laatste zin in het eerste lid van  artikel 15, betreffende de aanvang van de termijn, opgenomen.  </al><al>De Wet op de lijkbezorging bepaalt in artikel 28 dat vanaf  twee jaar voor het verstrijken van de lopende termijn verlenging van de termijn  kan worden aangevraagd. Binnen een jaar na het begin van deze periode moet,  volgens het tweede lid van genoemd wetsartikel, het college de rechthebbende op  het graf mededelen dat de termijn gaat aflopen. Volgens het oude wetsartikel  diende deze mededeling schriftelijk te geschieden ‘aan de rechthebbende wiens  adres de houder van de begraafplaats bekend is of redelijkerwijs bekend kan  zijn’. Het laatste deel van de zin (‘of redelijkerwijs bekend kan zijn’) is bij  de wijziging van de wet geschrapt. In het kader van de vermindering van  administratieve lasten komt de verantwoordelijkheid voor het geven van het  juiste adres nu uitdrukkelijk bij de rechthebbende te liggen. Van de houder van  de begraafplaats wordt dan niet méér verlangd dan dat hij het adres uit zijn  eigen administratie gebruikt. Tevens ontslaat dit de beheerder van de plicht het  GBA-netwerk te (doen) raadplegen. Wanneer niet binnen drie maanden om verlenging  van het recht is verzocht, dient de mededeling bekend te worden gemaakt bij het  graf en bij de ingang van de begraafplaats tot aan het einde van de periode dat  de rechthebbende om verlenging van de termijn van uitgifte kan vragen.  </al><al>Zie verder voor de bekendmakingen de toelichting op  artikel 22.  </al><al>Indien er ten tijde van de opheffing van de begraafplaats  nog rechten op particuliere graven bestaan, zal in overleg met de rechthebbenden  moeten worden bezien welke beslissingen er ten aanzien van die graven zullen  worden genomen.  </al><al/><al><vet>Artikel 15.</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.  </al><al/><al><vet>Artikel 16.</vet></al><al>Het recht op een particulier graf wordt verleend door een  beschikking van het college. Hierin wordt aan de aanvrager het uitsluitend recht  gegeven om lijken in een bepaald graf te doen begraven. In juridisch opzicht is  een vergelijking mogelijk met de vergunning een standplaats in te nemen op de  openbare weg. De koopman mag op een bepaalde plaats staan. Net als bij de  standplaatsvergunning steunt het recht om lijken in een bepaald graf — vroeger  aangeduid als 'eigen graf' — te begraven op een persoonlijke beschikking. De  eigenaar kan zijn recht dus niet verkopen. Het recht kan op verzoek van de  rechthebbende wel worden overgeschreven op een ander.  </al><al>In de vorige verordening was bepaald dat het recht op een  graf slechts kon worden overgeschreven op naam van de echtgenoot of  levenspartner van de (overleden) rechthebbende dan wel op naam van een  bloedverwant of aanverwant tot en met de derde graad. Slechts wanneer er  gewichtige redenen bestonden was overschrijving op naam van een ander mogelijk.  Uit de praktijk bleek dat deze beperking niet of lastig te handhaven is en  bovendien administratieve lasten veroorzaakt. Daarom is deze regel geschrapt.  Wel wordt nu de mogelijkheid geboden het recht over te schrijven op naam van een  rechtspersoon.  </al><al>Het is gewenst dat er na overlijden van een rechthebbende  een nieuwe rechthebbende wordt aangewezen die de verantwoordelijkheid voor de  grafruimte en de daaraan verbonden kosten op zich neemt. De termijn, waarbinnen  de aanvraag tot overschrijving kan worden gedaan, is gesteld op zes maanden na  het overlijden van de rechthebbende. Er is geen reden een langere termijn aan te  houden.  </al><al>Het vierde lid van dit artikel geeft het college de  mogelijkheid zo nodig van de genoemde termijn af te wijken.  </al><al>In het geval dat de stoffelijke resten van de  rechthebbende in het graf moeten worden bijgezet dient het verzoek tot  overschrijving vóór de bijzetting te worden gedaan. Doorgaans worden, na een  overlijden, door de nabestaanden meteen al de noodzakelijke regelingen  getroffen. Logischerwijs is dan het aanwijzen van een nieuwe rechthebbende daar  één van.  </al><al>Wanneer nabestaanden ontbreken is er de mogelijkheid de  rechten over te schrijven op naam van de notaris die de nalatenschap beheert, of  op naam van de Stichting Grafzorg Nederland.  </al><al/><al><vet>Artikel 17.</vet></al><al>Dit artikel is opgenomen om buiten twijfel te stellen dat  de rechthebbende afstand van het graf kan doen.  </al><al/><al><vet>Artikel 18.</vet></al><al>Als elke regelgeving voor grafbedekkingen ontbreekt kan  het aanzien van begraafplaatsen chaotisch worden. Ook en vooral dienen de  veiligheidsaspecten te worden genoemd. Het andere uiterste, een strak keurslijf  van bepalingen die elke persoonlijke of kunstzinnige uiting aan banden legt of  onmogelijk maakt, moet worden voorkomen. Deze verordening geeft de burgers de  nodige vrijheid; het beperkt zich tot het aangeven van minimumeisen voor de  afmetingen, constructie en materiaalkeuze waaraan de grafbedekking moet voldoen.  Deze eisen zijn uitgewerkt in de nadere regels van het college.  </al><al>De vergunningseis geldt voor de grafbedekkingen op  algemene en voor die op particuliere graven, en omvat zowel het gedenkteken als  de winterharde beplantingen.  </al><al>Als er geen grafbedekking wordt aangebracht zal wel moeten  worden aangeduid dat er iemand begraven ligt om te voorkomen dat bezoekers  ongewild over het graf lopen. Uit een aanduiding bij het graf en uit de  administratie zal voorts moeten blijken wie daar begraven is.  </al><al/><al><vet>Artikel 19.</vet></al><al>In dit artikel worden de rechten en de plichten van de  rechthebbende of, in het geval van algemene graven, van de gebruiker ten aanzien  van de grafbedekking omschreven. Alleen in dit artikel is sprake van plichten  voor (bepaalde) nabestaanden van overledenen die zijn bijgezet in een algemeen  graf. Daarom wordt hier de in artikel 1 (‘Begripsbepalingen’) gedefinieerde term  ‘gebruiker’ gebezigd in plaats van de ruimer op te vatten term ‘belanghebbende’,  die voorkomt in verband met het begrip ‘algemeen graf’ in de Wet op de  lijkbezorging (artikel 27a).  </al><al>De eigendom en daarmee ook de risicoaansprakelijkheid van  hetgeen op het graf is geplaatst ligt, volgens art. 32a van de Wet op  lijkbezorging, bij de rechthebbende. Van natrekking is geen sprake zolang het  graf niet geruimd mag worden.  </al><al>Indien er sprake is van verwaarlozing van de grafbedekking  kan de beheerder van de begraafplaats de rechthebbende of de gebruiker  aanspreken en sommeren tot het verrichten van herstelwerkzaamheden aan de  grafbedekking. De Wet op de lijkbezorging bepaalt in artikel 28, het vierde tot  en met het zevende lid, dat het recht op het graf vervalt wanneer vijf jaar na  constatering en bekendmaking van de verwaarlozing niet in het onderhoud is  voorzien. Hierbij wordt rekening gehouden met de termijn van grafrust en de  uitgiftetermijn van het graf.  </al><al/><al><vet>Artikel 20.</vet></al><al>In de dagelijkse praktijk rijzen er nog wel eens problemen  over verwijderde bloemen en eenjarige planten zoals afrikanen en geraniums.  Omdat de bloemen en planten eigendom zijn van de rechthebbenden of de  belanghebbenden is een waarschuwing vooraf op zijn plaats. Het zou echter veel  te omslachtig zijn genoemde personen steeds per brief te waarschuwen dat de  verwaarloosde planten of verwelkte bloemen zullen worden verwijderd. Het  verdient aanbeveling om het beleid ten aanzien van de planten en bloemen mee te  delen bij de afgifte van de vergunning voor het hebben van een grafbedekking en  bekend te maken op het mededelingenbord op de begraafplaats. Het is gewenst om  verwelkte bloemen niet te snel te verwijderen omdat gesteld mag worden dat zij  passend zijn bij de sfeer van de begraafplaats.  </al><al/><al><vet>Artikel 21.</vet></al><al>De rechthebbende dient volgens artikel 28, tweede lid van  de Wet op de lijkbezorging ten minste een jaar voor het verstrijken van de  termijn van het recht op de hoogte te worden gesteld van dit feit, en van de  mogelijkheid verlenging van het recht te vragen. In veel gevallen kan dan  gelijktijdig de mededeling worden gedaan dat, wanneer niet om verlenging wordt  verzocht, het college opdracht zal geven de grafbedekking na het verstrijken van  de termijn te verwijderen en het graf te ruimen. Tevens kan worden medegedeeld  dat de grafbedekking dertien weken na verwijdering aan de gemeente vervalt.   </al><al>Ook nabestaanden van overledenen die zijn begraven in een  algemeen graf dienen, volgens artikel 27a van de Wet op de lijkbezorging, op  hoogte te worden gesteld van het verstrijken van de termijn van uitgifte. Deze  mededeling dient volgens de wet ‘ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf  maanden voor het verstrijken van de termijn van uitgifte’ aan de belanghebbende  bij dat graf te worden gedaan. Hierbij kan dan gelijktijdig de mededeling worden  gedaan dat de mogelijk aanwezige grafbedekking zal worden verwijderd en dat het  graf zal worden geruimd. Zie ook artikel 14, tweede lid, met de toelichting en  artikel 22 eerste lid van deze verordening.  </al><al>De bordjes bij de graven met een mededeling dienen alleen  aan de bezoekers van die graven op te vallen.  </al><al>De grafbedekking kan ook worden verwijderd nadat het  college het grafrecht vervallen heeft verklaard omdat er na het overlijden van  de rechthebbende niet tijdig een nieuwe rechthebbende is aangewezen (artikel 16,  derde lid van deze verordening), of omdat het onderhoud van het graf is  verwaarloosd (artikel 28, zesde lid van de Wet op de lijkbezorging). In dat  geval geldt eveneens het vereiste van de voorafgaande mededeling per brief of  door het plaatsen van een bordje bij het graf gedurende minstens een jaar.   </al><al>Voor relevante wetgeving omtrent eigendom van roerende  zaken zie artikel 8, Burgerlijk Wetboek Boek 5 en artikel 5:30 Algemene wet  bestuursrecht.  </al><al/><al><vet>Artikel 22.</vet></al><al>Volgens artikel 31, tweede lid van de Wet op de  lijkbezorging kan een particulier graf alleen geruimd worden met toestemming van  de rechthebbende. Het recht op een graf kan echter vervallen na het verstrijken  van de termijn, of omdat er na het overlijden van de rechthebbende niet tijdig  een nieuwe rechthebbende is aangewezen (artikel 16, derde lid van deze  verordening). Ook kan het recht vervallen na verwaarlozing van het onderhoud,  volgens artikel 28, zesde lid van de Wet op de lijkbezorging.  </al><al>De mededeling dat het college voornemens is om de graven  te ruimen wordt gedaan zowel aan de rechthebbenden op particuliere graven als  aan de nabestaanden van overledenen die zijn begraven in een algemeen graf. Zie  verder hetgeen is vermeld in de toelichting op artikel 21.  </al><al>Eenieder kan van zijn zienswijze doen blijken,  bijvoorbeeld omdat het graf van historische betekenis is (zie artikel 23).   </al><al>Volgens het vijfde lid van artikel 22 kan de rechthebbende  vragen om de overblijfselen te doen verzamelen om deze te cremeren, dan wel bij  te zetten in een ander graf op dezelfde begraafplaats of over te brengen naar  een andere begraafplaats. Ook wordt de mogelijkheid gegeven om de overblijfselen  in dezelfde grafruimte te doen plaatsen (het zogenaamde schudden). Het graf  wordt dan extra diep uitgegraven, en de overblijfselen worden onderin geplaatst.  De rechthebbende kan dan vervolgens het graf bestemmen voor andere overledenen.  Op deze wijze kan het graf gedurende langere tijd in dezelfde familie blijven.   </al><al>Het vierde lid van artikel 22 opent de mogelijkheid ook  bij ruiming van algemene graven de stoffelijke overblijfselen dan wel de as een  andere bestemming te geven dan die welke genoemd is in het derde lid.  </al><al>Met betrekking tot het ruimen is in de verordening gekozen  voor een zorgplicht voor de gemeente, als beheerder van de begraafplaats. Op de  beheerder rust de plicht er zorg voor te dragen dat met de menselijke resten  welke bij de ruiming van een graf worden aangetroffen te allen tijde respectvol  wordt omgegaan. Er dienen bovendien maatregelen te worden getroffen zodat  bezoekers van de begraafplaats niet met de menselijke resten worden  geconfronteerd.  </al><al/><al><vet>Artikel 23.</vet></al><al>Het is voorgekomen dat graven die van bijzondere waarde  zijn ondoordacht werden geruimd. Een graf kan van betekenis zijn vanwege de  persoon die er is begraven, maar ook uitsluitend vanwege het gedenkteken. De  overledene kan voor de plaatselijke gemeenschap van betekenis zijn geweest. Het  gedenkteken kan opvallen door zijn vormgeving en door het gebruikte materiaal.  Als voorbeeld kunnen gietijzeren gedenktekens worden genoemd, vaak subtiel  voorzien van symbolen van de dood. Het materiaal herinnert aan een reeds lang  verdwenen nijverheid en is alleen al daardoor van waarde. Er dienen maatregelen  te worden getroffen zodat graven van bekende overledenen niet meer ondoordacht  worden geruimd en zeldzame voorwerpen op een terrein dat zozeer aan het verleden  herinnert, behouden blijven.  </al><al/><al><vet>Artikel 24.</vet></al><al>Het register van de bezorgde as is niet opgenomen in de  verordening, aangezien artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging van 4  december 1997 gedetailleerde voorschriften voor dit register geeft.  </al><al/><al><vet>Artikel 25.</vet></al><al>In artikel 25 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude  verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude  regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt.   </al><al/><al><vet>Artikel 26.</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.  </al><al/><al><vet>A</vet><vet>rtikel 27.</vet></al><al>De beheersverordening begraafplaatsen is een besluit van  de gemeenteraad op overtreding waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit  wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van de  gemeenteraad die algemeen verbindende voorschriften inhouden (zie artikel 139  van de Gemeentewet). Voorts is de gemeente gehouden dit besluit mede te delen  aan het parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen, volgens  artikel 143 van de Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Artikel 28.</vet></al><al>Hier geldt artikel 142 van de Gemeentewet: Alle  verordeningen treden in werking op de achtste dag na bekendmaking, tenzij  daarvoor een ander tijdstip was aangewezen. </al><al/><al><vet>Artikel 29. </vet></al><al>In de citeertitel wordt een jaartal opgenomen om de  betrokken regeling te onderscheiden van de voorgaande regeling.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>