<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">56332_1</dcterms:identifier><dcterms:title xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Beleidsregels kwaliteit kinderopvang Westland 2006</dcterms:title><dcterms:language xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Westland</dcterms:creator><dcterms:modified xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">2010-11-24</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Het Hele Westland d.d. 14-09-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Beleidsregels kwaliteit kinderopvang</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Awb/article=4:81" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:rights xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20kinderopvang/article=49" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Wet kinderopvang, art. 49</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20kinderopvang/article=50" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Wet kinderopvang, art. 50</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20kinderopvang/article=51" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Wet kinderopvang, art. 51</dcterms:source><dcterms:issued xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">2006-09-12</dcterms:issued><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20kinderopvang/article=56" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Wet kinderopvang, art. 56</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-09-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2005-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-11-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>nvt.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De regeling heeft terugwerkende kracht. Artikel 16 bevat overgangsbepalingen. </al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels kwaliteit kinderopvang westland 2006 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Datum: 12 september 2006</al><al><vet></vet>Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 49, 50, 51 en 56 van de Wet kinderopvang besluit het college de volgende beleidsregels vast te stellen:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definities:</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>In deze regeling wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> wet: Wet kinderopvang; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> dagopvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> buitenschoolse opvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat zij naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd, evenals gedurende vrije dagen of middagen en in de schoolvakanties; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> groep: een eenheid die bestaat uit een aantal kinderen met een of meer beroepskrachten; </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al> stamgroep: een vaste groep kinderen in een passend ingerichte vaste groepsruimte;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al> risico-inventarisatie: de risico-inventarisatie, bedoeld in artikel 51 van de wet; </al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al> vraagouder: ouder die kinderopvang vraagt die geboden wordt door een gastouder.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Kwaliteit kindercentra</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Pedagogisch beleidsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter uitvoering van de artikelen 49, eerste lid, en 50 van de wet beschikt een kindercentrum over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> de wijze waarop emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke en sociale competentie, en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaats vindt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de (spel)activiteiten die kinderen buiten de stamgroep kunnen verrichten; en van </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de wijze waarop beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door andere volwassenen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Waar nodig wordt in een pedagogisch beleidsplan onderscheid gemaakt tussen dagopvang en buitenschoolse opvang. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder en de personen werkzaam bij een kindercentrum handelen in de praktijk van dagopvang of buitenschoolse opvang naar het door de houder vastgestelde pedagogisch beleidsplan. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een pedagogisch beleidsplan wordt voor de eerste maal vastgesteld binnen zes maanden na de melding, bedoeld in artikel 45 van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Dagopvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij dagopvang vindt de opvangplaats in stamgroepen, met dien verstande dat in een groep:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> in de leeftijd tot één jaar gelijktijdig ten hoogste twaalf kinderen aanwezig zijn;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in de leeftijd tot en met drie jaar gelijktijdig ten hoogste zestien kinderen aanwezig zijn, waaronder ten hoogste acht kinderen in de leeftijd tot één jaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij dagopvang bedraagt de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijke aanwezige kinderen ten minste:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> één beroepskracht per vier kinderen in de leeftijd tot één jaar;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> één beroepskracht per vijf kinderen in de leeftijd van één tot twee jaar; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>één beroepskracht per zes kinderen in de leeftijd van twee tot drie jaar; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> één beroepskracht per acht kinderen in de leeftijd van drie tot vier jaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het aantal beroepskrachten, bedoeld in het tweede lid, bij een gemengde leeftijdsgroep wordt bepaald aan de hand van het rekenkundige gemiddelde van de voor de aanwezige leeftijdscategorieën geldende maximale aantallen kinderen, waarbij naar boven kan worden afgerond. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien kinderen bij (spel)activiteiten de stamgroep verlaten, is het eerste lid niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien bij dagopvang per dag ten minste tien aaneengesloten uren opvang wordt geboden kunnen, in afwijking van het tweede, derde of vierde lid, voor ten hoogste drie uren per dag, direct na opening aan het begin van de dag, respectievelijk tijdens de middagpauze en voor sluiting van een kindercentrum aan het eind van de dag, minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal ingevolge het tweede of derde lid vereiste beroepskrachten wordt ingezet. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien ingevolge het vijfde lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum wordt ingezet, dient ter ondersteuning van deze beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig te zijn. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien ingevolge het tweede of derde lid slechts één beroepskracht in een kindercentrum aanwezig is, dan dient de ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in geval van calamiteiten te zijn geregeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Buitenschoolse opvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij buitenschoolse opvang vindt de opvang plaats in stamgroepen, met dien verstande dat een groep uit ten hoogste twintig kinderen bestaat in de leeftijd van vier jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een stamgroep, voor kinderen in de leeftijd van acht jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt, bestaan uit ten hoogste dertig kinderen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij buitenschoolse opvang bedraagt de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het feitelijk aanwezige aantal kinderen ten minste één beroepskracht per tien kinderen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij buitenschoolse opvang voor kinderen in de leeftijd van acht jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt in een stamgroep met ten hoogste dertig kinderen, bedraagt de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het feitelijke aantal aanwezige kinderen, in afwijking van het derde lid, ten minste twee beroepskrachten, waarbij de beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door een andere volwassene. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien kinderen bij (spel)activiteiten de stamgroep verlaten, is het eerste of tweede lid niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het derde of vierde lid kunnen voor en na de dagelijkse schooltijd alsmede gedurende vrije middagen voor ten hoogste een half uur per dag, na opening en voor sluiting van een kindercentrum, minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal beroepskrachten wordt ingezet. Op vrije dagen of tijdens de schoolvakanties kan, indien per dag ten minste tien aaneengesloten uren buitenschoolse opvang wordt geboden, de in de vorige volzin bedoelde afwijkende inzet van beroepskrachten ten hoogste drie uur per dag bedragen, voor zover deze inzet plaatsvindt direct na opening aan het begin van de dag, respectievelijk tijdens de middagpauze en voor sluiting van een kindercentrum aan het eind van de dag, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal ingevolge het derde of vierde lid vereiste beroepskrachten wordt ingezet. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien ingevolge het zesde lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum wordt ingezet, dient ter ondersteuning van deze beroepskrachten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig te zijn. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien ingevolge het derde of vierde lid één beroepskracht in een kindercentrum aanwezig is, dan dient de ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in geval van calamiteiten te zijn geregeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verblijfruimten voor kinderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elke stamgroep beschikt over afzonderlijke vaste groepsruimte van per kind minimaal 3,5 m<sup>2</sup> bruto-oppervlakte passend ingerichte speelruimte, daaronder mede begrepen passend voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Elke ruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Slaapruimten voor kinderen</titel></kop><al>Een kindercentrum, waar dagopvang wordt geboden, beschikt voor kinderen tot de leeftijd van 1,5 jaar over op het aantal kinderen afgestemde afzonderlijke slaapruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Buitenspeelterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor dagopvang beschikt een kindercentrum over aangrenzende, voor kinderen veilige en toegankelijke, alsmede op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, waarvan de oppervlakte minimaal 3 m<sup>2</sup> bruto-oppervlakte speelruimte per aanwezig kind bedraagt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor buitenschoolse opvang beschikt een kindercentrum over voor kinderen veilige en toegankelijke, vaste en op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, bij voorkeur aangrenzend aan het kindercentrum, waarvan de oppervlakte minimaal 3 m<sup>2</sup> bruto-oppervlakte speelruimte per aanwezig kind bedraagt. In het geval een buitenspeelruimte niet aangrenzend is, is deze gelegen in de directe nabijheid van een kindercentrum en voor kinderen toegankelijk en veilig bereikbaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inhoud risico-inventarisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een risico-inventarisatie als bedoeld in artikel 51 van de wet bevat:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> een beschrijving van de veiligheids- en gezondheidsrisico's die de opvang van kinderen in alle voor kinderen toegankelijke ruimtes in een kindercentrum, daaronder mede begrepen de buitenspeelruimte, met zich brengt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen en binnen welke termijn deze maatregelen zijn respectievelijk worden genomen in verband de onder a bedoelde risico's en de samenhang daartussen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beschrijving van de risico's, bedoeld in het eerste lid, onder a, beschrijft op het terrein van de veiligheid van kinderen in ieder geval de risico's ten aanzien van verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beschrijving van de risico's, bedoeld in het eerste lid, onder a, beschrijft op het terrein van gezondheid van kinderen in ieder geval de risico's ten aanzien van het voorkomen van ziektekiemen, het binnenmilieu in een kindercentrum, het buitenmilieu bij een kindercentrum en medisch handelen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een risico-inventarisatie ten aanzien van de veiligheid van de op te vangen kinderen bevat tevens een lijst van ongevallen waarop de aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum waarop het ongeval zich heeft voorgedaan wordt geregistreerd, alsmede een overzicht van de maatregelen die de houder naar aanleiding van elk ongeval heeft getroffen ter voorkoming van verdere ongevallen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De houder zorgt er voor dat personen werkzaam bij een kindercentrum kennis kunnen nemen van de voor dat centrum vastgestelde risico-inventarisatie. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De houder stelt jaarlijks voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum een risico-inventarisatie op. Onverminderd de eerste volzin stelt de houder een risico-inventarisatie op ingeval van een ingrijpende verbouwing of gewijzigd gebruik van een door hem geëxploiteerd kindercentrum.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Beroepskwalificatie personeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Beroepskrachten beschikken over een voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst kinderopvang. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inzet van beroepskrachten in opleiding geschiedt overeenkomstig de voorwaarden van de collectievenarbeidsovereenkomst kinderopvang.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verklaring omtrent het gedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen als bedoeld in de artikelen 50, tweede lid, en 90, derde lid, van de wet zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële documentatie of afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, voor zover zij als houder, als bestuurder of als werknemer werkzaam krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een werknemer geldt het eerste lid, voor zover deze persoon op een kindercentrum werkzaam is. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, geldt de verplichting van artikel 50, derde lid, van de wet de eerste maal voordat deze persoon zijn werkzaamheden op een kindercentrum aanvangt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Kwaliteit gastouderbureaus en gastouderopvang</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Pedagogisch beleidsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter uitvoering van artikel 49, tweede lid, van de wet beschikt een gastouderbureau over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor dat gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijk en observeerbare termen ten minste een beschrijving van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> de samenstelling van het aantal kinderen dat door een gastouder wordt opgevangen; en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> de eisen die aan gastouderschap worden gesteld, waarbij in ieder geval als eis wordt gesteld dat de woning waar gastouderopvang door tussenkomst van het gastouderbureau plaatsvindt over voldoende speel- en slaapruimte voor kinderen beschikt en over voldoende buitenspeelmogelijkheden, afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het tweede lid, onder b, bedoelde eisen worden jaarlijks door de houder getoetst op naleving. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Artikel 2, tweede lid, onder a, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Risico-inventarisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter uitvoering van artikel 49, tweede lid, van de wet voert de houder een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in woningen waar gastouderopvang door zijn tussenkomst plaatsvindt zoveel mogelijk is gewaarborgd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder legt voor elke woning waar gastouderopvang plaatsvindt in een jaarlijkse risico-inventarisatie vast welke veiligheids- en gezondheidsrisico's de opvang van kinderen in alle voor kinderen toegankelijke ruimtes in die woningen voor kinderen met zich brengt. Een houder draagt er zorg voor dat elke gastouder in geval van noodsituaties, waarin kinderen tijdens de opvang in en rondom een woning kunnen komen te verkeren, adequaat kan handelen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Per woning waar gastouderopvang plaatsvindt, wordt door de houder in een plan van aanpak geadviseerd welke maatregelen binnen welke termijn zijn respectievelijk worden genomen in verband met de in het tweede lid bedoelde risico's. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gastouder of vraagouder in wiens woning de gastouderopvang plaatsvindt wordt door de houder op de hoogte gebracht van de uitkomst van een risico-inventarisatie, evenals van de daaruit voortvloeiende plan van aanpak. De risico-inventarisatie is tevens inzichtelijk voor die ouders, wier kinderen in de betreffende woning worden opgevangen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Artikel 8, tweede, derde, vierde, en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de in het tweede lid bedoelde risico-inventarisatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Huisbezoeken</titel></kop><al>Elke houder draagt zorg voor ten minste één huisbezoek per jaar in de woning waar gastouderopvang plaatsvindt door personen werkzaam bij het gastouderbureau.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Beroepskwalificatie personeel</titel></kop><al>Ten aanzien van de beroepskwalificatie van beroepskrachten werkzaam bij een gastouderbureau is artikel 9, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verklaring omtrent het gedrag</titel></kop><al>Personen werkzaam bij een gastouderbureau als bedoeld in de artikelen 56, derde lid, en 90, derde lid, van de wet zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële documentatie of afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, voorzover zij als houder, als bestuurder, als hoofd gastouderbureau of als bemiddelingsmedewerker werkzaam krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 2 geldt voor een houder van een kindercentrum als bedoeld in artikel 90, eerste lid, van de wet voor het eerst zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 11 geldt voor een houder van een gastouderbureau als bedoeld in artikel 90, eerste lid, van de wet voor het eerst zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 12 geldt voor een houder die op 1 januari 2005 een gastouderbureau exploiteert eerst zes maanden na dat tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005 daags na dag van publicatie in de gemeentepagina van 't Hele Westland in werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels kwaliteit kinderopvang. </al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de vergadering van 12 september 2006.</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label></kop><al></al><al><vet>Beleidsregels kwaliteit kinderopvang Westland  2006</vet><vet> </vet></al><al><vet> </vet></al><al><vet>1. Algemeen</vet></al><al><vet> </vet></al><al>           De kwaliteit van de kinderopvang  moet goed zijn geregeld. Dat is in de eersteplaats nodig voor kinderen en hun ouders of  verzorgers; voor kinderen is de periode dat zij worden opgevangen in een  kindercentrum of dat zij door tussenkomst van een gastouderbureau door  een gastouder worden opgevangen, de belangrijkste ontwikkelingsfase in  hun leven. Maar ook degenen die (voornemens zijn)een kindercentrum of  gastouderbureau (te gaan) exploiteren hebben baat bij duidelijke en  herkenbare regels. Regels die tegelijkertijd voldoende flexibel zijn om  verantwoord te ondernemen. Goede kwaliteitsregels hebben verder een  maatschappelijk belang. De kinderopvang in Nederland  heeft immers een belangrijke maatschappelijke positie verworven.  </al><al>Aanbieders en afnemers van  kinderopvang hebben daarom samen kwaliteitseisen opgesteld voor de  kinderopvang in Nederland. De MO-groep (Maatschappelijk Ondernemers  Groep), de Branchevereniging Ondernemers in de kinderopvang en BOinK  (Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang) hebben die afspraken  vastgelegd in een door vertegenwoordigers van deze organisaties op 13  oktober 2004 ondertekend convenant (convenant ‘Verantwoorde  kinderopvang: verdere stappen naar de toekomst’). De daarin vastgelegde  afspraken zijn basiseisen voor kwaliteit; het staat individuele  kinderopvangondernemers uiteraard vrij daarin verder te gaan.  </al><al>De eisen die in het convenant  worden gesteld aan de houder van een kindercentrum of gastouderbureau  hebben gediend als uitgangspunt voor de Beleidsregels kwaliteit  kinderopvang. Daarmee geven deze beleidsregels op een moderne wijze  uitleg aan een aantal specifieke globale (kwaliteits)normen van de Wet  kinderopvang en sluiten zij aan bij de laatste inzichten uit de praktijk  van de kinderopvang. Bovendien is sprake van een dynamisch instrument.  De convenantpartijen hebben afgesproken het convenant begin 2006 te  evalueren. Mocht daartoe aanleiding bestaan op basis van die evaluatie  of op basis van andere gegevens, bijvoorbeeld uit wetenschappelijk  onderzoek, dan kunnen ook deze beleidsregels worden aangepast. Het  convenant bevat geen nadere opleidingseisen voor beroepskrachten, noch  de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding  kunnen worden belast met de verzorging en opvang van kinderen. Deze  eisen en voorwaarden zijn geregeld in de collectieve arbeidsovereenkomst  kinderopvang en worden aldus in het convenant als een gegeven  beschouwd. Het is om die reden dat in de Beleidsregels kwaliteit  kinderopvang in dat geval wordt verwezen naar de collectieve  arbeidsovereenkomst kinderopvang.  </al><al>Verder is van de gelegenheid  gebruikgemaakt om nader te duiden welke personen, werkzaam bij een  kindercentrum of gastouderbureau in het bezit dienen te zijn van een  verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële  documentatie of afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie  en op de verklaringen omtrent het gedrag. Deze beleidsregels zijn  geschreven voor houders van kindercentra en gastouderbureaus om hen  duidelijkheid te bieden op welke wijze in de praktijk aan een aantal  specifieke globale (kwaliteits)normen van de Wetkinderopvang dient te  worden voldaan.  </al><al>Deze beleidsregels zijn tevens  bedoeld als houvast voor het (eerstelijns)toezicht door het college van  burgemeester en wethouders, uitgevoerd door de GGD. Ten slotte bieden  deze beleidsregels ook ouders duidelijkheid over wat zij ten minste  mogen verwachten aan basiskwaliteit bij een kindercentrum of  gastouderbureau.  </al><al>De onderhavige beleidsregels  geven invulling aan een beperkt aantal globale (kwaliteits)normen uit de  Wet kinderopvang. Beleidsregels zijn voor degene die verplicht is tot  naleving van de betrokken wettelijke voorschriften niet bindend.  Uitgangspunt is echter dat, wanneer conform het gestelde in deze  beleidsregels wordt gehandeld, er op vertrouwd mag worden dat de  desbetreffende wettelijke regels in voldoende mate worden nageleefd.  Indien een kinderopvangondernemer echter op een andere gelijkwaardige of  betere wijze aan de betreffende wettelijke voorschriften kan voldoen,  vinden deze beleidsregels geen toepassing. De toezichtkaders die de GGD  hanteert bij de uitvoering van de toezichtwerkzaamheden zijn ingericht  op het onderscheid tussen de naleving van de wettelijke  kwaliteitsvoorschriften en de naleving van de Beleidsregels kwaliteit  kinderopvang. Een en ander komt voorts expliciet tot uitdrukking in de  inspectierapporten die de GGD vaststelt.  </al><al>  </al><al><vet> </vet></al><al><vet>Artikelsgewijs </vet></al><al><vet> </vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Uit de aanhef van artikel 1 van  de Wet kinderopvang blijkt dat de in die wet al gedefinieerde begrippen  ook voor de toepassing van deze regeling gelden. Zij hoeven dus niet  opnieuw in deze regeling gedefinieerd te worden. Dit geldt bijvoorbeeld  voor de begrippen gastouderopvang en gastouderbureau.  </al><al>Dagopvang (onder b) wordt  verzorgd door een kindercentrum en heeft betrekking op de opvang van  kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen. Onder  dagopvang wordt hele of halve dagopvang begrepen. Aangezien in de  begripsomschrijving geen begrenzing gedurende de dag is aangebracht,  valt tevens 24-uurs opvang (opvang zowel overdag als ’s avonds en/of ’s  nachts) onder de reikwijdte van deze regeling.  </al><al>Buitenschoolse opvang wordt  verzorgd door een kindercentrum en kan bestaan uit voorschoolse opvang,  naschoolse opvang en opvang tijdens de schoolvakanties of een combinatie  van beiden (onder c).  </al><al>In de omschrijving van een  stamgroep (onder e) wordt gesproken over een vaste groep kinderen in een  passend ingerichte ruimte. Onder passend ingericht wordt begrepen: in  overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen  kinderen. Dat houdt in dat de inrichting van de ruimte een structureel  karakter heeft en geschikt voor meerdere activiteiten die voor de  betreffende leeftijdsgroep geschikt zijn. Passend wil ook zeggen dat de  inrichting veilig moet zijn. </al><al>  </al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Deze bepaling geeft aan dat een  kindercentrum dient te beschikken over een pedagogisch beleidsplan. Het  pedagogische beleidsplan is een belangrijke toetssteen voor ouders. Het  pedagogische beleid dient te leiden tot verantwoorde kinderopvang, dat  wil zeggen kinderopvang waarbij sprake is van de volgende vier  competenties (tweede lid, onder a): 1) het bieden van voldoende  veiligheid voor het kind;  2) het bieden van voldoende mogelijkheden  voor de kinderen om persoonlijke competentie te ontwikkelen;  3) het  bieden van voldoende mogelijkheden voor de kinderen voor het ontwikkelen  van sociale competentie;  4) overdracht van normen en waarden.  </al><al>Deze competenties worden in  overleg met de oudercommissie in een pedagogisch beleidsplan uitgewerkt  (verwezen zij naar artikel 60, eerste lid, onder a, van de wet).  Aangezien ouders ook moeten weten in welke stamgroep hun kind zit en  welke leidsters bij welke groep horen, bevat het beleidsplan tevens de  werkwijze, samenstelling en de maximale omvang van de stamgroepen  (tweedelid, onder b). Een belangrijk onderdeel van de pedagogische  praktijk daarbij is de wijze waarop beroepskrachten met de kinderen  omgaan, oftewel de leidster-kind-interactie. Hierbij wordt aandacht  besteed aan de fysieke omgeving waar de kinderen worden opgevangen,  groepsprocessen, het activiteitenaanbod en het gebruik van  spelmateriaal. Verder geeft een pedagogisch beleidsplan aan op welke  wijze het zogenaamde open-deuren-beleid wordt gevoerd. In dat geval  maken kinderen gebruik van verschillende ruimtes en verlaten hun  stamgroep (tweede lid, onder c). Het tweede lid, onder d heeft  betrekking op de beschrijving van de wijze waarop beroepskrachten worden  ondersteund door andere volwassenen in situaties, zoals beschreven in  artikel 3, zesde en zevende lid, en artikel 4, zevende en achtste lid.  </al><al>Het ligt in de rede dat het  pedagogische beleid een vertaling krijgt per vestiging. In ieder geval  wordt het beleidsplan, waar nodig, uitgewerkt naar de soorten  kinderopvang die de houder aanbiedt.  </al><al>  </al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Er moeten duidelijke regels zijn  voor het aantal kinderen dat een beroepskracht ten hoogste mag opvangen;  het gaat dan om het aantal gelijktijdig aanwezige kinderen. Het  uitgangspunt van dit artikel is: verantwoorde kinderopvang met vaste  groepen in een eigen ruimte (stamgroepen), maar een zogenaamd  open-deuren-beleid moet mogelijk zijn.  </al><al>Het vierde lid voorziet voor  dagopvang in de mogelijkheid tot het voeren van een zogenaamd  open-deuren-beleid. De kinderen mogen bijactiviteiten de stamgroep  verlaten. De maximale omvang van de stamgroep wordt in die situaties  tijdelijk losgelaten. Het aantal kinderen per beroepskracht blijft van  kracht, toegepast op het totale aantal aanwezige kinderen op de locatie.   </al><al>Het vijfde lid biedt houders van  kindercentra, die dagopvang (van ten minste tien aaneengesloten uren  per dag) bieden, de mogelijkheid gedurende ten hoogste drie uur per dag  (niet aaneengesloten) minder beroepskrachten in te zetten dan volgens  het tweede, derde of vierde lid is voorgeschreven. Aan de inzet van  minder beroepskrachten zit vanzelfsprekend een grens. Ten minste de  helft van het aantal beroepskrachten dient gedurende deze drie uur  ingezet te worden. Houders van kindercentra kunnen deze drie uur naar  eigen inzicht over de dag verdelen, met dien verstande dat de  verminderde inzet van beroepskrachten aan het begin en einde van de dag  respectievelijk tijdens middagpauzes kan plaatsvinden. Voor kindercentra  met een beperkt aantal openingsuren, bijvoorbeeld halve dagopvang of  opvang gedurende acht uur per dag, is er geen roostertechnische noodzaak  tot afwijking van de leidster-kind-ratio met drie uren per dag, maar  kan de tijdsduur van deze afwijking beperkt worden tot bijvoorbeeld de  tijd dat de beroepskrachten pauze hebben.  </al><al>Wanneer tijdens de toegestane  perioden met minder beroepskrachten slechts één beroepskracht in het  kindercentrum wordt ingezet, dient ingevolge het zesde lid ten minste  een volwassene ter ondersteuning van deze beroepskracht aanwezig te  zijn. Opgemerkt dient te worden dat bij beduidend minder kinderen -  bijvoorbeeld aan het begin of aan het eind van de dag - het uiteraard  ook is toegestaan met een beroepskracht minder te werken, mits dit  conform de zogenaamde leidster-kind-ratio is. Indien een beroepskracht  conform de leidster-kind-ratio alleen op een kindercentrum aanwezig is,  bijvoorbeeld bij een klein kindercentrum, dan dient een  achterwachtfunctie geregeld te zijn. Het gaat daarbij om een andere  volwassene die in ingeval van calamiteiten, waarbij de veiligheid van de  opgevangen kinderen in het geding is, beschikbaar is. De houder van het  kindercentrum beschrijft in het pedagogische beleidsplan hoe hij deze  achterwachtfunctie heeft vormgegeven (verwezen zij naar artikel 2,  tweede lid, onder d). Het moet duidelijk zijn dat er een voorziening is  getroffen. </al><al>  </al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Buitenschoolse opvang vindt  evenals dagopvang plaats in stamgroepen. De stamgroep bestaat uit ten  hoogste twintig kinderen. In het derde lid wordt geregeld dat de  leidster-kind-ratio één beroepskracht per tien kinderen bedraagt. Het  gaat voor alle duidelijkheid in dit geval om kinderen in de leeftijd  vanaf vier jaar tot de leeftijd, waarop het basisonderwijs voor die  kinderen eindigt. In afwijking hiervan kunnen 8 tot 12-jarige kinderen  in groepen van ten hoogste dertig kinderen worden opgevangen, waarbij  een leidster-kind-ratio van 1:15 van toepassing is en de inzet van een  extra volwassene vereist is (vierde lid).  </al><al>Het vijfde lid voorziet voor  buitenschoolse opvang in de mogelijkheid tot het voeren van een  zogenaamd open-deuren-beleid. De kinderen mogen bij activiteiten de  stamgroep verlaten. De maximale omvang van de stamgroep wordt in die  situaties tijdelijk losgelaten. Het aantal kinderen per beroepskracht  blijft van kracht, toegepast op het totale aantal aanwezige kinderen op  de locatie. </al><al>Het zesde lid biedt houders van  kindercentra die gedurende hele dagen (in schoolvakanties of tijdens  vrije dagen) buitenschoolse opvang bieden de mogelijkheid, evenals bij  dagopvang, gedurende drie niet aangesloten uren per dag minder  beroepskrachten in te zetten dan volgens het derde of vierde lid is  voorgeschreven. De buitenschoolse opvang dient dan wel ten miste tien  aaneengesloten uren per dag open te zijn. Vindt de buitenschoolse opvang  vooraf na schooltijd dan wel op vrije middag plaats dan mag de houder  van kindercentrum gedurende een halfuur minder beroepskrachten inzetten,  aangezien de buitenschoolse opvang in die gevallen in uren beperkt is.  Net zoals bij dagopvang is de verminderde inzet van beroepskrachten,  gedurende de dag, gekoppeld aan te onderscheiden perioden. </al><al>Wanneer tijdens deze perioden  slechts één beroepskracht wordt ingezet, bepaalt het zevende lid dat in  het kindercentrum ten minste een volwassene ter ondersteuning van deze  beroepskracht aanwezig dient te zijn. Deze eis heeft te maken met de  veiligheid van de kinderen. Ingeval slechts één beroepskracht bij een  kindercentrum aanwezig is, dan dient ingevolge het achtste lid erin te  zijn voorzien dat een andere volwassene in geval van calamiteiten de  beroepskracht kan ondersteunen.  </al><al>  </al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>Huisvesting is een belangrijk  onderdeel van de kwaliteit. In dit artikel wordt bepaald dat voor elk  kindminimaal 3,5 m<sup>2</sup> bruto oppervlakspeelruimte in  de groepsruimte aanwezig is. Speelruimtes dienen passend te zijn  ingericht voor spelen en rusten. Bij de inrichting van de  binnenspeelruimte dient verder rekening te worden gehouden met het  aantal kinderen dat van een ruimte gebruikmaakt en met de leeftijd van  de kinderen. ‘Voor elk kind’ betekent dat ieder kind ook daadwerkelijk  over minimaal 3,5 m<sup>2</sup> bruto speelruimte kan  beschikken. Het gaat daarbij om het totale aantal vierkante meters die  beschikbaar zijn in de groepsruimtes. Dus de lengte vermenigvuldigd met  de breedte van de ruimtes waar de kinderen spelen. Indien andere ruimten  als speelruimte zijn ingericht, dan wordt deze ruimte evenredig  toebedeeld aan de groepsruimte. Dit betekent bijvoorbeeld een speelhal,  die door meerdere groepen wordt gebruikt, kan worden mee gerekend. De  bruto oppervlakte van de speelhal wordt in dat geval gedeeld door het  aantal groepen en dit wordt opgeteld bij de oppervlakte van de  groepsruimte. Dat betekent dat de in die ruimte aanwezige kasten,  stoelen, tafels en verwarmingen niet worden afgetrokken van de bruto  oppervlakte. Slaapkamers kunnen alleen dan worden meegerekend indien  deze ruimtes ook daadwerkelijk als speelruimte wordt gebruikt (dus niet  een vaste slaapkamer met vaste bedden, maar wel een slaapruimte met  stretchers die na het slapen van de kinderen kunnen worden verwijderd).  </al><al>  </al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Voor de allerjongste kinderen tot  circa 1,5 jaar beschikt elk kindercentrum dat dagopvang biedt over  afzonderlijke slaapruimten, afgestemd op de aantallen kinderen.  </al><al>  </al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Dit artikel geeft aan dat de  buitenspeelruimte voor kinderen die gebruikmaken van dagopvang  aangrenzend aan het kindercentrum dient te zijn gesitueerd; bovendien  afgestemd op de leeftijd van de kinderen, veilig en toegankelijk voor  kinderen. Bij buitenschoolse opvang is de buitenspeelruimte bij voorkeur  aangrenzend aan het kindercentrum. Wanneer dat niet het geval is, mag  een buitenspeelruimte voor buitenschoolse opvang ook in de directe  nabijheid liggen, mits toegankelijk en veilig bereikbaar. Als het  bijvoorbeeld gaat om een openbare speeltuin/-ruimte gaat, dan moet die  speeltuin/-ruimte daadwerkelijk open zijn op de tijden dat de kinderen  worden opgevangen.  </al><al>Evenals de binnenruimte dient de  buitenruimte voor spel geschikt te zijn en te zijn ingericht in  overeenstemming met de behoeften en mogelijkheden van de kinderen.  Daarbij dient rekening te worden gehouden met het aantal kinderen dat  van een ruimte gebruik maakt en met de leeftijd van de kinderen. De  speelruimte bestaat per aanwezig kind minimaal 3 m<sup>2</sup>  bruto oppervlakte. Voor een toelichting op de bruto norm zij verwezen  naar de toelichting op artikel 5. Met‘aanwezig kind’ wordt gedoeld op in  het kindercentrum aanwezige kinderen, niet noodzakelijkerwijs  buitenspelend. </al><al>  </al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Een kindercentrum dient voldoende  veilig te zijn en een voor kinderen gezonde omgeving te bieden. Daartoe  voert de houder ingevolge artikel 51 van de wet een verantwoord  veiligheids- en gezondheidsbeleid. De Wet kinderopvang eist op dit punt  van de houder een risico-inventarisatie. Om tot een weldoordacht beleid  te komen, moet de ondernemer inzicht hebben in alle risico’s die zich in  een kindercentrum (inclusief de buitenruimte) kunnen voordoen en  maatregelen treffen die deze risico’s afdoende beperken. Dit kan per  kindercentrum verschillend zijn. Zonder dat inzicht zal een dergelijk  beleid niet veel meer zijn dan een beleid, gebaseerd op incidenten,  waarbij geen prioriteiten worden gesteld of planmatig wordt gewerkt aan  structurele oplossingen voor gesignaleerde problemen. Om tot een  dergelijk beleid te komen biedt dit artikel een aantal opdrachten aan de  ondernemer. Zo moet elke ondernemer in een schriftelijk document (de  risico-inventarisatie) de veiligheids- en gezondheidsrisico’s  beschrijven. Verder legt de ondernemer in een plan van aanpak, als  onderdeel van de risico-inventarisatie, vast welke maatregelen binnen  welke termijn genomen zijn respectievelijk worden in verband met die  risico’s. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat deze  maatregelen kunnen worden uitgesteld. Als handreiking kunnen de  ondernemers voor het onderwerp veiligheid gebruik maken van een model  risico-inventarisatie ontwikkeld door Stichting Consument en Veiligheid,  dat ook elektronisch ter beschikking wordt gesteld. Voor het onderwerp  gezondheid is als handreiking voor de ondernemers een model ontwikkeld  door het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid. Bovendien is aan de  ondernemers als onderdeel van de implementatie van de Wet kinderopvang  gratis ondersteuning geboden bij de invoering van de  risico-inventarisatie.  </al><al>Ten aanzien de  risico-inventarisatie met betrekking tot de veiligheid zij  volledigheidshalve opgemerkt dat de lijst van ongevallen (vierde lid) in  ieder geval betrekking heeft op ongevallen, waarbij een arts of  tandarts is ingeschakeld of een ziekenhuisbezoek noodzakelijk was.  Voorts gaat het om ongevallen die met een zekere regelmaat terugkeren,  ook al hoeft in die gevallen de arts of tandarts niet te worden  ingeschakeld en is een bezoek aan een ziekenhuis niet aan de orde. Een  voorbeeld. Kinderen die voortdurend op een zelfde plek in een  kindercentrum uitglijden.  </al><al>Gezien het belang van de  risico-inventarisatie voor de gehele organisatie is tevens bepaald dat  elk personeelslid van dit document kennis moet kunnen nemen (vijfde  lid). De houder kan dit op vele manieren doen. Hoewel dit niet expliciet  is vermeld, geldt dit uiteraard ook voor iedere wijziging van de  risico-inventarisatie. De ondernemer is vrij in de wijze waarop hij het  personeel betrekt bij de risico-inventarisatie. De risico-inventarisatie  is ook openbaar voor ouders. Dat laatste vloeit voort uit artikel 53  van de wet. Ingevolge dat artikel dient de houder ouders wier kinderen  in een kindercentrum worden opgevangen te informeren over het te voeren  beleid, daaronder mede begrepen het beleid op het terrein van veiligheid  en gezondheid. </al><al>Een risico-inventarisatie is een  actueel document, toegesneden op het vigerende gebruik van de  accommodatie. In verband daarmee zal een risico-inventarisatie jaarlijks  moeten worden uitgevoerd (zesde lid).Voorkomen moet worden dat het  beleid en de risico-inventarisatie een statisch karakter krijgen. Tegen  deze achtergrond wordt tevens een risico-inventarisatie uitgevoerd na  een ingrijpende verbouwing (daaronder begrepen uitbreiding) of gewijzigd  gebruik van de accommodatie (bijvoorbeeld een extra babygroep of een  nieuwe stamgroep voor de buitenschoolse opvang). De verantwoordelijkheid  daarvoor ligt bij de houder. Voor alle duidelijkheid zij erop gewezen  dat de oudercommissie ingevolge artikel 60, eerste lid, onder b, van de  wet over een voorgenomen besluit met betrekking tot de  risico-inventarisatie een adviesrecht toekomt.  </al><al>  </al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>De Wet kinderopvang geeft in  artikel 50, eerste lid, onder andere aan dat de houder ter uitvoering  van de norm verantwoorde kinderopvang aantoonbaar aandacht besteedt aan  de opleidingseisen van de beroepskrachten en de voorwaarden waaronder en  de mate waarin beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de  verzorging en opvang van kinderen. Hieraan is op de volgende wijze  invulling aangegeven. In het Convenant kwaliteit kinderopvang dat  aanbieders en afnemers zijn overeengekomen, is vastgelegd dat de houder  zorgt voor voldoende en goed opgeleid personeel. Tegelijkertijd vermeldt  het convenant dat de afspraken uit de collectieve arbeidsovereenkomst  kinderopvang onverkort gelden. Daarin zijn onder andere de  opleidingseisen opgenomen. In verband hiermee is in dit artikel verwezen  naar de collectieve arbeidsovereenkomst als aangrijpingspunt voor de  opleidingseisen.  </al><al>  </al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>Het eerste lid van dit artikel  bevat een interpretatie van artikel 50, tweede lid, en artikel 90, derde  lid, van de wet. Deze artikelen bepalen dat personen werkzaam bij een  kindercentrum in het bezit dienen te zijn van een verklaring omtrent het  gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële documentatie of de Wet op  de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag.  Aangegeven is nu om welke personen het concreet gaat. Dat betreft de  houder, de bestuurder of de werknemer met een arbeidsovereenkomst  (ongeacht of het een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde  tijd betreft dan wel om voltijd of deeltijdwerk). Vrijwilligers en  stagiaires zonder stagecontract vallen hier dus niet onder.  </al><al>Het tweede lid geeft aan dat het  ingeval van werknemers moet gaan om personen werkzaam op de locatie  waar kinderen worden opgevangen. Dat betekent bijvoorbeeld dat  kantoorpersoneel (bijvoorbeeld beleids- en stafmedewerkers,  administratieve medewerkers), werkzaam op de hoofdvestiging, niet zijnde  een kindercentrum, niet noodzakelijkerwijs hoeft te beschikken over een  dergelijke verklaring omtrent het gedrag. Een houder of bestuurder van  een kindercentrum dient vanwege diens verantwoordelijkheid echter in  alle gevallen te beschikken over een dergelijke verklaring. </al><al>Het derde lid regelt dat  werknemers die als uitzendkracht werkzaam zijn slechts de eerste maal  dienen te voldoen aan artikel 50, derde lid, van de wet. Dit laat  onverlet dat de houder, wanneer hij redelijkerwijs mag vermoeden dat een  persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een  verklaring omtrent het gedrag, een nieuwe verklaring kan verlangen.  </al><al>  </al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>Dit artikel geeft aan dat een  gastouderbureau, net zoals een kindercentrum dient te beschikken over  een pedagogisch beleidsplan. Gelet op het bijzondere karakter van  gastouderopvang is het beleidsplan op onderdelen afwijkend van het plan,  waarover een kindercentrum dient te beschikken. Dit komt bijvoorbeeld  in het pedagogisch beleidsplan tot uitdrukking in de eisen die aan  gastouderschap worden gesteld.  </al><al>  </al><al><vet>Artikel 12</vet></al><al>Net zoals bij kindercentra hebben  ondernemers die een gastouderbureau exploiteren een actieve rol bij het  controleren van de veiligheids- en gezondheidsrisico’s aan de hand van  een jaarlijkse inventarisatie van de risico’s die kinderen lopen in  woningen waar gastouderopvang plaatsvindt. Dit kan de woning van de  vraagouder of de woning van de gastouder zijn. Om die reden wordt in dit  artikel in algemene bewoordingen gesproken over de woning waar  gastouderopvang plaatsvindt.  </al><al>De opzet van de  risico-inventarisatie lijkt op die voor kindercentra, maar is  toegespitst op het gegeven dat woningen geïnspecteerd worden door  gastouderbureaus. Daardoor is het mogelijk dat de GGD de veiligheid en  de gezondheid van de woning waar de gastouderopvang plaatsvindt, kan  beoordelen op basis van de door het gastouderbureau uitgevoerde  risico-inventarisatie. Om zeker te zijn dat een gastouder of een  vraagouder zijn medewerking verleent aan de risico-inventarisatie, is  van belang dat de gastouder of vraagouder hiermee instemt. Het ligt in  de rede dat dit wordt vastgelegd in de overeenkomst die een  gastouder/vraagouder sluit met de houder van een gastouderbureau. In  welke overeenkomst één en ander wordt vastgelegd, hangt af van de plaats  waar de opvang plaatsvindt, ofwel in de woning van de gastouder ofwel  in die van de vraagouder. Aangezien de modellen die ondernemers bij de  risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid kunnen hanteren rond 1  januari 2005 gereed is, is voorzien in een overgangsbepaling in artikel  16 van deze regeling. Ondernemers behoeven eerst zes maanden na 1  januari 2005 aan deze regel te voldoen.  </al><al>  </al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>Deze bepaling moet worden bezien  in het licht van de rol van het gastouderbureau. Het gastouderbureau  dient voorwaarden te scheppen voor een kwalitatief goede opvang. De  werkzaamheden van een gastouderbureau hebben betrekking op de  totstandbrenging en begeleiding van de gastouderopvang. Daarbij gaat het  om het resultaat van die werkzaamheden, namelijk dat die werkzaamheden  moeten leiden tot gastouderopvang die bijdraagt aan een goede en gezonde  ontwikkeling van het kind. Zo moeten bijvoorbeeld gastouders aangeven  mee te zullen werken aan de risico-inventarisatie (artikel 12) en aan  minimaal één huisbezoek per jaar door een medewerker van het betreffende  gastouderbureau (artikel 13).  </al><al>  </al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al>Wat betreft de toelichting op dit  artikel zij verwezen naar de toelichting op artikel 9.  </al><al>  </al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al>Dit artikel bevat een  interpretatie van artikel 56, derde lid, en artikel 90, derde lid, van  de wet. Deze artikelen bepalen dat personen werkzaam bij een  gastouderbureau in het bezit dienen te zijn van een verklaring omtrent  het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële documentatie of de Wet  op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag.  Aangegeven is nu om welke personen het concreet gaat. Dat betreft de  houder, de bestuurder, dan wel het hoofd van het gastouderbureau of de  bemiddelingsmedewerker met een arbeidsovereenkomst (ongeacht of het een  arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd betreft dan wel om  voltijd of deeltijdwerk). Deze interpretatie van bovengenoemde artikelen  laat onverlet dat gastouders (waaronder de volwassen huisgenoten van de  gastouder die bijopvang worden ingezet) op grond van dezelfde artikelen  altijd over een dergelijke verklaring dienen te beschikken.  </al><al>  </al><al><vet>Artikel 16</vet></al><al>Dit artikel bevat ten aanzien van  het pedagogisch beleidsplan en de risico-inventarisatie die door een  houder van een gastouderbureau dient te worden opgesteld verschillende  overgangstermijnen. Eerst na het verstrijken van deze overgangstermijnen  dient aan de artikelen 2 en 11 respectievelijk 12 te worden voldaan.  </al><al>  </al><al><vet>Artikel 17</vet></al><al>Op 10 november 2004 heeft de minister van  Sociale Zaken en Werkgelegenheid beleidsregels kwaliteit kinderopvang  vastgesteld en van toepassing verklaard voor alle Nederlandse gemeenten.  De beleidsregels zijn op 17 november 2004 gepubliceerd in de  Staatscourant.  Recentelijk is duidelijk geworden dat de  minister deze bevoegdheid niet heeft en dat het van toepassing verklaren  van beleidsregels een taak is van het college. Daarom heeft het college  van de gemeente Westland deze beleidsregels, behoudens artikel 17,  integraal overgenomen van de minister. De regeling treedt, met  terugwerkende kracht tot 1 januari 2005, daags na de dag van publicatie  in de gemeentepagina van ’t Hele Westland in werking. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>