<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR55586_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening IOAW/IOAZ 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Westvoorne</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Westvoorne</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Westvoornse Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening IOAW/IOAZ 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 147 van de Gemeentewet, artikel 20 en 35, eerste lid, sub b IOAW / IOAZ</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatregelenverordening IOAW/IOAZ 2010</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening IOAW/IOAZ 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsbesluit 2010.</al><al>Volgnr.</al><al>De raad van de gemeente Westvoorne;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 september
                        2010</al><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet, artikel 20 en 35, eerste lid, sub b
                        van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers, artikel 20 en artikel 35, lid 1 sub b van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen; </al><al> B E S L U I T:</al><al>vast te stellen: <vet>Maatregelenverordening IOAW/IOAZ 2010</vet>.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al><cursief>a. de wet</cursief>: de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen (IOAZ);</al><al><cursief>b. grondslag</cursief>: de van toepassing zijnde grondslag
                            bedoeld in artikel 5 van de wet;</al><al><cursief>c. uitkering</cursief>: het verschil tussen de grondslag en het
                            inkomen;</al><al><cursief>d. maatregel</cursief>: het weigeren dan wel het verlagen van
                            de uitkering op grond van artikel 20 van de wet; </al><al><cursief>e. het college</cursief>: het college van burgemeester en
                            wethouders van de gemeente Westvoorne. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het
                                bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, naar het
                                oordeel van het college een verplichting als bedoeld in art 13 van
                                de wet, artikel 30c, lid 2 en lid 3 van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of een grond van hoofdstuk
                                III van de wet aan de uitkering verbonden verplichtingen niet of
                                onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college
                                zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een
                                maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de grondslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de grondslag wordt verlaagd en/of het bedrag waarmee
                            de grondslag wordt verlaagd uitgaande van de grondslag en voor zover van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>1.Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende
                                    in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich
                                            sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                            het college of van een derde aan wie het college met
                                            toepassing van artikel 34, lid 3 van de wet
                                            werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed,
                                            om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
                                            verstrekken als bedoeld in artikel 13 van de wet;
                                            of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan <cursief>één jaar</cursief> vóór
                                        constatering van die gedraging door het college heeft
                                        plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                        inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg hiervan ten
                                        onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens
                                        schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na
                                        verloop van <cursief>vijf jaren</cursief> nadat de
                                        betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald, wordt de maatregel
                                opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op
                                de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor
                                die maand geldende grondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                binnen drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, van de verordening inhouden, worden de
                            percentages waarmee de bijstandsnorm wordt verlaagd bij elkaar opgeteld.
                            Het college kan de verlagingen ook over meerdere maanden verdelen. In
                            dat geval wordt de zwaarste maatregel als eerste ten uitvoer
                            gebracht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de arbeidsverplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            hoofdstuk III van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al>1. Eerste categorie:</al><al>Het niet als werkzoekende geregistreerd staan bij het
                            Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen en als zodanig geregisteerd
                            blijven, indien belanghebbende dat recht toekomt op grond van artikel
                            30b, lid 1 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                            inkomen.</al><al>2. Tweede categorie:</al><al>a. het in de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening en/of de
                            periode gedurende de bijstandsverlening niet naar vermogen trachten
                            algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al><al>b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al><al>3. Derde categorie:</al><al>a. gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;</al><al>b. het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college
                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in
                            artikel 37, lid 1 sub e van de wet, waaronder begrepen sociale
                            activering.</al><al>4. Vierde categorie:</al><al>a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al><al>b. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid;</al><al>c. het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college
                            aangeboden voorziening als omschreven in het derde lid onder b van de
                            verordening én deze gedraging heeft geleid tot voortijdige beëindiging
                            van het traject.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>1.Onverminderd artikel 2, tweede lid van de verordening, wordt de
                            maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als omschreven in
                            artikel 9 vastgesteld op:</al><al><cursief>a. vijf</cursief> procent van de grondslag gedurende een maand
                            bij gedragingen van de eerste categorie;</al><al><cursief>b. tien</cursief> procent van de grondslag gedurende een maand
                            bij gedragingen van de tweede categorie;</al><al><cursief>c. twintig</cursief> procent van de grondslag gedurende een
                            maand bij gedragingen van de derde categorie;</al><al><cursief>d. honderd</cursief> procent van de grondslag gedurende een
                            maand bij gedragingen van de vierde categorie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Te laat verstrekken van gevraagde gegevens</titel></kop><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 13 van de
                            wet niet tijdig is nagekomen door informatie die van belang is voor de
                            verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan niet binnen de
                            door het college gestelde termijn te verstrekken, wordt onverminderd
                            artikel 2, tweede lid van de verordening een maatregel van vijf procent
                            van de grondslag gedurende een maand opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 13 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte
                                of tot een te hoog bedrag verlenen van de uitkering, bedraagt de
                                maatregel, onverminderd artikel 2, tweede lid van de verordening,
                                    <cursief>tien procent </cursief>van de grondslag, met een
                                maximum van de verstrekte uitkering, gedurende <cursief>de periode
                                    dat de gedraging heeft plaatsgevonden</cursief>.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de maatregel niet of niet volledig kan worden opgelegd over
                                de periode dat de gedraging heeft plaatsgevonden, wordt deze
                                maatregel opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand
                                nadat het college het besluit tot het opleggen van de maatregel
                                heeft genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                            bedoeld in artikel 13 van de wet niet heeft geleid tot het ten onrechte
                            of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt de maatregel,
                            onverminderd artikel 2, tweede lid van de verordening, <cursief>vijf
                            </cursief>procent van de grondslag gedurende <cursief>een
                                maand</cursief>.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>(Meervoudige) recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende binnen <cursief>12 maanden</cursief> na
                                bekendmaking van een besluit waarbij</al><lijst><li nr="a."><al>een maatregel is opgelegd, of</al></li><li nr="b."><al>is afgezien van het opleggen van een maatregel op grond van
                                        dringende redenen als bedoeld in artikel 6 lid 2 van de
                                        verordening, of</al></li><li nr="c."><al>op grond van artikel 15 van de verordening een schriftelijke
                                        waarschuwing is gegeven, zich opnieuw schuldig maakt aan een
                                        verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie,
                                        wordt de duur van de maatregel verdubbeld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een tweede en eventuele volgende recidive kan hoogte en duur van
                                de maatregel verder worden verzwaard, waarbij in het uiterste geval
                                algehele en blijvende uitsluiting van de uitkering het gevolg kan
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Waarschuwing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een verwijtbare gedraging kan worden volstaan met het geven van
                                een schriftelijke waarschuwing indien het college van oordeel is dat
                                de belanghebbende door die waarschuwing zijn of haar gedrag in de
                                toekomst zal aanpassen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waarschuwing is niet mogelijk indien de verwijtbare gedraging
                                plaatsvindt binnen een periode van <cursief>twee jaar</cursief> te
                                rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De waarschuwing telt mee voor de vaststelling van recidive als
                                bedoeld in artikel 14 van de verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, indien toepassing van de verordening tot
                                onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 november 2010</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening
                            IOAW/IOAZ 2010.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van 26/28 oktober 2010</ondertekening><ondertekening> De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Nota-toelichting</titel></kop><al>Algemene toelichting</al><al>De Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten is met ingang
                    van 1 januari 2010 in werking getreden.</al><al>Met deze nieuwe wet worden de gemeentelijke middelen voor de Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandverlening
                    zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor zover dat betrekking heeft op algemene
                    bijstand aan startende ondernemers, alsmede de Wet werk en inkomen kunstenaars
                    (WWIK) gebundeld met het Inkomensdeel voor de Wet werk en bijstand (WWB). Met de
                    invoering van deze gebundelde uitkering krijgt de gemeente één budget voor de
                    bekostiging van uitkeringen op grond van de WWB, de IOAW, de IOAZ en het Bbz
                    2004.</al><al>Gemeente Rotterdam is voor onze regio aangewezen als centrumgemeente voor de
                    uitvoering van de WWIK.</al><al/><al>De financieringssystematiek van de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 wijzigt
                    eveneens. </al><al>De IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 kennen tot 1 januari 2010 een
                    financieringssystematiek van 75% declaratie en 25% eigen budget. Het
                    gecombineerde declaratie- en budgetsysteem voor deze uitkeringskosten wordt
                    vervangen door een systeem van volledige budgetfinanciering, zoals dit nu van
                    toepassing is voor het WWB-Inkomensdeel. </al><al>Aldus ontstaat voor de gemeente, meer dan eerst, een direct belang om de
                    regelingen zo goed en doeltreffend mogelijk uit te voeren. </al><al>De IOAW en de IOAZ kennen analoog aan de Wet werk en bijstand een
                    uitstroomdoelstelling en geven de gemeente de instrumenten om het volume aan
                    uitkeringsgerechtigden te beïnvloeden. De financiële prikkel van het
                    Inkomensdeel past volledig op de daaraan toe te voegen IOAW- en IOAZ-middelen,
                    aldus het rijk.</al><al/><al>Vanwege de beperkte voorspelbaarheid van deze kosten blijft een aparte
                    financiering (75% declaratie en 25% eigen budget) in het kader van het Bbz 2004
                    voor de kosten van levensonderhoud van gevestigde zelfstandigen en voor
                    bedrijfskapitaal gehandhaafd.</al><al/><al>Bij een systeem van volledige budgetfinanciering past dat administratieve eisen
                    worden afgeschaft en verplichtingen voor gemeenten worden omgezet in
                    bevoegdheden, bijvoorbeeld ten aanzien van de frequentie van heronderzoeken en
                    de terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen. Ook de verplichting
                    voor het college om in het kader van de IOAW en de IOAZ bij bepaalde
                    overtredingen met toepassing van het (rijks) Maatregelenbesluit Abw, IOAW en
                    IOAZ een maatregel op te leggen wordt omgezet in een bevoegdheid en de
                    bestuurlijke boete in de IOAW en IOAZ komt te vervallen. Wel is in artikel 35
                    met inachtneming van het bepaalde in artikel 20 van zowel de IOAW als de IOAZ de
                    verplichting opgenomen voor de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen
                    met betrekking tot maatregelen.</al><al>Het opstellen dan wel aanpassen van verordeningen vergt voorbereidingstijd voor
                    gemeenten. Vanwege deze benodigde voorbereidingstijd treedt deze bepaling later
                    in werking, namelijk met ingang van 1 juli 2010.</al><al>Met betrekking tot de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van
                    voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling voorziet de Reïntegratieverordening
                    Wet werk en bijstand en het beleidsplan 2010 Participatiebudget.</al><al/><al>Artikel 20 IOAW / IOAZ luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren naar de mate
                            waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als
                            bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven,
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden
                                    ten grondslag ligt</al><al>in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
                                    en de </al><al>belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                    belanghebbende zonder</al><al>dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden,
                                    dat deze</al><al>voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden
                                    gevergd;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    aanvaarden; of</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde
                                    arbeid</al><al>verkrijgt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld
                            in artikel 35, lid 1, sub b ter zake van het niet of onvoldoende nakomen
                            door de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het
                            bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, van een
                            verplichting als bedoeld in artikel 13 of in artikel 30c, lid 2 en lid 3
                            van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of een op
                            grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders
                            dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, lid 1, sub c, waaronder
                            begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen.</al></li><li nr="3."><al>Van een verlaging als bedoeld in lid 2 wordt afgezien, indien elke vorm
                            van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="4."><al>Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het
                            instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de
                            dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot het
                            opleggen van een maatregel op grond van lid 1.</al><al/><al>De maatregelenverordening biedt de basis voor het opleggen van een
                            maatregel. Daarbij is het aspect van rechtszekerheid voor de burger van
                            groot belang. De verordening geeft aan in welke gevallen er een
                            maatregel opgelegd kan worden. Dat houdt tevens in, dat het niet
                            toegestaan is om een zwaardere sanctie op te leggen dan volgens de
                            verordening is toegestaan.</al><al/></li></lijst><al/><al>Artikelgewijze toelichting</al><al/><al>Artikel 1. Begripsomschrijving </al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de Wet inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                    zelfstandigen (IOAZ).</al><al>In de verordening wordt het begrip belanghebbende gebruikt. Dit begrip wordt in
                    artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als degene wiens belang
                    rechtstreeks bij een besluit is betrokken.</al><al/><al>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</al><al>Lid 1 </al><al>De IOAW / IOAZ verbindt aan het recht op uitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 37). Dit houdt in:</al><lijst><li nr="a."><al>naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>als werkzoekende geregistreerd staan bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;</al></li><li nr="c."><al>algemeen geaccepteerde arbeid aanvaarden;</al></li><li nr="d."><al>nalaten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;</al></li><li nr="e."><al>gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening,
                                    waaronder begrepen sociale activering, gericht op
                                    arbeidsinschakeling, alsmede meewerken aan een onderzoek naar de
                                    mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De informatieplicht (artikel 13, lid 1). Op een uitkeringsgerechtigde
                            rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen
                            beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan
                            hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn, dat zij van invloed kunnen zijn
                            op zijn arbeidsinschakeling of het recht op uitkering.</al></li><li nr="3."><al>De medewerkingsplicht (artikel 13, lid 2). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                            medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals het toestaan van huisbezoek of het meewerken aan een psychologisch
                            onderzoek.</al></li></lijst><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft
                    de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale
                    organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing
                    door het college (artikel 30c, lid 2 en lid 3 Wet SUWI) en de verplichting om op
                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te
                    delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering,
                    het geldend maken van het recht op uitkering of de hoogte of de duur van de
                    uitkering.</al><al/><al>Lid 2</al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging van de grondslag.</al><al>In dit artikellid is de hoofdregel neergelegd, dat het college een op te leggen
                    maatregel dient af te stemmen op de individuele omstandigheden van
                    belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich
                    mee, dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet
                    op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde
                    afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel
                    geboden is.</al><al>Dit betekent, dat bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd, en
                    zo ja welke, telkens de volgende </al><al>drie stappen moeten worden doorlopen:</al><al>stap 1 → het vaststellen van de ernst van de gedraging;</al><al>stap 2 → het vaststellen van de verwijtbaarheid;</al><al>stap 3 → het vaststellen van de omstandigheden van de
                    uitkeringsgerechtigde.</al><al/><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het percentage waarmee de
                    grondslag wordt verlaagd alsmede de duur hiervan. </al><al>Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar
                    de toelichting bij artikel 6.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld aan de orde zijn bij</al><al>bijzondere financiële omstandigheden van belanghebbende, zoals bijvoorbeeld:
                    hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor
                    geen financiële tegemoetkoming mogelijk is.</al><al/><al>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de grondslag. </al><al/><al>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel </al><al>Het verlagen van de uitkering vanwege een op te leggen maatregel vindt plaats
                    door middel van een besluit. </al><al>Indien een maatregel met terugwerkende kracht wordt opgelegd, moet een besluit
                    tot herziening van de uitkering worden genomen (artikel 17, lid 3 IOAW / IOAZ). </al><al>Tegen beide besluiten kan door belanghebbende bezwaar en beroep worden
                    aangetekend.</al><al>Aangegeven staat, wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze
                    eisen vloeien rechtstreeks voort</al><al>uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel.
                    Het motiveringsvereiste houdt onder andere in, dat een besluit kenbaar is en van
                    een deugdelijke motivering moet zijn voorzien.</al><al>Een maatregel wordt voor een bepaalde tijd opgelegd. Door een maatregel voor een
                    bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een
                    maatregel wordt geconfronteerd, waar hij aan toe is. Na afloop van de periode
                    waarvoor de maatregel is getroffen, kan opnieuw een maatregel worden opgelegd.
                    Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig.</al><al/><al>Artikel 5. Horen van belanghebbende </al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    belanghebbende verplicht bij</al><al>de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de
                    voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële
                    aanspraak (artikel 4:12 awb), behalve bij subsidies.</al><al>In dit artikel wordt het horen van belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven. Lid 2 bevat een aantal uitzonderingen op
                    deze hoorplicht.</al><al/><al><vet>Bij het verlagen van de uitkering wegens het niet nakomen van
                        arbeidsverplichtingen staat het corrigerende (reparatoire) karakter voorop.
                        Als echter een maatregel wordt opgelegd vanwege agressief gedrag (LJN:
                        BC1811 en BE8919) of schending van de inlichtingenplicht (LJN: BA7556), is
                        er op basis van de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep sprake van
                        een punitieve sanctie, waarin leedtoevoeging centraal staat. </vet></al><al><vet>Bij het opleggen van een punitieve sanctie dient met bepaalde
                        rechtswaarborgen rekening te worden gehouden (onder meer de cautie, de
                        mededeling aan belanghebbende dat deze het recht heeft om te zwijgen alsmede
                        het nemotenetur beginsel, d.w.z. het beginsel dat niemand aan het tot stand
                        brengen van bewijs tegen zichzelf hoeft mee te werken).</vet></al><al/><al>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel</al><al>Lid 1</al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is in artikel 20, lid 3 IOAW / IOAZ geregeld.
                    Zonodig kan het college in beleidsregels neerleggen hoe om te gaan met de
                    beoordeling van de verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te geven welke
                    gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en welke gedragingen in
                    beginsel nooit. Ook kan in beleidsregels worden vastgelegd in welke gevallen
                    sprake is of kan zijn van verzachtende omstandigheden.</al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is, dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit is het nodig, dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><al>Om deze reden is onder b geregeld, dat geen maatregelen meer worden opgelegd
                    voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.</al><al/><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte uitkering is verleend of een te hoog bedrag aan
                    uitkering is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar. </al><al>Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die staat in het oude artikel
                    20e van de IOAW / IOAZ in verband met het opleggen van een boete wegens
                    niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de
                    hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de
                    gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het
                    benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Hierin wordt geregeld, dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig worden geacht. Wat
                    dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet
                    op voorhand worden vastgelegd.</al><al/><al>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</al><al>Lid 1</al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="-"><al>door middel van een verlaging van de uitkering gedurende de
                            eerstvolgende maand(en);</al></li><li nr="-"><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering.</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. In dit geval behoeft niet te worden overgegaan tot
                    herziening van het recht op uitkering en terugvordering van de hieruit
                    voortvloeiende te veel verstrekte uitkering. Om die reden is in dit lid
                    vastgelegd, dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                    kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                    grondslag.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Wanneer de uitkering nog niet aan de uitkeringsgerechtigde is uitbetaald wordt
                    de maatregel in afwijking van lid 1 met terugwerkende kracht opgelegd. </al><al/><al>Lid 3</al><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Wordt een maatregel voor een
                    langere duur dan drie maanden opgelegd, dan onderwerpt het college de maatregel
                    aan een herbeoordeling. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij artikel 18 lid 3
                    WWB.</al><al/><al>Volstaan kan worden met een marginale beoordeling: het college moet beoordelen
                    of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij wordt
                    gekeken naar de omstandigheden waarin belanghebbende verkeert, maar ook of de
                    betreffende persoon inmiddels wel aan zijn verplichtingen is gaan voldoen. </al><al/><al>Artikel 8. Samenloop van gedragingen </al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een uitkeringsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden.</al><al/><al>Dit artikel ziet niet toe op de situatie, dat belanghebbende zich na
                    bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig
                    maakt aan verwijtbaar gedrag. Dit is dan namelijk een nieuwe latere gedraging
                    waarvan opnieuw moet worden beoordeeld of daarvoor een maatregel gerechtvaardigd
                    is.</al><al/><al>Artikel 9. Indeling in categorieën</al><al>De gedragingen die verband houden met het niet dan wel onvoldoende nakomen van
                    de arbeidsplicht, worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst
                    van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger
                    geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen
                    of behouden van betaalde arbeid.</al><al/><al>Onderdeel 1 </al><al>De eerste categorie betreft de verplichting om als werkzoekende geregistreerd te
                    (blijven) staan bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</al><al/><al>Onderdeel 2</al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, bijvoorbeeld de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om
                    voldoende te solliciteren. </al><al>Voorts valt onder deze categorie de verplichting van belanghebbende alle
                    medewerking te verlenen bij het onderzoek naar zijn mogelijkheden op het terrein
                    van arbeidsinschakeling, alsmede de verplichting desgevraagd op tijd en de
                    juiste plaats te verschijnen in het kader van zijn arbeidsinschakeling. </al><al/><al>Onderdeel 3 </al><al>Bij de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een langer beroep op uitkering dan strikt noodzakelijk wordt geacht. Het
                    gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                    aanvaarding van arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij
                    sollicitaties en onvoldoende medewerking aan een opgesteld trajectplan.</al><al/><al>Onderdeel 4 </al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag algemeen
                    geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand deeltijdarbeid
                    niet behouden.</al><al/><al>Ook kan het gaan om gedragingen die leiden tot het geen doorgang vinden of
                    voortijdig beëindigen van het traject. Het gaat hier om dezelfde soort
                    gedragingen als bedoeld in lid 3 onder b, echter met dit belangrijk verschil dat
                    de gedraging heeft geleid tot het (definitief) geen doorgang vinden of afbreken
                    van een traject.</al><al/><al>In de praktijk zal beëindiging van een traject veelal pas plaatsvinden nadat de
                    belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk heeft laten blijken niet mee te
                    willen werken aan voorzieningen gericht op een zo spoedig mogelijke inschakeling
                    in het arbeidsproces.</al><al/><al>Ook kan een zeer ernstige gedraging, bijvoorbeeld diefstal tijdens een
                    proefplaatsing, tot beëindiging van het traject leiden. In alle gevallen betreft
                    het gedragingen die de kans op uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk
                    maken. Zonder traject is inschakeling in de arbeid voor de desbetreffende
                    belanghebbende immers niet mogelijk.</al><al/><al>Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel</al><al>Lid 1</al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid of het behouden
                    hiervan, worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is het
                    proportionaliteits- en evenredigheidsbeginsel in ogenschouw genomen. De
                    opgelegde maatregel dient in een redelijke verhouding te staan tot de gedraging.
                    Dit betekent, dat de maatregel een groter financieel effect op de uitkering
                    heeft naarmate de gedraging ernstiger is. Voorts wordt met de op te leggen
                    maatregel gedragsverandering bij de uitkeringsgerechtigde beoogd.</al><al/><al>Artikel 11. Te laat verstrekken van gegevens</al><al>Lid 1</al><al>Indien belanghebbende de voor de verlening van uitkering van belang zijnde
                    gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt en de feiten en
                    omstandigheden niet kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk
                    voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens dan wel kunnen worden verkregen
                    uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties, kan - voor zover van
                    toepassing - het recht op uitkering worden opgeschort (artikel 17, lid 1). </al><al>Vervolgens wordt belanghebbende alsnog in de gelegenheid gesteld om zijn verzuim
                    binnen een gestelde termijn te herstellen (de hersteltermijn).</al><al/><al>Als de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn wordt verstrekt,
                    wordt de uitkering stopgezet (het intrekken van het besluit tot toekenning van
                    uitkering). Als de gevraagde gegevens wel binnen de hersteltermijn worden
                    verstrekt, wordt de uitkering voortgezet waarbij een maatregel wordt
                    opgelegd.</al><al/><al>Artikel 12. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                    voor de uitkering</al><al>Lid 1</al><al>In artikel 13, lid 1 IOAW / IOAZ is bepaald, dat belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn arbeidsinschakeling of het recht op uitkering. </al><al>Lid 2</al><al>Indien het ten onrechte verstrekte bedrag hoger is dan 90 % van de grondslag kan
                    de maatregel niet of niet volledig worden geëffectueerd. In die gevallen kan de
                    maatregel over de toekomstige uitkering worden opgelegd, althans indien en
                    voorzover er sprake is van een lopende uitkering.</al><al/><al>Artikel 13. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen
                    voor de uitkering</al><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld, ofwel het verstrekken
                    van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen
                    heeft voor het recht op uitkering of de hoogte hiervan. </al><al>Een voorbeeld hiervan is het niet melden van vrijwilligerswerk.</al><al/><al>Artikel 14. (Meervoudige) recidive</al><al>Lid 1</al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerdere verwijtbare gedraging sprake is van
                    herhaling van een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie,
                    wordt de grote mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de duur van de maatregel. Een eerdere verwijtbare gedraging
                    waarbij om dringende redenen is afgezien van het opleggen van een maatregel,
                    wordt in dit kader mede in aanmerking genomen. </al><al>Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden geldt het tijdstip
                    waarop de vorige gedraging heeft plaatsgevonden.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde
                    verwijtbare gedrag vertoont, wordt vanwege zware verwijtbaarheid tevens de
                    hoogte van het percentage verdubbeld. Als belanghebbende ook na een derde
                    maatregel blijft volharden in zijn gedrag, dient de hoogte en de duur
                    individueel te worden vastgesteld, waarin gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van belanghebbende.</al><al/><al>Artikel 15. Waarschuwing</al><al>Lid 1 </al><al>Bij een eerste overtreding is het mogelijk om bij een eerste overtreding te
                    volstaan met een waarschuwing. Dit kan alleen als de gemeente van oordeel is dat
                    belanghebbende zijn of haar gedrag aanpast door de waarschuwing. Het is dus geen
                    automatisme.</al><al>Bij het geven van een waarschuwing dient aangegeven te worden welke maatregel
                    opgelegd had moeten worden.</al><al/><al>Artikel 16 t/m artikel 18.</al><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>