<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR56374_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Schiermonnikoog</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwsbrief januari 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Schiermonnikoog</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0015703">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1 onderdeel b en art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-07-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>aanscherping regels WWB 2012</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Schiermonnikoog</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Schiermonnikoog;</vet></al><al>Gelezen het advies van de Commissie Samenleving van Schiermonnikoog, </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog, </al><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b en 18 van de Wet werk en
                        bijstand, besluiten vast te stellen de: <vet>MAATREGELENVERORDENING
                            SCHIERMONNIKOOG</vet></al><al>onder gelijktijdige intrekking van de ‘Maatregelenverordening gemeente
                        Schiermonnikoog’.</al><al/><al><vet>TEKST VAN DE VERORDENING</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>- Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    b, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijstand: de algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="e."><al>langdurigheidstoeslag: de langdurigheidstoeslag, bedoeld in
                                    artikel 36 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    c, van de wet;</al></li><li nr="g."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18,
                                    tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="h."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                    Schiermonnikoog.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan, dan wel de uit de wet of de artikelen
                                28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                verordening een maatregel opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>1. De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. </al><al>2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast
                            op de bijzondere bijstand indien:</al><al>a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing
                            van artikel 12 van de wet; of</al><al>b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn
                            recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft.</al><al>3. Indien de verwijtbare gedraging een relatie heeft met de
                            langdurigheidstoeslag, kan de maatregel ook hierop worden
                            toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeldt: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, het bedrag waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><al>a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al><al>b. de gedraging meer dan een jaar voor constatering van die gedraging
                            door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending
                            van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten
                            onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de
                            inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat
                            de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.</al><al>2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                            daarvoor dringende redenen aanwezig acht. </al><al>3. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond
                            van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk
                            mededeling gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al>1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                            kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen
                            van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                            uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.</al><al>2.I n afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                            kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is
                            uitbetaald.</al><al>3. Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                            voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                            uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                            heroverwogen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van
                            de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van een cumulatie van
                            maatregelen, waarbij de hoogte van de maatregel niet meer kan bedragen
                            dan 100 procent (100%) van de van toepassing zijnde bijstandsnorm
                            gedurende een maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>- GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET VERKRIJGEN OF
                            BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al>1. Eerste categorie:</al><al>a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de
                            Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten verlengen
                            van de registratie; </al><al>b. het niet ondertekenen of het niet aan het college verstrekken van het
                            arbeidsplan. </al><al>2. Tweede categorie:</al><al>a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen of te aanvaarden;</al><al>b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. </al><al>3. Derde categorie:</al><al>a. gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren; </al><al>b. het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het
                            college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als
                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid
                            van de wet, waaronder begrepen sociale activering. </al><al>4. Vierde categorie:</al><al>a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; </al><al>b. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>1.Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld
                            op:</al><al>a. vijf procent (5%) van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                            gedragingen van de eerste categorie;</al><al>b. tien procent (10%) van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                            gedragingen van de tweede categorie;</al><al>c. twintig procent (20%) van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                            gedragingen van de derde categorie; </al><al>d. honderd procent (100%) van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                            gedragingen van de vierde categorie.</al><al>2. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                            verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                            bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw
                            schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere
                            categorie. </al><al>3. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld
                            het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                            bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>- NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><al>1. Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van
                            de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de
                            verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door
                            het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt met
                            toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel opgelegd van vijf
                            procent (5%) van de bijstandsnorm gedurende een maand, onverminderd
                            artikel 2, tweede lid.</al><al>2. De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                            zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een
                            maatregel wordt opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als
                            verwijtbare aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
                            maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te
                            zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede
                            lid.</al><al>3. Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden
                            volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het
                            niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen
                            een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan
                            de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>- Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al>1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht,
                            bedoeld in artikel 17 van de wet, heeft geleid tot het ten onrechte of
                            tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel
                            afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al><al>2. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld op
                            tien procent van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op
                            tenminste € 50,00 wordt gesteld en gemaximeerd op € 2.250,00.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al>1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht,
                            bedoeld in artikel 17 van de wet, niet heeft geleid tot het ten onrechte
                            of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt de maatregel,
                            onverminderd artikel 2, tweede lid, vijf procent (5%) van de bijstand
                            gedurende een maand.</al><al>2. Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                            worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke
                            waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                            verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
                            vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
                            waarschuwing is gegeven.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>- OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>- Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt een
                                maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de ernst van de
                                gedragingen, mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin
                                hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid dient te blijken
                                uit één of meerdere van navolgende gedragingen:</al><lijst><li nr="a."><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="b."><al>niet of onvoldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten en
                                        brand/inboedel;</al></li><li nr="c."><al>geen of te late aanvraag ingediend voor een voorliggende
                                        voorziening die passend en toereikend is;</al></li><li nr="d."><al>het niet nakomen van de op grond van paragraaf 6.3 van de
                                        wet door het college opgelegde verplichtingen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>- Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                    het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die
                                    rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als
                                    bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt onverminderd
                                    artikel 2, tweede lid, een maatregel opgelegd van minimaal
                                    twintig procent (20%) van de bijstandsnorm gedurende één
                                    maand.</al></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de
                                    belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                    een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig
                                    maakt aan een gedraging genoemd in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                    gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                    dringende redenen, bedoeld in artikel 5 tweede lid.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14a</nr><titel>- Wijziging betekenis begrippen en verwijzingen in verband met de
                                wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari
                                2012</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’,
                                    ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt hebben deze
                                    vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenins als in artikel 4 van de
                                    wet.</al></li><li nr="2."><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’ of
                                    ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012
                                    dezelfde betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4,
                                    respectievelijk ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21 van de
                                    wet.</al></li><li nr="3."><al>Onder gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren
                                    als bedoeld in artikel 7, derde lid van de verordening wordt
                                    vanaf 1 januari 2012 mede verstaan:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tijdens de periode van vier weken, bedoeld in
                                            artikel artikel 41 lid 4 van de wet onvoldoende zoeken
                                            naar mogelijkheden voor werk of scholing</al></li><li nr="2."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren
                                            dan wel evalueren van een plan van aanpak.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>– SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>- Overige gedragingen</titel></kop><al>In gedragingen waarin deze verordening niet voorziet beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>- De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>– Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: </al><al>“Maatregelenverordening Schiermonnikoog”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 19 december 2006.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>, voorzitter (L.K. Swart)</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>, griffier (S.T. van der Zwaag)</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al><vet>De regeling in de Wet werk en bijstand</vet></al><al>Met de inwerkingtreding van de WWB komt het systeem van boeten en maatregelen
                    van de Algemene bijstandswet (de artikelen 14 tot en met 14f, nader uitgewerkt
                    in het Maatregelenbesluit en Boetebesluit) te vervallen. In plaats daarvan
                    zullen gemeenten zelf hun sanctiebeleid moeten gaan vormgeven. De WWB kent
                    slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering. De boete als sanctie
                    voor uitkeringsgerechtigden die hun inlichtingenplicht hebben geschonden,
                    verdwijnt.</al><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid in een
                    verordening vast te leggen. Dit artikel luidt:</al><al>1. Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de
                    omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.</al><al>2. Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan
                    wel de uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van
                    de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens
                    het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de
                    verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al>3. Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid binnen een
                    door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.</al><al>4. Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede verstaan
                    het gezin.</al><al/><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij
                    recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden
                    van uitkeringsgerechtigden.</al><al>In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en
                    verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd
                    verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering
                    te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet
                    alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen
                    van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen
                    worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een
                    bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt,
                    wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van
                    een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet
                    het college af van zo’n verlaging.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                    gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de maatregelenverordening.</al><al/><tussenkop>De term ‘maatregel’</tussenkop><al/><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de WWB aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate
                    waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip
                    ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt, dat rechten en plichten
                    één kant van dezelfde medaille vormen.</al><al>Zonder dat uitgangspunt los te laten is gekozen om het verlagen van de bijstand
                    vanwege het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen aan te duiden als het
                    opleggen van een maatregel.</al><al>Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet
                    Boeten en Maatregelen gangbaar is, maar wordt ook het sanctionerende karakter
                    ervan benadrukt. We zullen echter wel steeds voor ogen moeten houden dat het
                    opleggen van een maatregel géén punitieve sanctie is, waarbij het leed
                    toevoegend karakter voorop staat, maar een reparatoire sanctie (ook wel
                    herstelsanctie genoemd), gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de
                    hoogte van de bijstand met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de
                    uitkering verbonden verplichtingen nakomt.</al><al/><al>In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de WWB wordt steeds gesproken
                    over de ‘afstemmingsverordening’. Om te onderstrepen dat de verordening de
                    juridische grondslag vormt voor gemeenten om maatregelen op te leggen wanneer
                    een uitkeringsgerechtigde niet aan een verplichting voldoet, duiden wij de
                    verordening aan als ‘maatregelenverordening’.</al><divisie><kop><titel>Het verlagen van de bijstand</titel></kop><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan de bijstand (dat wil zeggen:
                        algemene bijstand en bijzondere bijstand) worden verlaagd. In deze
                        verordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel worden opgelegd
                        over de bijstandsnorm (de op belanghebbende van toepassing zijnde norm plus
                        eventuele toeslagen). De uitzondering hierop vormt de bijzondere bijstand
                        voor jongeren van 18 tot 21 jaar. Deze groep ontvangt een lage algemene
                        bijstandsuitkering die wordt aangevuld door middel van aanvullende
                        bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel
                        alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot
                        rechtsongelijkheid ten opzichte van de groep 21-jarigen en ouder.</al><al/><al>Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het
                        uitkeringsbedrag wegens schending van een of meer verplichtingen ook niet in
                        de rede. Wel kan bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor
                        bijzondere bijstand een rol spelen of betrokkene zijn verplichtingen in
                        voldoende mate is nagekomen. Dit geldt dan vooral voor de plicht om
                        voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het
                        bestaan.</al></divisie><divisie><kop><titel>De relatie met de reïntegratieverordening</titel></kop><al>Gemeenten moeten ook een reïntegratieverordening vaststellen. In deze
                        verordening zullen zij moeten vastleggen hoe zij de cliënten gaan
                        ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en hoe zij omgaan met het aanbieden
                        van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van
                        voorzieningen zijn: scholing, loonkostensubsidies, arbeidsparticipatie,
                        maatschappelijke participatie, kinderopvang en stages. In beginsel wordt aan
                        iedere cliënt de arbeidsverplichting opgelegd. De algemene verplichting
                        staat in de wet genoemd. Gemeenten kunnen deze verplichting echter ook nader
                        specificeren (invullen met specifieke voorzieningen) en de specificaties in
                        de beschikking vastleggen. In de reïntegratieverordening of de op basis
                        daarvan door het college vastgestelde beleidsregels wordt aandacht
                        geschonken aan de voorzieningen die de gemeente kan inzetten. De vertaling
                        daarvan vindt plaats in de individuele beschikking. Indien een cliënt de
                        verplichtingen niet nakomt, leidt dit in beginsel tot een maatregel,
                        waarvoor de basis is gelegd in de maatregelenverordening.</al></divisie><divisie><kop><titel>De verordening en beleidsregels</titel></kop><al>In deze verordening is er voor gekozen de gedragingen in hoofdlijnen vast te
                        leggen. Dit betekent dat het college in beleidsregels vast kan leggen welke
                        soort gedragingen vallen onder de algemeen omschreven aanduidingen.</al><al>Het opstellen van beleidsregels kan ook aan de orde zijn bij het beoordelen
                        van de mate van verwijtbaarheid en eventuele verzachtende
                        omstandigheden.</al><al><vet><onderstreept>De aanpassing van de verordening met ingang van 1 januari
                                2007</onderstreept></vet></al><al>Door de Productgroep Sociale Zaken van de gemeenten Dantumadeel en
                        Dongeradeel (Schiermonnikoog) wordt ruim een jaar gewerkt met de
                        verordeningen zoals deze verplicht gesteld zijn in het kader van de Wet werk
                        en bijstand.</al><al>Een drietal redenen maakten het noodzakelijk om de afstemmingsverordeningen
                        opnieuw tegen het licht te houden:</al><lijst><li nr="1."><al>Gebleken is dat in de verordeningen een aantal juridische
                                onvolkomenheden geslopen zijn, welke dienen te worden aangepast
                                (art. 13);</al></li><li nr="2."><al>Tussen de verordeningen van de beide gemeenten zitten een aantal
                                verschillen, welke het werken met deze verordeningen niet bevorderen
                                (art. 1, 7, 8, 9, 11);</al></li><li nr="3."><al>Een aantal kleine tekstuele foutjes dienen te worden hersteld ( art.
                                3, 6).</al></li></lijst><al>De belangrijkste wijzigingen zijn die van art. 7 en 9 van de oude versie van
                        de verordening zoals deze gold voor de gemeente Dantumadeel.</al><al>Artikel 7 heeft de mogelijkheid van cumulatie van maatregelen. In de
                        gewijzigde versie wordt dit artikel opgenomen in de verordeningen van de
                        gemeenten Dongeradeel en Schiermonnikoog.</al><al>Artikel 9 bepaalt de hoogte van de maatregel. In de oude versie van de
                        gemeente Dantumadeel bedroegen deze, afhankelijke van de categorie-indeling:
                        5, 25, 25 of 100%. Omdat is gebleken dat vooral de beide middelste
                        categorieën zwaar gestraft werden in relatie tot de gedraging, is in de
                        nieuwe verordening het maatregelschema opgenomen zoals al gold voor de
                        inwoners van de gemeenten Dongeradeel en Schiermonnikoog: 5, 10, 20 en 100%. </al><al>Hierbij kan worden aangetekend dat afstemming van de maatregel te allen
                        tijde mogelijk is, gelet op de ernst van de gedraging, de mate waarin de
                        belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin
                        hij verkeert.</al><al>Voorwaarde daarbij is wel dat door de consulent ruim aandacht besteedt wordt
                        aan de motivering.</al><al>De laatste belangrijke wijziging is die van artikel 13. Een maatregel moet
                        worden opgelegd overeenkomstig de verordening. Een opsomming van deze
                        gedragingen mag daarom niet voorbehouden worden aan het college (via een
                        beleidsregel), maar dient wel degelijk opgenomen te worden in de verordening
                        zelf.</al><al>In verband hiermee is artikel 13 uitgebreid met een opsomming van
                        gedragingen welke aan te merken zijn als een tekortschietend besef van
                        verantwoordelijkheid.</al></divisie><divisie><kop><titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>- Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt, hebben een
                        gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de WWB. In de verordening
                        wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2
                        van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als ‘degene wiens belang
                        rechtstreeks bij een besluit is betrokken’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                        verplichtingen:</al><al>1.Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                        in het bestaan (artikel 18, tweede lid).</al><al>2.De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht wordt
                        onderscheiden in:</al><al>-de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
                        deze te aanvaarden; en</al><al>-de plicht om gebruik te maken van een door het college aangeboden
                        voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze
                        verplichtingen worden nader uitgewerkt in specifieke verplichtingen, die
                        zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                        bijstandsgerechtigde. De reïntegratieverordening die elke gemeente moet
                        opstellen, vormt de juridische basis voor het opleggen van deze specifieke
                        verplichtingen, welke worden neergelegd in het besluit tot het verlenen van
                        bijstand.</al><al>3.De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een uitkeringsgerechtigde
                        rust de verplichting om aan het college op verzoek, of onverwijld uit eigen
                        beweging, mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
                        redelijkerwijs duidelijk moet zijn, dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                        arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.</al><al>4.De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                        uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen
                        die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                        medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals:
                        - het toestaan van huisbezoek; - het meewerken aan een psychologisch
                        onderzoek.</al><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending
                        van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig
                        misdragen’.</al><al>Ook de Wet SUWI legt verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het
                        betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de
                        Centrale organisatie werk en inkomen te verstrekken, die nodig zijn voor de
                        beslissing van het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI).</al><al>Daarnaast legt de Wet SUWI de verplichting op om op verzoek, of onverwijld
                        uit eigen beweging, alle feiten en omstandigheden mee te delen aan de
                        Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                        moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het
                        geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de
                        bijstand.</al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                        schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld
                        in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                        leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                        belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid.</al><al>Deze bepaling brengt met zich mee, dat het college bij elke op te leggen
                        maatregel zal moeten nagaan of, gelet op de individuele omstandigheden van
                        de betrokken uitkeringsgerechtigde, afwijking van de hoogte en de duur van
                        de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                        standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                        opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                        doorlopen:</al><lijst><li nr="·"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="·"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="·"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate
                        van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                        bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                                bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                                bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                                is;</al></li><li nr="·"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr="·"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel
                                van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en
                                de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- De berekeningsgrondslag</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                        over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke
                        norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                        vakantietoeslag.</al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die
                        -indien noodzakelijk- wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere
                        bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de
                        lage jongerennorm ad € 199,01 (peildatum 01-07-2004) wordt opgelegd, zou dit
                        leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.</al><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele
                        gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet dan wel
                        een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht
                        op bijzondere bijstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt
                        plaats door middel van een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende
                        uitkering wordt opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de algemene
                        bijstand op grond van artikel 45 WWB genomen.</al><al>Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit
                        tot herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid). Tegen
                        beide besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden
                        aangetekend.</al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                        worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb) (het motiveringsbeginsel). De motiveringsvereiste houdt
                        onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering
                        wordt voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. Het
                        college kan in beleidsregels neerleggen hoe het van plan is om te gaan met
                        de beoordeling van de verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te geven welke
                        gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en welke
                        gedragingen in beginsel nooit. Ook kan in beleidsregels worden vastgelegd in
                        welke gevallen sprake is of kan zijn van verzachtende omstandigheden.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring).</al><al>Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel
                        spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden
                        wordt onder b. geregeld, dat het college geen maatregelen oplegt voor
                        gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                        gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                        bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                        jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die staat in artikel
                        14 e van de Algemene bijstandswet, in verband met het opleggen van een boete
                        wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt
                        voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het
                        feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude
                        (het benadelingsbedrag) vast te stellen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                        maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                        redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en uitzonderlijke
                        omstandigheden en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Derde lid</titel></kop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                        opleggen van een maatregel wegens dringende redenen, is van belang in
                        verband met eventuele recidive.</al><al>Gemeenten hebben de opdracht hun klanten zo goed mogelijk te informeren over
                        de verplichtingen die aan de bijstand verbonden zijn. Klanten dienen op maat
                        geïnformeerd te worden en ook de dienstverlening zal op maat verzorgd moeten
                        worden. Deze werkwijze maakt onderdeel uit van hoogwaardig handhaven,
                        waarbij handhaven in de bedrijfsvoering is geïntegreerd. Hierdoor zal
                        waarschijnlijk ook de naleving van de verplichtingen groter worden en
                        maatregelen die worden opgelegd beter worden geaccepteerd. De informatie
                        over de maatregelen moet goed toegankelijk zijn en in begrijpelijke taal
                        geschreven. Een waarschuwing richting klanten kan bij zo’n beleid achterwege
                        blijven.</al><al>De tweede reden om niet te kiezen voor een waarschuwing heeft te maken met
                        het feit, dat een waarschuwing er van uit gaat dat herstel van de oude
                        situatie mogelijk is. Dat is echter niet het geval.</al><al>Uitgezonderd het niet of niet op tijd voldoen aan bepaalde administratieve
                        verplichtingen, waarbij het verzuim geen gevolgen heeft voor de hoogte van
                        de bijstand, hebben alle andere gedragingen in meer of mindere mate gevolgen
                        (gehad) voor het verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al>Om die reden wordt in deze verordening alleen bij het te laat verstrekken
                        van informatie aan het college de mogelijkheid geboden om te volstaan met
                        een waarschuwing.</al><al>Overigens is het in individuele gevallen altijd mogelijk om af te zien van
                        het opleggen van een maatregel en in plaats daarvan een waarschuwing te
                        geven. In dat geval wordt gebruik gemaakt van het eerste lid, onderdeel a
                        (afzien van een maatregel omdat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt) of
                        het tweede lid (afzien van een maatregel omdat daarvoor dringende redenen
                        aanwezig zijn).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>– Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. Verlaging van de uitkering vindt plaats door middel van verlaging
                        van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en).</al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde
                        is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging van de uitkering te
                        verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet
                        de bijstand wel worden herzien en teruggevorderd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Derde lid</titel></kop><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                        maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                        uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij
                        aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de maatregel
                        is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een
                        apart besluit nodig.</al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal
                        het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is
                        geregeld in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat
                        maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen.</al><al>Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden
                        genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het
                        licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet
                        beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt
                        gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin
                        betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel
                        aan zijn verplichtingen voldoet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer)
                        gelijktijdig plaatsvinden. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>- GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET VERKRIJGEN OF
                            BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>– Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                        worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de
                        gedraging het onderscheidende criterium. Een gedraging wordt ernstiger
                        geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet
                        verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd, zijn minder concreet
                        omschreven dan in het Maatregelenbesluit (op basis van de Abw). De reden
                        hiervoor is dat de WWB, in tegenstelling tot de Abw, volstaat met een
                        algemene omschrijving van de plicht tot arbeidsinschakeling. De concrete
                        invulling van de verplichtingen dient zoveel mogelijk te worden afgestemd op
                        de mogelijkheden van de individuele bijstandsgerechtigde.</al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich
                        als werkzoekende in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te doen
                        blijven.</al><al>Onderdeel b betreft de verplichting om het arbeidsplan te ondertekenen en in
                        te leveren.</al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                        arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                        bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep van het
                        college.</al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding
                        vormen tot een beroep </al><al>op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het gaat hier
                        om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                        aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                        verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij
                        sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgestelde trajectplan
                        waaronder ook sociale activering verplicht kan worden gesteld.</al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                        arbeid alsmede, door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag, algemeen
                        geaccepteerde arbeid niet behouden, dan wel tijdens de bijstand
                        deeltijdarbeid niet behouden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van
                        gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.
                        De percentages waarmee de bijstand wordt verlaagd, zijn overgenomen uit het
                        Maatregelenbesluit (op basis van de Abw).</al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                        herhaling van de verwijtbare gedraging, dan wordt de grotere mate van
                        verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van
                        de maatregel. </al><al>Onder eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan, die
                        aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens
                        dringende redenen niet is geëffectueerd.</al><al>Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het
                        tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is
                        gemaakt.</al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                        toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                        hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de
                        maatregel individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten
                        worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                        individuele omstandigheden van de betrokkene.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>- NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de
                        informatieplicht onderscheiden:</al><al>1.Artikel 11: het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente.
                        In deze situatie is artikel 54 WWB van toepassing.</al><al>Het college kan in dat geval het recht op bijstand opschorten en
                        belanghebbende in de gelegenheid stellen binnen een door hem te stellen
                        termijn het verzuim te herstellen.</al><al>2.Artikel 12: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen aan
                        de gemeente, waardoor er ten onrechte een uitkering is verstrekt of een te
                        hoog bedrag aan bijstand is verstrekt.</al><al>In deze situatie heeft de uitkeringsgerechtigde niet voldaan aan de
                        inlichtingenplicht volgens artikel 17 WWB. Het opzettelijk verzwijgen van
                        relevante informatie tegenover de gemeente, met het oogmerk een (hogere)
                        uitkering te krijgen (fraude), vormt een schending van de informatieplicht
                        volgens artikel 17 WWB.</al><al>Het kan ook vóórkomen, dat bepaalde gevraagde gegevens niet aan de gemeente
                        worden verstrekt.</al><al>In dat geval kan het college de rechtmatigheid van de uitkering niet
                        vaststellen. De bijstand moet dan worden geweigerd (in de situatie dat een
                        uitkering wordt aangevraagd) of het besluit tot toekenning van de bijstand
                        moet worden ingetrokken (bij een lopende uitkering). Het opleggen van een
                        maatregel is dus bij het niet- verstrekken van gegevens, die noodzakelijk
                        zijn voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de uitkering, niet aan
                        de orde.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Indien een cliënt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                        gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college
                        het recht op bijstand opschorten (artikel 54, eerste lid, WWB). Het college
                        geeft de cliënt vervolgens een termijn, waarbinnen hij zijn verzuim kan
                        herstellen (de hersteltermijn).</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de
                        gemeente verstrekt, dan kan het college de bijstand stopzetten (het
                        intrekken van het besluit tot toekenning van de bijstand).</al><al>Worden de gevraagde gegevens wel binnen de hersteltermijn verstrekt, dan
                        wordt de bijstand voortgezet, maar wordt tevens een maatregel opgelegd. Dit
                        lid regelt de hoogte van deze maatregel.</al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Bij recidive wordt de duur van de maatregel verdubbeld.</al></divisie><divisie><kop><titel>Derde lid</titel></kop><al>Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij
                        herhaling van de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd zonder
                        toepassing van de recidivemaatregel.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>- Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                            voor de bijstand</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald, dat belanghebbende op verzoek of
                        onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                        omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                        invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
                        Het college zal moeten vaststellen wat het onder ‘onverwijld’ verstaat.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                        benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan
                        bijstand.</al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                        inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB, wordt afhankelijk
                        gesteld van de hoogte van het bedrag aan bijstand, dat als gevolg van de
                        schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende
                        is betaald.</al><al>De maatregel wordt toegepast op de toekomstige bijstandsuitkering van de
                        belanghebbende.</al></divisie><divisie><kop><titel>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</titel></kop><al>Onder het huidige boeteregime bestaat de verplichting voor gemeenten om
                        proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie,
                        indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan €
                        6.000,00 (aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is de bedoeling dat deze
                        taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft bestaan, ook al kent de WWB
                        de bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het niet
                        nakomen van de inlichtingenplicht) een maatregel moeten opleggen.</al><al>Het doen van aangifte wegens fraude sluit overigens het opleggen van een
                        maatregel niet uit. Beide sancties kunnen samen gaan.</al><al>Uitgangspunt is, dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de
                        maatregel die is opgelegd door het bestuursorgaan. Dit is het principe van
                        ‘anrechnung’.</al><al>Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan tot het opleggen van
                        een maatregel, als het OM inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het ‘una
                        via’ beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige
                        gedraging dan bij beslissing van één enkel overheidsorgaan) kan zich daar
                        tegen verzetten. De Centrale Raad van Beroep heeft zich in het (recente)
                        verleden geregeld uitgesproken tegen ‘dubbele bestraffing’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                            gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van
                        onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen
                        heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het
                        niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het
                        niet melden van vrijwilligerswerk.</al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet
                        behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de bevoegdheid
                        tot het geven van een waarschuwing bij het te laat verstrekken van
                        informatie.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>- OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>- Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                        voorziening in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt
                        aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan
                        de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                        getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten
                        van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering
                        aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening
                        kan houden door het opleggen van een maatregel.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                        gedragingen blijken.</al></divisie><divisie><kop><titel>In deze versie van de verordening is een limitatieve opsomming van
                            gedragingen opgenomen waar een maatregel aan verbonden kan worden.
                            Aanpassing van dit artikel was noodzakelijk, omdat bij wet is
                            vastgesteld dat een maatregel bij verordening dient te worden
                            vastgesteld. Het mocht dus niet zijn voorbehouden aan de colleges via
                            een beleidsregel.</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>De hoogte en de duur van de maatregel kan worden afgestemd op de
                            hoogte en de duur van de ‘benadeling’. Zo kan de weigering om bijv. een
                            WW aanvraag in te dienen een heel andere impact hebben dan het iets te
                            snel interen van een over vermogen. Dit verschil mag tot uitdrukking
                            komen in de maatregel. Daarom wordt niet aangesloten bij een
                            standaardmaatregel als genoemd in artikel 9.</titel></kop><al>Het niet nakomen van de op grond van paragraaf 6.3 van de wet door het
                        college opgelegde verplichtingen betreft aanvullende verplichtingen op grond
                        van artikelen 55, 56 en 57 (bijvoorbeeld noodzakelijke betalingen).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>- Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                        tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente
                        bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit
                        artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                        plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                        uitvoering van de WWB.</al><al>In artikel 18, tweede lid WWB, wordt gesproken over ‘het zich jegens het
                        college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief
                        gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren, aanleiding zijn
                        voor het opleggen van een maatregel. Er kan dus geen maatregel worden
                        opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een
                        medewerker van een andere organisatie die belast is met de uitvoering van de
                        WWB (bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf). Het is in dat geval wel mogelijk
                        om een maatregel op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken
                        van een voorziening, gericht op arbeidsinschakeling (artikel 8, derde
                        categorie, van deze verordening).</al><al>Bij het vaststellen van een maatregel in de situatie dat een
                        uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                        worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                        persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                        volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                        ernstiger) worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging, zal gekeken moeten
                        worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaats
                        gehad.</al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                        geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand
                        het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                        (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                        onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke, kan worden aangeduid
                        met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                        verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                        frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte
                        bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris
                        tegen wie de agressie zich richtte, aangifte kan doen bij de politie. Het
                        bestaande agressieprotocol, waarin is aangegeven hoe wordt omgegaan met
                        lastige en agressieve klanten, is aangepast aan de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>– SLOTBEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>– Overige gedragingen</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>– De inwerkingtreding</titel></kop><al>De beoogde datum van inwerkingtreding van de gewijzigde
                        maatregelenverordening is per 1 januari 2007.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>– Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>