<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR56532_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening Venlo</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">E3-journaal, 03-01-2001</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening Venlo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2001-01-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2001-01-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening Venlo</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>monument: </al><lijst><li nr="1."><al>zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak als bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijk archeologisch monument: monument, bedoeld in
                                    onderdeel a, onder 2;</al></li><li nr="c."><al>beschermd gemeentelijk monument: onroerend monument, dat
                                    overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd
                                    gemeentelijk monument is aangewezen;</al></li><li nr="d."><al>archeologisch belangrijke plaats: groep van onroerende zaken en
                                    terreinen, die door hun ligging en geschiedenis van belang zijn
                                    voor de archeologische wetenschap;</al></li><li nr="e."><al>beschermde archeologisch belangrijke plaats: archeologisch
                                    belangrijke plaats, die overeenkomstig de bepalingen van deze
                                    verordening als archeologisch belangrijke plaats is
                                    aangewezen;</al></li><li nr="f."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als beschermd
                                    gemeentelijk monument respectievelijk als beschermde
                                    archeologisch belangrijke plaats aangewezen zaken;</al></li><li nr="g."><al>beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven
                                    in de ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> vastgestelde registers;</al></li><li nr="h."><al>kerkelijk monument: onroerend monument, dat eigendom is van een
                                    kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een
                                    kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend
                                    deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst;</al></li><li nr="i."><al>commissie ruimtelijke kwaliteit<cursief>:</cursief> de door de
                                    raad ingestelde commissie, wiens taak is geregeld in de
                                    Bouwverordening Venlo.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Beschermde gemeentelijke monumenten</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 De aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument en
                                de registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk
                                    monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen, al dan niet op aanvraag
                                        van een belanghebbende, een onroerend monument aanwijzen,
                                        als beschermd gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2."><al>Voordat burgemeester en wethouders over de aanwijzing een
                                        besluit nemen, vragen zij advies aan de commissie
                                        ruimtelijke kwaliteit. In spoedeisende gevallen kan het
                                        vragen van dit advies achterwege blijven.</al></li><li nr="3."><al>Voordat burgemeester en wethouders een kerkelijk monument
                                        aanwijzen, voeren zij overleg met de eigenaar.</al></li><li nr="4."><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen
                                        op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=3">artikel 3 van de Monumentenwet 1988</extref> of dat is
                                        aangewezen op grond van de monumentenverordening van de
                                        provincie Limburg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie ruimtelijke kwaliteit adviseert schriftelijk
                                        binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van
                                        burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen twaalf weken na
                                        ontvangst van het advies van de commissie ruimtelijke
                                        kwaliteit, maar in ieder geval binnen twintig weken na de
                                        adviesaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Mededeling</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt
                                medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de
                                kadastrale legger bekend staan en aan de ingeschreven hypothecaire
                                schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Registratie op de gemeentelijke
                                    monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders registreren het beschermde
                                        gemeentelijke monument op de gemeentelijke
                                        monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                        aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale
                                        aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het
                                        beschermde gemeentelijke monument.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op een beschermd
                                        monument een merkteken aan te brengen waaruit blijkt dat dit
                                        monument voorkomt op de gemeentelijke monumentenlijst.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing ambtshalve
                                        of op aanvraag van een belanghebbende wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, eerste en
                                        tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de
                                        wijziging.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van burgemeester en
                                        wethouders van ondergeschikte betekenis is blijft
                                        overeenkomstige toepassing van artikel 3, tweede en derde
                                        lid, alsmede artikel 4, eerste lid, achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                        gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing
                                        intrekken.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede lid, en artikel 4, eerste en tweede lid,
                                        zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                        toepassing wordt gegeven aan <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=3">artikel 3 van de Monumentenwet 1988</extref> of indien
                                        een monument is aangewezen op grond van de
                                        monumentenverordening van de provincie Limburg.</al></li><li nr="4."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                        aangetekend.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Vergunningen tot wijziging of afbraak van beschermde
                                gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Verbodsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te
                                        beschadigen of te vernielen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en
                                        wethouders of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde
                                        voorschriften: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te
                                                verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te
                                                wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een beschermd gemeentelijk monument te herstellen,
                                                te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige
                                                wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                                gebracht.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 De aanvraag</titel></kop><al>De aanvraag van de vergunning als bedoeld in artikel 9, tweede lid,
                                wordt ingediend bij burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit en
                                    beslissing op de aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders vragen advies aan de commissie
                                        ruimtelijke kwaliteit voordat zij beslissen op de
                                        aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Binnen acht weken na de adviesaanvraag brengt de commissie
                                        ruimtelijke kwaliteit schriftelijk advies uit aan
                                        burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na
                                        ontvangst van het advies van de commissie ruimtelijke
                                        kwaliteit, maar in ieder geval binnen zestien weken na
                                        ontvangst van de aanvraag, op de aanvraag van de
                                        vergunning.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de in het derde lid
                                        genoemde termijn van zestien weken met ten hoogste tien
                                        weken verlengen, mits zij de aanvrager daarvan kennis geven
                                        binnen de in het derde lid genoemde termijn van zestien
                                        weken.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning ingevolge deze verordening blijft buiten
                                        werking gedurende zes weken na de datum waarop zij is
                                        verleend of van rechtswege is verleend. Indien gedurende
                                        deze termijn bezwaar wordt gemaakt op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>, blijft de
                                        vergunning buiten werking totdat op het bezwaar is
                                        beslist.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Kerkelijk monument</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders geven met betrekking tot een beschermd
                                kerkelijk monument geen beschikking ingevolge de bepalingen van
                                artikel 9, tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar,
                                indien en voor zover het een beschikking betreft, waarbij wezenlijke
                                belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding
                                zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Intrekken van de vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning kan door burgemeester en wethouders worden
                                        ingetrokken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een
                                                onjuiste of onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als
                                                bedoeld in artikel 9, tweede lid, niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de
                                                vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat
                                                het belang van het monument zwaarder dient te
                                                wegen;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen zes maanden na vergunningverlening van
                                                de vergunning gebruik wordt gemaakt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De beschikking tot intrekking wordt in afschrift gezonden
                                        aan de commissie ruimtelijke kwaliteit.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Beschermde rijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14 Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders zenden onmiddellijk een afschrift van
                                    de aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument met
                                    de naar voren gebrachte zienswijzen aan de commissie ruimtelijke
                                    kwaliteit na afloop van de termijn van veertien dagen, bedoeld
                                    in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=12">artikel 12, tweede lid, van de Monumentenwet
                                    1988</extref>.</al></li><li nr="2."><al>De commissie ruimtelijke kwaliteit adviseert schriftelijk over
                                    de aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het
                                    afschrift.</al></li><li nr="3."><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn
                                    wordt de commissie ruimtelijke kwaliteit geacht geadviseerd te
                                    hebben.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Beschermde archeologisch belangrijke plaatsen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 De aanwijzing als beschermde archeologisch
                                belangrijke plaats</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15 De aanwijzing tot beschermde archeologisch
                                    belangrijke plaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen, al dan niet op aanvraag
                                        van een belanghebbende een archeologisch belangrijke plaats
                                        aanwijzen, als beschermde archeologisch belangrijke
                                        plaats.</al></li><li nr="2."><al>Voordat burgemeester en wethouders over de aanwijzing een
                                        besluit nemen, vragen zij advies aan de commissie
                                        ruimtelijke kwaliteit. In spoedeisende gevallen kan het
                                        vragen van dit advies achterwege blijven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie ruimtelijke kwaliteit adviseert schriftelijk
                                        binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van
                                        burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen twaalf weken na
                                        ontvangst van het advies van de commissie ruimtelijke
                                        kwaliteit, maar in ieder geval binnen twintig weken na de
                                        adviesaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Registratie op de gemeentelijke
                                    monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders registreren de beschermde
                                        archeologisch belangrijke plaats op de gemeentelijke
                                        monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                        aanduiding, de datum van aanwijzing, de kadastrale
                                        aanduiding, de gebiedsaanwijzing van de beschermde
                                        archeologisch belangrijke plaats en een beschrijving van de
                                        daarin vervatte cultuurhistorische waarden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18</titel></kop><al>De artikelen 5, 7 en 8 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Ontheffing tot wijziging van beschermde archeologisch
                                belangrijke plaatsen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19 Verbodsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in een door de gemeente beschermde
                                        archeologisch belangrijke plaats zonder ontheffing van
                                        burgemeester en wethouders of in strijd met bij zodanige
                                        ontheffing gestelde voorschriften: </al><lijst><li nr="a."><al>bodemverstorende activiteiten te verrichten;</al></li><li nr="b."><al>archeologisch waardevolle voorwerpen op te
                                                rapen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        degene aan wie ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=40">artikel 40 van de Monumentenwet 1988</extref> een
                                        vergunning is verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20</titel></kop><al>De artikelen 10, 11 en 13 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Slot- en overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21 Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met artikel 9 of artikel 19 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Opsporingsbevoegdheid</titel></kop><al>De opsporing van de in artikel 21 strafbaar gestelde feiten is, naast de
                            in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering/article=141">artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering</extref> genoemde
                            opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door burgemeester en
                            wethouders met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn
                            belast, ieder voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn
                            vermeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover deze verordening niet betrekking heeft op beschermde
                                    rijksmonumenten, treedt zij in werking op de dag volgende op die
                                    waarop zij is bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Op dat tijdstip worden, voor zover zij niet betrekking hebben op
                                    beschermde rijksmonumenten, ingetrokken: </al><lijst><li nr="a."><al>de Monumentenverordening 1998, vastgesteld door de
                                            gemeenteraad van Venlo;</al></li><li nr="b."><al>de Monumentenverordening 1994, vastgesteld door de
                                            gemeenteraad van Tegelen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                    rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het
                                    bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet
                                    1988</extref>.</al></li><li nr="4."><al>De Monumentenverordening 1998, vastgesteld door de gemeenteraad
                                    van Venlo en de Monumentenverordening 1994, vastgesteld door de
                                    gemeenteraad van Tegelen, voor zover zij betrekking hebben op
                                    beschermde rijksmonumenten, vervallen op de datum waarop het
                                    derde lid toepassing vindt.</al></li><li nr=""><al>De op grond van de ingevolge het tweede lid vervallen
                                    verordeningen geregistreerde beschermde gemeentelijke monumenten
                                    en archeologisch belangrijke plaatsen, worden geacht aangewezen
                                    te zijn overeenkomstig de bepalingen van de onderhavige
                                    verordening.</al></li><li nr="5."><al>De beschermde gemeentelijke monumenten en archeologisch
                                    belangrijke plaatsen, aangewezen en geregistreerd op de
                                    monumentenlijst van de ingevolge het tweede lid genoemde
                                    vervallen verordeningen, worden geacht aangewezen en
                                    geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van de
                                    onderhavige verordening.</al></li><li nr="6."><al>Aanvragen om vergunning als bedoeld in de in lid 2 genoemde
                                    verordeningen, die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van
                                    deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                    lid 2 genoemde verordeningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Monumentenverordening
                            Venlo”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting monumentenverordening</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Bij het opstellen van deze verordening zijn de ‘Aanwijzingen voor de
                    regelgeving’ van het Ministerie van justitie en van de VNG-publicatie ‘Gemeente
                    en regelgeving’ in aanmerking genomen.</al><al>De bepalingen van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> en de daarin gekozen systematiek vormen een
                    belangrijke basis voor de bepalingen van de verordening.</al><al>Vijf hoofdpunten zijn in de verordening geregeld:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanwijzing van zaken tot beschermd gemeentelijk monument. Dit betreft
                            ook archeologische monumenten;</al></li><li nr="2."><al>het vergunningenstelsel voor de beschermde gemeentelijk monumenten;</al></li><li nr="3."><al>de verwijzing naar het vergunningenstelsel voor beschermde
                            rijksmonumenten in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>;</al></li><li nr="4."><al>de aanwijzing van zaken tot beschermde archeologisch belangrijke
                            plaats;</al></li><li nr="5."><al>het ontheffingenstelsel voor de beschermde archeologisch belangrijke
                            plaatsen.</al></li></lijst><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>• Sub a</al><al>Bij de omschrijving van het begrip ‘monument’ is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>.</al><al>Cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een
                    bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan
                    en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of
                    dat gebied heeft gemaakt. Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    waarde.</al><al>De onder 2 bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en een perceel
                    met een of meer bomen zijn. Het is niet vereist dat op het terrein ook een
                    bouwkundig monument voorkomt teneinde over een monument te kunnen spreken. Een
                    ‘zaak’ is immers een veel ruimer begrip.</al><al>De vijftig-jaargrens die voor rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke
                    monumenten overgenomen. Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                    monumenten die (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn,
                    reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>• Sub b</al><al>De term ‘gemeentelijk archeologisch monument’ wordt apart gedefinieerd in
                    verband met de enigszins afwijkende positie die een archeologisch monument
                    inneemt ten aanzien van de vergunningverlening. Ten eerste is er verschil in
                    behandeling tussen een rijks- of gemeentelijk beschermd archeologisch monument
                    bij een vergunningaanvraag. De vergunningverlening voor het verstoren of in enig
                    opzicht wijzigen van een beschermd gemeentelijk monument is een bevoegdheid van
                    burgemeester en wethouders. Als er echter sprake is van een beschermd
                    archeologisch rijksmonument beslist de minister op de vergunningaanvraag.</al><al>Ten tweede regelt de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> dat het doen van een opgraving alleen plaats
                    mag vinden met vergunning van de minister. Deze verplichting geldt in zijn
                    algemeenheid voor alle archeologische monumenten. Het maakt dus niet uit of er
                    sprake is van rijks- of gemeentelijke bescherming, het doen van opgravingen is
                    vergunningplichtig.</al><al>Deze vergunning tot het doen van opgravingen kan onder bepaalde voorwaarden
                    alleen worden toegekend aan de rijksdienst, een instelling voor wetenschappelijk
                    onderwijs of een gemeente.</al><al>Vanwege deze twee aspecten wordt in deze verordening een onderscheid gemaakt
                    tussen een ‘normaal’ en een (gemeentelijk) ‘archeologisch’ monument.</al><al>In het geval van een opgraving regelt de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=39">artikelen 39 tot en met 49</extref>) de eigendom van roerende monumenten
                    die men daarbij aantreft. Deze regels gelden in alle gevallen dat opgravingen
                    worden gedaan of men bij toeval op een vondst stuit waarvan men kan vermoeden
                    dat het om een monument gaat. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen rijks- en
                    gemeentelijke monumenten.</al><al>• Sub d</al><al>Groepen van onroerende zaken en terreinen die door hun ligging en geschiedenis
                    van belang zijn voor de archeologische wetenschap. Een deel daarvan is aan de
                    oppervlakte zichtbaar (terpen, grafheuvels en dergelijke), het merendeel is voor
                    het oog onzichtbaar onder het aardoppervlak verborgen of verzonken. Zie over dit
                    soort monumenten het rapport “Het bodemarchief bedreigd, archeologie en
                    planologie in de binnensteden van Nederland” (Staatsuitgeverij 1982) van de
                    Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek.</al><al>In dit rapport wordt ernstige aantasting van het bodemarchief in vele
                    binnensteden geconstateerd en worden aanbevelingen tot bescherming gedaan.</al><al>• Sub f</al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten en archeologisch belangrijke plaatsen registreert.</al><al>Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Dit betreft slechts
                    een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het
                    de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument en beschermde archeologisch
                    belangrijke plaatsen die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de
                    aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de
                    toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel 6.</al><al>• Sub g</al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een ‘beschermd rijksmonument’ in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door burgemeester en wethouders van de
                    bevoegdheid om vergunningen voor de wijziging en sloop van beschermde
                    rijksmonumenten te verlenen. Op de vergunningverlening voor beschermde
                    rijksmonumenten zijn met name de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=11">artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988</extref> van
                    toepassing.</al><al>• Sub h</al><al>Ingeval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot beschermd gemeentelijk
                    monument is overleg tussen eigenaar en gemeente nodig (zie artikel 3, lid 3). Is
                    er sprake van een vergunning voor het gemeentelijke of rijksbeschermde
                    kerkelijke monument, dan kan overeenstemming tussen eigenaar en
                    vergunningverlener nodig zijn (zie artikel 12). Overleg en overeenstemming
                    betreffen de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het kerkelijke
                    monument. Voor bijvoorbeeld een pastorie, een catechisatieruimte of verblijven
                    van kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de
                    regel dan ook niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor de andere
                    monumenten gelden.</al><al>• Sub i</al><al>De taken van de commissie ruimtelijke kwaliteit strekken zich uit over de
                    monumentenverordening en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>. Door de commissie ruimtelijke kwaliteit in
                    deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> te adviseren aan burgemeester en wethouders, is
                    voldaan aan het vereiste, genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988</extref>.</al><al>De taken van de commissie ruimtelijke kwaliteit staan in de Bouwverordening
                    Venlo.</al><al>• Sub a tot en met i</al><al>In deze verordening is sprake van onroerende monumenten. Roerende monumenten
                    worden derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het effectueren van de
                    bescherming een probleem vormt. Roerende monumenten kunnen meestal eenvoudig
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld
                    schepen, voertuigen, schilderijen, kerkschatten en gebruiksvoorwerpen.</al><al>Zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de
                    beschermde status krijgen, op basis van de redengevende omschrijving.</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming,
                    maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en
                    ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand.</al><al>Dit artikel is van belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van
                    monumenten en bij de vergunningverlening.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>• Lid 1</al><al>De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de gemeentelijke
                    monumentenlijst is slechts een administratieve handeling. Het is inzichtelijker
                    om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van burgemeester en
                    wethouders. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden
                    besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de
                    te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit
                    naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op
                    schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het
                    gebruik van het monument.</al><al>• Lid 2</al><al>Burgemeester en wethouders moeten het advies inwinnen van de commissie
                    ruimtelijke kwaliteit. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. De bouwverordening, die de taak en werkwijze
                    van de commissie regelt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>De verordening bevat geen voorschriften voor de bescherming van het monument
                    gedurende de tijd dat de aanwijzingsprocedure loopt, zoals de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> dat doet. De spoedprocedure kan in situaties
                    die ernstige gevolgen voor het aan te wijzen monument hebben, bewerkstelligen
                    dat binnen korte tijd de verbodsbepalingen van de verordening van toepassing
                    zijn. Er moeten dan gegronde redenen aanwezig zijn om de spoedprocedure te
                    kunnen gebruiken.</al><al>Er wordt niet bepaald dat de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord
                    voordat burgemeester en wethouders over een aanwijzing een besluit nemen, omdat
                    dit is geregeld in (de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=4%3A8">artikelen 4:8</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=4%3A9">4:9</extref> van) de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Algemene wet bestuursrecht</extref> (Awb).</al><al>• Lid 3</al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Awb</extref> dat belanghebbenden zienswijzen naar voren kunnen brengen
                        (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=4%3A8">artikel 4:8</extref>). Overleg is immers meer dan het naar voren kunnen
                    brengen van zienswijzen.</al><al>• Lid 4</al><al>Monumenten die al op een lijst van beschermde rijksmonumenten of een lijst van
                    beschermde provinciale monumenten staan, komen niet voor aanwijzing als
                    beschermd gemeentelijk monument in aanmerking.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de commissie ruimtelijke
                    kwaliteit moet adviseren (lid 1) en burgemeester en wethouders een beslissing
                    moeten nemen (lid 2).</al><al>Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten de aanvrager, eigenaar
                    en andere belanghebbenden beter waar ze aan toe zijn. De redactie van lid 2
                    heeft tot gevolg dat, wanneer de commissie ruimtelijke kwaliteit niet tijdig
                    adviseert, burgemeester en wethouders de volgende keuze kunnen maken: zonder
                    advies een beslissing nemen, of besluiten om het (te laat uitgebrachte advies)
                    toch in hun overwegingen te betrekken. Als burgemeester en wethouders niet
                    tijdig beslissen, is op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Awb</extref> sprake van een fictieve weigering. Ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=6%3A2">artikel 6:2</extref> staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van
                    bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou
                    staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Awb</extref> dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>De mededeling van burgemeester en wethouders is voor de eigenaar en de
                    anderszins zakelijk gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat
                    de mededeling door de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de
                    mededeling bij aangetekend schrijven uitgaan. In latere instantie kan hij zich
                    er dan niet op beroepen van niets te weten.</al><al>Dit artikel regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de aanvrager,
                    omdat de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Awb</extref> zulks bepaalt (afdeling 3.6). Is <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=4%3A8">artikel 4:8</extref> toegepast (het horen van geadresseerde en van derde
                    belanghebbenden) en is van de daar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan
                    dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=3%3A43">artikel 3:43 Awb</extref> een mededeling te ontvangen.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Door aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument is het gehele pand,
                    inclusief het interieur, onder de werking van de verordening geplaatst. Andere
                    zaken die zich op het perceel van het beschermde monument bevinden, zoals
                    bijgebouwen, tuininrichting en bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen
                    zij onder de werking van de verordening vallen. Voor elke wijziging van het
                    beschermde monument is dus een vergunning nodig. Voor de duidelijkheid,
                    bijvoorbeeld in verband met kadastrale vernummering, kan ook een plattegrond
                    worden aangehecht.</al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling. De bedoeling
                    van de aldus bij te houden monumentenlijst is om eenieder snel inzicht te geven
                    in welke zaken om welke reden als beschermd gemeentelijk monument zijn
                    aangewezen.</al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van beschermde gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    (advies van commissie ruimtelijke kwaliteit of eigenaar van een kerkelijk
                    monument) als voor de aanwijzing (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al>De begrippen wijziging en intrekking zijn uit elkaar getrokken. Dit sluit aan
                    bij de nieuwe methodiek (om rechtsgevolg te verbinden aan de aanwijzing, niet
                    aan de plaatsing op de monumentenlijst) en bevordert de duidelijkheid.</al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van beschermde gemeentelijke
                    monumenten in te trekken (lid 1). Ook hiervoor geldt dat het advies van de
                    commissie ruimtelijke kwaliteit nodig is, tenzij het gaat om spoedeisende
                    gevallen (lid 2). Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de
                    aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor
                    gegaan), worden door burgemeester en wethouders van de monumentenlijst
                    gehaald.</al><al>Lid 3 regelt dat monumenten die na aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                    monument worden geregistreerd als beschermd rijksmonument, vanaf dat tijdstip
                    geacht worden niet meer te zijn aangewezen.</al><al>Voor de situatie waarin een provinciale monumentenlijst bestaat is een
                    vergelijkbare regeling opgenomen. Ook is het mogelijk dat de provinciale
                    monumentenverordening dit regelt.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>De opbouw en inhoud van dit artikel vertoont gelijkenis met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=11">artikel 11 van de Monumentenwet 1988</extref>. De verordening legt de
                    vergunningverlening ten aanzien van rijksmonumenten op basis van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> in handen van burgemeester en wethouders.</al><al>Het is verstandig de vergunningverlening voor rijks- en gemeentelijke monumenten
                    procedureel en inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Het is voor
                    de aanvrager, maar ook voor de behandelende gemeentelijke diensten en voor
                    burgemeester en wethouders van praktische betekenis dat beide aanvragen zoveel
                    mogelijk langs dezelfde weg worden afgehandeld.</al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> regelt de vergunningverlening voor de wijziging
                    van beschermde rijksmonumenten door burgemeester en wethouders in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=11">artikelen 11 tot en met 21 Monumentenwet</extref> jo artikel 14 van de
                    monumentenverordening. In dit artikel gaat het derhalve alleen over beschermde
                    gemeentelijke monumenten.</al><al>Het artikel regelt dat een vergunning nodig is om een beschermd monument te
                    verstoren (lid 2). Dit geldt ook voor beschermde archeologische monumenten. Over
                    opgravingen en vondsten is niets in de verordening geregeld. Reden hiervoor is
                    dat deze aspecten uitputtend in de Monumentenwet 1988 zijn geregeld.</al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> regelt:</al><lijst><li nr="-"><al>dat voor opgravingen een vergunning nodig is;</al></li><li nr="-"><al>dat een rechthebbende van een terrein moet duiden dat de
                            opgravingsbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen
                            verricht;</al></li><li nr="-"><al>de eigendomskwestie van vondsten;</al></li><li nr="-"><al>een schaderegeling.</al></li></lijst><al>Met de ratificering van het Verdrag van Valetta (verwacht in 2002) en de
                    aanpassing van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> daarop zal een en ander nog explicieter worden
                    geregeld.</al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>Het artikel dat de vergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten betreft, is
                    zeer kort gehouden omdat het verlangen van gegevens en ontbrekende gegevens is
                    geregeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A2">artikel 4:2</extref> respectievelijk <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A5">4:5</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A15">4:15</extref>).</al><al>In een aanvraagformulier voor de vergunning kan de gemeente aangeven welke
                    gegevens zijn vereist.</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>Als burgemeester en wethouders de aanvraag in behandeling nemen, moet door hen
                    op grond van de verordening advies gevraagd worden aan de commissie ruimtelijke
                    kwaliteit. Nadat dit advies aan burgemeester en wethouders is uitgebracht moeten
                    zij ermee rekening houden dat <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A7">artikel 4:7</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A8">artikel 4:8 Awb</extref> van toepassing kan zijn. Over het voornemen de
                    beschikking af te geven, dan wel geheel of gedeeltelijk af te wijzen moeten de
                    aanvrager en de belanghebbenden worden gehoord. Deze kunnen naar keuze hun
                    zienswijzen schriftelijk of mondeling naar voren brengen op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A9">artikel 4:9 Awb</extref>. De commissie ruimtelijke kwaliteit adviseert
                    burgemeester en wethouders binnen acht weken na de adviesaanvraag (lid 2).
                    Vervolgens, dus na ontvangst van het advies, beslissen burgemeester en
                    wethouders binnen acht weken (lid 3). De redactie van lid 3 heeft tot gevolg
                    dat, wanneer de commissie ruimtelijke kwaliteit niet tijdig adviseert,
                    burgemeester en wethouders de volgende keuze kunnen maken: zonder advies een
                    beslissing nemen of besluiten om het (te laat uitgebrachte advies) toch in hun
                    overwegingen betrekken.</al><al>De totale termijn kan met maximaal tien weken worden verlengd, mits de aanvrager
                    tijdig van het uitstel op de hoogte wordt gesteld (lid 4).</al><al>De totale termijn van 26 weken spoort met die voor de bouwvergunning (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=46">artikel 46, lid 1 en 2, Woningwet</extref>, waarin een termijn van tweemaal
                    13 weken wordt voorgeschreven).</al><al>De bepaling van lid 5 komt overeen met die in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>, maar niet met hetgeen geregeld is voor de
                    bouwvergunning en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref>.</al><al>Het is niet nodig om te regelen dat burgemeester en wethouders aan een
                    vergunning voorschriften kunnen verbinden in het belang van de monumentenzorg of
                    dat de vergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend. Het verbinden van
                    voorschriften aan een vergunning en het verlenen van een vergunning voor
                    bepaalde tijd is namelijk een ongeschreven regel van het bestuursrecht. Dat kan
                    dus ook zonder het in de verordening te regelen.</al><al><vet>Artikel 12</vet></al><al>Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding, dan
                    is overeenstemming niet vereist. Zie de toelichting op artikel 1, sub h.</al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>• Lid 1</al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder c heeft
                    de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten
                    aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een
                    nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument
                    behoren voor te gaan. In dat geval moet de vergunningverlener (burgemeester en
                    wethouders) de mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al>• Lid 2</al><al>Gelet op de taak van de commissie ruimtelijke kwaliteit, ligt het voor de hand
                    dat een afschrift van de intrekking aan die commissie wordt gezonden. Er kunnen
                    zich omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de commissie om
                    advies te vragen. De commissie kan ook ongevraagd adviseren.</al><al>De in kennisstelling van de vergunninghouder en het met redenen omkleed moeten
                    zijn van het besluit zijn weggelaten, omdat <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A41">artikel 3:41 Awb</extref> dit regelt.</al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al>• Lid 1</al><al>Dit artikel vloeit voort uit <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988</extref>.</al><al>Alhoewel de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> termijnen doorgaans in aantallen weken uitdrukt, is in lid 1
                    de dagentermijn uit de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> gevolgd.</al><al>De procedure voor de afgifte door burgemeester en wethouders van de vergunning
                    voor beschermde rijksmonumenten staat in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=11">artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988</extref>.</al><al>• Leden 2 en 3</al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> schrijft voor dat de commissie ruimtelijke
                    kwaliteit bij de aanvragen om vergunning voor beschermde rijksmonumenten wordt
                    ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit wettelijke vereiste door het ontbreken van
                    het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit tot moeilijkheden leidt bij de
                    afgifte van de vergunning, is in lid 3 bepaald dat de commissie ruimtelijke
                    kwaliteit geacht wordt te hebben geadviseerd na het verstrijken van de in lid 2
                    gestelde adviestermijn.</al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al>• Lid 1</al><al>Zie toelichting artikel 1, sub d en artikel 3, lid 1.</al><al>• Lid 2</al><al>Zie toelichting artikel 3, lid 2.</al><al><vet>Artikel 16</vet></al><al>Zie toelichting artikel 4.</al><al><vet>Artikel 17</vet></al><al>Zie toelichting artikel 6.</al><al><vet>Artikel 18</vet></al><al>Zie toelichting artikelen 5, 7 en 8.</al><al><vet>Artikel 19</vet></al><al>• Lid 1 sub a</al><al>Onder bodemverstorende activiteiten worden die activiteiten verstaan die de
                    archeologica in zijn context in of op de bodem nadelig beïnvloeden.
                    Werkzaamheden als diepploegen, verlagen van de grondwaterstand en sloopwerk van
                    gefundeerde bouwwerken kunnen de archeologica beschadigen maar ook de context
                    ervan verstoren. Door verstoring van de context gaat ook infomratie over het
                    archeologische bodemarchief verloren.</al><al>• Lid 1 sub b</al><al>Het rapen van archeologisch waardevolle voorwerpen op bijvoorbeeld diepgeploegde
                    akkers kan weliswaar zonder graafwerk worden verricht, maar daarmee de vondsten
                    buiten hun context waardoor waardevolle informatie voor interpretatie van de
                    gevonden voorwerpen verloren gaat.</al><al><vet>Artikel 20</vet></al><al>Zie toelichting artikelen 10, 11 en 13.</al><al><vet>Artikel 21</vet></al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=154">Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet</extref> laat aan de gemeentelijke
                    wetgever de keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete
                    te stellen van de tweede of de eerste categorie. In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=23">artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht</extref> zijn de
                    geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare feiten in
                    de eerste categorie is maximaal € 225,00; in de tweede categorie maximaal €
                    2.250,00. Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen
                    dan in genoemde categorieën.</al><al>In de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> is handelen in strijd met artikel 11 (het
                    verbod om een beschermd monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken)
                    gekoppeld aan een geldboete van de vijfde categorie (€ 45.000,00).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voor beschermde rijksmonumenten en de wens om enige preventieve
                    werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie voor de
                    hand liggend.</al><al>Er is niet gekozen voor de mogelijke straf om bij overtreding de rechterlijke
                    uitspraak openbaar te maken. Een dergelijke strafbepaling is overbodig, omdat
                    iedere rechterlijke uitspraak openbaar is.</al><al><vet>Artikel 22</vet></al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering/article=141">artikelen 141</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering/article=142">142 van het Wetboek van Strafvordering</extref> wijzen de ambtenaren aan
                    die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering/article=141">Artikel 141</extref> noemt de ambtenaren met een algemene
                    opsporingsbevoegdheid, zoals politieagenten. Uit de bewoordingen van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering/article=142">artikel 142</extref> blijkt dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is om in
                    zijn verordeningen buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen.</al><al>Op basis van deze bepaling kunnen burgemeester en wethouders medewerkers van de
                    bouw- en woningdienst en monumentenzorg aanwijzen als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar.</al><al><vet>Artikel 23</vet></al><al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude verordening is
                    allereerst geregeld voor beschermde gemeentelijke monumenten en de beschermde
                    archeologisch belangrijke plaatsen (de leden 1 en 2) en daarna voor beschermde
                    rijksmonumenten (de leden 3 en 4). Vervolgens wordt bepaald dat de op grond van
                    de oude verordening op de gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten
                    en archeologisch belangrijke plaatsen geacht worden te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening (de leden 5 en 6).
                    Tenslotte is in lid 7 geregeld dat aanvragen om vergunning voor beschermde
                    gemeentelijke monumenten die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze
                    verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening.</al><al>Het eerste lid is gebaseerd op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=139">artikel 139 van de Gemeentewet</extref>. Hierin wordt de bekendmaking van
                    verordeningen geregeld.</al><al>In dit artikel is geen overgangsbepaling opgenomen ten aanzien van beschermde
                    rijksmonumenten omdat artikel 14 van de monumentenverordening, noch <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=12">artikel 12/artikel 15 van de Monumentenwet 1988</extref> is gewijzigd.
                    Evenmin is een regeling getroffen inzake het toepasselijk recht ten aanzien van
                    bezwaarschriften die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening.
                    Dit betekent dat het nieuwe recht op deze bezwaarschriften van toepassing
                    is.</al><al><vet>Artikel 24 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>