<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR56464_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwsbrief, 2010, 45</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, art. 147, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0026054">Wet investeren in jongeren, art. 12 lid 1 onderdeel e en art. 35 lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren 2009
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al/>
          <al>
            <vet>De raad van de gemeente Schiermonnikoog</vet>
          </al>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 oktober 2010;</al>
          <al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet en de artikelen 12, eerste lid,
                        onderdeel e en 35, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren;</al>
          <al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger dan
                        27 jaar bij verordening te regelen;</al>
          <al>
            <vet>B E S L U I T:</vet>
          </al>
          <al>vast te stellen de <vet>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren
                            2009</vet></al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>– ALGEMENE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                investeren in jongeren en de Algemene wet bestuursrecht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de wet: de Wet investeren in jongeren;</al></li>
                <li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 28 eerste lid,
                                        onderdeel d, van de wet.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
            </kop>
            <al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>- CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>– Toeslagen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De toeslag bedoeld in artikel 30 eerste lid, van de wet bedraagt 20
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De toeslag bedoeld in artikel 30 eerste lid, van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één of meer
                                anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>– CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM OF TOESLAG</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>– Verlaging gehuwden</titel>
            </kop>
            <al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10% van de
                            gehuwdennorm die met één of meer anderen hun hoofdverblijf in dezelfde
                            woning hebben.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>– Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De verlaging bedoeld in artikel 34 van de wet bedraagt</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 21
                                        jaar betreft;</al></li>
                <li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 22
                                        jaar betreft.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte
                                van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien deze
                                toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid
                                1 zou leiden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>– Uitvoering</titel>
            </kop>
            <al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>– Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>De verordening kan worden aangehaald als: <vet>Toeslagenverordening Wet
                                investeren in jongeren 2009.</vet></al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>– Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking ingang van 1
                            oktober 2009.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 19
                        oktober 2010,</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>, voorzitter (L.K. Swart).</ondertekening>
        <ondertekening>, griffier (S.T. van der Zwaag).</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <tussenkop>Toelichting toeslagenverordening WIJ</tussenkop>
        <tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop>
        <al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                    Doelstelling van deze wet is duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk van
                    jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een zogenaamd
                    werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op het uitgangspunt dat
                    jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien.</al>
        <al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                    gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit aanbod
                    onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan.
                    De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening
                    anderzijds is een bepalend element in de WIJ.</al>
        <al>De relatie tussen werken/ leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het
                    uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en
                    geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’. Deze uitkering, de zogenaamde
                    inkomensvoorziening, volgt in grote lijnen de WWB voor wat betreft de
                    voorwaarden die aan het recht zijn verbonden en de normering die geldt voor de
                    hoogte van deze voorziening.</al>
        <al>Evenals in de WWB bestaat de inkomensvoorziening uit een rijksgeregeld deel (de
                    norm) die binnen bepaalde grenzen verhoogd of verlaagd kan worden op grond van
                    gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). Dit gemeentelijk beleid moet door de
                    gemeenteraad in een verordening worden vastgelegd.</al>
        <tussenkop>Relatie met de WWB </tussenkop>
        <al>Met de inwerkingtreding van de WIJ is de WWB in beginsel afgesloten voor
                    jongeren tot 27 jaar en kunnen deze jongeren in beginsel geen algemene bijstand
                    meer ontvangen. Daartoe is de WWB op een aantal onderdelen aangepast en zou de
                    Toeslagenverordening WWB een navenante wijziging moeten ondergaan. Op grond van
                    het overgangsrecht (artikel 86 WIJ) blijft de WWB voor jongeren die op 30
                    september 2009 algemene bijstand ontvingen echter van toepassing totdat de
                    algemene bijstand wordt beëindigd maar uiterlijk tot 1 juli 2010. Om die reden
                    is een aanpassing van de Toeslagenverordening WWB aan de WIJ (nog) niet aan de
                    orde. Dit zal eerst met ingang van 1 juli 2010 zijn beslag krijgen. Omdat niet
                    uitgesloten kan worden dat zich in de tussentijd ontwikkelingen zullen voordoen
                    die nopen tot een inhoudelijke wijziging van de Toeslagenverordening, is het
                    thans nog te prematuur om een wijzigingsvoorstel voor de Toeslagenverordening
                    WWB aan te bieden.</al>
        <al>Bij het inrichten van de WIJ is op het punt van de inkomensvoorziening
                    uitdrukkelijk ervoor gekozen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken met de WWB,
                    op onderdelen als de normensystematiek, de middelentoets, verlaging van bijstand
                    en terugvordering en verhaal. Hoewel die aansluiting niet in alle opzichten
                    volledig is gerealiseerd, is ten aanzien van het te voeren toeslagen- en
                    verlagingenbeleid sprake van een identiek wettelijk kader als thans in de WWB.
                    Normen die specifiek betrekking hebben op jong-meerderjarigen zijn uit de WWB
                    overgeheveld naar de WIJ.</al>
        <al>Omdat het oogmerk van de WIJ niet is geweest de normen van de
                    inkomensvoorziening voor jongeren te verlagen is, gelet op de gewenste
                    aansluiting met de WWB en uit overwegingen van uitvoerbaarheid, in deze
                    Toeslagenverordening WIJ aansluiting gezocht bij de Toeslagenverordening WWB. In
                    deze Toeslagenverordening WIJ wordt zoveel mogelijk dezelfde systematiek gevolgd
                    als de Toeslagenverordening WWB. Dit betekent ook dat er geen gebruik wordt
                    gemaakt van de bevoegdheden de norm of toeslag te verlagen bij het ontbreken van
                    woonkosten en bij schoolverlaters.</al>
        <tussenkop>Een toeslagenverordening Wet investeren in jongeren </tussenkop>
        <al>Evenals in de WWB heeft de wetgever in de WIJ het college en de gemeenteraad
                    afzonderlijke taken toebedeeld. Het college is verantwoordelijk voor de
                    uitvoering van de WIJ, terwijl de gemeenteraad de opdracht heeft gekregen in een
                    vijftal verordeningen regels vast te stellen, ondermeer met betrekking tot het
                    verhogen en verlagen van de normen die voor de inkomensvoorziening gelden
                    (artikel 12 eerste lid, sub e, WIJ). Deze regels moeten exclusief in een
                    verordening worden vastgelegd, ter wille van de rechtszekerheid, aldus de
                    Memorie van Toelichting. Aangenomen mag worden dat deze regelgevende bevoegdheid
                    rechtens niet kan worden overgedragen aan het college.</al>
        <al>De toeslagenverordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen dat voor
                    een aantal categorieën uitkeringsgerechtigden de hoogte van de toeslag dan wel
                    verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is beschreven. Het is
                    daarbij niet nodig c.q. mogelijk om alle mogelijke situaties uitputtend te
                    beschrijven. In niet geregelde gevallen is het college immers bevoegd én
                    verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze van individualisering afwijkend
                    vast te stellen (artikel 35, vierde lid, WIJ). </al>
        <tussenkop>Normen, toeslagen en verlagingen </tussenkop>
        <al>Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft de wetgever ervoor gekozen om de
                    normensystematiek die thans is vastgelegd in de WWB zoveel mogelijk over te
                    nemen in de WIJ. Dat betekent enerzijds dat onderscheid is gemaakt tussen de
                    normen die gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren van 18 tot 21 jaar) en
                    oudere jongeren (21 tot 27 jaar). Anderzijds zijn de normen voor beide
                    leeftijdsgroepen identiek aan de normen die thans in de WWB voor beide groepen
                    gelden. Hetzelfde geldt voor de normen die van toepassing zijn bij het verblijf
                    in een inrichting. De overgang naar de WIJ leidt op dit onderdeel dus niet tot
                    een wijziging van de financiële positie van de jongeren die afhankelijk worden
                    van een inkomensvoorziening.</al>
        <tussenkop>Normen</tussenkop>
        <al>In Hoofdstuk 4 van de WIJ (‘Recht op inkomensondersteuning’) zijn de normen
                    vastgelegd die gelden voor de verschillende leefsituaties (artikelen 26 t/m 29
                    WIJ). Voor personen van 21 jaar tot 27 jaar bestaan drie basisnormen (artikelen
                    26, 27 en 28 WIJ), te weten:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm);</al></li>
          <li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm;</al></li>
          <li nr="3."><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm.</al></li>
        </lijst>
        <al>Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt de huidige WWB-normering,
                    die is afgestemd op de kinderbijslag (artikelen 26, sub a en 27, sub a, WIJ).
                    Deze normen kunnen eventueel worden aangevuld met bijzondere bijstand, voor
                    zover de middelen van de ouders niet toereikend zijn dan wel de onderhoudsplicht
                    van de ouders niet te gelde gemaakt kan worden. Artikel 12 WWB blijft voor deze
                    groep onverkort van toepassing.</al>
        <al>Voor jongeren waarvan één van de partners zich in de leeftijdsgroep 18 tot 21
                    jaar bevindt en de ander in de groep 21 tot 27 jaar, gelden eveneens identieke
                    normen als thans in de WWB voor partners in de leeftijd van 21 tot 65 jaar.</al>
        <tussenkop>Toeslagen en verlagingen</tussenkop>
        <al>Voor jongeren in de leeftijd van 21 tot 27 jaar geldt dat de normen verhoogd en/
                    of verlaagd kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als thans in de WWB is
                    vastgelegd. Kort gezegd betreft het de verplichting om de norm voor
                    alleenstaanden en alleenstaande ouders te verhogen met een toeslag als deze een
                    woning bewonen zonder medebewoner. Omdat de kosten van het bestaan dan niet
                    gedeeld kunnen worden met een ander bedraagt de toeslag het maximale bedrag,
                    zijnde 20% van de norm voor gehuwden in die leeftijdscategorie. Kunnen de
                    bestaanskosten wel met een ander gedeeld worden dan kan de toeslag worden
                    verlaagd. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een
                    toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten maar kan er ook voor kiezen
                    om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de
                    maximale toeslag te verstrekken (zie voor de WWB Kamerstukken II 2002-2003, 28
                    870, nr. 3, p. 52 en 53). </al>
        <al>De bevoegdheid om de uitkering te verlagen bij medebewoning geldt ook voor de
                    norm voor gehuwden. Voorts kan de norm of toeslag worden verlaagd als de
                    woonsituatie, los van medebewoning, lagere bestaanskosten met zich meebrengt.
                    Daarnaast is verlaging van de norm of toeslag mogelijk als de jongere een
                    schoolverlater is. Ten slotte kan het college bij een 21- of 22-jarige
                    alleenstaande de toeslag verlagen om de uitkering in de pas te laten lopen met
                    het wettelijk minimumjeugdloon. De laatstgenoemde verlagingen kunnen niet in
                    combinatie met elkaar worden toegepast. Binnen de gestelde randvoorwaarden staat
                    het de gemeenten in beginsel vrij om eigen beleid te voeren over de hoogte van
                    de toeslagen en verlagingen. Er bestaat geen wettelijke verplichting om de norm
                    en/ of toeslag te verlagen. </al>
        <al>Ook voor gehuwde jongeren waarvan één van de partners in de leeftijdsgroep van
                    18 tot 21 jaar en de ander in de leeftijd van 21 tot 27 jaar zit, geldt dat de
                    norm verlaagd kan worden. De WIJ sluit dit, evenmin als de WWB, uit. Dit geldt
                    evenzeer voor het geval beide partners in de leeftijdsgroep 18 tot 21 jaar
                    zitten. Ook de voor hen geldende norm kan verlaagd worden. Niettemin wordt dit
                    niet opportuun geacht. De normen voor deze categorie jongeren zijn immers al
                    lager vastgesteld, vanwege de (vaak theoretische) onderhoudsplicht van ouders.
                    Het verder verlagen van deze normen kan er spoedig toe leiden dat deze jongeren
                    onder het bestaansminimum terechtkomen. Bovendien maakt categoriale verlaging op
                    deze groep jongeren de toch al behoorlijk complexe normensystematiek nog
                    ingewikkelder. </al>
        <tussenkop>Gehuwde jongeren van 21 tot 27 jaar met niet-rechthebbende
                    partner</tussenkop>
        <al>Voor jongeren van 21 tot 27 jaar met een oudere partner, geldt dat de norm
                    gelijk is aan de norm die voor een alleenstaande of alleenstaande ouder geldt
                    (artikel 28 eerste lid, sub e, resp. 28, tweede lid, sub e, WIJ). Personen van
                    27 jaar of ouder komen immers niet in aanmerking voor een inkomensvoorziening in
                    het kader van de WIJ. De norm alleenstaande of alleenstaande ouder geldt ook als
                    de andere partner om andere redenen (bijv. in geval van detentie) geen recht
                    heeft op een inkomensvoorziening (artikel 28 derde lid, WIJ). De mogelijkheid om
                    de norm voor een alleenstaande (ouder) te verhogen met een toeslag is in de WIJ
                    evenwel beperkt tot de jongere die <cursief>feitelijk </cursief>alleenstaande
                    (ouder) <cursief>is </cursief>(artikel 30, eerste lid, in verbinding met 26, sub
                    b en 27, sub b, WIJ). Naar de letter bestaat dus voor de gehuwde met
                    niet-rechthebbende partner geen recht op toeslag. Niettemin mag, gegeven de wens
                    van de wetgever om een en ander zoveel mogelijk conform de WWB te regelen en met
                    een beroep op de jurisprudentie die gevormd is onder de WWB en Abw, worden
                    aangenomen dat ook gehuwde jongeren die voor de normering worden gelijkgesteld
                    met een alleenstaande (ouder), onder omstandigheden recht kunnen hebben op een
                    toeslag, mede gelet op het individualiseringsbeginsel, dat binnen de WIJ
                    klaarblijkelijk ook een rol speelt op het punt van normen, toeslagen en
                    verlagingen (artikel 35, vierde lid, WIJ; zie m.b.t. de bijstand bijvoorbeeld
                    CRvB 12 december 1995, JABW 1996/40). Heeft de niet-rechthebbende partner geen
                    of een zeer laag inkomen en is geen sprake van medebewoning, dan zal de toeslag,
                    naar analogie van de WWB, in beginsel zelfs 20% van de gehuwdennorm moeten
                    bedragen (CRvB 4 maart 2003, LJN: AF6326). </al>
        <al>Als de niet-rechthebbende partner een WWB-uitkering ontvangt, is er geen
                    aanleiding om een toeslag te verstrekken. Dat geldt evenzeer voor de
                    bijstandsgerechtigde partner. Beiden kunnen immers nimmer een uitkering
                    ontvangen die tezamen meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm voor gehuwden.
                    Omdat beide partners dan aanspraak hebben op de norm die voor een alleenstaande
                    geldt, betekent dit tegelijkertijd dat een verlaging in verband met medebewoning
                    formeel gezien niet mogelijk is, omdat deze beperkt is tot de gehuwdennorm (als
                    bedoeld in artikel 28, eerste/ tweede lid onderdeel d WIJ). In voorkomende
                    gevallen is het in dat geval mogelijk met toepassing van artikel 18, eerste lid,
                    WWB de bijstandsnorm van de bijstandsgerechtigde partner te verlagen. </al>
        <al>Voor de situatie dat beide partners ten laste komende kinderen hebben, is een
                    specifieke regeling getroffen. Dan geldt voor de jongere partner de
                        <cursief>gehuwdennorm </cursief>die bij zijn leeftijd past (artikel 28,
                    vierde lid, WIJ). Omdat daar expliciet over gehuwdennorm wordt gesproken, is
                    verlaging van die norm wegens medebewoning, wel mogelijk. De algemene bijstand
                    die de bijstandsgerechtigde partner ontvangt, moet vervolgens daarop in
                    mindering worden gebracht.</al>
        <al>In deze verordening is geen gebruik gemaakt van de bevoegdheden om de norm of de
                    toeslag te verlagen in verband met de woonsituatie (artikel 32), en in geval van
                    schoolverlaters (artikel 33). In de Toeslagenverordening WWB is van die
                    bevoegdheden ook geen gebruik gemaakt.</al>
        <tussenkop>Zelfstandigen</tussenkop>
        <al>Jongeren met een zelfstandig bedrijf of beroep komen niet in aanmerking voor een
                    werkleeraanbod of inkomensvoorziening (artikel 23, eerste lid, onderdeel e,
                    resp. artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ). Zij kunnen een beroep doen op
                    de WWB. Dat geldt voor de voorbereidingskosten, de periodieke bijstand voor
                    levensonderhoud en voor bedrijfskapitaal. Aandachtspunt bij de algemene bijstand
                    voor levensonderhoud is wel dat voor die jongeren de normensystematiek uit de
                    WIJ van toepassing is (zie artikel 58 WIJ). </al>
        <tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1 </tussenkop>
        <al>Evenals in de toeslagenverordening WWB is het begrip ‘gehuwdennorm’ omschreven,
                    omdat het uitkeringsgebouw in de WIJ, inclusief toeslagen en verlagingen, voor
                    21- tot 27-jarigen daaraan is gerelateerd. Volstaan is met een verwijzing naar
                    artikel 28, tweede lid, sub e, WIJ. De daar genoemde gehuwdennorm is gelijk aan
                    de gehuwdennorm genoemd in artikel 21, sub a, WWB.</al>
        <al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven
                    hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Zo wordt in deze verordening meerdere
                    malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2, eerste lid, WIJ omschrijft dit
                    begrip. Onder jongere wordt verstaan: een hier te lande woonachtige Nederlander
                    (of daarmee gelijkgestelde vreemdeling) 16 jaar of ouder doch jonger dan 27
                    jaar. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder jongeren echter
                    verstaan de jongeren in de leeftijd van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar
                    (zie ook artikel 2).</al>
        <tussenkop>Artikel 2</tussenkop>
        <al>Als de jongere jonger dan 27 jaar een partner heeft die 27 jaar of ouder kan
                    samenloop ontstaan tussen de inkomensvoorziening WIJ en de algemene bijstand
                    WWB: de jongere jonger dan 27 jaar ontvangt de inkomensvoorziening WIJ en de
                    oudere partner de algemene bijstand WWB. In zo’n geval worden beiden aangemerkt
                    als alleenstaande of, als er kinderen zijn, de één als alleenstaande en de ander
                    als alleenstaande ouder.</al>
        <al>Als er geen ten laste komende kinderen zijn is voor beiden de norm voor een
                    alleenstaande van toepassing. Omdat deze 50% van het wettelijk minimumloon
                    bedraagt garanderen beiden gezamenlijk het normbedrag voor een gezin. In die
                    situatie is daarom geen ruimte voor een toeslag.</al>
        <al>Als er ten laste komende kinderen zijn wordt de norm van de WIJ ontleend aan de
                    gehuwdennorm. Het ligt voor de hand dat de oudere partner dan de alleenstaande
                    oudernorm WWB krijgt. Deze algemene bijstand WWB wordt in mindering gebracht op
                    de WIJ-norm voor een gezin. Ook in deze situatie is daarom geen ruimte voor een
                    toeslag.</al>
        <al>Jongeren tot 21 jaar hebben geen recht op een toeslag (artikel 30, eerste lid in
                    samenhang met artikel 26 sub a en 27 sub a).</al>
        <tussenkop>Artikel 3 </tussenkop>
        <al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad verplicht om
                    te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of
                    toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid 1.</al>
        <al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet
                    er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                    toeslag blijft op zijn plaats. Evenals in de model-toeslagenverordening WWB is
                    in deze verordening als uitgangspunt gekozen voor de zgn. forfaitaire variant
                    voor het vaststellen van de hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet
                    de werkelijke bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld worden
                    bepalend zijn voor de hoogte van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat
                    het delen van kosten mogelijk is. De meeste gemeenten hebben gekozen voor deze
                    variant, omdat deze de meest efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het
                    minst fraudegevoelig is. In de jurisprudentie is de forfaitaire variant algemeen
                    aanvaard (zie bijvoorbeeld CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In de
                    toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10 procent van de
                    gehuwdennorm in het geval één ander in dezelfde woning zijn hoofdverblijf
                    heeft.</al>
        <al>Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de uitzonderlijke
                    situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van inkomen beschikt (denk aan
                    de niet rechthebbende partner of inwonende uitgeprocedeerde) verlaging van de
                    toeslag vanwege medebewoning niet kan worden toegepast. De medebewoner kan dan
                    immers daadwerkelijk geen bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook
                    geen voordeel is voor de betrokkene (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129
                    NABW).</al>
        <tussenkop>Artikel 4 </tussenkop>
        <al>Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                    alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10% als een woning gedeeld wordt met
                    een ander, is dit ook gerealiseerd voor gehuwde jongeren in dezelfde situatie. </al>
        <al>De jongeren kunnen in dat geval namelijk ook kosten delen met een ander en
                    daarom is een verlaging op zijn plaats. Zijn er meerdere personen waarmee de
                    bestaanskosten van de gehuwden kunnen worden gedeeld, dan kan de verlaging
                    worden verhoogd. Hetzelfde geldt voor eerstegraads bloedverwanten, zie de
                    toelichting op artikel 3. </al>
        <tussenkop>Artikel 5 </tussenkop>
        <al>Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passing
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon
                    voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt het voor de hand om
                    voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een
                    22-jarige.</al>
        <al>In het tweede lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in artikel 34
                    WIJ- de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan plaatsvinden op de
                    toeslag van artikel 33 WIJ. In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de
                    verplichting van artikel 35, tweede lid, sub b, WIJ om in de verordening vast te
                    stellen dat de schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast
                    met de verlaging voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de
                    schoolverlatersverlaging is gekozen, omdat een 21- of 22-jarige schoolverlater
                    niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige schoolverlater op
                    grond van artikel 6 van de Toeslagenverordening.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>