<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR55628_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hengelo</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-05-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hengelo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">7-10-2010, Gemeenteadvertentie Typisch Hengelo</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-02-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      BOUWVERORDENING
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>(Actueel tot en met de 13 serie wijzigingen VNG)</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>INLEIDENDE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen.</label>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>asbest</cursief> - hetgeen daaronder wordt
                                                verstaan in artikel 1, letter a, van het
                                                Asbest-verwijderingsbesluit 2005; </al></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>bevoegd gezag</cursief> - bestuursorgaan,
                                                als bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid,
                                                onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een
                                                bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid,
                                                burgemeester en wethouders;</al></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>bouwbesluit</cursief> - de algemene
                                                maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van
                                                de Woningwet;</al></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>bouwtoezicht</cursief> - degene die
                                                ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet
                                                in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene
                                                bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en
                                                woningtoezicht;</al></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>bouwwerk</cursief> - elke constructie van
                                                enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                                                materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij
                                                direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                                hetzij direct of indirect steun vindt in of op de
                                                grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>deskundig bedrijf als bedoeld in
                                                  hoofdstuk</cursief> - hetgeen daaronder wordt
                                                verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                                                Asbest-verwijderingsbesluit 2005;</al></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>gebruiksoppervlakte</cursief> - de
                                                gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                                                Bouwbesluit;</al></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>hoogte van de weg</cursief> - de hoogte van
                                                de weg zoals die door of namens burgemeester en
                                                wethouders is vastgesteld;</al></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>NEN</cursief> - een door de Stichting
                                                Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                                                norm;</al></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>NVN</cursief> - een door de Stichting
                                                Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                                                voornorm;</al></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>omgevingsvergunning voor het bouwen:
                                                </cursief>vergunning voor een bouwactiviteit als
                                                bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de
                                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>omgevingsvergunning voor het
                                                  slopen:</cursief> vergunning voor een
                                                sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste
                                                lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht;</al></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>straatpeil -</cursief>
                    </al><lijst>
                      <li nr="a"><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter
                                                  plaatse van die hoofdtoegang;</al></li>
                      <li nr="b"><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  niet direct aan de weg grenst de hoogte van het
                                                  terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij
                                                  voltooiing van de bouw;</al></li>
                    </lijst></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>weg</cursief> - alle voor het openbaar rij-
                                                of ander verkeer openstaande wegen of paden
                                                daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en
                                                duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen
                                                en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en
                                                als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>bouwwerk</cursief> - een gedeelte van een
                                                bouwwerk;</al></li>
                  <li nr="-"><al>
                      <cursief>gebouw </cursief> - een gedeelte van een
                                                gebouw.</al><al/></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 1.2 Termijnen (Vervallen)</label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</label>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als
                                            inde­ling van de gemeente:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom;</al></li>
                  <li nr="c."><al>het gebied dat is uitgesloten van
                                                  welstandstoezicht, als bedoeld in artikel 9.9,
                                                  eerste lid.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Als gebieden, bedoeld in het vorige lid onder a tot en
                                            met c, gelden de gebieden die op de bij deze verordening
                                            behorende kaart als zodanig zijn aangegeven.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>2 - DE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING VOOR HET BOUWEN</label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als
                                            bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet
                                            bestaat uit:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                                  bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave
                                                  2009, in overeenstemming met het
                                                  onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;</al></li>
                    <li nr="b."><al>(vervallen);</al></li>
                    <li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
                                                  bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder
                                                  mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in
                                                  de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede
                                                  plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707,
                                                  uitgave 2003.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                            bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                            omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking
                                            heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is
                                            aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                            omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                            verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het
                                            Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage
                                            II.</al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk
                                            afwijken van de plicht tot het indienen van een
                                            onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van
                                            de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing
                                            van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruibare
                                            recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li>
                <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de
                                            plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                            bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling
                                            omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een
                                            beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel
                                            2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel
                                            5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in
                                            NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                            historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt,
                                            dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen
                                            verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN
                                            5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen. </al></li>
                <li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de
                                            aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het
                                            bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en
                                            voordat met de bouw wordt begonnen.</al><al/></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning (Vervallen).</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</label>
              </kop>
              <al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar
                                    is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet
                                    worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een
                                    bouwwerk:</al>
              <lijst>
                <li nr=""><lijst>
                    <li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend
                                                  mensen zullen verblijven;</al></li>
                    <li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                                  voor het bouwen is vereist; en</al></li>
                    <li nr="c."><al>1. dat de grond raakt, of</al><al>2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke
                                                  gebruik niet wordt gehandhaafd.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</label>
              </kop>
              <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling
                                    omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan
                                    de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op
                                    grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                                    onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende
                                    onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het
                                    tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                    goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid,
                                    van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor
                                    het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog
                                    geschikt kan worden gemaakt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</label>
              </kop>
              <al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor
                                    het bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens
                                    bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf
                                            van mensen is bestemd, meer dan 20 meter is verwijderd
                                            van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die
                                            toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die
                                            geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                                            ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                            verwachten verkeer.</al></li>
                <li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste
                                            lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende
                                            weg in een bestemmingsplan of in een verordening of
                                            anderszins voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over
                                                  een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en
                                                  een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben
                                                  van ten minste 4,2 m;</al></li>
                    <li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                  motorvoertuigen met een massa van ten minste
                                                  14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                                                  kunstwerken; </al></li>
                    <li nr="c."><al>en op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            een bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van
                                            artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van
                                            bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen
                                            vergunning is vereist, voor zover dat bouwwerk niet tot
                                            bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw
                                            behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li>
                <li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                            bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                            brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende
                                            verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening
                                            kan worden gelegd.</al></li>
                <li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                            bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                            doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></li>
                <li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste en het vierde
                                            lid, indien de aard, de ligging en het gebruik van het
                                            bouwwerk zich daarvoor lenen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.3A Brandweeringang (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in
                                                  artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al></li>
                    <li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet
                                                  gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als
                                                  bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en
                                                  anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                                  gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                                  aanwezig zijn.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt
                                            dat zij: </al><al>a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al><al>b. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al><al>c. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>De voorgevelrooilijn is:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                            regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                            bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen
                                            lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging
                                            van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel
                                            mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                            overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li>
                <li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                            bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden
                                            gebouwd:</al><lijst>
                    <li nr="–"><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de
                                                  lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                                  weg;</al></li>
                    <li nr="–"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de
                                                  lijn gelegen op 10 meter uit de as van de
                                                  weg.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                    bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist te bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn is niet van toepassing op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                            realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                            aanbrengen van veranderingen als bedoeld in artikel 3,
                                            onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht;</al></li>
                <li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen
                                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het
                                            afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van
                                            de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                                            bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te
                                            weten:</al><lijst>
                    <li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                  funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                  rioolputten;</al></li>
                    <li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits
                                                  zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                  overschrijden.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met
                                            overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd
                                            gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen
                                            voor:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders,
                                                  kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de
                                                  bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
                                                  straatpeil;</al></li>
                    <li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan
                                                  bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van
                                                  bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, die
                                                  naar hun aard en bestemming op een voor de
                                                  voorgevel gelegen erf toelaatbaar zijn;</al></li>
                    <li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de
                                                  grens van de weg overschrijden;</al></li>
                    <li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede
                                                  balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met
                                                  niet meer dan 1,50 m overschrijden;</al></li>
                    <li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                                  hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere
                                                  luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                                  schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                                  draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn
                                                  in artikel 2.5.7;</al></li>
                    <li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding
                                                  tussen twee bouwwerken.</al></li>
                    <li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument als bedoeld
                                                  in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale
                                                  of gemeentelijke monumentenverordening voor zover
                                                  zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                                  historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                                  bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking
                                            worden toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt
                                            dan:</al><lijst>
                    <li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met
                                                  inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter
                                                  weerszijden van die rijweg;</al></li>
                    <li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                                  weg;</al><al> en dan nog voor zover de veiligheid van de
                                                  gebruikers van de weg niet in gevaar komt.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</label>
              </kop>
              <al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het
                                    bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen
                                    voor:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net
                                            aangesloten nutsvoorziening, het
                                            telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
                                            wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                            18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht;</al></li>
                <li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het
                                            verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of
                                            het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair,
                                            anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c
                                            en d, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht;</al></li>
                <li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li>
                <li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;
                                        </al></li>
                <li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                            bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.</label>
              </kop>
              <al>Afschuining van straathoeken</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in
                                            de voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing
                                            in:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die
                                                  waarin de afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8
                                                  en 2.5.9 is verleend;</al></li>
                    <li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in
                                                  die waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14
                                                  is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter
                                                  de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li>
                    <li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die
                                            een knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover
                                            elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen
                                            of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden
                                            van minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de
                                            hoeken over een hoogte op een dergelijke hoek van niet
                                            meer dan 4,2 meter boven straatpeil worden afgerond of
                                            afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor
                                            onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                            behoeft te zijn. </al></li>
                <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van
                                                  gebouwen;</al></li>
                    <li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li>
                    <li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele
                                                  eengezinshuizen;</al></li>
                    <li nr="d."><al>bouwwerken, anders dan de in artikel 2,
                                                  onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van
                                                  bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde
                                                  bouwwerken;</al></li>
                    <li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en
                                                  veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, en de
                                                  daarbijbehorende woningen;</al></li>
                    <li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li>
                    <li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan
                                                  van de afwijking is gebaat.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de
                                            voorgevelrooilijn en bevindt zich:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                  driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig
                                                  bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                  gelijk aan de helft van de straal van de
                                                  ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                                  doch op geen grotere afstand van de
                                                  voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan
                                                  één ingeschreven cirkel binnen de
                                                  voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt
                                                  de grootste;</al></li>
                    <li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                  bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm
                                                  op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn,
                                                  bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                                  herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of
                                                  meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij
                                                  op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het
                                                  bouw-blok het meest nabijkomen, doch op geen
                                                  grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                                  meter;</al></li>
                    <li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te
                                                  bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie
                                                  zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                  gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                                  voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                                  elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden
                                                  van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van
                                                  de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li>
                    <li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen
                                                  zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                                                  bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand
                                                  van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                                  afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide
                                                  zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                                  bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen
                                                  grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                                  meter;</al></li>
                    <li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde
                                                  gevallen op een afstand die wordt bepaald met
                                                  inachtneming van de beginselen, welke zijn
                                                  neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op
                                                  geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan
                                                  15 meter.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                            achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                            achterzijden van die bebouwing in het belang van de
                                            toetreding van daglicht over een afstand van ten minste
                                            5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste
                                            2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                            achtergevelrooilijnen.</al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover
                                            de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in
                                            de hoekbebouwing dit toelaten.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist te bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn is niet van toepassing op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken,
                                            geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur
                                            en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li>
                <li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
                                            zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot
                                            de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
                                            bedraagt; </al></li>
                <li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                            realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                            uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                            onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II
                                            bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is
                                            vereist;</al></li>
                <li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                            realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                            aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in de artikel
                                            3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht;</al></li>
                <li nr="e."><al> andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen
                                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het
                                            afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van
                                            artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht, te weten: </al><lijst>
                    <li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                  funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                  rioolputten;</al></li>
                    <li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15
                                            en 17 van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
                                            zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot
                                            de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
                                            bedraagt;</al></li>
                <li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li>
                <li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li>
                <li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                            liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                            openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                            weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van
                                            die zijden mag worden bebouwd; </al></li>
                <li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de
                                            bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en
                                            2.5.4, is verzekerd;</al></li>
                <li nr="f."><al>bouwwerken, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel
                                            3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het
                                            Besluit omgevingsrecht;</al></li>
                <li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of
                                            overwegend handels- of industrieterrein omvattend;</al></li>
                <li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan
                                            een omgevingsvergunning is vereist;</al></li>
                <li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                            voltooiing van de bouw;</al></li>
                <li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die
                                            vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                            onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht;</al></li>
                <li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                            alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                            uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen
                                            dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li>
                <li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                            opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het
                                            karakter van de bestaande omgeving.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn
                                            dat ten minste een strook grond omvat die:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit
                                                  aan de achtergevel, en</al></li>
                    <li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen
                                                  deel dat is begrepen tussen het verlengde van de
                                                  zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                                                  meter.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten
                                            haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst
                                            achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten
                                            de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13,
                                            en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven.
                                        </al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                                  betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag
                                                  niet tot bewoning bestemd is;</al></li>
                    <li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                                  voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst>
                        <li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig;</al></li>
                        <li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht;</al></li>
                        <li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan
                                                  de bepalingen voor te bouwen woningen en
                                                  woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de
                                                  bestaande toestand verbeterd.</al></li>
                      </lijst></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders
                                            dan als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw
                                            behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2
                                            meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het
                                            gebouw en over de volle breedte daarvan.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw
                                                  hiervoor geen beletsel vormen;</al></li>
                    <li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is
                                                  toegestaan van het verbod tot overschrijding van
                                                  de achtergevelrooilijn.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten
                                            opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig
                                            zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het
                                            aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
                                            ontstaan die:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter
                                                  daarboven minder dan 1 meter breed zijn;</al></li>
                    <li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al><al> Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of
                                                  op het aangrenzende erf wordt hierbij buiten
                                                  beschouwing gelaten.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien
                                            voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en
                                            onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld
                                            artikel.2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit
                                            omgevingsrecht, zijn niet toegelaten.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het
                                            belang van het af te scheiden erf of terrein.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                            stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                            hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van
                                            andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel
                                            uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van
                                            deze afstand moet rekening worden gehouden met het
                                            uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                            hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn
                                            met een nominale elektrische spanning van 1000 volt of
                                            meer.</al></li>
                <li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                            ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen
                                            bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist worden gebouwd.</al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft
                                                  de afstand van 6 meter, indien de elektrische
                                                  spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen
                                                  bezwaar oplevert;</al></li>
                    <li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft
                                                  de afstand van 6 meter, indien daartegen met het
                                                  oog op de veilige en ongestoorde ligging van de
                                                  leiding geen bezwaar bestaat. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                            maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen
                                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak
                                            door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                                  voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                                  weg;</al></li>
                    <li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand
                                                  tussen de voorgevelrooilijnen langs de
                                                  desbetreffende weg.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval
                                            aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan
                                            de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een
                                            lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch over geen
                                            grotere lengte dan 15 meter.</al></li>
                <li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten
                                            haaks op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het
                                            midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie
                                            daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li>
                <li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                            ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten
                                            hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtstbij gelegen
                                            tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende
                                            rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse
                                            van die onderbreking de verstverwijderde van de beide
                                            ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                            rooilijnen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                            maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen
                                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak
                                            door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd
                                            met:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                                  tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                                  bouwblok;</al></li>
                    <li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot
                                                  de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in
                                                  hetzelfde bouwblok.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten
                                            haaks op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het
                                            bouwwerk. Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen
                                            niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte
                                            van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de
                                            gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen.
                                            Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn
                                            ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde
                                            tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                            voorgevelrooilijn.</al></li>
                <li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
                                            maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
                                            achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
                                            hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                                            achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li>
                <li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager
                                            dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde
                                            hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het
                                            verschil tussen het straatpeil en het peil van het
                                            onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij
                                            voltooiing van de bouw. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                            bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot
                                            aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien
                                            in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt
                                            onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 de maximale
                                            hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan
                                            laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de
                                            afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die
                                            bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op
                                            dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in
                                            artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de
                                            afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. </al></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de
                                            zijgevel niet hoger is dan de voorgevel. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                            bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist tussen de voor- en de
                                            achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                            die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en
                                            door de achtergevelrooilijn snijden op de krachtens de
                                            artikelen 2.5.20 en 2.5.21 maximale bouwhoogte en die
                                            met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li>
                    <li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
                                            zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
                                            achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit
                                            bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak
                                            dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter
                                            hoogte van de krachtens artikel 2.5.22 maximale
                                            bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek
                                            vormt van 56 graden. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen
                                            dan 15 meter.</al></li>
                <li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze
                                            wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte
                                            ten opzichte van de laagstgelegen weg. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel
                                            2.5.3 of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt
                                            opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag
                                            niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat
                                            uitgaande van een goothoogte van genoemde maat daarboven
                                            een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                            toegelaten is.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de
                                            aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor
                                            geen beletsel vormen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een
                                            ander buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten
                                            ten opzichte van straatpeil. </al></li>
                <li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging
                                            hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen
                                            door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld
                                            in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h,
                                            i, j en k, moeten voor zover zij de maximale hoogte
                                            overschrijden buiten beschouwing worden gelaten. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</label>
              </kop>
              <al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21,
                                    eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23
                                    en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                            realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                            aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3,
                                            onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht;</al></li>
                <li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van
                                            bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen
                                            van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3,
                                            onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht;</al><lijst>
                    <li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                                  voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits
                                                  zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de
                                                  geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel
                                                  gemeten, niet groter is dan het produkt van de
                                                  breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte
                                                  ter plaatse;</al></li>
                    <li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere
                                                  breedte dan 0,60 meter.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</label>
              </kop>
              <al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20,
                                    eerste lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid,
                                    2.5.23 en 2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen verlenen voor:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken,
                                            schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden
                                            van bijeenkomsten en vergaderingen;</al></li>
                <li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of
                                            winkeldoeleinden, indien de welstand bij het toestaan
                                            van de afwijking is gebaat;</al></li>
                <li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op
                                            een handels- en industrieterrein;</al></li>
                <li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li>
                <li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van
                                            een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel
                                            7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en
                                            indien:</al><lijst>
                    <li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                  bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                  toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li>
                    <li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                  hoogte-afmetingen andere hoogte-afmetingen kleiner
                                                  worden dan de bestaande;</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                            ver-keer, de waterhuishouding, de energievoorziening of
                                            het telecommunicatieverkeer al dan niet van openbare
                                            aard, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 16 en
                                            18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li>
                <li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                            soortgelijke aard;</al></li>
                <li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan
                                            0,60 meter;</al></li>
                <li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet
                                            meer dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter,
                                            de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de
                                            afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter
                                            bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                            gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen
                                            behoren;</al></li>
                <li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li>
                <li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li>
                <li nr="l."><al>bouwwerken op een monument als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                            opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het
                                            karakter van de bestaande omgeving.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</label>
              </kop>
              <al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                    2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot
                                    bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                    achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                    overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                            beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li>
                <li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel
                                            3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van
                                            toepassing is;</al></li>
                <li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                            zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li>
                <li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede
                                            ruimtelijke ordening, en</al></li>
                <li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                            onderbouwing bevat.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                            aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of
                                            stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn
                                            aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of
                                            onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
                                            Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het
                                            gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening
                                            moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per
                                            openbaar vervoer.</al></li>
                <li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren
                                            van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op
                                            gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te
                                            zijn voldaan:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten
                                                  ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m
                                                  bij 6,00 m bedragen;</al></li>
                    <li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde
                                                  parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover
                                                  die ruimte niet in de lengterichting aan een
                                                  trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m
                                                  bedragen.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot
                                            een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of
                                            lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende
                                            mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel
                                            op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                            behoort.</al></li>
                <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde
                                            lid:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door
                                                  bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren
                                                  stuit; of</al></li>
                    <li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer-
                                                  of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte
                                                  wordt voorzien.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchrouteaanduidingen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties (vervallen).</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsinstallaties (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsinstallaties (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchrouteaanduidingen (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label>
              </kop>
              <al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                    aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                    waterleiding:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen; of</al></li>
                <li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van
                                            de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 50 m.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</label>
              </kop>
              <al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten
                                    aan het openbare distributienet voor elektriciteit:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li>
                <li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 100 m.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                            bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn
                                            aangesloten aan het openbare-distributienet voor
                                            aardgas:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand
                                                  van de dichtst bij zijnde leiding van dat
                                                  distributienet is gelegen; of</al></li>
                    <li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is
                                                  gelegen van de leiding van het
                                                  aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                                  kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                                  bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van
                                                  40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in dit
                                                  lid op woningen waarin voor het kunnen koken een
                                                  andere energiebron dan gas aanwezig is en voor
                                                  verwarming geen individuele aansluiting van
                                                  gastoevoer nodig is.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van
                                                  meer dan 500 m2;</al></li>
                    <li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                                  verhuurd;</al></li>
                    <li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een
                                                  publieke voorziening voor verwarming als bedoeld
                                                  in artikel 2.7.3A.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting gemeenschappelijke of publieke voorziening voor verwarming</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Een bouwwerk dat voorzien wordt van een aansluiting op
                                            een energievoorziening wordt, indien deze aansluiting
                                            zich bevindt binnen het door het college van
                                            burgemeester en wethouders vastgestelde aansluitgebied
                                            (zie bijlage 13), in ieder geval aangesloten op een
                                            gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                            verwarming als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                            Bouwbesluit, zijnde het Warmtenet Hengelo of een daarmee
                                            gelijk te stellen gemeenschappelijke of publieke
                                            duurzame energievoorziening, indien: a. het bouwwerk op
                                            ten hoogste 40 meter afstand van de dichtstbijzijnde
                                            (voorgenomen) leiding van dat distributienet is gelegen;
                                            of b. het bouwwerk zich op een grotere dan de onder a)
                                            bedoelde afstand van de leiding van dat</al><al> distributienet bevindt doch de kosten van aansluiting
                                            voor het betreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij de
                                            onder a) bedoelde afstand. </al></li>
                <li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid indien dit omkleed
                                            door gegronde redenen van gemeentewege wenselijk wordt
                                            geacht.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                            bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer
                                            van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41
                                            van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan
                                            te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater
                                            moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van
                                            toepassing is het bepaalde in dit lid:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                  riolering aanwezig is;</al></li>
                    <li nr="b."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt
                                                  geloosd.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                                  binnenmiddellijn de voor het maken van de
                                                  aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de
                                                  gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf
                                                  of terrein moet of moeten kruisen;</al></li>
                    <li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die
                                                  aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter
                                                  voorkoming van het terugvloeien van afvalwater,
                                                  faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te
                                                  laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het
                                                  openbaar riool te lozen.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet
                                            milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet
                                            voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten
                                            worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede
                                            werking of de goede staat van het openbaar riool, dan
                                            wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen
                                            aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de
                                            aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                                            geeft.</al></li>
                <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien
                                            afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van
                                            water, bodem of lucht mogelijk is:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan
                                                  40 m van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li>
                    <li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde,
                                            in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de
                                            afvoer van afvalwater en fecaliën, alsmede de in artikel
                                            3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken
                                            aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                            hemelwater niet aan een openbaar riool worden
                                            aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten
                                                  met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput
                                                  met overstort;</al></li>
                    <li nr="b."><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten
                                                  zonder waterspoeling, moeten lozen op een
                                                  mestkelder of een beerput zonder overstort, een
                                                  gierput of een rottingput met overstort;</al></li>
                    <li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor
                                                  de afvoer van afvalwater zonder fecaliën, alsmede
                                                  overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen
                                                  dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht
                                                  kan optreden;</al></li>
                    <li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor
                                                  de afvoer van afvalwater zonder fecaliën mogen
                                                  niet lozen op een rottingput.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a en
                                            b, indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging
                                            van water, bodem en lucht mogelijk is. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                            scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel
                                            mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten
                                            waterdicht zijn aangewerkt.</al></li>
                <li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde
                                            leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet
                                            zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting
                                            gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of
                                            de buitenriolering.</al></li>
                <li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en
                                            de aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen
                                            beerputten of rottingputten voorkomen.</al></li>
                <li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                            mogen geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en
                                            moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende
                                            lucht- en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse
                                            middellijn.</al></li>
                <li nr="5."><al>Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn
                                            voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN
                                            3215, uitgave 2007.</al></li>
                <li nr="6."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een
                                            leiding voor de afvoer van afvalwater, fecaliën en
                                            hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg
                                            kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten
                                            minste 125 mm.</al></li>
                <li nr="7."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en
                                            hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op
                                            erven en terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan deze
                                            eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan
                                            aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in
                                            bijlage 7.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label>
              </kop>
              <al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                    moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een
                                    aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel
                                    van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het
                                    distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich te
                                    zamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                                    beschouwd.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>3 – DE MELDING</label>
          </kop>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Artikel 3.1 De wijze van melden (Gereserveerd)</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 3.2 Welstandscriteria (Gereserveerd)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </afdeling>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>4 - PLICHTEN TIJDENS EN BIJ VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ INGEBRUIKNEMING VAN EEN BOUWWERK</label>
          </kop>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden (Vervallen)</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</label>
              </kop>
              <al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het
                                    bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                                    inzage worden gegeven:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al></li>
                <li nr="b."><al>andere toestemmingen;</al></li>
                <li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li>
                <li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid,
                                            sub b van de Woningwet, dan wel een besluit tot
                                            toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last
                                            onder dwangsom.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al>
              <al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen is verleend mag onverminderd het in de
                                    voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde
                                    niet worden begonnen alvorens door of namens het bevoegd gezag
                                    voor zover nodig:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li>
                <li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein
                                            zijn uitgezet.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient voor zover het betreft bouwwerken
                                            waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                            verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden
                                            van de omgevingsvergunning voor het bouwen ten minste
                                            twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen
                                            onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                            gesteld:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden,
                                                  ontgravingswerkzaamheden daaronder begrepen;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de
                                                  funderingspalen, het slaan van proefpalen
                                                  daaronder begrepen;</al></li>
                    <li nr="c."><al>de aanvang van de
                                                  grondverbeteringswerkzaamheden.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in
                                            kennis te worden gesteld van het storten van beton.</al></li>
                <li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen
                                            moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt,
                                            schriftelijk geschieden.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</label>
              </kop>
              <al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle
                                    opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden
                                    verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op
                                    de naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig
                                    acht.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</label>
              </kop>
              <al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere
                                    tijdelijke ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag
                                    niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken,
                                    dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving
                                    plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen
                                    worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die
                                    bouwwerken schaadt.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in
                                            verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder
                                            meer zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn
                                            genomen ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen
                                            werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige
                                            bouwwerken, open erven en terreinen en hun
                                            gebruikers.</al></li>
                <li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt
                                            uitgevoerd moeten, wanneer er niet wordt gewerkt
                                            rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet
                                            inbegrepen:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten
                                                  behoeve van de uitvoering van het bouw- en
                                                  grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn
                                                  uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van
                                                  de installaties door anderen dan daartoe bevoegde
                                                  personen niet zonder meer mogelijk is;</al></li>
                    <li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in
                                                  een zodanige toestand, dat deze dan wel
                                                  mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen
                                                  dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen
                                                  worden gesteld;</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van
                                            een elektrische verlichtingsinstallatie of van één of
                                            meer elektrisch aangedreven bemalingspompen, indien de
                                            omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt
                                            onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                            gewaarborgd.</al></li>
                <li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen
                                            weg te nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te
                                            heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig
                                            zijn.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven
                                            of dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door
                                            een doeltreffende afscheiding van de weg en van het
                                            aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden
                                            indien gevaar of hinder te duchten is. </al></li>
                <li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig
                                            zijn geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min
                                            mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot
                                            brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals
                                            leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></li>
                <li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt
                                            uitgevoerd en dat niet van de weg en van het
                                            aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet,
                                            wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij
                                            het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                            transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat
                                            kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis
                                            van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud
                                            verkeren.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of
                                            grondwerk een werktuig of een stof te gebruiken, indien
                                            daardoor gevaar voor de omgeving optreedt.</al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat
                                            schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt
                                            of kan veroorzaken, verbieden.</al></li>
                <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een
                                            werk te gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt
                                                  gebezigd, en/of</al></li>
                    <li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li>
                    <li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een
                                                  etmaal niet mag worden gebruikt.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet
                                            van toepassing indien en voor zover het betreft nadelige
                                            gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of
                                            enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing
                                            is.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4.11 Bouwafval</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden
                                            gescheiden in de volgende fracties:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                                  hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende
                                                  bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL;
                                                  Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al></li>
                    <li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m<sup>3</sup> per
                                                  bouwproject bedraagt;</al></li>
                    <li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m<sup>3</sup> per
                                                  bouwproject bedraagt;</al></li>
                    <li nr="d."><al>overig afval.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder
                                            d, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder
                                            a, b en c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden
                                            gehouden.</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij
                                            een bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één
                                            container van 10 m<sup>3</sup>, mag degene die
                                            bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval
                                            meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Van het gereedkomen van:</al></li>
                <li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de
                                            riolering, alsmede van</al></li>
              </lijst>
              <al>leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                                    straatpeil;</al>
              <al>b.van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van
                                    de thermische isolatie in</al>
              <al>andere besloten constructies; </al>
              <al>moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder
                                    a en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al>
              <lijst>
                <li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid
                                            betrekking heeft, mogen niet zonder toestemming van het
                                            bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende
                                            twee dagen na het tijdstip van kennisgeving. </al></li>
                <li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige
                                            toepassing op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor
                                            in de aan de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                            verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van
                                            voltooiing is bepaald. </al></li>
                <li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de
                                            werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning voor het
                                            bouwen betrekking heeft, wordt het einde van die
                                            werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></li>
                <li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien
                                            het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk
                                            geschieden.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-,
                                            metsel- of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het
                                            bouwtoezicht ten minste twee dagen vóór het begin van
                                            het desbetreffende werk in kennis worden gesteld van de
                                            te treffen maatregelen ten behoeve van:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li>
                    <li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en
                                                  verharding;</al></li>
                    <li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de
                                                  voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog
                                                  onvoldoende is verhard of de temperatuur nog
                                                  beneden 2 graden Celsius is.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                            indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk
                                            plaatsvinden.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</label>
              </kop>
              <al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen
                                    waarvan een omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in
                                    gebruik te geven of te nemen, indien het bouwwerk niet gereed is
                                    gemeld bij het bouwtoezicht.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4.15 (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </afdeling>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>5 - Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband
                                            met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud
                                            bevinden.</al></li>
                <li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen
                                            opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de
                                            gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen,
                                            ten gevolge van:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>drassigheid;</al></li>
                    <li nr="b."><al>stank;</al></li>
                    <li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li>
                    <li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk
                                                  gedierte;</al></li>
                    <li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.</label>
              </kop>
              <al>Brandblusvoorzieningen</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 20 meter is
                                            verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg
                                            tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig
                                            zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                                            ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                            verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het
                                            gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het
                                                  eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de
                                                  desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in
                                                  een verordening of anderszins voorschriften heeft
                                                  vastgesteld: a. een breedte hebben van ten minste
                                                  4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn
                                                  verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de
                                                  weg hebben van ten minste 4,2 m;</al></li>
                    <li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                  motorvoertuigen met een massa van ten minste
                                                  14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                                                  kunstwerken; en</al></li>
                    <li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            een bijbehorend bouwwerk voor het bouwen waarvan op
                                            grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                            onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                            dat bijbehorend bouwwerk niet tot bewoning bestemd is,
                                            maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde
                                            terrein is gelegen.</al></li>
                <li nr="3."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                            brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende
                                            verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening
                                            kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het
                                            gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></li>
                <li nr="4."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                            bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                            doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in
                                                  artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al></li>
                    <li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet
                                                  gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als
                                                  bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al><al> en anderzijds de openbare weg moet een mede
                                                  voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar
                                                  pad aanwezig zijn.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt
                                            dat zij:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li>
                    <li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan
                                                  0,85 m; en</al></li>
                    <li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen
                                                  van 0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van
                                                  een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de
                                                  artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label>
              </kop>
              <al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde,
                                    in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten
                                    zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                    waterleiding:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen; of</al></li>
                <li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van
                                            de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 50 m. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</label>
              </kop>
              <al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan
                                    het openbare distributienet voor elektriciteit:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li>
                <li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 100 m.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                            bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn
                                            aangesloten aan het openbare distributienet voor
                                            aardgas:</al></li>
                <li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li>
                <li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het aardgasdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40 m.</al></li>
                <li nr="2."><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al></li>
                <li nr="a."><al>woningen, waarin voor het kunnen koken een andere
                                            energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen
                                            individuele aansluiting van gastoevoer nodig is;</al></li>
                <li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                            m2;</al></li>
                <li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li>
                <li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op een publieke voorziening
                                            voor verwarming als bedoeld in artikel 2.7.3A.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                            bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                            afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan
                                            bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                            hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel
                                            5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan
                                            een openbaar riool. </al></li>
                <li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste
                                            lid:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                  riolering aanwezig is;</al></li>
                    <li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40
                                                  m van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li>
                    <li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt
                                                  geloosd;</al></li>
                    <li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de fecaliën voor
                                                  bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                                  voldoende ruime mestkelder, gier- of beerput
                                                  aanwezig is.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</label>
              </kop>
              <al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing
                                    is, gelden de volgende bepalingen:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                            waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                            doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten
                                            aanwezig zijn, tenzij de fecaliën voor agrarische
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;</al></li>
                <li nr="b."><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten
                                            zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput
                                            zonder overstort, een doeltreffende gierput of een
                                            doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn,
                                            alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die
                                            toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                            wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water,
                                            bodem of lucht kan optreden;</al></li>
                <li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder fecaliën, alsmede
                                            overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat
                                            geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                            optreden;</al></li>
                <li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder fecaliën mogen niet lozen
                                            op een rottingput.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</label>
              </kop>
              <al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label>
              </kop>
              <al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                    moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een
                                    aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel
                                    van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het
                                    distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                                    tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                                    beschouwd.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5.4.1. Preventie</label>
              </kop>
              <al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>6 - BRANDVEILIG GEBRUIK (Vervallen)</label>
          </kop>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>7 - OVERIGE GEBRUIKSBEPALINGEN</label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 1 Overbevolking </label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</label>
              </kop>
              <al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat
                                    een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                    gebruiksoppervlakte.</al>
              <al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</al>
              <al>Het is verboden een woonwagen, te bewonen met of toe te staan
                                    dat een woonwagen, wordt bewoond door meer dan één persoon per 6
                                    m2 gebruiksoppervlakte.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</label>
              </kop>
              <al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te
                                    gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                    burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk
                                    is in verband met:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li>
                <li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                            bouwwerk.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne</label>
              </kop>
              <al>Indien tengevolge van het niet functioneren hieronder begrepen
                                    het afgesloten zijn van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                    aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van fecaliën,
                                    het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken
                                    over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over
                                    gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een
                                    onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten
                                    het gebruik van het bouwwerk te staken.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.3.1 (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.3.2 Hinder</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een
                                            open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen,
                                            te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na
                                            te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke
                                                  wijze rook, roet, walm of stof wordt
                                                  verspreid;</al></li>
                    <li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de
                                                  gebruikers van het bouwwerk, het open erf of
                                                  terrein;</al></li>
                    <li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke
                                                  wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal
                                                  wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door
                                                  geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                                                  begrepen, of door schadelijk of hinderlijk
                                                  gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                                  bouwwerk, open erf of terrein;</al></li>
                    <li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt
                                                  veroorzaakt.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor
                                            zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu
                                            waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                            wet van toepassing is. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.4.1 Preventie</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                            geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                            bevindt.</al></li>
                <li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te
                                            worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte
                                            hierdoor niet wordt aangetrokken.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 5 Watergebruik</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</label>
              </kop>
              <al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd
                                    gezag schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt
                                    geacht, te gebruiken.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 6 Installaties</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</label>
              </kop>
              <al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit,
                                    het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening
                                    de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat
                                    verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden
                                    gemaakt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>8 - SLOPEN</label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder
                                            begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een
                                            vergunning van het bevoegd gezag.</al></li>
                <li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist
                                            indien naar redelijke schatting de hoeveelheid
                                            sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het
                                            slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts
                                            is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een
                                            besluit op grond van artikel 13, 13a en/of 14 van de
                                            Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                                            bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.
                                            Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden
                                            verbinden als bedoeld in het derde lid.</al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning
                                            voor het slopen slechts voorschriften over:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li>
                    <li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden
                                                  houden van het sloopafval, ten minste inhoudende
                                                  een scheiding in een fractie asbest, een fractie
                                                  gevaarlijk afval en een fractie overig afval.</al></li>
                    <li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden
                                                  overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel
                                                  7.2, onder b van de Regeling omgevingsrecht.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval als bedoeld in het
                                            derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent
                                            het selectief slopen, de fracties waarin wordt
                                            gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en
                                            het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval
                                            op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de
                                            omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot
                                            asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken
                                            daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de
                                            termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></li>
                <li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt
                                            niet indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor
                                            het bouwen voor een seizoengebonden bouwwerk
                                            voorschriften zijn gesteld over het slopen van het
                                            tijdelijke bouwwerk.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</label>
              </kop>
              <al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd
                                    indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is
                                            gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften
                                            niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li>
                <li nr="b."><al>de bescherming van nabij gelegen bouwwerken in verband
                                            met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door
                                            het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil
                                            kan worden gewaarborgd;</al></li>
                <li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische
                                            monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                            provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening
                                            is vereist en deze niet is verleend;</al></li>
                <li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op
                                            grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die
                                            krachtens overgangsrecht van de Invoeringswet Wet
                                            ruimtelijke ordening de werking heeft behouden is
                                            vereist en deze niet is verleend;</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen </label>
              </kop>
              <al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                                    indien: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                            onvolledige opgave van gegevens;</al></li>
                <li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                            omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de
                                            werkzaamheden is gemaakt;</al></li>
                <li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden
                                            deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode
                                            van 26 weken stilliggen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>8.2.1. Sloopmelding</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                            omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het
                                            anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf
                                            in zijn geheel slopen van: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>geschroefde , asbesthoudende platen waarin de
                                                  asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde
                                                  dakleien, uit een woning of uit een op het erf van
                                                  die woning staand bijbehorend bouwwerk, voorzover
                                                  de woning of het bijbehorend bouwwerk niet in het
                                                  kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf
                                                  worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in
                                                  dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                                  asbesthoudende platen maximaal vijfendertig
                                                  vierkante meter per kadastraal perceel
                                                  bedraagt;</al></li>
                    <li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde,
                                                  asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of
                                                  uit een op het erf van die woning staand
                                                  bijbehorend bouwwerk, voorzover de woning of het
                                                  bijbehorend bouwwerk niet in het kader van de
                                                  uitoefening van een beroep of bedrijf worden
                                                  gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader
                                                  en de oppervlakte van de te verwijderen
                                                  asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels
                                                  maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                                  kadastraal perceel bedraagt;</al><al> mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij
                                                  burgemeester en wethouders en door burgemeester en
                                                  wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit
                                                  is gemeld is medegedeeld dat geen
                                                  omgevingsvergunning voor het slopen is
                                                  vereist.</al><al> Met een woning wordt gelijk gesteld een
                                                  woonkeet, woonwagen of logiesverblijf.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid
                                            moet worden gemeld met gebruikmaking van een door of
                                            namens burgemeester en wethouders vastgesteld
                                            formulier.</al></li>
                <li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                            2 voud worden ingediend.</al></li>
                <li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                            het Nederlands zijn gesteld.</al></li>
                <li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het
                                            adres, de aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></li>
                <li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of
                                            namens burgemeester en wethouders een bewijs van
                                            ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van
                                            ontvangst is vermeld.</al></li>
                <li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid
                                            bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde
                                            termijn hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege
                                            gedaan.</al></li>
                <li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als
                                            bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met
                                            betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van
                                            asbest.</al></li>
                <li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste
                                            of het tweede lid is verplicht de voorschriften, bedoeld
                                            in het achtste lid alsmede de voorschriften die bij of
                                            krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                                            Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                            nemen.. Voorts is de houder verplicht terzake van de
                                            afvoer van asbest bevattende vloerbedekking alsmede van
                                            andere afvalstoffen waarop de mededeling betrekking
                                            heeft de in de gemeente geldende voorschriften in acht
                                            te nemen.</al></li>
                <li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest
                                            door sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></li>
                <li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het
                                            eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel
                                            gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders
                                            degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om
                                            binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                            gegevens over te leggen.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste een omgevingsvergunning voor het slopen</label>
              </kop>
              <al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen een
                                    omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen,
                                    voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat
                                    uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                    bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li>
                <li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                            constructie van kassen;</al></li>
                <li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li>
                <li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li>
                <li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                            verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat
                                            lager is dan 2250 kilowatt.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</label>
              </kop>
              <al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                    overeenkomstige toepassing op het slopen en het
                                    sloopterrein.</al>
              <al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</al>
              <al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen
                                    of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van
                                    een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op
                                    verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al>
              <al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning
                                    voor het slopen</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen
                                            moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op
                                            asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.</al></li>
                <li nr="2."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen
                                            moet een afschrift van de vergunning ter hand stellen
                                            aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens
                                            aanneming van werk zal uitvoeren.</al></li>
                <li nr="3."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen
                                            stelt ten minste één week voorafgaande aan de aanvang
                                            van het slopen, het bevoegd gezag schriftelijk op de
                                            hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen,
                                            voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                            plaatsvinden.’ </al></li>
                <li nr="4."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen
                                            stuurt binnen twee weken na de uitvoering van de
                                            werkzaamheden het bevoegd gezag een afschrift van de
                                            resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning
                                            voor het slopen is verleend voor het slopen van asbest
                                            en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene
                                            die sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen
                                            aan het bouw- en woningtoezicht.</al></li>
                <li nr="2."><al>Aan het bouwtoezicht sienen ten minste twee dagen van
                                            tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden
                                            gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de
                                            sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden.
                                            Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde
                                            meldingen schriftelijk geschieden.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in
                                            een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat
                                            het bouwwerk wordt gesloopt.</al></li>
                <li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste
                                            bestaande technieken worden toegepast om verontreiniging
                                            van het milieu met asbest te voorkomen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen (Vervallen)</label>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 4 Vrij slopen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                            vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding
                                            krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te
                                            worden gescheiden in de navolgende fracties:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                                  hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende
                                                  bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL;
                                                  Stcr. 17, augustus 2001, nr. 159, blz. 9);</al></li>
                    <li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van
                                                  gips;</al></li>
                    <li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li>
                    <li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li>
                    <li nr="e."><al>asfalt;</al></li>
                    <li nr="f."><al>dakgrind;</al></li>
                    <li nr="g."><al>overig afval.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder
                                            g, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a
                                            tot en met f, moeten op het sloopterrein gescheiden
                                            worden gehouden.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>9 - WELSTAND</label>
          </kop>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommisie</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is
                                            opgedragen aan Het Oversticht, dat personen voordraagt
                                            als lid en plaatsvervangend lid van de hierna te noemen
                                            welstandscommissie. </al></li>
                <li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de
                                            welstandsaspecten van aanvragen voor een
                                            omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></li>
                <li nr="3."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de
                                            welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vier leden,
                                            waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten
                                            minste drie leden deskundig zijn op het gebied van
                                            architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                                            cultuurhistorie.</al></li>
                <li nr="2."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></li>
                <li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen
                                            indien ten minste drie leden aanwezig zijn en waarvan
                                            ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op
                                            het gebied van welstand.</al></li>
                <li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                            gemeentebestuur.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                            welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op
                                            voorstel van de burgemeester en wethouders benoemd en
                                            ontslagen door de gemeenteraad.</al></li>
                <li nr="2."><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste
                                            voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij
                                            kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van
                                            ten hoogste drie jaar.</al></li>
                <li nr="3."><al>De “Dienstverleningsovereenkomst welstandsadvisering Het
                                            Oversticht” die als bijlage bij deze verordening is
                                            vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande
                                            leden, nadere benoemingsprocedures.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</label>
              </kop>
              <al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                                    werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de
                                    orde komt: </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de
                                            welstandscriteria uit de welstandsnota;</al></li>
                <li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie; </al></li>
                <li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid
                                            van vergaderen;</al></li>
                <li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li>
                <li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li>
              </lijst>
              <al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen
                                    ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in
                                    het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota
                                    in het bijzonder.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 9.5 Termijn van advisering</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag
                                            om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen
                                            uiterlijk vier weken nadat door of namens burgemeester
                                            en wethouders daarom is verzocht.</al></li>
                <li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag
                                            om omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze
                                            vergunning betrekking heeft op een deel van een project
                                            of een gefaseerde aanvraag betreft uit binnen uiterlijk
                                            drie weken nadat door of namens burgmeester en
                                            wethouders daarom is verzocht.</al></li>
                <li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om
                                            advies de welstandscommissie een langere termijn dan
                                            genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven
                                            voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere
                                            termijn kan door burgemeester en wethouders worden
                                            gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag
                                            is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid
                                            van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                            bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om een
                                            omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht,
                                            wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat
                                            gesteld tot het geven van een toelichting op het
                                            bouwplan. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin
                                            spreekrecht.</al></li>
                <li nr="2."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de
                                            commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven
                                            van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de
                                            omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te
                                            ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin
                                            de aanvraag wordt behandeld.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een
                                            aanvraag om advies mandateren aan een of meerdere
                                            daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden
                                            (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen
                                            waarvan volgens hen het oordeel van de
                                            welstandscommissie als bekend mag worden
                                            verondersteld.</al></li>
                <li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het
                                            bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie.</al></li>
                <li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar.
                                            Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op
                                            verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot
                                            niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegd gezag
                                            daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de
                                            Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                            leggen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                            schriftelijk.</al></li>
                <li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of
                                            namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de
                                            aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                                            bouwen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet
                                            het voornemen heeft een gebied van de gemeente of een
                                            categorie bouwwerken uit te sluiten van
                                            welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende
                                            besluit niet dan nadat:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li>
                    <li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is
                                                  ingewonnen.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats
                                            op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150
                                            Gemeentewet vastgestelde verordening.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </afdeling>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>10 - OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (Vervallen)</label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (Vervallen)</label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen (Vervallen)</label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (Vervallen)</label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (Vervallen)</label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</label>
            </kop>
            <al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening
                                en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en
                                andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij
                                deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de
                                bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of
                                het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of
                                vervanging heeft gepubliceerd.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>11 - HANDHAVING</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 11.1 Bevel tot stilleggen van de bouw (Vervallen)</label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (Vervallen) </label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen (Vervallen)</label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 11.4 (Vervallen)</label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label> 12 - STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.1 Strafbare feiten (Vervallen) </label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek (Vervallen)</label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen</label>
            </kop>
            <al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid
                                van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of
                                wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47,
                                eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere
                                vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de
                                bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning (Vervallen)</label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (Vervallen)</label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.6 Overgangsbepaling algemeen</label>
            </kop>
            <al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming
                                anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze
                                wijzigingsverordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip
                                nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van
                                toepassing, zoals die luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij
                                de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen
                                worden toegepast.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.7 Slotbepaling</label>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1"><al>Deze verordening treedt in werking op 01 oktober 2010.</al></li>
              <li nr="2"><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Bouwverordening".</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Aldus gedaan door de raad der gemeente Hengelo in zijn openbare vergadering van 21 september 2010.</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>
          voorzitter,
        </ondertekening>
        <ondertekening>
          griffier
        </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 1</titel>
        </kop>
        <al>GEGEVENS EN BESCHEIDEN AANVRAAG BOUWVERGUNNING</al>
        <al>(Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1)</al>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 2</titel>
        </kop>
        <al>GEGEVENS EN BESCHEIDEN AANVRAAG GEBRUIKSVERGUNNING</al>
        <al>(Bijlage behorende bij artikel 6.1.2)</al>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 3</titel>
        </kop>
        <al>GEBRUIKSEISEN VOOR BOUWWERKEN</al>
        <al>(Bijlage behorende bij artikel 6.2.1 , eerste lid)</al>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 4</titel>
        </kop>
        <al>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                                niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties</al>
        <al>(Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, tweede lid)</al>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 5</titel>
        </kop>
        <al>OPSLAG BRANDGEVAARLIJKE STOFFEN</al>
        <al>(Bijlage behorend bij artikel 6.2.2)</al>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 6</titel>
        </kop>
        <al>OPSLAG BRANDGEVAARLIJKE STOFFEN</al>
        <al>(Bijlage behorend bij artikel 6.2.3)</al>
        <al>(Vervallen) </al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 7</titel>
        </kop>
        <al>KWALITEITSEISEN VOOR BUIZEN EN HULPSTUKKEN VAN DE BUITENRIOLERING OP
                                ERVEN EN TERREINEN</al>
        <al>(Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6)</al>
        <al/>
        <al>Artikel 1</al>
        <al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de
                                volgende:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren
                                        afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li>
          <li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren
                                        afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li>
          <li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor
                                        binnen- en buitenrioleringen';</al></li>
          <li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor
                                        vrij verval buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) –
                                        Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem'
                                        (Engelstalig);.</al></li>
          <li nr="e."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en
                                        hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder
                                        vrij verval Deel 1. Eisen (Engelstalig)', met inbegrip van
                                        de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 196, A2, uitgegeven
                                        1997, en A3, uitgegeven 1999;</al></li>
          <li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en
                                        hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder
                                        vrij verval Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername
                                        (Engelstalig), met inbegrip van aanvullingsblad A1,
                                        uitgegeven 1999;</al></li>
          <li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en
                                        hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder
                                        vrij verval Deel 3. Beproevingsmethoden (Engelstalig).</al><al/></li>
        </lijst>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 8</titel>
        </kop>
        <al>VISUELE INSPECTIE AANWEZIGHEID ASBEST</al>
        <al>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                                vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 9</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>REGLEMENT VAN ORDE VAN DE WELSTANDSCOMMISSIE</vet>
        </al>
        <al>In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de
                                (provinciale) welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk
                                is om een universeel toepasbare tekst voor een reglement van orde op
                                te nemen in de modelbouwverordening. De verschillen hebben onder
                                meer betrekking op het al dan niet werken met rayonarchitecten, het
                                al niet gebruik van subcommissies en het al dan niet samenwerken met
                                een monumentencommissie. Een reglement van orde, afgestemd op de
                                eigen werkwijze, stellen gemeenten in het algemeen op in
                                samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties waarbij zij
                                zijn aangesloten.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 10 Tabel 2.6.1</titel>
        </kop>
        <al>BRANDMELDINSTALLATIES</al>
        <al>(Bijlage behorende bij artikel 2.6.1) </al>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 11 Tabel 2.6.5</titel>
        </kop>
        <al>ONTRUIMINGSINSTALLATIES</al>
        <al>(Bijlage behorende bij artikel 2.6.5)</al>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 12 Tabel 2.6.8</titel>
        </kop>
        <al>VLUCHTROUTEAANDUIDING</al>
        <al>(Bijlage behorende bij artikel 2.6.8)</al>
        <al>(Vervallen)</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><lijst>
              <li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li>
              <li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom;</al></li>
              <li nr="c."><al>het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht,
                                                als bedoeld in artikel 9.9, eerste lid.</al></li>
            </lijst></li>
          <li nr="2."><al>Als gebieden, bedoeld in het vorige lid onder a tot en met
                                        c, gelden de gebieden die op de bij deze verordening
                                        behorende kaart als zodanig zijn aangegeven.</al><al/></li>
        </lijst>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>