<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR56424_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:creator><dcterms:modified>2004-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Dorpsbode, 2007, 7</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0015703">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel c en art. 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-02-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-07-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De Raad van de gemeente Schiermonnikoog,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog d.d.
                        15 januari 2004.</al><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk en
                        bijstand,</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 21 jaar of ouder doch
                        jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen;</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende:</al><al/><al><vet>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel
                                        c, van de wet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In
                                geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                                indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing artikel 18,
                                eerste lid, van de wet onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Toeslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
                                    alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen
                                    noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan waarin de
                                    bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
                                    kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de
                                    alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste
                                    komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                    heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet
                                    genoemde maximumbedrag.</al></li><li nr="3."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor een
                                    alleenstaande en de alleenstaande ouder die een gezamenlijke
                                    huishouding voert met een of meerdere niet ten laste komend(e)
                                    kind(eren) met een inkomen op grond van de Wet op de
                                    studiefinanciering, een tegemoetkoming op grond van de Wet
                                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, of jonger is
                                    dan 21 jaar, en in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                    heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet
                                    genoemde maximumbedrag.</al></li><li nr="4."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                    alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede, derde
                                    en vierde lid niet van toepassing is, 10% van de
                                    gehuwdennorm.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>– Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien gehuwden van 21 jaar
                                of ouder, doch jonger dan 65 jaar, lagere algemeen noodzakelijke
                                kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet,
                                als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze
                                kosten met een ander niet zijnde:</al><lijst><li nr="-"><al>niet ten laste komend(e) kind(eren) met een inkomen op grond
                                        van de Wet op de studiefinanciering, een tegemoetkoming op
                                        grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                        schoolkosten, of jonger dan 21 jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van de
                                gehuwdennorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>– Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende
                                        van 21 jaar betreft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende
                                        van 22 jaar betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte
                                van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien deze
                                toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid
                                1 zou leiden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>– Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De alleenstaande of de alleenstaande ouder die op 31 december 2003
                                een gezamenlijke huishouding voert met een of meerdere niet ten
                                laste komend(e) kind(eren), jonger dan 22 jaar behoudt het recht op
                                de op grond van de Bijstandsverordening vastgestelde toeslag tot het
                                moment waarop het kind (de kinderen) de leeftijd van 22 jaar bereikt
                                (bereiken).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De jongere van 21 of 22 jaar die op 31 december 2003 een uitkering
                                ontvangt ingevolge de Algemene bijstandswet behoudt het recht op de
                                op grond van de Bijstandsverordening vastgestelde toeslag tot: de
                                eerste van de maand volgende op de maand waarin de toeslag op grond
                                van wijziging van de leeftijd opnieuw dient te worden
                                vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand 2004. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>– Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2004.</al></li><li nr="2."><al>De Bijstandsverordening vastgesteld in de vergadering van 22
                                    november 2001 vervalt per 1 januari 2004.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in openbare raadsvergadering van 24 februari
                        2004.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>, voorzitter (mr. H. Sybesma)</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>, griffier (S.T. van der zwaag)</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING </tussenkop><tussenkop>1. Algemeen</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 1996 trad de Algemene bijstandswet (Abw) in werking. </al><al>In deze Algemene bijstandswet werd de basisnorm voor alleenstaanden en
                    alleenstaande ouders verlaagd met 20%. In verband hiermee werden in de wet
                    bepalingen opgenomen voor de verhoging van de bijstandsnorm (met een toeslag)
                    voor alleenstaanden of alleenstaande ouders “voor zover de belanghebbende hogere
                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm
                    voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten
                    met een ander”.</al><al>De basisnorm voor gehuwden bleef gehandhaafd op 100% van het wettelijk
                    minimumloon. In verband hiermee werden in de wet bepalingen opgenomen voor de
                    verlaging van de bijstandsnorm voor gehuwden “voor zover de belanghebbenden
                    lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de
                    bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen
                    van deze kosten met een ander”.</al><al>De Algemene bijstandswet bepaalde voorts dat het gemeentebestuur bij verordening
                    moest vaststellen voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of
                    verlaagd en op grond van welke criteria de verhoging of verlaging wordt
                    bepaald.</al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2004 wordt de Algemene bijstandswet vervangen door de
                    Wet Werk en Bijstand (WWB). </al><al>In de nieuwe Wet Werk en Bijstand zijn eveneens bepalingen opgenomen met
                    betrekking tot de verhoging of de verlaging van de bijstandsnorm “wegens het
                    niet of niet geheel kunnen delen van de kosten met een ander”. De bepalingen in
                    de WWB komen inhoudelijk exact overeen met de bepalingen in de Abw. Ook is weer
                    vastgelegd dat de regels voor het verhogen of verlagen van de norm bij
                    verordening moeten worden vastgelegd (door de gemeenteraad). </al><al/><al>De op grond van de Wet Werk en Bijstand vast te stellen verordening voor de
                    verhoging of verlaging van de algemene bijstand stemt voor een deel overeen met
                    de verordening welke werd vastgesteld op grond van de Algemene bijstandswet. </al><al>De aan de verordening ten grondslag liggende wettelijke bepalingen zijn immers
                    inhoudelijk niet gewijzigd. Wel heeft er afstemming plaats gevonden tussen de
                    gemeenten Dantumadeel en Schiermonnikoog hetgeen voor beiden heeft geleid tot
                    enige wijzigingen. </al><al>De belangrijkste voorgestelde wijzigingen ten opzichte van de vorige verordening
                    zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>De begrippen worden niet meer apart gedefinieerd maar verwezen wordt
                            naar de WWB waarin de begrippen reeds zijn gedefinieerd. Voordeel
                            hiervan is dat bij wijziging van betreffende definities in de WWB en Awb
                            de verordening niet behoeft te worden gewijzigd.</al></li><li nr="2."><al>Uit de verordening verdwijnt de bepaling over de hulpbehoevende die de
                            woning deelt waarvoor onder bepaalde voorwaarden geen korting gold. Hier
                            is voor gekozen omdat het zeer sporadisch is voorgekomen en het toch wel
                            bewerkelijk is gezien de voorwaarden die er aan gesteld werden. Daarbij
                            komt dat degene die het betreft meestal ook een inkomen heeft, dan wel
                            degene waar hij/zij bij inwoont. Ook heeft het college op grond van
                            artikel 18 lid 1 WWB nog altijd de mogelijkheid om in individuele
                            gevallen de uitkering af te stemmen. </al></li><li nr="3."><al>Gezien de hoogte van het minimumjeugdloon wordt voorgesteld om de
                            toeslag van 21-jarigen met 20% te verlagen en van 22-jarigen met 10%.
                            Gezien de hoogte van het minimumjeugdloon zou het niet verlagen van de
                            toeslag ertoe kunnen leiden dat de hoogte van de dan toe te kennen
                            uitkering een drempel vormt om toe te treden tot de arbeidsmarkt. Het
                            minimumjeugdloon van een 21-jarige is lager dan dat voor een 22-jarige,
                            derhalve is er voor gekozen om voor een 21-jarige een grotere verlaging
                            toe te passen. </al></li></lijst><tussenkop>2. Norm, toeslag en verlaging</tussenkop><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een</al><al>systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen.</al><al>Dit systeem is grotendeels overgenomen uit de Abw. In de WWB maakt het voor de
                    financiering door het Rijk echter geen verschil of bijstand is toegekend als
                    norm of als toeslag.</al><al>De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot en met
                    24 WWB.</al><al>Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in de artikelen 25
                    tot en met 29 WWB.</al><al>Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een
                    toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik
                    gemaakt te worden.</al><tussenkop>Norm</tussenkop><al>Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaan er een drietal basisnormen
                    (artikel 21 WWB),</al><al>te weten:</al><lijst><li nr="·"><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm)</al></li><li nr="·"><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="·"><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><tussenkop>Toeslagen</tussenkop><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht
                    als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar
                    ook krant etc. gedeeld worden.</al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering
                    maximaal</al><al>bedraagt voor:</al><lijst><li nr="·"><al>alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="·"><al>alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de Toeslagenverordening.
                    Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol
                    spelen. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een
                    toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het college heeft de
                    mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader
                    onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken. (Zie TK 28870, nr. 3, p. 52 en
                    53.)</al><tussenkop>Verlagingen</tussenkop><al>De WWB noemt de volgende verlagingen: </al><lijst><li nr="·"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een
                            ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden
                            (artikel 26 WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie
                            (artikel 28 WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij
                            alleenstaanden (artikel 29 WWB).</al></li></lijst><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 en 5 van de verordening.</al><tussenkop>3. De Toeslagenverordening</tussenkop><al>In artikel 8 lid 1 onder c juncto artikel 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad
                    bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm
                    verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die
                    verhoging of verlaging wordt bepaald.</al><al>Het door het college voorgestane beleid ten aanzien van de toeslagen moet dus
                    door de gemeenteraad in de Toeslagenverordening worden vastgelegd, opdat het
                    college het beleid kan uitvoeren.</al><tussenkop>categorieën</tussenkop><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter moet
                    hebben. Bij het afbakenen van categorieën is enerzijds getracht te komen tot in
                    de praktijk redelijk eenvoudig te hanteren criteria en anderzijds rekening te
                    houden met de werkelijke kosten van belanghebbende.</al><al>Daarom is er gekozen voor een forfaitaire benadering bij het afbakenen van de
                    categorieën.</al><al>In de Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan de
                    verlagingen in verband met het kunnen delen van kosten bij gehuwden en verlaging
                    voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar.</al><al>Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties
                    uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het
                    college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel
                    18 lid 1 WWB bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen.</al><al>Eenvoudigheidshalve is ook de werking van de verordening beperkt tot
                    belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de WWB de
                    mogelijkheid biedt om de verlagingen ook toe te passen op belanghebbenden van
                    18, 19 of 20 jaar. In een uitzonderlijke situatie waarin een belanghebbende van
                    21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar slechter af zou zijn dan een
                    belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar in overigens vergelijkbare omstandigheden,
                    ligt het voor de hand dat het college eveneens op grond van artikel 18 lid 1 WWB
                    de bijstand aanpast (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 van de
                    Toeslagenverordening).</al><al>4.<vet>Berekening toepasselijke bijstandsnorm</vet></al><al>In de WWB is -in tegenstelling tot in de Abw- niet voorgeschreven, dat in
                    gevallen waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de
                    verlaging met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. De reden van het
                    vervallen van het voorschrift is gelegen in de financieringsstructuur van de
                    WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm of de toeslag verlaagd wordt. Voor de
                    toepassing van de leeftijdsverlaging maakt dit echter wel uit. Omdat noch uit de
                    wettekst noch uit de Memorie van toelichting kan worden opgemaakt dat de
                    wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging een zwaarder gewicht te geven,
                    blijft het bij voorrang toepassen van de verlaging op de toeslag de aangewezen
                    volgorde. </al><al>Bovenstaande in acht nemend kan de hoogte van de uitkering algemene bijstand
                    voor personen van 21 tot 65 jaar als volgt worden berekend:</al><lijst><li nr="1."><al>Basisnorm;</al></li><li nr="2a."><al>Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                            ouders)</al></li></lijst><al>OF</al><lijst><li nr="2b."><al>Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen (alleen
                            bij gehuwden)</al></li><li nr="3."><al>Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op de
                            toeslag.</al></li></lijst><al>De uitkomst van deze berekening laat ook een eventueel aan de orde zijnde
                    afstemming van de bijstand bij wijze van individualisering onverlet.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of Awb niet
                    afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de Verordening moet
                    worden gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte van
                    deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21 onder c WWB. Dit bedrag is
                    feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Hoewel de tekst van de artikelen 26, 27 en 28 WWB ook categoriale verlagingen
                    mogelijk maakt voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar, moet dit niet
                    opportuun geacht worden. De normen van artikel 20 WWB zijn laag vastgesteld,
                    vanwege de onderhoudsplicht van de ouders van belanghebbenden. Betreffende
                    ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun onderhoudsplicht door hun kind bij
                    hen in te laten wonen of de huur voor hen te betalen. In dergelijke gevallen zou
                    als het ware 'dubbel gekort' worden als hierdoor ook nog krachtens de
                    Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou worden. Bovendien zou de
                    toepassing van de categoriale verlagingen op belanghebbenden van 18, 19 of 20
                    jaar de uitvoering van de Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld maken.</al><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                    artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om
                    op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen. </al><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om -zo nodig in
                    afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de
                    bijstand- de bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van belanghebbende opportuun is, volgt uit artikel 30
                    lid 4 WWB.</al><al>De individualiseringsplicht geldt evenzeer in situaties waarin de
                    Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van de
                    Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is er voor gekozen om
                    deze plicht expliciet in de Toeslagenverordening op te nemen.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande
                    ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de
                    bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is,
                    wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag. In de toelichtende stukken op het
                    wetsvoorstel Abw is hierover vermeld, dat voor het bepalen van de hoogte van de
                    toeslag alle extra algemeen noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking worden
                    genomen, die de alleenstaande ouder heeft ten opzichte van degene die met zijn
                    partner een gezamenlijke huishouding voert.</al><al>“Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten (in beperkte of uitgebreide zin)
                    maar ook om alle andere uitgaven waarbij partners een schaalvoordeel hebben
                    omdat zij alle kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen. Bij
                    relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden geconfronteerd
                    kan met name gedacht worden aan duurzame gebruiksgoederen, zoals
                    woninginrichting en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan vaste lasten, zoals
                    abonnementen, kijk- en luistergeld en diverse andere kosten. De toeslag dient
                    zodanig te zijn dat de betrokkene daaruit op dezelfde wijze zijn algemene
                    bestaanskosten kan voldoen als thans het geval is met de volledig landelijk
                    genormeerde algemene bijstand. Bij de beoordeling of betrokkene inderdaad hogere
                    bestaanskosten heeft, is in voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook
                    feitelijk deze kosten met een ander deelt, maar of het –gegeven de
                    omstandigheden- redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten kunnen worden
                    gedeeld. In bijvoorbeeld de situatie dat een hoofdbewoner de woning met een
                    ander bewoont, zou een ongewenste gebruikersruimte [van bijstandsmiddelen, red]
                    ontstaan als de hoogte van de toeslag ervan afhankelijk is of de medebewoner,
                    hoewel deze daartoe financieel in staat is, ook feitelijk een bijdrage levert in
                    de woonkosten [….] Hiertoe wordt gesproken van het ‘kunnen delen’ van de kosten.
                    Met deze omschrijving beoogt het kabinet uitdrukkelijk niet aan te geven dat van
                    de betrokkene kan worden gevergd dat deze bijvoorbeeld zijn woonsituatie aanpast
                    om zo met een lagere bijstandsuitkering te kunnen volstaan.”</al><al>Zoals hiervoor aangegeven, bepaalt de mate waarin de bestaanskosten kunnen
                    worden gedeeld, de hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en
                    maximaal 20% van het netto minimumloon. Degene die voor een toeslag in
                    aanmerking wenst te komen, moet aannemelijk maken, dat er geen sprake is van
                    kosten die kunnen worden gedeeld en dat er derhalve terecht aanspraak op een
                    toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal deel van de
                    bijstandsuitkering uit. De algemene inlichtingenverplichting die op de aanvrager
                    rust, geldt ook voor het toeslagendeel. Aanvrager zal dan ook door middel van
                    het overleggen van gegevens het recht moeten aantonen. </al><al>lid 2:</al><al>Artikel 30, tweede lid WWB schrijft voor, dat de toeslag onverminderd het
                    bepaalde in artikel 27, 28 en 29 van de wet, voor de alleenstaande en de
                    alleenstaande ouder met zijn kinderen, in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in artikel 25,
                    tweede lid, van de WWB. De maximale toeslag komt neer op 20% van het netto
                    minimumloon. In deze verordening wordt volstaan met een verwijzing naar het
                    bedrag zoals dat in de wet is genoemd. Dit bedrag wordt regelmatig -veelal
                    (half)jaarlijks- bijgesteld.</al><al>De artikelen 27, 28 en 29 WWB geven de gemeente de bevoegdheid om voor bepaalde
                    categorieën de bijstandsnorm of de toeslag lager vast te stellen. Dit betekent
                    dat indien aanvrager voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 3, tweede lid
                    van de verordening, het toch kan zijn dat er geen recht op een toeslag bestaat
                    van 20% van het netto minimumloon, indien de gemeente daarnaast tevens gebruik
                    maakt van de mogelijkheid om de bijstandsnorm of de toeslag te verlagen.</al><al>lid 3:</al><al>Geen verlaging van de toeslag vindt plaats indien het niet ten laste komend
                    inwonend kind:</al><lijst><li nr="-"><al>Een inkomen ontvangt op grond van de Wet studiefinanciering (WSF 2000)
                            dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming
                            onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) of</al></li><li nr="-"><al>jonger is dan 21 jaar.</al></li></lijst><al>lid 4:</al><al>Indien de alleenstaande (ouder) de woning bewoont met een niet ten laste komend
                    kind van 21 jaar of ouder en met een inkomen anders dan op grond van de WSF 2000
                    en/of WTOS, dan bedraagt de toeslag 10%.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten
                    de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de
                    woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, dan kunnen de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de
                    mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden, niet van belang. Dat is
                    een verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf.</al><al>Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm, ongeacht het
                    aantal anderen dat in de woning het hoofdverblijf heeft. Geen verlaging van de
                    toeslag vindt plaats, indien de kosten uitsluitend worden gedeeld met een niet
                    ten laste komend inwonend kind jonger dan 21 jaar of een niet ten laste komend
                    kind met een inkomen op grond van de Wet studiefinanciering (WSF 2000) dan wel
                    een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                    schoolkosten (WTOS).</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Gezien de hoogte van het minimum jeugdloon, zou er naar de mening van het
                    college een drempel kunnen ontstaan om werk te aanvaarden indien er geen
                    verlaging van de toeslag zou plaats vinden op de uitkering van alleenstaanden
                    van 21 en 22 jaar. Art 29 WWB geeft de bevoegdheid om in dit geval een verlaging
                    toe te passen.</al><al>Aangezien het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een
                    22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe
                    te passen dan voor een 22-jarige. De korting van een 21-jarige bedraagt dan ook
                    20% en voor een 22–jarige 10%.</al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in artikel 29
                    WWB- de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan plaatsvinden op de
                    toeslag van artikel 25 WWB. </al><al>De uitkeringen voor de 21 en 22-jarige worden als volgt berekend:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="17*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="17*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>alleenstaande 21 </al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>alleenstaande 22 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>woningdeler</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>woningdeler</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>basisnorm (percentage gehuwden norm)</al></entry><entry colname="col2"><al>50 %</al></entry><entry colname="col3"><al>50 %</al></entry><entry colname="col4"><al>50%</al></entry><entry colname="col5"><al>50%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>toeslag 20% gehuwdennorm</al><al>(artikel 3 lid 2</al></entry><entry colname="col2"><al>20 %</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>20%</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>toeslag 10 % gehuwdennorm </al><al>i.v.m. delen kosten </al><al>(artikel 3 lid 4)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>10%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>10%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>verlaging i.v.m. leeftijd </al><al>(artikel 5 1<sup>e</sup> lid)</al></entry><entry colname="col2"><al>20%</al></entry><entry colname="col3"><al>20%</al></entry><entry colname="col4"><al>10%</al></entry><entry colname="col5"><al>10%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>maximering verlaging op </al><al>grond van artikel 5 lid 2 tot de hoogte van de toeslag </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>10%</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>te ontvangen uitkering (percentage gehuwden norm)</al></entry><entry colname="col2"><al>50%</al></entry><entry colname="col3"><al>50% </al></entry><entry colname="col4"><al>60% </al></entry><entry colname="col5"><al>50%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Artikel 6</al><al>Inwonende kinderen 21 – 22 jaar:</al><al>In de per 1 januari 2004 in te voeren verordening wordt de leeftijd van het
                    inwonende kind met inkomsten voor de toepassing van de verlaging van de toeslag
                    verlaagd van 22 naar 21 jaar. Om te voorkomen dat de toeslag van degene die op
                    31 december 2003 een toeslag van 20% ontvangt op grond van de
                    “bijstandsverordening Abw” wordt verlaagd, is gekozen om in de verordening de
                    bepaling op te nemen om voor deze groep de ingangsdatum van de verlaging te
                    koppelen aan de leeftijdswijziging van het niet ten laste komend kind. </al><al>21-22 jarigen: </al><al>Op grond van artikel 5 van de verordening wordt de toeslag van de alleenstaande
                    van 21 en 22 jaar verlaagd met respectievelijk 20% en 10%. Op basis van de
                    huidige Bijstandsverordening wordt de toeslag van een 21 jarige verlaagd met 10%
                    en de toeslag van de 22 jarige niet verlaagd.</al><al>De verlaging gaat in per 1 januari 2004. Om de belanghebbende in staat te
                    stellen om in te spelen op de gevolgen van de verlaging zijn er
                    overgangsbepalingen vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de Toeslagenverordening
                    bij het college.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Voor de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie van
                    de wetgever, als gebruikt in de toelichting bij artikel 3 Invoeringswet WWB (zie
                    TK 2002-2003, 28 960, nr. 3, p. 8).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>