<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR55721_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente Harlingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-08-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-07-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Erfgoedverordening gemeente Harlingen
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>ALGEMEEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening verstaat onder:</al>
            <al>a. monument:</al>
            <al>1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of</al>
            <al>cultuurhistorische waarde;</al>
            <al>2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al>
            <al>b. gemeentelijk monument: monument dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als</al>
            <al>zodanig is aangewezen;</al>
            <al>c.gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze</al>
            <al>verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen;</al>
            <al>d.beschermd monument: beschermd (rijks)monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de</al>
            <al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al>
            <al>e.kerkelijk monument: monument, dat eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke parochie of</al>
            <al>van een kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de</al>
            <al>uitoefening van de eredienst;</al>
            <al>f.monumentencommissie: de op basis van art.15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met</al>
            <al>als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de</al>
            <al>Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en het</al>
            <al>monumentenbeleid;</al>
            <al>g.bouwhistorisch onderzoek, rapportage waarin de bouw- en gebruiksgeschiedenis van een</al>
            <al>bouwwerk of structuur wordt vastgesteld, dat naar het oordeel van Burgemeesters en Wethouders</al>
            <al>voldoet aan de ‘Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek’ uitgave Rijksdienst voor het Cultureel</al>
            <al>Erfgoed;</al>
            <al>h.Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE): topografische kaart van (delen van) het</al>
            <al>provinciale grondgebied met aanwezige archeologische waarden in Fryslân en adviezen hoe om</al>
            <al>te gaan met het bodemarchief in geval er plannen worden gemaakt, waarin het bodemarchief</al>
            <al>bedreigd wordt;</al>
            <al>i.archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de Friese Archeologische</al>
            <al>Monumentenkaart Extra (FAMKE), waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische</al>
            <al>vondsten of sporen te verwachten zijn;</al>
            <al>j.bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen</al>
            <al>omgevingsrecht;</al>
            <al>k. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harlingen;</al>
            <al>l. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet</al>
            <al>algemene bepalingen omgevingsrecht;</al>
            <al>m.Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Het gebruik van het monument</titel>
            </kop>
            <al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als</al>
              <al>beschermd gemeentelijk monument.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de</al>
              <al>monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan het college hiervan afwijken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een gemeentelijk monument bepalen dat</al>
              <al>bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Voordat het college een kerkelijk monument als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg</al>
              <al>met de eigenaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de</al>
              <al>Monumentenwet 1988, tenzij de redengevende omschrijving van het gemeentelijke monument</al>
              <al>aanvullend is.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Voorbescherming</titel>
            </kop>
            <al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het</al>
            <al>voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en</al>
            <al>registratie als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt</al>
            <al>geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige toepassing.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek</al>
              <al>van het college.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie,</al>
              <al>maar in ieder geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt bekend gemaakt aan de aanvrager en aan</al>
              <al>degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt zakelijk gerechtigde staan</al>
              <al>vermeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De aanwijzing wordt onverwijld opgenomen in de openbare registers zoals bedoeld in artikel 1,</al>
              <al>onderdeel e. van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen en onroerende zaken.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.</al>
              <al/>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing,</al>
              <al>de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen.</al>
              <al/>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Artikel 3, tweede, derde en vierde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van overeenkomstige</al>
              <al>toepassing op het wijzigingsbesluit.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft</al>
              <al>overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst</al>
              <al>aangetekend.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Intrekken van de aanwijzing</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, de aanwijzing intrekken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid, en artikel 5 van overeenkomstige</al>
              <al>toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van</al>
              <al>de Monumentenwet 1988.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Instandhoudingbepaling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al>
              <al>wijzigen;</al>
              <al>a. een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te</al>
              <al>wijzigen;</al>
              <al>b. een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een</al>
              <al>dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college</al>
              <al>nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden</al>
              <al>uitgevoerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een kerkelijk monument, geen vergunning als</al>
              <al>bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een</al>
              <al>vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in</al>
              <al>het geding zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het bevoegd gezag kan aan de vergunning voorschriften verbinden betreffende de uitvoering en</al>
              <al>materiaaltoepassing.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>De schriftelijke aanvraag</titel>
            </kop>
            <al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in</al>
            <al>artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in 4-voud ingediend.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Termijnen advies</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning</al>
              <al>voor een gemeentelijk monument aan de monumentencommissie voor advies.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Binnen 4 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de monumentencommissie</al>
              <al>schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Weigeringsgronden</titel>
            </kop>
            <al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich</al>
            <al>daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het</al>
            <al>monument.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Intrekken van de vergunning</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al>
              <al>a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;</al>
              <al>b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 10, tweede lid, niet naleeft;</al>
              <al>b. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het</al>
              <al>belang van het monument zwaarder dient te wegen;</al>
              <al>d.niet binnen 2 jaar van de vergunning gebruik wordt maakt.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>BESCHERMDE MONUMENTEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Vergunning voor beschermd monument</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning</al>
              <al>voor een beschermd monument aan de monumentencommissie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de</al>
              <al>datum van verzending van het afschrift.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.</nr>
              <titel>Instandhoudingbepaling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of een</al>
              <al>archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder h, de bodem te verstoren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;</al>
              <al>a. het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch</al>
              <al>verwachtingsgebied als aangegeven op de FAMKE en de ingreep kleiner is dan de</al>
              <al>oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de FAMKE wordt aangegeven.</al>
              <al>b. in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische</al>
              <al>monumentenzorg.</al>
              <al>c. sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet</al>
              <al>algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent</al>
              <al>archeologische monumentenzorg.</al>
              <al>d. het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden</al>
              <al>tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als</al>
              <al>aangegeven op de FAMKE;</al>
              <al>e. een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar</al>
              <al>het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het</al>
              <al>behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of de</al>
              <al>archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het</al>
              <al>geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.</nr>
              <titel>Voorwaarden archeologisch onderzoek</titel>
            </kop>
            <al>De uitvoering van archeologisch onderzoek dient overeenkomstig de adviezen van de FAMKE te</al>
            <al>gebeuren.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18.</nr>
              <titel>Tegemoetkoming in schade</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze</al>
              <al>niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag</al>
              <al>een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot:</al>
              <al>a. de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 10 te verlenen;</al>
              <al>b. de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel</al>
              <al>10, vijfde lid;</al>
              <al>c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 10, derde lid;</al>
              <al>d. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder d.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19.</nr>
              <titel>Strafbepaling</titel>
            </kop>
            <al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en artikel 16 met uitzondering van het</al>
            <al>bepaalde in het tweede lid, onder e, van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de</al>
            <al>tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20.</nr>
              <titel>Toezichthouders</titel>
            </kop>
            <al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij</al>
            <al>besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>SLOTBEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21.</nr>
              <titel>Overgangsrecht</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De op grond van de “Monumentenverordening Gemeente Harlingen” aangewezen en</al>
              <al>geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn</al>
              <al>overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening</al>
              <al>worden afgehandeld met inachtneming van de “Monumentenverordening Gemeente Harlingen”.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen</al>
              <al>omgevingsrecht in werking treedt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De “Monumentenverordening Gemeente Harlingen” vervalt op de datum waarop het eerste lid van</al>
              <al>toepassing is.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>23.</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening gemeente Harlingen</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Nota-toelichting</label>
          <nr/>
          <titel/>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <vet>A. ALGEMENE TOELICHTING</vet>
        </al>
        <al> </al>
        <al>De bepalingen uit de Monumentwet 1988 en de daarin gekozen systematiek vormen een belangrijke</al>
        <al>basis voor deze verordening, die is gebaseerd op de VNG-modelverordening.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>De hoofdonderwerpen van de Erfgoedverordening gemeente Harlingen luiden:</vet>
        </al>
        <al>&#x95; de aanwijzing van monumenten tot gemeentelijk monument;</al>
        <al>&#x95; het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke en beschermde (rijks)monumenten;</al>
        <al>&#x95; de inschakeling van de monumentencommissie als adviesorgaan voor de aanwijzing tot</al>
        <al>gemeentelijk monument en de verlening van een vergunning voor gemeentelijke en beschermde</al>
        <al>monumenten <cursief>(De verplichting van een monumentencommissie vloeit voort uit de Monumentenwet</cursief></al>
        <al>
          <cursief>1988);</cursief>
        </al>
        <al>&#x95; een regeling ten behoeve van instandhouding van archeologisch erfgoed.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Belangrijkste wijzigingen op de Monumentenverordening Gemeente Harlingen 2004</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Aanvulling archeologisch deel</cursief>
        </al>
        <al>Gelet op het voorstel van de VNG en de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de</al>
        <al>archeologische monumentenzorg van september 2007, alsmede de samenhang tussen monumenten</al>
        <al>en archeologie, is de “Monumentenverordening Gemeente Harlingen” uit 2004 aangevuld met een</al>
        <al>archeologisch deel. De nieuwe verordening heet daarom Erfgoedverordening.</al>
        <al>Omdat nog niet alle bestemmingsplannen geactualiseerd en daarmee archeologie-proof zijn, bestaat</al>
        <al>de mogelijkheid om in de Erfgoedverordening bepalingen op te nemen ter bescherming van het</al>
        <al>archeologisch erfgoed. De verordening voorziet in een overgangssituatie door het college de</al>
        <al>bevoegdheid te geven tot het stellen van nadere regels voor verstorende activiteiten in een</al>
        <al>archeologisch monument of verwachtingsgebied. De provinciale beleidsadvieskaart Friese</al>
        <al>Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) wordt als interim-beleid aangehouden. Deze</al>
        <al>werkwijze is reeds in de “Kadernotitie Archeologie 2008” besloten en nu vertaald in de</al>
        <al>Erfgoedverordening. In afwachting van de uitkomsten van de samenwerking met diverse Friese</al>
        <al>gemeenten om gezamenlijk tot een gemeentelijk beleidsvoorstel te komen en de uitwerking van de</al>
        <al>gemeentelijke verdiepingsslag op de FAMKE, worden in deze verordening geen nieuwe</al>
        <al>beleidskeuzes gemaakt met betrekking tot de uitvoering van archeologisch onderzoek.</al>
        <al>
          <cursief>De Wabo en de consequenties voor de gemeentelijke monumentenverordening:</cursief>
        </al>
        <al>In de Wabo wordt als definitie voor beschermd monument gegeven: “een beschermd monument is</al>
        <al>een monument als bedoeld in artikel 1 onder d van de Monumentenwet 1988”. Dit houdt in dat</al>
        <al>hiermee alleen de rijksmonumenten worden bedoeld. In de Wabo wordt niet specifiek aandacht</al>
        <al>besteed aan gemeentelijke monumenten. Deze vallen onder dezelfde regels als alle andere</al>
        <al>bouwwerken. Hierdoor geldt dus voor gemeentelijke monumenten de reguliere (dus korte)</al>
        <al>voorbereidingsprocedure. Om zaken rondom aanvragen betreffende gemeentelijke monumenten goed</al>
        <al>te regelen is een link noodzakelijk tussen de gemeentelijke monumentenverordening en de Wabo. De</al>
        <al>gemeentelijk monumentenverordening dient dus te worden aangepast.</al>
        <al>Hierbij is aan de volgende zaken aandacht besteed:</al>
        <al>De model-erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen. De Wabo ziet op</al>
        <al>vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het college blijft hiervoor het bevoegd gezag.</al>
        <al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de gemeentelijke monumenten</al>
        <al>is in de verordening bepaald. In het kader van deregulering is artikel 10, derde lid opgenomen waarin</al>
        <al>is bepaald dat het verbod en de vergunningplicht niet gelden indien het college nadere eisen stelt met</al>
        <al>betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al>
        <al>Volgens de Wabo is het niet meer mogelijk om voorwaarden of voorschriften aan de vergunning te</al>
        <al>koppelen, tenzij dit in de gemeentelijk monumentenverordening is geregeld. Om dit te kunnen regelen</al>
        <al>moet een link worden gelegd tussen de gemeentelijke monumentenverordening en artikel 2.22 van de</al>
        <al>Wabo. Dus indien de gemeente bijvoorbeeld standaard uitvoeringsvoorschriften bijvoegt dan is dit</al>
        <al>alleen mogelijk als dit in de verordening wordt aangegeven dat de gemeente dit mag doen. In artikel</al>
        <al>10, vijfde lid is opgenomen dat het college aan de vergunning voorschriften kan verbinden betreffende</al>
        <al>de uitvoering en materiaaltoepassing.</al>
        <al>Tevens dient er een link te worden gelegd met art. 2.15 van de Wabo om een vergunning te kunnen</al>
        <al>weigeren “indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet”. Dit is geregeld in artikel</al>
        <al>13.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Sub a</cursief>
        </al>
        <al>Bij de omschrijving van het begrip monument is met uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting</al>
        <al>gezocht bij de omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische</al>
        <al>waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde,</al>
        <al>gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis</al>
        <al>van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime omschrijving dat het ook</al>
        <al>betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige en of bouwhistorische</al>
        <al>waarde.</al>
        <al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden uitgelegd. Hoofdzakelijk</al>
        <al>betreft het locaties waar archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan</al>
        <al>het bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet</al>
        <al>vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk</al>
        <al>monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al>
        <al>Omdat de 50-jaar grens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is overgenomen,</al>
        <al>biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst</al>
        <al>zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, al op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al>
        <al>
          <cursief>Sub b</cursief>
        </al>
        <al>Een gemeentelijk monument is een beschermd gemeentelijk monument.</al>
        <al>
          <cursief>Sub c</cursief>
        </al>
        <al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening aangewezen monumenten</al>
        <al>registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een</al>
        <al>administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot</al>
        <al>gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de</al>
        <al>plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken.</al>
        <al>
          <cursief>Sub d</cursief>
        </al>
        <al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de</al>
        <al>begripsomschrijving uit de Wabo De Wabo zelf verwijst weer naar de Monumentenwet 1988. Deze wet</al>
        <al>omschrijft een beschermd monument als een onroerend monument die is ingeschreven in een</al>
        <al>ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op de vergunningverlening voor</al>
        <al>rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van toepassing.</al>
        <al>
          <cursief>Sub e</cursief>
        </al>
        <al>In geval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot gemeentelijk monument is overleg tussen</al>
        <al>eigenaar en het college nodig. Is er sprake van een vergunning voor het gemeentelijke of</al>
        <al>rijksbeschermde kerkelijke monument, dan kan overeenstemming tussen eigenaar en</al>
        <al>vergunningverlener nodig zijn. Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de</al>
        <al>godsdienstuitoefening in het kerkelijke monument. Voor bijvoorbeeld een pastorie, catechisatieruimte</al>
        <al>of verblijven van kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de regel dan</al>
        <al>ook niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor de andere monumenten gelden.</al>
        <al>
          <cursief>Sub f</cursief>
        </al>
        <al>De inschakeling van een commissie die Burgemeesters en Wethouders adviseert over aanvragen om</al>
        <al>vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988, is verplicht op grond van artikel 15</al>
        <al>van de Monumentenwet 1988. Door het ontbreken van keuzevrijheid is er geen strijdigheid met het</al>
        <al>duale uitgangspunt van het bestuur wanneer in deze verordening de raad bepaalt dat er een</al>
        <al>commissie is die adviseert aan Burgemeesters en Wethouders. In Harlingen is dit de monumenten- en</al>
        <al>welstandscommissie van Hûs en Hiem te Leeuwarden.</al>
        <al>
          <cursief>Sub g</cursief>
        </al>
        <al>Het betreft hier landelijk vastgestelde richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek (Richtlijnen</al>
        <al>bouwhistorisch onderzoek, april 2009, opgesteld onder auspiciën van de Rijksdienst voor het Cultureel</al>
        <al>Erfgoed, Stichting Bouwhistorie Nederland, Atelier Rijksbouwmeester en Rijksgebouwendienst).</al>
        <al>
          <cursief>Sub h</cursief>
        </al>
        <al>De gemeente Harlingen beschikt (nog) niet over een gemeentelijke beleidsadvieskaart.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 2. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</vet>
        </al>
        <al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op toestemmingstelsels</al>
        <al>(vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college van burgemeester en wethouders bevoegd</al>
        <al>gezag betreffende de aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 2. Het gebruik van een monument</vet>
        </al>
        <al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf aan het object</al>
        <al>toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de ligging van het object, maar ook</al>
        <al>het feitelijke gebruik van het object zelf.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Lid 1</cursief>
        </al>
        <al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst zijn twee zaken met</al>
        <al>verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de</al>
        <al>gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve handeling.</al>
        <al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na afweging van alle</al>
        <al>betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de</al>
        <al>rechthebbende ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk</al>
        <al>gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op</al>
        <al>schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande</al>
        <al>gebruik van het monument.</al>
        <al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het toekomstige gebruik</al>
        <al>van een monumentaal object. Immers, de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met</al>
        <al>een vergunning (zie art. 10, tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde</al>
        <al>lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer</al>
        <al>ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last</al>
        <al>voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig</al>
        <al>bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot monumentaal beschermingswaardig</al>
        <al>onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven.</al>
        <al>Mogelijke afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot</al>
        <al>monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat</al>
        <al>geval geen omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een</al>
        <al>omgevingsvergunning voor het bouwen.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 2</cursief>
        </al>
        <al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie. De verordening bindt het advies</al>
        <al>niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. De in dit lid opgenomen spoedprocedure kan in</al>
        <al>situaties, die ernstige gevolgen voor het aan te wijzen monument hebben, bewerkstelligen dat binnen</al>
        <al>korte tijd de verbodsbepalingen van de verordening van toepassing zijn. Er moeten dan gegronde</al>
        <al>redenen aanwezig zijn om de spoedprocedure te kunnen gebruiken.</al>
        <al>Er wordt niet apart bepaald dat de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord voordat</al>
        <al>het college over een aanwijzing een besluit neemt, omdat dit is geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9</al>
        <al>van) de Algemene wet bestuursrecht.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 3</cursief>
        </al>
        <al>Indien een aanvraag voor een aanwijzing tot gemeentelijk monument door een belanghebbende wordt</al>
        <al>gedaan, dient de betreffende aanvraag onderbouwd te zijn. Tot die onderbouwing kan een</al>
        <al>bouwhistorisch of archeologisch onderzoek behoren.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 4</cursief>
        </al>
        <al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden zienswijzen naar voren</al>
        <al>kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren kunnen brengen van zienswijzen.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 5</cursief>
        </al>
        <al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het rijk of provincie al op een monumentenlijst zijn</al>
        <al>geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking, tenzij het een</al>
        <al>aanvullende aanwijzing betreft.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 4. Voorbescherming</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten, zoals die ook voor</al>
        <al>rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van kennisgeving van het voornemen van het</al>
        <al>college om een monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke</al>
        <al>aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met 14 van deze verordening</al>
        <al>van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure</al>
        <al>tot gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een</al>
        <al>omgevingsvergunning voor monumenten of anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het</al>
        <al>gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht, aangezien hieraan</al>
        <al>voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de</al>
        <al>voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden opgeschort.</al>
        <al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke beperking en een</al>
        <al>beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de</al>
        <al>Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere</al>
        <al>artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden</al>
        <al>schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de</al>
        <al>voorbescherming.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie moet adviseren (lid</al>
        <al>1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden,</al>
        <al>weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn.</al>
        <al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, het</al>
        <al>college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te</al>
        <al>laat uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het</al>
        <al>college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel</al>
        <al>6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open die ook</al>
        <al>tegen een reëel besluit open zou staan. Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het</al>
        <al>besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</vet>
        </al>
        <al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van de inschrijving) van</al>
        <al>het college is voor alle aan het monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel</al>
        <al>belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1,</al>
        <al>onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen</al>
        <al>onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een</al>
        <al>aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</vet>
        </al>
        <al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen besluit). De bedoeling van</al>
        <al>de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als</al>
        <al>gemeentelijk monument zijn aangewezen en de redengeving daartoe.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</vet>
        </al>
        <al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te wijzigen</al>
        <al>(lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de</al>
        <al>wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd</al>
        <al>op de gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in te trekken Voor</al>
        <al>intrekking van de aanwijzing is het advies van de monumentencommissie nodig. Monumenten op de</al>
        <al>gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of</al>
        <al>anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van de monumentenlijst gehaald.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 3. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Lid 1</cursief>
        </al>
        <al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met artikel 2.2, eerste lid, onder f</al>
        <al>van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit</al>
        <al>artikel gaat het alleen over gemeentelijke monumenten.</al>
        <al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor de aanvragen voor</al>
        <al>een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn specifieke indieningsvereisten</al>
        <al>opgenomen voor activiteiten met betrekking tot monumenten. De aard, de omvang en de locatie van</al>
        <al>de werkzaamheden bepalen welke indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de</al>
        <al>mogelijkheid van deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van</al>
        <al>administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten bij de</al>
        <al>vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden.</al>
        <al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om nadere regels te stellen</al>
        <al>die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het</al>
        <al>tweede lid. De Wabo ziet alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van</al>
        <al>nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het bevoegde gezag. Het zal</al>
        <al>hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van</al>
        <al>ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden</al>
        <al>opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met betrekking tot</al>
        <al>kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met een</al>
        <al>vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd</al>
        <al>waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het</al>
        <al>toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader</al>
        <al>in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden</al>
        <al>geconfronteerd.</al>
        <al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de uitgangspunten,</al>
        <al>functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij</al>
        <al>dient de bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts</al>
        <al>staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.</al>
        <al>Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie en gezamenlijk</al>
        <al>met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk zijn aan de hand van de algemene</al>
        <al>regels, zodat de monumentale waarde van het object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al>
        <al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst. Is er sprake van een</al>
        <al>vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen de eigenaar en de</al>
        <al>vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de</al>
        <al>godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of</al>
        <al>catechisatieruimte deze bepaling dan ook niet geldt.</al>
        <al>In lid 5 wordt de mogelijkheid geschapen aan de vergunning voorschriften te verbinden betreffende de</al>
        <al>uitvoering en materiaaltoepassing. Volgens de Wabo is het niet meer mogelijk om voorwaarden of</al>
        <al>voorschriften aan de vergunning te koppelen, tenzij dit in de gemeentelijk monumentenverordening is</al>
        <al>geregeld. Om dit te kunnen regelen moet een link worden gelegd tussen de gemeentelijke</al>
        <al>monumentenverordening en artikel 2.22 van de Wabo.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</vet>
        </al>
        <al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve lasten voor burgers en</al>
        <al>bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de</al>
        <al>aanvraag en de daarbij behorende bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van</al>
        <al>het derde lid van artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of meer</al>
        <al>adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 12. Termijnen advies en vergunningverlening</vet>
        </al>
        <al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een omgevingsvergunning als bedoeld in</al>
        <al>artikel 10 de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Echter indien er meerdere activiteiten</al>
        <al>voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de uitgebreide</al>
        <al>openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg moet worden dan wordt voor het</al>
        <al>hele project de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is</al>
        <al>dat altijd maar één procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure geldt de</al>
        <al>zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).</al>
        <al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de Wabo, namelijk</al>
        <al>het bevorderen van een snelle besluitvorming.</al>
        <al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel 4.1 van de Awb. Het</al>
        <al>bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag</al>
        <al>nemen. In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven</al>
        <al>om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb).</al>
        <al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid, Wabo ‘andere instanties’</al>
        <al>aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer</al>
        <al>gedacht worden aan de (gemeentelijke) monumentencommissie.</al>
        <al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat de adviseur in de</al>
        <al>gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is echter aan de adviseur om te</al>
        <al>bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het</al>
        <al>nemen van een besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan</al>
        <al>kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van 8</al>
        <al>weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes weken worden verlengd.</al>
        <al>Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de kennisgeving</al>
        <al>van de aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te</al>
        <al>geven voor het uitbrengen van een advies.</al>
        <al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te stellen voor het uitbrengen</al>
        <al>van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort</al>
        <al>zijn, dat de adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het</al>
        <al>uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen aan de beoordeling van</al>
        <al>de aanvraag door het bevoegde gezag.</al>
        <al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd waarbij het wordt</al>
        <al>opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na</al>
        <al>haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is</al>
        <al>verstreken.</al>
        <al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn opgenomen. Deze positieve</al>
        <al>fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding van de beslistermijn leidt tot een</al>
        <al>omgevingsvergunning van rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag</al>
        <al>verleend. Men spreekt ook wel van de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf</al>
        <al>4.1.3.3 van de Awb zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en</al>
        <al>4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van de dag na de</al>
        <al>bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is</al>
        <al>verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 13. Weigeringsgronden</vet>
        </al>
        <al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de toetsingscriteria uit het</al>
        <al>bestaande toetsingskader. De afzonderlijke toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven</al>
        <al>bestaan. In het kader van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten</al>
        <al>in het geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de monumentenzorg</al>
        <al>zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch belang). De tekst van het artikel</al>
        <al>geeft namelijk aan dat het belang van de monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening</al>
        <al>mag verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond</al>
        <al>van dit artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang van de</al>
        <al>monumentenzorg.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 14. Intrekken van de vergunning</vet>
        </al>
        <al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De bepaling onder c heeft</al>
        <al>de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het</al>
        <al>monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen</al>
        <al>plaatsvinden, de belangen van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd</al>
        <al>gezag mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 4. BESCHERMDE MONUMENTEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Lid 1</cursief>
        </al>
        <al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor beschermde</al>
        <al>monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de Awb. De uitgebreide</al>
        <al>openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor</al>
        <al>beschermde monumenten van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een</al>
        <al>vergunning als bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden. Door de</al>
        <al>inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de voorbereidingsprocedure voor de</al>
        <al>omgevingsvergunning voor beschermde monumenten plaats. Door dit onderscheid in procedures is de</al>
        <al>beslistermijn voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de adviestermijn</al>
        <al>voor beschermde monumenten ook langer is. Door de komst van de Wabo wordt de kring van</al>
        <al>belanghebbenden vergroot. Gedurende de termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze</al>
        <al>indienen. Voorheen konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 2</cursief>
        </al>
        <al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen om een</al>
        <al>omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 5. INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 16. Instandhoudingbepaling</vet>
        </al>
        <al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de raad om, bij de</al>
        <al>vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening,</al>
        <al>rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het</al>
        <al>uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze</al>
        <al>verordening, is daarom primair dat in het bestemmingsplan wordt vastgelegd waar zich</al>
        <al>archeologische waarden in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een</al>
        <al>overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan archeologie- proof ofwel ´Malta-proof´ is.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 1</cursief>
        </al>
        <al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld, biedt deze</al>
        <al>verordening bij wijze van artikel 16 de nodige bescherming aan archeologische waarden in de bodem.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 2</cursief>
        </al>
        <al>In het tweede lid van artikel 16 worden een vijftal uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste</al>
        <al>lid. Onderdeel a is niet van toepassing, indien de verstoring plaats vindt in een archeologisch</al>
        <al>monument of verwachtingsgebied als aangegeven de provinciale archeologische beleidsadvieskaart</al>
        <al>FAMKE. Een gemeente kan van deze kaarten gebruik maken, indien het zelf nog niet beschikt over</al>
        <al>een gemeentelijke archeologische waardenkaart. In de FAMKE zijn de archeologische</al>
        <al>verwachtingswaarden gekoppeld aan adviezen hoe om te gaan met het bodemarchief in geval er</al>
        <al>plannen worden gemaakt, waarin het bodemarchief wordt bedreigd.</al>
        <al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als bedoeld in de inleidende</al>
        <al>toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het bestemmingplan voldoende bescherming aan de in de</al>
        <al>bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden.</al>
        <al>In onderdeel c worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de Wet ruimtelijke</al>
        <al>ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het gaat hier om het oude projectbesluit, de</al>
        <al>oude binnenplanse ontheffing, de oude tijdelijke ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing</al>
        <al>(voorheen de artikelen 3.10, 3.22 en 3.23 Wro) Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo</al>
        <al>komen te vervallen.</al>
        <al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat bij de aanvraag</al>
        <al>voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot archeologische waarden in het gebied</al>
        <al>waarvoor de aanvraag geldt. Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een</al>
        <al>rapportage wordt overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein in</al>
        <al>voldoende mate is vastgesteld.</al>
        <al>Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel c. Het gaat hier in de eerste</al>
        <al>plaats om een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van het realiseren van een fysiek project.</al>
        <al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van dit artikel kan het college nadere</al>
        <al>regels stellen wat betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in</al>
        <al>een archeologisch monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’</al>
        <al>bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een</al>
        <al>bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende</al>
        <al>werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin vereisten</al>
        <al>betreffende de bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen, een en ander conform de</al>
        <al>handreiking van de VNG ‘Verder met Valletta’.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 17 Voorwaarden archeologisch onderzoek</vet>
        </al>
        <al>Zolang er geen gemeentelijk archeologisch beleid is vastgesteld worden de beleidsadviezen van de</al>
        <al>provincie gevolgd.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 6. OVERIGE BEPALINGEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 18. Tegemoetkoming in schade</vet>
        </al>
        <al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de Erfgoedverordening zonder</al>
        <al>een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR 86,604). Voor het archeologische deel van de</al>
        <al>verordening dient echter, op grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een</al>
        <al>schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De rijksregeling voor</al>
        <al>excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van toepassing. Het veroorzaker-betaaltprincipe,</al>
        <al>zoals dat in de memorie van toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg</al>
        <al>is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle</al>
        <al>genoemde onderdelen. De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of</al>
        <al>‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling, waarin</al>
        <al>de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een</al>
        <al>schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al>
        <al>Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de tegemoetkoming. De procedure op</al>
        <al>grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te</al>
        <al>besluiten is het zinvol een inschatting te maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang</al>
        <al>van deze procedure.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 19. Strafbepaling</vet>
        </al>
        <al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de nadere</al>
        <al>voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde lid en artikel 16, met</al>
        <al>uitzondering van het tweede lid, onder e. De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor</al>
        <al>gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder</al>
        <al>vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als</al>
        <al>economisch delict.</al>
        <al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet aan de</al>
        <al>raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van verordeningen straf te stellen, maar geen</al>
        <al>andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede</al>
        <al>categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek</al>
        <al>van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. Het is de gemeente niet toegestaan om een</al>
        <al>hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al>
        <al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om enige preventieve werking</al>
        <al>te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van drie maanden</al>
        <al>voor het overtreden van de nadere regels voor de hand liggend.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 20. Toezichthouders</vet>
        </al>
        <al>Het aanwijzen van toezichthouders kan door het college geschieden. Deze aanwijzingsbevoegdheid</al>
        <al>staat los van de vergunningverlening en valt derhalve buiten het bereik van de Wabo.</al>
        <al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb, waarin</al>
        <al>algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende</al>
        <al>rechtsregels en individueel geldende voorschriften.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 21. Overgangsrecht</vet>
        </al>
        <al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien bijvoorbeeld een regeling</al>
        <al>wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die</al>
        <al>regeling gebaseerde beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande</al>
        <al>rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De bestaande rechten</al>
        <al>betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3) en de vergunning verlening (artikel 10).</al>
        <al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke monumentenlijst</al>
        <al>voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe</al>
        <al>verordening. In het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor</al>
        <al>gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening,</al>
        <al>worden afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode zullen</al>
        <al>er dus twee procedures gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de Wabo is aangepast, terwijl</al>
        <al>deze wet al wel in werking is getreden zet de Wabo de bepalingen uit de verordening aan de kant. De</al>
        <al>Wabo gaat namelijk voor op lagere regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van rechtswege</al>
        <al>onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan de bepalingen uit de Wabo.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 22. Inwerkingtreding</vet>
        </al>
        <al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude verordening is gekoppeld aan</al>
        <al>de datum van inwerkingtreding van de Wabo. Bekendmaking van deze verordening moet op grond</al>
        <al>van artikel 142 van de Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 23. Citeertitel</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al>
        <al>Aldus vastgesteld door de raad in zijn</al>
        <al>vergadering van 2 juni 2010</al>
        <al>, de voorzitter.</al>
        <al>, de raadsgriffier</al>
        <al/>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>