<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR56541_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hilversum</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hilversum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 44, 95 t/m 99 en 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-03-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2000-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-04-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Hilversum,</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 december
                        2007;</al><al>Gelet op artikel 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van de
                        Gemeentewet;</al><al>Gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden;</al><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al>Onderstaande Verordening Rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                        2008 vast te stellen</al><al><vet>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                            2008</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="d."><al>Verplaatsingskostenregeling gemeente Hilversum: regeling als
                                    bedoeld in de Arbeidsvoorwaardenregeling Hilversum;</al></li><li nr="e."><al>Vergoedingsregeling reis- en verblijfkosten dienstreizen
                                    gemeente Hilversum: regeling als bedoeld in de
                                    Arbeidsvoorwaardenregeling Hilversum;</al></li><li nr="f."><al>Reisbesluit buitenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 29 juli 1994;</al></li><li nr="g."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="h."><al>griffier: de griffier, bedoeld in in art. 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="i."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in art. 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste lid,
                            van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is gelijk aan het
                            door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                            gemeenteklasse 13 vastgestelde maximum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 13,
                                vermeld in tabel II van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, is in afwijking van het eerste lid de onkostenvergoeding
                                gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 13, vermeld in tabel III
                                van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Zakelijke kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het <vet>gemeentebestuur
                                    vergoed.</vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer: een
                                        vergoeding conform de Vergoedingsregeling reis- en
                                        verblijfkosten dienstreizen gemeente Hilversum;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten conform
                                        de Vergoedingsregeling reis- en verblijfkosten dienstreizen
                                        gemeente Hilversum;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte, werkelijke verblijfskosten
                            ter zake van reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter
                            uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur, worden aan het
                            raadslid vergoed conform de Vergoedingsregeling reis- en verblijfkosten
                            dienstreizen gemeente Hilversum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag verleent het college een raadslid voor de uitoefening
                                van het raadslidmaatschap voor een periode van maximaal drie jaar
                                een tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en software,
                                of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en software.
                                Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van een aanschafwaarde van de
                                computer, bijbehorende apparatuur en software van € 1.000,--.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanvraag vergoedt het college het raadslid de abonnementskosten
                                voor de internetverbinding voor de in het eerste lid genoemde
                                computerapparatuur. Voor deze kosten geldt een maximum van € 10,--
                                per maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, kan op
                                aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel geldende
                                spaarloonregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, kan
                                deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van
                                de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                raadslid gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Fiscale fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, kan
                                deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in artikel 37 van de
                                Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.</al><al>Naar keuze van het raadslid wordt de raadsvergoeding dan wel vaste
                                onkostenvergoeding verminderd met de vergoeding voor de fiets als
                                bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige verrgoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een uitkering
                            ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke</al><al>arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                                30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 2 t/m 4, 8, t/m 12 en 14 blijven van toepassing op het
                                raadslid aan wie ingevolge artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk
                                ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met
                                dien verstande dat de onkostenvergoeding die dit raadslid op grond
                                van artikel 3, eerste of tweede lid, ontvangt de helft bedraagt van
                                het bedrag dat op grond van die bepalingen van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De artikelen 1 t/m 7, 8, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 11
                                t/m 14 van deze verordening zijn van toepassing op raadsleden die
                                tijdelijk worden benoemd ter vervanging van een raadslid dat
                                ingevolge artikel X10 van de Kieswet tijdelijk ontslag heeft
                                verkregen wegens zwangerschap en bevalling of ziekte.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschapschap
                            verbonden kosten is gelijk aan het bedrag zoals vermeld in de in art.
                            25, lid 1, van het Rechtspositiebesluit wethouders opgenomen tabel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>Indien de wethouder niet woonachtig is in Hilversum en ontheffing is
                            verleend als bedoeld in art. 36a, lid 2, Gemeentewet, worden de kosten
                            van het reizen tussen zijn woning en de plaats van tewerkstelling van de
                            wethouder vergoed conform de Verplaatsingskostenregeling gemeente
                            Hilversum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Zakelijke reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
                                14, vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de
                                in artikel 14 bedoelde reizen ten behoeve van de gemeente
                                gemaakt.</al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer: een
                                        vergoeding conform de Vergoedingsregeling reis- en
                                        verblijfkosten dienstreizen gemeente Hilversum;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten conform
                                        de Vergoedingsregeling reis- en verblijfkosten dienstreizen
                                        gemeente Hilversum;</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs
                                        gemaakte, werkelijke verblijfkosten conform de
                                        Vergoedingsregeling reis- en verblijfkosten dienstreizen
                                        gemeente Hilversum.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij gebruik van een taxi dient gebruik te worden gemaakt van de
                                diensten van het bedrijf, waarmee de gemeente een contract heeft
                                afgesloten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen van de
                                wethouder gesaldeerd overeenkomstig de Vergoedingsregeling reis- en
                                verblijfkosten dienstreizen gemeente Hilversum.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte,
                                werkelijke reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland is vooraf
                                toestemming van het college vereist. De gemeenteraad kan door middel
                                van beleidsregels aan de te verlenen toestemmingen voorwaarden
                                verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt ten laste van de gemeente voor de uitoefening
                                van het ambt een computer, bijbehorende apparatuur en software in
                                bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover er sprake is van een belastingheffing in verband met een
                                ten laste van de gemeente ter beschikking gestelde computer,
                                bijbehorende apparatuur en software als bedoeld in het eerste lid,
                                ontvangt de wethouder ten laste van de gemeente op aanvraag per jaar
                                een tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde daarvan voor een
                                periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan
                                van de aanschafwaarde van de computer, bijbehorende apparatuur en
                                software welke het college aan wethouders in bruikleen ter
                                beschikking stelt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De abonnementskosten van de internetverbinding voor de in het eerste
                                lid genoemde computerapparatuur worden vergoed. Voor deze kosten
                                geldt een maximum van € 10,-- per maand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De wethouder ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                                met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt voor de uitoefening van zijn ambt een mobiele
                                telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk
                                personeel geldende spaarloonregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in
                                artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                wethouder gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Fiscale fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in
                                artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze
                                van de wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste
                                onkostenvergoeding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                                vergoeding voor de fiets als bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Reis- pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten conform de Verplaatsingskostenregeling
                                    gemeente Hilversum;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder conform
                                    de Verplaatsingskostenregeling gemeente Hilversum.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor fractieassistenten en leden bijzondere
                            commissies</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Vergoeding voor fractieassistenten</titel></kop><al>De vergoeding aan fractieassistenten, als bedoeld in de verordening op
                            de fractieondersteuning 2002, bedraagt € 163,34 per maand (peil per 1
                            januari 2007). Dit bedrag wordt jaarlijks verhoogd met hetzelfde
                            percentage waarmee ook de vergoedingen van raadsleden als bedoeld in
                            art. 2 van deze verordening worden verhoogd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van bijzondere
                                commissies</titel></kop><al>De leden en de (fungerend) voorzitters van de hierna genoemde commissies
                            ontvangen met toepassing van artikel 15 van het Rechtspositiebesluit
                            raads- en commissieleden een vergoeding als volgt: </al><al>a. Commissie welstand en monumenten: </al><al>voor de voorzitter en de leden een bedrag van € 77,37 per uur (peil per
                            1 januari 2007);</al><al>dit bedrag wordt jaarlijks verhoogd met hetzelfde percentage waarmee ook
                            de vergoedingen van raadsleden als bedoeld in art. 2 van deze
                            Verordening worden verhoogd;</al><al>b. Commissie Bezwaarschriften:</al><al>voor de leden een bedrag van € 125,- per zitting en voor de (fungerend)
                            voorzitters een </al><al>bedrag van € 225,- per zitting;</al><al>deze bedragen worden jaarlijks verhoogd met hetzelfde percentage waarmee
                            ook de vergoedingen van raadsleden als bedoeld in art. 2 van deze
                            Verordening worden verhoogd;</al><al>c. Rekenkamercommissie;</al><al>voor de externe leden een vaste vergoeding gelijk aan 40% en voor de
                            voorzitter 50% van het bedrag dat op basis van het Rechtspositiebesluit
                            raads- en commissieleden jaarlijks door de minister wordt vastgesteld
                            als maximaal te verstrekken vergoeding aan raadsleden in de gemeente
                            Hilversum;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><al>De leden van een commissie, die daarin niet als raadslid, wethouder of
                            ambtenaar zitting hebben, ontvangen een vergoeding voor reis- en
                            verblijfkosten, gemaakt in verband met reizen buiten het grondgebied van
                            de gemeente, ter uitvoering van een besluit van het gemeentebestuur. De
                            artikelen 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door</al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente; of</al></li><li nr="c."><al>een gemeentelijke creditcard.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 14,
                                15, 16, 21 en 24 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid dient
                                het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 15, 16 en 21 kan
                                plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de wethouder voor
                                akkoord ondertekende factuur aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De wethouder dient het begeleidingsformulier en de factuur binnen 2
                                maanden in bij de griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris
                                of de door hem aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Gebruik creditcard</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van verblijfkosten als bedoeld in de artikelen 15 en
                                16, alsmede de vergoeding van pensionkosten als bedoeld in artikel
                                21 kan plaatsvinden door gebruikmaking van de gemeentelijke
                                creditcard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke creditcard wordt de wethouder op aanvraag in
                                bruikleen ter beschikking gesteld voor het doen van uitgaven die
                                voor vergoeding of tegemoetkoming ten laste van de gemeente in
                                aanmerking komen. Aan de verstrekking van de creditcard kunnen
                                voorwaarden worden verbonden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening onkostenvergoeding wethouders 1996, vastgesteld op 29
                            oktober 1996, en de verordening geldelijke voorziening raads- en
                            commissieleden 2003, vastgesteld op 8 januari 2003, worden ingetrokken
                            met ingang van de eerste dag na de publicatiedatum van deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking op de eerste dag na de
                            publicatiedatum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2008.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van 5 maart 2008</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>F.Zwertbroek, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>plv. E.C. Bakker</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><al/><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><al/><tussenkop>Wettelijke regelingen</tussenkop><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    Algemene Maatregel van Bestuur, ministeriële regeling (alleen wethouders) en
                    gemeentelijke verordening. Wettelijk is voor wethouders in de Algemene
                    pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) de uitkering na aftreden en het
                    pensioen geregeld. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van
                    de rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden moet worden geregeld
                    bij AMvB. Daartoe zijn tot stand gekomen het Rechtspositiebesluit wethouders en
                    het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Enkele vergoedingen voor
                    wethouders die gelijk zijn aan die voor rijksambtenaren, maar voor hen in
                    verschillende regelingen zijn opgenomen waarnaar in het verleden werd verwezen,
                    zijn om pragmatische redenen opgenomen in een ministeriële regeling, de Regeling
                    rechtspositie wethouders. In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de
                    rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen,
                    zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen,
                    zijn in beide rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende
                    bepalingen. Voor secundaire voorzieningen geldt dat de gemeente de vrijheid
                    heeft om deze voorzieningen te treffen.</al><al/><tussenkop>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</tussenkop><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De grondslag
                    hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten.
                    Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de wethouders
                    als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente
                    (artikel 44 van de Gemeentewet). Een soortgelijke bepaling is in artikel 99 van
                    de Gemeentewet opgenomen voor raads- en commissieleden. Het tweede lid van die
                    bepaling voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en
                    commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en
                    tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van de
                    minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) vereist. </al><al/><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><lijst><li nr="-"><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                            (artikelen 2, 22 en 23), waarbij is op te merken dat voor wethouders
                            niets is opgenomen omdat hun bezoldiging uitputtend is geregeld in het
                            Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="-"><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor wethouders en raadsleden
                            (artikelen 3 en 13);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en commissieleden,
                            waarbij voor wethouders een onderscheid is gemaakt tussen
                            woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen 5, 6, 14 t/m 16,
                            26);</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                            verhuisplichtige wethouder (artikel 21)</al></li><li nr="-"><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                            wethouders en raadsleden (artikelen 7, 17 en 18;</al></li><li nr="-"><al>een aantal secundaire voorzieningen voor raadsleden, zoals voor zowel
                            wethouders als raadsleden zoals de spaarloonregeling of
                            levensloopregeling (artikelen 8 en 19)</al></li><li nr="-"><al>de procedure van declareren (artikelen 26 t/m 28).</al><al/><al><cursief>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</cursief></al><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is
                            dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij niet vallen
                            onder de werknemersverzekeringen zoals de </al><al>Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Raadsleden worden ook niet
                            aangemerkt als werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben
                            derhalve op grond van die wet geen recht op vergoeding door de gemeente
                            van de over de raadsvergoeding verschuldigde inkomensafhankelijke
                            bijdrage in de kosten van de basisverzekering. Omdat er geen
                            dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet onder de Wet
                            op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet
                            inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de
                            loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie
                            hieronder).</al><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge
                            de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld
                            en vallen onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het
                            materiële ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing
                            op wethouders. Hun rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven,
                            beheerst door specifieke wet- en regelgeving. De aanstelling in openbare
                            dienst houdt voor de toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake
                            is van een arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt.
                            Dit betekent dat wethouders direct onder de werking van de Wet op de
                            loonbelasting vallen. Er is sinds de dualisering van het gemeentebestuur
                            derhalve geen mogelijkheid meer om wel of niet voor de loonbelasting te
                            opteren. Wethouders vallen niet onder de werking van de Ziektewet,
                            Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de pensioenvoorziening
                            bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en nabestaandenpensioen
                            zijn voor wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet politieke
                            ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in de zin van de
                            Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet recht op
                            vergoeding door de gemeente van de over hun bezoldiging verschuldigde
                            inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de basisverzekering.</al><al/><al><cursief>De loon- en inkomstenbelasting</cursief></al><al/><al><cursief>Opting in regeling</cursief></al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                            gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting
                            in regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig
                            ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In
                            een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                            Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als
                            gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem dan draagt de
                            gemeente de ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een
                            raadslid geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij
                            zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de sociale
                            zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook
                            geen premies sociale zekerheid ingehouden. </al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat
                            geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen
                            niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde
                            vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in
                            bruikleen beschikbaar stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van
                            reis- en verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en
                            congressen. Er zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen
                            worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor
                            na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding
                            resteert.Ook kan betrokkene deelnemen in de spaarloonregeling die er
                            voor het gemeentelijk personeel is. </al><al/><al><cursief>Fiscale standaardpositie</cursief></al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het
                            raadslid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een
                            werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van toepassing.
                            Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de
                            gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Zij kunnen niet deelnemen
                            aan de spaarloonregeling. </al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                            beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                            normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                            resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en
                            verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te
                            melden middels een opgave IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in
                            het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk
                            gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste
                            kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel of niet
                            heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                            toelichting op artikel 3).</al></li></lijst><al/><tussenkop>Eénmalige keuze per zittingsperiode</tussenkop><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor
                    de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om
                    voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt
                    en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Opteren voor de
                    loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan
                    ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende periode.</al><al/><tussenkop>De vergoedingssystematiek</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend
                    te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen
                    vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke
                    middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die
                    overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de
                    gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter
                    behoefte blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende
                    wijze van redeneren:</al><lijst><li nr="-"><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al></li><li nr="-"><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                            maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al></li><li nr="-"><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                            aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr="-"><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                            (bruto) vergoeding worden verstrekt.</al></li></lijst><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</al><al/><tussenkop>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de
                    bedrijfsvoering</tussenkop><al>-bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de wethouder of
                    het raadslid maar worden direct door de gemeente voldaan en de voorzieningen
                    worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de
                    vergoedingssfeer. </al><al/><tussenkop>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar
                    onbelast kunnen worden vergoed</tussenkop><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het
                    systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de wethouder of het raadslid
                    op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan aan de
                    gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed. </al><al/><tussenkop>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en
                    niet onbelast kunnen worden vergoed </tussenkop><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto) kostenvergoeding
                    verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 13 is aangegeven om welke
                    beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde
                    systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen
                    en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen
                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al><al/><tussenkop>Controle en verantwoording</tussenkop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het
                    daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of
                    voorzieningen door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                    belasting. </al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder
                    te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele
                    uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en
                    administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent
                    de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie
                    van vooruit betaalde kosten en het gebruik van creditcards. Daarnaast zijn er in
                    de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van
                    computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de
                    uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode
                    ontwikkeld (gedragscode bestuurlijke integriteit gemeente Hilversum, 2003).</al><al/><al/><al>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</al><al/><tussenkop>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het
                    raadslid</tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden
                    voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                    wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit
                    het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. In de
                    verordening is aangesloten bij het maximum.</al><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt
                    jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                    overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in
                    de verordening in algemene zin is aangegeven of de raadsvergoeding gelijk is aan
                    het door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan. </al><al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen kunnen sinds 1 januari 2006 verzoeken
                    hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een
                    lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze keuzemogelijkheid
                    moet bij verordening worden toegestaan en is opgenomen in artikel 10 van deze
                    verordening.</al><al/><tussenkop>Artikelen 3 en 13 vaste onkostenvergoeding</tussenkop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q. aan
                    het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van
                    de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst><al/><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden
                    verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te houden is
                    het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft
                    echter geen betrekking op raadsleden</al><al>die niet hebben geopteerd voor het loonbelastingregime. Voor hen blijven de
                    aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten op het resultaat uit
                    onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste kostenvergoeding zonder de
                    brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen onderbouwen, blijft de
                    raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond, zal alsnog worden
                    belast bij de aangifte Inkomstenbelasting.</al><al/><al>De hoogte van de vaste kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening
                    bepaald. Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden het
                    maximale bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de verordening is
                    aangesloten bij het maximum. </al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                    januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de
                    gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in de verordening in algemene
                    zin is aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister te
                    bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al/><tussenkop>Artikel 5, 6 en 24 reis- en verblijfkosten raads- en
                    commissieleden</tussenkop><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werkverkeer’ voor
                    raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads-
                    en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor
                    reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing
                    van het gemeentebestuur.</al><al>Voor wat betreft de hoogte van de vergoedingen wordt in de verordening
                    aangesloten bij de regeling zoals deze geldt voor het gemeentelijk personeel.
                    Dienstreizen worden vergoed op basis van de kosten van openbaar vervoer
                    (2<sup>e</sup> of 1<sup>e</sup> klas). De vergoeding is gelijk aan de werkelijk
                    gemaakte kosten. Gebruik van taxi is mogelijk na toestemming, de taxikosten
                    worden volledig vergoed. Ook gebruik van eigen vervoer is onder voorwaarden
                    mogelijk. De vergoeding bedraagt per kilometer € 0,19 onbelast en € 0,09
                    belast.</al><al/><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><al>In het Handboek loonheffingen 2007 wordt over de kilometervergoeding
                    opgemerkt:</al><tussenkop>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt,
                    zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden,
                    voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een
                    carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een
                    aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en
                    tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de
                    eindheffing.</tussenkop><al/><tussenkop>Artikelen 7 en 17 Computer en
                    internetverbinding</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap of het ambt van wethouder wordt op
                    aanvraag om niet een computer met bijbehorende apparatuur en software in
                    bruikleen beschikbaar gesteld wethouders), dan wel een tegemoetkoming verstrekt
                    voor de aanschaf van een computer (raadsleden). </al><al>De nadere voorwaarden zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die de wethouder
                    met de gemeente sluit. Het model van die overeenkomst is door het college
                    vastgesteld.</al><al>De grondslag voor deze faciliteit is te vinden in de rechtspositiebesluiten voor
                    wethouders en raads- en commissieleden.</al><al/><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software alleen
                    onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld indien deze geheel
                    of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. In de Nota naar aanleiding van het
                    verslag (Tweede-Kamerstuk 29 767, nr. 14, blz. 22) wordt hierover het volgende
                    opgemerkt:</al><tussenkop>‘Er is juist omwille van de eenvoud gekozen voor het criterium geheel of
                    nagenoeg geheel. Op deze wijze blijven computers die louter zakelijk worden
                    gebruikt buiten de heffing. Het aanvullende criterium 'nagenoeg geheel' zorgt
                    ervoor dat de werkgever bij zeer incidenteel privé-gebruik niet meteen de gehele
                    computer in de heffing hoeft te betrekken. De werkgever dient aannemelijk te
                    maken dat de computer geheel (of nagenoeg geheel) zakelijk wordt gebruikt om
                    deze onbelast te kunnen vergoeden, verstrekken of ter beschikking te stellen.
                    Hierbij geldt de vrije bewijsleer. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht
                    aan situaties waarin technische voorzieningen zijn aangebracht aan de computer
                    die privé-gebruik als zodanig bemoeilijken, de werknemer via de computer toegang
                    heeft tot het intranet van de werkgever, hij via de computer geen vrije
                    internettoegang heeft, er op de computer geen software anders dan bedrijfsmatige
                    software op staat, de werknemer ook niet de mogelijkheid heeft er software op te
                    zetten en hij geen eigen randapparatuur kan aansluiten.’</tussenkop><al/><al>Omwille van het creëren van een compensatie voor de belastingheffing, wordt er
                    in de respectievelijke rechtspositiebesluiten en de verordening van uitgegaan
                    dat betrokkenen de computer niet geheel of nagenoeg geheel voor zakelijk gebruik
                    bestemmen.</al><al>Dat betekent dat zowel de vergoeding, de verstrekking als de
                    terbeschikkingstelling van computerapparatuur en de daaraan gekoppelde
                    tegemoetkoming zal worden belast. In verband hiermee vindt er gedurende de
                    afschrijvingsperiode van drie jaar voor de door de gemeente beschikbaar gestelde
                    computer een fiscale bijtelling plaats van 30% van de waarde in het economisch
                    verkeer op het moment van eerste ingebruikneming. Na het derde jaar wordt de
                    waarde op nihil gesteld. Geregeld is dat de gemeente op aanvraag 30% van de
                    aanschafprijs vergoedt gedurende de drie jaar dat i.v.m. het beschikbaar stellen
                    van de computer belasting is verschuldigd. Deze vergoeding is overigens belast.
                    Indien een computer tijdens het kalenderjaar wordt verstrekt geldt in het eerste
                    en vierde kalenderjaar een vergoeding naar evenredigheid van het aantal
                    kalendermaanden waarin de computer beschikbaar is gesteld. De gemeente bepaalt
                    zelf de hoogte van de vergoeding. Als norm kan daarvoor worden uitgegaan van de
                    aanschafwaarde van de computer die de gemeente ter beschikking stelt.</al><al/><al>Bij raadsleden wordt een vergoeding gegeven voor de aanschaf of het gebruik van
                    een eigen computer. Een compensatie voor belastingheffing is dan echter niet
                    toegestaan.</al><al/><al>De abonnementskosten van de internetvoorziening voor wethouders en raadsleden
                    (maximaal € 10,-- per maand) komen ten laste van de gemeente. Hier is er
                    eveneens van uitgegaan dat de internetverbinding niet geheel of nagenoeg geheel
                    voor zakelijk gebruik is. In dat geval is de vergoeding onbelast. Zie pag. 153
                    Handboek loonheffingen 2007. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de aangifte
                    inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte
                    kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen
                    worden opgevoerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 en 19 Spaarloon/levensloop</tussenkop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                    kunnen deelnemen aan de spaarloonregeling dan wel aan de levensloopregeling. Een
                    combinatie van beide is niet toegestaan. Evenmin is het mogelijk een
                    ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Het gaat hier niet om een rechtspositionele
                    aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor werknemers. Het
                    levensloopsaldo kan niet omgezet worden in verlof, omdat raadsleden noch
                    wethouders in hun politieke functie verlof kennen. Het saldo valt bij
                    beëindiging van het ambt vrij en kan worden meegenomen naar een andere
                    levensloopregeling.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 en 20 Fiscale fietsregeling</tussenkop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                    kunnen deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet om een
                    rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor werknemers.
                    Het is niet mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Afhankelijk van de
                    kostprijs van de fiets bedraagt de vermindering ten hoogste het bedrag dat in
                    artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is vastgelegd.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                    arbeidsongeschiktheid</tussenkop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient te vormen. Om
                    deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te blijven, worden
                    weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat indien een persoon
                    inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of
                    intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een
                    dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid
                    ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor raadsleden kan dit ertoe
                    leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door een raadsvergoeding een
                    grote teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling.</al><al>Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raadszetel of bij
                    verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van artikel 12 van
                    het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen gemeenten hiervoor een
                    voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 10 van de verordening. Daarin
                    is geregeld dat op aanvraag een raadslid een lagere vergoeding voor de
                    werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de anticumulatieregeling zal
                    leiden tot een verlaging van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van
                    het raadslid.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van
                    de gemeenteraad</tussenkop><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van de
                    gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt
                    waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan ook een ander
                    raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten. In overeenstemming
                    met het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in artikel 12 van de
                    verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen
                    het betreffende raadslid over de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag
                    van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en van de</al><al>vaste onkostenvergoeding.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens
                    zwangerschap en bevalling of ziekte</tussenkop><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en bevalling
                    dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is opgenomen in de
                    Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk ontslagen wordt. In de
                    vacature wordt voorzien door de tijdelijke benoeming van de vervanger. Er is
                    steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door zowel het tijdelijk
                    ontslag, de tijdelijke benoeming en de vaste periode van vervanging is het niet
                    nodig dat tussen beiden een afspraak wordt gemaakt over de duur van de
                    vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de termijn van 16
                    weken het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is het mogelijk de vervanging
                    nog even voort te laten duren, tenzij</al><al>opnieuw een verzoek wordt gedaan voor een tijdelijk ontslag. Bij inwilliging van
                    dat verzoek, is opnieuw sprake van een periode van 16 weken.</al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden opgenomen
                    waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van ingang en
                    beëindiging van de vervanging. De verklaring van een verloskundige dan wel
                    behandelend arts is bepalend voor de aanvang van de vervanging. De benoeming van
                    de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van het einde van
                    het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor korter zijn
                    dan 16 weken. Na afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder enig verzoek of
                    besluit de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de hervatting van het
                    raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk raadslidmaatschap als de
                    rechtspositionele aspecten daarvan.</al><al/><tussenkop>Artikelen 14 en 15 Reiskosten woon/werk en zakelijke
                    reis- en verblijfkosten</tussenkop><al>Voor wethouders die (met ontheffing) niet in Hilversum woonachtig zijn, is in
                    artikel 14 een vergoeding voor het woon-werkverkeer geregeld. Aangesloten wordt
                    bij de Verplaatsingskosten-regeling, die voor het gemeentelijk personeel geldt.
                    Uitgangspunt is het reizen per openbaar vervoer, waarbij 85 % van de kosten
                    vergoed wordt. Onder voorwaarden mag met eigen vervoer worden gereisd. De
                    vergoeding hiervoor bedraagt € 0,19 voor een motorrijtuig per woon-werkkilometer
                    boven de 10 kilometer voor zowel de heen als de terugreis, tot maximaal het
                    bedrag dat maandelijks onbelast kan worden vergoed, maar ten hoogste € 67,50 per
                    maand. Noodzakelijke overnachtingen worden vergoed op basis van art. 21. </al><al>In artikel 16 wordt bij de vergoeding van zakelijke reis- en verblijfskosten
                    aangesloten bij de geldende regeling voor het gemeentelijk personeel. Zie ook
                    toelichting op art. 5,6 en 24.</al><al>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende doeleinden
                    te salderen.</al><al>Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de verstrekte reiskostenvergoeding voor
                    dienstreizen hoger is dan de fiscaalwettelijk vastgestelde belastingvrije
                    vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer een verstrekte lagere vergoeding
                    dan € 0,19 voor woon/werkverkeer daarop in mindering mag worden gebracht. Die
                    salderingsmogelijkheid is in de onderhavige regeling voor het gemeentelijk
                    personeel opgenomen.</al><al/><tussenkop>Artikel 16 Buitenlandse dienstreis</tussenkop><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder
                    de in redelijkheid gemaakte, werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed.
                    De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn
                    daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode zijn nadere gedragsregels
                    vastgesteld. </al><al/><tussenkop>Artikel 18 Mobiele telefoon</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2007 zijn de vergoedingen of verstrekkingen van een
                    mobiele telefoon geheel onbelast als het zakelijk gebruik meer dan 10%
                    bedraagt.</al><al>In de vaste onkostenvergoeding is een component telefoonkosten opgenomen. Voor
                    deeltijdwethouders is dat 12% van de onkostenvergoeding en voor voltijd
                    wethouders 9%. Bij het verstrekken van een mobiele telefoon kan sprake zijn van
                    overbedeling. De component telefoonkosten kan om die reden verminderd. worden.
                    Anderzijds is ook bij wethouders sprake van gebruik van de privé telefoon voor
                    zakelijke doeleinden. </al><al/><tussenkop>Artikel 19
                    Spaarloonregeling/levensloopregeling</tussenkop><al>Een wethouder is een werknemer en kan dientengevolge gebruik maken van de
                    spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Wanneer de wethouder gebruik
                    maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet toegestaan een
                    levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te verstrekken. De opbouw van de
                    levensloopvoorziening mag uitsluitend ten laste van de wethouderswedde
                    plaatsvinden. Aangezien wethouders geen verlof kennen, is het slechts mogelijk
                    dat de opgebouwde voorziening bij de beëindiging van het wethouderschap wordt
                    meegenomen naar een volgende werkgever of dat uitbetaling ineens
                    plaatsvindt.</al><al/><tussenkop>Artikel 21 Reis- en pensionkosten en
                    verhuiskosten</tussenkop><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de
                    gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet
                    in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet verplicht om te
                    gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden. In artikel 21 is
                    geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen voor een
                    verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten
                    in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast.Bij de hoogte van
                    de vergoedingen is aangesloten bij de voor het gemeentelijk personeel geldende
                    regeling.</al><al>Noodzakelijke overnachtingen van de in art. 14 genoemde wethouder worden vergoed
                    op de voet van deze bepaling.</al><tussenkop>Onder de werking van dit artikel valt tevens de in art. 14 genoemde
                    wethouder, die na een periode van ontheffing, alsnog in de gemeente komt
                    wonen.</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 22 Vergoeding voor fractieassistenten</tussenkop><al>Met ingang van 1 februari 2008 wordt een nieuw vergadermodel voor de
                    gemeenteraad ingevoerd. Dit model houdt in dat raadscommissies komen te
                    vervallen. Daarvoor in de plaats komen thematische behandelingen tijdens de
                    "Discussie". De wetgever voorziet in het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden voor niet-raadsleden uitsluitend in een vergoeding van deelname
                    aan commissievergaderingen. Omdat de raadscommissies komen te vervallen, kan
                    deze methodiek niet meer worden gehanteerd. Bovendien doet het systeem van
                    uitbetaling per bijgewoonde vergadering geen recht aan de werkzaamheden die
                    fractieassistenten daarbuiten verrichten. Daarom wordt voorgesteld over te gaan
                    op een vaste vergoeding per maand, zijnde twee keer het maximumbedrag dat de
                    wetgever als vergoeding voor het bijwonen van een commissievergadering heeft
                    bepaald </al><al>(2 x € 81,67 = € 163,34). </al><al/><tussenkop>Artikel 23 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen
                    commissies</tussenkop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. </al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. De
                    minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1
                    januari het maximum vast zoals dat is herzien aan de hand van het indexcijfer
                    CAO lonen overheid.</al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt de mogelijkheid om in de
                    gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde gevallen een hoger bedrag
                    aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder bedoelde maximumbedrag. Dat is
                    geregeld in artikel 23 van de verordening. </al><al/><tussenkop>Artikelen 25 t/m 28 De procedure van
                    declaratie</tussenkop><al>In artikel 25 zijn de drie wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 26
                    t/m 28 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de
                    orde is en welke procedure-voorschriften in achtgenomen moeten worden.</al><al/><tussenkop>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</tussenkop><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies</al></li></lijst><al/><tussenkop>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</tussenkop><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in de
                    volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Gebruik creditcard</tussenkop><al>Aan wethouders kan onder voorwaarden een creditcard beschikbaar worden gesteld
                    voor functionele uitgaven ten laste van de gemeente. Gebruik van creditcards is
                    mogelijk in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>zakelijke verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr="-"><al>verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders;</al></li><li nr="-"><al>pensionkosten</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>