Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Haarlem

Monumentenverordening Haarlem 2006

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Haarlem
Officiële naam regelingMonumentenverordening Haarlem 2006
CiteertitelMonumentenverordening Haarlem 2006
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpvolkshuisvesting en woningbouw
Eigen onderwerparcheologisch monument, archeologisch verwachtingsgebied, Landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, monument, monumenten, Monumentenverordening, monumentlijst, Monumentwet, monumentencommissie, Provinciale archeologische monumentenkaart, rijksmonument

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Monumentenwet 1988, artt 15 en 38

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-02-200723-03-2012Nieuwe regeling

07-12-2006

Stadskrant, 25-01-2007

203/2006

Tekst van de regeling

Intitulé

Monumentenverordening Haarlem 2006

Gezien het voorstel van het college van 10 oktober 2006, gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, is vastgesteld de Monumentenverordening Haarlem 2006

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • b.

    monument: zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap en/of (cultuur-)historische waarde;

  • c.

    gemeentelijk monument: onroerend monument, dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als gemeentelijk monument is aangewezen en wordt beschermd, dan wel een historisch woonschip zoals bedoeld in artikel 1 onder j van de Woonschepenverordening;

  • d.

    gemeentelijke monumentenlijst: zaken zijn geregistreerd;

  • e.

    Commissie Welstand en Monumenten:de door de gemeenteraad ingestelde commissie als bedoeld in de Verordening Commissie Welstand en Monumenten volgens raadsbesluit d.d. 12 december 2001;

  • f.

    verordening: indien niet anders aangeduid, de voorliggende Monumentenverordening Haarlem 2006

Artikel 2 Het gebruik van het monument

Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het feitelijk gebruik of gebruiksmogelijkheid van het monument met in achtneming van de bepalingen in overige regelgeving, waaronder bestemmingsplannen begrepen.

Hoofdstuk 2 Aanwijzing als gemeentelijk monument en registratie

Artikel 3 De aanwijzing als gemeentelijk monument

  • 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.

  • 2. Een aanvraag om aanwijzing vermeldt de kadastrale aanduiding en zakelijke gerechtigden en vermeldt het vermeende belang in deze van belanghebbende. Het verzoek gaat vergezeld van een omschrijving van de bijzondere historische waarden van de zaak, ook in relatie tot zijn omgeving, en relevante foto’s.

  • 3. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het advies aan de Commissie Welstand en Monumenten.

  • 4. Het besluit van het college bevat een omschrijving van de (cultuur-)historische waarden van de betreffende zaak.

  • 5. Op de voorbereiding van een aanwijzingsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat het college het ontwerpbesluit ter inzage legt na ontvangst van het advies, bedoeld in het derde lid.

  • 6. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van Monumentenwet 1988 of op grond van artikel 3 van de Provinciale Monumentenverordening 1996.

  • 7. Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de aanwijzing van een gemeentelijk monument.

  • 8. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan artikel 3 van de Provinciale Monumentenverordening 1996 voor een zaak die de status van gemeentelijk monument reeds bezit, vervalt de aanwijzing als gemeentelijke monument en wordt hiervan in het register melding gemaakt en doorgehaald.

Artikel 3a spoedprocedure tot aanwijzing gemeentelijk monument

  • 1. In een, naar het oordeel van het college, uitzonderlijk geval kan het college direct tot aanwijzing van een gemeentelijk monument besluiten, indien er sprake is van spoedeisend belang.

  • 2. Het derde en vijfde lid van artikel 3 zijn in dat geval niet van toepassing.

Artikel 4 Termijn advies en aanwijzingsbesluit

  • 1. De Commissie Welstand en Monumenten adviseert schriftelijk binnen 6 weken na ontvangst van het verzoek om advies van het college.

  • 2. Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het schriftelijke advies van de Commissie Welstand en Monumenten, en in ieder geval binnen 6 maanden na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 5 Mededeling aanwijzingsbesluit

De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt gepubliceerd en meegedeeld aan:

  • a.

    degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers;

  • b.

    de aanvrager;

  • c.

    de gebruiker van de zaak;

  • d.

    de commissie Welstand en Monumenten.

Artikel 6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst

  • 1. Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.

  • 2. De registratie omvat de plaatselijke aanduiding, de datum van het aanwijzingsbesluit onder vermelding van het registratienummer, de kadastrale aanduiding, de tenaamstelling, en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

  • 3. De gemeentelijke monumentenlijst ligt ter inzage.

Artikel 7 Wijziging van de aanwijzing

  • 1. Het college kan de aanwijzing wijzigen.

  • 2. Artikel 3, derde, vierde, vijfde en zevende lid, artikel 4 en 5, alsmede artikel 6, eerste en tweede lid, zijn overeenkomstig van toepassing op het wijzigingsbesluit.

  • 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft de toepassing van artikel 3, derde, vierde en zevende lid achterwege.

Artikel 8 Intrekken van de aanwijzing

  • 1. Het college kan een aanwijzing intrekken.

  • 2. Artikel 3, derde, vierde, vijfde en zevende lid, artikel 4, 5 en artikel 6, eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking.

  • 3. Het college kan de eigenaar en zakelijk gerechtigden verzoeken mee te werken aan de documentatie van het monument.

Hoofdstuk 3 Vergunningverlening

Artikel 9 Verbodsbepalingen

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen.

Artikel 10 Vergunning

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college of in strijd met bij de vergunning gestelde voorschriften:

    • a.

      een gemeentelijk monument, of een gedeelte daarvan, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    • b.

      een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing als de werkzaamheden plaatsvinden overeenkomstig door het college te stellen nadere regels.

Artikel 11 Aanvraag

Een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 10 wordt door middel van het daartoe door het college verstrekte aanvraagformulier ingediend bij het college.

Artikel 12 Termijnen advies en besluit op de aanvraag

  • 1. Het college zendt na plananalyse een afschrift van de ontvankelijke aanvraag door voor advies naar de Commissie Welstand en Monumenten.

  • 2. De Commissie Welstand en Monumenten brengt binnen vier weken na ontvangst van de adviesvraag schriftelijk advies uit aan het college.

  • 3. De vergunning wordt geacht te zijn verleend indien het college:

    • a.

      niet beslist binnen zes weken in geval het een aanvraag betreft die betrekking heeft op een licht bouwvergunningplichtig bouwwerk als bedoeld in de Woningwet;

    • b.

      niet beslist binnen twaalf weken in geval het een aanvraag betreft die betrekking heeft op een regulier bouwvergunningplichtig bouwwerk als bedoeld in de Woningwet.

  • 4. Het college kan de in het derde lid onder b bedoelde termijn met zes weken verdagen.

  • 5. Het college kan de aanvraag aanhouden indien:

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk waarvoor op de aanvraag voor een bouwvergunning de situatie als bedoeld in het derde lid tweede volzin van artikel 46 Woningwet van toepassing is.

    • b.

      de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk waarvoor op de beslissing op de aanvraag voor een bouwvergunning op grond van bepalingen van de Woningwet wordt aangehouden.

  • 6. De werking van de vergunning wordt opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar op beroep is ingesteld, daar op is beslist. De vergunninghouder kan de voorzieningenrechter van de rechtbank, onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen.

Artikel 13 Voorschriften

  • 1. Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van de monumentenzorg.

  • 2. De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend.

Artikel 14 Intrekken van de vergunning

Het college kan een vergunning intrekken, indien:

  • a.

    blijkt dat de vergunning is verleend op basis van onjuiste en/of onvolledige gegevens;

  • b.

    blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften en beperkingen als bedoeld in artikel 13 niet naleeft;

  • c.

    de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat naar het oordeel van het college het belang van de monumentenzorg zwaarder dient te wegen.

Artikel 15 Registratie vergunningen

  • 1. Het college houdt een openbaar register bij, waarin de verleende vergunningen als bedoeld in artikel 10 worden aangetekend.

  • 2. Van het besluit tot intrekking als bedoeld in artikel 14 wordt aantekening gemaakt in het openbare register.

  • 3. Bij toepassing van lid 1 wordt het volgende aangetekend:

    • a.

      de datum van de vergunningverlening;

    • b.

      het registratienummer van de vergunning;

    • c.

      de plaats waar het monument is gelegen, alsmede de van belang zijnde gegevens;

    • d.

      de aard van de werkzaamheden.

  • 4. Bij toepassing van lid 2 wordt het volgende aangetekend:

    • a.

      de datum van intrekking van de vergunning;

    • b.

      het registratienummer van de intrekking;

    • c.

      de plaats waar het monument is gelegen, alsmede de van belang zijnde gegevens;

    • d.

      de reden van de intrekking.

Artikel 16 Schadevergoeding

  • 1. Indien en voor zover blijkt dat de aanvrager ten gevolge van:

    • a.

      de weigering van het college een vergunning als bedoeld in artikel 10 te verlenen;

    • b.

      voorschriften door het college verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 10, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

  • 2. Voor de behandeling van het verzoek als bedoeld in het eerste lid zijn de bepalingen van de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2008 van toepassing.

Hoofdstuk 4 Slot- en Overgangsbepalingen

Artikel 17 Strafbepaling

Hij, die handelt in strijd met artikel 9, artikel 10, of met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 18 Toezicht

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aangewezen personen.

Artikel 19 Intrekking

De Monumentenverordening 1994, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit d.d. 2 september 1998, bekendgemaakt op 16 september 1998 en in werking getreden op 23 september 1998, wordt ingetrokken op de datum als bedoeld in artikel 21.

Artikel 20 Overgangsbepalingen

  • 1. De op grond van de in artikel 19 genoemde verordening geregistreerde gemeentelijke monumenten worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

  • 2. Verzoeken om aanwijzing tot gemeentelijk monument en aanvragen om een vergunning, waarop nog geen besluit is genomen en die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 19 genoemde verordening.

  • 3. Aanvragen voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de Verordening tot wijziging van de Monumentenverordening 2006 worden afgehandeld overeenkomstig de tekst van deze Verordening zoals die luidde voor die datum (11 december 2009).

Artikel 21 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking de eerste dag van de volgende maand na bekendmaking.

Artikel 22 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Monumentenverordening Haarlem 2006”.

Toelichting

Algemene toelichting

Bij het opstellen van deze verordening zijn de ‘Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving’ in aanmerking genomen.

De bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek vormen een belangrijke basis voor de bepalingen van deze verordening.

De belangrijkste punten van de Monumentenverordening Haarlem 2006 zijn:

de aanwijzing van gemeentelijke monumenten;

het bijhouden van de gemeentelijke monumentenlijst;

het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke monumenten;

het verzoeken van de Commissie Welstand en Monumenten om advies;

strafbepalingen bij handelen in strijd met deze verordening.

De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de Monumentenverordening 1994 zijn:

Onder het duale stelsel zijn de bevoegdheden inzake monumenten neergelegd bij het college. Het verplicht inkennisstellen van de raad vergemakkelijkt de controlerende functie van de raad (art. 3,

lid 7);

regelgeving voor het inschakelen van de Commissie Welstand en Monumenten. Sinds het van kracht worden van de nota Welstand en Monumenten kunnen sommige aanvragen aan de hand van loketcriteria ambtelijk worden afgedaan. Gezien de bijzondere waarden van het aangewezen erfgoed is een onafhankelijke deskundige advies voor gemeentelijke monumenten van de Commissie Welstand en Monumenten voorgeschreven;

Bij aanwijzing op verzoek van een belanghebbende ligt het aantonen van de bijzondere cultuurhistorische waarde bij de verzoeker. Gezien het specifieke karakter van het erfgoed kan de informatie die het college nodig heeft voor haar oordeel van zaak tot zaak verschillen. Zie ook artikel 3, lid 2 en lid 4, en artikel 11, lid 1;

Bij de strafbepalingen is de mogelijkheid opgenomen dat de rechter een lichte gevangenisstraf kan opleggen. Een mogelijke geldboete werkt, gezien vanuit handhaving, niet altijd effectief. Preventief blijkt in de praktijk dat een zwaardere sanctie gewenst is. Met deze strafbepaling wordt ook aangesloten bij de systematiek van de Monumentenwet 1988. De maximum gevangenisstraf ligt in die wet overigens hoger;

De termijnen en regelgeving zijn afgestemd op de Algemene wet bestuursrecht algemeen en op de uniforme voorbereidingsprocedure in het bijzonder.

De verordening loopt vooruit op de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb). Zie ook de toelichting, onder artikel 1, sub d.

Artikelsgewijs toelichting

Artikel 1

Sub c

Roerende monumenten worden niet beschermd, aangezien zij over het algemeen makkelijk kunnen worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de verordening gebracht. Zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen. Daarnaast wordt een uitzondering gemaakt voor historische woonschepen - zoals bedoeld in artikel 1 onder j van de Woonschepenverordening - wanneer zij een sterke relatie hebben met het verhaal van Haarlem.

De vijftig-jaargrens zoals die geldt in de Monumentenwet 1988 is niet voor gemeentelijke monumenten overgenomen. Daardoor biedt de verordening de mogelijkheid om karakteristiek naoorlogs erfgoed dat (nog) niet op de rijkslijst kan komen, te beschermen.

Sub d

Het betreft een administratieve lijst. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Het rechtsgevolg komt voort uit het aanwijzingsbesluit. Zie ook artikel 3, lid 1 en artikel 6, lid 1. De registratie loopt vooruit op de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb). De Wkpb heeft als algemeen doel de rechtszekerheid van de burger, de toegankelijkheid van overheidsinformatie en een goede vervulling van publiekrechtelijke taken te bevorderen en draagt bij aan een structurele verbetering van de informatievoorziening.

Sub e

De Commissie, aangesteld door de gemeenteraad, die het college bij besluiten over aanwijzing of vergunningen om advies kan raadplegen. Een commissie die op een later moment wordt aangesteld ter opvolging van de Commissie Welstand en Monumenten, mogelijk onder een andere naam, wordt voor de toepassing van deze verordening aan de Commissie Welstand en Monumenten gelijk gesteld.

Sub f

Wanneer de monumentenverordening 1994 of de provinciale monumentenverordening wordt bedoeld, is dat aangegeven.

Artikel 2

Bij besluitvorming houdt het college rekening met het huidige gebruik en/of het gewenste gebruik en stelt zich de vraag hoe dit zich verhoudt tot de bijzondere (cultuur-)historische waarde van het monument. Het gebruik, het beoogde gebruik of de wijze van gebruik die een bedreiging kunnen vormen voor de unieke waarden van het monument kunnen van invloed zijn op het besluit wel of niet aan te wijzen of vergunning te verlenen.

Artikel 3

Lid 1

Bij toepassing wordt uitgegaan van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht. Zo is de definitie van aanvrager bepaald in artikel 1:3 Awb en zijn aparte regels voor het horen van de aanvrager en andere belanghebbenden niet als artikel of lid opgenomen. Bij besluitvorming worden de belangen van de rechthebbende in de afweging betrokken.

Deze regeling bevat geen voorschriften voor bescherming gedurende de aanwijzingsprocedure, zoals de Monumentenwet 1988 die kent voor rijksmonumenten. De landelijke praktijk rondom de zogenaamde voorbescherming heeft aangetoond dat de termijnen ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling te zeer vertraging kunnen oplopen. Verwezen wordt naar de spoedprocedure volgens artikel 3a.

Wanneer een pand wordt aangewezen, valt ook het interieur onder de werking van de verordening. Andere zaken die zich op het perceel van het monument bevinden, zoals bijgebouwen, tuininrichting, bomen en dergelijke moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de bescherming vallen.

Lid 2

Volgens de bepalingen van de Awb kan het college ten behoeve van de besluitvorming elke informatie vragen die het nodig acht voor besluitvorming. In de praktijk van de monumentenzorg gaat het bijvoorbeeld om een bouwhistorisch onderzoek. Een zaak is niet altijd alleen van bijzondere waarde vanwege het moment van ontstaan en architectonische vormgeving, maar ook vanwege de historie van de zaak met betrekking tot bouwkundige aanpassingen van vormgeving, en verandering van kleur- en materiaalgebruik en het aanbrengen van detaillering gedurende de gehele bestaansperiode.

Wanneer de aanvrager niet tevens eigenaar is, kan in geval van een woning de eigenaar worden verzocht medewerking te verlenen aan de totstandkoming van het vaststellen van de cultuurhistorische waarde. Er kunnen zich anders problemen voordoen bij een vergunningaanvraag wanneer het college niet kan beoordelen wat een wijziging betekent voor de cultuurhistorische waarde van het pand. Hieruit zou dan een voorwaarde voor vergunningverlening kunnen volgen.

In verband met andere zaken die zich mogelijk op het perceel van het monument bevinden, kan een plattegrond worden aangehecht, bijvoorbeeld bij kadastrale vernummering. Een situatieschets maakt ook veel duidelijk, bijvoorbeeld of het erf erbij hoort.

Lid 3

Uitgangspunt van deze verordening is de mogelijkheid om (cultuur-)historisch waardevolle panden te beschermen. Het aanwijzen van een monument tot een beschermd gemeentelijk monument verloopt volgens een zorgvuldige procedure, vraagt veel tijd en kan volgens artikel 4 zes maanden duren. Binnen deze termijn is het theoretisch mogelijk dat een nog niet beschermd monument dreigt te verdwijnen of anderszins wordt bedreigd als bijvoorbeeld een bouwvergunning niet kan worden geweigerd. Standaard is dat advies wordt gevraagd aan de Commissie Welstand en Monumenten. Ook bij spoedeisende gevallen zal eerst worden geprobeerd binnen de termijn van artikel 4 lid 1 de CWM om advies te vragen. Slechts in een uitzonderlijk geval als er echt geen tijd meer is voor het vragen van advies kan het college besluiten dat het vragen van advies achterwege blijft. Dan wordt de spoedprocedure ovreeenkomstig artikel 3a gevolgd.

Lid 4

Met historische waarden wordt mede bedoeld de waarde die aan een zaak wordt toegekend doordat een voor de Haarlemse geschiedenis markante persoon daar tijdens zijn leven gewoond of gewerkt heeft c.q. een locatie die anderszins voor de specifieke Haarlemse ontstaansgeschiedenis van bijzondere waarde is.

Lid 7

Dit lid geeft de gemeenteraad een rol bij de besluiten tot aanwijzing van een gemeentelijk monument. Door middel van dit lid kan de gemeenteraad haar controlerende functie gemakkelijker uitvoeren.

Lid 8

Wanneer een zaak de wettelijke status van gemeentelijk monument reeds bezit, vervalt deze bescherming van rechtswege wanneer de provinciale of rijksbeschermende status wordt verkregen. Omdat hier geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb bestaat er geen beroepsmogelijkheid tegen het vervallen van de aanwijzing.

Artikel 3a

De spoedprocedure kan in situaties, welke ernstige gevolgen hebben voor de monumentale waarden van het betreffende object, bewerkstelligen dat binnen korte tijd de verbodsbepalingen van de verordening van toepassing zijn door versnelde aanwijzing van het pand als beschermd gemeentelijk monument.

Hierbij moet er sprake zijn van directe dreiging van het verloren gaan van cultuurhistorische waarden door sloop of verbouw. Dit kan blijken doordat er sloop- en/of bouwvergunningen zijn aangevraagd. Ook kan er sprake zijn van illegale sloop- en bouwactiviteiten, waardoor het noodzakelijk is de spoedprocedure in te zetten om erger te voorkomen.

Als deze spoedprocedure wordt gehanteerd dan zal op basis van zwaarwichtige redenen aan de burger uitgelegd moeten kunnen worden waarom de procedure is gevolgd. Het college is het bevoegd gezag om de spoedprocedure in te zetten.

Artikel 4

Lid 1

Aangesloten is bij de termijn genoemd in de Verordening Commissie Welstand en Monumenten. Wanneer de Commissie Welstand en Monumenten niet tijdig kan adviseren, kan het college besluiten zonder advies een beslissing te nemen of besluiten om het later uitgebrachte advies toch in hun overwegingen te betrekken.

Lid 2

De lengte van de termijn voor aanwijzing wordt mede bepaald door de afhandelingstermijn als bedoeld in artikel 3:18 Awb. Een termijn voor zienswijzen na het ontwerpbesluit van 6 weken is in de afhandelingstermijn van de aanwijzing begrepen.

Het besluit van het college omvat de motivering van de aanwijzing, een zogenaamde redengevende omschrijving.

Artikel 5

Bij toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 6

Lid 1

Zie ook onder artikel 1 sub d. over de Wkpb. Aantekening vindt binnen 4 werkdagen na het wijzigingsbesluit plaats vooruitlopend op de Wkpb.

Het plaatsen op de gemeentelijke monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg en betreft slechts een administratieve handeling. Het rechtsgevolg komt voort uit de aanwijzing volgens artikel 3.

Lid 2

De monumentenlijst biedt inzicht in welke zaken om welke reden als gemeentelijk monument zijn aangewezen. De vast te leggen gegevens worden ontleend aan de motivering van het aanwijzingsbesluit.

Lid 3

De lijst ligt ter inzage bij de centrale balie van de Publieksdienst en/of bij andere balies zoals in de bekendmaking van de aanwijzing vermeld.

Artikel 7

Lid 2

Aantekening vindt binnen 4 werkdagen na het wijzigingsbesluit plaats vooruitlopend op de Wkpb.

Lid 3

Wijzigingen van ondergeschikte betekenis zijn bijvoorbeeld het veranderen van de straatnaam of huisnummer. Deze kunnen ambtshalve worden uitgevoerd.

Artikel 8

Lid 1

De aanwijzing komt in ieder geval te vervallen, wanneer de zaak verloren gaat.

Lid 2

De beslistermijn omvat de 6-weken-termijn voor zienswijzen na het ontwerpbesluit.

Aantekening vindt binnen 4 werkdagen na het wijzigingsbesluit plaats vooruitlopend op de Wkpb.

Lid 3

Ten behoeve van een goede afweging en/of het vastleggen in historische archieven kan gedetailleerde documentatie nodig zijn.

Artikel 10

Het tweede lid van artikel 10 biedt de mogelijkheid om vrijstelling van de vergunningplicht in te voeren voor bepaalde door het college nader te bepalen gevallen. Deze mogelijkheid is opgenomen om het voor eigenaren makkelijker te maken om eenvoudige wijzigingen, waarbij de monumentale waarden van het bouwwerk niet in het geding zijn, door te voeren.

De nadere regels kunnen zowel betrekking hebben op de gevallen waarin er een vrijstelling wordt gegeven als op de procedure die gevolgd moet worden om tot vrijstelling te kunnen komen.

Artikel 11

Voor de vlotte afhandeling van de vergunningaanvraag is gebruik van het aanvraagformulier voorgeschreven.

Van de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, kan slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De door het college ingevolge dat artikel te stellen termijn bedraagt ten hoogste vier weken. De te stellen termijn van vier weken ten behoeve van aanvulling van de aanvraag correspondeert met het bepaalde in de Woningwet voor soortgelijke gevallen.

Volgens de bepalingen van de Awb kan het college ten behoeve van de besluitvorming elke informatie vragen die het nodig acht voor besluitvorming. Om inzicht te krijgen in de cultuurhistorische waarde van het monument of bedreiging daarvan zal vaak specifieke informatie gewenst zijn, zoals bouwhistorische gegevens. Het college vermeldt daarbij dat het bouwhistorische onderzoek door een ter zake deskundige moet worden uitgevoerd. De gemeente kan verzoeken aan te geven welke persoon of instantie gevraagd zal worden het onderzoek te verrichten om te kunnen bepalen of deze voldoende gekwalificeerd wordt geacht.

Artikel 12

Lid 1

Een ontvankelijke aanvraag kan niet onverwijld worden doorgezonden voor advies naar de Commissie Welstand en Monumenten. Vanwege het unieke karakter van het monument is ambtelijke voorbereidingstijd nodig voor plananalyse en mogelijk voor waardestelling.

Lid 2

Vanwege de kortere beslistermijn is ook de termijn voor advies door de Commissie ingekort.

Wanneer de Commissie Welstand en Monumenten niet tijdig kan adviseren, kan het college besluiten zonder advies een beslissing te nemen of besluiten om het later uitgebrachte advies toch in hun overwegingen te betrekken.

Lid 3

Met de termijn voor behandeling van aanvragen is aangesloten bij de termijen die gelden voor bouwvergunningen. Bij niet tijdig beslissen wordt de vergunning rechtens verleend. Voor gemeentelijke monumenten bestaat geen aanhoudingsmogelijkheid op grond van de Woningwet. Dit leidt tot ongewenste situaties, waarbij op een monumentenvergunningsaanvraag beslist moet worden terwijl de bouwvergunning nog aangehouden wordt. Door in de verordening de aanhoudingsplicht te koppelen aan de regeling in de Woningwet wordt deze ongewenste situatie voorkomen.

Lid 4

Zie lid 3. Voor complexe aanvragen (sommige reguliere bouwvergunningsplichtige bouwwerken) kan de beoordelingstermijn krap zijn. Voor die gevallen een verdagingsmogelijkheid in dit artikellid opgenomen van zes weken.

Lid 5

Zie onder lid 3. Als er vergunning is aangevraagd voor een bouwwerk waarvoor een ontheffing Wro of een aanhoudingsplicht op grond van de Woningwet aan de orde is, kan het college besluiten ook de aanvraag voor de monumentenvergunning aan te houden. Hierbij is geen expliciete termijn genoemd. In de praktijk zal de termijn gelijklopen als die van de ontheffing, of de aangehouden bouwvergunning.

Lid 6

De opschortende werking voorkomt dat werkzaamheden worden gestart die de oude staat voorgoed verloren doen gaan.

Tegen het definitieve besluit is beroep mogelijk voor de aanvrager en belanghebbenden die tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht of voor belanghebbenden die een goede reden hebben gehad geen zienswijzen in te brengen (Awb art 6:13).

Artikel 13

De voorschriften of opgelegde beperkingen moeten duidelijk maken wat van de aanvrager wordt verwacht ter bescherming van het culturele erfgoed. Zo kunnen elementen die verwijderd worden, veilig worden opgeslagen of elders teruggeplaatst, kunnen er extra technische voorzieningen nodig zijn om schade aan het erfgoed te voorkomen, bepaald materiaalgebruik worden voorgeschreven of gegevens worden gedocumenteerd ten behoeve van de lokale geschiedenis.

Artikel 14

Sub c

Er is niet gekozen voor een eindige termijn van geldigheid van de vergunning, zoals de bouwvergunning die kent. De wijze van formulering van dit artikel garandeert de bescherming van het (cultuur-)historische belang. Wanneer er geen sprake is van een (cultuur-)historisch belang en slechts van het belang van het bouwen geldt de praktijk van de regelgeving voor het bouwen.

Wanneer uitvoering van de vergunning wordt uitgesteld is het denkbaar dat omstandigheden veranderen. Ook wanneer de omstandigheden bij de vergunninghouder anderszins wijzigen, kan zich een situatie voordoen dat het (cultuur-)historisch belang niet meer gebaat is bij uitvoering van de vergunning of een nieuwe belangenafweging wenselijk zou zijn via een (ver)nieuw(d)e aanvraag.

Art. 4:7 of artikel 4:8 Awb kunnen van toepassing zijn. Voorts regelt artikel 3:41 de wijze van in kennisstelling van de vergunninghouder.

Artikel 15

Het registreren betreft slechts een administratieve handeling. Rechtsgevolgen komen voort uit het wel of niet verlenen van de vergunning als bedoeld in artikel 10 of de intrekking volgens artikel 14.

Artikel 16

Eventuele schade treedt pas op als voor bepaalde activiteiten geen of niet de gewenste vergunning is verleend. De aanwijzing op zich zal in principe niets veranderen voor wat betreft het gebruik van het monument. Daarom is het aanwijzen, wijzigen of intrekken van de aanwijzing niet opgenomen in dit artikel. Voor het besluiten over toekenning van een schadevergoeding is de Procedureverordening van toepassing die ook geldt voor planschade ingeval van de Wet op de ruimtelijke ordening.

Artikel 17

Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat aan de gemeentelijke wetgever de keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete te stellen van de eerste of tweede categorie.

In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. Gelet op de ernst van dit vergrijp en de hoogte van de strafmaat voor door het rijk beschermde monumenten, alsmede de wens om enige preventieve werking te bereiken, is voor gemeentelijke monumenten de keuze voor de tweede categorie voor de hand liggend (€ 3.350 januari 2006). Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen. Gezien het relatief lage bedrag, is de mogelijkheid van gevangenisstraf opgenomen. Zo kan er met meer kracht worden gehandhaafd ter voorkoming van een strafbaar feit. Wanneer het strafbare feit zich al heeft voorgedaan, is er de mogelijkheid om tegemoet te komen aan het rechtsgevoel, gezien de ernst van het feit, dat cultureel erfgoed verloren is gegaan, dat niet meer kan worden teruggebracht. Juist dit laatste maakt een krachtig middel dat preventief kan werken van belang. De rechter toetst de ernst van het feit en bepaalt de strafmaat.

Artikel 18

De basis voor deze bevoegdheid wordt gevonden in de bepalingen van de Awb. Bij toezicht op de naleving hoeft er geen sprake te zijn van enig vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift. Dit in tegenstelling met opsporing. Het bestuur heeft de taak na te gaan of bijvoorbeeld de voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken dat in strijd met enig voorschrift wordt gehandeld wordt eerst overwogen of bestuursrechtelijke middelen kunnen worden gehanteerd, zoals het intrekken van de vergunning of het toepassen van bestuursdwang. Mocht bij uitoefening van het toezicht blijken dat een wettelijk voorschrift wordt overtreden, wordt de vraag gesteld naar de verhouding tussen de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden. Het is van belang er op te letten waar toezicht overgaat in opsporing in verband met de waarborgen die de verdachte toekomen.

De door het bevoegd gezag aangewezen personen in het kader van het toezicht op de naleving van de verordening kunnen ruimten binnen treden, voor zover het geen woningen betreft. Dit kan ook van belang zijn voor het doen van bouwhistorisch onderzoek voor een goede beoordeling van de cultuurhistorische waarde.

Zie ook de relatie in de toelichting met artikel 3, lid 2.