<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR56614_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB gemeente Venlo</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">E3 journaal/ de Trompetter, 29-12-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB gemeente Venlo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">Gemeentewet, art. 147, eerste lid </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">Wet werk en bijstand, art. 8, eerste lid onderdeel c </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=30">Wet werk en bijstand, art. 30 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>hfd. 4 (nieuw)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeenteblad jaargang 2011 nummer 52</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Op 1 juli 2010 wordt de <extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/regelingen/Toeslagenverordening-Wwb-gemeente-Venlo-2010/01-01-2010">Toeslagenverordening Wwb gemeente Venlo 2010</extref>, vastgesteld door de raad op 4 januari 2010, ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB gemeente Venlo</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet</extref>, en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">artikelen 8, eerste lid onderdeel c</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=30">30 van de Wet werk en bijstand</extref>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende: een persoon van 27 jaar of ouder doch jonger dan
                                    65 jaar;</al></li><li nr="b."><al>de wet : de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> (WWB);</al></li><li nr="c."><al>WIJ: de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20investeren%20in%20jongeren">Wet investeren in jongeren</extref>;</al></li><li nr="d."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=21">artikel 21 onderdeel c van de wet;</extref></al></li><li nr="e."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op verzorging
                                    ter voorkoming van opname in een verpleeghuis of
                                    verzorgingstehuis;</al></li><li nr="f."><al>woning: een woning als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20huurtoeslag/article=1">artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag</extref>, als
                                    mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=3">artikel 3, zesde lid van de wet</extref>;</al></li><li nr="g."><al>woonkosten:</al></li><li nr=""><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                    huurprijs,bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20huurtoeslag/article=1">artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de
                                        huurtoeslag</extref>;</al></li><li nr=""><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                                    maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de
                                    in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                    zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen
                                    bedrag voor onderhoud;</al></li><li nr="h."><al>woonlasten: woonlasten zijn alle kosten die verbonden zijn aan
                                    het bewonen van een woning, zoals woonkosten en energiekosten
                                    conform constante jurisprudentie op grond van de wet.</al></li><li nr="i."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Venlo.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Toeslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, eerste lid van de wet</extref> bedraagt 20% van
                                    de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in
                                    wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, eerste lid van de wet</extref> bedraagt 10% van
                                    de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder
                                    in wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf
                                    hebben.</al></li><li nr="3."><al>De toeslag als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, eerste lid van de wet</extref> bedraagt 2% van
                                    de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die
                                    geen woning bewoont, dan wel geen woonlasten heeft.</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van het tweede lid van dit artikel worden de
                                    volgende personen niet aangemerkt als een ander die in dezelfde
                                    woning zijn hoofdverblijf heeft: </al><lijst><li nr="a."><al>kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar
                                            met een inkomen van ten hoogste de norm als bedoeld in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=20">artikel 20, onder a, van de wet</extref>
                                            vermeerdert met 10% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="b."><al>meerderjarige kinderen met studiefinanciering op grond
                                            van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20studiefinanciering%202000">Wet studiefinanciering 2000</extref>;</al></li><li nr="c."><al>meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op grond
                                            van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20tegemoetkoming%20onderwijsbijdrage%20en%20schoolkosten">Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                                schoolkosten</extref>;</al></li><li nr="d."><al>verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden
                                            verzorgd.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Bij samenloop van het tweede en derde lid heeft de toeslag op
                                    grond van het derde lid voorrang.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Criteria voor het verlagen van de norm</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 Verlaging gehuwdennorm</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=26">artikel 26 van de wet</extref> bedraagt 10% van de
                                    gehuwdennorm voor gehuwden die een woning delen met één of meer
                                    anderen.</al></li><li nr="2."><al>Het vierde lid van artikel 2 van deze verordening is van
                                    overeenkomstige toepassing op het eerste lid van dit
                                    artikel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Verlaging vanwege woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=27">artikel 27 van de wet</extref> bedraagt:</al><lijst><li nr="1."><al>het bedrag van de basishuur zoals omschreven in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=16">artikelen 16</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20Huurtoeslag%20/article=17">17 van de Wet op de Huurtoeslag</extref> indien een woning
                                    wordt bewoond waaraan voor de belanghebbende geen woonkosten
                                    verbonden zijn;</al></li><li nr="2."><al>voor gehuwden die geen woning bewonen dan wel geen woonlasten
                                    hebben 18% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="3."><al>bij samenloop van artikel 3, eerste lid en artikel 4, eerste en
                                    tweede lid, van deze verordening heeft artikel 4 voorrang.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Samenloop WWB en WIJ bij gehuwden zonder
                                kinderen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien er sprake is van gehuwden zonder kinderen waarvan een
                                    partner recht heeft op een uitkering op grond van de wet en een
                                    partner op een inkomensvoorziening op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WIJ%20">WIJ</extref> dan wordt de uitkering op grond van de wet
                                    berekend naar de van toepassing zijnde norm voor een
                                    alleenstaande conform <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=24">artikel 24 van de wet</extref>.</al></li><li nr="2."><al>De alleenstaande genoemd in het eerste lid wordt in afwijking
                                    van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25 van de wet</extref> geen toeslag toegekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Samenloop WWB en WIJ bij gehuwden met kinderen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien er sprake is van gehuwden met kinderen waarvan een
                                    partner recht heeft op een uitkering van de wet en een partner
                                    recht op een inkomensvoorziening op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20investeren%20in%20jongeren">WIJ</extref> dan wordt de uitkering op grond van de wet
                                    berekend naar de van toepassing zijnde norm voor een
                                    alleenstaande ouder conform <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=24">artikel 24 van de wet</extref>.</al></li><li nr="2."><al>De alleenstaande ouder genoemd in het eerste lid wordt in
                                    afwijking van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25 van de wet</extref> geen toeslag toegekend.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Regelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en
                            intrekking van de WIJ per 1 januari 2012</titel></kop><paragraaf><kop><titel>A. Artikel 1a wordt ingevoegd met als opschrift: Wijziging
                                betekenis begrippen.</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1a luidt als volgt:</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’,
                                        ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben
                                        deze vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel
                                        4 van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’
                                        of ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012
                                        dezelfde betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4,
                                        respectievelijk ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste
                                        lid, van de wet.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>B. Artikel 1b wordt ingevoegd met als opschrift: Wijziging
                                verwijzingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1b luidt als volgt:</titel></kop><al>Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel
                                c, van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden
                                gelezen: artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>C. Artikel 1c wordt ingevoegd met als opschrift: Intrekking
                                WIJ</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1c luidt als volgt:</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 1 zijn de bepalingen van deze
                                        verordening vanaf 1 januari 2012 evenzo van toepassing op
                                        personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van artikel 2 wordt aan een alleenstaande van
                                        21 jaar geen toeslag toegekend in verband met het niet of
                                        niet geheel kunnen delen van kosten, bedoeld in artikel 25,
                                        van de wet.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van artikel 2 wordt aan een alleenstaande van
                                        22 jaar een toeslag van 10% van de gehuwdennorm toegekend in
                                        verband met het niet of niet geheel kunnen delen van kosten,
                                        bedoeld in artikel 25, van de wet.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het tweede en derde lid wordt de toeslag
                                        vastgesteld op de hoogte van de op grond van artikel 3
                                        toegekende toeslag, indien deze toeslag minder bedraagt dan
                                        de toeslag waartoe toepassing van het tweede en derde lid
                                        zou leiden.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7 Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht met
                                    ingang van 1 juli 2010.</al></li><li nr="2."><al>Op dat tijdstip wordt de <extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/regelingen/Toeslagenverordening-Wwb-gemeente-Venlo-2010/01-01-2010">Toeslagenverordening Wwb gemeente Venlo 2010</extref>,
                                    vastgesteld door de raad op 4 januari 2010, ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Citeerartikel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening WWB
                            gemeente Venlo.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Op grond van de WWB dient de gemeenteraad een verordening vast te stellen met
                    betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm als bedoeld in artikel 30
                    WWB, de zogenaamde toeslagenverordening.</al><al>Uit oogpunt van leesbaarheid is het gewenst dat de lokale verordeningen worden
                    aangepast aan de WWB. Daarnaast kunnen gemeenten deze gelegenheid te baat nemen
                    om de toeslagenverordening zonodig bij te stellen, aan te passen aan de nieuwe
                    financiële verantwoordelijkheden van de gemeente, maar zonodig ook aanpassingen
                    op onderdelen die in de praktijk problemen oplever(d)en.</al><al>In verband met de komst van de WIJ bestaat geen recht op WWB meer voor personen
                    beneden 27 jaar maar kan er wel een samenloop van WWB en WIJ ontstaan.</al><al><vet>Norm, toeslag en verlaging</vet></al><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen.</al><al>De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot en met
                    24 WWB.</al><al>Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen, namelijk in de
                    artikelen 25 tot en met 29 WWB.</al><al>Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een
                    toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik
                    gemaakt te worden. Dus: verhogen moet, verlagen mag.</al><al>Norm</al><al>Voor personen van 27 jaar tot en met 65 jaar bestaan er een drietal basisnormen
                    (artikel 21 WWB), te weten:</al><lijst><li nr="•"><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm);</al></li><li nr="•"><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="•"><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst><al><vet>Toeslagen</vet></al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht
                    als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben in dezelfde woning.</al><al>Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, vastrechtkosten, maar ook
                    afvalstoffenheffing, krant etc. gedeeld worden.</al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering
                    maximaal bedraagt voor:</al><lijst><li nr="•"><al>alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm.</al></li><li nr="•"><al>alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten.</al><al>Dit is uitgewerkt in artikel 2 van de toeslagenverordening. Budgettaire
                    overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol spelen.</al><al>Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een toeslag
                    rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het college heeft de mogelijkheid
                    om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de
                    maximale toeslag te verstrekken (Zie TK 28870, nr. 3, p. 52 en 53.) behoudens
                    bij de samenloop WWB en WIJ.</al><al><vet>Verlagingen</vet></al><al>De WWB noemt de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="•"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een
                            ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden
                            (artikel 26 WWB);</al></li><li nr="•"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);</al></li><li nr="•"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie
                            (artikel 28 WWB);</al></li></lijst><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in artikel 3 en 4 van de verordening. In deze
                    verordening wordt géén verlaging toegepast in verband met recentelijk beëindigen
                    van een studie (artikel 28 WWB).</al><al><vet>De Toeslagenverordening</vet></al><al>In artikel 8, eerste lid onder c en artikel 30 WWB is geregeld dat de
                    gemeenteraad bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de
                    bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de
                    hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.</al><al>Het beleid ten aanzien van de toeslagen moet dus worden vastgelegd in de
                    toeslagenverordening door de gemeenteraad, opdat het college het beleid kan
                    uitvoeren.</al><al><vet>Categorieën</vet></al><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de toeslagenverordening een categoriaal karakter moet
                    hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de
                    praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een
                    forfaitaire benadering.</al><al>In deze toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan
                    alle verlagingen die de WWB mogelijk maakt.</al><al><vet>Verlaging bij woonsituatie</vet></al><al>Volgens de toelichting op 27 WWB is de verruiming ten opzichte van de oude Abw
                    bedoeld om ook ingeval er helemaal geen woning wordt bewoond, een verlaging te
                    kunnen toepassen.</al><al>Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage woonlasten heeft, kan dat
                    aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18, eerste lid WWB de bijstand
                    lager vast te stellen. In de wet wordt overigens niet het begrip 'woonkosten'
                    gehanteerd, maar “lagere noodzakelijke kosten van het bestaan als gevolg van de
                    woonsituatie”. Daarmee wordt duidelijk dat het hebben van kosten voor water,
                    gas, licht en dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging
                    van uitkering te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de
                    Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip
                    woonkosten in de zin van artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7
                    en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.).</al><al>Wanneer met toepassing van artikel 18, eerste lid WWB overgegaan wordt tot
                    verlaging van de bijstand, zal de gemeente zich zorgvuldig moeten vergewissen
                    van aard en omvang van deze verlaging.</al><al>De hoogte van een verlaging krachtens dit artikel heeft geen invloed op de vorm
                    waarin de bijstand verleend wordt. Indien bijstand verleend wordt aan daklozen,
                    kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheid om een budgetteringsplicht op
                    te leggen of de bijstand in natura (in de vorm van opvang) te verlenen.</al><al>Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan belanghebbenden zonder adres
                    als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
                    persoonsgegevens op grond van artikel 40, eerste en tweede lid van de WWB door
                    bij AMVB (Bijstandsbesluit adreslozen) aan te wijzen centrumgemeenten. Maar niet
                    elke belanghebbende zonder woning is een adresloze in de zin van aangehaalde
                    wet. Belanghebbende kan immers ook de beschikking hebben over een postadres bij
                    familie of een instantie.</al><al><vet>Berekening toepasselijke bijstandsnorm</vet></al><al>De hoogte van de uitkering algemene bijstand voor personen van 27 tot 65 jaar
                    kan als volgt worden berekend:</al><al>1. Basisnorm;</al><al>2a. Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande ouders) OF</al><al>2b. Korten met verlaging (alleen bij gehuwden) wegens het delen van een woning
                    met anderen of bij geen woning bewonen;</al><al>De uitkomst van deze berekening laat een eventueel aan de orde zijnde afstemming
                    van de bijstand bij wijze van individualisering onverlet. Denk hierbij aan
                    verlaging in verband met de woonsituatie.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB niet
                    afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de WWB ook de verordening moet worden
                    gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte van
                    deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21 onder c van de WWB. Dit
                    bedrag is feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.</al><al>Om een persoon als verzorgingsbehoevende in de zin van de toeslagenverordening
                    aan te kunnen merken, moet belanghebbende aannemelijk maken, dat deze door hem
                    verzorgde persoon bij ontsteltenis van de verzorging zou zijn aangewezen op een
                    verpleeghuis of verzorgingstehuis. Er moet een duidelijke indicatie zijn op
                    grond waarvan de verzorgingsbehoevendheid kan worden aangenomen, bij voorkeur
                    een verklaring van deze strekking die is afgegeven door een arts. Het feit dat
                    een belanghebbende als verzorger van een verzorgingsbehoevende is aan te merken
                    is overigens geen reden om hem te ontheffen van de verplichting om algemeen
                    geaccepteerde arbeid te zoeken en te aanvaarden.</al><al>Een nadere omschrijving voor begrippen als “kamerhuurder” of “onderhuurder” is
                    overbodig. In deze verordening wordt geen onderscheid gemaakt tussen
                    onderhuurders (commercieel of niet-commercieel), kostgangers of woningdelers. In
                    al deze gevallen bedraagt de toeslag bij alleenstaanden en alleenstaande ouders
                    10%, of bedraagt de verlaging bij gehuwden 10%. Er wordt louter gekeken naar
                    medebewoners die een bijdrage (kunnen) leveren in de lasten. In alle genoemde
                    situaties treden schaalvoordelen op.</al><al>Daarbij is het niet bepalend of belanghebbende daadwerkelijk hogere (of lagere)
                    bestaanskosten heeft, maar of belanghebbende (woon)lasten kan delen. Als
                    uitgangspunt is gekozen voor een forfaitair percentage. Dit betekent voor de
                    uitvoering vereenvoudiging, en de regelgeving is minder fraudegevoelig.</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>De hoogte van 20% van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft, is verplicht op grond van artikel 30, tweede lid onder a
                    van de WWB.</al><al>Uit het systeem van normen, toeslagen en verlagingen volgt dat bij de
                    alleenstaande ouder inwonende ten laste komende kind(eren) beneden 18 jaar niet
                    aangemerkt worden als “een ander die in de woning zijn hoofdverblijf
                    heeft”.</al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende
                    zelf.</al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van
                    worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    op zijn plaats. In de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag
                    van 10% van de gehuwdennorm in het geval één of meer anderen in dezelfde woning
                    zijn hoofdverblijf hebben. Ook bij onderhuur en kamerhuur is er sprake van het
                    (gedeeltelijk) kunnen delen van kosten met een ander.</al><al>In het derde lid wordt de toeslag geregeld voor de alleenstaande en de
                    alleenstaande ouder die geen woning bewoont dan wel geen woonlasten heeft.</al><al>De bijstandsuitkering (is norm + toeslag of verlaging) dient voldoende te zijn
                    om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De
                    kosten van wonen maken daar deel van uit. Indien belanghebbende geen woonkosten
                    heeft omdat hij geen woning bewoont, wordt de toeslag vastgesteld op 2%. Immers,
                    voor het deel woonkosten is in de norm 18% van de gehuwdennorm inbegrepen.
                    Worden deze lasten gemist, dan is het redelijk om 18% af te trekken van de
                    maximale toeslag van 20%.</al><al>In het vierde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm
                    begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het niet
                    aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden, niet
                    meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf hebben. Daarbij is
                    nadrukkelijk overwogen dat in de WSF 2000 en Wtos aan thuiswonende studenten al
                    een lager bedrag wordt verstrekt. Aangezien betreffende kinderen niet in de
                    bijstand begrepen zijn, is het aan de alleenstaande ouder om zodanige
                    inlichtingen te verstrekken dat kan worden vastgesteld of de onderdelen a, b of
                    c van toepassing zijn.</al><al>In onderdeel d van het vierde lid wordt geregeld dat verzorgingsbehoevenden
                    eveneens niet worden meegeteld als personen die in dezelfde woning hun
                    hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om
                    belanghebbende vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een lagere
                    toeslag.</al><al>In vijfde lid wordt geregeld dat bij samenloop van het kunnen delen van kosten
                    en het ontbreken van woonkosten dan wel woonlasten de toeslag van op grond van
                    het derde lid voorrang heeft.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>In de gehuwdennorm is al rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten de
                    kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de woning
                    nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke kosten
                    van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de kosten
                    ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf.</al><al>Uit het systeem van normen, toeslagen en verlagingen volgt dat bij de
                    echtgenoten inwonende ten laste komende kind(eren) beneden 18 jaar niet
                    aangemerkt worden als “anderen” met wie de woning wordt gedeeld.</al><al>Gekozen is voor een verlaging van 10% van de gehuwdennorm, ongeacht het aantal
                    anderen dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft. Evenals bij alleenstaanden
                    wordt vanaf de vierde persoon die in de woning zijn hoofdverblijf heeft geen
                    noemenswaardige vermindering van de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan aanwezig geacht. Daarbij moet ook bedacht worden dat in de praktijk bij
                    meer bewoners van een woning, het ook vaak om een grotere en duurdere woning
                    gaat, zodat de feitelijke kosten van het bestaan doorgaans niet lager uitvallen
                    dan in gevallen waarin maar één ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                    heeft.</al><al>Ingevolge artikel 3, tweede lid worden bepaalde personen niet aangemerkt als een
                    ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Ter zake wordt verwezen
                    naar de toelichting op artikel 2, vierde lid van deze verordening.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Als aan een woning geen woonkosten verbonden zijn, is sprake van lagere
                    bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 27 WWB opent om die reden de
                    mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel 4
                    gerealiseerd. Het bepaalde leidt ertoe dat de norm of toeslag met het bedrag van
                    de basishuur, zoals omschreven in de artikelen 16 en 17 van de Wet op de
                    Huurtoeslag, wordt verlaagd indien een woning wordt bewoond waaraan voor de
                    belanghebbende geen woonkosten verbonden zijn.</al><al>Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de bij een eigen
                    woning, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het eigendom verbonden
                    zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                    onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW).</al><al>Artikel 4, tweede lid is een spiegel van artikel 2, derde lid van deze
                    verordening. Daar waar de alleenstaande (ouder) die geen woning bewoont, een
                    toeslag ontvangt van 2%, levert dezelfde systematiek bij gehuwden een verlaging
                    op van 18%.</al><al>Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de belanghebbende geen woonlasten heeft
                    en is hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond
                    verlaagd wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging van
                    de uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de dubbele
                    verlaging (zie CRvB 27 mei 2008, LJN:</al><al>2698). Op grond van het individualiseringsbeginsel zal de verlaging dan beperkt
                    moeten worden. Samenloop is geregeld in artikel 4 derde lid van deze verordening
                    waarbij is bepaald dat in deze situatie de verlaging op grond van artikel 4 zal
                    gelden.</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>Dit artikel regelt de samenloop bij gehuwden zonder kinderen waarbij een partner
                    recht heeft</al><al>op een WWB-uitkering en de ander op een inkomensvoorziening op grond van de WIJ.
                    In deze gevallen worden zowel de bijstandsgerechtigde als de WIJ gerechtigde als
                    alleenstaanden aangemerkt. Beiden hebben recht op de basisnorm alleenstaande. De
                    optelsom hiervan is gelijk aan het van toepassing zijnde sociale minimum.</al><al>Als de niet-rechthebbende partner een WWB-uitkering ontvangt, is er geen
                    aanleiding om een toeslag te verstrekken. Dat geldt evenzeer voor de
                    bijstandsgerechtigde partner. Beiden kunnen immers nimmer een uitkering
                    ontvangen die samen meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm voor
                    gehuwden.</al><al>Omdat beide partners dan aanspraak hebben op de norm die voor een alleenstaande
                    geldt, betekent dit tegelijkertijd dat een verlaging in verband met medebewoning
                    formeel gezien niet mogelijk is. In voorkomende gevallen is het in dat geval
                    mogelijk met toepassing van artikel 18, eerste lid WWB de bijstandsnorm van de
                    bijstandsgerechtigde partner te verlagen.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Wanneer er sprake is van gehuwden met kinderen en één van de gehuwden heeft
                    recht op bijstand en de andere heeft recht op een inkomensvoorziening op grond
                    van de WIJ, wordt de belanghebbende voor de bijstand aangemerkt als
                    alleenstaande ouder en de jongere voor de WIJ als gehuwde. De bijstand die
                    ontvangen wordt naar de van toepassing zijnde alleenstaande oudernorm conform
                    artikel 24 van de WWB, wordt in mindering gebracht op de van toepassing zijnde
                    inkomensvoorziening voor gehuwden.</al><al>Het totale inkomen bedraagt 100% van het netto minimumloon, hetgeen gelijk is
                    aan het van toepassing zijnde sociale minimum voor gehuwden.</al><al>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</al><al><vet>Artikel 7 Hardheidsclausule</vet></al><al>Indien de toepassing van deze verordening tot onbillijkheden leidt, kunnen
                    burgemeester en wethouders ten gunste van de belanghebbende afwijken van de
                    bepalingen. Van deze mogelijkheid dient zeer terughoudend gebruik gemaakt te
                    worden, om het scheppen van precedenten tegen te gaan.</al><al><vet>Artikel 8 Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere uitleg.</al><al><vet>Artikel 9 Citeerartikel</vet></al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening WWB gemeente
                    Venlo.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>